| Plan: | Gochsedijk 85 Siebengewald |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0893.BP20002GO85SIE-VA01 |
Op het perceel aan de Gochsedijk 85 t/m 85c is een tankstation, autogarage en fietsenwinkel gevestigd. De eigenaar is voornemens de bebouwing uit te breiden en het perceel zodanig in te richten dat deze beter aansluit op de omliggende functies binnen de dorpskern van Siebengewald. In overleg met de gemeente liggen er mogelijkheden om het voorterrein opnieuw in te richten.
De voorgaande ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Gochsedijk in het centrum van Siebengewald. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Afbeelding 1.1: Luchtfoto met globale ligging plangebied (bron: www.openstreetmap.org)
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Gochsedijk in het centrum van de kern Siebengewald. In directe omgeving bevinden zich diverse kleinschalige bedrijven en woningen. Op het perceel is momenteel een tankstation, autogarage en fietsenwinkel gevestigd. In navolgende afbeeldingen is de huidige situatie van het perceel weergegeven.
Afbelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie (Bron: www.pdok.nl/viewer)
Herontwikkeling perceel
Door de huidige bestemmingen 'Bedrijf' en 'Detailhandel' om te zetten naar de bestemming 'Gemengd' kan er flexibeler ingespeeld worden op de behoefte van (toekomstige) huurders. De huidige mogelijkheden zoals detailhandel en bedrijven is in de toekomstige situatie uitgebreid met dienstverlening ondergeschikte horeca. Hiermee blijft de kern van Siebengewald vitaal. Daarnaast omvat de voorgenomen ontwikkeling een uitbreiding aan de westzijde van het bestaande bedrijfspand. Een uitbreiding van 210 m² is reeds toegestaan in het vigerende bestemmingsplan. Om er voor te zorgen dat de boogconstructie van de bestaande gebouwen voortgezet kan worden op de uitbreiding is een aanbouw van 300 m² beter passend. Concreet wordt er daarmee 90 m² bedrijfsvloeroppervlak toegevoegd aan de huidige mogelijkheden en is het plangebied voor meerdere functies inzetbaar.
Herinrichten openbare ruimte
Naast de uitbreiding van de bebouwing wordt het terrein rond de bedrijfsbebouwing getransformeerd. Er zal een haag en bomen worden aangeplant om het aanzien van het terrein kwalitatief te verbeteren. De herinrichting omvat naast gronden reeds in eigendom van de initiatiefnemer óók gronden in eigendom van de gemeente. De herinrichting van het voorterrein gaat in samenspraak met de gemeente en zal te zijner tijd gelijktijdig gerealiseerd worden met de herinrichting van de Nieuweweg. Het voorterrein zal tot die tijd worden voorzien van belijning voor het parkeren. De nieuwe haag en bomen aan de Nieuweweg zijn voorwaardelijk verplicht evenals de haag, boom en bloemrijkgras aan de Seringenstraat. Het gehele inrichtingsplan is opgenomen in bijlage 1.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.
Ladder duurzame verstedelijking
Voorgenomen ontwikkeling betreft géén stedelijke ontwikkeling het kader van de Ladder duurzame verstedelijking. De reden hiervoor is dat het bestemmingsplan voorziet in een stedelijke voorziening in de vorm van een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte dat kleiner is dan 500 m² (zoals genoemd in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro). Daarnaast is het terrein ook in de huidige situatie reeds ingericht als parkeerterrein in het stedelijk gebied, waarmee er eveneens geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling buiten het stedelijk gebied.
Geconsolideerde versie omgevingsplan Limburg 2014
Op 13 augustus 2019 is door Provinciale Staten de geconsolideerde versie van het POL 2014, met bijbehorend plan m.e.r., de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers en- Vervoersprogramma vastgesteld.
In het POL staat kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.
Een van de ambities is het borgen en vergroten van de kwaliteit van de leefomgeving in steden en dorpen. De toenemende leegstand van vastgoed over een breed front en het verdwijnen van voorzieningen hebben consequenties voor de leefbaarheid, zowel in dorpskernen in het landelijk gebied als in buurten en wijken in het stedelijk weefsel. Leegstand van identiteitsbepalende gebouwen vraagt daarbij bijzondere aandacht. Blijvende vernieuwing en innovatie zijn dan ook van groot belang. De uitdaging is om een omslag te maken ‘van kwantiteit naar kwaliteit’ en meer schaarste te creëren.
