direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Streperplein ong. Landgraaf
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding planherziening

Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie Streperplein ong. te Landgraaf, kadastraal bekend als gemeente Schaesberg - sectie A - nummer 3277, een woningbouwontwikkeling te realiseren. Deze locatie is gelegen in het centrum van Landgraaf in de kern Schaesberg. Momenteel is ter plekke van onderhavig perceel geen bebouwing aanwezig. Initiatiefnemer heeft de wens om ter plaatse nieuwbouw te realiseren bestaande uit 11 woonappartementen en 6 grondgebonden woningen alsook te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

Ter plekke van de locatie Streperplein ong. te Landgraaf is het onherroepelijke bestemmingsplan 'Schaesberg Noord' van toepassing, vastgesteld door de raad van de gemeente Landgraaf op 26 mei 2011. Onderhavige locatie is bestemd tot 'Groen'. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet past binnen het geldend planologisch-juridisch kader, beoogt initiatiefnemer een bestemmingsplanprocedure te doorlopen. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor de bestemmingsplanwijziging.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan het Streperplein te Landgraaf, in de kern Schaesberg. Ter plekke van het perceel is momenteel geen bebouwing aanwezig. In het verleden was op onderhavig perceel de bouwmassa van een muziekschool gelegen. Deze bouwmassa is in het verleden gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0002.png"

Luchtfoto met aanduiding plangebied

Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Schaesberg - sectie A - nummer 3277.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0003.png"

Kadastrale kaart met ligging plangebied

1.3 Vigerende planologisch-juridische situatie

1.3.1 Bestemmingsplan 'Schaesberg Noord'

Ter plekke van het plangebied is het bestemmingsplan 'Schaesberg Noord' van kracht, vastgesteld door de raad van de gemeente Landgraaf op 25 mei 2011. Op grond van het bestemmingsplan is het plangebied bestemd tot 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor groen en groenvoorzieningen; verkeer in de vorm van parkeerplaatsen en fiets- en voetpaden en doeleinden van openbaar nut.

De planologische situatie wordt verduidelijkt aan de hand van de volgende figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0004.png"

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Schaesberg Noord' met aanduiding plangebied (rode cursor)

Initiatiefnemer heeft de wens om ter plekke nieuwbouw te realiseren bestaande uit 11 woonappartementen en 6 grondgebonden woningen alsook te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

Het gebruiken van het plangebied ten behoeve van woondoeleinden is niet in overeenstemming met de bestemming 'Groen'. Daarnaast voorziet de beoogde ontwikkeling in het toevoegen van wooneenheden aan de woningvoorraad. Deze elementen zijn niet in overeenstemming met het geldend planologisch-juridisch kader.

In het geldende bestemmingsplan zijn geen binnenplanse afwijkings- dan wel wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Ten behoeve van de planontwikkeling dient een separate bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen.

1.3.2 Facet bestemmingsplan 'Archeologie'

Naast het bestemmingsplan 'Schaesberg Noord'is het facetbestemmingsplan 'Archeologie' van toepassing, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Landgraaf op 1 december 2016. Dit facetbestemmingsplan is bedoeld om archeologische verwachtingswaarden en het dienaangaande gevoerde beleid in een planologisch-juridisch kader te gieten, zodat publiekrechtelijke bescherming op basis van het bestemmingsplan ontstaat.

Op basis van dit facetbestemmingsplan is ter plekke van onderhavig perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van kracht. Deze dubbelbestemming is toegekend aan terreinen met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde.

1.4 Bij het plan horende stukken

Het bestemmingsplan 'Streperplein ong. Landgraaf' bestaat uit een toelichting ('onderbouwing'), regels ('voorschriften') en een verbeelding ('kaart'). Ter onderbouwing van de toelichting zijn een aantal onderzoeken uitgevoerd, waarvan de rapportages als bijlagen zijn toegevoegd.

1.5 Leeswijzer

In hoofdstuk 1 is de aanleiding en het doel van de planontwikkeling beschreven. Tevens is inzicht verstrekt in de exacte ligging en begrenzing van het plangebied en het ter plekke vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 gaat kort in op de bestaande ruimtelijke en functionele structuur ter plekke van het plangebied.

Tevens is sprake van divers beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Het voor voorliggende planontwikkeling relevante beleid wordt in hoofdstuk 3 uiteengezet, alsmede wordt beschreven hoe de ontwikkeling zich tot het betreffende beleid verhoudt.

De randvoorwaarden en uitgangspunten van de planontwikkeling worden beschreven in hoofdstuk 4.

Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de planontwikkeling getoetst ten aanzien van diverse milieuaspecten, zoals bodem, archeologie, geluid e.d..

Één van de verplichtingen bij ruimtelijke plannen is het opstellen van een waterparagraaf. Daarin wordt de uitwerking van het plan op het watersysteem beschreven en wordt aangegeven welke eisen het watersysteem aan het plan oplegt. Dit komt aan de orde in hoofdstuk 6.

Naast de milieuaspecten en de waterparagraaf worden in hoofdstuk 7 een aantal overige aspecten (kabels en leidingen, verkeer en parkeren en duurzaam bouwen) beschreven.

Voor iedere planontwikkeling dient de economische uitvoerbaarheid inzichtelijk te worden gemaakt. Daarop wordt ingegaan in hoofdstuk 8.

In hoofdstuk 9 zal worden ingegaan op de juridische aspecten van voorliggend bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Plangebied

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied is gelegen in het centrum van Landgraaf, in de kern Schaesberg. Aan de oostzijde van de locatie is het Streperplein gelegen en aan de zuidzijde de Heerlenseweg. De directe omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door woningen en dienstverlening / lichte bedrijvigheid.

2.2 Foto's bestaande situatie

De bestaande situatie ter plekke van het plangebied wordt weergegeven aan de hand van navolgende foto's.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0006.png"

Foto's bestaande situatie

Hoofdstuk 3 Beleid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor de beschrijving van het provinciale beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI), en de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014). Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de structuurvisie 2030 en de gemeentelijke visie.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 11 september 2021 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 km2 is het belangrijk goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerder nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijke keuzes zijn:

  • De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit.
  • Het bieden van ruimte voor een overgang naar circulaire economie.
  • Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden.
  • Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen.

Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op onderstaande vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe de fysieke leefomgeving wordt ingericht. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes.

1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

  • Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen.
  • We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte.
  • We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld.

2. Duurzaam economisch groeipotentieel

  • De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030.
  • We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland.
  • Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

3. Sterke en gezonde steden en regio's

  • We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is.
  • Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen.
  • Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse.
  • We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie.
  • We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt.
  • We richten steden en regio's klimaatbestendig in.
  • Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl.
  • Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak.

4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

  • Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief.

Conclusie

Met betrekking tot het planvoornemen zijn er weinig directe en concrete raakvlakken tussen deze visies en onderhavig plan, anders dan de meer algemene uitgangspunten ten aanzien van een veilige en gezonde leefomgeving, duurzaam ruimtegebruik, etc. Op de eerder genoemde onderwerpen wordt in navolgende paragrafen en hoofdstukken nader ingegaan. In paragraaf 3.1.2 wordt nader ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De structuurvisie streeft een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen na. Hiertoe is in de structuurvisie een ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld. De invulling van deze ladder wordt overgelaten aan de gemeenten en provincies. Zolang de ontwikkeling de rijksbeleidsdoeleinden niet frustreert, is er een grote mate van vrijheid voor de decentrale overheden.

De zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De planontwikkeling voorziet in het realiseren van een nieuw woongebouw met 11 appartementen en 6 grondgebonden woningen. Uit jurisprudentie (o.a. uitspraak Raad van State d.d. 16 september 2015, 201501297/1/R4) blijkt dat het realiseren van maximaal 11 woningen niet wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Omdat voorliggende planontwikkeling ziet op het realiseren van 11 appartementen en 6 grondgebonden woningen (in totaal 17 wooneenheden), wordt deze aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro van toepassing is.

De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van 11 appartementen en 6 grondgebonden woningen. Deze woningen worden gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Landgraaf, in de nabijheid van noodzakelijke voorzieningen zoals een supermarkt. Het bouwplan ziet op het realiseren van levensloopbestendige appartementen en het realiseren van grondgebonden woningen voor onder andere starters en jonge gezinnen. Aan dit type woningen bestaat een grote behoefte. Omdat sprake is van een 'goed woningbouwplan' als bedoeld in de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen', is compensatie niet aan de orde. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plan voorziet in een concrete woonbehoefte binnen het stedelijk gebied.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb. 2012, nr. 388):

  • Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen;
  • grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen;
  • toekomstige rivierverruiming van de Maastakken;
  • Waddenzee en waddengebied, en IJsselmeergebied;
  • verstedelijking in het IJsselmeer;
  • defensie;
  • erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
  • hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • elektriciteitsvoorziening;
  • ecologische hoofdstructuur.
3.1.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

3.1.5 Conclusie Rijksbeleid

De beoogde planontwikkeling levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie, het Barro en de Rarro. Het Rijksbeleid is niet aan de orde, omdat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en er geen onderwerpen vanuit de NOVI en Barro op het plangebied van toepassing zijn. Ook gelden er vanuit de Rarro geen beperkingen ten aanzien van het planvoornemen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Limburg (POVI)

Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De Omgevingsvisie Limburg vervangt de Omgevingsvisie POL 2012. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen.

