| Plan: | Keldonk, reparatieplan |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0860.KE01bb030000BP2016-VG01 |
Op 5 juli 2011 heeft de gemeenteraad van Veghel het bestemmingsplan 'Keldonk' vastgesteld. Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie van alle geldende bestemmingsplannen binnen de bebouwde kom van Keldonk. In de jaren daarna is gebleken dat het bestemmingsplan op een aantal onderdelen gerepareerd moet worden.
| 1. | Keldonkse Morgen | Toevoegen van de bouwaanduiding "twee-aaneen [tae]" aan de bouwstrook, ten behoeve van de realisatie van twee-onder-een-kapwoningen. Tevens wordt de noordelijke grens van het bouwvlak 5 meter verplaatst in noordelijke richting zodat woningen beter georienteerd kunnen worden op de bocht in de ontsluitingsweg. |
| 2. | Morgenstraat 51 - 53 | Toevoegen van de functieaanduiding 'wonen (w)' binnen het bouwvlak, ten behoeve van één woning. Dit is de bestaande woning. |
| 3. | Oudestraat ong. | Repareren van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijvigheid (sb-kl)', zoals is opgenomen in artikel 13.2.5. in de bestemming Wonen. |
| 4. | Oudestraat 2 - Morgenstraat 13 | Omwisselen van de geldende bestemmingen "bedrijf" en "wonen" op beide percelen. |
| 5. | Parapluregeling parkeren | De verwijzing naar het parkeerbeleid gaat voortaan via de regels van het bestemmingsplan in plaats van de bouwverordening. |
| 6. | Parapluregeling boringsvrije zone | In de Verordening ruimte 2015 is de ligging van de boringsvrije zone rondom het waterwingebied tussen Veghel en Erp aangepast. Deze zone wordt op de verbeelding opgenomen (gebiedsaanduiding) en in de regels zal aangegeven worden op grond van artikel 17.1 van de Verordening ruimte 2014 dat “gronden ter plaatse van de aanduiding 'Boringsvrije zone' mede strekken tot het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem”. |
Tabel 1: Korte omschrijving van de benodigde reparaties
Het plangebied bestaat uit 5 op zichzelf staande locaties. De ligging van deze locaties zijn weergegeven op de navolende verbeelding. De nummers op de afbeelding corresponderen met de nummers in de tabel hierboven.
Figuur 1.2.1: luchtfoto van het plangebied
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit 8 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 per initiatief gekeken naar de bestaande en beoogde situatie. In hoofdstuk 3 wordt gekeken naar het ruimtelijk relevante beleid. In hoofdstuk 4 wordt de toelaatbaarheid van de beoogde ontwikkelingen op de planlocaties vanuit milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt de relevante verkeersaspecten en het parkeerbeleid weergegeven. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan behandeld en in hoofdstuk 8 komt de maatschappelijke uitvoerbaarheid ter sprake.
Voor het repareren van onderdelen van het geldende bestemmingsplan 'Keldonk' is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt per reparatie een korte omschrijving van de bestaande situatie. Ook volgt een korte omschrijving van de beoogde situatie en waarom reparatie dus noodzakelijk is.
Het plangebied Keldonkse Morgen is opgezet als een projectmatige ontwikkeling met in totaal circa 50 woningen in een diversiteit aan woningtype. De gehele woonwijk is gerealiseerd met uitzondering van de de meest zuidelijk gelegen bouwstrook in het plangebied. Deze bouwstrook is bestemd voor vrijstaande woningen op ruime kavels. In de afgelopen jaren is slechts één vrijstaande woning in deze bouwstrook gerealiseerd. Er blijkt wel belangstelling te zijn voor bouwgrond, maar dan voor de realisatie van twee-onder-een-kap-woningen. Er bestaat dus behoefte aan meer flexibiliteit bij het bepalen van de omvang van de bouwkavels en het woningtype. De gemeente is bereid geweest hieraan medewerking te verlenen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking planologie. Op dit moment zijn twee woningen twee-onder-een-kap in aanbouw en er worden gesprekken gevoerd met meerdere potentiele kopers voor de realisatie van tweekappers. De wens bestaat om de realisatie van twee-onder-een-kapwoningen rechtstreeks mogelijk te maken.
De verkoop van de beschikbare bouwgrond verloopt vanuit zuidoostelijke richting naar noordwestelijke richting. Inmiddels zijn dus enkele bouwkavels verkocht, waardoor er gekeken wordt naar de verkaveling van de resterende gronden in de bouwstrook. Geconstateerd is dat het laatste bouwperceel, grenzend aan de bestemming Groen, onvoldoende bouwmogelijkheden heeft. De grens van het bouwvlak loopt niet eenwijdig aan de zijdelingse bouwperceelsgrens. Ook kan de voorzijde van de nieuwe woning onvoldoende georienteerd worden op de bocht in de ontsluitingsweg. De wens bestaat deze situatie te repareren.
In het geldende bestemmingsplan 'Keldonk' kunnen binnen de bouwstrook alleen vrijstaande woningen wordt opgericht. Er bestaat ook behoefte aan de realisatie van twee-onder-een-kapwoningen binnen de bestaande bouwstrook. De reparatie betreft het toevoegen van de bouwaanduiding 'twee-aaneen [tae]' aan de bouwstrook.
Aan de noordzijde van het bestemmingsvlak Wonen loopt de grens van het bouwvlak niet evenwijdig aan de grens van het bestemmingsvlak. Bovendien ligt dit bouwkavel in de bocht van de weg, waardoor het stedenbouwkundig wenselijk is de situering van de toekomstige woning verder door te laten lopen in de bocht. De reparatie betreft een verruiming van de bestemming Wonen ten koste van de bestemming Groen, over een breedte van 5 meter. Het bouwvlak zal evenwijdig aan de nieuwe bestemmingsgrens Wonen komen te liggen op een afstand van 3 meter.
De planlocatie Morgenstraat 51-53 ligt aan het dorpslint Morgenstraat-Antoniusstraat in het hart van de kern Keldonk en omvat de kadastrale percelen gemeente Erp, sectie P, nrs. 1490 en 1491.
De planlocatie grenst aan de oostzijde en de noordzijde aan het complex van de R.K. Kerk van de Heilige Antonius van Padua. Aan de westzijde ligt de Oudestraat en 't Plein, het groene hart van het centrum.
Het hoofdgebouw is in 1913 opgericht ten behoeve van de voormalige Antoniusschool. Het object vormt samen met de kerk, pastorie en klooster aan Morgenstraat 55 en het tegenoverliggende cafe aan Morgenstraat 58-60 een belangwekkend element in de dorpsgeschiedenis van Keldonk en de ontwikkeling van het onderwijs in het bijzonder. Het hoofdgebouw is daarom aangemerkt als gemeentelijk monument.
Op de planlocatie is het bedrijf Frituur-Café-Zaal "De Oude School" gevestigd. De aanwezige bebouwing bestaat uit een hoofdgebouw van ca. 525 m2 en twee bijgebouwen van totaal ca. 80 m2. Binnen het bestaande pand is één woning gevestigd.
Alle bebouwing ligt binnen de bestemming Horeca, het erf achter het hoofdgebouw heeft de bestemming erf bij Wonen. Binnen de horecabestemming zijn de functies horeca tot en met categorie 2 en feestzalen toegestaan. Aan de voorzijde is een aanduiding opgenomen voor een terras. Aan de westzijde aan Oudestraat zijn nog 10 openbare parkeerplaatsen aangelegd op eigen terrein.
Bij de actualisatie van de bestemmingsplannen binnen de bebouwde kom van Keldonk is abusievelijk de bestaande woning niet meegenomen in de inventarisatie van de bestaande situatie. Deze omissie dient hersteld te worden. De reparatie voorziet in het toevoegen van de functieaanduiding 'wonen (w)' binnen het bouwvlak, ten behoeve van één woning.
