direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan H22e woningbouw 'De Hooghe Weide'
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0879.TAMOPH22e-VS01

Regels

PREAMBULE

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het realiseren van woningbouw op de

locatie 'De Hooghe Weide'.

Dit TAM-IMRO omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22e) van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22e gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22e gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'De Hooghe Weide' waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het gmlbestand met identificatienummerNL.IMRO.0879.TAMOPH22e-VS01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
  • 2. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn op de locatie, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 3. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 4. In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt ter plaatse van de locatie 'milieuzone - verbod chemische gewasbeschermingsmiddelen' dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (het bestemmingsplan Buitengebied Zundert en de daarop volgende herzieningen, reparaties en aanpassingen hiervan) van toepassing blijven, waarbij de regels in artikel 15.1 van dit TAM-omgevingsplan als afwijking gelden op de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (het bestemmingsplan Buitengebied Zundert en de daarop volgende herzieningen) en voorrang hebben op de desbetreffende regels.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Begripsbepalingen uit AMvB's

De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsbesluit, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bijlage I van de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in 2.2 een afwijkende begripsomschrijving is opgenomen.

2.2 Aanvullende en afwijkende begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in 2.1, de volgende begripsbepalingen:

  • 1. aanbouw:

een toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een hoofdgebouw waarmee het in verbinding staat en die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

  • 2. aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

  • 3. aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

  • 4. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten:

beroep:

de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, paramedisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch, consumentenverzorgend of hiermee gelijk te stellen terrein, met behoud van de woonfunctie en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

bedrijf:

Het beroepsmatig verlenen van diensten, het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk en het op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor:

  • a. geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- of Vergunningenbesluit milieubeheer geldt;
  • b. waarvan de omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij bijbehorende bijgebouwen past;
  • c. de woonfunctie als primaire functie behouden en herkenbaar blijft;

  • 5. achtererf:

gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het bouwvlak is gelegen;

  • 6. achtergevel:

de achterzijde of een denkbeeldige lijn van het hoofdgebouw;

  • 7. afhankelijke woonruimte:

een (gedeelte van een) bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de (bedrijfs)woning en dient voor de huisvesting van een gedeelte van een huishouden uit een oogpunt van mantelzorg;

  • 8. archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt;

  • 9. archeologische deskundige:

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg

  • 10. archeologische waarden:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden;

  • 11. bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

  • 12. bebouwingspercentage:

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

  • 13. bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten daaronder niet begrepen;

  • 14. bestaand:
  • a. ten aanzien van bouwwerken: een bouwwerk, dat:
    • 1. bestaat of in uitvoering is op het moment dat dit hoofdstuk in werking treedt;
    • 2. na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen waarvoor de bouwaanvraag voor dat tijdstip is ingediend;
  • b. ten aanzien van gebruik: het gebruik van gronden en bouwwerken zoals aanwezig op het moment dat dit hoofdstuk in werking treedt;

  • 15. betaalbare koopwoning:

een woning met een maximale koopsom van €405.000,- v.o.n. volgens de betaalbaarheidsgrens van de rijksoverheid (prijspeil 2025);

  • 16. betaalbare woning:

een woning die valt onder de categorie 'betaalbare koopwoning' of 'middelhuurwoning';

  • 17. bijgebouw:

een gebouw, al dan niet vrijstaand, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of afmetingen in visueel, functioneel en architectonisch opzicht onderscheidt en dat niet direct in verbinding staat met het hoofdgebouw;

  • 18. bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

  • 19. bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, vliering en kelder;

  • 20. bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

  • 21. bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

  • 22. bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

  • 23. calamiteit:

een onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van de eigenaar en/of gebruiker van het bouwwerk veroorzaakt onheil; van calamiteit is in ieder geval geen sprake bij tenietgaan (mede) door slecht onderhoud;

  • 24. coffeeshop:

een alcoholvrije horeca-inrichting waar handel in en/of gebruik van softdrugs plaatsvindt;

  • 25. detailhandel (bedrijf):

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

  • 26. diepploegen:

het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 cm (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik.