Onderhavig plangebied is gelegen binnen de zonering 'Stedelijk gebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0007.png"

Uitsnede kaart 'zoneringen' met ligging plangebied

Stedelijk gebied

Het stedelijk gebied omvat de bebouwde gebieden van de Westelijke Mijnstreek, Heerlen, Brunssum, Landgraaf en Kerkrade en de steden Maastricht, Venlo, Roermond, Weert en Venray. Hier vind je een breed scala aan locaties met functies zoals wonen, winkels, scholen, voorzieningen, wegen en openbare ruimte. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014)

Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale beschermingsgebieden, waartoe op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 specifieke regelgeving geldt. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een milieubeschermingsgebied dat aanvullende bescherming behoeft.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0008.png"

Uitsnede kaart 'milieubeschermingsgebieden' Omgevingsverordening Limburg 2014 met ligging plangebied

Provinciaal woonbeleid

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt in paragraaf 2.4.2 Wonen ingegaan op woningbouwplannen. Ten aanzien van nieuwe woningen is daarbij het navolgende opgenomen:

  • 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.
  • 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg.
  • 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.
  • 4. Als een ruimtelijk plan niet voldoet aan het gestelde in het eerste, tweede of derde lid , kunnen Gedeputeerde Staten, rekening houdend met het standpunt van het Regionaal Bestuurlijk Overleg, gelegenheid bieden voor maatwerk in afwijking van het bepaalde in die leden.
  • 5. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid, dan wel van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het vierde lid.

De gemeenteraad van Landgraaf heeft de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vastgesteld op 13 oktober 2016. Onderhavig plan voldoet aan het bepaalde in die structuurvisie en de in dat verband vastgestelde beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'. In paragraaf 3.3 van voorliggende toelichting wordt daarop ingegaan.

Bovendien wordt in de Omgevingsverordening Limburg 2014 aangegeven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:

a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;

In paragraaf 3.2.1 van voorliggende toelichting wordt nader ingegaan op dit aspect.

b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van een actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;

Onderhavig woningbouwplan ziet op de realisatie van 11 appartementen en 6 grondgebonden woningen. De appartementen worden voorzien van een lift en hebben daarmee een levensloopbestendig karakter. Daarmee zijn deze zeer geschikt voor ouderen. De appartementen betreffen huurappartementen in de categorie middeldure huur tot € 1.000.-.

De woningen zijn grondgebonden en hebben een koopprijs tot de NHG-grens, zijnde € 355.000,- (prijspeil op 1-1-2022). Deze woningen hebben geen levensloopbestendig karakter en zijn daarmee geschikt voor doorstromers.

Uit het 'Woonbehoefteonderzoek Parkstad Limburg 2022 - 2032' blijkt dat voor Landgraaf met name behoefte bestaat aan levensloopbestendige nultredenwoningen in zowel de categorie huur als koop. De appartementen die met onderhavige ontwikkeling worden gerealiseerd, zijn met name bedoeld voor de doelgroep 60-plussers. De grondgebonden woningen die met onderhavige ontwikkeling worden voorzien, zorgen voor een kwalitatieve afronding van het gebied en leiden tot een kwalitatieve verbetering van de huidige woningvoorraad.

c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;

De Stadsregio Parkstad Limburg heeft op 25 juli 2022 ingestemd met onderhavig woningbouwplan.

d. het ruimtelijk plan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring;

Alle Limburgse gemeenten registreren hun woningbouwplannen in de gezamenlijke Plancapaciteitsmonitor. Dit betreft een online applicatie waarin gegevens over bouwplannen kunnen worden opgenomen. Gemeente Landgraaf heeft onderhavig woningbouwplan opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor.

e. realisatie van de woningen beoogd is binnen vijf jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

De Subregio Parkstad Limburg heeft onderhavig woningbouwplan, zijnde het realiseren van 17 woningen, toegevoegd aan de Regionale Woningmarktprogrammering van Parkstad Limburg. Dit onder toepassing van de voorwaarden die uit de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' voortvloeien. Eén van deze voorwaarden ziet op het feit dat het bouwplan binnen 3 jaar nadat het plan planologisch onherroepelijk is geworden, moet zijn gerealiseerd. Woningbouwplannen die deze termijn niet halen, verliezen hun status op de Regionale Woningmarktprogrammering van Parkstad Limburg.

3.2.3 Klimaatadaptatie

In artikel 2.19.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt nader ingegaan op het aspect klimaatadaptatie. Er dient bij het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen namelijk rekening te worden gehouden met risico's ten aanzien van klimaatverandering en het toepassen van mogelijke adaptatiemaatregelen.

Klimaatverandering vergroot de kans op onder andere overstromingen, wateroverlast en langdurige perioden van droogte. Alle overheden hebben in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie afgesproken klimaatadaptief te handelen en ernaar te streven de inrichting van Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te laten zijn. Door middel van stresstesten die diverse overheden hebben uitgevoerd is inzicht beschikbaar in de gevoeligheid van locaties voor onder andere wateroverlast, overstroming en droogte. De resultaten van de stresstesten in Limburg laten zien dat er opgaven liggen om de ruimtelijke inrichting aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering.

Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is de kaart 'Klimaatrisico' bij Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Het risico op deze kaart laat zien waar men last kan hebben van een hoge gevoelstemperatuur (hittestres) én waar (wateroverlast) kan ontstaan ten gevolge van een hevige regenbui. Hierbij geldt als uitgangspunt dat hoe groener de kleur, hoe hoger het risico is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0009.png"

Uitsnede kaart 'Klimaatrisico' (RIVM, 2020)

Gelet op bovenstaande kaart staat voorop dat het klimaatrisico ter plaatse van onderhavig plangebied klein is.

Bovendien is van belang dat het hemelwater ten behoeve van onderhavige ontwikkeling op eigen terrein wordt opgevangen. Onder andere worden onder de parkeervakken aan de westzijde van het plangebied infiltratievoorzieningen beoogd. Daarnaast worden aan de straatzijde bij de nieuw te realiseren grondgebonden woningen infiltratiekratten ingegraven.

3.2.4 Ontwerp Omgevingsverordening Limburg (2021)

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.

Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.

Provinciale Staten hebben de nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021. Omdat deze Omgevingsverordening is gebaseerd op de Omgevingswet kan deze niet eerder in werking treden dan de Omgevingswet zelf. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, zal de Omgevingsverordening Limburg ook van kracht worden en de Omgevingsverordening uit 2014 vervangen.

Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Het uitstel van de Omgevingswet maakt het wenselijk dat deze onderwerpen ook al geregeld worden in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Daartoe heeft het college van Gedeputeerde Staten van Limburg op 29 maart 2022 het ontwerp-besluit genomen waarmee de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt aangevuld met instructieregels voor deze vier onderwerpen.

In artikel 2.16.1 Instructieregel na-ijlende effecten steenkoolwinning van de ontwerp wijzigingsverordening wordt gesteld dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat het bouwen van een nieuw bouwwerk in de gemeenten Brunssum, Beekdaelen, Heerlen, Landgraaf, Voerendaal, Kerkrade, Simpelveld, Beek, Sittard-Geleen en Stein mogelijk maakt, beschrijft op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning.

Onderhavig plangebied is gelegen binnen het concessiegebied van de Oranje Nassaumijnen I, III en IV. Ter plekke van dit gebied zijn geen kolen gewonnen, maar de locatie is ingeklemd tussen twee plekken waar wel gemijnd is waardoor eventuele na-ijlende effecten kunnen optreden. Bovendien zijn nabij het plangebied enkele drempels gelegen. In onderstaande figuur wordt dit nader gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0010.png"

Uitsnede kaart na-ijlende effecten steenkoolwinning

Met het vorenstaande zal rekening worden gehouden bij het vorm geven van de constructie van de nieuw te realiseren bebouwing in het kader van de te plaatsen funderingen. In deze fase van de planontwikkeling is de concrete uitwerking van de nieuwe bebouwing nog niet bekend, hetgeen in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' nader zal worden uitgewerkt. Dan zal aandacht zijn voor de constructieve veiligheid van de op te richten bebouwing.