In de structuurvisie van Keldonk zijn kansen benoemd voor het instandhouden van kleinschalige bedrijvigheid en de lokale economie. Binnen de bebouwde kom is de Oudestraat van oudsher een locatie voor een combinatie van wonen en kleinschalige bedrijven in de milieucategorie 1 en 2. Deze kans is planologisch doorvertaald door middel van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijvigheid (sb-kl)' binnen de bestemming Wonen.
Bij het verlenen van omgevingsvergunningen is gebleken dat de regels binnen deze functieaanduiding niet correct en volledig zijn gedefinitieerd. Daarom dient deze regeling, zoals is opgenomen in artikel 13.2.5. in de bestemming Wonen als volgt gerepareerd te worden:
De planlocatie Oudestraat 2 - Morgenstraat 13 ligt aan het dorpslint Morgenstraat-Antoniusstraat, aan het begin van de bebouwde kom van Keldonk vanaf de N279. De planlocatie bevat de kadastrale percelen gemeente Erp, sectie P, nrs. 1846, 1847 en 1848.
De planlocatie grenst aan de oostzijde aan de lintbebouwing van Morgenstraat. Aan de westzijde ligt de Oudestraat, deze weg is doodlopend voor gemotoriseerd verkeer maar is middels een zandpad verbonden met het resterende deel van de Oudestraat.
Op 13 oktober 1988 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Erp het bestemmingsplan "Keldonk, herziening Morgenstraat 13" vastgesteld voor het oprichten van bedrijfsbebouwing, bij het bestaande woonhuis. Op 10 maart 2005 is bouwvergunning verleend voor het slopen van een deel van de bedrijfsgebouwen en het verbouwen van bestaande bedrijfsgebouwen tot kantoor, gelegen aan Oudestraat 2. Daarna heeft er ook een kadastrale splitsing plaatsgevonden. Op het kadastraal perceel P.1848 aan Oudestraat 2 is op dit moment het bedrijf Verhoeven Fijnmechanisch Ontwerpburo B.V gevestigd. De resterende kadastrale percelen 1847 en 1848 behoren tot de woning aan Morgenstraat 13. Op deze percelen is een woonhuis gelegen, bestaande uit een hoofdgebouw van circa 75 m2, een aangebouwd bijgebouw van ca. 130 m2 en een vrijstaand bijgebouw van circa 30 m2.
Bij de actualisatie van de bestemmingsplannen binnen de bebouwde kom van Keldonk zijn abusievelijk de bestemmingen "Bedrijf" en "Wonen" verwisseld. De bestemming "Bedrijf is opgenomen voor Morgenstraat 13 terwijl deze bestemming moet gelden voor Oudestraat 2. De bestemming "Wonen" is opgenomen voor Oudestraat 2 terwijl deze bestemming moet gelden voor Morgenstraat 13. Deze omissie dient hersteld te worden.
De reparatie voorziet in:
- Morgenstraat 13 (kadastrale percelen P.1847 en P.1848): Bestemming "Wonen" met een bouwvlak van 15 meter diep en 15 meter breed rondom het hoofdgebouw, tot op een afstand van 6 meter uit de grens met Oudestraat en 10 meter tot aan de grens met Morgenstraat. In het bouwvlak wordt de bouwaanduiding "vrijstaand [vrij]" opegenomen en een maximale goot-/bouwhoogte van 6,5/10 meter. Buiten het bouwvlak gelden de functieaanduiding "Tuin (t)", grenzend aan de Morgenstraat en Oudestraat, en de functieaanduiding "Erf (e)" voor het resterende deel van de percelen.
- Oudestraat 2 (kadastraal perceel P.1846): Bestemming "Bedrijf" ten behoeve van bedrijven in milieucategorie 1 en 2, met een bouwvlak van 15 meter diep en 20 meter breed rondom het hoofdgebouw, tot op een afstand van 6 meter uit de grens met Oudestraat. Binnen het bouwvlak kunnen bedrijfsgebouwen opgericht worden met een maximale goot-/bouwhoogte van 6,5 meter.
- De overige bepalingen uit het bestemmingsplan 'Keldonk', waaronder de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie", blijven ongewijzigd.
In het vigerende bestemmingsplan 'Keldonk' is in paragraaf 11.4 het beleidskader ten aanzien van parkeren opgenomen. Het beleid van de gemeente Veghel, vastgelegd in de Nota Parkeernormen 2006, is erop gericht dat parkeren in principe op eigen terrein wordt ondervangen. Binnen de bestemmingen van verkeers- en verblijfsgebieden is het realiseren van parkeervoorzieningen mogelijk. In de regels van het bestemmingsplan zijn geen parkeernormen opgenomen. Op grond van artikel 9 lid 2 Woningwet gelden bij de toets van bouwaanvragen de parkeernormering van de bouwverordening (artikel 2.5.30).
Sinds 1 november 2014 is artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Er is een onderdeel aan het Bro toegevoegd op grond waarvan het mogelijk is om zogenaamde 'wet-interpreterende' regels op te nemen in het bestemmingsplan. Geregeld is dat ten behoeve van de goede ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan regels kunnen worden opgenomen, waarvan de
uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hiermee is het mogelijk gemaakt om een regeling voor het parkeren op te nemen in een bestemmingsplan, zonder de parkeernormen concreet vast te leggen.
Vanaf 29 november 2014 is het ook noodzakelijk geworden dat een dergelijke bepaling voor het
parkeren in het bestemmingsplan wordt opgenomen. Toen is namelijk de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Deze wet regelt formeel dat de grondslag voor het opnemen van stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening is komen te vervallen voor na deze datum vastgestelde bestemmingsplannen.
In paragraaf 5.2 van deze toelichting zijn de parkeernormen opgenomen, zoals ze gelden op het moment dat dit bestemmingsplan vastgesteld wordt.
Op de verbeelding wordt het gehele plangebied van bestemmingsplan 'Keldonk' opgenomen in een gebiedsaanduiding Parkeren (par).
In de regels van het plan is in een algemene aanduidingsregel opgenomen dat bij het oprichten van hoofdgebouwen voldaan moet worden aan 'voldoende parkeren'. Onder voldoende wordt ten minste verstaan het parkeren op eigen terrein voor de eigen parkeerbehoefte van de bewoners. Het bezoekersparkeren kan (deels) plaatsvinden in het openbaar gebied. De huidige normen zijn terug te vinden in de Nota Parkeernormen Veghel (2006), zoals hiervoor beschreven in paragraaf 5.2. De normstelling wordt afhankelijk gesteld van een beleidsregel parkeren, zoals deze geldt op het
moment dat de omgevingsvergunning voor het oprichten van een woning wordt ingediend. Dat houdt in
dat als er tussentijds wijzigingen optreden in de vastgestelde normen, de aanvrager van een
omgevingsvergunning voor de woningen daar rekening mee dient te houden. Tevens is een ontheffingsregel opgenomen.
Onder strijdig gebruik ik artikel 6 is een lid toegevoegd voor het niet-instandhouden van de parkeervoorzieningen.
In de Verordening ruimte 2015 is de ligging van de boringsvrije zone rondom het waterwingebied tussen Veghel en Erp aangepast. Deze zone wordt op de verbeelding opgenomen (gebiedsaanduiding) en in de regels zal aangegeven worden op grond van artikel 17.1 van de Verordening ruimte 2014 dat "gronden ter plaatse van de aanduiding 'Boringsvrije zone' mede strekken tot het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem".
Deze gebiedsaanduiding heeft een signaleringsfunctie, alle regels omtrent de boringsvrije zone liggen vast in provinciale verordeningen.
