| Plan: | Knikkerdorp 11 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0893.23005KNIK11WEL-VA01 |
De eigenaren van de percelen kadastraal bekend als nr. 2212, 2479, 3059 en 3060, aan de Knikkerdorp 11 in Well, zijn voornemens om de huidige woonbestemming te vergroten met een strook grond direct achter het huidige woonperceel. Dit met als doel een vrijstaand bijgebouw bij de woning te realiseren. Het realiseren van een vrijstaand bijgebouw op het bestaande woonperceel binnen het achtererf gebied van de woning is niet mogelijk gebleken. Door hoogteverschillen van 100 - 150 cm op en om het huisperceel is het niet mogelijk om een vrijstaand bijgebouw te realiseren dat tevens bereikbaar is vanaf de huidige inrit van de woning aan de Hoogveldseweg. Een inrit aan de zijde van de provinciale weg N271 is niet mogelijk omdat de provincie zo min mogelijk nieuwe inritten direct op deze doorgaande weg wil hebben.
Op 21 april 2022 heeft het college besloten om in principe medewerking te verlenen aan dit plan waarbij het nieuwe bestemmingsplan moet bestaan uit het woonperceel, de locatie van de Michelsmolen en de locatie van het nieuwe bijgebouw. Om dit mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
Het plangebied is gelegen aan Knikkerdorp, in het buitengebied van Bergen en staat kadastraal bekend als gemeente Bergen Limburg, sectie G, nummers 2212 (deels), 2479 (deels), 3059 en 3060 (grotendeels). Het plangebied heeft een totale omvang van circa 3.300 m2 en wordt begrensd door:
Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Globale ligging plangebied (rode stip)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 december 2022. De gronden in het plangebied hebben de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden'. Daarnaast kent het plangebied grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en voor een beperkt deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'.
Binnen de gronden met agrarisch gebruik is wonen niet toegestaan.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening' met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
Het aan de noordoostzijde beoogde bijgebouw past niet binnen de ter plaatse geldende bestemming 'Agrarisch met waarden'. Vandaar dat het bestemmingsplan wordt herzien. Overigens, blijft de maximum oppervlakte aan vrijstaande bouwwerken gelijk (125 m²). Op verzoek van de gemeente wordt in dit bestemmingsplan tevens het noordwestelijke deel van het plangebied, ter plaatse van de resten van de Michelsmolen, bestemd als 'Tuin'.
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.
Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.
Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.
Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Knikkerdorp in het buitengebied van Well. De Knikkerdorp is een provinciale weg (N271) en een oostelijke invalsroute naar het centrum van Well, die begeleid wordt door een kenmerkende bomenlaan. Langs het gedeelte van de Knikkerdorp dat buiten de bebouwde kom is gelegen, bevindt zich verspreid liggende bebouwing, met doorzichten naar het achterliggende landschap.
Het plangebied is in de bestaande situatie ter plaatse van het op te richten bijgebouw onbebouwd. Op het woonperceel is een vrijstaande woning gevestigd met een oppervlakte van circa 210 m2. Verder bevindt zich op het perceel nog een kleine schuur (circa 15 m²) alsmede een overkapping/prieel (circa 15 m²). De woning beschikt over een inrit aan de Hoogveldseweg, aan de oostzijde van het plangebied. De rest van de gronden van het plangebied bestaan uit weide, bomen en beplanting.
In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Een uitzondering hierop is het bedrijf met bedrijfswoning ten zuidoosten van het plangebied en de nutsvoorziening van netbeheerder Enexis tegen de zuidoostelijke perceelsgrens. Aan de westzijde van de woning ligt een verhoging die herinnert aan de Molenberg, waarop de voormalige Michelsmolen heeft gestaan. De molen is in 1918 wegens de slechte staat gesloopt. Op navolgende afbeeldingen zijn impressies van de omliggende bebouwing en het plangebied weergegeven.
Impressie bestaande bebouwing met globale aanduiding plangebied (uitgelicht), voormalige michelsmolen in blauw.