3.2.5 Conclusie provinciaal beleid

Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, bestaan er geen belemmeringen met betrekking tot voorliggende planontwikkeling. Vooropgesteld moet worden dat het plangebied niet is gelegen binnen een provinciaal beschermingsgebied. Bovendien voldoet het plan aan het provinciale woonbeleid en aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

Op 13 oktober 2016 heeft de gemeenteraad van Landgraaf ingestemd met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL). De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 16 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Beekdaelen, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal. Het doel van de structuurvisie is het creeren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt, met een aantrekkelijk woonmilieu.

Het kader voor de SVWZL is het in samenwerking met de provincie en andere direct betrokken partijen tot stand gekomen en in december 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL), die eveneens een visie bevat op Zuid-Limburg. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand.

De structuurvisie bevat een driedelige opgave voor Zuid-Limburgse gemeenten, namelijk:

  • het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot;
  • het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave;
  • het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL.

Op een uniforme wijze dient een afweging te worden gemaakt om kwalitatief goede nieuwe woningbouwinitiatieven aan de woningmarktprogrammering toe te voegen. Nieuwe woningbouwinitiatieven moeten worden gecompenseerd. Hierbij kan in volgorde gebruik gemaakt worden van:

  • I. Compenseren met direct gekoppelde sloop of onttrekking;
  • II. Elke nieuw toe te voegen woning wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitwerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een sub regionaal op te zetten sloopfonds vloeien;
  • III. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarbinnen dit besluit is genomen;
  • IV. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de regionale woningmarkt-programmering. Hiervan mag ¼ deel gezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. In het geval van een woningbouwinitiatief in een monument of beeldbepalend pand kan volstaan worden met een één op één compensatie.

Op grond van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) dienen aan de bestaande planvoorraad toe te voegen woningen te worden gecompenseerd, hetzij middels fysieke sloop hetzij middels doen van een financiële storting in het (regionale) sloopfonds.

3.3.2 Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'

De gemeenteraad van Landgraaf heeft op 23 december 2020 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' vastgesteld. Deze beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel 'Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'.

Op grond van de nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria:

Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde

Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties:

  • Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen;
  • Herstructurering/vervangingsbouw van woningen;
  • Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw;
  • Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad.

Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat.

Onderhavige locatie is gelegen aan het Streperplein in de wijk Schaesberg. Ondanks de verschillende woningbouwinitiatieven heeft de locatie nog geen invulling gekregen. Door de jaren heen is de locatie verrommeld en een aandachtslocatie voor de gemeente geworden. Het betreffende perceel ligt bovendien aan de doorgaande weg naar Heerlen waar dagelijks veel verkeer langs rijdt. Het perceel grenst bovendien aan de voormalige winkeldriehoek Streperstraat-Ruiterstraat-Heerlenseweg waar sprake is van winkelleegstand, verrommeling en achteruitgang van de woonomgeving. Met de bouw van 11 levensloopbestendige appartementen en 6 grondgebonden woningen krijgt de locatie een kwalitatieve invulling, wordt het terrein aan de voorzijde verder afgebouwd en ontstaat er een aaneengesloten geheel. Met onderhavige ontwikkeling wordt ingespeeld op de woningbehoefte en wordt de bestaande woningvoorraad verbeterd.

Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar

Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is:

  • Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte
  • Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte

Kwantitatieve behoefte

Onderhavig woningbouwplan ziet op de realisatie van 11 appartementen en 6 grondgebonden woningen. De appartementen worden voorzien van een lift en hebben daarmee een levensloopbestendig karakter. Daarmee zijn deze zeer geschikt voor ouderen. De appartementen betreffen huurappartementen in de categorie middeldure huur tot € 1.000.-.

De woningen zijn grondgebonden en hebben een koopprijs tot de NHG-grens, zijnde € 355.000,- (prijspeil op 1-1-2022). Deze woningen hebben geen levensloopbestendig karakter en zijn daarmee geschikt voor doorstromers.

Uit het 'Woonbehoefteonderzoek Parkstad Limburg 2022 - 2032' blijkt dat voor Landgraaf met name behoefte bestaat aan levensloopbestendige nultredenwoningen in zowel de huur als koop. Onderhavige ontwikkeling ziet onder andere op het realiseren van levensloopbestendige appartementen. Wat betreft de grondgebonden woningen is van belang dat deze zorgen voor een kwalitatieve afronding van het gebied en daarnaast leiden deze tot een kwalitatieve verbetering van de huidige woningvoorraad.

Kwalitatieve behoefte

Conform het 'Woonbehoefteonderzoek Parkstad Limburg 2022 - 2032' wordt met de bouw van de beoogde appartementen voldaan aan de vraag naar gelijkvloerse appartementen voor senioren in de wijk Schaesberg. De appartementen zijn met name bedoeld voor de doelgroep 60-plussers. De bouw van deze appartementen als ook van de grondgebonden woningen zorgt voor een kwalitatieve toevoeging van nieuwe energiezuinige woningen aan de Landgraafse woningmarkt. Tenslotte draagt dit project bij aan de noodzakelijke doorstroming, waardoor er aan de onderkant van de woningmarkt ruimte ontstaat voor starters.

Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd

Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd.

De Stadsregio Parkstad Limburg heeft op 25 juli 2022 ingestemd met onderhavig woningbouwplan.

3.3.3 Conclusie regionaal beleid

Voorliggende planontwikkeling voldoet aan de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie 2030

Op 15 december 2011 heeft de gemeente Landgraaf de 'Structuurvisie 2030' vastgesteld. Het doel van deze structuurvisie is het beschrijven van de ruimtelijke strategie. De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van Landgraaf, alsmede de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. Daarnaast zijn in het kader van deze ontwikkeling de ruimtelijke consequenties weergegeven voor het gemeentelijk grondgebied. De structuurvisie zorgt voor een samenhang tussen de verschillende vormen van sectoraal beleid en vormt tevens het kader voor de verschillende wijkontwikkelingsplannen. Daarnaast geeft de structuurvisie sturing aan bestemmingsplannen.

De structuurvisie behandelt een groot aantal thema’s: identiteit en cultuurhistorie, bevolking, huisvesting en wonen, sociaal-economisch beleid, voorzieningen en welzijn, natuur en landschap, verkeer en mobiliteit, duurzaamheid, water en de herstructurerings- en ontwikkelingslocaties.

Ten aanzien van onderhavig plangebied zijn met name de thema’s huisvesting en wonen en de herstructurerings- en ontwikkelingslocatie van belang. Een concrete vertaling van de algemene ruimtelijke uitgangspunten volgend uit de Structuurvisie 2030 heeft plaatsgevonden in het Wijkontwikkelingsplan Schaesberg. Op dit punt wordt dan ook kortheidshalve verwezen naar het wijkontwikkelingsplan Schaesberg dat nader uiteen wordt gezet in subparagraaf 3.4.2.

3.4.2 Wijkontwikkelingsplan Schaesberg

Op 4 juni 2015 heeft de gemeenteraad het Wijkontwikkelingsplan Schaesberg vastgesteld. De aanleiding voor dit wijkontwikkelingsplan is dat Schaesberg net als in de overige stadsdelen van Landgraaf en elders in Parkstad Limburg te maken met grote veranderingen in bevolkingsomvang en huishoudenssamenstelling op de middellange termijn.

Het Wijkontwikkelingsplan heeft als doel de kwaliteit van wonen en leven in Schaesberg in stand te houden en zo te verbeteren dat de leefbaarheid blijvend wordt verbeterd. En daarbij wordt ingespeeld op de effecten van de veranderende bevolkingsomvang en huishoudenssamenstelling.

De visie, in het plan, op de ontwikkeling van Schaesberg bestaat uit een sociale en een ruimtelijke visie. De ruimtelijke wijkvisie van Schaesberg gaat nader in op het thema 'Transformatie van de woningvoorraad'. Hieronder wordt nader ingegaan wat dit thema behelst.

De transformatie van de woningvoorraard heeft verschillende facetten die allemaal met elkaar samenhangen. Zo is een kwantitatieve en een kwalitatieve transformatie noodzakelijk. Daarbij staat voorop dat de samenstalling van de woningvoorraad qua woningtypen moeten veranderen en de energieprestatie van elke woning dient te verbeteren.

Nieuwbouw moet worden gerealiseerd binnen de kaders van het wijkontwikkelingsplan en de wettelijke regelgeving voor duurzaam bouwen. Er zijn voldoende technische mogelijkheden om nieuwbouwwoningen een hoge mate van duurzaamheid te geven of zelfs volledig energieneutraal te maken. De ambitie is om bij de realisatie van nieuwbouwwoningen, energieneutraliteit na te streven.

In het Wijkontwikkelingsplan Schaesberg worden een aantal aandachtsgebieden onderscheiden. In onderstaande figuur worden deze nader gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0011.png"

Aandachtsgebieden transformatie woningvoorraad

Met inachtneming van bovenstaande figuur is onderhavig plangebied gelegen binnen het ontwikkelingebied '1e prioriteit', namelijk het 'Streeperkruis'. Daarnaast is in onderstaande figuur het ontwikkelingsgebied Streeperkuis nader in beeld gebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0012.png"

Ontwikkelgebied Streeperkruis

Het Ontwikkelingsgebied Streeperkruis streeft een aantal doelstellingen na. Hieronder worden deze nader uiteengezet.