Bij het opstellen van een bestemingsplan moet rekening worden gehouden met het actuele ruimtelijke beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Dit hoofdstuk bespreekt de hoofdlijnen van de beleidskaders die specifiek zijn voor de vijf planlocaties in dit bestemmingsplan.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. De SVIR geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Deze doelen zijn vertaald in nationale belangen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro geeft het Rijk de algemene regels aan, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In samenhang met het beleid dat is aangegeven in de Structuurvisie, zijn deze regels vooral gericht op het veilig stellen van de nationale belangen waarvoor, gelet op de belangen, beperkingen gelden voor de ruimtelijke besluitvorming op lokaal niveau. In het Barro zijn momenteel veertien projecten van nationaal belang beschreven:
Op termijn zal ook nog volgen, blijkens publicaties van de Rijksoverheid, een onderwerp genaamd “duurzame verstedelijking”.
De volgende nationale belangen hebben doorwerking in de gemeente Veghel:
Rijksvaarwegen
De belangrijkste vaarwegen van Nederland, waaronder de Zuid-Willemsvaart, vormen samen het Hoofdvaarwegennet (HVWN), dat in beheer is bij het Rijk. Op de Rijksvaarwegen staat een vlotte en veilige doorvaart van de beroepsvaart centraal. Op dit te waarborgen dienen gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met het voorkomen van belemmeringen voor:
De zone waarbinnen belemmeringen voorkomen moeten worden (vrijwaringszone) is afhankelijk van de CEMT-klasse van de vaarweg. De Zuid-Willemsvaart is een Rijksvaarweg van CEMT-klasse IV. Voor deze CEMT-klasse geldt een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijden van de vaarweg.
Geen van de planlocaties liggen binnen de vrijwaringszone van de Zuid-Willemsvaart.
Defensie
Ten oosten van de gemeente Veghel, in de gemeente Uden, ligt militair luchtvaartterrein 'Volkel'. Het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel (met een straal van 15 kilometer) ligt over het grondgebied van de gemeente Veghel.
Figuur 3.2.2: Bijlage 8.4. bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening
Binnen het radarverstoringsgebied is een maximale hoogte opgenomen voor bouwwerken. De in artikel 2.4 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) opgenomen maximale hoogtebeperking start op een hoogte 49 meter (hoogte van de radarinstallatie) en loopt op met een hoek van 0,25º tot een hoogte van 114 meter op een afstand van 15 kilometer van de installatie. De hoogte van de bebouwing die mogelijk gemaakt wordt binnen de vijf plangebieden blijven daar ruimschoots onder, er worden dus geen rijksbelangen geschaad.
Hoofdwegen en hoofdspoorwegen
De belangrijkste autowegen van Nederland, waaronder de A50, vormen samen met het Hoofdwegennet (HWN), dat in beheer is bij het Rijk. Langs de hoofdwegen zijn reserveringsgebieden (vrijwaringszones) aangewezen ten behoeve van mogelijke toekomstige wegverbreding. Voor de A50 geldt een vrijwaringszone van 34 meter aan weerszijden van de weg. Geen van de planlocaties liggen binnen de vrijwaringszone van de A50.
Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
Ten zuiden van Boerdonk ligt een voorkeurstrace voor buisleidingen van nationaal belang. Binnen dit trace met een breedte van 70 meter zijn geen nieuwe activiteiten toegestaan die een belemmering vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Geen van de vijf planlocaties liggen binnen het voorkeurstrace.
Ecologische hoofdstructuur
De ecologische hoofdstructuur vormt een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden van (inter)nationaal belang. De ecologische hoofdstructuur stelt het leefgebied van soorten veilig en helpt te voorkomen dat planten en dieren in gebieden geisoleerd raken en uitsterven. Om zeker te stellen dat wordt voldaan aan de internationale verplichtingen op het vlak van biodiversiteit en dat de samenhang van het stelsel wordt verzekerd, is borging van een landsbreed planologisch beschermingsregime noodzakelijk. Daarom is de ecologische hoofdstructuur als een nationaal ruimtelijk belang opgenomen in de SVIR.
In het Barro is opgenomen dat provincies verantwoordelijk zijn voor de aanwijzing en bescherming van de ecologische hoofdstructuur. Provincies moeten verzekeren dat de begrenzing en het planologische beschermingsregime, doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen en regels daarbij. Deze doorwerking is geregeld in de provinciale Verordening ruimte. De planlocaties in onderhavig bestemmingsplan maken geen van allen onderdeel uit van een ecologische hoofdstructuur.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gevolgd wanneer planologisch nieuwe “stedelijke ontwikkelingen” mogelijk worden gemaakt.
Als sprake is van een kleinschalige ontwikkeling, dan wordt een uitzondering gemaakt op het begrip nieuwe stedelijke ontwikkeling en is de ladder voor duurzame verstedelijking dus niet van toepassing. Zo oordeelde de Raad van State al dat de ontwikkeling van acht woningen dermate kleinschalig is, dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
In planlocatie 1 wordt de bouwaanduiding voor twee-onder-een-kapwoningen toegevoegd, naast de geldende bouwaanduiding voor vrijstaande woningen Door deze toevoeging kunnen extra woningen binnen het bestaande bouwvlak opgericht worden. In plaats van circa 8 vrijstaande woningen kunnen er ook 10 twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd worden. Volgens jurisprudentie is bij de realisatie van 2 à 3 extra woningen (afhankelijk van het type woning; vrijstaand of twee-onder-een-kap) geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, en hoeft de ladder niet doorlopen te worden.
Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant (SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is in 2014 partieel herzien. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening is het provinciaal ruimtelijk beleid vastgelegd tot 2025, met een doorkijk naar 2040. Deel B van deze structuurvisie beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uit werkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: Groenblauwe structuur, Landelijk gebied, Stedelijke structuur en Infrastructuur. In de structuren staat hoe de provincie aankijkt tegen de ontwikkeling van functies.
Op de bij de Structuurvisie behorende Structurenkaart liggen de planlocaties 1 tot en met 5 binnen "bestaand stedelijk gebied, kern in het landelijk gebied". Tevens valt een deel van de bebouwde kom van Keldonk binnen de tracezone Brainport-Oost, waar de provincie streeft naar een verbetering van de (inter)nationale en regionale bereikbaarheid van BrabantStad met omliggende stedelijke netwerken. De N279 maakt onderdeel uit van de voorgenomen noordoost corridor (voltooiing 'ruit' om Eindhoven-Helmond).
De Verordening ruimte is één van de uitvoeringsinstrumenten die de provincie inzet bij de realisatie van haar doelen en het borgen van haar belangen. Bij de keuze voor het instrument verordening is het belangrijk dat dit het enige instrument is voor de provincie dat vooraf aangeeft waarmee de gemeente rekening moet houden én dat rechtstreeks doorwerkt naar de ruimtelijke besluitvorming op gemeentelijk niveau.
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben in hun vergadering van 10 juli 2015 de Verordening ruimte 2014 opnieuw vastgesteld. In deze verordening zijn alle vastgestelde wijzigingen na vaststelling op 7 februari 2014 van regels en kaarten verwerkt, inclusief de wijzigingen vanwege het in procedure gebracht ontwerp ‘Wijziging Verordening ruimte 2014, veegronde regels 2’. De wijzigingen zijn beleidsarm en zijn hoofdzakelijk technisch van aard. Op 15 juli 2015 is de Verordening ruimte 2014 in werking getreden. In de provinciale verordening Ruimte van de Noord-Brabant zijn regels opgenomen waar gemeente bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening mee dient te houden. In de verordening worden de provinciale belangen veilig gesteld.