  • 27. erf:

het al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

  • 28. escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een ander plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus;

  • 29. functie:

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;

  • 30. groothandelsbedrijf:

een bedrijf dat gericht is op het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, instellingen dan wel aan personen tot aanwending in een ander bedrijf;

  • 31. growshop:

een al dan niet zelfstandige ruimte voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van kweekbenodigdheden (zoals potgrond, meststoffen, bestrijdingsmiddelen, lampen, ventilatiesystemen, waterpompen) voor psychotrope stoffen, aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

  • 32. handel in softdrugs:

het verkopen van softdrugs vanuit een horeca-inrichting of een andere voor het publiek toegankelijke lokaliteit en de daarbij behorende erven, dan wel het aldaar aanwezig zijn van middelen als bedoeld in artikel 3 (lijst II) van de Opiumwet, dan wel toestaan dat de bedoelde middelen in de horeca-inrichting gebruikt, bereid, bewerkt, verkocht, geleverd, verstrekt en vervaardigd worden;

  • 33. huishouden:

een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een

economisch-consumptieve eenheid vormen. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksbinding of een met een huwelijksverbinding gelijk te stellen samenlevingsverband;

  • 34. kunstwerk:

een civieltechnisch dan wel beeldend kunstwerk;

  • 35. luifel:

afdak of overkapping aan of bij een gebouw, al dan niet ondersteund;

  • 36. middenhuurwoning:

een zelfstandige huurwoning zoals gedefinieerd in artikel 5.161.c lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 37. nutsvoorziening:

voorzieningen, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, gasontvangstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;

  • 38. onderbouw:

een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,2 meter boven het peil is gelegen;

  • 39. ondergeschikte activiteit:

een activiteit van zeer beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft;

  • 40. ondergronds:

beneden het peil;

  • 41. overkapping:

een bouwwerk zonder eigen wanden, dat aan ten minste een deel van één zijde een gesloten wand kent;

  • 42. peil:
  • a. voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;

  • 43. perceelsgrens:

een lijn die een bouwperceel van een ander bouwperceel, ander terrein of van de openbare weg scheidt;

  • 44. prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • 45. raamprostitutie:

een seksinrichting bestemd voor of in gebruik voor het zich vanaf de openbare weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats, zichtbaar ter beschikking stellen tot het tegen betaling verlenen van seksuele diensten aan anderen (prostitutie);

  • 46. ruimtelijke kwaliteit:

de kwaliteit van de ruimte zoals bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de ruimte;

  • 47. seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een e-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • 48. sociale huurwoning:

een zelfstandige huurwoning zoals gedefinieerd in artikel 5.161.c lid 1 onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving en die verhuurd wordt door een woningcorporatie;

  • 49. vechtsportwedstrijd of –gala:

een vechtsportwedstrijd of -gala waaronder in ieder geval wordt begrepen een kooigevecht, kickboksevenement, freefightevenement en een daarmee vergelijkbare activiteit en een al dan niet in wedstrijdverband georganiseerd evenement waarbij de menselijke waardigheid in het geding is;

  • 50. voorgevel:

de naar de weg (eventueel voetpad) gekeerde gevel, vanwaar het gebouw hoofdzakelijk toegankelijk is; indien een gebouw met meerdere zijden aan de weg grenst, geldt de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

  • 51. weg:

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

  • 52. werk:

een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde;

  • 53. woning:

een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van:

- één afzonderlijk huishouden; of

- één huishouden plus maximaal twee individuele personen; of

- vier individuele personen;

waarbij de volgende woningtypen te onderscheiden zijn:

  • a. vrijstaande woning: een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen, geen gemeenschappelijke wand heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen;
  • b. twee-aaneengebouwde woning:
    • 1. een woning, die deel uitmaakt van een blok van twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-één-kap);
    • 2. een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen één of meerdere gemeenschappelijke wanden heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen (geschakeld);
  • c. aaneengebouwde woning: een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen;
  • d. gestapelde woning: een woning in een woongebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:

de kortste afstand tussen de (zijdelingse) grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;

3.2 de afstand tussen gebouwen:

de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen;

3.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.4 de breedte van bouwpercelen:

tussen de zijdelingse perceelsscheidingen van het bouwperceel in de naar de zijde van de weg gekeerde perceelsgrens;

3.5 de breedte van woningen:

tussen de hoofdzijgevelvlakken in de naar de zijde van de weg gekeerde bouwgrens;

3.6 de diepte van gebouwen:

de grootste afstand in meters tussen de buitenwerkse eindgevelvlakken;

3.7 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.8 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.9 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts

geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van hetbouwwerk;

3.10 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren);

3.11 ondergeschikte bouwdelen:

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en bestaande grenzen niet meer bedraagt dan 1 meter.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn

overeenkomstig van toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van hoofdstuk 22e.

Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies dan wel toegestane gebruiksactiviteiten.

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Groen’.

6.2 Functieomschrijving

De als ‘Groen’ aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. plantsoenen, parken, groenstroken en andere groenvoorzieningen;
  • b. fiets- en wandelvoorzieningen;
  • c. calamiteitenroutes;
  • d. parkeervoorzieningen uitsluitend ter plaatse van de locatie 'parkeerterrein';
  • e. inritten uitsluitend ter plaatse van de locatie 'specifieke vorm van verkeer - inrit', met dien verstande dat:
    • 1. per kavel maximaal 1 inrit is toegestaan;
    • 2. een inrit niet breder mag zijn dan 6 meter;
  • f. kunstwerken;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. afvalvoorzieningen;
  • i. in afwijking van het bepaalde onder c en j zijn ter plaatse van de locatie 'specifieke vorm van groen -1' calamiteitenroutes en speelvoorzieningen niet toegestaan;
  • j. bij deze functie behorende voorzieningen zoals water, waterhuishoudkundige voorzieningen, straatmeubilair en speelvoorzieningen.
6.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
6.3.1 Algemene beoordelingsregel

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan.

6.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  • b. de bouwhoogte van kunstwerken en speelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4,5 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

Artikel 7 Groen - Landschapselement

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Groen - Landschapselement’.

7.2 Functieomschrijving

De als ‘Groen - Landschapselement’ aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. de instandhouding van natuurlijke en/ of cultuurhistorisch en/ of landschappelijk waardevolle landschapselementen;
  • b. bij deze functie behorende voorzieningen zoals voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief gebruik, langzaam verkeersroutes, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;'
  • c. parkeervoorzieningen uitsluitend ter plaatse van de locatie 'parkeerterrein;
  • d. inritten uitsluitend ter plaatse van de locatie 'specifieke vorm van verkeer - inrit', met dien verstande dat:
    • 1. per kavel maximaal 1 inrit is toegestaan;
    • 2. een inrit niet breder mag zijn dan 6 meter;
  • e. calamiteitenroutes uitsluitend ter plaatse van de locatie 'specifieke vorm van verkeer - calamiteitenroute'.
7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
7.3.1 Algemene beoordelingsregel

In het voor 'Groen - Landschapselement' aangewezen gebied zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan.

7.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van het landschapsbeheer, mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • b. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van het landschapsbeheer mag niet meer bedragen dan 10 m²;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • d. lichtmasten zijn uitsluitend toegestaan als de verlichting niet uitstraalt op vliegroutes van vleermuizen of op het Natuur Netwerk Brabant;
  • e. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, oeververbindingen, picknickvoorzieningen, banken en afvalbakken mag niet meer bedragen dan 3 meter.
7.4 Vergunning voor de omgevingsplanactiviteit
7.4.1 Vergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren in het voor 'Groen - Landschapselement' aangewezen gebied.

  • a. het aanbrengen van hoogopgaand en/ of diepwortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld houtgewas;
  • b. het vellen of rooien van landschapselementen en ander houtgewas;
  • c. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • d. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • e. diepploegen vanaf 0,50 meter;bijlage
  • f. het aanbrengen van verhardingen;
  • g. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

7.4.2 Uitzonderingen vergunning voor de omgevingsplanactiviteit

Geen omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder 7.4.1, is benodigd voor werken en werkzaamheden die:

  • a. ten tijde van de inwerkingtreding van dit omgevingsplan reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of zijn vergund;
  • b. die worden gerealiseerd conform het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1;
  • c. die het normale onderhoud, beheer en gebruik van gronden betreffen.

7.4.3 Beoordelingsregel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, wordt verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in artikel 5.2 7.2 genoemde functies en in bijlage 1 opgenomen landschappelijke inpassing.

Artikel 8 Natuur

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Natuur’.

8.2 Functieomschrijving

De als ‘Natuur’ aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. de instandhouding van natuurlijke en/ of cultuurhistorisch en/ of landschappelijk waardevolle landschapselementen;
  • b. het behoud, het herstel en/ of de ontwikkeling van de ecologische waarde, ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszone;
  • c. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen;
  • d. bij deze functie behorende voorzieningen zoals voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief gebruik en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
8.3.1 Algemene beoordelingsregel

In het voor 'Natuur' aangewezen gebied zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan.

