| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F Beekheuvel 3, Siebengewald |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0893.TOP25001H22FBEE3-VA01 |
De initiatiefnemer heeft de wens om huidige agrarische bedrijfsbestemming op het perceel Beekheuvel 3 in Siebengewald om te zetten naar de functie wonen. Hij heeft daarbij de wens om de bedrijfsgebouwen grotendeels te handhaven voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden bedrijf.
Op 18 december 2023 heeft het college besloten om in te stemmen met het principeverzoek om medewerking te verlenen aan deze functiewijziging naar wonen. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Bergen (L) dat sinds de invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 van kracht is (voorheen: het bestemmingsplan), maar dit initiatief wel passend is op de locatie, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties conform de Omgevingswet.
Het plangebied is gelegen aan de Beekheuvel 3 ten zuiden van de kern Siebengewald in het buitengebied van de gemeente Bergen (L). Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Bergen Limburg, sectie P, nummers 176 en 591. Navolgende afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)
De gemeente Bergen beschikt nog niet over een omgevingsplan dat is opgesteld op grond van de Omgevingswet. Daarom is voorliggend initiatief getoetst aan het geldende, tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voor de locatie geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', vastgesteld door de gemeente Bergen op 13 december 2022. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4'. Voorts is er een bouwvlak opgenomen en de aanduiding 'erf' voor de gronden buiten het bouwvlak.
Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone – schuilgelegenheden uitgesloten'. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het vigerende planologische regiem.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening' (omgevingswet.overheid.nl)
Onderhavige motivering bevat de inhoudelijke onderbouwing van het initiatief. Hoofdstuk 2 begint met een beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het voor het plan relevante beleid van gemeente, provincie en Rijk. In de hoofdstukken 4 en 5 wordt de nieuwe ontwikkeling getoetst aan diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en de toedeling van functies aan locaties. Daarna komt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een toelichting gegeven op de juridische opzet.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
De locatie is gelegen aan de Beekheuvel in het buitengebied van Siebengewald. Het betreft een voormalig agrarisch bedrijf, waar de agrarische bedrijfsactiviteiten al jaren geleden zijn beëindigd. Op het perceel staan twee bedrijfsgebouwen, in een L-vorm ten opzichte van elkaar gepositioneerd. Aan de voorzijde van het perceel staat de bedrijfswoning.
De omgeving kenmerkt zich als een relatief open landelijk gebied. Naast agrarische bedrijven zijn er ook woningen en andere niet-agrarische bedrijven aanwezig. Onderstaande foto's geven een beeld van de locatie.
Luchtfoto waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)
Zicht op de locatie vanaf de Beekheuvel (bron: Google Maps)
De initiatiefnemer heeft de wens om de huidige agrarische bedrijfsbestemming met een bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woonfunctie met bijgebouwen. De overige gronden houden hun agrarische functie, maar zonder bouwvlak.
Aan de achterzijde wordt een deel van de opstallen gesloopt. De oppervlakte van de bijgebouwen vermindert daardoor van ca. 550 m² naar ca. 470 m². Renovatie van de schuren zal leiden tot een verbetering van het aanzien van de gebouwen. In het pand is mogelijk een steenuil aanwezig (zie paragraaf 5.3) wat het wenselijk maakt om de schuur grotendeels te handhaven. Voorts zal een aanzienlijk deel van de bestaande erfverharding worden verwijderd en wordt de landschappelijke inpassing van het perceel versterkt, onder meer door de aanplant van twee bomen (beuk en tamme kastanje) en de aanplant van een bomensingel/bossage aan de tuinzijde van de woning. Deze bossage wordt minimaal 5 meter breed en bestaat uit en mix van verschillende inheemse soorten bomen en struiken. Aan de voorzijde van het perceel is een nieuwe haag van glansmispel aangeplant. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in bijlage 2 en als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.
Onderstaande afbeeldingen geven in vogelvlucht het beeld van de gebouwen aan de achterzijde, in de huidige en de toekomstige situatie. Diverse aanbouwen aan de achterkant van de bedrijfsgebouwen worden gesaneerd. Van de grote schuur wordt het asbestdak vervangen door een nieuwe dakbedekking. Uit de afbeeldingen blijkt ook de vergroening van het perceel.