Het plangebied ligt in het gebied wat volgens de Verordening ruimte 2014 binnen de structuur 'bestaand stedelijk gebied, kern in landelijk gebied'. Ter plaatse gelden rechtstreeks werkende regels in de vorm van beperkingen voor de veehouderij en mestbewerking, die functies komen echter niet binnen het plangebied voor. De rechtstreeks werkende regels ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik bij stedelijke ontwikkeling voorzien in het toepassing geven aan de ladder van duurzame verstedelijking, zoals genoemd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. In paragraaf 3.2.3 wordt hierop nader ingegaan.
Figuur 3.2.5.1: Verordening ruimte 2014 van de Provincie Noord-Brabant (geconsolideerde versie 01-01-2016)
In 2015 is het waterwingebied van Brabant Water tussen Veghel en Erp aangepast, waarbij de boringsvrije zone rondom het waterwingebied ook een stuk zuidelijker is komen te liggen. Met de kaartaanpassingen 'Wijziging verordening ruimte 2014, kaartaanpassingen 3' door Gedeputeerde Staten op 6 oktober 2015, ligt de boringsvrije zone gedeeltelijk over de bebouwde kom van Keldonk, en dus over de planlocaties 1 tot en met 5. Daarom is in dit bestemmingsplan de planlocatie 6 opgenomen ten behoeve van de reparatie van de boringsvrije zone.
Figuur 3.2.5.2: Wijziging verordening ruimte 2014, kaartaanpassingen 3, vastgesteld op 6 oktober 2015
Regionale afstemming van de woningbouw
In de Verordening Ruimte is het instellen van het Regionaal Ruimtelijk Overleg geregeld. In de verordening wordt aangegeven dat de deelnemers regionale afstemming plegen en afspraken maken over de programmering en planologische voorbereiding van de bouw van woningen.
Ook wordt in de verordening geregeld dat Gedeputeerde Staten ten minste eens per bestuursperiode een prognose van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen, zeehaventerreinen en kantoren opstellen en deze voorleggen aan de regionale ruimtelijke overleggen. De meest recente prognoses zijn in december 2015 vastgesteld door GS. Het gemeentelijke woningbouwprogramma is op deze taakstelling afgestemd.
Conclusie
Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die de provinciale belangen schaden.
Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van Veghel de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd. Veghel doet dat voor de periode tot 2030 en voor het hele grondgebied van de gemeente. In en rond de kern Keldonk is sprake van twee soorten locaties. Voor enkele locaties geldt dat ontwikkeling voor 2030 vrijwel zeker is omdat er in het verleden keuzes gemaakt zijn. Deze locaties zijn op de kaart aangegeven als ‘woningbouwlocaties kerkdorp’. Alle andere locaties zijn op de kaart opgenomen als ‘strategische ontwikkellocaties’ en zijn als reserve opgenomen. Op deze locaties kan woningbouw plaatsvinden, maar de exacte invulling, fasering en bijvoorbeeld de gewenste woningtypen zijn nog niet vastgelegd. De gemeente zal zorgvuldig bekijken waar en wanneer deze strategische ontwikkellocaties in harde woningbouwplancapaciteit worden omgezet, vooral omdat een teveel aan harde woningbouwplannen de noodzakelijke flexibiliteit voor de toekomst ontneemt.
Figuur 3.3.1.1: woningbouwlocaties en strategische ontwikkellocaties kern Keldonk (bron: Structuurvisie Veghel 2030)
De planlocaties 1 tot en met 6 liggen allen binnen de huidige bestaande kern Keldonk en zijn dus in overeenstemming met de structuurvisie.
Mei 2012 heeft de gemeenteraad van Veghel de Woonvisie 2012-2015 'Werken aan Wonen in Veghel' vastgesteld.
Deze woonvisie vervangt de woonvisie 2030 'Uden-Veghel, Gastvrij wonen in een groene regio', voor Veghel vastgesteld in 2007. De woningmarkt is sinds 2007 volledig veranderd. Dit is de belangrijkste reden om de visie uit 2007 te herzien. Dit is ook de reden dat voor een kortere tijdshorizon is gekozen. In de Woonvisie 2012-2015 is een splitsing gemaakt tussen de kwantitatieve en de kwalitatieve woningbouwopgave.
In de woonvisie is uitgegaan van een kwantitatieve opgave voor de gemeente Veghel op grond van de provinciale prognose 2011. Op basis hiervan wordt uitgegaan van een opgave van 2012 t/m 2022 van ca extra 1820 woningen, om te voorzien in de geprognotiseerde woningbehoefte.
Voor de kwalitatieve opgave wordt ingezet op 2 thema's: ruimte creëren voor alle doelgroepen en vergroten van de toekomstbestendigheid van de woningvoorraad. De woonvisie bevat samenhangende maatregelen voor diverse bijzondere doelgroepen (onder andere lage inkomens, starters, senioren, mensen met een beperking). De vergroting van de toekomstbestendigheid van de woningvoorraad wordt gezocht in maatregelen gericht op kwaliteitsverbetering, vergroting van de diversiteit en versterking van de leefbaarheid.
De Woonvisie 2012-2015 zal in 2015 worden geactualiseerd. Naast de in de Woonvisie 2012-2015 opgenomen onderwerpen zal betaalbaarheid een thema zijn, wat in de actualisatie meer specifiek aan de orde zal komen.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling in planlocatie1 is gericht op het verruimen van de woningtypologieën, waardoor 2 tot 3 extra woningen gecreeerd kunnen worden binnen de bestaande bouwstrook. De toevoeging van dit geringe aantal woningen past binnen het actuele woningbouwprogramma van de gemeente Veghel. En past daarmee binnen de in het RRO afgestemde Regionale Woningbehoefte.
Kwantitatief is de woningbouwontwikkeling binnen dit bestemmingsplan gewenst om een gedifferentieerd aanbod van woningen te generen binnen kern Keldonk, waarmee tevens de leefbaarheid ondersteunt wordt. Het draagt bij aan het brede scala van woonmilieus binnen de gemeente Veghel.
De ontwikkelingen binnen planlocaties 2 tot en met 6 hebben geen invloed op de woningvoorraad.
De gemeente Veghel werkt in 2015 eveneens aan de actualisatie van het in 2009 opgestelde woningbehoefte onderzoek. Aan de hand hiervan wil de gemeente meer kunnen sturen op de kwalitatieve invulling van het woningbouwprogramma.
Ten behoeve van de actualisatie van het woningbehoefteonderzoek heeft in 2014 een Woonwensenonderzoek plaatsgevonden. Hieruit kan in ieder geval geconcludeerd worden, dat je kritisch moet kijken in hoeverre de aangegeven verhuiswensen ook daadwerkelijk gerealiseerd zullen worden. Daarom is het van belang een bestemmingsplan zo flexibel mogelijk op te stellen.
Bij de verkoop van de laatste bouwkavels in De Keldonkse Morgen is gebleken dat het vereiste woningtype vrijstaand en de daarbij behorende omvang van de bouwkavels niet aansluiten bij de behoefte van potentiele kopers. Daarom wordt in planlocatie 1 het woningtype vrijstaand verruimd met de bouw van twee-onder-een-kapwoningen. Op deze manier kan beter ingespeeld worden op de woonbehoefte.
Programmatische invulling
Prijs/kwaliteit is een steeds belangrijker criterium voor woningzoekenden, nu de woningmarkt definitief een vraagmarkt is geworden. Voor de woningvraag zijn niet alleen leeftijd en huishouden-samenstelling van belang. Ook de inkomensontwikkeling is van belang bij de realisatie van de gewenste woonsituatie.