8.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van het natuurbeheer, mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • b. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van het natuurbeheer mag niet meer bedragen dan 10 m²;
  • c. lichtmasten zijn niet toegestaan;
  • d. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, oeververbindingen, picknickvoorzieningen, banken en afvalbakken mag niet meer bedragen dan 3 meter.
8.4 Specifieke gebruiksregel
8.4.1 Landschappelijke inrichting

De landschappelijke inrichting van het plangebied moet binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan zijn gerealiseerd conform het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels en de landschappelijke inrichting moet in stand worden gehouden.

8.5 Vergunning voor de omgevingsplanactiviteit
8.5.1 Vergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren in het voor 'Natuur' aangewezen gebied.

  • a. het aanbrengen van hoogopgaand en/ of diepwortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld houtgewas;
  • b. het vellen of rooien van landschapselementen en ander houtgewas;
  • c. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • d. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • e. diepploegen vanaf 0,50 meter;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.

8.5.2 Uitzonderingen vergunning voor de omgevingsplanactiviteit

Geen omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder 8.5.1, is benodigd voor werken en werkzaamheden die:

  • a. ten tijde van de inwerkingtreding van dit omgevingsplan reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of zijn vergund;
  • b. die worden gerealiseerd conform het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1;
  • c. die het normale onderhoud, beheer en gebruik van gronden betreffen.

8.5.3 Beoordelingsregel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, wordt verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in artikel 8.2 genoemde functies en in bijlage 1 opgenomen landschappelijke inpassing.

Artikel 9 Tuin

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Tuin’.

9.2 Functieomschrijving

De als 'Tuin' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. aanleg en instandhouding als tuin, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
  • b. langzaamverkeersroutes ten behoeve van de ontsluiting van aangrenzende gronden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen.
9.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
9.3.1 Algemene beoordelingsregel

In het voor 'Tuin' aangewezen gebied zijn alleen erkers, luifels en balkons en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan.

9.3.2 Beoordelinsgregels erkers, luifels en balkons

Voor het bouwen van erkers, luifels en balkons gelden de volgende regels:

  • a. de diepte gemeten uit de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1,25 meter, met dien verstande dat de afstand tot de perceelsgrens niet minder dan 1 meter mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat voor balkons geldt dat de hoogte van de balustrade niet meer mag bedragen dan 1,5 meter gemeten vanaf de bovenzijde van de grondvloer van het balkon;
  • c. de bebouwde oppervlakte van de aangebouwde bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m², waarbij de bebouwde oppervlakte van balkons wordt gemeten ter hoogte van de bovenzijde van de grondvloer van het balkon.

9.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag maximaal 1 meter bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van vlaggenmasten maximaal 6 meter bedragen.

Artikel 10 Verkeer

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Verkeer’.

10.2 Functieomschrijving

De als 'Verkeer' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. wegen met maximaal 2x1 rijstroken;
  • b. langzaamverkeersroutes;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. afvalvoorzieningen;
  • e. bij deze functie behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, en parkeervoorzieningen.
10.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
10.3.1 Algemene beoordelingsregel

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan.

10.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerrken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van vlaggenmasten en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • c. de oppervlakte van nutsvoorzieningen mag maximaal 50 m2 bedragen.

Artikel 11 Wonen

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.

11.2 Functieomschrijving

De als ‘Wonen’ aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. wonen in woningen;
  • b. tuinen en erven;
  • c. langzaamverkeersroutes;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. afvalvoorzieningen;
  • f. bij deze functie behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
11.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
11.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij geldt dat ter plaatse van de locatie ‘vrijstaand’ uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan;
  • b. per bouwvlak is maximaal één hoofdgebouw toegestaan;
  • c. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m)’ is aangegeven;
  • d. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;
  • e. indien de aangegeven goot- en bouwhoogte gelijk zijn dan dient het gebouw te worden afgedekt met een platte afdekking;
  • f. het is niet toegestaan om hoofdgebouwen te splitsen in meerdere woningen;
  • g. vergroting van het hoofdgebouw over twee bouwlagen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • h. het uiterlijk van hoofdgebouwen mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.

