direct naar inhoud van Toelichting
Plan: 't Look 2016
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0861.BP00064-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De gemeente Veldhoven is voornemens een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor de woonwijk 't Look. Om binnen Veldhoven adequaat te kunnen toetsen op bebouwings- en gebruiksmogelijkheden, wenst de gemeente te beschikken over een actuele planologische regeling voor dit gebied. Voor het grootste gedeelte van 't Look geldt een bestemmingsplan ouder dan 10 jaar, dat daarom volgens de Wet ruimtelijke ordening geactualiseerd dient te worden.

1.2 Karakter van het plan

Binnen het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016 worden geen grootschalige ontwikkelingen meegenomen. Het opnieuw vastleggen van de bestaande situatie in combinatie met het opnieuw vastleggen van de bestaande gebruiks- en bouwmogelijkheden conform de meest actuele beleidsruimte staat voorop.

Het plan betreft een consoliderend gedetailleerd bestemmingsplan. De detaillering uit zich vooral in een op perceelsniveau uitgewerkte verbeelding. Hierop is voor woningen, voorzieningen en het aanwezige bedrijf en kantoor afzonderlijk aangegeven wat waar gebouwd mag worden op een zodanige wijze dat het algemene belang daarbij vooraf is meegewogen (i.c. vastgelegd in verschillende beleidsrapporten). Het consoliderende karakter uit zich in het herbevestigen van de bestaande planologische rechten binnen het plangebied, eveneens met een afweging van het algemeen belang én een algehele afstemming op basis van een standaardregeling.

De gemeente Veldhoven voert op dit moment voor meerdere wijken een dergelijke actualisering van bestemmingsplannen door. Met deze uniforme aanpak ontstaat voor alle inwoners en belanghebbenden van Veldhoven rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.

1.3 Ligging en begrenzing plangebied

Bestemmingsplan 't Look 2016 heeft betrekking op de woonwijk 't Look in Veldhoven. Het bestemmingsplangebied wordt globaal begrensd door de Heerbaan in het noorden, de Sterrenlaan in het oosten, de groenzone tussen de wijken 't Look en Zonderwijk in het zuiden en de Sondervick in het westen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0001.png"  

Figuur 1: Plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016

1.4 Vigerende bestemmingsplan

Voor het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016 gelden op dit moment de volgende bestemmingsplannen:

  • Bestemmingsplan 't Look 2004 - Vastgesteld 14-02-2006
  • Bestemmingsplan Parapluplan 2009 - Vastgesteld 15-12-2009
  • Actualisatie 2014 - Vastgesteld 14-04-2015

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0002.png"  
Figuur 2: Verbeelding 't Look 2004  

1.5 Leeswijzer

De toelichting van bestemmingsplan 't Look 2016 bestaat uit 6 hoofdstukken.

  • Hoofdstuk 2 bevat een beleidstoetsing aan het relevante beleid van het rijk, provincie en gemeente.
  • Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving van het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016. Hierbij wordt ingegaan op de situering van het plangebied en de ruimtelijke en functionele structuur.
  • De planologisch relevante milieuaspecten en eventuele belemmeringen staan beschreven in hoofdstuk 4.
  • Hoofdstuk 5 bevat de juridische planopzet en beschrijft de planregels en de verbeelding.
  • Hoofdstuk 6 ten slotte bevat de uitvoerbaarheid van het plan op financieel en maatschappelijk vlak.


Hoofdstuk 2 Beleidskader

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het plangebied relevante nationale, provinciale en regionale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Veldhoven zelf.

2.1 Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) vastgesteld. Deze nieuwe structuurvisie vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit.


De SVIR speelt in op de volgende ontwikkelingen en uitdagingen:

  • de veranderende behoefte aan wonen en werken;
  • de mobiliteit van personen;
  • het vasthouden van de economische positie tussen de tien meest concurrerende landen, voornamelijk in de sectoren logistiek, water, hightech, creatieve industrie, chemie en voedsel- en tuinbouw;
  • de bijzondere waarden (compacte steden omringd door open en natuurrijk landelijk gebied, cultuurhistorie en natuur) koesteren en versterken;
  • de waterveiligheid en de beschikbaarheid van voldoende zoetwater in verband met de klimaatverandering en stedelijke ontwikkeling;
  • het aandeel duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie moet worden vergroot;
  • deregulering.


Om goed op deze ontwikkelingen en eisen in te spelen is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. De structuurvisie voorziet hierin door overheden, burgers en bedrijven de ruimte te geven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zich meer richten op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen voor Nederland als geheel. Het Rijk ziet verder toe op de deregulering waarmee jaarlijks vele miljoenen euro's kunnen worden bespaard.

De provincies en gemeenten zullen afspraken maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.

Bestemmingsplan 't Look 2016 betreft een conserverend plan waarin geen ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Bovendien voorziet de SVIR niet in onderwerpen die op het plangebied van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het vaststellen van bestemmingsplan 't Look 2016 geen beperkingen vanuit de SVIR gelden.

Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, eerste tranche (Barro) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro vloeit voort uit de ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het kabinet heeft in de genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet. Het gaat daarbij om het beschermen van de nationale belangen. Deze algemene regels, vastgelegd in het Barro, werken zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming.

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind.

In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wro (Spoedwet Wro; TK 32 821) wordt, naar aanleiding van het Raad van State-advies over het Barro, eerste tranche, de wettelijke grondslag voor het provinciaal medebewind en ontheffingen verbeterd. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State voorziet het Barro thans ook in een bij dit besluit behorende ministeriële regeling (Rarro). In deze regeling is de begrenzing opgenomen van de gebieden uit een aantal titels uit het Barro waarvoor een reservering of een vrijwaring geldt. De aanduiding van deze gebieden is opgenomen in het Barro.

Het onderhavige plangebied is gelegen in het obstakelbeheergebied van de vliegbasis Eindhoven. De obstakelvrije vlakken worden gevormd door de funnel en de Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS).

Voor het plangebied geldt voorts het radarverstoringsgebied van het radarstation van Woensdrecht, zoals weergegeven in de wijziging van het Rarro per 1 oktober 2012, art. 2.4. Binnen deze zones geldt een beperking voor de maximale bouwhoogte. De ligging in deze gebieden vormt geen belemmering, aangezien de maximale toegestane bouwhoogtes niet gehaald worden. Verder zijn er geen nationale belangen in de omgeving van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0003.png"  
Figuur 3: Situering radarverstoringsgebied Vliegbasis Woensdrecht  

2.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO), 2010, partiële herziening 2014
De structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Brabant weer tot en met 2025. Het beleid is gestoeld op een evenwicht van het milieu (planet), de mens (people) en de markt (profit) in ruimtelijke kwaliteit. Hierbij is het van groot belang om bestaande kwaliteiten te benutten en als uitgangspunt te nemen bij ontwikkelingen.

Noord-Brabant heeft de ambitie om een goede mix van wonen, werken en voorzieningen te creëren. De leefbaarheid in woonmilieus moet van voldoende kwaliteit zijn. Dynamische stadscentra, vitale plattelandskernen, eigen identiteit en regionale afstemming zijn enkele uitgangspunten. Daarnaast dienen er voldoende veilige en goed bereikbare werkplekken te zijn voor de bevolking. Steden moet aantrekkelijk blijven voor diverse bevolkingsgroepen en dienen garant te staan voor het aanbieden van (bovenlokale) voorzieningen.

Het plangebied is vrijwel geheel gelegen binnen het 'Stedelijk concentratiegebied'. Uitzondering daarop vormt een smalle zone langs de Sondervick. Dit behoort tot het 'Kerngebied Groenblauw'.

Het stedelijk concentratiegebied heeft een bovenlokale opvangtaak voor verstedelijking. De gemeenten maken in regionaal verband en met de provincie afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma in de regionale ruimtelijke overleggen (RRO's). Zorgvuldig ruimtegebruik en toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking zijn voorwaarden bij het maken van regionale afspraken. In het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen.

In onderhavig bestemmingsplan zijn geen ontwikkelingen voorzien die strijdig zijn met de provinciale beleidspunten uit de Structuurvisie RO.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0004.png"  
Figuur 4: Uitsnede Structurenkaart van het 'Stedelijk concentratiegebied' in rood/roze - Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO), 2010, partiële herziening 2014  


Verordening ruimte
Een structuurvisie is niet direct juridisch bindend voor burgers en overheden. Toch kan het in het kader van de ruimtelijke ordening van provinciaal belang zijn om bepaalde aspecten veilig te stellen. De provincie heeft in dat kader de Verordening ruimte opgesteld.

De Verordening ruimte is de juridische vertaling van de structuurvisie en bevat daarom onderwerpen die in de visie naar voren komen. Dit betreft onder andere de belangen die de provincie wil behartigen en de manier waarop dit zal geschieden, evenals regels waarmee rekening gehouden moet worden bij het opstellen van een bestemmingsplan. Deze regels zijn direct bindend voor overheden. Zo weten gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn.

De Verordening ruimte 2014 is artikelsgewijs opgebouwd en bestaat uit regels ten aanzien van verschillende vormen van grondgebruik. Twee onderdelen van de Verordening ruimte 2014 zijn relevant ten aanzien van onderhavig plan. Ten eerste betreft dit de regels ten aanzien van het bestaand stedelijk gebied, zoals opgenomen in artikel 4. Ten tweede betreft dit regels ten aanzien van de algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit, zoals opgenomen in artikel 3.1.

Artikel 3.1: Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit
Binnen de provincie Noord-Brabant geldt de algemene regel dat een ruimtelijk plan dat een ruimtelijke ontwikkeling bevat, dient te verantwoorden dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving. Daarnaast dient sprake te zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. Onderhavig plan voorziet enkel in een conserverende regeling. Er is geen sprake van nieuw stedelijk ruimtebeslag.

In de Verordening ruimte 2014 wordt ook de toepassing van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking) gezien als onderdeel van het aspect zorgvuldig ruimtegebruik. In paragraaf 2.1 van onderhavige toelichting wordt verder ingegaan op de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Artikel 4: Bestaand stedelijk gebied
Om duidelijk te kunnen bepalen waar de bundelingsregels voor stedelijke ontwikkeling en de daarvan afgeleide regels van het beleid gelden is in de Verordening ruimte het bestaand stedelijke gebied van alle Brabantse kernen vastgesteld. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan: een aangewezen gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. Binnen het als zodanig aangewezen stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij – binnen de grenzen van andere wetgeving – om te voorzien in stedelijke ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0005.png"  
Figuur 5: Uitsnede kaart Verordening ruimte - weergave bestaand stedelijk gebied  

Onderhavig bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan dat ligt in bestaand stedelijk gebied. Er is geen sprake van strijdigheid met de regels uit de Verordening ruimte.

2.3 Regionaal beleid

Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening
Op 7 april 2016 heeft de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost de 'Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening' vastgesteld. Het doel van deze beleidsregels is om een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening te waarborgen, zodat de Veiligheidsregio in staat wordt gesteld een adequate brandweerzorg te leveren.

De beleidsregels bieden verschillende (ontwerp)oplossingsrichtingen. Indien een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kan men ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt en kan men rekenen op een positief advies door de Veiligheidsregio. Indien een beoogde oplossing niet voldoet aan de richtlijnen, dient in overleg met de Veiligheidsregio gezocht te worden naar oplossingen die recht doen aan de doelvoorschriften.

Deze beleidsregels hebben geen specifieke doorwerking in de planregels van onderhavig bestemmingsplan.

2.4 Gemeentelijk beleid

Ruimtelijke Structuurvisie Veldhoven
De Ruimtelijke Structuurvisie Veldhoven is door de gemeenteraad vastgesteld op 3 juni 2009. In de Ruimtelijke Structuurvisie Veldhoven heeft de gemeente de basis gelegd voor de ruimtelijke toekomst van Veldhoven. De structuurvisie geeft aan dat de stedelijke en dorpse kwaliteiten van Veldhoven pas goed tot hun recht komen als er voor iedere kwaliteit een eigen plek wordt gevonden.

Het overgrote deel van de woningvoorraad in Veldhoven is gebouwd vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw. De verschillende wijken laten een mooie afspiegeling zien van de veranderende stedenbouwkundige opvattingen. Om de sociale samenhang te bevorderen, is het van belang dat in elke wijk sprake is en blijft van een hart. Behalve aandacht voor nieuwe woningbouw op inbreidingslocaties, is het van belang dat ook de huidige woningvoorraad en de woonomgeving aantrekkelijk blijven (veilig, groen, ruim en variatie).

Het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016 maakt deel uit van het deelgebied 'Planmatige uitbreiding'. De opgave voor de planmatige uitbreidingen van Veldhoven bestaat uit:

  • Het creëren of behouden van (minstens) één hart in elke wijk om de sociale samenhang te bevorderen.
  • Het behoud van aantrekkelijke woningvoorraad en een aantrekkelijke woonomgeving (veilig, groen, ruim en variatie).
  • Het strategisch omgaan met inbreidingen en uitbreidingen, om de diversiteit in het woningaanbod te vergroten, waarbij meer wordt gefocust op kwaliteit dan op kwantiteit van de woningvoorraad.

Wat betreft de uitwerking dienen de navolgende aspecten van de inrichting van de openbare ruimte en de stedenbouwkundige kenmerken ook in de toekomst te worden gerespecteerd.

Inrichting openbare ruimte

  • Ruime groen- en speelvoorzieningen.
  • Aan het openbaar gebied: zorgvuldig ontworpen erfscheidingen en zicht op openbaar gebied.
  • Pleksgewijze in- en aanvulling van de groenvoorzieningen, met duurzame soorten en een grotere variatie waarmee de biodiversiteit voldoende kansen krijgt voor ontwikkeling.

Stedenbouwkundige kenmerken

  • Nieuwe invullingen moeten zich voegen in het patroon van woningen met overwegend twee bouwlagen en een kap op middelgrote percelen, met veelal ruime voortuinen. Incidenteel is iets hogere bebouwing toegestaan, mits passend in de omgeving en zorgvuldig vormgegeven (kwalitatieve toevoeging).
  • Versterking van de positie van de aan de woonfunctie gerelateerde voorzieningen.
  • Zorgen voor goede bereikbaarheid en toegankelijkheid vanuit de wijken van de voorzieningen, in het bijzonder bij voorzieningen die door schaalvergroting bovenwijks zijn geworden.
  • Doorbreken van de eenzijdige samenstelling van de woningvoorraad, onder andere door het versterken van de zorgcomponent, meer aandacht voor starters en senioren en meer aandacht voor beeldkwaliteit en architectuur (kwalitatieve aanvullingen).

Daarnaast zijn er specifieke aandachtspunten binnen de verschillende wijken:
In Zonderwijk en ’t Look dienen verkeers- en parkeerproblemen te worden aangepakt als een ruimtelijk vraagstuk (gebiedseigen oplossingen). Aan deze opgaven wordt met de renovatie van het openbaar gebied invulling gegegeven. Bovendien dienen de appartementenblokken een kwaliteitsimpuls te krijgen in samenhang met de omliggende openbare ruimte.

De opgaven en uitwerkingen die vertaald kunnen worden in de regels en naar de verbeelding van bestemmingsplan 't Look 2016 zijn in onderhavig plan opgenomen. Dit komt op verschillende manieren tot uiting:

  • De woonomgeving blijft aantrekkelijk door de hoofdgroenstructuur en de nieuwe herontwikkeling van 't Look te bestemmen als 'Groen' en 'Verkeer'.
  • De woningvoorraad blijft aantrekkelijk door binnen de bestemming 'Wonen' de variatie aan woningtypologien apart te bestemmen, zoals bijvoorbeeld voor gestapeld, patio en vrijstaand.
  • Het hart van de wijk is bestemd als 'Gemengd' en 'Maatschappelijk', waarbinnen verschillende voorzieningen, zoals onderwijs en de supermarkt een plek hebben. Dit houdt een gevarieerde leefomgeving in stand en biedt ontmoetingsplekken die de sociale samenhang bevorderen.

Woonvisie Veldhoven 2010 -2014 en Nota wonen met zorg voor bijzondere doelgroepen
In de Woonvisie Veldhoven 2010-2014 'Meer dan wonen alleen' zet de gemeente haar ambities op het gebied van wonen voor de komende jaren uiteen. Kort samengevat is de boodschap van de woonvisie 'van kwantiteit naar kwaliteit'. De komende decennia blijft Veldhoven nieuw bouwen, maar de aandacht moet ook uitgaan naar bestaande woongebieden: Hoe kunnen die met de eisen van de tijd meegaan, zodat de inwoners daarin een woning en woonomgeving naar wens vinden?

De kracht van Veldhoven schuilt in de combinatie van dorpse groene woonmilieus en stedelijke voorzieningen. De prioriteit ligt bij de kwaliteit van het wonen; niet alleen van de woning zelf, maar ook van alle aanverwante zaken. Deze visie op hoofdlijnen is uitgewerkt in de onderstaande punten:

  • Inwoners van Veldhoven de kans geven binnen Veldhoven de wooncarrière te doorlopen.
  • Accent op het versterken van de kwaliteit van bestaande woongebieden.
  • Bijdragen aan de regionale woonopgaven.
  • Meer samenwerking en maatwerk.


De volgende speerpunten zijn van toepassing:

  • Betaalbaarheid van wonen: Voldoende sociale huurwoningen, maar ook voldoende goedkope koopwoningen voor huishoudens met een middeninkomen;
  • Wonen met zorg: Goede afstemming tussen aanbieders van wonen, zorg en welzijn waardoor ouderen en andere zorgbehoevenden langer thuis kunnen blijven wonen;
  • Wonen voor mensen met een begeleidingsvraag: Meer faciliteiten bieden om mensen met een beperking zelfstandig te kunnen laten wonen.

Op dit moment is een nieuwe woonvisie in ontwikkeling. Deze wordt te zijner tijd in de toelichting behandeld.

Naast de Woonvisie heeft de gemeente Veldhoven de nota Wonen met zorg voor bijzondere doelgroepen vastgesteld (juni 2012). Doel van de nota is om de gevolgen van de vergrijzing en extramuralisering van de zorg inzichtelijk te krijgen. Dit is gedaan door in de nota de toekomstige behoefte aan wonen met zorg in beeld te brengen en een idee te geven van de randvoorwaarden van de locaties voor nieuwe ontwikkeling. Op deze wijze wil de gemeente hier regie op kunnen voeren, mede in relatie tot de reguliere woningbouwopgave, regionale afspraken en contingentering. In 't Look betreft het de zorgplaatsen aan de Ambachtslaan.

Bestemmingsplan 't Look 2016 is conserverend van aard en voorziet in de actualisering van de vigerende bestemmingsplannen. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met de Woonvisie of de nota Wonen met zorg voor bijzondere doelgroepen.

De aanwezig zorgplaatsen in het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016 zijn beschermd. Nieuwvestiging is alleen mogelijk via afwijkingsbevoegdheid, mits voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden.


Geactualiseerde Stadsvisie Veldhoven 2015 – 2030
In 2005 werd na intensief overleg met bewoners, bedrijven en instellingen uit de Veldhovense samenleving de Stadsvisie 2005 – 2030 ‘Het beste van Veldhoven, the best of both worlds’ uitgebracht. Een document waarin, op basis van de bestaande situatie in 2005 en verwachte ontwikkelingen, de contouren werden vastgelegd voor het beleid richting de toekomst, richting 2030. De stadvisie was vooral een wensbeeld: wat willen we met z’n allen voor de toekomst van Veldhoven?

Met de actualisatie van de stadsvisie (november 2015) is er een update, waarin in samenspraak met verschillende stakeholders opnieuw vooruit gekeken is naar de mogelijke en wenselijke toekomst van Veldhoven in 2030.

Een terugkerend kenmerk is dat de kracht van Veldhoven ligt in de combinatie van twee werelden: een dorpse sfeer en stedelijke voorzieningen. Een combinatie die men wil behouden. De visie voor Veldhoven is er dan ook op gericht om ook in de toekomst rekening te houden met de ontwikkelingen die op Veldhoven afkomen en om het beste van de twee werelden vast te houden.

De Stadsvisie Veldhoven 2015-2030 geeft een wensbeeld voor de toekomstige ontwikkeling van Veldhoven en bevat geen concreet beleid dat direct kan worden vertaald in het bestemmingsplan.


Welstandsnota Veldhoven 2008, vierde wijziging december 2011
In bestemmingsplan 't Look 2016 worden de functies en het gebruik van de gronden en de maatvoering van de bebouwing binnen het plangebied geregeld. De architectonische verschijning wordt gewaarborgd door middel van een welstandsnota. Met ingang van 1 juli 2004 is het voor elke gemeente in Nederland verplicht een (vastgestelde) welstandsnota te hebben. Is dit niet het geval, dan is de gemeente niet meer bevoegd een bouwplan op welstand te toetsen.

De gemeente Veldhoven heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in de Welstandsnota Veldhoven 2008. In de welstandsnota, die voor de hele gemeente Veldhoven is opgesteld, zijn welstandseisen opgenomen waaraan een bouwplan moet voldoen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om welstandseisen voor dakkapellen en erfafscheidingen. Voor de volledige lijst van welstandseisen wordt verwezen naar de Welstandsnota en de bijbehorende kaart (december 2008).

Naast het bestemmingsplan biedt de welstandsnota het kader waarbinnen bouwplannen ontworpen en beoordeeld worden.

Op dit moment wordt het welstandsbeleid geactualiseerd. Het nieuwe welstandsbeleid wordt te zijner tijd in de toelichting behandeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0006.png"  
Figuur 6: Uitsnede kaart welstandsnota  


Verkeerscirculatieplan
Op 3 april 2007 is het verkeerscirculatieplan (VCP) Veldhoven door de gemeenteraad vastgesteld met als doel structurele en creatieve oplossingen te bieden voor de knelpunten op het gebied van leefbaarheid, bereikbaarheid en verkeersveiligheid.

Het VCP is specifiek bedoeld om beleid vast te stellen op het gebied van de afwikkeling van het autoverkeer (wegennet), het fietsverkeer (fietsnetwerk) en het openbaar vervoer. Op hoofdlijnen worden tevens uitspraken gedaan over parkeren, verkeersveiligheid en leefbaarheid/milieu.

Bestemmingsplan 't Look 2016 is conserverend van aard. Infrastructurele ingrepen worden niet mogelijk gemaakt, met dien verstande dat ingrepen die binnen de bestemming 'Verkeer' passen mogelijk zijn.

Groenbeleidsplan 2009 - 2019
Het gemeentelijk Groenbeleidsplan maakt inzichtelijk welke belangrijke groenstructuren binnen de gemeente aanwezig zijn en welke kwaliteiten en functies deze structuren hebben. Hierdoor wordt een duurzame ontwikkeling van het groen in deze structuren gewaarborgd. Het groen krijgt zo de mogelijkheid uit te groeien tot volwassenheid. Hierdoor zorgt het groenbeleidsplan dat de kenmerkende wijkgroenstructuur en de bosrand van 't Look nu en in de toekomst bijdraagt aan een aantrekkelijk woon- en werkklimaat. Naast het vastleggen van de belangrijkste groenstructuren is het groenbeleid (groenbeleid, bomenbeleid en beheer en onderhoud) een belangrijk onderdeel van dit plan. Hierin wordt de inhoudelijke koers voor het groen in de gemeente bepaald.

De opgaven die vertaald kunnen worden in de regeling en naar de verbeelding van het bestemmingsplan zijn in onderhavig plan opgenomen. Dit betekent dat de vlakken van de hoofdgroenstructuur, de wijkgroenstructuur en de bosrand ook als zodanig bestemd zijn op de verbeelding (bestemming 'Bos' en/of 'Groen'). Hiermee draagt het bestemmingsplan bij aan de opgaven die Groenbeleidsplan voor 't Look heeft geformuleerd.

Daarnaast is conform de renovatie van verblijfsgebied 't Look (zie paragraaf 3.3) het nieuwe inrichtingsplan voor fase 1 opgenomen op de verbeelding. Dit betekent dat verharding de bestemming 'Verkeer' heeft gekregen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0007.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0008.png"  
Figuur 7: Huidige en gewenste groenstructuur    



'Meebewegen binnen kaders', Visie op detailhandel in Veldhoven'
Deze visie is door de gemeenteraad vastgesteld op 24 februari 2015 en speelt in op de veranderingen die plaatsvinden in de detailhandelssector. De visie stelt een aantal kaders waarbinnen de markt haar werk moet kunnen doen. Doel van de visie is een zo interessant mogelijk detailhandelsaanbod voor de inwoners en bezoekers van Veldhoven.

Op regionaal niveau zijn tevens de 'Subregionale Detailhandelsvisie Stedelijk Gebied' en de 'Regionale Detailhandelsvisie MRE' verschenen. De beleidsinhoud hiervan is afgestemd met de nota 'Meebewegen binnen kaders'.

De detailhandel in 't Look is gedefinieerd als Supermarkt-centrum behorend tot de hulpstructuur en bestaat uit 1 winkel (supermarkt).

't Look   Dagelijks   Niet dagelijks   Leegstand   Totaal m2 winkel-
vloeroppervlak  
Aantal   1   0   0   977  
m2 winkelvloeroppervlak   977   0   0   977  

Winkels in de hulpstructuur functioneren op dit moment prima en zullen dit in veel gevallen nog vele jaren blijven doen. Het zijn echter ook centra die risico lopen vanwege geringe omvang, nabij ander aanbod, solitaire vestiging of veroudering. Met als gevolg dat de consument er zelf voor kiest naar een ander winkelgebied te gaan.

Het ontbreekt in deze gebieden vaak in fysieke zin aan ruimte voor uitbreiding, maar bovenal is er geen marktruimte (behoefte aan meer m² winkelvloeroppervlak door de consument) om deze centra verder uit te breiden. Dit houdt concreet in dat er niet meegewerkt wordt tot vergroting van het aanbod m² winkelvloeroppervlak op deze locaties. Wel kan een vertrekkende winkel worden opgevolgd door een andere winkel.

De centra kennen naast hun winkelfunctie ook een belangrijke sociale functie. Wijkgenoten ontmoeten elkaar in deze centra, wat belangrijk is voor sociale cohesie. Toch kan het gebeuren dat er in de toekomst door marktwerking een winkel sluit en er geen nieuwe ondernemer is die in deze vrijkomende ruimte een winkel wil starten. Als dat gebeurt zal er, om de sociale functie voor de wijk te behouden, bekeken worden of en hoe er een andere publieksfunctie die ontmoeten stimuleert gevestigd kan worden. Welke functie dat precies is hangt af van de locatie en interesse uit de samenleving/markt.

Samengevat geldt voor het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016 het volgende beleid:

Locatie   Type   Maximum aanbod dagelijks   Gewenst niet- dagelijks aanbod   Aanvullend ander aanbod/ mogelijke functiewijziging  
't Look   Supermarkt-centrum   Behoud huidig aanbod, geen ruimte voor uitbreiding.   Behoud huidig aanbod, geen ruimte voor ontwikkeling.   Rekening houdend met flankerend beleid andere publieksfuncties.  

In bestemmingsplan 't Look 2016 is de locatie die in het beleid is aangeduid als Supermarkt-centrum bestemd als 'Gemengd'. In de regels van deze bestemming is in lijn met het beleid de maximale oppervlakte detailhandel begrensd op 977 m2 winkelvloeroppervlak (inclusief een supermarkt).


Internethandel
In het kader van onderhavig plan is tevens de visie op internethandel relevant: Internet is een groeiend verkoopkanaal en hoewel de aankoop in de meeste gevallen vanachter de pc of op de bank met een tablet plaatsvindt heeft het wel een ruimtelijke weerslag. Met de komst van internethandel is er een nieuw type bedrijf ontstaan met bijbehorende kenmerken. Deze visie vormt een afwegingskader bij de Ruimtelijke Ordening met betrekking tot internethandel. Onderscheid kan gemaakt worden in:

  • Internethandel zonder fysieke bezoekmogelijkheid;
  • Internethandel met fysieke bezoekmogelijkheid.

Geïnspireerd op deze nota en gezien de huidige tendens op het gebied van internetverkoop is in de regels uitgewerkt welke vormen van internethandel er mogelijk zijn binnen de verschillende bestemmingen. In zijn algemeenheid geldt dat bezoekers nooit uit te sluiten zijn en een verbod ook niet handhaafbaar is. Wel is nadrukkelijk bepaald dat detailhandel ondergeschikt dient te zijn en dat een gespecialiseerd afhaalpunt niet wordt aanmerkt als internethandel. Hiermee wordt de verkeersaantrekkende werking beperkt en wordt voorkomen dat er verspreid over Veldhoven detailhandelvoorzieningen ontstaan van dusdanige aard en omvang zijn, dat zij een bedreiging vormen voor de hoofdwinkelstructuur.

Nota Economisch Beleid Veldhoven
De Nota Economisch Beleid Veldhoven geeft een uitvoeringsgerichte visie op de economische ontwikkeling van de gemeente voor de lange termijn. Er is een bondige analyse gemaakt van de huidige situatie (economische structuur, werkgelegenheidsgroei, werkloosheid, regionale beschikbaarheid bedrijventerreinen), relevante trends, sterkten en zwakten, kansen en bedreigingen (SWOT-analyse).

De volgende strategische doelstellingen worden onderscheiden:

  • Verbreding van de economische structuur en het profileren van Veldhoven als vestigingsplaats voor (medisch)technologische bedrijven;
  • Primair inzetten op het stimuleren van starters, spin offs van gevestigde bedrijven en het binden van de gevestigde bedrijven;
  • Voldoende ruimte voor bedrijvigheid op formele werklocaties en verspreid op kleinschalige locaties in de stad;
  • Een evenwichtige structuur voor de gehele stad met aandacht voor het City Centrum;
  • Bijdragen aan de afstemming van verschillende acties op het gebied van scholing en arbeidsmarkt.


De nota is vooral strategisch van aard. In combinatie met het conserverende karakter van het bestemmingsplan is er geen sprake van strijdigheid met de regels uit de Nota Economisch Beleid Veldhoven.

Milieubeleidsplan
De gemeenteraad heeft op 9 februari 2010 het Milieubeleidsplan vastgesteld. Dit plan zet in op een duurzame ontwikkeling van Veldhoven. Deze ontwikkeling vraagt op diverse fronten een andere wijze van werken - een transitie van de gemeente Veldhoven. In dit milieubeleidsplan is de transitieopgave beschreven. Het plan bevat de milieu- en duurzaamheidambities voor 2030 en de beleidskaders voor de komende vier jaren.

In het milieubeleidsplan staat het begrip 'ontwikkeling' centraal. Naast een duurzame ontwikkeling wil de gemeente Veldhoven inzetten op een ontwikkeling waarbij mensen en instanties uit Veldhoven en de regio nadrukkelijker betrokken worden bij het vormgeven en invullen van het Veldhovense milieubeleid. Dit betekent onder andere dat het milieubeleidsplan nog niet gedetailleerd vastlegt wat er de komende vier jaar moet gebeuren. In het plan zijn wel de kaders waarbinnen de ontwikkelingen vorm moeten beschreven en zijn diverse handvaten geschetst.

Het Milieubeleidsplan is strategisch van aard. In combinatie met het conserverende karakter van het bestemmingsplan is er geen sprake van strijdigheid met de regels uit het plan.


Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Ruimtelijke structuur

In de tweede helft van de twintigste eeuw kende Veldhoven een snel groei met de aanleg van verschillende woonwijken die niet zijn opgevat als uitbreidingen van de bestaande kernen en wegenstructuur, maar los hiervan geprojecteerd zijn tussen de kernen Veldhoven, Meerveldhoven, Zeelst en Oerle. Met een orthogonale hoofdstructuur van wegen en groen werden achtereenvolgens d' Ekker, Zonderwijk, 't Look en Cobbeek aangelegd.

't Look is gebouwd op basis van het bestemmingsplan 't Look, vastgesteld in 1968, en nagenoeg volledig gebouwd in het midden van de jaren zeventig. De wijk heeft een heldere structuur met een centrale ringweg - Ambachtslaan, De Tinnengieter en de Nijverheidslaan - die in het westen en oosten aansluit op de ontsluitingswegen Sondervick en Sterrenlaan. De ringweg deelt de wijk op in een buitenring en een binnengebied.

De structuur en het verkavelingspatroon van 't Look zijn kenmerkend voor de periode eind jaren '60 en begin jaren '70. In deze periode speelt de overgang van het Functionalisme met een open en orthogonaal karakter met talrijke meergezinswoningen naar het kleinschalige en besloten karakter van de groene woonerven met hoofdzakelijk laagbouw, voortkomend uit de Forum-beweging.

Groenstructuur
't Look wordt omzoomd door ruime en volgroeide groenstroken, die een natuurlijke buffer vormen tussen de aangrenzende wijken of een geleidelijke overgang naar het buitengebied. Dit zijn de hoofddragers van de hoofdgroenstructuur. Deze groene randen hebben een belangrijke recreatieve functie. De hoofddragers zijn ingericht als multifunctioneel uitloopgebied met grootschalige plantsoenen voorzien van diverse recreatieve voorzieningen, waaronder een kinderboerderij, een skatebaan, speeltuinen, voet- en fietspaden en hondenuitlaatvoorzieningen.

Met name het bos ten westen van de wijk biedt ruimte aan diverse recreatieve voorzieningen. Het bos vormt een geleidelijke overgang naar het buitengebied, onderbroken door de Sondervick. Van de recreatieve functie van dit gebied wordt veel gebruik gemaakt. De zuidelijke zone vormt een groene buffer met Zonderwijk en heeft eveneens een recreatief karakter met diverse voet- en fietspaden.

Een fijnmazig, volgroeid groen raamwerk is op een lager niveau een belangrijke drager van 't Look en is mede bepalend voor de beeldkwaliteit van het wonen in het groen. Het raamwerk op buurtniveau wordt gevormd door een aaneenschakeling van groenstroken, kleine plantsoenen en de groene geleding van wegen. Het symmetrische groene raamwerk vormt mede de basis voor een netwerk van langzaam verkeersroutes en biedt daarnaast plaats aan diverse speelvoorzieningen op buurtniveau. Ook de bomenstructuur en met name de laanbeplanting van de Ambachtslaan en de Nijverheidslaan, zijn belangrijke dragers van de groenstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0009.png"  
Figuur 8: Speelvoorzieningen in het bos  

Verkeersstructuur
't Look heeft een duidelijke hiërarchische opbouw in de verkeersstructuur. Deze bestaat uit een centrale ringweg, de daarop aansluitende woonstraten en een groot aantal langzaamverkeersroutes (doorsteken).

De afwikkeling van het gemotoriseerde verkeer wordt verzorgd door de centrale ringweg - Ambachtslaan, De Zilversmid, De Tinnegieter en Nijverheidslaan. De centrale ring sluit in het westen aan op de Sondervick en in het oosten op de Sterrenlaan. Beide druk bereden gebiedsontsluitingswegen zijn onderdeel van de hoofdwegenstructuur van Veldhoven en sluiten aan op de Heerbaan. De Heerbaan, die de belangrijkste toegangsweg is naar het centrum en de andere woongebieden van Veldhoven, vormt tevens de verbinding met Eindhoven en de snelweg A2.

Op de centrale ringweg sluiten alle aangrenzende woonstraten aan, zowel vanuit het middengebied als de randen van het plangebied. Deze woonstraten bestaan hoofdzakelijk uit een soort hoven in de vorm van kleine ringen die het mogelijk maken om elke woonstraat rond te rijden vanaf de centrale ringweg.

De binnengebieden van deze hoven zijn onderling verbonden met langzaamverkeersroutes. Deze vormen een belangrijke structuur in 't Look en maken snelle loopverbindingen mogelijk met de voorzieningen (scholen en supermarkt) in het centrale deel van de wijk, zoals via het Messenmakerpad, De Roerenmaker, Pompenmakerpad en De Wagenmaker. Daarnaast zorgen ze op verschillende plekken voor directe toegang tot het groen aan de randen van het plangebied, zoals het Parkpad bij De Olieslager en De Pottenbakker.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0010.png"  
Figuur 9: Appartementenblokken aan de Nijverheidslaan  

Bebouwingsbeeld en verkaveling
Het bebouwingsbeeld in 't Look vertoont nauwe samenhang met de hoofdstructuur van de wijk. De verkaveling is opgebouwd uit een herhaling van stempels met een heldere compositie van rijtjes en twee-onder-één-kapwoningen. De hoofdstructuur van de wijken wordt gemarkeerd door appartementenblokken van vier à vijf lagen. Langs de randen van de wijken is plaats voor meer open bebouwing in de vorm van vrijstaande woningen. De vrijstaande woningen nemen een bijzondere positie in de wijk. Ze staan op grote percelen waarvan een groot aantal direct grenst aan het groen en het bos aan de noord- en westzijde van het plangebied.

De stempels zijn opgebouwd uit rijtjes in stroken en halfopen bouwblokken. Binnen de stempels bevindt zich veelal een groene binnenruimte. De openbare ruimte grenst dikwijls aan de achterzijde van de percelen die met garages of schuurtjes zijn afgeschermd.

Het gaat vrijwel altijd om sobere rijwoningen met een eenvoudige hoofdvorm, bestaande uit twee lagen met een doorlopende kap met flauwe helling. Het groene karakter en de eenheid van zich herhalende architectuur vormen de belangrijkste kwaliteiten van de woonwijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0011.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0012.png"  
Figuur 10: Rijtjeswoningen en vrijstaande woningen in 't Look  

3.2 Functionele structuur

De buitenring kenmerkt zich door een structuur van lussen en heeft hoofdzakelijk een woonfunctie. De laagbouw in de buitenring gaat geleidelijk over in ruime groenstroken, die een natuurlijk decor creëren. Op deze wijze wordt een sfeer van wonen in een groene setting versterkt en worden tevens diverse recreatiemogelijkheden geboden. Het binnengebied kenmerkt zich door een drietal noord-zuid verbindingen in combinatie met een aantal lussen en doodlopende parkeerhoven. Het binnengebied kent een meer gemêleerde functionele samenstelling. Naast wonen zijn er centrumvoorzieningen, maatschappelijke voorzieningen, bijzondere woonvormen en bedrijfsmatige activiteiten te vinden in het binnengebied van 't Look. De centrale en groene langzaam verkeersroute (voetpad), die het binnengebied in oost-west richting doorkruist, schakelt de voorzieningen aan elkaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0013.png"  
Figuur 11: Supermarkt in 't Look  

3.3 Renovatie verblijfsgebied 't Look

Voor 't Look zijn plannen opgesteld voor de herontwikkeling en herinrichting van de openbare ruimte. Het betreft een grootschalige renovatie op het gebied van bestrating, parkeervoorzieningen, groen en riolering. Fase 1, in het noordelijk deel van 't Look, vindt plaats in het voorjaar van 2016. De plannen voor fase 2 (zuidelijk deel) zijn inmiddels in een vergevorderd stadium.

Fase 1
Voor fase 1 is een aantal uitgangspunten opgesteld die allemaal passen binnen de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan.

  • Groenverbindingen: in noord, midden en zuid zijn evenwijdig aan de langzaamverkeerroutes (doorsteken) waardevolle groene verbindingen gelegen. De centrale verbinding schakelt de voorzieningen aan elkaar.
  • Knopen: op de kruising tussen de woonstraten en de groenverbindingen ligt een knoop. Dit zijn de plekken waar auto en voetganger elkaar ontmoeten.
  • Entrees en voorzieningen: De entrees of uitgangen van de wijk worden versterkt ten behoeve van de herkenbaarheid.
  • Groenpatroon: de randen van 't Look zijn erg groen. De brede groenstroken van de Heerbaan en Sondervick aan de noord- en westzijde en park Vogelzang ten zuiden van de wijk. Maar ook in de wijk is de buitenrand het meest groen en wordt het naar binnen toe steeds steniger. Mede bepalend hiervoor is de stedenbouwkundige opzet. Dit karakter dient in stand gehouden te worden.

Conform de herontwikkeling van verblijfsgebied 't Look is het nieuwe inrichtingsplan voor fase 1 opgenomen op de verbeelding. Dit betekent dat verharding de bestemming 'Verkeer' heeft gekregen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0014.png"  
Figuur 12: Visiekaart herontwikkeling verblijfsgebied 't Look  

Hoofdstuk 4 Planologisch relevante (milieu)aspecten

4.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieuhygiënische aspecten en of deze eventuele belemmeringen opleggen aan het plan.

Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard. Om deze reden vindt er in het kader van dit bestemmingsplan geen (uitgebreide) toetsing plaats aan de diverse milieuaspecten en worden enkel de relevante beleidskaders aangehaald. Nieuwe ontwikkelingen kunnen mogelijk gemaakt worden middels een separate procedure en in het kader van deze procedure dient per aspect het nodige onderbouwd te worden. In de hierop volgende paragrafen wordt aangegeven welke zaken er per aspect relevant zijn en waar ten tijde van eventuele ontwikkelingen op gelet moet worden. Dit hoofdstuk kan gebruikt worden als eerste informatiebron om te bepalen welke milieuaspecten een rol zouden kunnen spelen bij een ontwikkeling.

4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de Ladder moeten worden doorlopen. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijk en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Bij de toepassing van de Ladder dienen de volgende stappen doorlopen te worden:

  • 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.
  • 2. Indien blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, dan wordt beschreven in hoeverre die behoefte in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.
  • 3. Indien uit de beschrijving, onder 2, blijkt dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Onderhavig bestemmingsplan is conserverend van aard. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen worden niet mogelijk gemaakt. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.

4.3 Toetsing Besluit m.e.r.

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.

Het plangebied en de beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.

De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte of meer, of in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare.

Onderhavig plan voorziet in een conserverende regeling, waarin geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. In dat kader is een verdere toetsing aan de ligging van onderhavig bestemmingsplan in een mogelijk kwetsbaar gebied en aan het Besluit m.e.r., niet noodzakelijk en relevant.

4.4 Bodem

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht.

Wanneer een ontwikkeling geen bestemmingswijziging tot gevolg heeft, hoeft er geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan uitgevoerd te worden; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Er is tevens geen sprake van bestemmingswijzigingen. Bodemonderzoek is niet noodzakelijk.

4.5 Kabels en leidingen

De volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover deze geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer:

  • hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;
  • buisleidingen voor transport van aardgas met een diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • buisleidingen voor transport van andere stoffen die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze beschadigd raken (voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen).

Bovenstaande leidingen liggen niet in het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016.

In het uiterse zuidwesten van het plangebied ligt wel een waterleiding. Deze staat aangegeven op de verbeelding en is beschermd door middel van een dubbelbestemming.

4.6 Wet geluidhinder

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);
  • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;
  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:

  • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.

In het plangebied zijn meerdere wegen gelegen waar de maximaal toegestane snelheid 50 km/uur is. Voor dergelijke wegen geldt een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. Binnen deze zones dient bij de ontwikkeling van een geluidgevoelig object onderzoek te worden gedaan naar de geluidbelasting ter plaatse van het object. Onderhavig bestemmingsplan voorziet echter niet in ontwikkelingen. Onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.7 Cultuurhistorie

Nationaal staat het cultuurhistorisch beleid in het teken van het behoud en het beheer van de cultuurhistorische waarden. Op gelijke voet staat het streven naar het gebruik van het cultuurhistorisch erfgoed als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting. Dit beleid geldt voor alle cultuurhistorische waarden, dat wil zeggen voor zowel archeologische als voor historisch-geografische en historisch bouwkundige waarden. Het rijksbeleid is mede gebaseerd op het Verdrag van Malta (1992).

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 2). Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed.

In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

De ruimtelijke ordening is een zeer belangrijk integrerend beleidsterrein als het gaat om de zorgvuldige omgang met cultuurhistorisch waardevolle structuren. De provincie beoordeelt plannen en besluiten die ter toetsing bij of ter goedkeuring aan de provincie worden voorgelegd op de wijze waarop de aanwezige cultuurhistorische waarden opgenomen zijn. De cultuurhistorische waarden worden in een vroegtijdig stadium van de planvorming geïnventariseerd, bij het ontwerp gebruikt en bij het besluit meegenomen. Een aantal cultuurhistorische objecten en structuren is beschermd middels de Monumentenwet dan wel middels een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening. Bij aantasting en bij wijziging van deze objecten en structuren is een omgevingsvergunning vereist.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0015.png"  
Figuur 13: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant  

Gemeente Veldhoven
Het beleid van de gemeente Veldhoven ten aanzien van het aspect cultuurhistorie is vertaald in de Nota Cultuurhistorische Waarden Veldhoven 2012. Deze nota dateert van oktober 2012 en hierin wordt het beleid ten aanzien van cultuurhistorie voor de gemeente Veldhoven beschreven.

Onder cultuurhistorie wordt in deze beleidsnota het bovengrondse ruimtelijke erfgoed verstaan. De gemeente Veldhoven gaat bij het opstellen van het cultuurhistorisch beleid uit van de Cultuurhistorische Waardenkaart Veldhoven 2012 en de Welstandsnota 2011. De Veldhovense Cultuurhistorische Waardenkaart is een gebieds- en structuurgerichte kaart. Veldhoven richt zich bij het vastleggen van cultuurhistorische waarden vooral op ouderdom, samenhang en context, maar ook gaafheid en belang voor de Veldhovense geschiedenis spelen een rol.

Cultuurhistorie in het plangebied
Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant en de gemeente Veldhoven is geconstateerd dat in de uiterste (zuid)westhoek van het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.

Het gaat om wegen en paden (verhard en onverhard) en vrijwel evenwijdig daaraan de aanduiding historisch lint. Beide aanduidingen liggen op en rondom de Sondervick en de groenzone nabij De Zilversmid.

In de volgende tabel staan de betreffende cultuurhistorische waarden en bijbehorende beleidsregels beschreven.

Historische stedenbouw (categorie H1, H2, H3)
 
Historische linten, kernen en dorpen uit de welstandsnota 2011 van de gemeente Veldhoven. Deze zones bevatten tevens de beeldbepalende panden.   Verankerd via Welstand. Toetsing conform vigerende regels bestemmingsplan / beoordeling door Cie Welstand op welstandscriteria (hierin zijn de cultuurhistorische waarden voldoende meegenomen)  
Wegen en paden   Dit is de samenhangende structuur van het nu nog aanwezige historische wegenpatroon, bestaande uit o.a. zandwegen, klinkerwegen en kasseiwegen, maar ook geasfalteerde wegen met een historische ligging zijn opgenomen.

De structuur is representatief voor de historische ruimtelijke ontwikkeling en de landschappelijke samenhang.  
Verwijderen, verbreden, ophogen, verdiepen, verharden of verandering van bestrating. Ondergebracht bij ondermeer Welstand en diverse onderdelen van het bestemmingsplan.

Nadere afstemming met cluster ruimtelijke ordening noodzakelijk.  

De historische lintbebouwing aan de Sondervick bevindt zich net buiten de plangrens van bestemmingsplan 't Look 2016. Binnen het plangebied is alleen sprake van bos en de weg Sondervick. Hiervoor zijn respectievelijk de bestemmingen 'Bos' en 'Verkeer' opgenomen, die beide ter plaatse geen gebouwen mogelijk maken. Tevens is het tracé van de weg hiermee vastgelegd. De cultuurhistorische waarden in dit gebied zijn hiermee in voldoende mate beschermd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0016.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0017.png"  
Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische waarden gemeente Veldhoven: elementen en structuren  

4.8 Archeologie

Toetsingskader

De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De wet beoogt het archeologische erfgoed te beschermen. Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden.

Enkele van de uitgangspunten van deze wet zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is;
  • vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdige stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren en eventuele maatregelen om behoudenswaardige archeologische resten te beschermen door deze op te graven of in de bodem te behouden, tenzij deze niet zijn aangetroffen.


In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun bodemarchief. De gemeente Veldhoven heeft hiertoe een eigen archeologiebeleid opgesteld. In de Nota Archeologische Monumentenzorg Veldhoven, vastgesteld op 16 december 2008, zijn beleidsregels en wensen ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed geformuleerd en maakt de gemeente duidelijk hoe waardevol het archeologisch erfgoed voor de identiteit van Veldhoven is. De inbedding van de nota archeologie in de beleidskaart in het ruimtelijke ordeningsproces heeft vorm gekregen door een zogenaamd ‘parapluplan’ op te stellen: een overkoepelend, thematisch bestemmingsplan waarmee het beleid is doorvertaald in de vigerende bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan “Parapluplan 2009” is op 5 maart 2010 onherroepelijk geworden.


Uit het Parapluplan 2009 bleek dat grote delen van de gemeente Veldhoven een hoge archeologische verwachtingswaarde hadden en dat voorafgaand aan veel bodemingrepen archeologisch bureauonderzoek noodzakelijk was. Bovendien zijn sinds 2009 veel gebieden onderzocht en hebben deze geen archeologische verwachting meer. Om veel kleinschalig onderzoek en versnippering van onderzoek te voorkomen en om initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen beter van dienst te kunnen zijn, heeft de gemeente voor zijn volledige grondgebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd en een gespecificeerde archeologische verwachtingskaart opgesteld (Archeologische verwachtingskaart gemeente Veldhoven, def. 10-03-2014). De verwachtingskaart is ‘vertaald’ naar een gemeentelijke Archeologische Beleidsadvieskaart, versie def. 10-03-2014). De waarden en verwachtingen zijn voorzien van archeologische beleidscategorieën die aangeven vanaf welke verstoringsoppervlakte en -diepte archeologisch vooronderzoek dient plaats te vinden. Op de Archeologische Beleidsadvieskaart zijn dit de categorieën 2 t/m 5. Deze zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming archeologie ter bescherming van de archeologische waarden.


Plangebied bestemmingsplan 't Look 2016
Binnen het plangebied bevinden zich op de beleidsadvieskaart verschillende categorieën Waarde-Archeologie (bijlage 1b en c). Deze categorieën zijn hieronder puntsgewijs opgenomen. Vanuit beleidsmatig oogpunt is per categorie aangegeven wat voor onderzoeksplicht hieraan gekoppeld is.


Binnen de bestemmingsplangrenzen van de woonwijk ‘t Look bevinden zich op de beleidsadvieskaart verschillende categorieën Waarde-Archeologie, te weten:

  • Waarde-Archeologie 2 (categorie 3: gebied van hoge archeologische waarde)
  • Waarde-Archeologie 2 (categorie 4: gebied met een hoge archeologische verwachting)
  • Waarde-Archeologie 3 (categorie 5: gebied met een middelhoge archeologische verwachting)
  • Waarde-archeologie (categorie 7: gebieden zonder archeologische verwachting of archeologisch vrijgegeven).


Voor gebieden van hoge archeologische waarde (categorie 3 op de beleidsadvieskaart) of met een hoge archeologische verwachting (categorie 4) geldt dat een vooronderzoek nodig is als de omvang van het gebied waarbinnen de bodemverstoring plaatsvindt groter en dieper is dan de ondergrenzen die gelden voor deze categorie (in dit geval 250 m2 of 40 cm onder maaiveld). Binnen het plangebied geldt daarmee qua ondergrenzen voor planregels en verbeelding in feite een waarde archeologie. Is de oppervlakte of diepte van het gebied waar bodemingrepen plaatsvinden kleiner dan de ondergrens, dan is een archeologisch vooronderzoek niet nodig.

Voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5) geldt dat een vooronderzoek nodig is als de omvang van het gebied waarbinnen de bodemverstoring plaatsvindt groter en dieper is dan de ondergrenzen die gelden voor deze categorie (in dit geval 2.500 m2 of 40 cm onder maaiveld). Is de oppervlakte of diepte van het gebied waar bodemingrepen plaatsvinden kleiner dan de ondergrens, dan is een archeologisch vooronderzoek niet nodig.

Voor gebieden zonder archeologische verwachting of archeologisch zijn vrijgegeven (categorie 7), geldt geen archeologisch onderzoeksplicht.

De in het plangebied voorkomende waarden (Waarde-Archeologie 2 en 3) zijn op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2' en 'Waarde-Archeologie 3'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0018.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0019.png"  
Figuur 15: Uitsnede Archeologische Beleidsadvieskaart gemeente Veldhoven  

4.9 Flora en fauna

Per 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. Deze wet vereist dat inzicht wordt geboden in de effecten van een voorgenomen ruimtelijke ingreep op wettelijk beschermde planten en dieren. Als er significant schadelijke gevolgen zijn voor een wettelijk beschermde soort en/of leefgebied zal bezien moeten worden in hoeverre de schadelijke effecten kunnen worden voorkomen. Wordt de uitvoering van een plan noodzakelijk geacht (maatschappelijke relevantie aantonen) dan zal in het kader van de wet ontheffing moeten worden verkregen en zal moeten worden voorzien in compensatie.

De soortbescherming is geregeld via soortbeschermingsregels afkomstig uit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn uit 1992. Op nationaal niveau zijn deze bepalingen vertaald in de Flora- en Faunawet, die op 1 april 2002 in werking is getreden. In Nederland worden de Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.

Ook de bescherming van gebieden is geregeld in de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. In Nederland is dit vertaald in de Natuurbeschermingswet 1998.

Plangebied
Het plangebied zelf bevat geen bijzondere ecologische waarden. Aan de rand van het plangebied, direct aan de overzijde van de Sondervick, grenst het plangebied aan de ecologische hoofdstructuur. Bestemmingsplan 't Look 2016 is conserverend van aard. Ruimtelijke ingrepen worden niet mogelijk gemaakt. Het plan is niet strijdig met de wettelijke bescherming van flora en fauna.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0020.png"  
Figuur 16: Uitsnede themakaart natuur en landschap - Verordening ruimte 2014 Noord-Brabant - met de aan het plangebied grenzende ecologische hoofdstructuur  

4.10 Luchtkwaliteit

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht.

De Wet luchtkwaliteit maakt onderdeel uit van de Wet milieubeheer en bevat grenswaarden voor luchtkwaliteit. Conform de richtlijn van de EU gelden de grenswaarden voor de buitenlucht voor het gehele grondgebied van de lidstaten, met uitzondering van de werkplek. De uitvoeringsregels behorend bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr) die gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit in werking treden.

De luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd, die betrekking hebben op het begrip NIBM. De EU heeft medio 2009 derogatie verleend waarmee het NSL inwerking is getreden. De NIBM norm is daarbij opgeschoven naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10.

Monitoring Luchtkwaliteit Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Uit monitoring van de luchtkwaliteit door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant blijkt dat in het toetsingsjaar 2014 er in het plangebied geen overschrijding plaats vindt van de wettelijke grenswaarden NO2 en PM10.

Voor de prognoses over 2015 blijkt dat behoudens Eindhoven alle gemeenten in Zuidoost- Brabant voldoen aan de wettelijke eisen ten aanzien van NO2 en PM10. Voor het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016 vormt luchtkwaliteit derhalve geen belemmering.

4.11 Bedrijven en milieuzonering

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen.

Nabij het plangebied is het gezoneerde bedrijventerrein 'vliegbasis Eindhoven' gelegen. Het plangebied valt buiten de zones van dit bedrijventerrein. Met betrekking tot industrielawaai zijn er derhalve geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

Binnen of nabij het plangebied zijn geen geurbelastende (agrarische)bedrijven aanwezig. Voorliggend bestemmingsplan heeft bovendien een conserverend karakter. Nieuwe geurgevoelige objecten zijn niet voorzien. Het aspect geur behoeft dan ook geen nader onderzoek. Mochten in de toekomst dergelijke bedrijven zich in de nabijheid van het plangebied willen vestigen, dan zal de geurbelasting op de geurgevoelige objecten binnen het plangebied onderzocht moeten worden.

4.12 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals bijvoorbeeld omwonenden. Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn c.q. komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico.

Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen.

Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico’s worden weergegeven in PR risicocontouren.

Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt middels een verantwoordingsverplichting.

Het beleid inzake externe veiligheid is gericht op de beheersing van risico’s voor de omgeving met betrekking tot:

  • 1. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
  • 2. het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, waterwegen, wegen en spoorwegen);
  • 3. het gebruik van luchthavens.

Ad. 1 Inrichtingen
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Dit besluit heeft tot doel de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Ad. 2 Transport
Het vervoer van gevaarlijke stoffen leidt tot risico's voor de omgeving. Er is daarom beleid opgesteld om te komen tot een afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving.

Ad. 3 Luchthavens
Het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht is geen aspect dat in het kader van externe veiligheid moet worden beschouwd. Wel kunnen op basis van vliegtuigbewegingen plaatsgebonden risicocontouren aanwezig zijn. Het gevaar is dat een vliegtuig of helikopter neerstort. Het meest waarschijnlijk is dat dit gebeurt op of vlakbij een start- of landingsbaan, binnen een gebied van ongeveer 300 meter breed en een kilometer ervoor en erna. Dit gebied wordt Zone-1 genoemd. Het is op de risicokaart als een rechthoekige strook te zien.

Plangebied
Binnen het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Ten noordwesten van het plangebied is wel een risicobron aanwezig, maar deze vormt geen belemmering op het gebied van externe veiligheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0021.png"  
Figuur 17: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant  

4.13 Vliegbasis Eindhoven (Eindhoven Airport)

Voor het veilig afwikkelen van het vliegverkeer gelden in de omgeving van een luchtvaartterrein maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten. De maximaal toelaatbare hoogtes en de ligging en omvang van het gebied worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbaan en berusten op internationaal vastgelegde afspraken. Het is voor de vliegveiligheid van belang dat in de gebieden van deze obstakelvrije vlakken de maximaal toelaatbare hoogtes niet worden overschreden. De obstakelvrije vlakken worden gevormd door de funnel en de Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS). Ten tijde van de uitvoering van de bouwwerkzaamheden dienen de eisen met betrekking tot deze maximale bouwhoogtes in acht genomen te worden. De bouwmethode dient hier op afgestemd te worden.

Funnel
De funnel is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken, waarvan de hoogte oploopt tot 45 m. In elke baanrichting landingsvlak en een startvlak waarvan de hoogte oploopt met 1:50. De toegestane bouwhoogte geldt ten opzichte van de hoogte van de landingsdrempel - in het voorliggende geval NAP + 22,4 m.

IHCS 
De IHCS wordt gerekend vanaf elk van de landingsdrempels en is gelegen boven de omgeving van het luchtvaartterrein in aansluiting op de funnel. De IHCS bestaat uit een horizontaal vlak, dat gelegen is op een hoogte van 45 m en een straal van 4 km In aansluiting op dit horizontale vlak is een conisch vlak gelegen, waarvan de hoogte oploopt met een helling van 5 % over een afstand van 2 km tot een hoogte van 145 m.

De maximale toegestane hoogte geldt ten opzichte van de laagste landingsdrempel – in het voorliggende geval NAP + 22,4 m.

In het gebied van de (funnel en de) IHCS mogen geen objecten staan die hoger zijn dan de maximaal toelaatbare hoogte.

Conclusie - Funnel en IHCS op het plangebied
De IHCS ligt wel voor een gedeelte over het plangebied. Dit heeft doorvertaling gekregen in de verbeelding.Ter plaatse van de aanduiding 'Luchtvaartverkeerzone- IHCS' geldt in aanvulling op hetgeen elders in deze planregels is bepaald dat de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan 65 meter boven NAP.

De IHCS leidt voor het plangebied overigens niet tot een beperking van de maximale bouwhoogte, omdat deze binnen de betreffende bestemmingen reeds lager is dan maximaal toegestaan op basis van de IHCS.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0022.png"  
Figuur 18: Luchthavenbesluit luchthaven Eindhoven - Obstakelbeheergebied (Funnel en IHCS)  


ILS
De Luchthaven Eindhoven is uitgerust met een ILS. Het ILS heeft tot doel het nauwkeuriger uitvoeren van een nadering onder slechte weersomstandigheden. Voor het goed functioneren van het ILS geldt dat een gebied rondom de start- en landingsbaan geen verstoring mag opleveren.

De afmetingen van het gebied zijn vastgelegd in ICAO EUR DOC 015. Dit gebied bestaat uit een rechthoekig deelgebied, waar de maximaal toelaatbare hoogte 0 m bedraagt en is gelegen over de start- en landingsbaan en aangrenzende gronden. Twee aansluitende deelgebieden parallel aan weerszijden van de start- en landingsbaan, waar de hoogte 20 m bedraagt en twee trechtervormige deelgebieden in het verlengde van de landingsbaan waar de hoogte oploopt tot 70 m op een afstand van 6 km. De genoemde hoogtes gelden ten opzichte van de hoogte van de landingsbaan - NAP + 22,4 m. Het gezamenlijke gebied rond een luchtvaartterrein dat wordt gevormd door de obstakelvrije vlakken van de funnel en IHCS én de verstoringsgebieden in het kader van het ILS wordt het obstakelbeheergebied genoemd.

Conclusie
Het ILS is niet van toepassing. Bestemmingsplan 't Look 2016 valt buiten het ILS verstoringsgebied.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0023.png"  
Figuur 19: Luchthavenbesluit luchthaven Eindhoven - ILS Verstoringsgebied  

Kosteneenheden (KE) contouren
De Kosteneenheid is de maat voor de lawaaibelasting die op een bepaalde plaats op de grond ten gevolge van vliegverkeer wordt ondervonden. Hij is gebaseerd op het aantal over- en langsvliegende vliegtuigen, het van deze vliegtuigen ondervonden maximale geluidsniveau en de verdeling over het etmaal, waarbij bijvoorbeeld de late avond zwaarder telt dan de middag.

Conclusie - KE contouren op het plangebied
Het plangebied valt buiten de 20ke en 35ke contouren van de luchthaven Eindhoven. Onderhavig bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan waar dus geen nieuwe geluidsgevoelige objecten of nieuwe geluidsbronnen mogelijk worden gemaakt. In het kader van dit bestemmingsplan is het dan ook niet noodzakelijk om de geluidsituatie nader te onderzoeken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0024.png"  
Figuur 20: Kaart toegestane geluidsnivo's (in Ke)  

Vogelbeperkingengebied
Het plangebied is gelegen binnen het vogelbeperkingengebied van de luchthaven Eindhoven. Concreet betekent dit dat het niet toegestaan is om –onder meer- organische materiaal extramuraal op te slaan of te verwerken binnen het plangebied. Hiervan kan worden afgeweken indien de belangen van de luchthaven Eindhoven niet onevenredig worden geschaad. Hierover dient overleg plaats te vinden met de daarvoor bevoegde instanties. Ter voorbereiding van dit overleg dient in ieder geval een faunaeffectenstudie plaats te vinden, waarin is onderzocht of er al of niet sprake is van een toename in het risico op vogelaanvaringen voor het luchtverkeer van- en naar de luchthaven vanwege de ontwikkeling. Een en ander is opgenomen in artikel 21 van deze regels.

4.14 Radarverstoringsgebied Vliegbasis Woensdrecht

Als gevolg van wijziging van het Barro ligt het gehele grondgebied van de gemeente Veldhoven in het radarverstoringsgebied van Vliegbasis Woensdrecht. Dit betekent, dat er geen gebouwen en (tijdelijke) bouwwerken hoger dan 113 m+NAP zijn toegestaan. Daar de maximum bouwhoogtes uit onderhavig plan ver beneden de maat van 113 m blijven, zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het radarverstoringsgebied van Vliegbasis Woensdrecht.

4.15 Water

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.


Waterrelevant beleid en regelgeving


Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het PMWP staat voor:

  • voldoende water voor mens, plant en dier;
  • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);
  • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's;
  • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.


Waterbeheerplan 2016 - 2021 Waterschap de Dommel 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.


Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's:

  • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;
  • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.


Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.


Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode?

  • Voldoende water voor landbouw en natuur
  • Wateroverlast en hittestress;
  • Kringloop denken;
  • Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen;
  • Vergroten waterbewustzijn.


Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap: www.dommel.nl.


Keur Waterschap de Dommel 2015

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.


De Keur van het waterschap is enkel van toepassing wanneer direct wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam in beheer en eigendom van het waterschap De Dommel


Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².


Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan 2015 - 2019 gemeente Veldhoven

Het waterbeleid van de gemeente Veldhoven is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (2015-2019). De term Verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Volgens de wetgeving heeft de gemeente Veldhoven drie zorgplichten op het gebied van stedelijk waterbeheer:

  • zorgplicht stedelijk afvalwater;
  • zorgplicht hemelwater;
  • zorgplicht grondwater.

Dit komt er op neer dat de gemeente vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid zorg draagt voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen.


Ambitie gemeente afvoer van hemelwater

Als het regent in de gemeente Veldhoven verdwijnt het meeste hemelwater in de riolering. Door verandering van het klimaat wordt het bestaande rioolstelsel ook steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Om droge voeten te houden wordt ruimte gecreëerd in het groen en/of oppervlaktewater. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater en aanpassing van waterpartijen. De perceelseigenaar draagt een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave.

Hydrologisch neutraal bouwen

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits "vasthouden-bergen-afvoeren". Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken.


Uitgangspunten hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw

Bij herontwikkeling en nieuwbouw binnen de gemeente Veldhoven wordt uitgegaan van het HNO-principe (Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen): het hemelwater wordt ter plaatse de bodem in geleid via hemelwater verwerkende voorzieningen zoals infiltratiekolken, bermen, wadi's en vijverpartijen. Bij nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen wordt de perceelseigenaar gestimuleerd om het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Waar mogelijk worden voorzieningen gecombineerd met benodigde maatregelen in omringende wijken. Indien de lokale omstandigheden de verwerking van hemelwater in de bodem niet toelaten, wordt het afgevoerd naar het dichtstbijzijnde oppervlaktewater, conform de richtlijnen van het hydrologisch neutraal ontwikkelen.


Wanneer wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel van de gemeente Veldhoven zijn de volgende regels van toepassing:

  • Vuilwater en schoon hemelwater worden separaat aangeboden op de perceelgrens;
  • Compensatie bij toename van verhardoppervlak vanaf 250 m2;
  • Berging 42 mm/m2 ten opzichte van de toename van verhardoppervlak;
  • Voorkeur voor een bovengrondse berging;
  • Leegloop van de bergingsvoorziening (infiltratie, geknepen afvoer e.d.) dient per locatie te worden aangegeven. Bij infiltratie dient te worden aangetoond dat infiltratie mogelijk is;
  • Wanneer wordt afgevoerd naar het gemengde stelsel dient een terugslag te worden toegepast zodat vuilwater niet de voorziening in kan stromen.
  • Bij het indienen van de omgevingsvergunning dient een gedetailleerd ontwerp te worden ingediend van de bergingsvoorziening en de leegloopconstructie.

Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie

Ten aanzien van de beoogde herontwikkeling is navolgende checklist ingevuld ten aanzien van het plangebied. Door deze checklist wordt snel duidelijk welke onderdelen een extra toelichting behoeven en welke procedures van toepassing zijn als één van de onderdelen van toepassing is voor de planlocatie.


Checklist water in ruimtelijke procedures

Checklist Water  
Hoofdwatergang cq open water   Nee  
Zijwatergang   Nee  
Keurgebied binnen plangebied?   Nee  
Binnen 25-100 jaarszone?   Nee  
Binnen boringsvrije zone?   Nee  
Ecologische verbindingszone?   Nee  
Binnen reserveringsgebied waterberging 2050?   Nee  
Attentiegebied EHS   Nee  
Rioolwatertransportleiding   Ja (gemeentelijk)  
Waterschap gemaal   Nee  
Verdachte/verontreinigde locaties?   Nee  
Infiltratie praktisch mogelijk?   Nee  
Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid   Nee  

Oppervlaktewater

Binnen het gebied 't Look is geen oppervlaktewater aanwezig. 't Look maakt onderdeel uit van het deelwatersysteem van de Rundgraaf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0025.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0026.png"  

Bodemopbouw

De deklaag (Nuenen formatie ) is ter plaatse van Veldhoven een metersdik pakket bestaande uit fijne zanden. Binnen deze formatie komen ook leem lagen voor. De doorlatendheid van de deklaag is relatief laag.


Riolering

In het verleden is het rioolstelsel als een gemengd stelsel uitgelegd. Momenteel wordt dit gemengde stelsel vervangen door een gescheiden stelsel waarbij hemelwater en vuilwater separaat van elkaar worden ingezameld. In de toekomst zal het hemelwater worden geborgen en vertraagd worden afgevoerd naar de Rundgraaf.

Grondwater

De gemeente beschikt over een hoofdpeilbuizennetwerk die de aankomende jaren in het stedelijk gebied uitgebreid zal worden. Op dit moment staat er één peilbuis in het plangebied. De locatie van de peilbuis is weergegeven in onderstaand figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0027.png"  

De maaiveldhoogte van de peilbuis is 22.74 +NAP. Uit de meting van deze peilbuis is de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) op deze locatie op 18.70 +NAP.


Toekomstige situatie van het watersysteem

De gemengde riolering wordt vervangen door een gescheiden stelsel. Hierbij wordt het hemelwater separaat ingezameld en afgevoerd van het vuilwater. Het hemelwater zal op een aantal locaties binnen 't Look bovengronds worden geborgen. In de toekomst zal een verbinding worden gerealiseerd naar de Rundgraaf.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemene opzet

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van gronden en gebouwen in het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016. Het bestemmingsplan is uitsluitend gericht op het beheer van de bestaande situatie en heeft daarom een conserverend karakter. Dit betekent dat in het bestemmingsplan de regels uit de geldende bestemmingsplannen zoveel mogelijk zijn overgenomen, maar tegelijkertijd ook de consequenties van actueel beleid en regelgeving zijn ingepast.

Eén van de gevolgen hiervan is dat de wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in de geldende bestemmingsplannen niet zijn overgenomen in bestemmingsplan 't Look 2016. Deze wijzigingsbevoegdheden maakten het mogelijk om van woningtypologie te wisselen of de functie van een gebouw te wijzigen. Omdat er tegenwoordig op basis van de Wabo snellere en goedkopere procedures kunnen worden doorlopen om hetzelfde doel te bereiken, is het niet langer noodzakelijk om deze bevoegdheden over te nemen.

5.2 Opbouw van het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en de modelregels van de gemeente.

De bestemmingsplanregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.

De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • 1. Inleidende regels
  • 2. Bestemmingsregels
  • 3. Algemene regels
  • 4. Overgangs- en slotregels.

In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

5.3 Beschrijving van de bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten
In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.


Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 'Bedrijf'
Het enige bestaande bedrijf binnen het plangebied is een autoreparatiebedrijf met een verkooppunt voor motorbrandstoffen en ondergeschikte detailhandel behorende bij een dergelijk verkooppunt. Deze (bedrijfs)activiteiten hebben de bestemming 'Bedrijf' gekregen.

Voor nadere regels over het al of niet toegestane gebruik wordt verwezen naar de regels.

Binnen deze bestemming is een bouwvlak voor het oprichten van bebouwing opgenomen. In het bouwvlak staat het bebouwingspercentage en de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Buiten het bouwvlak is een luifel toegestaan ter plaatse van de desbetreffende aanduiding op de verbeelding met een maximale hoogte van 6 meter.

Voor nadere bebouwingsregels wordt verwezen naar de regels.

Artikel 4 'Bedrijf - Nutsvoorziening'
Álle nutsvoorzieningen met een oppervlakte van meer dan 15 m2 zijn positief bestemd. De nutsvoorzieningen met een kleinere oppervlakte zijn omgevingsvergunningsvrij en daarmee overal toegestaan. Zij hoeven niet specifiek bestemd te worden.

De nutsvoorzieningen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak. De maximale hoogte bedraagt 3,2 meter.

Artikel 5 'Bos'
Het bestaande bos in het noordwesten van het plangebied met daarin gelegen grasvlakken, een kinderboerderij en speelvoorzieningen heeft de bestemming 'Bos' gekregen. In het geldende bestemmingsplan hadden deze gronden de bestemming 'Groen'. Gelet op de begroeiing is nu gekozen voor de bestemming 'Bos'. De open gebieden in het bos zijn grasvlakken die onderdeel uitmaken van het bos en conform het bosbeheerplan worden onderhouden. De bescherming van het bos is geborgd door een omgevingsvergunningenstelsel. Rooien van bomen en het aanleggen van verhardingen is alleen toegestaan als voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden.

In tegenstelling tot het geldende bestemmingsplan zijn speelvoorzieningen overal toegestaan. Dit vanwege de gewenste flexibiliteit. De kinderboerderij is alleen toegestaan binnen de desbetreffende aanduiding op de verbeelding.

Overige voorzieningen die zijn toegestaan binnen de bestemming worden vermeld in lid 1 van dit artikel. Voor nadere regels over het al of niet toegestane gebruik wordt verwezen naar de regels.

De bestemming kent een aanduiding 'kinderboerderij' waarbinnen gebouwen zijn toegestaan behorende bij de kinderboerderij. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan.

Voor nadere bebouwingsregels wordt verwezen naar de regels.

Artikel 6 'Gemengd'
Het bestaande winkelcentrum in 't Look betreft een zogenaamd Supermarkt-centrum behorend tot de hulpstructuur. Volgens de modelregels van de gemeente heeft het 'City centrum Veldhoven' de bestemming 'Centrum' gekregen. Alle andere (winkel)centra behorende tot de hulpstructuur binnen de gemeente krijgen de bestemming 'Gemengd'; dus ook het winkelcentrum in 't Look, dat in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Centrumdoeleinden II' heeft.

Gelet op het detailhandelsbeleid is er geen ruimte voor uitbreiding van het winkelvloeroppervlak. Daarom is het maximale winkelvloeroppervlak begrensd tot 977 m2. Naast detailhandel zijn o.a. dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en horecabedrijven behorende tot categorie 1 en 2 rechtstreeks toegestaan op de begane grond. Op de verdieping zijn bovenwoningen rechtstreeks toegestaan. Het maximale aantal woningen is aangegeven op de verbeelding.

Voor nadere regels over het al of niet toegestane gebruik wordt verwezen naar de regels.

De bestemming kent een bouwvlak voor het oprichten van bebouwing. Buiten dit bouwvlak zijn geen gebouwen toegestaan. In het bouwvlak staat het bebouwingspercentage en de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven.

Voor nadere bebouwingsregels wordt verwezen naar de regels. Zo is er een afwijkingsbevoegdheid als het gaat om de maximale oppervlakte en situering van gebouwen en de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde.


Artikel 7 'Groen'
De hoofdgroenstructuur in het plangebied is als 'Groen' bestemd. Binnen deze bestemming zijn onder andere toegestaan speelplaatsen, sportvoorzieningen, grootschalige groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Bij de begrenzing van deze bestemming is rekening gehouden met fase 1 van de herontwikkeling en herinrichting van de openbare ruimte binnen 't Look. De gronden, die conform de nieuwe herinrichting (zullen) worden verhard hebben de bestemming 'Verkeer' gekregen en niet de bestemming 'Groen', zodat er geen strijdigheid ontstaat tussen de nieuwe herinrichting en dit bestemmingsplan.

Gebouwen mogen alleen gebouwd worden ten behoeve van openbaar nut, water- en energiedistributie, wachthuisjes voor busdiensten en hiermee vergelijkbare gebouwen van algemeen nut. Deze zijn overal binnen de bestemming toegestaan. Dit geldt ook voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals kunstobjecten en speeltoestellen.

In de bouwregels is aangeven wat de maximale hoogtes zijn van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 8 'Kantoor'
Het enige kantoorgebouw in het plangebied heeft de bestemming 'Kantoor' gekregen conform het geldende bestemmingsplan.

Voor nadere regels over het al of niet toegestane gebruik wordt verwezen naar de regels.

De bestemming kent een bouwvlak voor het oprichten van gebouwen. In het bouwvlak staat het bebouwingspercentage en de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Buiten dit bouwvlak zijn geen gebouwen toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.

Voor nadere bebouwingsregels wordt verwezen naar de regels. Zo is er een afwijkingsbevoegdheid als het gaat om de maximale oppervlakte en situering van gebouwen en de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Artikel 9 'Maatschappelijk'
Enkele maatschappelijke voorzieningen aan de Messenmaker hebben de bestemming 'Maatschappelijk' gekregen. Binnen deze bestemming zijn naast maatschappelijke voorzieningen o.a. sportvoorzieningen en ondergeschikte recreatieve voorzieningen toegestaan.

Voor nadere regels over het al of niet toegestane gebruik wordt verwezen naar de regels.

De bestemming kent een bouwvlak voor het oprichten van gebouwen. In het bouwvlak staat het bebouwingspercentage en de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Buiten dit bouwvlak zijn geen gebouwen toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.

Voor nadere bebouwingsregels wordt verwezen naar de regels. Zo is er een afwijkingsbevoegdheid als het gaat om de maximale oppervlakte en situering van gebouwen en de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Artikel 10 'Verkeer'
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water. Gebouwen zijn enkel toegestaan ten behoeve van telecommunicatie, water- en energiedistributie alsmede wachthuisjes voor busdiensten en fietsenstallingen. Deze zijn overal binnen de bestemming toegestaan. Dit geldt ook voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals kunstobjecten en speeltoestellen.

Ter plaatse van de aanduiding garageboxen zijn ook garageboxen toegestaan.

Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan is de bestemming Verkeer vergroot. Veel snippergroen heeft de bestemming Verkeer gekregen, zodat op het moment dat delen van het openbaar gebied moeten worden heringericht er meer mogelijkheden zijn voor deze herinrichting.

In de bouwregels is aangeven wat de maximale hoogtes zijn van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikelen 11 t/m 15 'Wonen - Aaneengeschakeld', 'Wonen - Geschakeld', 'Wonen - Gestapeld', 'Wonen - Patio' en 'Wonen - Vrijstaand'
De systematiek van de woonbestemming is gewijzigd in onderhavig bestemmingsplan. Er is aangesloten op de huidige (ruimere) standaardbouwmogelijkheden voor woningen.

Ten aanzien van de woonbestemming is gekozen om per woningtype een aparte bestemming te maken. In onderstaande tabel is het onderscheid weergegeven.

Bestemming   Woningtypologie  
'Wonen - Aaneengebouwd'   Aaneengebouwde woningen  
'Wonen - Geschakeld'   Vrijstaand geschakelde woningen en twee-onder-een-kap woningen  
'Wonen - Gestapeld'   Gestapelde woningen  
'Wonen - Patio'   Patiowoningen  
'Wonen - Vrijstaand'   Vrijstaande woningen  

Binnen de bestemmingen mag gewoond worden en zijn ook (onder voorwaarden) aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven rechtstreeks toegestaan. Zo mag niet meer dan 40% en niet meer dan 50 m2 van het vloeroppervlak van de woning en/of bijgebouwen voor deze doeleinden worden gebruikt. Via een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan is het mogelijk een groter vloeroppervlak hiervoor te realiseren. Verder mag door het gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvinden. Bij de regels is een lijst met aan huis verbonden beroepen en bedrijven opgenomen die zijn toegestaan.

Binnen het plangebied van bestemmingsplan 't Look 2016 zijn zorgplaatsen toegestaan binnen de bestemming 'Wonen - Patio'.

Via een afwijkingsbevoegdheid zijn (afhankelijk van de bestemming) onder voorwaarden ook toegestaan:

  • a. kamerbewoning;
  • b. mantelzorg;
  • c. (extra) zorgplaatsen.

Regels hoofd- en bijgebouwen bestemmingen 'Wonen - Aaneengebouwd', 'Wonen - Geschakeld' en 'Wonen - Vrijstaand'
Op de verbeelding zijn bouwvlakken en vlakken voor bijgebouwen (aanduiding 'bijgebouwen') aangegeven. Er is gewerkt met individuele bouwvlakken (en geen bouwstroken). De hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Bijgebouwen mogen zowel binnen het bouwvlak als binnen de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd.

De diepte van de bouwvlakken verschilt. Voor aaneengebouwde woningen geldt een diepte van 10 meter, voor twee-aaneen gebouwd en vrijstaand geschakeld geldt een diepte van 12 meter. Voor vrijstaande woningen geldt een diepte van 15 meter. Wel dient altijd een minimale afstand van 5 meter aanwezig te zijn tussen de achterste bouwgrens en de achterste perceelsgrens, zodat altijd voldoende ruimte overblijft voor de achtertuin en de afstand tot de achterburen voldoende groot is.

De afstand van de bouwvlakken tot de zijdelingse perceelsgrenzen is bij aaneengebouwde (eindwoning), twee-aaneen gebouwde en vrijstaand geschakelde woningen 3 meter, tenzij er in de bestaande situatie sprake is van een kleinere afstand. Bij vrijstaande woningen geldt ook deze afstand met uitzondering van brede percelen. Dan geldt een maximale frontbreedte van 20 meter.

In de nieuwe regeling wordt niet meer de regel gehandhaafd dat een hoofdgebouw in de voorste bouwgrens wordt geplaatst. Teneinde meer flexibiliteit te bieden wordt in afwijking hiervan de mogelijkheid geboden om het hoofdgebouw ook binnen een zone van twee meter achter de voorste bouwgrens te plaatsen.

De maximale goot- en bouwhoogte staan op de verbeelding aangegeven. De dakhelling minimaal 20° en maximaal 60°.

In de huidige regeling bedraagt de afstand van bijgebouwen tot vrijstaande woningen 10 meter. In de nieuwe regeling worden de mogelijkheden verruimd. In de meeste gevallen geldt een minimale afstand van 2 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. Voor vrijstaande woningen geldt een afstand van minimaal 6 meter voorzover het bijgebouw niet gericht is naar het openbaar gebied.

Voor erkers en carports gelden aanvullende specifieke regels.

Voor de mogelijkheid van bijgebouwen in zijtuinen zijn de mogelijkheden hiervoor in overeenstemming met de beleidsnotitie planologische afwijkingen (vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 2 februari 2016).

Een en ander wordt via onderstaande afbeeldingen verder verduidelijkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0028.png"    
afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0029.png"    
afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00064-0401_0030.jpg"    

De oppervlakte van bijgebouwen, carports en overkappingen op percelen wordt gestaffeld en is afhankelijk van de omvang van het perceel. De nieuwe regels zijn alsvolgt:

De totale oppervlakte aan bijgebouwen, carports en overkappingen mag:

  • a. bij aaneengebouwde woningen ten hoogste 70% bedragen;
  • b. bij vrijstaand geschakelde en twee-onder-een-kapwoningen ten hoogste 60% bedragen;
  • c. bij vrijstaande woningen ten hoogste 50% bedragen.

Hierbij geldt een totale maximale oppervlakte van:

  • a. 150 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.500 m²;
  • b. 175 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte van 1.500 m² tot 2.000 m2;
  • c. 200 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte van 2.000 m² tot 2.500 m2;
  • d. 250 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte van 2.500 m² of groter.

Het toegestane oppervlakte wordt dus berekend over het gebied met de aanduiding 'bijgebouwen'. Dit betekent dat daarnaast nog bijgebouwen zijn toegestaan in het bouwvlak, indien dit bouwvlak niet is volgebouwd met het hoofdgebouw. Bijgebouwen die binnen het bouwvlak worden opgericht moeten ruimtelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw.

De maximale goot- en bouwhoogte van de bijgebouwen bedraagt respectievelijk 3,2 en 4,5 meter. In sommige gevallen kan hiervan worden afgeweken. Deze staan opgesomd in de regels. De dakhelling mag niet meer dan 60 graden bedragen. Verder zijn lessenaarsdaken niet toegestaan bij vrijstaande bijgebouwen. Op bijgebouwen mogen geen dakkapellen worden gebouwd.

Regels hoofd- en bijgebouwen bestemmingen 'Wonen - Gestapeld'
De bestemming 'Wonen - Gestapeld' kent alleen een bouwvlak. Deze is gelegen rondom het bestaande gebouw. Aan de zijde van de ingang van de gestapelde woningen is de bouwgrens wat ruimer getrokken, zodat er ruimte is voor bijvoorbeeld aanpassingen van de entree-partijen.

Buiten het bouwvlak zijn ook gebouwen van ondergeschikte aard toegestaan, zoals een fietsenberging.

De maximale goot- en bouwhoogte staan op de verbeelding aangegeven.

Regels hoofd- en bijgebouwen bestemmingen 'Wonen - Patio'
Voor de patiowoningen geldt een specifieke regeling. Er is een bouwvlak getrokken rondom het gebouwencomplex. De bestemming kent 1 vlak waar bijgebouwen zijn toegestaan. Voor erkers en carports gelden aanvullende specifieke bouwregels.

De maximale goot- en bouwhoogte staan op de verbeelding aangegeven. De dakhelling bedraagt minimaal 20° en maximaal 60°. Indien het bestaande hoofdgebouw plat is afgedekt is tevens een plat dak toegestaan.


Regels voor erfafscheidingen
Erfafscheidingen tot 1 meter zijn overal toegestaan. Achter het verlengde van de voorgevellijn, voorzover niet gericht naar het openbaar gebied, zijn open en dichte erfafscheidingen tot een bouwhoogte van 2 meter toegestaan. Wanneer het bouwperceel grenst aan het openbaar gebied dient een 2 meter hoge erfafscheiding achter het verlengde van de voorgevellijn open te zijn. Bestaande erfafscheidingen die hiervan afwijken mogen gehandhaafd blijven.

Voor de bestemming 'Wonen - Gestapeld' geldt een maximale bouwhoogte van 2 meter voor erfafscheidingen.


Artikel 16 Leiding - Water'
De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor een transportleiding van water.

Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter.

Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

Via een afwijkingsbevoegdheid mag er gebouwd worden conform de andere voor deze gronden geldende bestemmingen.

Artikel 17 en 18 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'
Conform het archeologiebeleid van de gemeente hebben delen van het plangebied de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 3 gekregen. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

Op of in deze gronden mogen ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw in generlei opzicht wordt vergroot;
  • b. de bouw van een gebouw of de uitbreiding van een bestaand gebouw met ten hoogste 250 m² of de bodemingreep niet dieper is dan 0,4 meter in de bestemming Waarde - Archeologie 2;
  • c. de bouw van een gebouw of de uitbreiding van een bestaand gebouw met ten hoogste 2.500 m² of de bodemingreep niet dieper is dan 0,4 meter in de bestemming Waarde - Archeologie 3.


Het bevoegd gezag heeft via een afwijkingsbevoegdheid de mogelijkheid om onder voorwaarden hiervan af te wijken.

Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 19 'Anti-dubbeltelregel'
Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Artikel 20 'Algemene bouwregels'
In de algemene bouwregels is vastgelegd dat het bouwvlak uitsluitend mag worden overschreden door ondergeschikte bouwdelen. Verder zijn kelders en parkeergarages ondergronds toegestaan waar gebouwen mogen worden gebouwd.

Ook is er een regeling opgenomen voor bestaande maten. Indien de bestaande maatvoering, afstanden, bebouwingspercentages en/of oppervlaktes van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (volgens een verleende omgevingsvergunning) afwijken van de in de regels en op de verbeelding genoemde maten zijn de bestaande maten leidend.

Tenslotte zijn regels opgenomen over parkeren. Bij (nieuw)bouw en functiewisselingen binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, dient altijd voldaan te worden aan de genoemde parkeernormen. Indien niet voldaan wordt aan de parkeernormen is het bouwen strijdig met het bestemmingsplan.


Artikel 21 'Algemene gebruiksregels'
In dit artikel zijn de algemeen geldende regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik en de regels ten aanzien van het parkeren. Bij wijziging van gebruik dient altijd voldaan te worden aan de genoemde parkeernormen. Indien niet voldaan wordt aan de parkeernormen is het gebruik strijdig met het bestemmingsplan.

Ook zijn regels opgenomen in verband met het zogenaamde vogelbeperkingengebied vanwege het vliegveld. Er is een verbod voor de volgende vormen van grondgebruik en enkele functies binnen het plangebied

  • a. oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare;
  • b. natuurbeschermingsgebieden en vogelbeschermingsgebieden;
  • c. vishouderijen met extramurale bassins;
  • d. extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal;
  • e. afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Er is een mogelijkheid af te wijken van dit indien kan worden aangetoond dat de belangen van de luchthaven Eindhoven niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 22 'Algemene aanduidingsregels'
In dit artikel zijn aanvullende regels gesteld in verband met de nabije ligging van het vliegveld Eindhoven. Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerszone - Inner Horizontal en Conical Surfice (IHCS)' geldt in aanvulling op hetgeen elders in deze planregels is bepaald dat de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan 65 meter boven NAP.

Artikel 23 'Algemene afwijkingsregels'
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het overschrijden van bouwgrenzen, maatvoeringen en beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen.

Artikel 24 'Algemene wijzigingsregels'
In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om onder voorwaarden het bouwvlak te wijzigen, in die zin dat de grootte van een bouwvlak kan worden vergroot, de vorm van het bouwvlak kan worden gewijzigd dan wel ter plaatse een nieuw bouwvlak kan worden aangegeven.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:

Artikel 25 'Overgangsrecht'
Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind.

Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk.

Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

Artikel 26 'Slotregel
De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan "t Look 2016'.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financieel

Het bestemmingsplan betreft een beheerplan. Het betreft de actualisatie van verouderde bestemmingsplannen. Dit heeft geen financiële consequenties.

6.2 Exploitatie

In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij:

  • het kostenverhaal anderszins verzekerd is;
  • er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is;
  • er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering.


In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meerdere woningen. Wijziging van het gebruik van een bestaand gebouw kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwplan.

Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. Dat kan een bestemmingsplan, een wijzigingsplan, een projectbesluit en een buiten-toepassingsverklaring van een beheersverordening zijn.

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en is niet aan te merken als een 'bouwplan' in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Derhalve bestaat er geen exploitatieplanverplichting. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is.

6.3 Maatschappelijk

In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot het voeren van communicatie. De voor dit voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.

Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.


Het concept-ontwerpbestemmingsplan ''t Look 2016' is op 22 maart 2016 in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan de overleginstanties. Gasunie heeft een reactie op het concept-ontwerpbestemmingsplan ingediend. De Gasunie komt tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen aardgastransportleiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Deze reactie is ter kennisgeving aangenomen.


Daarnaast is de waterparagraaf (zie paragraaf 4.8) in goed onderling overleg met Waterschap De Dommel tot stand gekomen.


Provinciale Staten hebben de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid vastgelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de te beschermen provinciaal ruimtelijke belangen in de Verordening ruimte 2014. In het kader van het wettelijk vooroverleg is gebruik gemaakt van het e-formulier. Hierin is ingevuld dat er sprake is van een bestaand stedelijk gebied, waarbij geen aanduidingen van toepassing zijn.


De provincie heeft zich beperkt tot de vraag hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot de provinciale belangen die op basis van het provinciaal ruimtelijk beleid relevant zijn. Het ingevulde e-formulier over de in het concept-ontwerp betrokken ruimtelijke aspecten geeft de provincie geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het wettelijk overleg kan dan als afgerond worden beschouwd. Er is geen noodzaak tot aanpassingen.


De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft laten weten dat wanneer geen nationaal belang gemoeid is, er geen vooroverleg gevoerd hoeft te worden. In dit geval is er inderdaad, zoals bij het beleidskader beschreven, geen nationaal belang gemoeid.


Zienswijzen en ambtshalve aanpassingen
Conform het gestelde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Het plan heeft van vrijdag 17 juni 2016 tot en met donderdag 28 juli 2016 ter inzage gelegen, wat gepubliceerd is in het Veldhovens Weekblad en de Staatscourant van woensdag 15 juni 2016. Naast de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan in het gemeentehuis was het ontwerpbestemmingsplan ook digitaal raadpleegbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl.


Tijdens de termijn van terinzagelegging is één zienswijze ingediend. De zienswijze is samengevat en heeft na beoordeling niet geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan. Wel zijn er ambtshalve nog enkele aanpassingen in het bestemmingsplan doorgevoerd.

Zowel de zienswijze als de ambtshalve aanpassingen zijn opgenomen in de 'Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen bestemmingsplan ’t Look 2016’', die als Bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting.

Vaststelling

Het gewijzigde bestemmingsplan is op 11 oktober 2016 vastgesteld door de gemeenteraad.