Vraag- en aanbodverhoudingen worden permanent gemonitord. Fasering van bouwprojecten onderling als ook flexibele ontwikkeling van bouwplannen zijn van belang om te kunnen blijven inspelen op veranderende marktomstandigheden of specifieke kwaliteitsvragen.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling in planlocatie 1 geeft nieuwe mogelijkheden voor de realisatie van twee-onder-een-kapwoningen, naast het geldende woningtype vrijstaand. Deze verruiming van de bouwmogelijkheden is gebaseerd op een veranderende vraag van de keldonkse bevolking. Deze geringe toename van het aantal woningen kan moeiteloos ingepast worden in het gemeentelijke woningbouwprogramma.
Het bestemmingsplan Keldonk, reparatieplan past binnen de kaders van het rijksbeleid, provinciale beleid en het gemeentelijke beleid.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient bij het opstellen van een bestemmingsplan te worden verantwoord dat er geen nadelige gevolgen zijn voor de huidige planologische- en milieuhygienische situatie. In onderstaande paragrafen worden de verschillende milieuaspecten nader toegelicht en getoetst.
Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
De gemeente Veghel heeft samen met de gemeenten Bernheze, Boxmeer, Boxtel, Landerd, Maasdonk, Mill & St. Hubert, Schijndel, St. Anthonis, St. Michielsgestel en Uden een "bodemkwaliteitskaart regio Noordoost Brabant" opgesteld. Doel van een bodemkwaliteitskaart is het vaststellen van de algehele bodemkwaliteit van het beheersgebied, zodat op basis van de bodemkwaliteitskaart het grondverzet plaats kan vinden binnen de regels en richtlijnen van het Besluit bodemkwaliteit 2008. Volgens de bodemfunctiekaart is de gehele bebouwde kom van Keldonk aangemerkt als functie "Wonen".
In onderhavig bestemmingsplan wordt beoogd de bestaande situatie vast te leggen en planologische omissies in bestemmingsplan 'Keldonk' te herstellen. Dit betekent dat voor bouwactiviteiten binnen een bestaande situatie de bescherming tegen bouwen op verontreinigde grond wordt geboden in de Woningwet en de gemeentelijke bouwverordening.
De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in de Wet geluidhinder en de Wet luchtvaart. In de Wet geluidhinder zijn normen opgenomen voor industrie-, weg- en spoorweglawaai. De Luchtvaartwet stelt normen aan luchtvaartlawaai.
Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging.
Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De 30 km wegen zijn niet gezoneerd in de Wet geluidhinder. Dit betekent dat er voor 30 km wegen geen verplichting bestaat tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting. In het kader van de ruimtelijke ordening kan evenwel onderzoek noodzakelijk zijn om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Het Bouwbesluit bepaalt dat er aan een binnenwaarde van 33 dB moet worden voldaan. Wordt deze norm overschreden dan zal de initiatiefnemer maatregelen moeten treffen om alsnog de grens van 33 dB te realiseren. Op grond van het Bouwbesluit is bepaald dat een standaardgevel 20 dB reduceert. Een gevel met een geluidsbelasting van 53 dB heeft een binnenwaarde van 33 dB (53-20=33). Op grond hiervan is geconstateerd dat als de geluidsbelasting gelijk of kleiner dan 53 dB, er geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is.
Bij planlocatie 1 in Keldonkse Morgen worden de bouwmogelijkheden verruimd voor meerdere woningtypologien. De bouwstrook voor de hoofdmassa blijft echter ongewijzigd, waardoor de afstand van de woningen tot aan de weg gelijk blijft. Er is dus geen akoestisch onderzoek vereist. Bij planlocaties 2 tot en met 6 wordt niet voorzien in de oprichting van nieuwe geluidgevoelige objecten. Wegverkeerslawaai vormt dus geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Langs alle spoorwegen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de spoorweg getoetst moet worden.
Geen van de planlocaties ligt binnen de geluidszone van een spoorweg. Spoorweglawaai vormt dus geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Volgens de Wet geluidhinder moeten alle terreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, gezoneerd zijn. Bedoelde inrichtingen - voorheen ook wel A-inrichtingen genoemd - zijn te vinden in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen geldt een geluidzone die wordt vastgelegd in bestemmingsplannen.
Geen van de planlocaties ligt binnen een dergelijke geluidszone. Industrielawaai vormt dus geen belemmmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Ten behoeve van de bestrijding van de geluidhinder door vliegtuigen legt de Luchtvaartwet regels vast met betrekking tot de zonering rondom luchtvaartterreinen. Een essentieel onderdeel van de zonering betreft het vaststellen van geluidszones rond elk luchtvaartterrein. Hiervoor zijn veelal berekeningen van zowel de actuele als de voor de toekomst te verwachten geluidsbelasting noodzakelijk. De berekening van de geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke) van landende en opstijgende luchtvaartuigen zoals is vastgelegd in de Luchtvaartwet.
Het plangebied is gelegen buiten de indicatieve 35 Ke-contour van Vliegbasis Volkel. Deze contour vloeit voort uit het Structuurschema Militaire Terreinen I (SMT-I) en is vervolgens ook als uitgangspunt genomen voor het SMT-2 en overige aanpassingen. Het plangebied is eveneens gelegen buiten de 30 Ke-contour en op basis van een prognose eveneens buiten de 20 Ke-contour van de vliegbasis.
In juni 2014 is er een nieuw ontwerp luchthavenbesluit ter inzage gelegd. De onderbouwing van de 35 Ke-contour van het besluit komt uit het rapport "Geluidsbelasting rond de militaire luchthaven Volkel door vliegverkeer. MER militaire luchthaven Volkel 2012" (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, NLR-CR-2012-041-PT-1). De 35 Ke-contouren van alle varianten (zo ook de voorgenomen 'Geheel Niemeskant-variant') liggen ook in dit rapport ruimschoots buiten het plangebied.
Op 4 september 2015 is het Luchthavenbesluit Volkel genomen. De gehele 35 Ke-contour, opgenomen als bijlage 3 van het besluit, ligt buiten het grondgebied van de gemeente Veghel. Daarmee vormt het vliegtuiglawaai van de vliegbasis Volkel geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Als een project niet in betekenende mate aan een verslechtering van de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden.
Besluit niet in betekenende mate (NIBM)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Binnen het plangebied worden in totaal minder dan 2.000 woningen gerealiseerd, waarbij het gebied vanaf verschillende zijden wordt ontsloten. Dit betekent dat op basis van het Besluit NIBM de gevolgen van het voornemen voor de luchtkwaliteit niet hoeven te worden getoetst aan de eisen uit de Wet luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt dus geen belemmmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De regelgeving voor geur van dierenverblijven ligt vast in de op 1 januari 2007 in getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Deze regelgeving, die onderscheid maakt in voorgrondbelasting en vaste afstanden, dient in de eerste plaats voor de vaststelling van de vraag of voor een veehouderij een omgevingsvergunning kan worden verleend of een melding kan worden geaccepteerd.
Daarnaast zijn deze eisen ten aanzien van de maximale geurbelasting of minimaal aan te houden afstanden ook van belang bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde geurgevoelige bestemming kan worden gerealiseerd nabij een veehouderij. Deze zogenaamde 'omgekeerde werking' heeft dus betrekking op ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Vanuit vaste jurisprudentie bij de ontwikkeling van bestemmingsplannen mag tevens geen sprake zijn van een aantasting van bestaande rechten van veehouderijen en moeten deze plannen ook worden getoetst aan het criterium 'aanvaardbaar woon-, leef- en /of werkklimaat'.
Geurverordening
De gemeente Veghel heeft op 21 februari 2008 een geurverordening met bijbehorende gebiedsvisie vastgesteld. Op 23 december 2010 en 13 februari 2015 is deze geurverordening op onderdelen gewijzigd.