  • Verdunning en kwalitatieve aanpassing van de woningvoorraad.
  • Creëren ruimte voor kruising drukke verkeersassen.
  • Verbeteren oversteekbaarheid langzaam verkeer.
  • Wegnemen verkeersknelpunten.
  • Concentreren centrumgebied.

Bij deze opgestelde doelen zijn ook enkele ruimtelijke randvoorwaarden voorgesteld;

  • Zorgdragen voor voldoende ruimte voor autoverkeer en langzaam verkeer.
  • Indien er nieuw gebouwd wordt, zoeken naar een markering van de kruising van verkeersassen.
  • Nieuwbouw is beperkt mogelijk alleen daar waar het na sloop gewenst is om stedenbouwkundige redenen en om in de veranderende woningbehoefte te voorzien

Rekening houdend met onderhavige ontwikkeling aan het Streperplein ong. te Landgraaf worden twee woningtypen voorzien, namelijk enerzijds levensloopbestendige appartementen en anderzijds grondgebonden woningen. De woonappartementen worden levensloopbestendig ingericht waardoor deze onder andere zeer geschikt zijn voor ouderen. Daarnaast worden grondgebonden woningen voorzien die onder andere geschikt zijn voor starters en jonge gezinnen. Met onderhavige ontwikkeling worden dan ook woningtypen voorzien die aansluiten bij de kwalitatieve behoefte. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de doelstelling om in Landgraaf een onderscheidend en kwalitatief goed woon- en leefklimaat te creëren. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de visie van het Wijkontwikkelingsplan Schaesberg van de gemeente Landgraaf.

3.4.3 Conclusie gemeentelijk beleid

Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.

Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden

4.1 Beoogde planontwikkeling

Op de locatie Streperplein ong. te Landgraaf was in het verleden een voormalige muziekschool gevestigd. De bebouwing ten behoeve van de voormalige muziekschool is in het verleden gesloopt. Momenteel is ter plekke van het plangebied dan ook geen bebouwing meer aanwezig; na sloop van de voormalige bebouwing is de locatie overwoekerd door het bestaande groen.

Initiatiefnemer is voornemens om ter plekke van onderhavig plangebied passende nieuwbouw te realiseren in de vorm van 11 woonappartmenten en 6 grondgebonden woningen. De grondgebonden woningen worden aan de noordoostzijde van het plangebied beoogd. De woonappartementen worden aan de zuidoostzijde van de locatie gerealiseerd.

Bovendien voorziet de ontwikkeling in het realiseren van parkeergelegenheid op eigen terrein. Onder het beoogd appartementengebouw wordt een deel van de parkeerbehoefte opgevangen. Daarnaast wordt op het buitenterrein een gedeelte van de parkeerbehoefte opgevangen. In totaal wordt op eigen terrein voorzien in de realisatie van 26 parkeerplaatsen.

Wat betreft de opvang van het hemelwater is van belang dat onder de parkeervakken aan de westzijde van de locatie infiltratievoorzieningen worden beoogd ten behoeve van de afhandeling van het hemelwater van het appartementengebouw. Daarnaast worden aan de straatzijde bij de grondgebonden woningen infiltratiekratten voorzien. Daarmee wordt het hemelwater op eigen terrein opgevangen waarna het rechtstreeks kan infiltreren in de bodem.

De beoogde situatie wordt aan de hand van navolgende figuur overzichtelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0013.png"

Situatietekening beoogde inrichting plangebied

Het appartementengebouw bestaat uit een souterrain, begane grond en drie verdiepingen. Op de begane grond en de eerste en tweede verdieping worden elk drie appartementen voorzien. Daarnaast worden op de derde verdieping twee appartementen gerealiseerd. Daarmee worden in totaal 11 woonappartementen gerealiseerd. Omdat elk appartement zich uitstrekt over één bouwlaag hebben deze een levensloopbestendig karakter omdat de primaire woonfuncties op één laag worden voorzien. Het gebruiksoppervlak van deze appartementen varieert van circa 100 m2 tot 123 m2. In het souterrain zijn naast parkeergelegenheid ook bergingen voorzien ten behoeve van de bewoners van de appartementen.

In onderstaande figuur wordt de uitstraling van het appartementengebouw weergegeven. Daarnaast zijn plattegrondtekeningen opgenomen van de beoogde appartementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0014.png" Aanzicht appartementengebouw Heerlenseweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0015.png" Aanzicht appartementengebouw Streperplein

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0016.png" Indeling begane grond, 1e en 2e verdieping

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0017.png" Indeling 3e verdieping

Ten noordoosten van het plangebied worden 6 grondgebonden woningen gerealiseerd met elk een eigen tuin. Deze woningen bestaan uit een souterrain, begane grond en verdiepingen en hebben een gebruiksoppervlak van 150 m2. In onderstaande figuren wordt de beoogde uitstraling van de woningen gevisualiseerd evenals de beoogde indeling van de woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0018.png"

Aanzicht grondgebonden woningen Streperplein

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0019.png"

Indeling woningen

4.2 Ruimtelijke effecten

Ieder ruimtelijk plan dat het mogelijk maakt om nieuwe bebouwing op te richten, gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. De aanvaardbaarheid van deze effecten dient te worden beschouwd.

Bij voorliggend plan worden nieuwe wooneenheden gerealiseerd ter plekke van een momenteel onbebouwd perceel, gelegen in de kern Schaesberg. Dit perceel vormt momenteel een open plek tussen de bestaande ruimtelijke bebouwingsstructuur binnen het bebouwd gebied. Met de invulling van deze open plek door middel van nieuwe woonbebouwing wordt deze plek ingevuld met bebouwing passend in de ruimtelijke structuur ter plaatse. Daarnaast ziet het voornemen op het realiseren van moderne, energiezuinige woningen waardoor sprake is van een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad.

Ondanks dat sprake is van nieuwe bebouwing en daarmee gepaard gaande ruimtelijk-visuele effecten, wordt de open plek in de bestaande bebouwingsstructuur opgevuld en wordt het straatbeeld versterkt.

Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijk-visuele effecten vanwege voorliggend bouwplan aanvaardbaar zijn.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening gehouden worden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten onderzocht.

5.1 Besluit Milieueffectrapportage

Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onderdeel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.'

Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op:

  • 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of
  • 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van passende nieuwbouw waar de realisatie van 17 wooneenheden wordt beoogd. De voorgenomen activiteit blijft hiermee ruimschoots onder de drempel en is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Met de aanpassing van het Besluit m.e.r., zoals deze 7 juli 2017 in werking is getreden, gelden deze procedurele en inhoudsvereisten ook voor activiteiten onder de drempelwaarden.

Bij elk nieuwbouwplan dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden, bestaand uit een apart besluit in een zo vroeg mogelijke planfase waarin expliciet wordt aangetoond of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten nadat er een afweging heeft plaatsgevonden aangaande de volgende drie criteria:

  • a. de kenmerken van de projecten;
  • b. de plaats van de projecten;
  • c. de kenmerken van de potentiële effecten.

Ad. a. de kenmerken van het project

  • De omvang van het project:

Het plangebied is 2.585 m² groot. Ter plekke is geen bebouwing aanwezig en de gronden zijn in gebruik voor groenvoorzieningen. Het plangebied heeft de bestemming 'Groen'.

  • De cumulatie met andere projecten:

In en om het plangebied zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling.

  • Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen:

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen verandert niet als gevolg van de realisatie van de nieuwe bebouwing. Dit onderdeel geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.

  • De productie van afvalstoffen:

Zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase vindt er geen productie plaats van afvalstoffen, anders dan regulier bouw- en huishoudelijk afval.

  • Verontreiniging en hinder:

Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en mogelijk trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van de realisatie zal zich moeten houden aan de algemene wet en regelgeving en de geldende milieuwetgeving.

  • Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën

Woningen zijn geen risicobron. In paragraaf 5.6 hieronder is daarnaast geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen.

Ad. b. de plaats van het project

  • Het bestaand grondgebruik:

Ter plekke van het plangebied is geen bebouwing aanwezig, enkel groenvoorzieningen.

  • Natuurlijke hulpbronnen:

Ter plaatse van het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen aanwezig die bijdragen aan het planvoornemen dan wel een effect hebben op het plan.

  • Opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu:

Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten in de volgende paragrafen komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert.

Ad. c. de kenmerken van de potentiële effecten

Beoogd wordt met het planvoornemen nieuwe gebouwen te realiseren waarbij ruimte wordt voorzien voor de ontwikkeling van woondoeleinden. Bij de realisatie wordt zowel aan de geldende algemene wet- en regelgeving als aan de geldende milieuwetgeving voldaan. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten.

Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang, dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige milieugevolgen'. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure.

5.2 Bodem

5.2.1 Algemeen

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygienische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is, voor het voorgenomen gebruik. Bij voorliggend planvoornemen vindt een planologische functiewijziging plaats. Tevens zullen ter plekke ten behoeve van de beoogde woningen nieuwe verblijfsruimtes worden gecreëerd. Voor voorliggend voornemen heeft dan ook een verkennend bodem- en asbestonderzoek plaatsgevonden.

5.2.2 Verricht bodemonderzoek

Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling heeft AnteaGroup op 4 mei 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1.

Bodemvreemde materialen

Ter plaatse van de voormalige inrit is in de bovengrond een laag menggranulaat aangetroffen met een dikte van ca. 10-40 cm. Bij boring 5 is onder het menggranulaat nog een slakkenlaag aangetroffen. De organische parameters van deze bodemvreemde lagen voldoen indicatief aan de maximale samenstellingswaarden voor niet-vormgegeven bouwstoffen.

Grond

In de bodem zijn bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen: puin, baksteen, kooltjes, kolengruis, asfalt en/of slakken. De boven- en ondergrond is plaatselijk marginaal verontreinigd met enkele zwaren metalen en/of PAK t.o.v. de achtergrondwaarde (klasse ‘AW2000’). De resultaten komen overeen met de bevindingen uit voorgaand bodemonderzoek (Lyons, 2004). De kwaliteit van de grond komt globaal overeen of is beter dan de gebeidseigen kwaliteit. In de bovengrond zijn daarnaast licht verhoogde gehalten PFOS en PFOA aangetroffen t.o.v. de detectielimiet. De gehalten overschrijden de achtergrondwaarden uit het Tijdelijke handelingskader niet.

Asbest

In het menggranulaat van de voormalige inrit naar de muziekschool is een verwaarloosbare hoeveelheid asbest <20 mm aangetoond (4,0 mg/kg ds). Het gehalte zit ver onder de grenswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kgds), derhalve wordt de uitvoering van een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. In de sporenmatig puinhoudende bovengrond is analytisch geen asbest aangetoond.

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen bezwaren voor het voorgenomen gebruik van de locatie (wonen).

5.2.3 Conclusie bodem

Het aspect bodem leidt niet tot belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.

5.3 Archeologie

5.3.1 Algemeen

Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma's van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn.

Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen betekent dit concreet het volgende:

  • de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten;
  • in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. Zowel de aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kunnen langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten.
5.3.2 Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Erfgoedwet)

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect 'archeologie' in ruimtelijke plannen.

In de wet wordt het culturele erfgoed, en dan met name het archeologische erfgoed, beschermd. Onder archeologisch erfgoed worden alle fysieke overblijfselen verstaan, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. De fysieke overblijfselen kunnen zich zowel in als boven de grond bevinden.

De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:

  • de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. Opgravingen vinden alleen plaatst indien behoud in situ (dus in de bodem) niet mogelijk is;
  • er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect 'archeologie'. In een vroegtijdig stadium moeten initiatiefnemers aangeven hoe met eventuele archeologische waarden wordt omgegaan in geval van bodemverstorende activiteiten. In beginsel dient er dus een verkennend vooronderzoek plaats te vinden bij dergelijke activiteiten. Er kan een uitzondering worden gemaakt, indien het plangebied kleiner is dan 2.500 m² en er binnen een straal van 50 meter geen vondsten zijn gedaan in het verleden;
  • de initiatiefnemer tot ruimtelijke plannen betaalt het archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen.

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is bepaald dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma's van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn.

Gemeenten dienen in beginsel te beschikken over een archeologische basiskaart. Daarnaast beschikt de provincie Limburg over de Cultuurhistorische Waarden Kaart, waarin binnen diverse kaartlagen bijvoorbeeld de archeologische verwachtingswaarde kan worden bekeken en de in het verleden gedane vondsten.

5.3.3 Archeologische verwachtingswaarden

Ter plekke van onderhavige locatie aan het Streperplein ong. te Landgraaf is het 'Facet bestemmingsplan Archeologie' van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 1 december 2016 vastgesteld door de gemeenteraad van Landgraaf. Aan de locatie is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2 (Terreinen van zeer hoge waarde' toegekend.

Op basis van artikel 4.2.1 van de planregels van dit bestemmingsplan mag op de voor 'Waarde - Archeologie 2' bestemde grond niet worden gebouwd. Dit verbod is echter niet van toepassing indien de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m2 beslaat dan wel indien de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m2 beslaat en de verstoring niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft Synthegra Archeologie B.V. een inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd bestaande uit een bureaustudie en proefboringen. Daaruit bleek dat de bodem ter hoogte van de geplande nieuwbouw nog intact is. In drie boringen werd een nog goed bewaarde radebrikgrond aangetroffen. In twee boringen waren archeologische indicatoren aanwezig, te weten houtskoolresten en vuursteensplinters. Op basis van deze resultaten is destijds een middelhoge archeologische verwachtingswaarde aan het gebied toegekend.

Daaropvolgend heeft bureau RAAP op basis van een vooraf opgesteld Programma van Eisen een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het waarderend proefsleuvenonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2. Tijdens dit onderzoek zijn geen verdere archeologische sporen aangetroffen. De verwachte Romeinse weg, parallel aan de Heerlenseweg, is eveneens niet gevonden. Van een behoudenswaardige archeologische vindplaats is dan ook geen sprake. Bij de beoogde planvorming zullen dan ook geen archeologische resten worden verstoord. RAAP concludeert derhalve dat er geen restricties gelden ten aanzien van de verdere planvorming. Op basis van deze bevindingen heeft gemeente Landgraaf een negatief selectiebesluit genomen inhoudende archeologische vrijgave van het onderzochte plangebied aan de Heerlenseweg/Streperplein.

5.3.4 Conclusie Archeologie

Gelet op het vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.4 Geluid

Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai.

Bij voorliggende ontwikkeling speelt het aspect wegverkeerslawaai een rol.

5.4.1 Wegverkeerslawaai

Ten aanzien van alle soorten wegen geldt een geluidszone, die ook wettelijk is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Voor wegen die binnen de bebouwde kom zijn gelegen, en die bestaan uit één of twee rijstroken, geldt een wettelijk vastgestelde geluidzone van 200 meter aan weerszijden van de weg (gemeten vanuit de wegas). Wegen waarop een maximum snelheid geldt van 30 km/u zijn niet voorzien van geluidzones.

Wanneer er ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen geluidzones van wegen, zal middels een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de gevelbelasting vanwege het wegverkeerslawaai niet zodanig is dat de, in de Wet geluidhinder opgenomen, voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor burgerwoningen wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een hogere grenswaarde gevolgd dienen te worden.

Het plangebied is gelegen aan de Steperplein ong. te Landgraaf. Voor deze weg geldt een maximum snelheid van 50 km/u. Daarnaast is in de directe omgeving van het plangebied de 'Heerlenseweg' en de 'Ruitersstraat' gelegen, zijnde 50 km/u wegen. Dergelijke wegen zijn op basis van de Wet geluidhinder gezoneerd. Het plangebied is gelegen binnen de zone van de Heerlenseweg, Ruitersstraat en Streperplein. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook noodzakelijk.

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting verricht door Aelmans ROM B.V.. De rapportage van het verrichte onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Op grond van dat onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen gedaan.

Wet geluidhinder

Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval betreft dit de Ruiterstraat, Heerlenseweg en Streperplein.

De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Ruiterstraat overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van het bouwplan met maximaal 1 dB. De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Heerlenseweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde op de gevels van het bouwplan met maximaal 15 dB. De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Streperplein overschrijdt de voorkeursgrenswaarde op de gevels van het bouwplan met maximaal 7 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt echter nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Daarop aansluitend heeft initiatiefnemer het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf verzocht om hogere grenswaarden vast te stellen ten behoeve van het beoogd bouwplan op de locatie Streperplein ong. Landgraaf.

Goede ruimtelijke ordening

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Heerlenseweg, bedraagt 69 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'slecht' en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel.

Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Tevens beschikt het bouwplan over een geluidluwe gevel. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Karakteristieke geluidwering van de gevel

Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Ten behoeve van onderhavig planvoornemen dient nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Dergelijk onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'.

5.4.2 Conclusie geluid

Gelet op het vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Luchtkwaliteit

5.5.1 Algemeen

De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de wet Milieubeheer. Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wmb, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen.

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
  • een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
5.5.2 Het besluit NIBM

Deze Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) bepaalt wanneer een project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project wordt beschouwd als NIBM als het aannemelijk is dat het een toename van de concentraties veroorzaakt van maximaal 3%. De grens van 3% wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentraties van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden.

In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van 17 nieuwe wooneenheden. Dit aantal ligt aanzienlijk lager dan de eerder genoemde 1.500 woningen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling NIBM is.

