direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Woonkern Wormer en lint
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het bestemmingsplan is het enige burgerbindende ruimtelijk plan in Nederland. Het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' is een actualisatie van de bestemmingsplannen die nu gelden voor de woonwijken en voor het centrum van Wormer en voor de lintbebouwing die hieraan grenst. De geldende bestemmingsplannen in het plangebied stammen uit verschillende perioden. Dit betekent dat er verschillende bepalingen en regels gelden voor verder eenduidige bestemmingen. Bovendien voldoen niet alle vigerende bestemmingsplannen meer (volledig) aan de huidige inzichten. Hierdoor geven deze plannen onvoldoende houvast om een goed ruimtelijke ordeningsbeleid te voeren. Dit is voor de gemeente Wormerland een belangrijke reden om voor de genoemde gebieden een nieuw, totaal-omvattend bestemmingsplan op te stellen en in procedure te brengen. Daarnaast stelt de Wet ruimtelijke ordening dat bestemmingsplannen elke 10 jaar worden geactualiseerd. Een aantal van de binnen het plangebied vigerende bestemmingsplannen zijn in 2006 vastgesteld. Om ervoor te zorgen dat deze bestemmingsplannen tijdig zijn herzien is de gemeente met de werkzaamheden voor een nieuw plan gestart in 2014.

In dit nieuwe bestemmingsplan plan worden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (anders dan reeds in de vorige bestemmingsplannen aanwezig waren) meegenomen die rechtstreeks mogelijk worden gemaakt. Wanneer de gemeente of een particuliere initiatiefnemer binnen het plangebied een ontwikkeling tot stand wil brengen welke niet past in het plan, zal dit via een afzonderlijke (ontheffings)procedure moeten plaatsvinden. Hierbij wordt op dat moment ''maatwerkgericht'' beoordeeld of het ruimtelijke initiatief wel of niet ter plaatse kan worden ingepast.

Een tweetal ontwikkelingen, waarvan de ruimtelijke en milieuhygiënische beoordeling gedurende de totstandkoming van het voorliggende bestemmingsplan heeft plaatsgevonden, wordt rechtstreeks in het bestemmingsplan meegenomen. Dit betreft de locaties Dorpsstraat 125-135 en Dorpsstraat 206. Op een tweetal andere locaties (Mooriaanlaan 2 en de voormalige bibliotheeklocatie aan de Sternstraat) worden middels een wijzigingsbevoegdheid ontwikkelingsmogelijkheden geboden.

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: verbeeldingen waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de regels voor de op verbeelding vermelde bestemmingen en aanduidingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven alsmede de uitleg van de juridische elementen. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Omdat zich nagenoeg geen nieuwe ontwikkelingen in het plangebied voordoen, ligt de nadruk op beheer en behoud van de bestaande gebouwde omgeving.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten oosten van rivier De Zaan en beslaat het grootste deel van de kern van Wormer, met dien verstande dat de bedrijventerreinen van Wormer niet bij het plangebied horen. Een deel van het lint Dorpsstraat - Oosteinde valt ook binnen het plangebied. In het noordwesten vormt de De Poel een deel van de noordelijke plangrens. Ter hoogte van het lint Dorpsstraat - Oosteinde vormen de achterkanten van de bebouwde percelen de plangrens, dit zowel aan de noord- als aan de zuidzijde van het lint. De ijsbaan, ten zuiden van het lint, maakt ook deel uit van het plangebied. Dit vanwege het stedelijke karakter van deze functie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0001.jpg"  
Figuur 1. Plangebied  

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Binnen het bestemmingsplan vigeert een groot aantal bestemmingsplannen. In het volgende overzicht zijn deze bestemmingsplannen opgenomen.

Bestemmingsplan   Vastgesteld   Goedgekeurd (indien van toepassing) of onherroepelijk  
Wormer Oost en midden   18 februari 2006   15 augustus 2006  
Partiële herziening bestemmingplan Wormer Oost en Midden   15 september 2009   n.v.t.  
Wormer West   12 december 2006   29 mei 2007  
Plaszoom 2013   10 september 2013   n.v.t.  
Oosteinde 88, Wormer   17 december 2013    
Dorpsstraat 186   10 juli 2012   30 augustus 2012  
Herenlaan 2 en 6   17 juli 2012   30 augustus 2012  
Poort van Wormer 2010   12 juni 2012    
Dorpsstraat Wormer Kemphaanstraat / Faunastraat   17 april 2012    
't Boemeltje en Moriaantje   6 maart 2012    
Dorpsstraat 226   20 september 2011    
Faunastraat 43      
Herenlaan 12 (wijzigingsplan)   21 september 2010    
'WSV' 30 Middentil   6 oktober 2009    
Dorpsstraat 46   15 mei 2012    
Molenbuurt   20 januari 2015    

Naast de vigerende bestemmingsplannen is er in het verleden een groot aantal vrijstellingen, ontheffingen en dergelijke verleend.

1.4 Opzet van het bestemmingsplan

De toelichting van het bestemmingsplan bestaat naast voorliggend hoofdstuk uit 5 andere hoofdstukken. In het tweede hoofdstuk wordt het plan beschreven door middel van een analyse van het plangebied en een inventarisatie. Het derde hoofdstuk beschrijft het voor dit plan relevante beleid op Rijks-, provinciaal en lokaal niveau. De beleidsmatige afwegingen worden beschreven en de wijze waarop dit is vertaald in het bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan verschillende milieu- en waarde-aspecten. Het vijfde hoofdstuk vormt de toelichting op de regels van het bestemmingsplan, er wordt beschreven hoe de regels in samenhang met de verbeelding gelezen dienen te worden. Het afsluitende hoofdstuk 6 beschrijft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De procedure die is gevolgd met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan wordt hierin beschreven. Ook wordt beschreven hoe het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Inleiding

Het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' is in hoofdzaak conserverend van aard. Dit betekent dat de bestaande ruimtelijke (mits legaal) situatie wordt vastgelegd. Een tweetal ontwikkeling is in het plan meegenomen en wordt waar nodig beschreven.

Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. Daarin wordt ook aangegeven wat de visie op het plangebied is. Nieuwe grootschalige ontwikkelingen worden niet mogelijk gemaakt op grond van het voorliggende bestemmingsplan.

Nieuw ruimtelijk beleid en/of ruimtelijke wetgeving vanuit overheidswege is wel doorgevoerd in het plan.

2.2 Ruimtelijke structuur

In deze paragraaf is de ruimtelijke structuur van het plangebied beschreven. Deze beschrijving vindt in twee delen plaats: het eerste deel ziet toe op het deel van het plangebied dat aan het lint ligt, het tweede deel heeft betrekking op het overige deel van het plangebied (zie figuur 2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0002.jpg"  
Figuur 2. Deelgebieden t.b.v. beschrijving ruimtelijke structuur  

Deelgebied 1: Wormer aan het lint
Het oostelijke deel van het plangebied bestaat uit het lint Dorpsstraat/ Oosteinde/ Weiver. Aan dit lint ligt aan weerszijden bebouwing. De bebouwing aan het lint staat gericht op de weg met veelal een voortuin of erf dat tussen de weg en de feitelijke bebouwing ligt. Omdat de verschillende gebouwen op korte afstand van elkaar staan zou kunnen worden gesproken van een 'wand' met enkele doorzichten naar het achterland. Eventueel uitzicht naar het achterland wordt beperkt door opgaande begroeiing of gebouwen op de achterpercelen. In hoofdzaak bestaat de bebouwing op de achterpercelen uit schuren en stallen, in een enkel geval uit woonbebouwing. De voorgevelrooilijn in het lint verspringt regelmatig en de gebouwen zijn van verschillende omvang. Hierdoor ontstaat er een gevarieerd gevelbeeld.

Op enkele plekken aan dit lint zijn zijstraten die haaks op het lint staan. In deze zijstraten is ook (woon)bebouwing aanwezig. Omdat de bebouwing in deze zijstraten ook gericht is op de weg staat deze bebouwing dan ook haaks op het lint. In tegenstelling tot het lint is de voorgevelrooilijn in de zijstraten (in de meeste gevallen) wel regelmatig en is er meer sprake van gelijkvormige bebouwing.

Voor beide situaties geldt dat de bebouwing meestal een laag met een kap heeft. De richting van de kap varieert. De woningen aan het lint zijn veelal vrijstaand of van het type twee-onder-een-kap. Rijenwoningen komen minder voor.

De initiatieflocatie Dorpsstraat 206 is aan de rand van dit deelgebied gesitueerd, grenzend aan deelgebied 2. Dit initiatief brengt geen wijzigingen in de ruimtelijke structuur met zich mee en betreft slechts een functionele wijziging.

Deel 2: Wormer, de uitbreidingen
Het grootste deel van het plangebied van het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' bestaat uit planmatig opgezette woonwijken. De wijken zijn opgezet vanuit een logische gedachte en daarmee systematisch van opzet, met woningen van gelijke vorm en opzet waarbij deze strak op eenzelfde rooilijn zijn gebouwd. Ook is er een aantal woonflats in het gebied aanwezig. De initiatieflocatie Dorpsstraat 125-135 is binnen dit deelgebied gelegen ter plaatse van open perceel in de lintbebouwing aan de Dorpsstraat. Dit 'gat' wordt met het initiatief, waarbij onder meer de Beschuitstoren wordt herbouwd, opgevuld.

2.3 Functionele structuur

Het bestemmingsplangebied is een multifunctioneel gebied. Dit betekent dat er verschillende functies aanwezig zijn. Naast de woonfunctie, wat de meest voorkomende en belangrijkste functie binnen dit gebied is, zijn er bedrijven, maatschappelijke en commerciële voorzieningen binnen het gebied aanwezig.

Wonen
De woonfunctie betreft de belangrijkste functie binnen het plangebied. Een deel van deze woonfunctie ligt aan de oostzijde van het plangebied. Dit betreft een van de linten (Dorpsstraat). Een ander deel omvat de meer tot het centrum van Wormer horende woonbuurten. Het gaat om de wijk Middentil, die centraal in het plangebied ligt. Verder bestaat de woonfunctie binnen het plangebied uit het historisch gegroeide dorpslint en de naoorlose wijken gelegen aan de noord- en zuidzijde van dit dorpslint.

De nieuwbouwwijken bestaan overwegend uit eengezinswoningen (laagbouw) en enkele appartementengebouwen. De woningen die aan het lint liggen betreffen veelal eengezinswoningen; met name de woningen aan de Dorpsstraat hebben diepe achterpercelen.

Binnen de woonfunctie zijn er ook alternatieve woonvormen aanwezig. Zo liggen er ten noorden van de Dorpsstraat enkele woonboten. Ten westen van de begraafplaats is eveneens een bijzondere woonvorm aanwezig. Tot slot ligt er aan de Prins van Oranjestraat een zorgcentrum voor ouderen en gehandicapten.

Bedrijven
In het plangebied ten oosten van het dorpscentrum zijn langs de Dorpsstraat / Oosteinde meerdere bedrijven aanwezig. Deze bedrijven liggen tussen de woningen in. Het gaat onder meer om een schildersbedrijf, een houtbewerkingbedrijf (lijstenmakerij), een molen- en schuitenmakerij, een locatie voor opslag (van civiel-technische goederen) en enkele agrarische bedrijven.