Bestaande situatie aan de achterzijde van het perceel
Toekomstige situatie aan de achterzijde
Het pand met de huidige bedrijfswoning wordt volledig als woning ingericht. Er is geen ruimte voor de stalling van auto's, een aanhangwagen, tuingereedschap, een zitmaaier, kleine tractor en bijbehorende tuinmachines die nodig zijn voor het beheer van de gronden. De opslag hiervan dient in de bijgebouwen plaats te vinden. Naast het gebruik van de bijgebouwen ten behoeve van het perceelonderhoud, wordt een deel van de bijgebouwen gebruikt voor een aan-huis-verbonden-bedrijf. Dit betreft de opslag van materialen en gereedschappen voor interieurbouw. De bedrijfsbus zal hierbij ook in de bijgebouwen geparkeerd worden. Er vindt geen productie plaats.
De overige ruimte in de bijgebouwen wordt gebruikt voor de stalling van de eigen caravan en voor de huisvesting van een aantal hobbymatig te houden dieren, zoals enkele kippen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.
Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.
De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Gebiedsgericht
De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.
Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:
Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden
Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang. De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.
Het plan past binnen het rijksbeleid.
De Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. In de Omgevingsvisie Limburg is de lange termijn visie van de provincie Limburg beschreven. In de visie staat beschreven hoe de provincie richting wil geven aan toekomstbestendige ontwikkeling en hoe daarbij steeds de balans wordt gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De provincie geeft met deze visie een doorkijk voor de periode 2021 tot 2030 - 2050.
De Omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is in een interactief proces met overheden, semi-overheden, belangenvertegenwoordigers, andere partnerorganisaties en inwoners opgesteld. De visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes. Op andere onderdelen zijn nieuwe keuzes gemaakt.
De Omgevingsvisie richt zich op de langere termijn (2030-2050) en richt zich op drie hoofdopgaven:
Bij de afweging tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving worden de zogeheten Limburgse principes gehanteerd:
De Omgevingsverordening Limburg voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Planspecifiek
De locatie ligt in het gebied dat is aangewezen als groenblauwe mantel. Artikel 7.5 en 7.6 van de Omgevingsverordening Limburg bevatten regels voor de kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel:
Artikel 7.5 Kernkwaliteiten de groenblauwe mantel
De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn:
Artikel 7.6 Instructieregels kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel
De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel beschrijft:
Het beekdal van de Horsterbeek is aangewezen als groenblauwe mantel. De planlocatie ligt aan de rand van dit beekdallandschap. Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype is de doorgaande, natte structuur waardoor het beekdal functioneert als een ecologische verbindingszone. De randen van het beekdal waren de eerste bewoningsplaatsen. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen nog maar weinig herkenbaar.
Voor de locatiespecifieke invulling van de kernkwaliteiten van de groenblauwe mantel is mede aangesloten bij het gemeentelijke Landschapsplan Bergen, zoals beschreven in paragraaf 3.3.2. Dit Landschapsplan bevat een gebiedsgerichte analyse van de ontstaansgeschiedenis, landschappelijke opbouw, cultuurhistorische waarden, aanwezige landschapselementen en passende ontwerpprincipes voor landschappelijke inpassing in het buitengebied. De planlocatie ligt binnen het landschapstype Leege Heide. Kenmerkend voor dit landschapstype zijn de grootschalige landbouwontginningen, het grootmazige stelsel van lanen van zomereik, de oude ontginningen en gehuchten bij Siebengewald, houtwallen met eikenhakhout en oudere eikenlanen. Voor ontwikkelingen en vrijkomende agrarische bebouwing worden onder meer robuuste singels of lanen met zomereik of linde als hoofdboomsoort, bosjes rondom bebouwing, houtwallen met eik bij oude ontginningen, erfbeplanting, boerenbongerdjes, hagen en vrijstaande inheemse bomen als passende inpassingsmaatregelen genoemd.
Het in paragraaf 2.2 beschreven toekomstbeeld, inclusief de bijbehorende landschappelijke inpassing, sluit aan bij deze gebiedskenmerken en ontwikkelrichting en maakt inzichtelijk welke landschappelijke maatregelen nieuw worden toegevoegd. In het landschappelijk inpassingsplan, opgenomen in bijlage 2, is via de legenda aangegeven welke maatregelen worden getroffen, waaronder de aanplant van bomen, een haag, versterking van de bomensingel/bossage en de sloop van bebouwing. Daarmee wordt het groene karakter van het erf versterkt, blijft het visueel-ruimtelijke karakter van het omliggende open ontginningslandschap behouden en wordt aangesloten bij de cultuurhistorisch bepaalde landschapsstructuur van Leege Heide.