NIBM-tool InfoMil

Ook zal het plan niet leiden tot een zodanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 2.278 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Echter, de planontwikkeling zal aanzienlijk minder dan 2.278 verkeersbewegingen per dag genereren, waardoor dit voornemen niet in betekende mate bijdraagt op de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0020.png"

Uitsnede NIBM-tool

5.5.3 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof en stikstofdioxide (m.n. kinderen, ouderen en zieken). Dit besluit is niet van toepassing op het planvoornemen.

5.5.4 Conclusie luchtkwaliteit

Gelet op vorenstaande uiteenzetting met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit leidt voorliggende planontwikkeling, binnen de daartoe gestelde wettelijke (onder)grenzen, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.6 Externe veiligheid

5.6.1 Algemeen

Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van het realiseren van een kwetsbaar object in het kader van externe veiligheid. Zodoende wordt hierna het beleid omtrent externe veiligheid beschouwd en wordt een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid.

5.6.2 Beleid

Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf.

Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.

5.6.3 Risicovolle bronnen

Met betrekking tot de mogelijke externe veiligheidsrisico's is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen, en risicovolle inrichtingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0021.png"

Uitsnede Risicokaart met aanduiding plangebied

Risicovolle inrichtingen (Bevi)

Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht, op basis waarvan overheden verplicht zijn afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven.

Op een afstand van circa 1,1 kilometer van het plangebied is een tankstation gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen het explosieaandachtsgebied van dit tankstation. Zowel de plaatsgebonden risicocontour als het groepsrisico van deze inrichting vormt geen belemmeringen.

Bovendien is op een afstand van 415 meter van het plangebied een gasontvangstation Z067 gelegen. Dit betreft een categorie C-station met een jaardoorzet van <40.000 m3 gas. De te respecteren veiligheidsafstanden van dit gasontvangstation reiken slechts tot maximaal 15 meter. Geconcludeerd wordt dat het plangebied buiten de te respecteren veiligheidsafstand ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Deze risicobron vormt dan ook geen aandachtspunt voor de planvorming.

Transportroutes (Bevt)

Spoorverbinding

Het plangebied ligt op een afstand van 300 meter van de spoorverbinding Sittard aansl. - Herzogenrath (D). Uitgaande van het basisnet spoor wordt over deze spoorverbinding de stofcategorie A (brandbare gassen) getransporteerd met een invloedsgebied van 460 meter. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied (de 1% letaalzone) van de spoorlijn Sittard-Heerlen. Gelet op de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied dient op grond van artikel 7 van het Bevt het groepsrisico verantwoord te worden. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de spoorlijn Sittard-Heerlen ligt (en daarmee tevens buiten de PR 10-8 contour), is het conform artikel 8, lid 1 van het Bevt en de HART niet noodzakelijk om de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken.

Het groepsrisico (GR) betreft de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. De personendichtheid is de bepalende factor voor het berekenen van het GR. Het GR is excl. de ontwikkelingen binnen het plangebied kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde.

Binnen het plangebied vinden ontwikkelingen plaats welke een effect kunnen hebben op het groepsrisico. Echter de personendichtheid binnen het plangebied levert een zeer geringe bijdrage aan de totale personendichtheid binnen het invloedsgebied (incl. plangebied). Derhalve heeft het planvoornemen naar verwachting een zeer geringe invloed op het reeds bestaande groepsrisico en zal het groepsrisico door de planontwikkeling niet meer dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde bedragen.

Vaarwegen

De invloedssfeer van vaarwegen die aangewezen zijn als basisnetroute reikt maximaal tot 1.070 meter. Binnen deze afstand vanaf het plangebied is een dergelijke vaarweg niet aanwezig. Het transport van gevaarlijke stoffen over het water vormt daarmee geen aandachtspunt voor de planvorming.

Basisnetwegen

Transport van gevaarlijke stoffen vindt in hoofdzaak plaats over wegen die zijn aangewezen als basisnetroute. Afhankelijk van de getransporteerde stofcategorie reiken de risico's van 40 meter tot meer dan 4.000 meter (tabel 4-2 HART). Rekening houdende met deze maximale invloedssfeer is wegvak L67 van de A79 (gelegen op een afstand van 3.550 meter) potentieel relevant voor de planvorming. Uitgaande van de stofcategorieën met de referentieaantallen zoals vermeld in de bijlage Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten worden over wegvak L67 uitsluitend brandbare vloeistoffen getransporteerd waardoor het invloedsgebied (de 1% letaalzone) slechts tot 45 meter reikt. Het transport van gevaarlijke stoffen over de A79 vormt daarmee geen aandachtspunt voor de planvorming.

Transportleidingen gevaarlijke stoffen (Bevb)

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten:

  • wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een kwetsbaar object niet toegestaan;
  • wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is).

Op een afstand van 380 meter van het plangebied is de buisleiding Z-503-16 gelegen. Het betreft een buisleiding in beheer van Gasunie. Het plangebied is niet gelegen binnen de P10-6 risicocontour van deze buisleiding. Deze hogedruk aardgasleiding heeft een inwendige diameter van 4 inch en een werkdruk van 40 bar. Op basis van deze kenmerken reikt de 1% letaliteitsafstand van de buisleiding tot een afstand van 50 meter en valt daarmee niet over het plangebied. Het transport van gevaarlijke stoffen door de buisleiding vormt daarmee geen aandachtspunt voor de planvorming.

5.6.4 Advies Veiligheidsregio Zuid-Limburg

Veiligheidsregio Zuid-Limburg heeft een advies uitgebracht, bijgevoegd als Bijlage 7, omtrent de bestrijdbaarheid van incidenten die invloed hebben op het plangebied. Daarnaast worden maatregelen geadviseerd om de zelfredzaamheid van de in het plangebied aanwezige personen te verhogen. In dat verband worden een aantal maatregelen voorgesteld ter verbetering van de beheersbaarheid, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Hittestralingsscenario's

  • 1. Ervoor zorgdragen dat personen inpandig kunnen vluchten van de risicobronnen af. Bij calamiteiten op het spoor dient men het pand via de achterzijde (noordzijde) te ontvluchten;
  • 2. Intern ontruimingsplan inrichten en oefenen met de betreffende scenario’s;
  • 3. Verzamelplaats kiezen en inrichten op een (dreigende) BLEVE;
  • 4. Risicocommunicatie om risicobewustzijn te vergroten.

Bij de nadere uitwerking van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' wordt ervoor gezorgd dat via de achterzijde van de beoogde bebouwing vluchtwegen aanwezig zijn zodat personen van de risicobronnen af kunnen vluchten. Daarnaast zal op basis van het vergund bouwplan een ontruimingsplan en verzamelplaats worden ingericht op basis waarvan risicocommunicatie kan plaatsvinden en het risicobewustzijn kan worden vergroot.

Bestrijdbaarheid

De bereikbaarheid van de planlocatie wordt door de Veiligheidsregio Zuid-Limburg als voldoende beoordeeld.

Restrisico

De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen sterk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Hoewel het uitvoeren van maatregelen een positief effect zal hebben op de veiligheid, valt daarmee niet uit te sluiten dat zich een incident voor zal doen met slachtoffers op de planlocatie en de omgeving. In de belangenafweging om op deze plek in te stemmen met een passende ruimtelijke ontwikkeling is ook het aspect externe veiligheid afgewogen. Gemeente Landgraaf accepteert het zeer kleine restrisico dat zich op de planlocatie een incident kan voordoen met slachtoffers. Hoewel dit risico nooit helemaal is uit te sluiten, zorgen de beschreven maatregelen voor een acceptabel risico.

5.6.5 Conclusie externe veiligheid

Het planvoornemen voorziet in het realiseren van 11 appartementen en 6 woningen, hetgeen zal leiden tot een toename van circa 41 personen binnen het invloedsgebied van de spoorverbinding. Gelet op deze toename en de afstand van het plan tot het spoor kan worden gesteld dat de planvorming slechts een marginale invloed heeft op het groepsrisico.

Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Binnen het plangebied worden namelijk geen functies gerealiseerd die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed omdat de locatie direct via het Streperplein en de Heerlenseweg wordt ontsloten. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de planontwikkeling.

5.7 Milieuzonering

5.7.1 Algemeen

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
  • het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.

5.7.2 Bestaande bedrijvigheid

Teneinde te bepalen of een goed woon- en leefklimaat in de nieuw te realiseren woningen aanwezig is, dient bestaande bedrijvigheid in de (directe) omgeving van onderhavig plangebied te worden beoordeeld. Het plangebied is gelegen aan het Streperplein ong. te Landgraaf. De directe omgeving kenmerkt zich als een overwegend woongebied. Het plangebied wordt namelijk in overwegende mate omgeven door woningen. Daarnaast is ten noorden van het plangebied een bedrijf gevestigd (Streperplein 10 Landgraaf) en is aan de zuidzijde van de locatie een nutsvoorziening aanwezig.