In de toekomstige situatie is het voornemen om aan de noordoostzijde van het plangebied een strook grond te bestemmen voor 'wonen' zodat binnen die strook grond een vrijstaand bijgebouw kan worden opgericht. Omdat het woongebouw volledig voor bewoning is ingericht, is daar geen plaats voor zaken zoals bijvoorbeeld aanhangwagen, tuingereedschap, zitmaaier en machines voor de beregening. Aan de noordwestzijde van het plangebied wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar de bestemming 'Tuin' hetgeen beter aansluit bij het huidige gebruik en inrichting. Het perceel is met alle bomen en beplanting niet geschikt voor agrarisch gebruik. Daarnaast wordt met de bestemming 'Tuin' voorkomen dat ter plaatse bijgebouwen kunnen worden opgericht. Op navolgende afbeeldingen is de inrichting gevisualiseerd:
Uitbreiding bestemming 'Wonen' in geel en de bestemming 'Tuin' in groen
In het plangebied is sprake van een bestaande woning met bijgebouwen. Er wordt een vrijstaand bijgebouw mogelijk gemaakt met een afmeting van 13,5 bij 7 meter met een maximale oppervlakte van 94,5 m². De twee bestaande bijgebouwen hebben samen een oppervlakte van 30 m². Na oprichting van het vrijstaande bijgebouw is er derhalve 124,5 m² aan vrijstaande bijgebouwen. Dit blijft binnen de huidige maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m². Voor de oprichting van het vrijstaande bijgebouw wordt qua positionering aansluiting gezocht bij de bestaande nutsvoorziening van Enexis. Door te bouwen voor de voorgevelrooilijn van de woning vormt het nieuwe bijgebouw een eenheid c.q. cluster van bebouwing samen met de bebouwing voor de nutsvoorziening en wordt voorkomen dat er over het woonperceel verspreid bebouwing komt te staan. Door het bijgebouw te lokaliseren in de nabijheid van de nutsvoorziening blijft tevens het vrije zicht vanuit de woning op het achterliggende landschap behouden. Er wordt voldoende afstand gehouden tot de nutsvoorziening om de bereikbaarheid van de nutsvoorziening te waarborgen. Aan de noordzijde is het mogelijk om een indraai te maken ter hoogte van de overhead deuren via het aangrenzende agrarische perceel dat eveneens in eigendom is van initiatiefnemer. Ter plaatse van de te maken draai wordt geen verharding gerealiseerd. Dit zal gebeuren over de bestaande agrarische grond. Door het nieuwe bijgebouw achter de bestaande nutsvoorziening te realiseren en de opgaande beplanting ten zuiden daarvan, zal het gebouw nauwelijks waarneembaar zijn vanuit de openbare ruimte. Er blijft ook in de toekomstige situatie met een bijgebouw op deze nieuwe locatie sprake van een compact bebouwingsensemble, passend binnen de structuur van het gebied. De bestaande haag aan de oostzijde wordt aangevuld waardoor ook vanuit de noordzijde het zicht op de bebouwing beperkt is. De bestaande bomen en struweel blijven behouden. Daarnaast wordt een bloem- en kruidenrijk grasland gerealiseerd om de biodiversiteit te bevorderen. Op onderstaande inrichtingstekening wordt het voorgaande gevisualiseerd.
Inrichtingstekening
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.
De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing.
In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
Planspecifiek
In het Barro worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde "ladder voor duurzame verstedelijking" is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de "ladder voor duurzame verstedelijking". De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.
Planspecifiek
Op basis van jurisprudentie is bij een toevoeging van 11 woningen of minder geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Voorliggend initiatief voorziet slechts in het toevoegen van een vrijstaand bijgebouw bij een al bestaande woning. Zodoende is artikel 3.6.1, tweede lid Bro niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
Provinciale Staten hebben op 1 oktober 2021 de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Op 25 oktober is deze visie in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 – 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen.
In veel gevallen zal het mogelijk zijn om opgaven in samenhang op te pakken en zo win-winsituaties te creëren. Soms zullen opgaven echter met elkaar concurreren om de beperkt beschikbare ruimte. Dat vraagt om keuzes waarbij de belangen van economie, energievoorziening, veiligheid en gezondheid, natuur en ruimtelijke kwaliteit tegen elkaar moeten worden afgewogen. Die balans zal per gebied anders uitpakken. Dat past bij het principe om te werken vanuit de kenmerken en identiteit van gebieden. In gebieden als de Maasduinen is de landbouw minder grootschalig en vervult verblijfsrecreatie een belangrijke rol. De provincie wil die samenwerking stimuleren en waar nodig initiëren.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen buiten de groenblauwe mantel en het natuurnetwerk. Het plangebied is onderdeel van het landelijk gebied, zonder specifieke waarden. Het plan maakt geen activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.