Planspecifiek
Het POL2014 besteedt aandacht aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Het plangebied ligt in het dorpscentrum van Siebengewald en heeft een beeldbepalende functie. Daarnaast trekken de huidige bedrijven ter plaatse veel klandizie vanuit Duitsland. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een transformatie van het perceel en de uitbreidingsmogelijkheid van de bestaande bedrijven. Door de kwaliteit van deze plek te verbeteren en in te spelen op de toenemende vraag naar de geboden voorzieningen is de ontwikkeling passend binnen het provinciaal beleid.
Geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014
De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.
Planspecifiek
Het plangebied ligt in het dorpscentrum van Siebengewald en valt daarmee onder het 'bebouwd gebied'. Wanneer er sprake is van een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet rekening worden gehouden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. In paragraaf 3.1 is uiteengezet dat hieraan wordt voldaan. De verordening stelt geen verdere voorwaarden aan het plangebied waarmee de ontwikkeling passend is binnen het provinciaal beleid.
Omgevingsvisie Bergen 2030
Op 23 april 2019 is door de gemeente Bergen de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. In de visie zijn uitspraken gedaan over de gewenste identiteit van de gemeente én zijn belangrijke keuzes gemaakt op het gebied van o.a. wonen, werken, verkeer, landbouw, landschap, natuur, water, milieu en positieve gezondheid. Siebengewald is aangemerkt als een plaats met een lokaal voorzieningencentrum.
De gemeente zet in op het verbeteren van het leefklimaat in de dorpen, energie onafhankelijk zijn in 2030, waterbeheer op maat, versterken van de natuurwaarden en het toevoegen van extra groen in de kernen.
Planspecifiek
De voorgenomen uitbreiding van het bestaande bedrijfsgebouw zorgt ervoor dat dit bedrijf kan uitbreiden en de bebouwing duurzaam in gebruik blijft. Daarnaast zorgt de inpassing van de bebouwing en de ontwikkeling van het perceel voor een kwaliteitsimpuls in de kern doordat op de aanbouw de boogconstructie van de bestaande bebouwing wordt voortzet, de bestaande haag wordt doorgetrokken rondom het perceel en bomen worden toegevoegd. Aan de achterzijde van de bebouwing is ruimte voor een groene inrichting. De bestaande beplanting aan de oostzijde van het perceel blijft tenslotte behouden. Bij de herontwikkeling van de Nieuweweg t.z.t. zal de eigenaar samen met de gemeente bekijken hoe het voorterrein verder een rol kan spelen in de ruimtelijke kwaliteit van de kern Siebengewald. Het initiatief sluit daarmee aan bij de Omgevingsvisie Bergen 2030.
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Siebengewald', vastgesteld door de gemeenteraad op 19 februari 2013 en onherroepelijk op 23 mei 2013. Het perceel aan de Gochsedijk heeft de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Detailhandel'. Daarnaast geldt voor een deel van het plangebied de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - lpg'. Navolgende afbeelding toont de vigerende planologische situatie.
Uitsnede van het geldende bestemmingsplan 'Siebengewald', voorliggend plangebied betreft het gebied binnen het rode kader (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan
Binnen de bepalingen van het bestemmingsplan is het momenteel niet mogelijk om functioneel binnen het bestaande gebouw te wisselen. Om flexibeler met de activiteiten om te kunnen gaan is een bredere bestemming gewenst. Een wijziging van de enkelbestemmingen is daarmee noodzakelijk om het voorgenomen initiatief in zijn geheel te kunnen realiseren. Daarnaast is de voorgenomen uitbreiding van de bestaande bebouwing groter dan het reeds opgenomen bouwvlak. De voorgenomen ontwikkeling is dan ook niet toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in een bestemmingsplanwijziging waarbij de bestaande bestemmingen 'Bedrijf' en 'Detailhandel' worden vervangen voor de bestemming 'Gemengd'. Binnen de nieuwe bestemming worden detailhandel, dienstverlening en horeca toegestaan. Omdat bodemgevoelige functies zoals 'Wonen' uitgesloten blijven op het perceel is op voorhand te stellen dat voor de nieuwe bredere bestemming de kwaliteit van de bodem in lijn is met het beoogde functiegebruik.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15985516 (aan de Eckeltsedijk ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) | 19,7 µg/m3 | 18,7 µg/m3 | 11,7 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Voor het plan is de NIBM-tool ingevuld op basis van de extra verkeersgeneratie, zoals toegelicht in paragraaf 4.4. Op basis van de NIBM-tool is het initiatief ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten beperkte toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Voorgenomen initiatief betreft de uitbreiding van de bestaande bedrijfsgebouwen en de verbreding van de toegestane functies in het plangebied. In de bestaande situatie zijn er geen geluidgevoelige objecten zoals benoemd door de Wgh. binnen de locatie aanwezig, dit verandert niet in de toekomstige situatie. Daarnaast is er ook geen sprake van een langdurig verblijf van personen op de locatie. Een akoestisch onderzoek is daarom niet benodigd. Vanuit de Wet geluidhinder gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
De directe omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied door de aanwezigheid van vele verschillende functies zoals bedrijven, woningen, een cafetaria, een tankstation en winkels. Daardoor mag de richtafstand tussen een gevoelige bestemming en bedrijven met 1 stap worden verlaagd.
In de huidige situatie is op het perceel een tankstation, autogarage en fietsenwinkel gevestigd. Het voorgenomen initiatief betreft de uitbreiding van de bestaande bedrijfsgebouwen en een verbreding van toegestane bedrijfsfuncties. Dergelijke functies zijn geen gevoelige objecten, waarmee er geen sprake is van mogelijke hinder van omliggende bedrijvigheid.
Vice versa komt de bedrijfsbebouwing enkele meters dichter bij de woningen ten noorden en westen van het plangebied te liggen. Deze gevoelige functies liggen op circa 30 meter afstand tot de bedrijfsbebouwing in het plangebied. Bij de beoordeling van het milieueffect op de omgeving is uitgegaan van de activiteit met de zwaarst mogelijke impact op de omgeving op basis van de toegestane bestemming. Het milieueffect van de uitbreiding van de bebouwing en het terrein op de omgeving is bepaald op basis van 'Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven' (publicatie Bedrijven & Milieuzonering) met een bijbehorende milieucategorie van 1 en een maximale richtafstand van 10 meter op basis van geluid in gemengd gebied. Geconcludeerd kan worden dat de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing en functies geen hinder zal veroorzaken op de gevoelige objecten gezien dezen gelegen zijn op circa 30 meter afstand van de voorgenomen ontwikkeling. Het initiatief is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Voor inrichtingen geldt dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Planspecifiek
Het initiatief betreft een verbreding van de toegestane activiteiten en een uitbreiding van de bestaande bebouwing. In de huidige en toekomstige situatie is geen sprake van langdurig verblijf door mensen en het aantal aanwezige personen in het plangebied zal eveneens niet significant toenemen. Daarnaast zijn (beperkt) kwetsbare objecten zoals de functie 'wonen' niet toegestaan. Nadere uitwerking van het onderwerp externe veiligheid is niet nodig.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen
Het beleid voor hemelwater afkomstig van nieuwbouw in Bergen volgt het beleid van het Waterschap Limburg: hemelwater afkomstig van daken en verhardingen dient conform de watertoets op particulier terrein in de bodem te worden geïnfiltreerd of -als niet mogelijk- worden gebufferd en vertraagd worden afgevoerd naar een hemelwaterriool of oppervlaktewater.
Planspecifiek
In de huidige situatie is het terrein geheel verhard en vindt de afvoer van hemelwater plaats via de riolering. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak af door de voorgenomen vergroening aan de achterzijde van de bebouwing. Aan de voorzijde, onder het parkeerterrein, is het optioneel om de een ondergrondse infiltratievoorziening te realiseren. Daarnaast kan de waterafvoer van het dak worden afgekoppeld. Een nadere uitwerking van deze maatregelen vindt plaats bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van een Natura
2000-gebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect op
de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Specifiek voor het deelaspect stikstof geldt dat
de geplande activiteiten in relatie tot de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Maasduinen op een afstand van circa 3 km) niet zullen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op beschermde
natuurgebieden.
Soortenbescherming
Het gedeelte van het plangebied waar de bebouwing wordt uitgebreid is momenteel in gebruik als volledig verhard (parkeer)terrein. Met het plan worden geen bestaande gebouwen gesloopt, sloten gedempt of groenvoorzieningen verwijderd. Ook wordt er niet voorzien in meer verlichting. Overtredingen voor beschermde soorten als gevolg van de ontwikkeling zijn op voorhand uit te sluiten. Bovenal dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het bestaande bedrijfspand zal uitgebreid worden met maximaal 300 m² bedrijfsvloeroppervlak, waarmee de totale bedrijfsbebouwing circa 850 m² omvat. Bij de beoordeling van het aspect verkeer is uitgegaan van de activiteit met de grootste verkeersgeneratie en parkeerbehoefte, te weten maximaal 50 m² horeca 1 en 2 en 800 m² commerciële dienstverlening.
Verkeergeneratie
Op basis van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (december 2018) levert een 'Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)' in een weinig stedelijk gebied in het centrum een verkeersgeneratie op van maximaal 12,9 per 100 m² bvo. Van de functie 'Café/bar/caferatia' zijn geen kencijfers beschikbaar waardoor voor het gehele plangebied is gerekend met de kencijfers van commerciële dienstverlening. Geconcludeerd wordt dat de verwachte verkeersintensiteit na de in werking treding van voorliggend bestemmingsplan een maximale toename kent van 110 ritten per etmaal ten opzichte van de huidige situatie.
De verwachting is dat de Gochsedijk de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van het initiatief gemakkelijk kan verwerken. Verdere verkeersmaatregelen worden dan ook niet nodig geacht. De realisatie van het initiatief op deze locatie zal niet leiden tot onaanvaardbare verkeershinder.
Parkeren
De gemeente Bergen (L) heeft geen eigen beleid ten aanzien van parkeren. Voor het bepalen van het benodigd aantal extra parkeerplaatsen is de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (december 2018) geraadpleegd, waarbij uitgegaan is van een worst-case benadering. Voor 'Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)' en 'Café/bar/caferatia' in een weinig stedelijk gebied in het centrum geldt een norm van respectievelijk maximaal 2,7 en 7 parkeerplaatsen per 100 m² BVO. Wat betekent dat voor deze functie afgerond 27 eigen parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Op het terrein zijn voldoende mogelijkheden om te voorzien in de parkeerbehoefte van de voorgenomen ontwikkeling. In het inrichtingsplan is een voorstel gedaan voor het toevoegen van deze parkeerplaatsen.
Op het gebied van verkeer en parkeren is het initiatief uitvoerbaar.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart (vastgesteld door B&W op 1 juli 2008) is de Gochsedijk aangemerkt als een cultuurhistorisch element (lijn), aangegeven als 'andere weg ouder dan 1806'. De gronden zijn daarnaast gemarkeerd als cultuurlandschapstype 'Nieuw cultuurland 1806/1840-1890' en 'Nieuw cultuurland 1890-1990'. De voorgenomen ontwikkeling wijzigt de loop en profiel van de weg niet noemenswaardig en de bebouwing wordt eveneens zeer beperkt uitgebreid, waardoor geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Archeologie
De gemeente Bergen beschikt over eigen archeologiebeleid bestaande uit een beleidskaart en een beleidsnota. Dit beleid is in 2012 vastgesteld door de gemeenteraad. Om te onderzoeken of er sprake is van verwachte archeologische waarden, is de Archeologische Beleidskaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat nagenoeg het gehele perceel een gebied betreft zonder een archeologische verwachting of archeologisch is vrijgegeven, en het meest zuidelijke puntje van het perceel betreft een gebied met een lage archeologische verwachting. Voor beide categorieën geldt geen onderzoeksplicht. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de overeenkomst.
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Met de regels van voorliggend bestemmingsplan is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Siebengewald', vastgesteld 19 februari 2013. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro opgenomen.
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van de inspraak ex artikel 3.1.6 Bro opgenomen.
Het ontwerpbestemmingsplan Gochsedijk 85 heeft van 1 oktober t/m 11 november 2020 ter inzage gelegen. Op het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze binnengekomen. Na aanleiding van de zienswijze is het inrichtingsplan in het ontwerpbestemmingsplan aangepast. In het inrichtingsplan is de optionele waterberging op het achter terrein verplaatst naar het voorterrein en zijn er afstanden en maatvoeringen opgenomen met betrekking tot de te realiseren beplanting. In de Zienswijzenota, opgenomen in bijlage 2, is de zienswijze samengevat en voorzien van het standpunt van de gemeente.