Rekening houdend met onderhavige ontwikkeling is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd waarin de optredende geluidniveaus ten gevolge van de omliggende bedrijfsbestemmingen in kaart worden gebracht en worden getoetst aan de geldende geluidnormen. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4. De bevindingen van het akoestisch onderzoek industrielawaai worden hieronder uiteengezet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0022.png"

Op basis van bovenstaande tabel wordt geconcludeerd dat de toekomstige situatie ten aanzien van de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7.3 Conclusie milieuzonering

Gelet op vorenstaande uiteenzetting wordt geconcludeerd dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling. Omgekeerd vormt de planontwikkeling eveneens geen beperking voor bedrijven in de nabijheid.

5.8 Natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet.

5.8.1 Natuurnetwerk

Uitgaande van de kaart 'Natuur' van de omgevingsverordening 2021 is het plangebied gelegen buiten de Natura 2000-gebieden, Natuurbeekzones, het Natuurnetwerk en de Groenblauwe mantel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0023.png"

Uitsnede kaart 'Natuur' POL2014 met aanduiding plangebied

5.8.2 Natura2000

Natura-2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden plant- en diersoorten die in Europa bedreigd zijn en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura-2000 gebieden worden beschermd door de 'Wet Natuurbescherming'.

Het dichtsbijzijnde Natura-2000 gebied betreft de noordelijk gelegen 'Brunssummerheide'. De afstand tussen het plangebied en dit Natura-2000 gebied bedraagt circa 1,2 kilometer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0024.png"

Kaart 'Natura2000' van Atlas Limburg met aanduiding plangebied

Het planvoornemen voorziet in nieuwe wooneenheden aan het Streperplein ong. te Landgraaf. Tot voor kort was de realisatiefase van een project vrijgesteld van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. De bedoeling daarvan was dat bij de vergunningverlening voor een project geen rekening hoefde te worden gehouden met de stikstofuitstoot van bouwactiviteiten. In de uitspraak van de Raad van State d.d. 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3159) is echter geoordeeld dat deze bouwvrijstelling niet mag worden toegepast.

Vandaar dat een stikstofonderzoek is uitgevoerd dat zich toespitst op de realisatiefase (bouwen) en de gebruiksfase. Betreffend stikstofonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Uit de berekeningen met AERIUS blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op, voor stikstof gevoelige, natuurgebieden. De depositie bedraagt 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Derhalve kunnen negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van N2000 gebieden ten gevolge van stikstof met zekerheid worden uitgesloten. De uitkomsten van de AERIUS berekening geven derhalve geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op N2000-gebieden.

5.8.3 Flora- en fauna

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er gelden een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten.

Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling heeft Bureau Verbeek een verkennend natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied door de aanwezigheid van bomen en bosschages geschikt lijkt als onderdeel van het leefgebied van de eekhoorn en de steenmarter.

Bovendien vormt het plangebied een geschikt broedgebied voor diverse vogelsoorten, met name diverse algemene tuin- en parkvogels. Ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten kan worden gesteld dat de aanwezigheid van (nesten van) Boomvalk, Bosuil, Havik, Roek, Slechtvalk en Torenvalk tijdens het veldbezoek met zekerheid kon worden uitgesloten. Voor Boerenzwaluw, Gierzwaluw, Huismus, Huiszwaluw of Steenuil geschikte gebouwen zijn in het onderzoeksgebied niet aanwezig. Voor de Oehoe geschikte holen of holten zijn dan evenmin, terwijl er geen sprake is van een geschikt leefgebied voor de Grote gele kwikstaart. De aanwezigheid van andere broedvogelsoorten met jaarrond beschermde nesten kan op grond van hun verspreiding en ecologie eveneens worden uitgesloten. Derhalve wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied een geschikt broedgebied vormt voor diverse algemene vogelsoorten. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn in het onderzoeksgebied niet aanwezig.

Op basis van deze bevindingen worden in het natuurwaardenonderzoek de volgende maatregelen gedurende het vervolgtraject voorgesteld.

Eekhoorn en steenmarter

  • Bij de herontwikkeling van het terrein dient met beide soorten rekening te worden gehouden.
  • Opschoningswerkzaamheden (met inbegrip van rooien) dienen bij voorkeur uitgevoerd te worden in de periode 15 augustus tot en met 30 november. Dit betreft de overlap in de provinciale vrijstellingsperiode voor beide soorten.
  • Kunnen de werkzaamheden niet in deze periode worden uitgevoerd, dan is een ecologische schouw voorafgaande aan de werkzaamheden noodzakelijk. Worden alsnog verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient ofwel gewacht te worden tot in de vrijstellingsperiode ofwel dient een ontheffing Wet natuurbescherming aan te worden gevraagd (met 20 weken doorlooptijd).

Vogels zonder jaarrond beschermde nesten

  • De opschoonwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden, globaal dus buiten de periode tussen 15 maart en 15 juli.
  • Afhankelijk van het weer kunnen in het vroege voorjaar en de zomer al of nog vogelsoorten tot broeden komen. In deze periode is het wenselijk om uiterlijk twee weken voor de werkzaamheden een ecologische schouw uit te voeren naar de aanwezigheid van broedgevallen. Worden broedgevallen aangetroffen, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jongen zijn uitgevlogen.
5.8.4 Conclusie natuurbescherming

Indien de initiatiefnemer zich gedurende het vervolgtraject houd aan de gestelde maatregelen, vormt het aspect natuurbescherming geen belemmeringen voor de planontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf

6.1 Nationaal waterplan

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het doel van het programma is om Nederland voor te bereiden op toekomstige uitdagingen op het gebied van waterbeheer, zoals klimaatverandering en veranderende watervraag in de verschillende sectoren.

Het programma richt zich op vijf thema's: waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid, waterkwaliteit, watersysteem en waterketen. Voor elk thema zijn specifieke doelen en maatregelen opgesteld. Het Rijk kiest in het waterbeleid voor de periode 2022-2027 en richting 2050 voor 3 hoofdambities. Deze ambities geven op hoofdlijnen aan waar we in Nederland naartoe willen rond water.

  • Een veilige en klimaatbestendige delta
  • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta
  • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur

6.2 Provinciaal beleid

De provincie Limburg kent ook als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

6.3 Afhandeling afval- en hemelwater

Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het plangebied wordt hierna uiteengezet.

Afvalwater

Het afvalwater als gevolg van de planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Landgraaf. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.

Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein

Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem.

Hemelwater (dak)verhardingen

Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verhardingen zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een te realiseren hemelwatervoorziening.

Capaciteit hemelwatervoorziening

Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 een te realiseren hemelwatervoorziening te worden gedimensioneerd op een extreme bui met een neerslaghoeveelheid van 80 millimeter in 2 uur, met een noodoverlaat.

De beoogde ontwikkeling gaat allereerst gepaard met het oprichten van nieuwe bebouwing. Daarnaast wordt op het buitenterrein naar verwachting voorzien in de aanleg van volledige verharding en halfverharding. In deze fase van de planontwikkeling staat het concrete oppervlak aan volledige verharding nog niet vast. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' zal dit nader worden uitgewerkt.

De initiatiefnemer dient het hemelwater op eigen terrein op te vangen. Daartoe worden onder andere onder de parkeervakken aan de westzijde van het plangebied infiltratievoorzieningen beoogd. Naar deze infiltratievoorzieningen wordt onder andere het hemelwater geleid dat op het dak van het appartementengebouw valt. Daarnaast worden aan de straatzijde bij de nieuw te realiseren grondgebonden woningen infiltratiekratten ingegraven. Deze bufferen het hemelwater dat valt op de daken van de grondgebonden woningen.

Indien een concrete aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend voor het realiseren van het bouwplan op basis van voorliggend bestemmingsplan wordt het oppervlak aan volledige verharding berekend en daarnaast wordt de uitwerking van de hemelwatervoorzieningen in beeld gebracht. Gelet op de omvang van het plangebied is afdoende ruimte beschikbaar voor het kunnen realiseren van een adequate hemelwatervoorziening.

Opvang schoon hemelwater

In de hemelwatervoorziening dient enkel schoon hemelwater te worden opgevangen, waaraan geen verontreinigde stoffen worden toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkómen door alleen schoon hemelwater te infiltreren. Een infiltratievoorziening kan in dat opzicht tevens dienst doen als bodempassage, waarmee gezorgd wordt dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen alvorens het infiltreert.

Voorkomen van wateroverlast

Bij het bepalen van het bouwpeil en afschot wordt rekening gehouden dat geen water in de te realiseren gebouwen kan vloeien.

6.4 Conclusie waterhuishouding

Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.