Ten westen van het dorpscentrum zijn ook enkele bedrijven aanwezig. Deze bevinden zich met name aan de rand van het plangebied. Langs deze rand is onder meer bedrijvigheid gevestigd dat verband houdt met het stallen, bouwen en repareren van pleziervaartuigen. Ook in dit deel van het plangebied zijn er aan huis gebonden beroepen / bedrijven aanwezig.

Maatschappelijke voorzieningen
Binnen het plangebied ligt een groot aantal maatschappelijke voorzieningen. In het oostelijke gedeelte van het plangebied liggen aan de Dorpsstraat een drietal kerken, een begraafplaats, een kinderopvang en een verenigingsgebouw/dorpshuis. In het westelijke plangedeelte zijn onder meer een kinderspeelzaal en -opvang aanwezig. Ook zijn er in dit gedeelte een kerk, bibliotheek, wijkgebouw en dorpstheater te vinden.

Commerciële voorzieningen
Het dorpscentrum van Wormer biedt een compleet winkelaanbod. Binnen dit deel van het plangebied zijn twee volwaardige supermarkten en diverse versspeciaalzaken gelegen. Met dit aanbod wordt voorzien in de dagelijkse behoefte in de sector food. Daarnaast is er ook een ruim aanbod aan non-food in het centrum gelegen. Ook zijn er horecagelegenheden in het centrum gelegen. De gemeente Wormerland heeft de ambitie om de onderlinge afstand tussen de diverse centrumvoorzieningen te verkleinen. Er zijn plannen in de maak om door middel van hergroepering van winkels en andere voorzieningen het draagvlak van de individuele vestigingen en daarmee het economisch functioneren van het centrum als geheel, te bevorderen.

Buiten het dorpscentrum zijn geen tot nauwelijks commerciële voorzieningen gelegen.

Sport- en recreatievoorzieningen
In het plangebied zijn meerdere locaties gelegen waar kan worden gesport. Het gaat om tennisbanen, een korfbalcomplex, een zwembad, een sporthal, voetbalvelden en een gymnastiekbaan. 

Binnen het plangebied zijn verder diverse groenstroken en een paar parken gelegen. Ook deze bieden de bewoners en gebruikers van het plangebied mogelijkheden om te ontspannen. Tot slot grenst het plangebied aan De Poel. Hier kan men diverse vormen van waterrecreatie uitoefenen. Tevens is het heempark Poelboerderij aan de Poel gelegen.

2.4 Visie plangebied

Zowel in ruimtelijke als functionele zin zullen veranderingen in het grootste deel van het bestaande bebouwde gebied van Wormer - in de nabije toekomst - beperkt blijven tot kleinere wijzigingen. Bijvoorbeeld het inpassen van aan huis gebonden bedrijf, een beperkte verandering van detailhandel naar dienstverlening en beperkte aan- en verbouw van bestaande gebouwen.

Ontwikkelingen

Op een tweetal locaties is in het bestemmingsplan een ontwikkeling voorzien waarvoor een specifieke wijzigingsregeling is opgenomen. Het betreft de locaties aan de Mooriaanlaan 2 (een kleinere aanpassing/toevoeging) en de voormalige bibliotheeklocatie aan de Sternstraat. De voormalige Bieblocatie is in de Structuurvisie al benoemd als ontwikkellocatie. De bibliotheek is inmiddels verplaatst. Op de locatie kan woningbouw worden ontwikkeld. Voorzien is in de realisatie van 8 woningen. Er is nog geen zicht op de realisatie van deze woningen, maar in ieder geval zullen ze binnen de structuurvisieperiode (tot en met 2025) en daarmee ook binnen de planperiode worden gerealiseerd.

Daarnaast is een tweetal ontwikkelingen rechtstreeks in het plan opgenomen. Dit betreft de locaties Dorpsstraat 125-135 en 206.

Dorpsstraat 125-135

Aan de Dorpsstraat 125-135 wordt de huidige woonbestemming gewijzigd naar een gemengde bestemming ten behoeve van een nieuw gebouw. Aan de voorzijde van dit perceel wordt de historische Beschuitstoren, die eind 19e eeuw gesloopt is, teruggebouwd. De beoogde functies in de nieuwe bebouwing achter de toren zijn het Centrum Jong, de monumentenwacht en een digitaal politieloket (begane grond) en 3 woningen op de eerste verdieping. Er wordt een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming terug te wijzigen naar 'Wonen' met in totaal maximaal 6 woningen. In de toren komt een ruimte voor het Historisch Genootschap Wormer. De toren krijgt een maatschappelijke bestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0003.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0004.png"  
Figuur 3: beeld van de Beschuitstoren in de 19e eeuw (links) en de beoogde herbouw (rechts)  

Dorpsstraat 206
De andere ontwikkellocatie betreft het verenigingsgebouw/dorpshuis aan de Dorpsstraat 206. Dit gebouw met het bijbehorende perceel heeft momenteel geheel een maatschappelijke bestemming. Al heel lang vinden in het verenigingsgebouw diverse sociaal-maatschappelijke activteiten plaats. Van meet af aan hoort hierbij ook reguliere horeca met alle bijbehorende activiteiten. Te denken valt aan builoften en partijen en livemuziek. Van dit gebruik is al decennia sprake. Ook is er een vergunning voor terrassen aan de noord- en oostkant van het pand.

Het achterdeel van het gebouw is door de Stichting Het Verenigingsgebouw verkocht. Het voorste deel blijft in eigendom van de Stichting het Verenigingsgebouw.

De gemeente wil het bestaande, feitelijke gebruik van het voorste gedeelte van het pand reguleren en op een passende wijze positief bestemmen. Dit betekent dat, naast de maatschappelijke functies, ook reguliere horeca wordt toegestaan. Daarmee worden de bestaande horeca-activiteiten inclusief terrassen en het theatercafé planologisch toegestaan. Ook de bestaande functie als ontmoetingsplaats met sociale en culturele activiteiten blijft behouden en blijft planologisch toegestaan. De bestaande bedrijfswoning aan de noordoostkant van het perceel blijft eveneens behouden.

Binnen het achterste, verkochte deel van het gebouw worden diverse kleinschalige functies beoogd, zoals lichte bedrijvigheid (milieucategorie 1 en 2), maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening en kantoorruimten. Een flexibele invulling van passende functies is hier gewenst. Ook wordt op de verdieping van dit gedeelte van het pand een inpandige bedrijfswoning gerealiseerd.

Gelet op de diverse bestaande en gewenste functies binnen het pand, volstaat de huidige maatschappelijke bestemming niet. De horeca is niet als ondergeschikte horeca aan te merken en daarnaast is in het achterste gedeelte van het pand een functieverbreding voorzien. Een bestemmingswijziging is dan ook noodzakelijk. Gekozen is voor een maatwerkregeling, waarbij de bestemming 'Gemengd - 2' wordt opgenomen. Het openbaar gebied met de in-/uitrit naar het perceel wordt bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Binnen de bestemming 'Gemengd - 2' zijn maatschappelijke voorzieningen, bedrijven van milieucategorie 1 en 2, dienstverlening, kantoren en twee bedrijfswoningen (één bestaande en één nieuwe) toegestaan. Met betrekking tot horeca is een specifieke regeling opgenomen. Reguliere horeca is uitsluitend in het voorste gedeelte van het gebouw toegestaan. Tenslotte is het bouwvlak iets verkleind en afgestemd op de bestaande situatie.

Omdat er sprake is van een juridisch-planologische wijziging, zijn de effecten op de omgeving vanuit de verschillende ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten nader onderzocht en verantwoord. Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 2 bij deze toelichting. Uit de effectanalyse blijkt dat de voorgenomen bestemmingswijziging past binnen het beginsel van een 'goede ruimtelijke ordening'. Er is geen sprake van onevenredige gevolgen voor de omgeving, noch van beperkingen voor overige functies. In de directe omgeving van het pand is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Ook is (extra) de verkeersaantrekkende werking gering. De beoogde regeling is dan ook passend en houdt rekening met de belangen van zowel de eigenaren van het pand als omwonenden.

Ruimtelijk-functionele uitgangspunten
In de navolgende tabel worden puntsgewijs de ruimtelijke en functionele uitgangspunten van het bestemmingsplan weergegeven. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is uitgaan van de feitelijke situatie en het vastleggen van de geldende juridisch-planologische rechten.

Niet-woonfuncties in woongebieden
In de woon- en gemengde gebieden (gemengde gebieden zijn de gebieden waarbinnen verschillende functies bijeen liggen, zoals een centrumgebied) is geen nieuwvestiging van niet-woonfuncties voorzien, met uitzondering van de hiervoor reeds toegelichte twee ontwikkelingen. In deze gebieden is op de verbeelding van het bestemmingsplan gedetailleerd vastgelegd welke bestaande functie waar ligt. Indien nodig zijn hier een aantal specifieke regels aan verbonden. Voor de woonfunctie is een adequate regeling voor aan huis gebonden bedrijven en beroepen opgenomen. Tevens is het vestigen van een bed & breakfast geregeld.

Bouwmogelijkheden op het perceel
In ruimtelijke zin is het belangrijk dat het voor eenieder duidelijk is wat en in welke omvang op bepaalde delen van het perceel gebouwd mag worden. Om deze duidelijkheid te verschaffen wordt gewerkt met bouwvlakken waarbinnen de hoofdgebouwen zich mogen bevinden. Uitgangspunten zijn de planologisch geldende mogelijkheden, dit betekent dus dat de bouwvlakken worden getekend op basis van de geldende bestemmingsplannen. Als er een uitbreiding of iets dergelijks vergund is en heeft plaats gevonden wordt deze in principe ook meegenomen.

Met betrekking tot toekomstige bouwmogelijkheden op het perceel geldt dat de geldende rechten in principe worden overgenomen. Vanzelfsprekend zijn de regels met betrekking tot het vergunningsvrij bouwen uit het Besluit omgevingsrecht ook van toepassing op het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint'.

Verkeer en parkeren
In het gehele plangebied is de bestaande verkeersruimte maatgevend voor de afwikkeling van de verschillende verkeerssoorten (voetgangers, fietsers, brommers, auto’s en vrachtverkeer). Er zullen geen nieuwe routes aan de huidige structuur worden toegevoegd. Wel is het mogelijk om binnen de bestemmingen ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ parkeervoorzieningen aan te leggen om zo op adequate wijze te kunnen inspelen op de toenemende verkeersdruk in de verschillende wijken en buurten. Binnen ‘Groen’ is de aanleg van parkeerplaatsen niet rechtstreeks toegestaan.

Zijtuinen en -erven
In een aantal van de na-oorlogse woonwijken is sprake van bebouwing in de zijtuinen. Dit betreffen bijvoorbeeld schuurtjes, een aan- of bijgebouw en dergelijke. Ook staan hier vaak erafscheidingen in de vorm van schuttingen. Hierdoor is in deze wijken vaak sprake van verrommeling van de zijtuinen- en erven. Het gaat dan ondermeer om de wijk Plaszoom. In het vigerend bestemmingsplan hebben deze zijtuinen- en erven de bestemming Tuin. Deze bestemming doet suggereren dat er beperkt mag worden gebouwd. In de praktijk is gebleken dat ter plaatse van deze bestemming alsnog wordt gebouwd. Met de genoemde verrommeling. De gemeente heeft dan ook besloten om in deze wijken een heldere lijn te trekken door deze zijtuinen en -erven de bestemming 'Wonen' te geven. Hierdoor ontstaan er meer mogelijkheden aan de zijkanten van de woningen. Dit wordt ruimtelijke acceptabel geacht omdat in deze wijken al meerdere van dergelijke situaties voorkomen. Een belangrijk aspect hierbij is dat er mogelijk kabels en leidingen onder de zijtuinen en -erven lopen. Indien een vergunning wordt aangevraagd voor het bouwen op deze locaties kan de gemeente op privaatrechtelijke gronden eisen stellen aan deze vergunning, of zelfs weigeren. Dit ter bescherming van de ondergrondse kabels en leidingen.