11.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelegen buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte aan aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 50% van het gezamenlijke zij- en achtererf bedragen gelegen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat de gezamenlijke bebouwingsoppervlakte maximaal 80 m2 bedraagt;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de gezamenlijke oppervlakte aan aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan:
    • 1. 235 m2 ter plaatse van de locatie 'specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfswoning 1';
    • 2. 340 m2 ter plaatse van de locatie 'specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfswoning 2';
  • c. aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen dienen bij de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ minimaal 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen te worden opgericht;
  • d. de goothoogte van aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen mag maximaal de hoogte van de 1e bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter bedragen;
  • e. de bouwhoogte van aanbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 5 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet wordt overschreden;
  • f. de bouwhoogte van aanbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen gelegen in de zijdelingse perceelsgrens bedraagt tot een afstand van 2 meter vanaf de zijdelingse perceelsgrens maximaal 3 meter en voor het overige maximaal 5 meter, waarbij het hoogteverschil overbrugd dient te worden door gebruikmaking van een schuin dakvlak met een dakhelling van maximaal 45 graden, met dien verstande dat de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet wordt overschreden;
  • g. de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag respectievelijk maximaal 3 meter en 5 meter bedragen;
  • h. vrijstaande bijgebouwen dienen achter de achtergevel van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan te worden opgericht;
  • i. in afwijking van het bepaalde onder h, is ter plaatse van de locatie 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouw voorgevel' een vrijstaand bijgebouw aan de voorzijde van de woning toegestaan.

11.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevel mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.
11.4 Vergunning voor de omgevingsplanactiviteit
11.4.1 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten te verrichten.
  • b. De omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, wordt verleend als:
    • 1. de totale gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de aan huis verbonden beroeps of bedrijfsactiviteit, inclusief opslagruimte, niet meer bedraagt dan 30% van het brutovloeroppervlak tot een maximum van 50 m2;
    • 2. er geen detailhandel of groothandel plaatsvindt, behoudens een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit ten dienste van de aan huis verbonden beroepsmatige- of bedrijfsmatige activiteit;
    • 3. de activiteit geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
    • 4. geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte optreedt;
    • 5. de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uitsluitend wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van het hoofdgebouw.

Artikel 12 Woongebied

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Woongebied’.

12.2 Functieomschrijving

De als ‘Woongebied’ aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. wonen in woningen;
  • b. tuinen en erven;
  • c. (langzaam)verkeersroutes;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. afvalvoorzieningen;
  • f. bij deze functie behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
12.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
12.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het aantal woningen binnen de functie ‘Woongebied’ mag niet meer mag bedragen dan 101 grondgebonden woningen en 45 gestapelde woningen;
  • b. het is niet toegestaan om hoofdgebouwen te splitsen in meerdere woningen;
  • c. het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij de woningen vrijstaand, twee aaneen, aaneen en gestapeld mogen worden gebouwd, waarbij gestapelde woningen uitsluitend ter plaatse van de locatie 'gestapeld' zijn toegestaan;
  • d. de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m)’ is aangegeven;
  • e. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;
  • f. de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens, bedraagt:
    • 1. van aaneengebouwde woningen aan twee zijden minimaal 0 meter;
    • 2. van twee-aan-een gebouwde woningen aan één zijde minimaal 3 meter;
    • 3. van vrijstaande woningen aan twee zijden minimaal 3 meter.
  • g. de diepte van hoofdgebouwen, gemeten vanuit de voorgevel, bedraagt:
    • 1. van aaneengebouwde woningen ten hoogste 12 meter;
    • 2. van twee-aan-een gebouwde woningen 12 meter;
    • 3. van vrijstaande woningen 15 meter;
  • h. hoofdgebouwen dienen met de voorgevel naar de naar de weg gekeerde perceelsgrens te worden opgericht;
  • i. de afstand tussen de voorgevel van een hoofdgebouw en de naar de weg gekeerde perceelsgrens dient minimaal 3 meter te bedragen;
  • j. vergroting van het hoofdgebouw over twee bouwlagen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • k. het uiterlijk van hoofdgebouwen mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.

12.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte aan aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 50% van het gezamenlijke zij- en achtererf bedragen, met dien verstande dat de gezamenlijke bebouwingsoppervlakte maximaal 80 m2 bedraagt;
  • b. de goothoogte van aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen mag maximaal de hoogte van de 1e bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van aanbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 5 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet wordt overschreden;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van aanbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen in de zijdelingse perceelsgrens niet meer bedragen dan 3,30 meter en vanaf de zijdelingse perceelsgrens in gelijke mate met de afstand tot deze grens toenemen tot maximaal 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet wordt overschreden;
  • e. de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag respectievelijk maximaal 3 meter en 5 meter bedragen;
  • f. vrijstaande bijgebouwen dienen achter de achtergevel van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan te worden opgericht.

12.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevel mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter;
12.4 Vergunning voor de omgevingsplanactiviteit
12.4.1 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten te verrichten.
  • b. De omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, wordt verleend als:
    • 1. de totale gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de aan huis verbonden beroeps of bedrijfsactiviteit, inclusief opslagruimte, niet meer bedraagt dan 30% van het brutvloeroppervlak tot een maximum van 50 m2;
    • 2. er geen detailhandel of groothandel plaatsvindt, behoudens een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit ten dienste van de aan huis verbonden beroepsmatige- of bedrijfsmatige activiteit;
    • 3. de activiteit geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
    • 4. geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte optreedt;
    • 5. de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uitsluitend wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van het hoofdgebouw.
12.5 Woningbouwcategorieën
12.5.1 Sociale huurwoningen

Minimaal 58 woningen van het totaal aantal woningen dienen als sociale huurwoning in gebruik te worden genomen en voor minimaal 30 jaar in het betreffende segment behouden te blijven, tenzij anders is overeengekomen in specifieke (prestatie-)afspraken.

12.5.2 Betaalbare woningen
  • a. Minimaal 58 woningen van het totaal aantal woningen dienen als middenhuurwoning en/of betaalbare koopwoning in gebruik te worden genomen.
  • b. Voor middenhuurwoningen geldt dat de woningen gedurende minimaal 10 jaar in het betreffende segment behouden dienen te blijven.

12.5.3 Vrijstelling woningbouwcategorieën

Het bepaalde in 12.5.1 en 12.5.2 is niet van toepassing op onzelfstandige woonruimten.

12.6 Geluid
  • a. Het gezamenlijk geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van de locatie 'overige zone - gezamenlijk geluid - 55 Lden ' bedraagt 55 Lden.
  • b. Het gezamenlijk geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van de locatie 'overige zone - gezamenlijk geluid - 56 Lden ' bedraagt 56 Lden.

Artikel 13 Waarde - Archeologie

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde - Archeologie’.

13.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming van de vastgestelde en verwachte archeologische waarden.

13.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
13.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen ten behoeve van de functie

Op en in de gronden als bedoeld in 13.1, mogen bouwwerken ten behoeve van de functie als bedoeld in 13.2 worden gebouwd.

13.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen ten behoeve van overige functies

Voor het bouwen ten behoeve van andere functies als bedoeld in 13.2, mag met inachtneming van de daarvoor geldende regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het plan betreft:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid op of onder maaiveld en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. nieuwe bebouwing, mits:
    • 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (karterende en waarderende fase) uit heeft laten voeren en een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar oordeel van burgemeesters en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en;
    • 2. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder 1 bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden geschaad, met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade aan de vergunning de volgende verplichtingen kunnen worden verbonden:
      • de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
      • de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
      • de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die in het bezit is van een opgravingsvergunning.
13.4 Vergunning voor omgevingsplanactiviteit
13.4.1 Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op of in de in 13.1 bedoelde gronden de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:
    • 1. afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 0,5 meter;
    • 2. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
    • 3. verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • 4. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • 5. aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 6. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
  • b. Geen omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, is benodigd voor werken en werkzaamheden:
    • 1. die in het kader van normaal beheer en onderhoud plaatsvinden;
    • 2. die betrekking hebben op bestaande weg- en leidingcunetten en waarbij niet dieper dan de reeds uitgegraven diepte wordt gegraven;
    • 3. die in het kader van een bouwplan als bedoeld in 13.3 worden uitgevoerd;
    • 4. die in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige, worden uitgevoerd;
    • 5. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan.
  • c. De omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, wordt verleend indien:
    • 1. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en;
    • 2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (karterende en waarderende fase) uit heeft laten voeren en een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, en;
    • 3. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder b bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden geschaad, met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade aan de vergunning de volgende verplichtingen kunnen worden verbonden:
      • de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
      • de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
      • de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die in het bezit is van een opgravingsvergunning.

13.4.2 Slopen
  • a. het is verboden op of in de in13.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk de aanwezige bouwwerken te slopen. Alvorens de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk door het bevoegd gezag kan worden verleend, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie-KNA, aangewezen door burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert;
  • b. aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld dat de sloop wordt begeleidt door een gekwalificeerde deskundige (zijnde een archeologisch bedrijf met een opgravingsvergunning). Hiervoor is een door het bevoegd gezag schriftelijk goedgekeurd Programma van Eisen vereist dat is opgesteld conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);
  • c. indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken archeologische vondsten worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij burgemeester en wethouders die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning voor het slopen;
  • d. de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan niet worden verleend indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan

uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere

bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Algemene gebruiksregels

15.1 Verbod chemische gewasbeschermingsmiddelen

Het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de gronden die zijn aangewezen als 'milieuzone - verbod chemische gewasbeschermingsmiddelen' is niet toegestaan.

15.2 Landschappeljke inrichting
15.2.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inrichting

Het gebruiken van gronden en bouwwerken voor wonen is uitsluitend toegestaan als de landschappelijke inrichting van het plangebied is gerealiseerd conform het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels. De landschappelijke inrichting moet in stand worden gehouden.

15.2.2 Afwijken landschappelijke inrichting

In afwijking van het bepaalde in 15.2.1 kan een omgevingsvergunning worden verleend ten behoeve van treffen van andere landschapsmaatregelen dan bepaald in het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1, met dien verstande dat deze landschapsmaatregelen:

  • a. minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen landschapsmaatregelen;
  • b. voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het landschappelijk inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;
  • c. zijn afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken.
15.3 Evenementen
15.3.1 Toegestane evenementen

Kleinschalige evenementen waarbij weinig belasting ontstaat voor de leefomgeving zijn toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal aanwezigen bedraagt niet meer dan 200 personen tegelijkertijd;
  • b. het evenement vindt plaatstussen 09.00 uur en maximaal 1.00 uur van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag of wanneer de andere dag een officiële feestdag is en maximaal 24.00 uur op andere dagen;
  • c. er wordt geen geluid ten gehore gebracht voor 07.00 uur of na 0.30 uur van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag of wanneer de andere dag een officiële feestdag is en maximaal 23.30 uur op andere dagen;
  • d. het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) en 85 dB(c) op de gevels van omringende woningen wordt niet overschreden;
  • e. het evenement vormt geen belemmering vormt voor de hulpdiensten – door het aanhouden van een vrije doorgangsruimte van 3,50 meter breed en 4,20 meter hoog en het vrijhouden van de locaties van de brandkranen – en niet plaatsvindt op een ontsluitingsweg of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer;
  • f. er worden slechts kleine objecten geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m2 per object en zich hier minder dan 50 personen gelijktijdig in bevinden dan wel op verblijven;
  • g. er is een organisator;
  • h. het betreft geen wedstrijd met gemotoriseerde voertuigen; en
  • i. het betreft geen vechtsportwedstrijd of –gala betreft.
15.4 Strijdig gebruik

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruik van gronden voor seksinrichtingen;
  • b. het gebruik van gronden voor grow-, smart- eshops;
  • c. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte.

Artikel 16 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen

16.1 Ondergronds bouwen

De beoordelingsregels voor het bouwen als bedoeld in Hoofdstuk 2, voor zover van toepassing, ook in geval van ondergronds bouwen en met dien verstande, dat:

  • a. alleen ondergronds mag worden gebouwd waar bovengrondse bebouwing aanwezig is;
  • b. de verticale diepte maximaal 5 meter mag bedragen;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a zijn nuts- en afvalvoorzieningen ook op locaties toegestaan waar geen bovengrondse bebouwing aanwezig is.
16.2 Parkeernormen

Bij het oprichten van gebouwen dient voldoende ruimte op eigen terrein of in de openbare ruimte aanwezig te zijn om zowel het parkeren als het eventueel laden en lossen af te kunnen wikkelen, met dien verstande dat:

  • a. de volgende parkeernormen gelden:
    • 1. koop, huis, vrijstaand 2,3 parkeerplaats per woning;
    • 2. koop, huis, twee-onder-een-kap / schakel 2,2 parkeerplaats per woning;
    • 3. koop, huis, tussen/hoek 2,0 parkeerplaats per woning;
    • 4. koop, appartement, midden 1,9 parkeerplaats per woning;
    • 5. huur, huis, sociale huur 1,6 parkeerplaats per woning;
    • 6. huur, appartement, sociale huur 1,4 parkeerplaats per woning;
  • b. parkeren zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte kan worden opgelost;
  • c. ten aanzien van tussenwoningen het benodigd aantal parkeerplaatsen geheel op openbare gronden mogen worden aangelegd;
  • d. de parkeerplaatsen duurzaam in stand worden gehouden.
16.3 Waterberging
  • a. Het oprichten van bebouwing is uitsluitend toegestaan indien binnen het plangebied van dit TAM-plan wordt voorzien in een waterbergingsvoorziening met voldoende capaciteit en deze voorziening in stand wordt gehouden.
  • b. De benodigde capaciteit van de watervoorziening wordt bepaald aan de hand van de berekening: toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in meters).
16.4 Afwijkende maten
16.4.1 Goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/ of afstand
  • a. In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die legaal tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de beoordelingsregels voor het bouwen in artikel 6 tot en met 12 is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
  • b. In geval van herbouw is het bepaalde onder a uitsluitend van toepassing, indien de herbouw binnen hetzelfde bouwperceel plaatsvindt.
  • c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

16.4.2 Bebouwingspercentage

In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat legaal tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de beoordelingsregels voor het bouwen in Hoofdstuk 2 is

voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

Artikel 17 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen

  • a. In afwijking van het bepaalde in de beoordelingsregels voor het bouwen in Hoofdstuk 2 wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen ook verleend als:
    • 1. de in beoordelingsregels van Hoofdstuk 2 gegeven maten, afmetingen en percentages worden overschreden met niet meer dan 10%;
    • 2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van Hoofdstuk 2, maar niet hoger is dan 10 meter;
    • 3. de bouwhoogte van een kunstwerk, geen gebouw of overkapping zijnde, of een zend-, ontvang- en/of sirenemast hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van Hoofdstuk 2, maar niet hoger is dan 40 meter;
    • 4. de bouwhoogte van een gebouw hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van Hoofdstuk 2, maar de overschrijding wordt veroorzaakt door plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen en de oppervlakte van de plaatselijke verhogingen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het gebouw bedraagt.
  • b. Een omgevingsvergunning voor de situaties zoals bedoeld onder a wordt alleen verleend als naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld;
    • 2. het woon- en leefklimaat;
    • 3. de waterstaatkundige belangen;
    • 4. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven;
    • 5. de verkeersveiligheid;
    • 6. de sociale veiligheid; en
    • 7. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 18 Algemene aanduidingsregels

18.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop 400m
18.1.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Vrijwaringszone - molenbiotoop 400m’.

18.1.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
  • a. Op de gronden aangewezen als Vrijwaringszone - molenbiotoop 400m mag de maximale hoogte niet meer bedragen dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen.
  • b. In afwijking van lid a. kan worden afgeweken teneinde hogere gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten, mits de vrije windvang en het zicht op de molen reeds beperkt zijn door bebouwing. Hierover dient tevoren advies te zijn ingewonnen bij een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige.

18.1.3 Vergunning voor de omgevingsplanactiviteit
  • a. Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het hebben of aanleggen van beplantingen die hoger wordt dan de bouwhoogte die ingevolge artikel 18.1.2 voor bouwwerken is toegestaan;
    • 2. het ophogen van gronden.
  • b. Geen omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, is benodigd voor werken en werkzaamheden die:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de vaststelling van dit omgevingsplan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
    • 3. ten tijde van de inwerkingtreding van dit omgevingsplan reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of mogen worden zijn vergund;
    • 4. die het normale onderhoud, beheer en gebruik van gronden betreffen.
  • c. De omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, wordt verleend indien en voor zover door de werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de belangen van de molen niet onevenredig worden aangetast. Hierover dient tevoren advies te zijn ingewonnen bij een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige.

Artikel 19 Procedurele bepalingen

19.1 Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit

De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.

Hoofdstuk 4 Overgangsbepalingen

Artikel 20 Overgangsrecht

20.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bepaalde in dit hoofdstuk mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het college van burgemeester en wethouders kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.
20.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.