Daarnaast is in een zone van 250 meter rond alle kernen de vaste afstand gehalveerd van 50 naar 25 meter. Dat betekent voor het plangebied Veghels Buiten dat er in een zone van 250 meter om de bestaande bebouwde kom een gehalveerde afstand voor daar gelegen geurgevoelige objecten geldt. Hieronder is een overzicht opgenomen van de te hanteren geurnormen en zones:
Figuur 4.4.2: Geurnormen en zone voor halvering van vaste afstanden (Actualisatie Geurverordening 2010)
Conclusie
De plangebieden 1 tot en met 6 van dit bestemmingsplan zijn allen gelegen binnen het bestaand woongebied van de kern Keldonk. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwvestiging mogelijk van geurgevoelige objecten. Er is dus geen sprake van enige effecten op de omgekeerde werking en/of het aanvaardbaar woon-, leef- en /of werkklimaat. Geur vormt dus geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden.
Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg.-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.
Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid is onder andere gebruik gemaakt van de nationale risicokaart (2011).
Figuur 4.5.1: uitsnede van de Risicokaart
Geen van de planlocaties valt binnen een plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. De nabij gelegen N279 is een transportroute voor gevaarlijke stoffen, maar de vervoersfrequentie over deze weg is dusdanig laag dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour buiten deze weg. Externe veiligheid vormt dus geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In het plangebied bevinden zich geen kabels en leidingen die een belemmering kunnen vormen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Gebiedsbescherming
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EL&I (voormalig Ministerie van LNV). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Soortenbescherming
De bescherming van plant- en diersoorten is geregeld in de Flora- en faunawet. Ongeveer 500 soorten, van de 36.000 soorten die in Nederland voorkomen, vallen onder de bescherming van deze wet. Om kwetsbare soorten te beschermen bevat de Flora- en faunawet een aantal verbodsbepalingen, zoals het verbod op het doden of verontrusten van dieren of het verbod om planten te plukken.
De wet is bedoeld om soorten te beschermen en dient niet ter bescherming van individuele planten of dieren. Het is erop gericht het voortbestaan van de soort niet in gevaar te brengen. Bij werkzaamheden is de Flora- en faunawet alleen van toepassing als binnen het werkgebied beschermde soorten voorkomen. Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten vallen ook onder de bescherming van de wet.
Onderzoek en conclusie
Het planlocaties 1 tot en met 6 liggen allen binnen de bebouwde kom van Keldonk. Op geen van de locaties is een gebiedsbescherming van toepassing of liggen ze nabij een gebied waarop gebiedsbescherming van toepassing is. De Natuurbeschermingswet 1988 geeft geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plan.
Nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna wordt niet noodzakelijk gacht. Voor de geplande activiteiten is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en faunawet noodzakelijk en zijn geen compenserende maatregelen nodig.
Planlocatie 1 betreft een reparatie van het bouwvlak in de bestemming Wonen ten behoeve van het woningtype twee-onder-een-kapwoning en ten behoeve van een betere oriëntatie van de voorzijde van de woningen in de bocht van de ontsluitingsweg. Hierdoor komt de woonbestemming 5 meter over de bestaande groenbestemming heen. Het bestaande grasveld wordt hierdoor kleiner. Echter de geldende groenbestemming heeft een dermate overmaat, dat deze aanpassing geen gevolgen heeft voor de flora of fauna in het gebied.
De aanwezige flora en fauna vormt dus geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Gemeentelijk beleid
Veghel heeft voor het gehele grondgebied van de gemeente een eigen archeologische inventarisatie laten uitvoeren en hiermee vervolgens de bestaande, provinciale, cultuurhistorische waardenkaart laten actualiseren. De "Archeologische Verwachtingskaart Gemeente Veghel" is vastgesteld in maart 2009. Op de verwachtingskaart staan naast de reeds bekende archeologische waarden ook de te verwachten archeologische waarden in de vorm van zones met een bepaalde trefkans. Hiermee wordt een beeld verkregen waar archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Deze verwachtingskaart dient als instrument om archeologisch beleid mee te voeren.
In het bestemmingsplan "Keldonk" is ter bescherming van de archeologische waarden voor het gehele plangebied een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie" opgenomen met inbegrip van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Onderhavig bestemmingsplan betreft een reparatie van 6 onderdelen. De voorgenomen ontwikkelingen op deze planlocaties hebben geen invloed op de archeologische waarden. De dubbelbestemming "Waarde Archeologie" blijft ongewijzgd.
Conclusie
Archeologie vormt dus geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Normstelling en beleid
Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG (herziene versie, 2007). Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met milieuaspecten als geur-, stof en geluidhinder. De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. Uit jurisprudentie en de genoemde VNG-publicatie blijkt dat in het geval van een gemengd gebied verkleinde richtafstanden gelden.
Onderzoek en conclusie
Planlocatie 2 betreft het repareren van de woonfunctie bij een horecabedrijf aan Morgenstraat 51-53. De woning betreft een bedrijfswoning op de 1e verdieping van het hoofdgebouw (op de 2e bouwlaag). Het horecabedrijf heeft mogelijkheden voor horeca tot en met categorie 2. De bedrijfswoning is gerelateerd aan de bedrijfsfunctie, daarom hoeft er geen afstandnorm gehanteerd te worden tussen het bedrijf en het gevoelig object.
Planlocatie 3 betreft het repareren van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijvigheid' binnen de woonbestemming. Deze functieaanduiding is gericht op bedrijfsbebouwing in milieucategorie 1 en 2, te verenigen met de woonfunctie. Er hoeft dus geen onderlinge afstandsnorm gehanteerd te worden.
Planlocatie 4 betreft het omwisselen van de bestemmingen 'Wonen' en 'Bedrijf' aan Oudestraat 2 en Morgenstraat 13. Het huidige bedrijf en de woning vallen onder het overgangsrecht. De feitelijke omvang van de woning en het bedrijf en de onderlinge afstanden zullen ongewijzigd blijven, daarmee veranderd ook het woon- en leefklimaat ter plaatse niet.
Bij ieder ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of het plan invloed heeft op de waterhuishoudkundige situatie. Ieder plan dient namelijk minimaal 'hydrologische neutraal' te worden ontwikkeld. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2010-2015 van Waterschap Aa & Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende driestapsstrategieën 'vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit)' en 'voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit)' zijn leidend.
Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De twee meest relevante beleidsstukken zijn hierna verder toegelicht.
Provinciaal Waterplan, Noord-Brabant
Het Provinciaal Waterplan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2010-1015. Het plan doorloopt samen met de plannen van het Rijk en de waterschappen een 6-jarige beleidscyclus die is afgestemd op de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water. Naast het beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Het plan is tevens beheerplan voor grondwateronttrekkingen. Bovendien is het plan structuurvisie voor het aspect water op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening.
Op grond van de Waterwet fungeert het Provinciaal Waterplan tevens als structuurvisie. De provincie geeft hieraan invulling door in het Waterplan de ruimtelijke consequenties van het waterbeleid vast te leggen voor zeven typen van doelstellingen. Tevens wordt gestreefd naar verankering in de bestemmingsplannen via de mogelijkheden die de Wet ruimtelijke ordening biedt.
Waterschap Aa en Maas: Waterbeheerplan 2010-2015
Het beleid van het waterschap Aa en Maas is vastgesteld in het Waterbeheersplan 2010 - 2015. Dit plan kent de volgende hoofddoelstelling: 'Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde en
veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant en
waarbij de veiligheid is gewaarborgd.'