Naast het POL2014 (inmiddels vervangen door de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie Limburg (zie subparagraaf hiervoor) is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Deze verordening blijft nog geldig tot dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit de omgevingsvisie juridische binding te geven.
Planspecifiek
Het plangebied heeft op basis van de Omgevingsverordening geen specifieke aanduiding waar rekening mee gehouden dient te worden. Het plan maakt geen activiteiten mogelijk die de specifieke waarden in dit gebied aantasten. Door het nieuwe bijgebouw achter de bestaande nutsvoorziening te realiseren en de opgaande beplanting ten zuiden daarvan, zal het gebouw nauwelijks waarneembaar zijn vanuit de openbare ruimte. Er blijft ook in de toekomstige situatie met een bijgebouw op deze nieuwe locatie sprake van een compact bebouwingsensemble, passend binnen de structuur van het gebied.
Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze is nog niet in werking getreden, maar er is wel al aan getoetst. In deze verordening staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de nieuwe Omgevingsvisie juridische binding te geven.
Planspecifiek
In de Omgevingsverordening maakt het plangebied geen onderdeel uit van een aanduiding ter bescherming van landschap en/of natuur. Het plangebied valt op kaart 9 'Landbouw' binnen de aanduiding 'Buitengebied'. Dit is een gebied waar geen specifieke waarden aan zijn toegekend.
Qua argumentatie voor de locatie van het nieuwe bijgebouw, kan aangesloten worden bij de planspecifieke tekst in subparagraaf 2.2.
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
De gemeente Bergen heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen heeft de gemeenteraad op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter.
Voor de gemeente Bergen gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 109 woningbouwplannen in de periode 2016 - 2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024 blijkt dat de gemeente Bergen de gestelde opgave heeft overtroffen. Eén van de centrale opgaven in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet wordt op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.
Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten:
Door in te zetten op de juiste kwaliteit woningen wordt de langste keten op het gebied van doorstroming bewerkstelligd. Ouderen stromen van grote gezinswoningen naar nultredenwoningen en gezinnen kunnen hierdoor de volgende stap in hun wooncarrière maken waardoor er weer starterswoningen vrijkomen voor de nieuwe starters. Hierbij is het ook van belang de balans tussen de koop- en huursector te herstellen. In Noord-Limburg ligt de nadruk sterk op de koopsector.
Planspecifiek
In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindelijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Er worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. Er hoeft verder niet getoetst te worden aan de regionale woonvisie.
Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad de 'Omgevingsvisie Bergen 2030' vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen.
De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het energielandgoed Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst de gemeente aan de tien navolgende uitgangspunten uit deze visie:
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in een mozaïekzone met kleinschalig landschap op de overgang van laag- naar middenterras. Ter plaatse streeft de gemeente naar de ontwikkeling van kenmerkende landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden in combinatie met het onderzoeken van mogelijkheden voor kleinschalige ontwikkelingen op het gebied van recreatie, wonen, (zorg)voorzieningen & landbouw. De uitbreiding van de woonbestemming om uiteindelijk de de ontwikkeling van een vrijstaand bijgebouw bij een bestaande woning mogelijk te maken, half verscholen achter een bestaande nutsvoorziening, en landschappelijk ingepast, is een kleinschalige ontwikkeling passend binnen deze zone. Het toegestane oppervlakte aan bijgebouwen (125 m²) neemt niet toe. De bestaande bomen en struweel blijven behouden evenals de bestaande haag. De bestaande haag wordt verlengd. Door de landschappelijke inpassing wordt met de oprichting van het bijgebouw bijgedragen aan het versterken van de natuurwaarden en biodiversiteit. Naast verlenging van de bestaande haag wordt een bloem- en kruidenrijk grasland gerealiseerd.