Hoofdstuk 7 Overige aspecten

Naast de diverse milieuaspecten en de waterhuishouding, zoals uiteengezet in hoofdstuk 5 en 6, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten kabels en leidingen, verkeer en parkeren, ontplofbare oorlogsresten en duurzaamheid.

7.1 Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er gelden derhalve geen (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden.

De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.

7.2 Verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

7.2.1 Verkeersstructuur

In de beoogde situatie wordt ter plekke van het plangebied een nieuw appartementengebouw voorzien en daarnaast worden zes grondgebonden woningen gerealiseerd. De ontsluiting van het plangebied wordt in de beoogde situatie geborgd via het Streperplein. Deze in-uitritconstructie verschaft eveneens de toegang naar het parkeerterrein welk wordt beoogd aan de westzijde van het plangebied. Het bestaande wegennet is zodanig dat het de verkeersstromen als gevolg van de nieuwe wooneenheden probleemloos kan opvangen.

7.2.2 Parkeren

De planontwikkeling ziet op het realiseren van 11 woonappartementen en 6 grondgebonden woningen. De parkeernorm voor de te realiseren woonappartementen bedraagt 1,8 parkeerplaatsen per appartement. De parkeerbehoefte voor de te realiseren woonappartementen bedraagt, uitgaande van de te hanteren norm, 20 parkeerplaatsen. Voor de grondgebonden woningen geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Voor de woningen dienen dan ook 12 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voor de totale planontwikkeling dienen 32 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd.

Op eigen terrein wordt voorzien in de realisatie van 26 parkeerplaatsen. Deze worden gedeeltelijk onder het appartementengebouw gerealiseerd en deels op het buitenterrein van de locatie. Initiatiefnemer is voornemens om de overige parkeerbehoefte (6 parkeerplaatsen) af te wikkelen in het openbaar gebied. Onder andere langs het Streperplein zijn namelijk openbare parkeerplaatsen aanwezig waar de bewoners van de wooneenheden gebruik van kunnen maken.

Gedurende de periode 1 april 2022 tot en met 6 april 2022 hebben in het gebied van de ontwikkeling parkeertellingen plaatsgevonden. Een afbeelding van het gebied alwaar deze hebben plaatsgevonden en een overzicht met de data waarop deze zijn verricht, is hieronder opgenomen. Op grond van deze parkeertellingen kunnen 6 parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden opgevangen op acceptabele loopafstand van de ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0025.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0026.png"

7.2.3 Conclusie verkeer en parkeren

Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de planontwikkeling.

7.3 Ontplofbare oorlogsresten

Ten behoeve van het planvoornemen staan diverse bodemroerende werkzaamheden gepland. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal zoals gesteld in de Arbeidsomstandighedenwet gezorgd moeten worden voor een veilige werkplek. Uit de in 2018 door de BeoBOM samengestelde gemeentebrede risicokaart voor de gemeente Landgraaf is gebleken dat binnen het plangebied sprake is van de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in de vorm van verschoten geschutsmunitie en achter gelaten geschutsmunitie. In onderstaande figuur wordt dit nader gevisualiseerd. De risico's voor het aantreffen van munitie of munitie-onderdelen komen in de regel pas op bij graafwerkzaamheden en/of bij trillingen door het gebruik van zwaar materieel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0882.BPSTREPERPLEINONG3-VG01_0027.png"

Verdachte gebieden ontplofbare oorlogsresten

Ten behoeve van onderhavig planvoornemen dient nader onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten plaats te vinden. In de planregels van voorliggend bestemmingsplan zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen waarmee wordt geborgd dat voorafgaand aan het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden nader onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijk in de grond aanwezige munitie.

7.3.1 Conclusie ontplofbare oorlogsresten

Het aspect ontplofbare oorlogsresten leidt - met inachtneming van de vast te leggen voorwaardelijke verplichting - niet tot belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.

7.4 Duurzaamheid

Duurzaamheid neemt een belangrijke positie in in de realisatie van nieuwbouw. Duurzame stedenbouw omvat meer dan alleen verkaveling en ontsluiting. Het houdt rekening met verschillende aspecten, zoals zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer, natuurbehoud, waterbeheer, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit vereist aandacht voor materiaalgebruik, vormgeving, alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen. Duurzaam bouwen is een belangrijk onderdeel van het ontwerp, de bouw en het beheer van gebouwen. Tijdens de bouw kan het verminderen van afval door zuinig gebruik van bouwmaterialen een belangrijke bijdrage leveren aan duurzaamheid.

De nieuwe bebouwing wordt gasloos en energiezuinig uitgevoerd. Daartoe worden de gevels en de daken hoogwaardig geïsoleerd. Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

8.1 Grondexploitatie

8.1.1 Algemeen

Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel 'Grondexploitatie'. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van de openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden.

8.1.2 Exploitatieplan

Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieuze overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).

Artikel 6,12 lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Onder artikel 6.2.1, sub a, zijn vervolgens gevallen opgenomen waarvoor geen exploitatieplan behoeft te worden opgesteld.

De gemeente Landgraaf sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van het project. Hiermee is het kostenverhaal anderszins geregeld.

8.2 Planschade

Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. De schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeesters en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt.

Artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning.

In de met de gemeente Landgraaf te sluiten anterieure overeenkomst worden tevens afspraken met betrekking tot planschade vastgelegd.

Hoofdstuk 9 Juridische aspecten

9.1 Algemene plansystematiek en juridische opbouw

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, zijn met de inwerkingtreding van de Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2012' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'.

Vergelijkbaarheid van bestemmings-, wijzigings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012) op drie manieren gerealiseerd:

  • er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist;
  • er is een verplichte 'analoge verbeelding' voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan. Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd;
  • er is een verplichte 'digitale verbeelding' voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website).

Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.

9.1.1 Toelichting, regels en verbeelding

Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het plan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven.

Toelichting

De toelichting van het bestemmingsplan is niet juridisch bindend, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het plan.

Regels

Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels
    • 1. Begrippen
    • 2. Wijze van meten
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
    • 1. Bestemmingen
    • 2. Voorlopige bestemmingen
    • 3. Uit te werken bestemmingen
    • 4. Dubbelbestemmingen
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels
    • 1. Anti-dubbeltelregel
    • 2. Algemene bouwregels
    • 3. Algemene gebruiksregels
    • 4. Algemene aanduidingsregels
    • 5. Algemene afwijkingssregels
    • 6. Algemene wijzigingsregels
    • 7. Verwerkelijking in de naaste toekomst
    • 8. Algemene procedureregels
    • 9. Overige regels
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
    • 1. Overgangsrecht
    • 2. Slotregel

De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten:

  • Bestemmingsomschrijving
  • Bouwregels
  • Nadere eisen
  • Afwijken van de bouwregels
  • Specifieke gebruiksregels
  • Afwijken van de gebruiksregels
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
  • Wijzigingsbevoegdheid

Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. Daarbij dient te worden vermeld dat de regels van voorliggend plan overeenkomstig het 'moederplan' (bestemmingsplan 'Schaesberg Noord') zijn opgesteld.

Verbeelding

De 'vroegere' plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als 'verbeelding'. Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/ maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven.

De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.

9.2 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing.

De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen.

Voorliggende planontwikkeling is door de gemeente in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd voor advies aan de betreffende instanties.

Veiligheidsregio Zuid-Limburg

Veiligheidsregio Zuid-Limburg heeft naar aanleiding van onderhavig planvoornemen een advies uitgebracht omtrent de bestrijdbaarheid van incidenten die invloed hebben op het plangebied. Daarnaast worden maatregelen geadviseerd om de zelfredzaamheid van de in het plangebied aanwezige personen te verhogen. In dat verband worden een aantal maatregelen voorgesteld ter verbetering van de beheersbaarheid, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van Veiligheidsregio Zuid-Limburg is als Bijlage 7 aan voorliggende toelichting gevoegd.

9.3 Inspraak

Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg.

De gemeente Landgraaf heeft kenbaar gemaakt dat voor voorliggende planontwikkeling geen inspraak hoeft te worden gehouden met als gevolg dat direct wordt overgegaan tot de formele bestemmingsplanprocedure (vanaf ontwerp plan).

9.4 Formele procedure

9.4.1 Algemeen

De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen:

  • 1. Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan.
  • 2. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten.
  • 3. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen.
  • 4. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken.
  • 5. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling.
  • 6. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden.
  • 7. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.4.2 Zienswijzen

Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn heeft Provincie Limburg een zienswijze ingediend. Deze zienswijze zag op het feit dat in de toelichting van het plan een nadere omschrijving moest worden opgenomen omtrent het thema 'Klimaatadaptatie'. Daarnaast dient in de toelichting nader te worden ingegaan op het aspect 'Wonen' en hoe onderhavig woningbouwplan zich verhoudt tot de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen'. Deze aspecten zijn nader toegelicht in de paragrafen 3.2.2, 3.2.3 en 3.3.2 van voorliggende toelichting.