Het plangebied maakt onderdeel uit van de bredere groenblauwe mantel rond het beekdal van de Horsterbeek, maar betreft zelf een bestaand voormalig agrarisch erf. De waarde van het plangebied als ecologische verbinding en voor de instandhouding van natuurdoeltypen in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg is daardoor vooral ondersteunend van aard. Het plan leidt niet tot doorsnijding, verharding of uitbreiding van bebouwing in de verbindende landschappelijke structuur. Door sloop van bebouwing, verwijdering van erfverharding en versterking van erfbeplanting wordt de groene inrichting van het erf juist versterkt. Ook de waarde voor water en waterberging wordt niet aangetast, omdat het verhard oppervlak afneemt en meer ruimte ontstaat voor infiltratie op eigen terrein. Gelet op de aard van het plan, de ligging op een bestaand erf en de in het plan geborgde kwaliteitsmaatregelen treedt op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies op van de waarden van de groenblauwe mantel. Omdat negatieve effecten op deze waarden niet optreden, is compensatie als bedoeld in artikel 7.6, onder g, van de Omgevingsverordening Limburg niet aan de orde.
Voorliggend plan betreft de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonfunctie met een aan huis-verbonden-beroep. De ruimtelijke impact van het initiatief is beperkt en heeft weinig raakvlak met het provinciaal beleid. De sloop en herinrichting van het erf hebben geen nadelige invloed op de kernkwaliteiten van de groenblauwe mantel, maar dragen daar juist in positieve zin aan bij.
Het initiatief is passend binnen het provinciaal beleid.
In de Omgevingsvisie Bergen 2030, vastgesteld op 23 april 2019, is aangegeven in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst gemeente Bergen aan de tien navolgende uitgangspunten van deze visie:
Veel van de ambities en projecten die in de Omgevingsvisie worden beschreven geven vooral een gewenste ontwikkelingsrichting aan. Ze zullen in de komende jaren verder worden ingevuld in (sectorale) uitwerkingsplannen en projecten.
Initiatieven worden beoordeeld op de betekenis voor de gemeente als geheel en op de mate waarin het voldoet aan de ambities uit de Omgevingsvisie. Vervolgens wordt beoordeeld of de locatie voldoende geschikt is voor de ontwikkeling van het initiatief en of de invulling van de locatie voldoende bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de locatie en directe omgeving.
Planspecifiek
Op de Visiekaart van bij de Omgevingsvisie is de planlocatie (de rode cirkel op onderstaande afbeelding) gelegen op het middenterras in het primair agrarisch gebied, niet ver van het Natura 2000-gebied Maasduinen. Dit gebied is in de basis bedoeld voor grootschalige landbouw, met beperkte ruimte voor intensieve veehouderijen. Het agrarisch bedrijf aan de Beekheuvel 3 betreft echter een kleinschalig agrarisch bedrijf zonder toekomstperspectief, in de directe nabijheid van twee andere burgerwoningen. Een nieuwe functie als burgerwoning ligt hiermee voor de hand.
Uitsnede van de Visiekaart 2030 waarbij het projectgebied rood omcirkeld (Bron: Omgevingsvisie Bergen 2030)
De functiewijziging van agrarisch naar wonen heeft geen impact op de omgeving. Door het nemen van landschappelijke maatregelen (zie paragraaf 2.2 en bijlage 2) wordt een bijdrage geleverd aan het uitgangspunt 'versterken natuurwaarden en biodiversiteit'. De nieuwe landschapselementen zorgen voor nieuwe schuil- en foerageergelegenheden voor verschillende diersoorten. Dit in combinatie met het streven naar minder verharding en het afkoppelen van hemelwater draagt het bij aan het streven om de meest toekomstbestendige gemeente van Nederland te zijn. Het toestaan van aan-huis-verbonden bedrijvigheid past in de wens om meer kansen te bieden voor kleinschalige bedrijvigheid om zo een aantrekkelijke woongemeente te zijn en blijven.
Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie Bergen 2030.
In 2013 heeft de gemeente Bergen het 'Landschapsplan gemeente Bergen, Verkenning van het landschap, afwegingskader landschappelijke inpassing' gepubliceerd. Het meer dan 11.000 hectare grote, langgerekte buitengebied van de gemeente Bergen in Noord-Limburg kent een aantal kenmerkende landschappelijke kwaliteiten. Het Maasdal, de rivierduinen en de verschillende grote en kleinere landbouwgebieden zijn de belangrijke beelddragers. Het concreet benoemen en herkennen van de bouwstenen van deze landschappen, met name groene en cultuurhistorische elementen, vormt de basis van een verantwoorde omgang ermee. In het landschapsplan wordt een samenvattend overzicht gegeven van de ontstaansgeschiedenis van het gebied, wordt kort ingegaan op het [regionaal] landschapsbeleid; en wordt een compleet overzicht gegeven van de thans aanwezige landschapselementen.