De beheersuitgangspunten per functie
In de volgende tabel wordt per functie kort beschreven wat de uitgangspunten voor het bestemmingsplan zijn:

Functie   Uitgangspunten  
Wonen   - Behouden van het goede woon- en leefklimaat.
- Heldere en eenduidige regeling voor aan- en bijgebouwen.
- Mantelzorg in bijgebouwen en aanbouwen is onder voorwaarden mogelijk. Binnen bestaande bebouwing is dit vergunningsvrij (Besluit omgevingsrecht).
- Aan huis verbonden beroep rechtstreeks toegestaan, bedrijf aan huis via afwijking
- Onder voorwaarden is het vestigen van een bed & breakfast toegestaan  
Bedrijven   - Op locaties waar reeds bedrijven zijn gevestigd in principe alleen bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 toestaan.
- In het geval dat bedrijven een hogere milieucategorie hebben dan worden deze specifiek aangeduid.
- Logische regeling voor bebouwing op perceel.
- Nieuwvestiging van bedrijven in milieucategorie 3 of hoger niet toestaan.  
Detailhandel   - De op te nemen regeling voor detailhandel richt zich op het beheer van de bestaande detailhandel.
- Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid om nieuwe detailhandelsvestigingen te realiseren.  
Horeca   - Bestaande horecabedrijven worden gerespecteerd.
- Nieuwe zijn alleen toegelaten indien de vigerende bestemming hier ook al in voorziet.  
Maatschappelijke voorzieningen   - Bestaande maatschappelijke voorzieningen worden positief bestemd.  
Verkeer en parkeren   - Alle wegen binnen de bebouwde kom worden bestemd als ‘Verkeer - Verblijfsgebied’.
- Voor nieuwvestiging of uitbreiding van functies wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het parkeren zo veel mogelijk op eigen terrein plaatsvindt.
- Het aanleggen van parkeerplaatsen is binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' mogelijk gemaakt.
- Bestaande autoboxen krijgen een aanduiding binnen de bestemming waar deze boxen liggen.  
Groen   - Voor groenvoorzieningen geldt dat het beleid gericht is op het behoud en, waar mogelijk, verbeteren van groenvoorzieningen.
- In principe is de aanleg van parkeervoorzieningen binnen groen niet toegestaan.  
Water   - De watergangen worden conform de vigerende bestemmingsplannen bestemd.
- Binnen alle bestemmingen kan water worden gerealiseerd.  

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een meer selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke druk af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Het plangebied van het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' ligt niet binnen de invloedsfeer van de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu. Deze structuurvisie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

Met het rijksbeleid legt het kabinet een grotere verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. De uitvoering van het beleid ligt primair bij de gemeenten, terwijl voor de provincies een belangrijke kaderstellende, coördinerende en controlerende taak is weggelegd.

Binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' zijn geen nationale belangen gelegen. Het Barro vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Bij de toepassing van de Ladder dienen de volgende treden doorlopen te worden:

  • 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.
  • 2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.
  • 3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Het bestemmingsplan ‘Woonkern Wormer en lint’ is overwegend conserverend van aard. De ontwikkelingen op de locaties Dorpsstraat 125-135 en 206 betreffen geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Op de ontwikkellocatie Dorpsstraat 125-135 wordt de bestemming woondoeleinden gewijzigd naar 'Gemengd' en 'Maatschappelijk'. Het toegestane aantal woningen blijft 3. Met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid kunnen 3 extra woningen worden toegestaan, in plaats van de gemengde doeleinden. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Op de locatie Dorpsstraat 206 vinden functiewijzigingen (functieverbreding) binnen de bestaande bebouwing plaats. Er is geen sprake van een uitbreiding van ruimtebeslag. Wijziging van een geheel maatschappelijke bestemming naar een gemengde bestemming, waarbij maximaal één extra bedrijfswoning wordt toegestaan, kan gezien de aard en omvang van de wijziging evenmin als een nieuwe stedelijke ontwikkeling worden gezien.

Het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' maakt derhalve geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk, zodat kan worden geconcludeerd dat de Ladder voor Duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Noord-Holland 2040
Op 21 juni 2010 is de Structuurvisie 2040 van de provincie Noord-Holland vastgesteld. De provincie zet in op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden omringd door aantrekkelijk recreatief. Dit betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden worden met de ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid. Er wordt gestreefd naar verdere stedelijke verdichting en het optimaal gebruik van bestaand bebouwd gebied. In relatie tot deze verstedelijking wordt er gestreefd naar intensieve recreatiegebieden dicht bij de steden en extensieve recreatie daarbuiten. De provincie wil er voor zorgen dat gemeenten (en andere partijen) zoveel mogelijk gebruik maken van de mogelijkheden voor binnenstedelijk bouwen en verdichting.

Het plangebied van het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' ligt binnen Metropolitaan Stedelijk gebied en regionale kernen bestaand bebouwd gebied. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk binnen dit gebied.

Provinciale ruimtelijke verordening
De verordening (actuele versie is van maart 2013) is opgesteld omdat de provincie in het belang van een goede ruimtelijke ordening het noodzakelijk acht algemene regels vast te stellen betreffende de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Dit geldt ten aanzien van onderwerpen in zowel het landelijk als het stedelijk gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Nieuw beleid (herzieningen, aanvullingen) als uitvloeisel van nieuwe ruimtelijke keuzes zoals deze onder de vlag van de structuurvisie gemaakt zullen gaan worden, zullen zo nodig worden vervat in een nieuwe ruimtelijke verordening.

In de ruimtelijke verordening is een kaart opgenomen die (indicatief) weergeeft wat de begrenzing van het bestaand bebouwd gebied is. De toelichting van de verordening wijst uit dat als bestaand bebouwd gebied de bestaande of de bij een – op het moment van inwerkingtreding van de verordening – geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing, uitgezonderd bebouwing op agrarische bouwpercelen en kassen, als bestaand bebouwd gebied vallen. Onder toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing wordt mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern. Op grond daarvan kan gesteld worden dat het plangebied van het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' binnen bestaand bebouwd gebied valt.

Kleine gedeelten van het plangebied vallen onder het weidevogelgebied (artikel 25) en de Ecologische Hoofdstructuur (Artikel 19). Het oostelijke gedeelte van het plangebied ligt binnen een provinciale bufferzone (artikel 23) en is aangeduid als aardkundig waardevol gebied (artikel 8).

Artikel 8 Aardkundig waardevol gebied
De aardkundige monumenten worden beschermd door de Provinciale Milieuverordening. De voorkomende bijzondere aardkundige waarden echter genieten deze bescherming niet. Ter bescherming van deze aardkundig waardevolle gebieden is een dubbelbestemming 'Waarde - Aardkundige Waarden' opgenomen.

Artikel 19 Natuur
De ecologische hoofdstructuur is in voorliggend bestemmingsplan bestemd als 'Natuur'. Hiermee zijn deze gronden bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarden.

Artikel 23 Bufferzone
Binnen de bufferzone mogen volgens de verordening geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Ter plaatse van deze aanduiding worden binnen dit bestemmingsplan geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Artikel 25 Weidevogelgebied
De gebieden die in de verordening zijn aangeduid met de aanduiding 'Weidevogelgebied' hebben in het bestemmingsplan de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - weidevogelgebied' gekregen. Deze gronden zijn, naast voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het leefklimaat van de weidevogels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0005.png"  
Figuur 4. Uitsnede Verordening Aardkundige Waarden.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0006.jpg"  
Figuur 5. Uitsnede Verordening Weidevogelgebied (lichtgroen) en Ecologische hoofdstructuur (donkergroen)  

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0007.png"  
Figuur 6. Uitsnede Verordening Bufferzone  

Nu het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' conserverend van aard is en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt is er geen strijd met de provinciale ruimtelijke verordening.

Ruimte voor ruimte
De provincie Noord-Holland heeft in haar verordening opgenomen dat een bestemmingsplan kan voorzien in de mogelijkheid van nieuwe woningen ter compensatie van de sloop van storende agrarische bebouwing in het landelijk gebied als door deze ontwikkeling een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd. Deze mogelijkheid is in voorliggend bestemmingsplan vertaald, in de regels daarbij is opgenomen dat Uitvoeringsregels ruimte voor ruimte 2015 expliciet als toetsingskader gelden. Er moet dus worden voldaan aan de regels van het bestemmingsplan en het uitvoeringskader.

Provinciale Woonvisie
De provincie Noord-Holland heeft op 25 mei 2010 de Provinciale Woonvisie vastgesteld. De speerpunten van beleid en opgaven zijn als volgt geformuleerd:

  • 1. Verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten, en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning.
  • 2. Verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners.
  • 3. Verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving.

De provincie wil samen met de regio’s binnen haar grondgebied Regionale Actie-programma’s opstellen met daarin duidelijke afspraken over de regionale woning-bouwprogramma’s en hoe deze uit te voeren. De Kadernota Regionale Woonvisie Westfriesland 2011 – 2020 is opgesteld. Deze nota (zie volgende paragraaf) biedt input voor de Provincie Noord-Holland ten behoeve van de invulling van het, op basis van de Provinciale Woonvisie, te ontwikkelen Regionale Actie Programma (RAP).

Regionaal Actieprogramma Wonen
Naar aanleiding van de Provinciale Woonvisie heeft de Stadsregio Amsterdam (waar de gemeente Wormer deel van uitmaakt) het Actieprogramma Regionale Woningmarkt 2011-2014 "De roltrap in beweging" opgesteld. Dit actieprogramma betreft geen allesomvattende woonvisie. Er wordt een streefbeeld (perspectief) geschetst waar de regio zich op richt. Verder is er een actieprogramma opgenomen met daarin de belangrijkste thema’s concrete en uitvoerbare afspraken om de woningmarkt beter te laten functioneren. Het gaat dan om de volgende thema's en afspraken:

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0008.jpg"  
Figuur 7. Thema's en acties uit het Actieprogramma Regionale Woningmarkt 2011-2014  

Ten tijde van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan zijn de acties nog niet zodanig geconcretiseerd dat deze verwekt kunnen worden in het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint'. Het bestemmingsplan laat overigens planologisch gezien slechts één extra woning rechtstreeks toe (Dorpsstraat 206). Andere nieuwe initiatieven voor woningbouw zullen, wanneer deze zich voordoen, getoetst worden aan het Actieprogramma Regionale Woningmarkt 2011-2014.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Wormerland 2025
In de gemeentelijke structuurvisie (vastgesteld 21 oktober 2014) wordt het ruimtelijke beleid op de schaal van de gemeente beschreven. De visie biedt een ruimtelijke vertaling van geldend beleid en huidige ambities voor drie verschillende landschappelijke eenheden binnen de gemeente, namelijk het veenweidegebied, de kernen en linten en de droogmakerijen. De ambitie voor te toekomst van deze drie ruimtelijke entiteiten binnen de gemeente laat zich als volgt vertalen:

  • 1. Het veenweidegebied vormt een uniek open landschap met hoge natuurwaarden, waarbinnen recreatie als vanzelfsprekend een belangrijke nevenfunctie betreft. Het veenweidegebied is toegankelijk voor verschillende kleinschalige vormen van extensieve recreatie, passend bij het karakter van het landschap.
  • 2. De kernen en de linten liggen op het snijvlak van de droogmakerijen en het veenweidegebied. Wormer vormt de hoofdkern met een uitgebalanceerd voorzieningenniveau in het centrum, een duurzame woon- en werkomgeving en een nieuw dynamisch stedelijk gebied langs de Zaan.
  • 3. De droogmakerijen vormen het agrarisch productiegebied voor de gemeente. Agrariërs hebben hier alle ruimte om een duurzame en klimaatbestendige bedrijfsvoering voort te zetten.