Voor een duurzaam waterbeheer hanteert het waterschap een vijftal doelstellingen:
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder en waaraan invulling gegeven moet worden:
Onderzoek en conclusie
Bij het opstellen van het bestemmingsplan Keldonk is de huidige waterhuishoudkundige situatie in beeld gebracht. De planlocaties 1 tot en met 6 uit onderhavig bestemmingsplan betreffen reparaties van het geldende bestemmingsplan Keldonk. De reparaties hebben geen invloed op de oppervlakten verhard gebied of op de aanwezige waterhuishoudkundige voorzieningen. Het wateraspect vormt dus geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De gemeente Veghel heeft geen specifiek beleid geformuleerd op het gebied van sociale veiligheid. Met betrekking tot sociale veiligheid bij nieuwbouwprojecten wordt aangesloten bij de richtlijnen van ‘Politiekeurmerk Veilig Wonen’. In deze richtlijnen wordt aandacht besteed aan de veiligheid van de woningen, op het gebied van bijvoorbeeld hang- en sluitwerk. Bij de individuele uitwerking van de woningen wordt deze richtlijn aangehouden.
Bij de inrichting van de openbare ruimte en de opzet van de infrastructuur vormt de sociale veiligheid en subjectieve gevoel daaromtrent een belangrijk aandachtspunt. Dit betekent bijvoorbeeld geen hoge, dichte begroeiing langs langzaam verkeersroutes en ‘ogen op de straat’ vanuit de te realiseren woningen.
Convenant Duurzaam Bouwen
De gemeente Veghel heeft het Convenant Duurzaam Bouwen 2013 – 2016 ondertekend. In dit document spreken de contractpartijen ambities af voor duurzame woningbouw, utiliteitsbouw, grond-, weg- en waterbouw en stedenbouw. De ambities betreffen zowel nieuwbouw als ingrepen in bestaande gebouwen en de omgeving. Het convenant heeft betrekking op alle projecten van deelnemende partijen waarvoor op het moment van ondertekening nog geen formele aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend.
Onderdeel van dit convenant is de grote uitdaging ten aanzien van het energiezuinig maken van gebouwen en installaties. Ook levensloop bestendig bouwen is een van de uitdagingen die in het convenant een rol spelen.
Gemeentelijke praktijkrichtlijn (GPR)
GPR staat voor gemeentelijke praktijkrichtlijn. Deze naam wordt eigenlijk niet meer als geheel gebruikt. De term GPR staat nu als merknaam voor een instrument om de prestaties op gebied van kwaliteit en duurzaamheid van gebouwen te waarderen. Er zijn 5 prestatievelden waarop scores worden afgesproken: energie, gezondheid, milieu, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Net als een rapportcijfer loopt de schaal van 1 tot 10.
De gemeente gaat bij verkoop van bouwgrond uit van een gemiddelde GPR-score over de vijf thema’s van tenminste 7.
Keldonk wordt primair ontsloten door de Morgenstraat en Antoniusstraat. Deze hoofdontsluitingsweg staat aan de zuidwestzijde in verbinding met de Bosscheweg en N279. In noordoostelijke richting staat de hoofdontsluitingsweg verbonden met de kern Erp. Binnen de bebouwde kom van Keldonk geldt voor alle wegen een maximum snelheid van 30 km.
De voorgestane ontwikkelingen in de planlocaties 1 tot en met 6 zijn gericht op reparatie van regels en verbeelding op perceelsniveau. Deze aanpassingen hebben geen invloed op de bestaande verkeersstructuur van Keldonk.
Op planlocatie 1 wordt het woningtype twee-onder-een-kap toegevoegd, waardoor 2 extra woningen gerealiseerd kunnen worden binnen de bestaande bouwstrook. Uitgaande van 7.4 - 8.2 verkeersbewegingen per woning per dag1 , komen er maximaal 17 verkeersbewegingen per dag bij op de bestaande wegen in Keldonkse Morgen. Deze extra verkeersbewegingen zijn dermate gering dat dit geen effect heeft op het totaal aantal verkeersbewegingen en dus opgevangen kan worden binnen de bestaande verkeersstructuur. De overige ontwikkelingen in de planlocaties 2 tot en met 6 hebben geen invloed op het aantal verkeersbewegingen.
5.2.1 Nota Parkeernormen Veghel (2006)
De gemeente Uden en de gemeente Veghel hebben gezamenlijk de Nota Parkeernormen opgesteld. Het rapport is op 24 oktober 2006 vastgesteld. Het doel van de nota is: 'Het in onderling overleg vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in Veghel en Uden om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien en waar mogelijk de bereikbaarheid en leefbaarheid van Veghel en Uden te waarborgen'.
Hierbij dienen de volgende uitgangspunten gehanteerd te worden.
De parkeernormering is afhankelijk van de mate van stedelijkheid van de kernen. Uitgaande van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek is Keldonk in te delen in de klasse ‘weinig stedelijk’ (500-1000 adressen per km2). Ook de locatie van het plangebied is van belang bij de bepaling van de parkeercijfers. Naarmate een locatie verder van het centrum is gelegen neemt het aanbod en kwaliteit van alternatieven voor de auto af, en neemt de behoefte aan parkeerplaatsen toe. Voor de parkeercijfers is een onderscheid gemaakt in centrumgebieden, schil/overloopgebieden en rest bebouwde kom. Keldonk wordt gezien als 'rest bebouwde kom' (gebied 3).
| functie | parkeernorm | bezoekersaandeel | |
| eengezinswoning (vanaf circa 80 m2) | 0,4 per wo | ||
| - sociale sector | 1,6 | ||
| - middeldure sector | 1,8 | ||
| - dure sector | 2,0 | ||
Tabel 5.2.2: parkeernorm voor eensgezinswoningen in gebied 3
Parkeren en het bestemmingsplan
Sinds 1 november 2014 is artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Er is een onderdeel aan het Bro toegevoegd op grond waarvan het mogelijk is om zogenaamde 'wet-interpreterende' regels op te nemen in het bestemmingsplan. Geregeld is dat ten behoeve van de goede ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan regels kunnen worden opgenomen, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hiermee is het mogelijk gemaakt om een regeling voor het parkeren op te nemen in een bestemmingsplan, zonder de parkeernormen concreet vast te leggen.
Vanaf 29 november 2014 is het ook noodzakelijk geworden dat een dergelijke bepaling voor het parkeren in het bestemmingsplan wordt opgenomen. Toen is namelijk de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Deze wet regelt formeel dat de grondslag voor het opnemen van stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening is komen te vervallen voor na deze datum vastgestelde bestemmingsplannen.
Als gevolg hiervan wordt in dit bestemmingsplan een reparatie opgenomen voor parkeren (planlocatie 5). In tabel 5.2.2 van deze paragraaf zijn de normen opgenomen, zoals ze gelden op het moment dat dit bestemmingsplan vastgesteld wordt. In de regels van het bestemmingsplan is in een algemene bouwregel (voorwaardelijke verplichting) opgenomen dat bij het oprichten van hoofdgebouwen voldaan moet worden aan 'voldoende parkeren'. Onder voldoende wordt ten minste verstaan het parkeren op eigen terrein voor de eigen parkeerbehoefte van de bewoners. Het bezoekersparkeren kan (deels) plaatsvinden in het openbaar gebied.
Tevens wordt een ontheffingsmogelijkheid opgenomen om te kunnen parkeren in openbaar gebied, wanneer dit niet mogelijk is op eigen terrein en dit aangetoond is door middel van een onderzoek naar de parkeervoorzieningen in de omgeving en de parkeerdruk.
De normstelling wordt afhankelijk gesteld van een beleidsregel parkeren, zoals deze geldt op het moment dat de omgevingsvergunning voor het oprichten van een woning wordt ingediend. De huidige normen zijn terug te vinden in de Nota Parkeernormen Veghel (2006), zoals hiervoor beschreven. Wanneer er tussentijds wijzigingen optreden in de vastgestelde normen, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor de woningen daarmee rekening te houden.