In het tweede deel wordt aan de hand van een aantal voorbeelden nader ingegaan op het aspect van bebouwing in het buitengebied en de landschappelijke inpassing daarvan. Hiermee wordt gepoogd een leidraad op te stellen voor de bewoners en gebruikers van het buitengebied om zodoende de kwaliteiten van het gebied te behouden en mogelijk verder te ontwikkelen.
Planspecifiek
Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de kaart met landschappelijke eenheden uit het landschapsplan van de gemeente. De ligging van het project is aangeduid met de rode cirkel.
Uitsnede van de kaart met landschappelijke eenheden waarbij het plangebied rood omkaderd (bron: Landschapsplan gemeente Bergen)
Kenmerkend voor het ter plaatse voorkomende Leege Heide landschap zijn de grootschalige landbouwontginningen met grootmazig stelsel van lanen van zomereik, oude ontginningen en gehuchten. Gewenste landschappelijke ontwikkelingen binnen dit gebied zijn inpassingen die voorzien in onder andere robuuste singels of lanen met zomereik of linde als hoofdboomsoort, bosjes rondom oude stallen en houtwallen met eik bij de oude ontginningen.
In relatie tot voorliggend initiatief wordt het plangebied landschappelijke ingepast, waarbij de ontwikkelingsdoelstellingen uit het landschapsplan van de gemeente in acht zijn genomen. De inrichting van het plangebied volgens het landschappelijk inpassingsplan als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Daarmee is planologisch geborgd dat voorliggend initiatief voorziet in landschapsversterking.
Het initiatief past binnen het landschapsplan van de gemeente Bergen.
In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018' (nu deel uitmakend van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Bergen), heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch' (zie ook paragraaf 1.3).
In artikel 3.8.1 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestemming ter plaatse van de aanduidingen 'bouwvlak' en 'erf' kan worden gewijzigd in 'Wonen'.
Onder de Omgevingswet kan geen gebruik meer worden gemaakt van wijzigingsbevoegdheden. Uit oogpunt van continuïteit van beleid is het wel wenselijk om voorliggend initiatief te toetsen aan de voorwaarden van de functiewijzing.
3.8.1 Wonen
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'erf' wijzigen in de bestemming 'Wonen', onder de voorwaarden dat:
Toetsing
De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. Er wordt echter niet geheel voldaan aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan. De oppervlakte van de te handhaven bijgebouwen bedraagt ca. 470 m² en dat is meer dan het maximum van 400 m². De activiteit is in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige motivering is opgesteld.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze aangetoond wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.
Planspecifiek
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Limburg. Binnen het plangebied zijn geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen aanwezig.
Waterberging
Het initiatief zorgt voor een afname van het verhard oppervlak door sloop van gebouwen en sanering van erfverharding. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding.
Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.
Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
Planspecifiek
In de huidige situatie is de woning reeds aanwezig. Bij het omzetten naar een reguliere woonfunctie wordt deze niet anders getoetst dan nu het geval is. In de directe omgeving van de locatie zijn bovendien geen bedrijven of andere functies aanwezig die mogelijke hinder zouden kunnen opleveren. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt aan de Beekheuvel 6 op ruim 170 meter afstand van de planlocatie. Voor agrarische bedrijven bedraagt de richtafstand uit oogpunt van geluid 30 meter. Daar wordt ruimschoots aan voldaan. Het toekennen van een woonfunctie leidt niet tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf. Het aspect geur van agrarische bedrijven komt aan de orde in paragraaf 4.5.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Planspecifiek
In de bestaande situatie is reeds een bedrijfswoning aanwezig, deze wordt nu planologisch gewijzigd in een reguliere woonfunctie. Er worden geen bouwwerkzaamheden uitgevoerd die bodemonderzoek noodzakelijk maken. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is nader bodemonderzoek niet nodig.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Niet in betekende mate (NIBM)
Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. De gemeente Bergen (L) ligt niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.
Planspecifiek
In de huidige situatie is er reeds een woning aanwezig. De bestemming 'Agrarisch' wordt verwijderd, het mogelijke aantal verkeersbewegingen neemt daardoor af. Het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging.