Voor het veenweidegebied wordt een driesporenbeleid gevoerd. In een deel van dit gebied ligt het accent op het behoud van het natuurlijk karakter van het veenweidegebied, in een ander deel staat de natuur centraal, waar extensieve vormen van recreatie mogelijk zijn, zonder afbreuk te doen aan de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden. Tenslotte is er een deel met een overwegend agrarisch karakter, waar natuurbeheer in combinatie met recreatieve functies wordt toegestaan.

Behoud en (door)ontwikkeling van deze structuur van hoofdkern met nevenkernen staat voorop in het ruimtelijke beleid voor de kernen. Wormerland is een aantrekkelijke woongemeente met een diversiteit aan woonmilieus. Zowel het stedelijk en industriële karakter alsmede het kleinschalig dorpse woonmilieu is vertegenwoordigd. Dit komt door de verscheidenheid aan kernen binnen de gemeente. Het merendeel van de voorzieningen bevindt zich in (het centrum van) de kern Wormer, ze vormt de hoofdkern van de gemeente.

In de droogmakerijen tenslotte staat de agrarische sector centraal, waarbij verbreding en transformatie wordt toegestaan. Er is ruimte voor nieuwe vormen van duurzame energiewinning, zoals zonne-energie en kleinschalige windenergie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0009.png"  
Figuur 8 Uitsnede visiekaart Structuurvisie Womerland 2025  

Gedurende de structuurvisieperiode wordt er binnen het plangebied van het bestemmingsplan gewerkt aan de volgende plannen (een deel van deze plannen is reeds in uitvoering; nummering zie kaart):

  • Poort van Wormer (1) – ca. 360 woningen
  • WVS ‘30/Koelemeijer (3) – ca. 91 woningen
  • Voormalige locatie bibliotheek (4) – ca. 8 woningen
  • Voormalige locatie kdv Baloe (5) – ca. 15 woningen
  • Herstructurering Molenbuurt (6) – ca. 40 woningen (extra)
  • Voormalige locatie kdv Boemeltje (7) – ca. 12 woningen
  • Locatie Moriaantje (7) – ca. 16 woningen


Direct aan de oostzijde van de kern Wormer ligt de ijsbaan (A). Ook hiervoor bestaan plannen om in de toekomst te voorzien in woningbouw.

Nadrukkelijk wordt het welzijnsaspect benoemd in de Structuurvisie. Naast detailhandel en maatschappelijke voorzieningen zijn voorzieningen op het gebied van zorg en welzijn van belang voor de gemeenschap van Wormer. De bevolking vergrijst en de vraag naar combinaties tussen wonen en zorg zal toenemen. De gemeente maakt zich sterk voor een voldoende gevarieerd, aanbod van woonzorgcombinaties en waar nodig toevoeging van zorg- en welzijnsvoorzieningen, toegespitst op deze specifieke doelgroep. De gemeente staat de ontwikkeling van woonzorg servicegebieden waarbinnen optimale condities geschapen zijn voor wonen met zorg en welzijn. Uitgangspunt is dat in iedere kern of lint een dergelijk zone ontwikkeld wordt.

Wormerland vitaal en groen, woonvisie Wormerland 2007 - 2020
De gemeentelijke woonvisie beschrijft de ambities en inzet op het gebied van wonen. Centraal staat het uitgangspunt dat het in Wormerland ook in de toekomst aantrekkelijk blijft om in te wonen. De gemeente Wormerland wil de kwaliteit van de woon- en leefomgeving behouden en waar nodig versterken. Hiermee behoudt de gemeente haar vitaliteit voor de langere termijn. De woonvisie:

  • geeft inzicht in de ontwikkelingen op de woningmarkt;
  • verwoordt de ambities van de gemeente op het terrein van wonen;
  • is een kader voor de uitvoering;
  • legt de basis voor samenwerking met derden, waaronder prestatie-afspraken met de woningcorporaties.

Met de woonvisie is woonbeleid geformuleerd voor de langere termijn. Hiermee wordt voldoende ruimte geboden om in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen. Ook worden er in de visie concrete doelen en maatregelen voor de korte en middellange termijn voorgesteld.

Belangrijke kernelementen van de gemeentelijke visie op het wonen in gemeente Wormerland zijn:

  • inspelen op veranderende wensen van de (vergrijzende) bevolking;
  • binden van jonge huishoudens met het oog op de vitaliteit van de gemeente; groei van het woonaanbod met respect voor het groene en rustige karakter; vergroten van de keuzevrijheid voor de woonconsument met bijzondere aandacht voor starters, betaalbaarheid en wonen met zorg;
  • behoud van leefbaarheid van kernen en wijken met oog voor kwaliteit van de woonomgeving en voorzieningen;
  • versterken van de regierol van de gemeente.


Groenstructuurplan
In het kader van het groenstructuurplan wordt het openbaar groen de komende jaren opnieuw ingericht. Het groenstructuurplan Wormerland is uit noodzaak opgesteld om meer grip te krijgen op het onderhoud van het openbaar groen, zowel vanuit onderhoudstechnisch als financieel oogpunt. Het doel van het structuurplan is het bestaande groen zodanig in te richten dat het tegen redelijke kosten goed te onderhouden is. Hiervoor zijn wijzigingen noodzakelijk. Vooral kleine stroken beplanting zijn onderhoudstechnisch duur. Waar nodig zullen bomen bijgeplant worden om rijen compleet te krijgen. Wat herplant van heesters of vaste planten betreft wordt overgegaan tot meer alternatieve soorten waardoor er meer soorten kleur ontstaat, zowel in de zomer als in de winter. Bij het groenstructuurplan hoort een overzichtskaart met groenstructuren. Hierin wordt onderscheid gemaakt in onderhoud intensief, onderhoud matig intensief en onderhoud extensief. In het bestemmingsplan kan geen onderscheid worden gemaakt in de mate van onderhoud. Wel zijn de belangrijkste groenstructuren als 'Groen' bestemd. Hiermee is de aanwezigheid van groen geborgd.

Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP)
In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP) wordt het verkeers- en vervoerbeleid van de gemeente Wormerland omschreven. Het beleid is er op gericht om de (toekomstige) problemen met betrekking tot het verkeer en vervoer in de gemeente zoveel mogelijk te beperken en waar mogelijk op te lossen. Mogelijk oplossingsrichtingen voor bestaande of te verwachten knelpunten worden in het GVPP nader besproken. Het GVVP schep op hoofdlijnen kaders voor verdere uitwerking en richting geeft voor te nemen maatregelen. Dit betekent dus dat er geen specifieke ruimtelijke en verkeerskundige uitwerkingen in het GVVP worden gemaakt. Pas wanneer sprake is van een concrete unieke situatie worden de geschetste mogelijke oplossingsrichtingen en/of mogelijke detailoplossingen voor wegen en locaties uitgewerkt. Op dat moment zal de gemeente met betrokkenen maatwerk op straat ontwerpen en uitvoeren.

Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Op 1 november 2014 is de AMvB "Quick wins" (Stb. 2014, nummer 333) en op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014-458) van kracht geworden. De AMvB wijzigt artikel 3.1.2 (lid 2) van het Besluit ruimtelijke ordening terwijl de Reparatiewet enkele bepalingen in de Woningwet herziet. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een aarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. De aanpassing van de Woningwet komt er op neer dat de stedenbouwkundige bepalingen uit de gemeentelijke bouwverordeningen niet meer van toepassing zijn op na 29 november 2014 nieuw vast te stellen bestemmingsplannen of beheersverordeningen en in ieder geval volledig vervallen op 1 juli 2018.

Gezien het nieuwe artikel 3.1.2 Bro bestaat de mogelijkheid om via algemene regels in het bestemmingsplan op de parkeerbehoefte te kunnen sturen. Daarom zijn artikel 38.3 parkeren en 38.4 aan de regels van voorliggend bestemmingsplan toegevoegd.

Deze regels sluiten aan bij artikel 2.5.30 van de gemeentelijke Bouwverordening. In deze regels wordt uitdrukkelijk uitgegaan van regulering bij het aanvragen en verlenen van omgevingsvergunningen. Daarbij moet gedacht worden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen en alle gebruiksveranderingen die niet bij recht in de verordening zijn toegestaan. Zodra een gebruiksverandering past binnen de verordening en hiervoor geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd hoeft in beginsel niet nader te worden gekeken naar het parkeerbeleid van de gemeente.

De vraag hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het Gemeentelijk Verkeers- en VervoerPlan (GVVP). In het GVVP wordt aangegeven dat voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen bij bepaalde functies moet worden uitgegaan van de parkeercijfers van de meest actuele CROW-publicatie (ten tijde van de opstelling van dit plan is dat publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie') dan wel de cijfers die genoemd worden in het GVVP. Hetzelfde geldt ten aanzien van de afmetingen van de te realiseren parkeerplaatsen dan wel -ruimten. Ook hier verwijst het GVVP naar de relevante CROW-publicaties.

Op deze wijze wordt ten aanzien van de hiervoor genoemde punten een duidelijk houvast geboden voor het beoordelen van aanvragen van een omgevingsvergunning.

De regeling van artikel 38.5 afwijken van de gebruiksregels biedt overigens de mogelijkheid om af te wijken van de beleidsregels uit het GVVP (lid 4).

Beleidsnota Consumentenvuurwerk Wormerland
In november 2011 heeft de gemeenteraad van Wormerland de 'Beleidsnota Consumentenvuurwerk Wormerland' vastgesteld. In de gemeente is behoefte ontstaan om regulerend op te kunnen treden met betrekking tot de opslag en verkoop van vuurwerk. Met dit oogmerk is de betreffende beleidsnota met beleidsregels opgesteld. De nota is aanvullend op het Vuurwerkbesluit. De nota is ook van belang voor de bestemmingsplannen binnen de gemeente.

Ten aanzien van consumentenvuurwerk zijn de volgende concrete beleidsregels opgesteld:

  • In nieuwe of herzieningen van bestemmingsplannen waar detailhandel is toegestaan wordt de opslag en verkoop van vuurwerk alleen middels een binnenplanse afwijking mogelijk gemaakt;
  • De binnenplanse afwijking in bestemmingsplannen voor een woonomgeving maakt de vestiging van nieuwe bedrijven die consumentenvuurwerk opslaan en verkopen mogelijk, mits er sprake is van minimaal en maximaal één bufferbewaarplaats en/of een opslagcapaciteit van maximaal 2.000 kg;
  • De binnenplanse afwijking in bestemmingsplannen voor een woonomgeving maakt de uitbreiding van bestaande bedrijven die consumentenvuurwerk opslaan en verkopen mogelijk, mits er sprake is van minimaal en maximaal één bufferbewaarplaats en/of een opslagcapaciteit van maximaal 2.000 kg;
  • De binnenplanse afwijking in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen maakt de vestiging van bedrijven die consumentenvuurwerk opslaan en verkopen mogelijk mits de verkeerssituatie is gewaarborgd gedurende de verkoopperiode;
  • Verkoop van vuurwerk gedurende de wettelijke drie dagen per jaar wordt beschouwd als inherent en ondergeschikt aan de opslag. Een detailhandelsbestemming is daarom geen voorwaarde.