De gemeenteraad heeft op 12 december 2017 een gemeentelijke woonvisie vastgesteld waarbij rekening is gehouden met de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Er ligt een grote opgave om de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig (inspelen op de grote groei van het aantal ouderen) en duurzaam te maken. Bij nieuwe woningbouwinitiatieven richt de gemeente zich sterk op het toevoegen van de juiste woningen (kwalitatieve aanvulling op het bestaande woningaanbod) op de juiste locatie.
Daarnaast heeft de gemeente een opgave om te schrappen in de bestaande planvoorraad. Om een goede afweging te kunnen maken, zowel als het gaat om het schrappen van een deel van de harde planvoorraad als het beoordelen van nieuwe initiatieven, is in de woonvisie een kwalitatief afwegingskader opgenomen. In dit afwegingskader worden kwaliteiten genoemd voor de locatie en voor de woning. Dat betekent dat inbreiding voor uitbreiding gaat en wordt ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (o.a. herbestemmingsmogelijkheden, invulling ‘rotte plekken’ bijdrage aan gevarieerde wijkopbouw). Wat betreft de kwaliteiten van de woning wordt ingezet op levensloopbestendige woningen, duurzaamheid, excellente woonmilieus, consumentgericht ontwikkelen en bijzondere doelgroepen.
Planspecifiek
In subparagraaf 3.3.1 onder de kop 'planspecifiek' is voor de recentere regionale woonvisie al ingegaan op de kwantitatieve onderbouwing.
In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Er worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. Er hoeft verder niet getoetst te worden aan de regionale woonvisie.
Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in uitbreiding van de woonbestemming om vervolgens de bouw van een vrijstaand bijgebouw mogelijk te maken binnen de woonbestemming. Het aantal wooneenheden blijft ongewijzigd. Er is geen verkeersaantrekkende werking. Als gevolg hiervan neemt in de toekomstige situatie het aantal woningen en daarmee het aantal vervoersbewegingen in het plangebied niet toe.
Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in uitbreiding van de woonbestemming om vervolgens de bouw van een vrijstaand bijgebouw mogelijk te maken binnen de woonbestemming. Het aantal wooneenheden blijft ongewijzigd. Er is geen verkeersaantrekkende werking. Als gevolg hiervan neemt in de toekomstige situatie het aantal woningen en daarmee het aantal vervoersbewegingen in het plangebied niet toe.
Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het bestaande of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen moet bekeken worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.
Omdat de woonbestemming wordt vergroot is er sprake van wijziging van de bestemming naar een meer gevoeligere functie. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd.
Het doel van het onderzoek is om door het bepalen van de actuele bodemkwaliteit vast te stellen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik en het onderzoek is uitgevoerd conform de vigerende NEN-normen en voldoet aan de geldende wet- en regelgeving betreffende de kwaliteit van de uitvoering van milieuhygiënisch bodemonderzoek.
De locatie is onderzocht volgens de strategie voor een ’onverdachte niet-lijnvormige locatie’ (ONV-NL).
Resultaten
Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende:
Conclusies verkennend bodemonderzoek
Er zijn geen verontreinigingen aangetoond in gehalten boven de tussenwaarde, het uitvoeren van nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen bestemmingswijziging en bouwactiviteiten op het terrein. Als grond op de locatie vrijkomt zal dit worden hergebruikt binnen het plangebied.
Het aspect 'bodem' vormt, gezien de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.
Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.
De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:
Bij ontheffing van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.
Wegverkeerslawaai
In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.
Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel:
Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg, aan weerszijden van de weg)
De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.
In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Het bijgebouw is geen geluidgevoelig gebouw. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk.
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken.
Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'
Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Het bijgebouw is geen gevoelige functie. Daarnaast ligt het plangebied niet in de nabijheid van andere voorzieningen / inrichtingen met een hindercontour die overlapt met de uitbreiding van het woonperceel.
Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op het vergroten van de woonbestemming om de realisatie van maximaal één vrijstaand bijgebouw bij een al bestaande woning mogelijk te maken. Het aantal 4.1.1 voertuigbewegingen zal daarom gelijk blijven en de beoogde ontwikkeling zal geen effect op de luchtkwaliteit hebben. Daarom is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk.
Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool, GCN en GDN)
In het kader van artikel 5.16 Wm zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2025 bepaald.
Uit deze kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:
| Concentratiegebied | Niet-concentratiegebied | ||
| Binnen bebouwde kom | diercategorieën Rgv | maximaal 3 ouE/m³ | maximaal 2 ouE/m³ |
| andere diercategorieën | minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object | minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object | |
| Buiten bebouwde kom | diercategorieën Rgv | maximaal 14 ouE/m³ | maximaal 8 ouE/m³ |
| andere diercategorieën | minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object | minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object |
Geurnormen Wgv
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Bergen beschikt over een dergelijke verordening in de vorm van de Verordening geurhinder en veehouderij 2007.
Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:
Activiteitenbesluit milieubeheer
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Het beoogde vrijstaande bijgebouw is geen geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Een beoordeling op basis van de Wgv kan derhalve achterwege blijven. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen sprake is van (niet-)agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied is gelegen.
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.
In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.
Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant.
Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. Het Bevt verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In onderhavig initiatief is er sprake van het vergroten van de woonbestemming waardoor er uiteindeijk onder de regels van een woonbestemming een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd bij de bestaande woning. Het beoogde vrijstaande bijgebouw betreft geen (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi. Een beoordeling van het aspect externe veiligheid is daarom op basis van bovengenoemde vereisten niet vereist.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.
Beleid Waterschap
Het plangebied ligt in het stroomgebied van waterschap Limburg. Naast de Keur van het waterschap Limburg heeft het waterschap het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 (WBP) opgesteld. Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor waterbeheer in een veranderend klimaat. De belangrijkste speerpunten zijn:
Bij nieuwbouw is het van belang dat regenwater uit het riool wordt gehouden. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op opppervlaktewater.
Gemeentelijk beleid
Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.
De insteek van het gemeentelijk beleid is om geen extra afvalwater te hebben op het riool.
Huidige situatie
Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak
Bij onderhavig plangebied is er sprake van volgende bestaande verhardingen:
Impressie bestaande bebouwing met globale aanduiding plangebied (uitgelicht)
Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden
Het plangebied ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning of een grondwaterbeschermingsgebied.
Het plangebied is gelegen in de buitenbeschermingszone van een waterkering. Op basis van het 'Besluit van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg houdende regels omtrent de uitvoering van de Keur Uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 deel 3' is het stroomschema bouwwerken uit artikel 2.5.2 gevolgd. Hieruit volgt dat bij het aanleggen van een bouwwerk binnen de buitenbeschermingszone van een waterkering met een ontgraving van maximaal 2,5 m beneden het maaiveld een zorgplicht van toepassing is. De zorgplicht zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Keur is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Een goede bereikbaarheid is van belang met het oog op enerzijds het (dagelijks) beheer van de waterkering en anderzijds op het zo nodig kunnen treffen van maatregelen en/of voorzieningen indien sprake is van een (dreigende) calamiteuze situatie.
Het uitbreiden van de woonbestemming met uiteindelijk het realiseren van een vrijstaand bijgebouw op de beoogde locatie heeft geen negatieve invloed op de stabiliteit en bereikbaarheid van de waterkering. Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht.
Huidige verwerking hemelwater
In de huidige situatie valt het hemelwater op het onverharde deel van het plangebied waar het bijgebouw wordt gerealiseerd en kan het water direct in de bodem infiltreren. Het water van de woning stroomt via een geul aan de inritzijde weg. Daarnaast wordt er gewerkt met regentonnen en is er natuurlijk verloop in de tuin.
Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit
Het huidige afvalwater uit de bestaande woning in het plangebied wordt verwerkt middels een aansluiting op het riool. Ter plaatse van het te realiseren bijgebouw is er geen afvalwater.
Aanwezig oppervlaktewater
In het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden.
Grondwaterstand en maaiveldhoogte.
De grondwaterstand bedraagt circa 6 m - mv (circa 11 M + NAP). Het maaiveld ter plaatse van het plangebied ligt op een hoogte van circa 17 M + NAP.
Toekomstige situatie en waterberginsopgave
Planbeschrijving
De grootte van het totale plangebied bedraagt circa 3.300 m². In het plangebied is sprake van een bestaande woning met bijgebouwen. Er wordt een uitbreiding van de woonbestemming mogelijk gemaakt, waardoor uiteindelijk een vrijstaand bijgebouw kan worden opgericht op de gewenste locatie met een afmeting van 13,5 bij 7 meter met een maximale oppervlakte van 94,5 m². De twee bestaande bijgebouwen hebben samen een oppervlakte van 30 m². Na oprichting van het vrijstaande bijgebouw is er derhalve 124,5 m² aan vrijstaande bijgebouwen. Dit blijft binnen de huidige maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m². Dit bijgebouw betreft dus een vervangend bijgebouw wat al gerealiseerd had kunnen worden binnen de bestaande situatie maar nog niet was opgericht. Op onderstaande inrichtingstekening wordt het voorgaande gevisualiseerd:
Visualisatie toekomstige situatie
Hemelwater
Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het besluitgebied te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025.
In het plangebied wordt de woonbestemming uitgebreid zodat ter plaatse een vrijstaand bijgebouw kan worden gerealiseerd. Dit bijgebouw had binnen de bestaande situatie al gerealiseerd kunnen worden binnen de woonbestemming, echter niet op deze locatie. In beginsel is er dus geen sprake van een toename van de bebouwingsmogelijkheden en geen toename van de verharding. Desalniettemin is in het kader van een worst-case benadering toch berekend hoeveel waterberging noodzakelijk zou moeten zijn. Dit betreft een worst case scenario.
Worst-case wordt ervan uit gegaan dat de verharding in de vorm van het nieuwe vrijstaande bijgebouw en nieuw is terwijl normaliter het bijgebouw al binnen de bestaande woonbestemming gerealiseerd had kunnen worden. Voor het nieuwe bijgebouw zal gewerkt met waterdoorlatende kiezel en komt geen verharding in de vorm van tegels.
Het plangebied zal zelfvoorzienend moeten zijn qua waterberging. Dit betekent dat op eigen terrein in extra ruimte voor waterberging zal moeten worden voorzien. De exacte grootte van de voorziening hangt af van de oppervlakte die bebouwd gaat worden. Gezien de forse grootte van het bestaande perceel is hier ruimte genoeg voor op eigen terrein. Daarnaast wordt de waterafvoer van het dak van de nieuwe bebouwing afgekoppeld. Overigens blijkt uit de kaart 'bodemdoorlaatbaarheid' van Waterschap Limburg dat de gronden in het deelgebied, gezien de k-waarde (maat voor bodemdoorlaatbaarheid in m/dag), erg geschikt zijn voor infiltratie. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een zeer goede bodemdoorlatendheid te hebben van 1,5 tot 10 m/dag.
Voor de toename aan verhard oppervlak wordt uitgegaan van 94,5 m² voor het vrijstaande bijgebouw, In totaal dus 94,5 m² aan bebouwing waarvan de dakoppervlakken niet aangesloten worden op de riolering (afgekoppeld). Daarnaast wordt uitgegaan van circa 55 m² aan waterdoorlatende kiezels rondom het bijgebouw. Bij elkaar opgeteld 94,5 + 55 = 149,5 m² in totaal.
Gezien de hoeveelheid extra verhard oppervlak zal op eigen terrein een infiltratievoorziening gerealiseerd moeten worden met een capaciteit van 9 m³ (149,5 m² x 60 mm). De bergingsvoorziening dient binnen 24 uur na de neerslaggebeurtenis opnieuw beschikbaar te zijn voor waterberging. Deze infiltratievoorziening zal worden gerealiseerd door het plaatsen van infiltratiekratten ter plaatse van het bijgebouw of de omliggende verharding danwel middels infiltratie op het eigen perceel bijvoorbeeld door een zaksloot waarvan de locatie nader te bepalen is.
Afvalwater
Bij de bouw van een vrijstaand bijgebouw is in beginsel geen sprake van afvalwater. Indien er wel afvalwater zal zijn, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een wasbak, dan zal dit afvalwater worden geloosd op de aanwezige riolering. Het rioleringsstelsel is voldoende van omvang om deze zeer minimale toename als gevolg van het gebruik van een wasbak in het vrijstaande bijgebouw te kunnen verwerken.
Grondwater
Uit het uitgevoerde bodemonderzoek volgt dat ter plaatse sprake is van een bodemopbouw bestaande uit zand waarbij de bovenste laag matig fijn, matig siltig en zwak humeus is. Daaronder is het zand matig fijn, zwak tot matig siltig en matig fijn, zwak siltig en zwak grindig. Op basis van de kaart 'BRO grondwaterspiegeldiepte 2021' in Dinoloket, blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper dan 240 cm-mv is gelegen. Het maaiveld ter plaatse van het plangebied ligt op een hoogte van circa 17 m + NAP. Zoals het geldende bestemmingsplan en de Omgevingsverordening Limburg aantonen, ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. De beoogde ontwikkeling is niet van wezenlijke invloed op de grondwaterstand in het plangebied. Vanuit de grondwaterkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen.
Waterkwaliteit en beheer
Het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Daarom mogen er uitsluitend niet-uitlogende bouwmaterialen gebruikt voor het vrijstaande bijgebouw.
Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes:
De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de 'overige soorten' die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich:
In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.
Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
Soortenbescherming
De activiteit geeft geen reden aan te nemen dat ecologische belangen worden geschaad. Het gaat hier immers alleen om de toevoeging van een bijgebouw op een locatie naast de bestaande woonbestemming waar geen opgaande beplanting aanwezig is. Het betreft een grasveld waarop met regelmatig buitenopslag plaatsvindt. Het bestaande groen blijft gehandhaafd en er worden geen bomen gekapt om het bijgebouw te realiseren. Er vinden ook geen sloopwerkzaamheden plaats. Om voorgaande redenen is een ecologisch onderzoek niet noodzakelijk.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt zowel buiten de groenblauwe mantel als buiten het natuurnetwerk. Het plangebied is aangeduid als buitengebied. De kernkwaliteiten uit de provinciale beleidskaders zijn niet van toepassing op dit gebied.
Daarnaast ligt het plangebied buiten het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. Vanwege de kleinschalige aard van de ontwikkeling, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht.
Om externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten is ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanlegfase. Ten gevolge van het nieuwe bijgebouw wordt in de gebruiksfase geen stikstof geproduceerd. Het betreft een bijgebouw bij een al bestaande woning. Het aantal voertuigbewegingen van en naar de woning blijft gelijk in de toekomstige situatie gelijk aan de bestaande situatie (zie 4.1.1). De resultaten van het stikstofdepositieonderzoek zijn opgenomen in bijlage 2 bij de toelichting.
In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de ontwikkeling aan Knikkerdorp 11 in Well de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening van de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,10 mol N/ha/jaar gedurende 1 jaar is (ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’).Op Rijksniveau is een redeneerlijn vastgesteld voor depositie afkomstig van mobiele werktuigen en ander materieel in de aanlegfase van projecten. Voor het aspect stikstof is geen vergunning op grond van de Wnb noodzakelijk wanneer de stikstofdepositie kleiner dan of gelijk is aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar (of een equivalent daarvan, 0,10 mol N/ha/jaar over een periode van 1 jaar) op een overbelast stikstofgevoelig habitat. Significante gevolgen kunnen dan op voorhand worden uitgesloten. Deze redeneerlijn is getoetst door de landsadvocaat en door de provincies in het Bestuurlijk Overleg met de minister van LNV op 22 april 2020 onderschreven. Deze redeneerlijn is als vuistregel opgenomen in de Handreiking Voortoets Stikstof (februari 2021). De berekende deposities vallen binnen de gestelde drempelwaarde. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. Waaronder de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Hierbij wordt als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.
Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussengelegen periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.
Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen.
Archeologie
In de 'Nota archeologiebeleid Bergen' zijn de beleidsuitgangspunten en de achtergronden van het gemeentelijk archeologiebeleid beschreven. In hoofdlijnen komt het beleid erop neer dat bij ruimtelijke initiatieven die leiden tot bodemverstoring archeologisch onderzoek noodzakelijk is, in gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde en in gebieden met bekende archeologische resten, de zogenaamde archeologische terreinen.
Conform de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is er binnen het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachtingswaarde.
Fragment beleidskaart, plangebied blauw omlijnd
In het tot op heden geldende bestemmingsplan was het plangebied reeds voorzien van een archeologische dubbelbestemming.
Het plangebied is gelegen in categorie 4 van de beleidsadvieskaart. Binnen deze categorie is er een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Het te realiseren bijgebouw overschrijdt voornoemde afmetingen niet. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Cultuurhistorie
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart heeft het element b484 (oude akker) betrekking op het plangebied. Ook element b490 (tweezijdige laan, linde, paardenkastanje, 100 of meer in groepen gemengd, ook wat jongere linde) ligt langs de provinciale weg N271.
Fragment kaart cultuurhistorische waarden
De oude akker, zoals deze in de bestaande situatie nog aanwezig is, blijft in stand. De bomenlaan langs de provinciale weg blijft intact. Aan de westzijde van de woning ligt een verhoging die herinnert aan de Molenberg, waarop de voormalige Michelsmolen heeft gestaan. De molen is in 1918 wegens de slechte staat gesloopt. Ter plaatse van deze locatie wordt de aanduiding 'overige zone - ruine' opgenomen. Deze aanduiding heeft een signaleringsfunctie. Ter plaatse zijn geen aanvullende regels van toepassing.
De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Aangezien het aantal woningen in de toekomstige situatie niet toeneemt, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere (recente) bestemmingsplannen van de gemeente Bergen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.
Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsomschrijving
Dit onderdeel bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.
Bouwregels
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
Nadere eisen
In deze bepaling wordt opgenomen dat het bevoegd gezag ten aanzien van specifieke planonderdelen bevoegd is om nadere eisen te stellen.
Afwijken van de bouwregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
Afwijken van de gebruiksregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen.
Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat regels omtrent strijdig gebruik en een voorwaardelijke verplichting op de landschappelijke versterking van het landgoed te waarborgen.
Algemene aanduidingsregels
Aanvullend op de bouwregels gelden enkele bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de verbeelding zijn weergegeven, waaronder voor monumenten, archeologische monumenten en het Natuurnetwerk Nederland.
Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling zijn regels opgenomen ten aanzien van afwijkingsmogelijkheden die voor het hele plangebied gelden en die burgemeester en wethouders de benodigde flexibiliteit bieden ten aanzien van het bestemmingsplan.
Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene procedureregels
In deze bepaling is de procedure weergegeven die geldt bij het stellen van nadere eisen aan een omgevingsvergunning.
Overige regels
Deze bepaling bevat regels omtrent cultuurhistorische waarden, landschappelijke waarden en parkeren.
Overgangsregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
In het plangebied komen de volgende (dubbel)bestemmingen voor:
Artikel 3 Tuin
Het deel van het plangebied ter plaatse van de voormalige Michelsmolen is voorzien als tuin om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met het huidige gebruik. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan.
Artikel 4 Wonen
De burgerwoningen in het plangebied hebben een woonbestemming. Binnen de bestemmingsvlakken is geen bouwvlak op genomen. In de regels is bepaald dat per bestemmingsvlak één woning mogelijk is. De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 800 m³, tenzij de bestaande inhoudsmaat groter is. Voor bijgebouwen is een aparte regeling opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' kan het nieuwe vrijstaande bijgebouw gerealiseerd worden.
In de afwijkingsbepalingen zijn onder meer regels opgenomen voor het splitsen van woningen en voor het vergroten van de oppervlakte van bijgebouwen. Ook kan via een omgevingsvergunning voor het afwijken toestemming verleend worden voor het uitoefenen van recreatieve voorzieningen, ondergeschikte horeca. Door middel van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch met waarden' indien de gronden geen woonfunctie meer hebben.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 4 en Artikel 6 Waarde - Archeologie 5
Binnen het plangebied bevinden zich gronden met verschillende archeologische waarden. Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn twee dubbelbestemmingen opgenomen om deze archeologische verwachtingen te beschermen. Ten aanzien van deze dubbelbestemmingen is aangesloten op de bestemmingsregeling uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, eerste herziening'.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander moet worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, moet een exploitatieplan worden opgesteld dat tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de gronden eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden.
Kostenverhaal is geregeld in een tussen de gemeente Bergen en de initiatiefnemer af te sluiten overeenkomst, waarin het planschadeverhaal wordt opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Bergen komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Dit vooroverleg vindt gelijktijdig plaats met de formele tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan.
Er zijn geen vooroverlegreacties ingediend.
Gelijktijdig met het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure. Eventuele aanpassingen die volgen uit de overlegreacties worden te zijner tijd verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. Indien nodig worden er ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 2 november 2023 tot en met woensdag 13 december 2023 (gedurende 6 weken) ter visie gelegen. Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend.
Na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.
Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.