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.
Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.
| Geurgevoelig gebouw | Standaardwaarde | Grenswaarde |
| Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied | 2,0 ouE/m3 | 8,0 ouE/m3 |
| Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied | 3,0 ouE/m3 | 14,0 ouE/m3 |
| Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied | 8,0 ouE/m3 | 20,0 ouE/m3 |
| Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied | 14,0 ouE/m | 35,0 ouE/m3 |
Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.
Planspecifiek
In de huidige situatie is er reeds een woning aanwezig. Bij het omzetten naar een reguliere woonfunctie wordt deze niet anders getoetst dan nu het geval is. De functiewijziging leidt ook niet tot beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf betreft een rundveebedrijf aan de Beekheuvel 6 op ruim 170 meter van de planlocatie. Voor rundveebedrijven geldt een vaste richtafstand van 50 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57).
In onderstaande tabel staan de standaardwaarden en grenswaarden voor geluid volgens het Bkl.
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde, in dB. | Grenswaarde, in dB. | |
| Rijks- en provinciale wegen. In Lden | 50 | 60 | |
| Gemeente- en waterschapswegen. In Lden | 53 | 70 | |
| Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden | 55 | 65 | |
| Industrieterrein | Lden | 50 | 55 |
| Lnight | 40 | 45 | |
Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk op deze locatie. De woning is reeds aanwezig. Een akoestisch onderzoek is niet nodig
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Planspecifiek
Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de kaart valt op te maken dat er in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Bovendien is er in de bestaande situatie reeds een woning aanwezig, deze wordt als reguliere woning niet anders getoetst dan toen het een bedrijfswoning was. Er worden geen nieuwe kwetsbare functies toegevoegd. Een verdere toetsing aan het aspect omgevingsveiligheid is niet nodig.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
Beoordeling of een M.e.r. procedure of beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Planspecifiek
Onderhavig initiatief behelst de functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar de functie wonen. Dit is geen m.e.r-(beoordelingsplichtige) ingreep. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is niet nodig.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.
Planspecifiek
Voorliggend initiatief voorziet in de wijziging van een agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Het aantal woningen neemt niet toe. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).
Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie is opgenomen op de archeologische beleidskaart. Deze is vertaald in archeologische dubbelbestemmingen en opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.
Planspecifiek
Cultuurhistorie en landschap
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten aanwezig. Evenmin zijn de gronden aangewezen als cultuurhistorisch waardevol.
Archeologie
Voorliggend initiatief betreft een functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar wonen. Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats die zouden kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden.
De regels voor 'Waarde - Archeologie 4' blijven van toepassing.
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven grotendeels ongewijzigd. Uitzondering is de toets ten aanzien van stikstof. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Planspecifiek
In het kader van voorliggend plan is een Quickscan Natuur uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 1. Hieronder worden de conclusies uit dit rapport aangehaald.
Gebiedsbescherming
De projectlocatie maakt geen deel uit van beschermd gebied. Op ca. 1,1 km ligt het Natura 2000-gebied Maasduinen. Gelet op de aard van de activiteiten en de afstand kan op voorhand worden uitgesloten dat er sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Dat geldt ook ten aanzien van stikstof. Het plan levert geen extra verkeersbewegingen op. De sloop van de aanbouwen aan de achterzijde van de stal wordt door de eigenaren zelf gedaan, hiervoor is geen inzet van machines nodig. Er worden geen dieren meer gehouden op de locatie (behoudens een hond, kat, 3 eenden en 3 kippen, dit alles hobbymatig). Een stikstofonderzoek middels de Aerius-calculator kan achterwege blijven.
Op een afstand van ca. 100 m ligt het Natuurnetwerk Limburg, op ca. 650 m ligt een natuurbeek en beekdal. De planlocaties maakt wel deel uit van de Groenblauwe mantel. Dit zijn allen provinciaal aangewezen gebieden. Doordat de beoogde ruimtelijke ingreep (gedeeltelijke sloop van een schuur en sanering verharding) binnen het bestaande bouwvlak blijft, en het bouwvlak bovendien wordt verkleind, kunnen negatieve effecten en/of kwaliteitsverlies van de waarden van de Groenblauwe mantel worden uitgesloten.