Deze regels zijn doorvertaald in het voorliggende bestemmingsplan. Detailhandel in de vorm van verkoop van consumentenvuurwerk wordt aangemerkt als (algemeen) strijdig gebruik (artikel 37.2). Middels een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van dit verbod, voor zover het een bufferbewaarplaats en/of een opslagcapaciteit van maximaal 2.000 kg betreft (artikel 39.2).

Beleidsnotitie Bed & Breakfast 2016
De gemeente Wormerland heeft recent diverse aanvragen ontvangen voor het vestigen van een bed & breakfast in of bij de woning. Dit gebruik past niet in de bestemmingsplanregels van de bestemmingsplannen binnen de gemeente en is hierin niet geregeld. Het was dan ook wenselijk om beleid te formuleren waarbij wordt aangegeven in welke gevallen een bed & breakfast kan worden toegestaan. Hiervoor is de Beleidsnotitie Bed & Breakfast 2016 opgesteld.

Het beleid betreft bed & breakfast bij de woonfunctie en bij bedrijfswoningen bij andere functies in zowel de dorpskernen als in het landelijke gebied van Wormerland. In de beleidsnotitie wordt het toetsingskader beschreven alsmede de voorwaaden voor het vestigen van een bed & breakfast. De mogelijkheden die de beleidsnotitie biedt, zijn verankerd in voorliggend bestemmingsplan. Nadrukkelijk wordt hierbij vermeld dat bij de toetsing de beleidsnotitie tevens moet worden betrokken. Voor het vestigen van een bed & breakfast dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Conform de beleidsnota is wat betreft de voorwaarden onderscheid gemaakt tussen woonfuncties en bedrijfswoningen bij niet-woonfuncties. Binnen de bestemming 'Bedrijf' is een bed & breakfast uitgesloten.

Beleidsnota Agrarische bebouwing 2010

Op 9 februari 2010 is door burgemeester en wethouders van Wormerland de "Beleidsnota agrarische bebouwing" opgesteld. Deze beleidsnota omvat het beoordelingskader voor aanvragen van agrarische bedirjven met betrekking tot verandering van de bedrijfsopzet en/of de bedrijfsinrichting. De beleidsnota dient met name om:

  • duidelijk te maken in welke gevallen een agrarisch bedrijf een advies van een agrarische deskundige moet overleggen, indien een agrarisch bedrijf nieuwe opstallen wil realiseren;
  • een duidelijk toetsingskader te bieden voor het beoordelen van aanvragen voor een (eerste of tweede) agrarische bedrijfswoning;
  • een duidelijk toetsingskader op te stellen voor het beoordelen van initiatieven van agrarische bedrijven met betrekking tot vergroting of functiewijziging.

Door het bieden van een duidelijk beoordelingskader, wordt voorkomen dat grote agrarische bedrijven met onnodige advieskosten worden opgezadeld en een advies niet in alle gevallen verplicht is. Tevens wordt meer duidelijkheid geschept over de specifieke criteria waarop de landschappelijke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van concrete initiatieven wordt beoordeeld én op welke wijze de noodzaak voor een (eerste of tweede) agrarische bedrijfswoning wordt onderzocht.

De beleidsnota is een aanvulling op de geldende bestemmingsplannen én het voorliggende bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en Lint'. Vergroting of vormverandering van het bouwvlak is in dit bestemmingsplan met een wijzigingsbevoegdheid toegestaan. De beleidsnota blijft van toepassing, indien in het plangebied een concreet initiatief door een agrarisch bedrijf ontwikkelt.

Beleidsregel Hobbyboeren en ruimtelijke ordening 2008

De beleidsregel "Hobbyboeren en ruimtelijke ordening" (2008) is opgesteld om nadere voorwaarden en voorschriften te koppelen aan de mogelijkheden uit vigerende bestemmingsplan om extra bebouwing op woonpercelen op te richten voor hobbymatige agrarische activiteiten. Deze bevoegdheden bevatten de volgende voorwaarden:

  • een goede ruimtelijke verhouding tussen het hoofdgebouw en erf;
  • geen onevenredige afbreuk aan de milieusituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Met de beleidsregel wordt een verduidelijking, verfijning en concretisering van het toepassen van deze criteria geboden. Hiertoe zijn enkele algemene en specifieke richtlijnen opgenomen.

In het voorliggende bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en Lint' is de afwijkingsbevoegdheid om extra bebouwing (maximaal 150 m²) op te richten ten behoeve van hobbymatige agrarische activiteiten, gehandhaaft. Dit betekent dat de beleidsregel van toepassing blijft voor concrete aanvragen in het plangebied op basis van de opgenomen bevoegdheid.

Beleidsregel Mantelzorg in de ruimtelijke ordening 2008

Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet op de maatschappelijke ondersteuning en de in het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Wormerland' opgenomen vrijstellingsbevoegdheid, is op 2 oktober 2008 de beleidsregel "Mantelzorg in de ruimtelijke ordening" vastgesteld. Doel van de beleidsregel is om de gemeentelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van mantelzorg te nemen. Mantelzorg wordt gestimuleerd, maar duidelijke clausulering ten aanzien van gevallen waarin al dan niet medewerking zal worden verleend aan het oprichten van nieuwe bebouwing, is wenselijk. De beleidsregel bevat een nadere uitwerking van de volgende voorwaarden, die aan toepassing van de bevoegdheid worden gesteld:

  • een goede ruimtelijke verhouding tussen het hoofdgebouw en erf;
  • geen onevenredige afbreuk aan de milieusituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

De criteria zijn opgesoms in paragraaf 7 van de beleidsregel. Ook wordt een aantal begrippen nader omschreven. Het mantelzorgbeleid geldt voor zowel het landelijk gebied als de woonkernen.

In het voorliggende bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en Lint' is een afwijkingsbevoegdheid om extra bebouwing (bovenop de toegestane standaard oppervlakte voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen) op te richten ten behoeve van mantelzorg opgenomen. Dit betekent dat de beleidsregel van toepassing blijft voor concrete aanvragen in het plangebied op basis van de opgenomen bevoegdheid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en waardeaspecten

4.1 Vormvrije m.e.r. beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden: dan is het opstellen van een MER nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. De voorliggende ontwikkeling is qua aard en omvang niet te vergelijken met de projecten die in lijst C 'Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is', zijn opgesomd.

Drempelwaarden Lijst D
Het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' maakt, behoudens de uitbreidingsmogelijkheden die in de vigerende bestemmingsplannen zijn opgenomen en de mogelijkheden die het vergunningsvrij bouwen volgens het Besluit omgevingsrecht mogelijk zijn, slechts twee nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Deze ontwikkelingen zijn kleinschalig van aard. Een en ander valt ruimschoots onder de drempelwaarde van de categorie D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject). De drempelwaarde voor deze activiteit die betrekking hebben op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is dus geen m.e.r. beoordeling nodig.

Gevoelig gebied
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het gaat daarbij om gebieden die specifiek in het Besluit m.e.r. worden genoemd.

Het plangebied ligt voor een klein deel in of nabij een gebied dat wordt beschermd vanuit de natuurwaarden. Het maakt voor een klein gedeelte deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur en voor een klein deel valt het onder weidevogelgebied. Omdat het bestemmingsplan een conserverend karakter heeft en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt zijn er geen negatieve effecten te verwachten op de genoemde gebieden. Meer hierover in paragraaf 4.10. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

Milieugevolgen
In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door het conserverende karakter van het bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige gevolgen. Er spelen geen andere ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied. Van cumulatie met enige andere ontwikkeling zal dan ook geen sprake zijn.

Conclusie
Het milieubelang is in bovenstaand advies in het plan voldoende afgewogen. Een nadere studie in de vorm van een m.e.r. beoordeling is niet nodig.

4.2 Geluid

Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones.

Wegverkeerslawaai
De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een zone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen (o.a. woningen).

Voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten geldt in de zone een beschermingsniveau van 48 dB, de voorkeursgrenswaarde. Door middel van een hogere waarde procedure kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. De hoogte van deze maximaal toelaatbare (grens)waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied.

De geluidsemissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet één standaardbreedte. De omvang van de zone voor de verschillende situaties is in de Wgh aangegeven.

Conclusie
Het bestemmingsplan ‘Woonkern Wormer en lint' is overwegend conserverend van aard en legt grotendeels de bestaande situatie vast. Akoestisch onderzoek is voor beheergebieden niet noodzakelijk. Ter plaatse van de ontwikkelingslocaties wordt uitsluitend aan de achterkant van het pand Dorpsstraat 206 een nieuwe geluidgevoelige functie (woning) mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de Dorpsstraat geldt een maximumsnelheid van 50 km/u. Gelet op de afstand tot de as van de Dorpsstraat (minimaal 85 meter) en de afschermende werking van het voorste gedeelte van het gebouw, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat ter plaatse van deze woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er blijft dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening in het plangebied.

Industrielawaai
Ten aanzien van industrieterreinen is in de Wgh bepaald dat wanneer met het vaststellen van een bestemmingsplan een industrieterrein in de zin van deze wet ontstaat (waar inrichtingen zijn gevestigd c.q. het bestemmingsplan toestaat dat deze zich hier kunnen vestigen, die ‘in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken’; de zogenaamde grote lawaaimakers), tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone vastgesteld dient te worden, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Dit gebeurt op basis van een akoestisch onderzoek. Het industrieterrein zelf maakt geen deel uit van de zone.

Binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' liggen geen grote lawaaimakers. Op de bedrijventerreinen die ten westen en zuiden van het plangebied zijn gelegen is dit wel het geval.

Voor “grote lawaaimakers”, d.w.z. inrichtingen ex artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, geldt dat op grond van de Wet geluidhinder een zone moet worden vastgesteld. Aan de westzijde van Wormer ligt het bedrijventerrein Noorderveld waarvan de destijds vastgesteld geluidzone over een deel van het plangebied lag. De gemeente Zaanstad is zonebeheerder. Uit inventarisatie van de gemeente Zaanstad (geluidsrapporten d.d. 15-4-2002 en 10-01-2006) is gebleken dat de werkelijke geluidbelastingcontour van 50 dB(A) véél minder ver reikte dan de wettelijk vastgestelde zones. In de vergunning van het meest maatgevend bedrijf Meneba zijn voorschriften opgenomen om deze contour te waarborgen. Dit betekent dat een groot deel van de vastgestelde zone ongebruikt zal blijven. Besloten is dan ook om de zones opnieuw vast te stellen. De nieuwe zone is opgenomen in dit bestemmingsplan. Aan de zuidwestzijde van het plangebied liggen de zones van de bedrijventerreinen Croklaan, Nieuweweg en Wormer-Zuid-West. De gemeente is voornemens om de zonering hiervan te wijzigen. Omdat deze procedures nog niet zijn afgerond, gelden op dit moment voor deze bedrijventerreinen nog de huidige zonebesluiten. In dit bestemmingsplan zijn dan ook de zones van die besluiten opgenomen op de plankaart. Hiervoor geldt dat buiten de zone de geluidsbelasting, als gevolg van deze bedrijvigheid, niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).

Luchtverkeerslawaai
De normstelling in wet- en regelgeving is het resultaat van een afweging tussen belangen van gezondheid (incl. hinder) en vliegverkeer. De normstelling voor vliegverkeer wordt (op dit moment nog) uitgedrukt in de Kosteneenheid. De Kosteneenheid is een eenheid om geluidsbelasting te kwantificeren.

Het plangebied 'Woonkern Wormer en lint' ligt buiten de 20 ke en 35 ke contour van Schiphol.

Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan is een overwegend conserverend bestemmingsplan waar in beginsel geen nieuwe geluidsgevoelige objecten of nieuwe geluidsbronnen mogelijk gemaakt worden. Uitsluitend op de ontwikkelingslocatie Dorpsstraat 206 wordt één nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. In het kader van dit bestemmingsplan is het gelet op de ligging buiten de 20 ke en 35 ke contour dan ook niet noodzakelijk om de geluidssituatie nader te onderzoeken.

4.3 Externe veiligheid

Wet en regelgeving
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, buisleiding etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

(Beperkt) kwetsbare objecten
Er moet getoetst worden aan het Bevi, de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.

Risicovolle activiteiten
In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

Plangebied
Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicovolle activiteit in of nabij het plangebied aanwezig:

  • Zwembad het Zwet: ter plaatse van het zwembad wordt 2.000 liter chloorbleekloog in een tank opgeslagen. Volgens de risicokaart is er geen sprake van een risico contour 10-6. Er bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare functies binnen de terreingrens van het zwembad.
  • Ten zuiden van het plangebied, op circa 170 meter ligt een ondergrondse buisleiding. Deze buisleiding heeft geen plaatsgebonden risico contour 10-6.
  • Binnen het plangebied of in de omgeving zijn geen aangewezen routes (spoor, weg, water) voor het transport van gevaarlijke stoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0010.jpg"  
Figuur 9. Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)  


Inrichtingen
Er is sprake van een grotendeels conserverend plan. Er worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare functies binnen de invloedssfeer van Bevi-inrichtingen mogelijk gemaakt.

Groepsrisico
De actualisatie van dit bestemmingsplan heeft geen consequenties voor de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico zal niet veranderen.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint'.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven vol-doende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.

De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden uit de VNG-publicatie).

Bij de VNG-publicatie is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen gericht op gebieden met functiemenging. Deze staat is specifiek is gericht op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging. Deze Staat van Bedrijfsactiviteiten bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Het beoordelen van de toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën:

  • 1. categorie A: toelaatbaar inpandig aan woningen;
  • 2. categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen;
  • 3. categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg.

Categorie A
Het betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan een woning - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

Categorie B
Het betreft activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies moeten plaatsvinden.

Categorie C
Het betreft activiteiten uit categorie B, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

Plangebied
In het plangebied zijn bedrijven gelegen of worden activiteiten uitgevoerd waar een milieucategorie aan is gekoppeld. Dit betreffen in hoofdzaak bedrijven of activiteiten in de milieucategorie 1 en 2 en zijn daarmee inpasbaar binnen woongebieden. In het noordwesten van het plangebied is een klein cluster bedrijvigheid gelegen. Hier vinden watergebonden activiteiten plaats, zoals een scheepswerf en een botenstalling. Langs het lint Dorpsstraat - Oosteinde (en de Herenlaan) zijn enkel agrarische bedrijven gevestigd, gericht op het fokken en houden van rundvee en overige dieren. De bedrijven zijn van oudsher binnen de gemeente gevestigd en voldoen aan de richtlijnen die gelden voor bedrijvigheid tot aan bebouwing. Daarnaast zijn er specifieke regels voor de bedrijven opgesteld zodat er ook in de toekomst een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. In de huidige situatie zijn er geen knelpunten ten aanzien van de ligging van de bedrijven in nabijheid van de woningen. Op de twee ontwikkelingslocaties aan de Dorpsstraat worden uitsluitend functies mogelijk gemaakt van milieucategorie 1 en 2.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan. Als een initiatiefnemer een bedrijf wil vestigen dat niet binnen de kaders van het bestemmingsplan past, zal voor die ontwikkeling een toets bedrijven en milieuzonering moeten worden uitgevoerd.

4.5 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van het bestemmingsplan speelt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Indien een bodemonderzoek uitwijst dat er in de bodem wezenlijke verontreinigingen aanwezig zijn, dienen deze gesaneerd te worden voordat het betreffende gebied in ontwikkeling wordt genomen. Met het oog op kostenbesparing en efficiëntie is het van belang om een actief bodembeheer toe te passen. Dit is het totaal van activiteiten gericht op het adequaat en efficiënt omgaan met de gevolgen van structureel aanwezige gevallen van bodemverontreiniging.

Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan beoogt in hoofdzaak de bestaande situatie vast te leggen. Dit betekent, dat voor bouwactiviteiten binnen een bestaande situatie, de bescherming tegen bouwen op verontreinigde grond wordt gevonden in de Woningwet en de gemeentelijke bouwverordening. Nieuwe ontwikkelingen die bodemonderzoek noodzakelijk maken, zijn in het bestemmingsplan niet rechtstreeks voorzien.

4.6 Luchtkwaliteit

Op basis van de Wet Milieubeheer, gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingscomponenten stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO). De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) en ‘In betekenende mate’ (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. In het geval een planvoornemen strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dient onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd te worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging die zouden kunnen leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit hoeft niet nader onderzocht te worden omdat het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' slechts zeer beperkte nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, die niet in betekenende mate bijdragen. Voor nieuwe ontwikkelingen, voor zover het betreft gevoelige bestemmingen als bepaald in het Besluit luchtkwaliteit, moet de luchtkwaliteit worden onderzocht indien deze ontwikkeling niet past binnen de kaders van het bestemmingsplan.

4.7 Water

De watertoets is een verplicht onderdeel van elke planologische procedure. Doel van de watertoets is het waarborgen van waterhuishoudkundige doelstellingen door waterbelangen reeds in een vroeg stadium bij de planvorming te betrekken.

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater.

Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)
Sinds 2000 is de Kaderrichtlijn Water van kracht. De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn en heeft tot doel de ecologische en chemische waterkwaliteit te verbeteren. De Kaderrichtlijn water (KRW) moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. Binnen de KRW worden twee soorten doelstellingen onderscheiden:

  • ecologische doelstellingen. Dit betreft de levensvormen (planten, dieren) die men terug wil hebben in en rond het water.
  • chemische doelstellingen. Deze geven aan welke chemische stoffen in het water mogen voorkomen en in welke hoeveelheid.

De KRW gaat uit van een nulsituatie: de ecologische en chemische toestand van het grond- en oppervlaktewater mag vanaf 2000 niet verslechteren. Andere belangrijke uitgangspunten uit de KRW zijn een brongerichte aanpak en "de vervuiler betaalt".

Waterbeheer 21e eeuw (WB21)
Om voldoende aandacht voor de waterkwantiteit, maar ook de waterkwaliteit in ruimtelijke plannen te garanderen is de watertoets in het leven geroepen. Doel van de watertoets is het eerder en explicieter in het planproces betrekken van water. Hiertoe hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen een Bestuurlijke notitie Waterbeleid in de 21e eeuw en een Handreiking watertoets ondertekend. In het kort betekent dit dat ten behoeve van de waterkwantiteit het principe: vasthouden, bergen en afvoeren dient te worden gehanteerd, en voor de waterkwaliteit: scheiden, schoon houden en schoon maken.

Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
In de aard en omvang van de nationale waterproblematiek doen zich structurele veranderingen voor. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. In februari 2001 sloten daarom Rijk, Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en Vereniging van Nederlandse Gemeenten de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw. Daarmee werd de eerste stap gezet in het tot stand brengen van de noodzakelijke gemeenschappelijke aanpak.

Twee jaar later worden de resultaten van die samenwerking en van voortschrijdende kennis en inzicht neergelegd in dit Nationaal Bestuursakkoord Water, hierna te noemen NBW.

Nationaal Waterplan
Het waterbeleid van het Rijk wordt beschreven in het Nationaal Waterplan (NWP) (december 2015). Dit waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening. In het Nationaal Waterplan worden de maatregelen beschreven die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden. en de kansen die water biedt te benutten. In het NWP wordt uitgegaan van de strategie die bestaat uit:

  • meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten.
  • met een adaptieve aanpak anticiperen op de toekomstige ontwikkelingen.
  • betrokkenheid van alle relevante partijen, zowel publiek als privaat, bij zowel het definiëren van de opgaven als het vinden van oplossingen.


Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van waterveiligheid, het beleid voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebiedbeheer-plannen op grond van de KRW.

De visie van het Rijk op het IJsselmeer is dat van een strategische watervoorraad. Het Rijk kiest ervoor de strategische functie van het IJsselmeergebied voor de levering van zoet water te versterken. Daarnaast vindt het Rijk de kernkwaliteiten van dit gebied belangrijk. Om deze zoveel mogelijk te behouden en daar waar mogelijk te versterken wordt op zorgvuldige wijze ruimte gegeven aan nieuwe buitendijkse ontwikkelingen. Hiertoe stelt het Rijk na overleg met betrokken provincies met de regio een kwaliteitsteam in, dat buitendijkse ontwikkelingen op basis van een handreiking toetst op ruimtelijke kwaliteit (conform de aanpak bij Ruimte voor de Rivier).

Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt de bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland:

Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Waterwet kunnen Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging nog beter tegengaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.

Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld: zes vergunningen uit de bestaande 'waterbeheerwetten' gaan op in één watervergunning. Voor de gebruiker betekent dit vooral minder administratieve handelingen en voor het bevoegde gezag betekent het dat de vergunning aan álle aspecten van het waterbeheer moet worden getoetst.

Beleid Waterschap
Waterbeheersplan 4 (WBP4)
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft in 2009 een nieuw waterbeheerplan vastgesteld. Het plan beschrijft de uitgangspunten en strategische doelen voor het waterbeheer voor de periode van 2010 tot en met 2015. De missie van het hoogheemraadschap is erop gericht om ook de komende jaren Noord-Holland boven het Noordzeekanaal veilig te houden tegen overstromingen en te zorgen voor droge voeten en schoon water.

Een van de uitgangspunten is dat water een ordenend principe is in de ruimtelijke inrichting. Middels de (verplichte) watertoets wordt in samenwerking met het hoogheemraadschap afgestemd hoe met het aspect water wordt omgegaan bij een ruimtelijke ontwikkeling. Ten aanzien van de waterkwantiteit geldt:

  • Dempen = graven; 100% compensatie van gedempt oppervlaktewater binnen het plan- of peilgebied.
  • Compensatie van toename verharding afhankelijk van o.a. de toelaatbare peil-stijging, afvoercapaciteit en rioolstelsel.
  • Waar mogelijk en wenselijk verbetering van de waterhuishouding in samenwerking met het hoogheemraadschap door realisatie van extra waterberging (evt. in combinatie met natuur, openbaar groen of recreatie).

Lozingen op het oppervlakte water vanuit hemelwaterstelsels kunnen door ongewenste lozingen in de hemelwaterriolering leiden tot verontreiniging van het oppervlaktewater. Het hoogheemraadschap adviseert en ziet toe hoe het beste met lozingen om kan worden gegaan.

De gemeente heeft de zorgplicht voor het hemelwater. Dit houdt in dat zij op een verantwoorde wijze met het hemelwater dient om te gaan. Indien er een vermoeden is dat het afstromende hemelwater verontreinigingen (kan) bevat(ten) (bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van uitlogende bouwmetalen of door verontreinigende activiteiten) of indien het hemelwater loost op kwetsbaar water (Natuurnetwerk Nederland, zwemwater etc.) dan moet de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap naar een doelmatige oplossing zoeken. Het hoogheemraadschap heeft in haar reactie in het kader van de watertoets (11 april 2012) aangeven dat dit naar verwachting niet nodig is.

Keur
In de Keur worden de regels, met de verboden en verplichtingen, ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater beschreven. De keur geldt voor het gehele grondgebied van het waterschap. In de keur wordt onder andere beschreven hoe en op welke wijze het onderhoud van watergangen geregeld wordt. Ook wordt beschreven voor welke werkzaamheden een vergunning nodig of, of kan worden volstaan met een melding. Beleidsregels ten behoeve van het beschermingsbeleid van keurbeschermingsgebieden, attentiegebieden en overige gebieden zijn eveneens in de keur terug te lezen. Deze beleidsregels zijn bedoeld om aan te geven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning- en ontheffingverlening.

Gemeentelijk beleid
In het Gemeentelijk Rioleringsplan is het beleid van de gemeente Wormerland ten aanzien van water vastgelegd. Dit beleid is er op gericht om (afval)waterstromen te scheiden. Dit betekent dat relatief schoon regenwater hoeft niet te worden afgevoerd naar de zuivering. Wanneer er sprake is van vervangingswerkzaamheden van het gemengde riool wordt beoordeeld in hoeverre afkoppeling van verhard oppervlak mogelijk is, eventueel door het aanleggen van een apart regenwaterriool. Als afkoppeling van regenwater (al dan niet verontreinigd) leidt tot onacceptabele belasting van het oppervlaktewater zullen in eerste instantie maatregelen met een lokaal karakter worden genomen.

Huidig watersysteem
Oppervlaktewater
De Zaan ligt voor een gedeelte binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Dit geldt ook voor een gedeelte van De Poel. Daarnaast bestaat het oppervlaktewater binnen het plangebied uit watergangen en sloten langs gebouwde en/of groenvoorzieningen.

Binnen het plangebied liggen drie primaire watergangen. De overige watergangen zijn secundair of tertiair.

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0011.jpg"  
Figuur 10. Watergangen in het plangebied.  

De Poel is een plas die onder andere gebruikt wordt voor de recreatie. Dit geldt ook voor de Zaan met dien verstande dat deze waterloop ook wordt gebruikt door het scheepvaartverkeer. De overige watergangen binnen het plangebied hebben hoofdzakelijk de functie van stedelijk water.

Waterkering
De Veerdijk is een secundaire waterkering. Hiermee heeft de Veerdijk een waterkerende functie. In de keur zijn bepalingen opgenomen omtrent de bescherming van de waterkering. Dit betreffen onder andere ver- en geboden voor werkzaamheden op en nabij de waterkering en beschermingszone van de waterkering. De waterkering wordt beschermd middels een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan maakt in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Op de ontwikkelingslocatie aan de Dorpsstraat 125-135 is sprake van een beperkte toename aan verharding, die geen negatieve invloed op het watersysteem en geen gevolgen voor de watergangen in het plangebied heeft. De ontwikkeling aan de Dorpsstraat 206 betreft uitsluitend een functiewijziging. Er vinden ook voor het overige geen aanpassingen plaats die van invloed zijn op het huidige watersysteem. Indien er ontwikkelingen plaats vinden die buiten de kaders van het bestemmingsplan vallen, dan zal middels de watertoets inzichtelijk worden gemaakt wat voor invloed de ontwikkeling heeft op water.

4.8 Archeologie

Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Met invoering van de wet hebben gemeenten een archeologische zorgplicht. Initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Wanneer er in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

In de Archeologienota Wormerland 2010 wordt het beleid van de gemeente ten aanzien van archeologie beschreven. Praktisch komt het beleid er op neer dat, ter plaatse van gebieden van archeologische waarde of met een archeologische verwachting een dubbelbestemming wordt opgenomen. Deze dubbelbestemming stelt zeker dat vanaf een bij een ontwikkeling van een bepaalde omvang archeologische maatregelen verplicht zijn. Volgens de kaart met archeologiegebieden (zie figuur 11) zijn er binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' een aantal gebieden die een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische Verwachting' moeten krijgen. Het betreft de rood en de blauw gekleurde gebieden. De dubbelbestemmingen betreffen dan:

  • Waarde - Archeologische Verwachting 1: rood.
  • Waarde - Archeologische Verwachting 2: blauw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0880.BP2015002001-0401_0012.jpg"  
Figuur 11. Archeologische waardenkaart  

Conclusie
Het bestemmingsplan 'Woonkern Wormer en lint' maakt slechts twee nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De ontwikkeling aan de Dorpsstraat 125-135 vindt plaats binnen de rode zone van de archeologische waardenkaart. Er worden bodemingrepen uitgevoerd groter dan 100 m². Door middel van het opnemen van een archeologische dubbelbestemming ('Waarde - Archeologie 1'), wordt geborgd dat voorafgaande aan de bouw van de nieuwe bebouwing een verkennend archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Indien nodig dient vervolgens vervolgonderzoek plaats te vinden. De ontwikkeling aan de Dorpsstraat 206 vindt plaats binnen de bestaande bebouwing.

Eventuele onbekende archeologische waarden worden gelet op het voorgaande niet belemmerd als gevolg van het bestemmingplan. Het archeologiebeleid wordt middels archeologische dubbelbestemmingen in het plan doorvertaald.

4.9 Ecologie

Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de voormalige Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet en vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (de voormalige EHS) en op provinciaal niveau in de structuurvisie en de verordening.

De Wet natuurbescherming heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.

De Wet natuurbescherming heeft tevens betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3', en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode. Momenteel zijn echter nog geen algemeen toepasbare gedragscodes voorhanden.

Conclusie
Onderhavig plangebied betreft de bebouwde kom van de kern Wormer. Hier is sprake van intensief ruimtegebruik en een vrij hoog verhardingspercentage. Het bestemmingsplan laat geen nieuwe ontwikkelingen toe die getoetst dienen te worden in het kader van de Wet natuurbescherming. Ter plaatse van het Natuurnetwerk Nederland en het weidevogelgebied is een dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' respectievelijk een aanduiding 'wetgevingzone - weidevogelgebied' opgenomen ter borging en bescherming van waarden.

4.10 Kabels en leidingen

De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van bouwplannen in de weg staan. In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de planontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Inleiding

In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met regels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende 10 jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt de juridische bestemmingsplanmethodiek uiteengezet zoals gebruikt zal worden voor het bestemmingsplan ‘Woonkern Wormer en lint'.

5.2 Verbeelding

Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Dit uit zich met name in de structuur en verbeelding. De verbeelding is opgebouwd volgens IMRO 2012 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehorende kleurgebruik etc.

5.3 Systematiek van de regels

Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding met regels. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De verbeelding voor bestemmingsplan ‘Woonkern Wormer en lint’ beslaat analoog 6 kaartbladen en is digitaal beschikbaar. De regels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), bestemmingsregels (hoofdstuk 2), algemene regels (hoofdstuk 3) en overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4).

Qua regeling is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen. In de regels is gekozen voor een uitgebreide opsomming in de bestemmingsomschrijving van zaken die binnen een bestemming worden toegestaan. Voorzieningen die opgenomen zijn in de bestemmingsomschrijving zijn vanzelfsprekend gerelateerd aan de betreffende bestemming.

Op de verbeelding staat onder meer aangeduid wat de bouwmogelijkheden zijn.

5.4 Planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten
In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Agrarisch - Agrarisch bedrijf
Deze gronden zijn bestemd voor agrarische grondgebonden bedrijven, met uitzondering van intensieve veehouderijen. Daar waar een bedrijfswoning is aangeduid op de verbeelding is een bedrijfswoning toegestaan.

Bedrijf
De bestaande bedrijven zijn specifiek aangeduid. Daarnaast zijn bedrijven van categorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan, waarbij geldt dat die bedrijfsactiviteiten, gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving, in ieder geval gelijkwaardig moet zijn aan of minder moet zijn dan de specifiek aangeduide bedrijfsactiviteiten.

Bedrijf - Nutsvoorziening
De openbare nutsvoorzieningen zijn bestemd als Bedrijf - Nutsvoorziening. Voor de gasdrukmeet- en regelstations is een specifieke functieaanduiding ('specifieke vorm van bedrijf - gasdrukmeet- en regelstation') opgenomen.

Centrum
De voor Centrum aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel, kantoren, maatschappelijke voorzieningen, horeca, woningen boven de eerste bouwlaag, tenzij op de verbeelding is opgenomen dat 'wonen is uitgesloten.

Cultuur en Ontspanning
De bestaande kinderboerderij is conform de SVBP2012 bestemd als Cultuur en Ontspanning. Daarbij is tevens de aanduiding kinderboerderij opgenomen.

Detailhandel
De voor Detailhandel aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel. De aanwezige bedrijfswoningen zijn aangeduid op de verbeelding.

Dienstverlening
De voor Dienstverlening aangewezen gronden zijn bestemd voor dienstverlenende bedrijven. De aanwezige bedrijfswoningen zijn aangeduid op de verbeelding.

Gemengd - 1
Binnen de bestemming Gemengd - 1 is op twee locaties (Veerdijk en ontwikkellocatie Dorpsstraat 125-135) opgenomen. Binnen de bestemming zijn de volgende functies toegestaan:

  • bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • dienstverlening;
  • kantoren;
  • maatschappelijke voorzieningen;
  • reguliere horeca;

Deze functies mogen op de locatie aan de Veerdijk een maximaal gezamenlijk bruto vloeroppervlak hebben van 750 m2.

Daarnaast zijn woningen toegestaan, waarbij het maximum aantal woningen op de verbeelding is aangeduid. Dit betreft op de locatie aan de Veerdijk maximaal 22 woningen (conform de oude regeling) en op de locatie aan de Dorpsstraat 125-135 maximaal 3 woningen en aan de Dorpsstraat 206 maximaal één woning. Bij de woningen is een aan huis verbonden beroep toegestaan. Verder zijn bijbehorende functies zoals groen, parkeer- en nutsvoorzieningen, water en verkeersvoorzieningen toegestaan.

Gemengd - 2

Op de locatie Dorpsstraat 206 is een maatwerkbestemming 'Gemengd - 2' opgenomen. In paragraaf 2.4 van deze toelichting is de keuze voor deze bestemming nader toegelicht. In Bijlage 2 is deze verantwoord. Binnen de bestemming 'Gemengd - 2' zijn de volgende functies toegestaan:

  • maatschappelijke voorzieningen;
  • bedrijven van milieucategorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • dienstverlening;
  • kantoren;
  • maximaal 2 bedrijfswoningen;
  • bijbehorende voorzieningen zoals parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen en water.

Met betrekking tot horeca is een specifieke regeling opgenomen. Reguliere horeca (waaronder terrassen) is uitsluitend toegestaan binnen het voorste gedeelte van het gebouw. Dit is met een specifieke aanduiding aangegeven op de verbeelding. Voor het overige is uitsluitend ondergeschikte horeca toegestaan. Dit onderscheid is in de begripsbepalingen toegelicht.

Groen
De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en voorzieningen ten behoeve van openbaar nut. Tevens is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - botenhuis' een botenhuis toegestaan en zijn ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' de gronden tevens voor evenementen in te zetten.

Horeca
De voor Horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor reguliere horeca. Daar waar een andere vorm van horeca is toegestaan is dat aangeduid op de verbeelding. De aanwezige bedrijfswoningen zijn aangeduid op de verbeelding.

Kantoor
De kantoren zijn bestemd als kantoor. Op deze gronden zijn zelfstandige kantoren toegestaan.

Maatschappelijk
De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - fysiotherapeut', uitsluitend een praktijk voor fysiotherapie toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'wonen' zijn tevens 17 appartementen en 5 schoolwoningen toegestaan. De aanwezige bedrijfswoningen zijn aangeduid op de verbeelding.

Natuur
Het Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS), daar waar geen sprake is van water, is bestemd als Natuur. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurwaarden, alsmede voor waterhuishoudkundige doeleinden, agrarisch medegebruik en extensief recreatief medegebruik.

Recreatie
De volkstuinen zijn overeenkomstig de SVBP2012 bestemd als Recreatie. Tevens zijn ze specifiek aangeduid als 'volkstuin'.

Sport
De voor Sport aangewezen gronden zijn bestemd voor sportterreinen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - watersportvereniging' is uitsluitend voor een watersportvereniging toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan' is uitsluitend voor een natuurijsbaan toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' zijn tevens maatschappelijke voorzieningen toegestaan.

Tuin
De (voor- en gedeeltelijk zij)tuinen zijn bestemd als Tuin. Op deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaande gebouwen'. Op die gronden zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan.

Verkeer en Verkeer - Verblijfsgebied
Deze gronden zijn bestemd voor wegen, straten, wandel- en fietspaden. Het verschil in bestemmingen is dat de gronden met de bestemming Verkeer en Verblijfsgebied zowel gericht zijn op verblijf als op de afwikkeling van het verkeer en de gronden met de bestemming verkeer zijn hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het verkeer. Daarnaast zijn parkeer- en groen- en speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen en voorzieningen ten behoeve van openbaar nut toegestaan.

Water
De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - botenhuis' tevens een botenhuis toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'brug' is tevens een brug toegestaan. De hoogte van de brug is maximaal 20 meter.

Wonen
De burgerwoningen zijn bestemd als Wonen. Op de verbeelding zijn de type woningen aangeduid. Tevens zijn aan huis verbonden beroepen toegestaan, waarbij voldaan moet worden aan bepaalde voorwaarden. De aanwezige garageboxen zijn bestemd als Wonen met de aanduiding 'garagebox'. Ter plaatse van deze aanduiding zijn uitsluitend stallingsruimten voor auto's toegestaan.

Wonen - 1 tot en met Wonen - 3
Deze bestemmingen vormen de vertaling van het bestemmingsplan 'Molenbuurt, Wormer' (vastgesteld op 20 januari 2015), dat is opgesteld ten behoeve van de vernieuwing van de woonwijk Molenbuurt. De regels van genoemd bestemmingsplan zijn rechtstreeks doorvertaald en wijken af van de reguliere bestemming Wonen. Derhalve is gekozen voor separate bestemmingen.

Binnen de bestemming Wonen - 1 worden 65 tot 69 aaneengebouwde woningen toegestaan, binnen Wonen - 2 betreft het 10-12 gestapelde woningen en binnen Wonen - 3 47-51 gestapelde woningen. Binnen deze 3 bestemmingen gezamenlijk zijn maximaal 132 woningen toegestaan.

Wonen - 4 en Wonen - 5
Deze bestemmingen vormen de vertaling van het bestemmingsplan ''t Boemeltje en Moriaantje' (vastgesteld op 6 maart 2013). De regels van genoemd bestemmingsplan zijn rechtstreeks doorvertaald en wijken af van de reguliere bestemming Wonen. Derhalve is gekozen voor separate bestemmingen. De bestemming Wonen - 4 voorziet in maximaal 12 aaneengebouwde woningen en de bestemming Wonen - 5 in maximaal 16 gestapelde woningen.

Wonen - Woonboten
De voor Wonen - Woonboten aangewezen gronden zijn bestemd voor de bestaande woonboten met al dan niet aan huis verbonden beroepen. Het maximumaantal woonboten is per bestemmingsvlak aangeduid. Daarnaast zijn waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen toegestaan.

Leiding - Hoogspanningsverbinding
De gronden met de dubbelbestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 50 kV. Bouwmogelijkheden op deze gronden zijn met het oog op de instandhouding van de verbinding beperkt.

Waarde - Aardkundige waarden
De voor Waarde - Aardkundige waarden aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de aardkundige monumenten en de waardevolle aardkundige gebieden. Deze dubbelbestemming is een doorvertaling van de provinciale Ruimtelijke Verordening.

Waarde - Archeologie 1 t/m 2
De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Het verschil in de archeologische bestemmingen is de mate van de archeologische waarde en daarmee de mate van bescherming.

Waarde - Ecologie
De voor Waarde - Ecologie aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud van de aanwezige landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden.

Waterstaat - Waterkering
De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals duikers, keerwanden en merktekens.

Hoofdstuk 3 Algemene regels
In dit onderdeel van de regels komen onder andere de flexibiliteitsbepalingen aan de orde. Het gaat hierbij onder meer om:

Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling regelt dat bebouwing slechts eenmaal mag worden meegerekend bij de berekening van het maximaal bebouwd oppervlak, bij de aanvraag van een omgevingsvergunning.

Algemene bouwregels
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen en bestaande afstanden, maten en bebouwingspercentages.

Algemene gebruiksregels
Hierin is het gebruik opgenomen wat in ieder geval als strijdig wordt bevonden.

Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels zijn opgenomen voor gebiedsaanduidingen die over meerdere bestemmingen liggen. Dit betreft de aanduidingen 'geluidzone - industrie', 'veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelstation', 'vrijwaringszone - molenbiotoop' en 'wetgevingzone - weidevogelgebied'. Deze gebiedsaanduidingen dienen ter waarborging van bepaalde belangen.

Algemene afwijkingsregels
Ten behoeve van de flexibiliteit en bruikbaarheid in de praktijk is voorzien in de mogelijkheid tot afwijken en wijzigingsbevoegdheden. Met de afwijkingsmogelijkheid kan het bevoegd gezag o.a. een afwijking van de maatvoering van bouwwerken toestaan met ten hoogste 10%.

Algemene wijzigingsregels
Ten behoeve van de flexibiliteit en bruikbaarheid in de praktijk is voorzien in algemene wijzigingsbevoegdheden. Daarnaast is op een drietal locaties een concrete wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Het betreft de locaties aan de Mooriaanlaan 2, de voormalige bibliotheeklocatie aan de Sternstraat en de ontwikkelingslocaie Dorpsstraat 125-135.

Op eerstgenoemde locatie mogen de bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin' onder voorwaarden worden gewijzigd in 'Wonen - 1' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

Op de tweede locatie kan een herontwikkeling van de voormalige bibliotheeklocatie plaatsvinden, waarbij de bestemming 'Maatschappelijk' verdwijnt en maximaal 8 woningen kunnen worden gebouwd, met daarbij behorend openbaar gebied zoals groen, verkeer en parkeren. Omdat voor deze locatie nog geen concreet initiatief bestaat, is de bevoegdheid algemeen geformuleerd. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dient te worden aangetoond dat het concrete plan uit ruimtelijk en milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is. Tevens dient een beeldkwaliteitsplan opgesteld te worden.

Op de derde locatie kan de bestemming 'Gemengd - 1', waarbinnen 3 woningen zijn toegestaan, worden gewijzigd in 'Wonen' ten behoeve van maximaal 6 woningen (3 extra woningen).

Overige regels
Hierin is opgenomen wanneer de aanvullende werking van de bouwverordening is uitgesloten.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Daarnaast is een hardheidsclausule weergegeven.

Slotregel
Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg
Overleg is nodig om te komen tot goede bestemmingsplannen en om een goede afstemming tussen het beleid van de verschillende overheden te bewerkstelligen. De overheden zijn vrij in de vormgeving van dit overleg. Overheden kunnen hierover onderling afspraken maken. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het overleg. Doelstelling van de wetgever is om het overleg zo soepel en vlot mogelijk te laten verlopen. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om dit overleg te voeren.

Het overleg wordt gevoerd met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn (artikel 3.1.1 Bro).

In het kader van het vooroverleg wordt het concept ontwerpbestemmingsplan aangeboden aan de overlegpartners. Indien er vooroverlegreacties worden ontvangen zullen deze worden samengevat en beantwoord.

Inspraak en vooroverleg
Ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) worden voorbereid met toepassing van de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht). Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen, bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken.

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 27 augustus 2015 gedurende zes weken (tot 7 oktober) ter inzage gelegen. Een ieder is in de gelegenheid geweest een inspraakreactie in te dienen. In het kader van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro is het plan aan de wettelijke overlegpartners gestuurd.

Op 1 september is in het gemeentehuis een inloopavond gehouden over het voorontwerpbestemmingsplan. Tijdens deze bijeenkomst is aan een ieder de gelegenheid geboden het plan in te zien en hierover (informatieve) vragen stellen. De bijeenkomst is bezocht door 32 personen.

De binnengekomen inspraak- en vooroverlegreacties zijn samengevat en van een antwoord voorzien. Deze zijn terug te vinden in de Nota van inspraak voorontwerp bestemmingsplan Woonkern Wormer en Lint die als (separate) bijlage bij de toelichting is toegevoegd.

Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 3 november 2016 voor een periode van 6 weken voor een ieder ter visie gelegd. In het ontwerpbestemmingsplan zijn de twee ontwikkelingslocaties (Dorpsstraat 125-135 en 206) alsnog in het plan opgenomen. Men kon een zienswijze gericht op het ontwerpplan indienen binnen deze periode van 6 weken. Er zijn 10 zienswijzen binnengekomen. Daarnaast is een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd.

De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de Nota van zienswijzen en wijzigingen, die als (separate) bijlage bij de toelichting is toegevoegd. Daarbij is ook aangegeven in hoeverre de zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen aan het ontwerpbestemmingsplan.

Bij besluit van 21 maart 2017 is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.

Beroep

Na gewijzigde vaststelling wordt het plan opnieuw gedurende 6 weken ter visie gelegd. Binnen deze periode kunnen belanghebbenden beroep tegen het plan instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Onderhavig bestemmingsplan heeft voornamelijk een conserverend karakter. Er treden enkel kosten op verband houdende met het opstellen van het bestemmingsplan. Hiervoor staan dekkende fondsen uit de algemene middelen van de gemeente ter beschikking. Het bestemmingsplan is derhalve economisch uitvoerbaar binnen de planperiode van tien jaar.

Kostenverhaal
Om gemaakte kosten te verhalen dient de gemeenteraad ingevolge artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan dient vast te stellen voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is opgenomen dat als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro wordt aangewezen een bouwplan voor:

  • a. de bouw van een of meer woningen;
  • b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen;
  • d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt;
  • f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².


Voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in de bouw van een of meerdere aangewezen bouwplannen. Het aspect kostenverhaal is dan ook niet aan de orde.