Een bestemmingsplan bepaalt wat er in een gemeente met de ruimte mag gebeuren. De verbeelding en de regels vormen in dit geval de juridische basis van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft aangegeven. In de regels is bepaalt wat er wel en niet mag binnen deze bestemmingen. De toelichting heeft geen juridische status maar vomt een motivering van wat er op de verbeelding en in de regels is vastgelegd.
In dit hoofdstuk wordt de systematiek van het bestemmingsplan beschreven en de voorgestelde verbeelding en regels van het bestemmingsplan toegelicht.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevatten de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Onderhavig bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP 2012.
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de verschillende planlocaties. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen opgenomen. De verbeelding is zowel digitaal als analoog beschikbaar.
Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter.
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:
6.4.1 Inleidende regels
Onderhavig bestemmingsplan repareert een aantal onderdelen uit het bestemmingsplan 'Keldonk', zoals is vastgesteld door de raad van de gemeente Veghel op 5 juli 2011. De regels en verbeelding uit onderhavig bestemmingsplan dienen ter vervanging en verwijdering van dezelfde bepalingen uit het bestemmingsplan 'Keldonk'.
De begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan' zijn nader gedefinieerd. Voor de overige begripsbepalingen wordt teruggevallen op het geldende bestemmingsplan 'Keldonk'.
6.4.2 Bestemmingsregels
Dit onderdeel bevat de bepalingen die direct verband houden met de op de plankaart aangewezen bestemmingen. De artikelen zijn opgebouwd uit een bestemmingsomschrijving, de bestemming Wonen heeft nog bouwregels met betrekking tot gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, en andere werken binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf, kleinschalige bedrijvigheid'.
In onderhavig bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor:
Bedrijf (artikel 3)
In dit artikel wordt een juridische verbinding gelegd met de geldende bestemming Bedrijf uit artikel 4 van bestemmingsplan 'Keldonk.
Horeca (artikel 4)
Binnen de geldende bestemming Horeca uit artikel 7 van bestemmingsplan 'Keldonk' wordt de functieaanduiding 'bedrijfswoning' toegevoegd.
Wonen (artikel 5)
Binnen de geldende bestemming Wonen uit artikel 13 van het bestemmingsplan 'Keldonk' wordt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige bedrijvigheid' gewijzigd en vervangen.
6.4.3 Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling (artikel 6)
Een antidubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).
Algemene gebruiksregels (artikel 7)
Binnen de regels voor strijdig gebruik uit artikel 20.3 van het bestemmingsplan ´Keldonk´ wordt het niet instandhouden van verplichte parkeervoorzieningen zoals genoemd in artikel 6 toegevoegd.
Algemene aanduidingsregels (artikel 8)
Binnen de algemene aanduidingsregels uit artikel 21 van het bestemmingsplan ´Keldonk´ wordt een algemene aanduiding toegevoegd voor parkeren en een boringsvrije zone.
6.4.4 Overgangs- en slotregel.
In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangs- en slotregels aan de orde. De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro).
Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit.
De handhaving van de regelgeving van het bestemmingsplan is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarbij met name om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bevat een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.
Handhaving is niet alleen van belang om de ruimtelijke kwaliteit in stand te houden, daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid.
De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op de gebruiksactiviteiten.
Een goede handhaving begint al bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Indien bij het maken van het bestemmingsplan met een aantal factoren rekening wordt gehouden, kan de handhaving van het plan na inwerkingtreding worden vereenvoudigd.
Het plan betreft een reparatie van onderdelen van het bestemmingsplan ´Keldonk´ zoals is vastgesteld door de raad van de gemeente Veghel op 5 juli 2011.
De ontwikkeling van planlocatie 1 maakt onderdeel uit van de gemeentelijke grondexploitatie van de woonwijk Keldonkse Morgen. De kosten die gemaakt moeten worden voor aanpassing van de bouwkavels en de eventuele aanleg van extra parkeerplaatsen worden gedekt uit deze grondexploitiatie. Verder zijn er geen financiele consequenties in de zin van planexploitatie aan dit plan verbonden. Er bestaat daarom geen noodzaak tot het vaststellen van een exploitatieplan om kosten te verhalen.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de manier waarop bewoners van Veghel en andere overheden zijn betrokken in de voorbereiding van dit plan.
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot inspraak. De gemeente Veghel heeft in een inspraakverordening deze wijze van raadpleging van belanghebbenden vastgelegd.
Gezien het karakter van de ontwikkelingen in onderhavig plan ziet de gemeente af van een inspraakmogelijkheid, voorafgaande aan de officiele wettelijke zienswijzetermijn. Betrokkenen zijn reeds geraadpleegd bij de actualisatie van alle bestemmingsplannen in de bebouwde kom van Keldonk in 2010, vastgelegd in het bestemmingsplan 'Keldonk'. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een reparatie van onderdelen van dit bestemmingsplan.
De gemeente Veghel zal in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan overleg plegen met het Waterschap Aa en Maas en met de Provincie Noord-Brabant daar deze betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Gezien de aard van het plan en de afwezigheid van belangen van andere instanties bij deze - vooral technische wijzigingen - is ervoor gekozen de overlegpartners niet op voorhand te informeren, maar uit te nodigen zijn/haar zienswijze tegen het plan kenbaar te maken op het ontwerp-bestemmingsplan conform artikel 3.8 Wro.
Waterschap Aa en Maas heeft in een schriftelijke reactie laten weten dat de reparaties geen relevante invloed hebben op de hoeveelheid verhard oppervlak of andere waterschapsbelangen. Het plan is dus geen reden om een zienswijze kenbaar te maken.
De provincie heeft kennis genomen van het reparatieplan en geen zienswijze ingediend.
Onderhavig bestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage liggen op grond van artikel 3.8 Wro. Gedurende de periode van 14 juli 2016 tot en met 24 augustus 2016 is een ieder in de gelegenheid gesteld een schriftelijke of mondelinge zienswijze naar voren te brengen bij de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend tegen het ontwerp bestemmingsplan.
Binnen 12 weken na terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeente Veghel in principe het bestemmingsplan vast. De vaststelling van het bestemmingsplan dient in principe binnen 2 weken na de vaststelling bekend te worden gemaakt. Hierop zijn twee uitzonderingen. In de hieronder aangegeven gevallen mag het besluit tot vaststelling pas bekend gemaakt worden nadat 6 weken zijn verstreken:
Vanwege de wijziging van het bestemmingsplan bij de vaststelling, moet volgens de wet de provincie en het rijk in de gelegenheid gesteld worden om gedurende 6 weken een reactieve aanwijzing te kunnen geven. In de werkafspraken tussen het rijk, IPO en VNG is afgesproken dat van deze termijn afgezien kan worden indien Gedeputeerde Staten verklaren geen bezwaar te hebben tegen een vervroegde publicatie. De gemeenteraad moet daarvoor tegelijkertijd met de gewijzigde vaststelling besluiten om een dergelijke verklaring aan te vragen.
De gemeenteraad van Veghel heeft op 20 oktober 2016 het ontwerp bestemmingsplan 'Keldonk, reparatieplan' ongewijzigd vastgesteld.
Na vaststelling van onderhavig bestemmingsplan kan binnen 6 weken na bekendmaking van het besluit beroep worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er staat echter geen beroep open als geen zienswijze is ingediend, tenzij het beroep zich richt tegen een wijziging die gedaan is bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Omdat in onderhavig bestemmingsplan minder dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied gerealiseerd worden (Chw, Bijlage I, categorie 3.1), zijn de procedurele bepalingen van de Crisis- en Herstelwet (Chw, hoofdstuk 1, afdeling 2) niet van toepassing.