Soortenbescherming
Vanwege de voorgenomen sloop van een deel van de gebouwen is onderzocht welke beschermde flora en fauna op de planlocatie kunnen voorkomen. In de meest oostelijk gelegen schuur zijn veren van de steenuil waargenomen en op diverse balken zijn krijtsporen aanwezig. In de perenboom naast de schuur hangt een nestkast voor de steenuil. Op circa 50 meter afstand is de aanwezigheid van een bezette nestkast bekend. De sloop van de aanbouwen aan de schuur heeft geen nadelige gevolgen voor de steenuil. Hierover is overleg geweest met de uilenwerkgroep. Verder onderzoek naar de steenuil wordt niet nodig geacht, omdat bekend is waar de steenuil zijn verblijfplaats heeft. Op vrijwillige basis wordt samen met de uilenwerkgroep bekeken met welke maatregelen de omgeving nog verder verbeterd kan worden.
Het beoogde plan heeft geen negatieve effecten op andere beschermde planten- of diersoorten.
Nieuwe ontwikkelingen kunnen leiden tot een toename van de hoeveelheid verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangegeven wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.
De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.
Planspecifiek
Voorliggend initiatief zal niet leiden tot wezenlijke veranderingen in de hoeveelheid verkeer of de parkeerbehoefte. Met het plan wordt de agrarische bedrijfsbestemming omgezet naar wonen. Bij de woning is een aan-huis-verbonden bedrijf aanwezig in de vorm van opslag ten behoeve van een interieurbouwbedrijf. Het aantal verkeersbewegingen is beperkt en kan goed via de Beekheuvel en omliggende wegen worden afgewikkeld. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte te voorzien.
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.
De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Planspecifiek
Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.
Wateroverlast
Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er op het erf geen sprake is van wateroverlast na een korte of lange extreme bui. Een deel van de erfverharding wordt gesaneerd, waardoor er meer water kan infiltreren in de bodem.
Hittestress
Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat er meer tropische dagen en langere hitte verwacht kunnen worden. De aanplant van nieuwe bomen en ander groen zorgt voor meer schaduw en kan zo verkoeling brengen.
Droogte
De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het saneren van erfverharding kan er meer hemelwater in het gebied infiltreren. De kans op natuurbranden blijft bij langdurige droogte in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.
Overstroming
De planlocatie ligt op ruime afstand (5 kilometer) van de Maas. Vanwege het reliëfverschil is de kans op overstroming zeer klein (<1/30.000 per jaar).
De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Bij wijziging van een omgevingsplan moet worden gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf wordt een conclusie getrokken ten aanzien van de integrale weging van de aspecten die bij een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (uit hoofdstuk 4) en een goede omgevingskwaliteit (uit hoofdstuk 5) van toepassing zijn. Immers, één omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en/of veiligheid bestaat er niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.
Uit hoofdstuk 4 blijkt dat ten aanzien van de diverse milieuaspecten geen normen worden overschreden of bijna overschreden. Uit oogpunt van aspecten als archeologie, cultuurhistorie, ecologie, verkeer en klimaatadaptatie kan worden gesteld dat met voorliggend initiatief sprake is van een goede omgevingskwaliteit.
Geconcludeerd dat met voorliggende wijziging een veilige en gezonde leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat er sprake is van een zorgvuldige toedeling van functies aan locaties.
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22F wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22F van het omgevingsplan Bergen (L). Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.
De regels van de geldende bestemmingsplannen vervallen op de locatie van voorliggend plan bij vaststelling van voorliggend plan.
Onderhavig plan kent de volgende functies:
Met voorliggend TAM-omgevingsplan is aangesloten bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', maar wel geformuleerd in de terminologie van de Omgevingswet. Wat voorheen 'bestemmingen' waren zijn nu 'functies'. Voorliggend plan bevat de volgende functies:
Daarnaast zijn in artikel 13 regels opgenomen voor de bescherming van de archeologische waarden.
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden.
Planspecifiek
Voorliggend plan betreft enkel een planologische wijziging waarbij de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woonfunctie. Aangezien het plan geen ruimtelijke gevolgen of anderszins impact heeft op de omgeving is het initiatief niet voorgelegd aan de buurt of belanghebbende instanties.
Het ontwerp-TAM-omgevingsplan heeft van 6 november tot en met 18 december 2025 ter inzage gelegen. Binnen de termijn is één zienswijze ingediend, afkomstig van Gedeputeerde Staten van Limburg. Naar aanleiding van de zienswijze is de motivering in paragraaf 3.2.2 aangevuld. Het leidt niet tot inhoudelijke wijzigingen aan het plan. De inhoud van de zienswijzen en de beantwoording ervan zijn opgenomen in de Zienswijzennota in bijlage 2.
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges.