| Plan: | Buitengebied, herziening zonnepark bij de A50 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0860.BU01aa360000BP2015-VG01 |
Energie van Hollandsche bodem B.V. is voornemens om op een perceel langs de A50 bij Veghel een zonnepark op te zetten. Het beoogde zonnepark bestaat uit meerdere rijen met zonnepanelen en een ondersteunend gebouw. Omdat de realisatie van het zonnepark strijdig is met het geldende bestemmingsplan moet het bestemmingsplan herzien worden. Via voorliggend document is gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied ligt ten noorden van Veghel aan de A50, direct ten westen van de op- en afrit A50 – Udenseweg/Driehuizen. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied (Google Maps)
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleidskader. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en relevante wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 is de juridische planbeschrijving opgenomen. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe is eerst inzicht gegeven in de huidige functie van het plangebied waarbij de relatie met de omgeving is betrokken. Daarna is ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied betreft een perceel langs de A50 met een oppervlakte van circa 2,9 hectare. Het perceel is in eigendom van de gemeente Veghel en kadastraal bekend als sectie L, nummers 2723 en 2724.
Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het perceel aan.
Begrenzing plangebied (Google maps)
Op dit moment is het perceel in gebruik als baggerdepot. Er ligt slib opgeslagen dat is vrijgekomen bij het baggeren van de vijvers in wijk De Bunders. Navolgende foto's geven de bestaande situatie weer in het plangebied.
Huidige situatie plangebied (Google street view)
Huidige situatie plangebied (Google street view)
Op het perceel wordt een zonnepark met meerdere rijen zonnepanelen gerealiseerd. In totaal is plaats voor circa 7.500 zonnepanelen. De panelen worden bevestigd op een stalen frame die met pinnen in de grond zijn verankerd. Deze panelen leveren een vermogen van ongeveer 1,7 MWh. Het zonnepark wordt aangesloten op de 10kV-leiding langs de Bossteeg. Op het perceel is tevens een gebouw (circa 50 m2) voorzien ten behoeve van de technische voorzieningen (transformator, omvormer, opslag) op het perceel. Deze komt in de noordwestpunt van het perceel te staan, nabij de Korenstreep. De exacte plek van het gebouw is nog niet bekend. Onderstaande afbeelding geeft het inrichtingsplan van het zonnepark weer.
Globaal inrichtingsplan
Impressie zonnepark
Impressie zonnepark
Het zonnepark is landschappelijk goed in te passen, mede doordat het zonnepark omsloten is door het talud van de op- en afrit van de A50 en het achterliggende (agrarisch) bedrijf.
Aan de noordzijde van het perceel wordt een nieuwe wal aangelegd (3 meter hoog) met daarachter een bomenrij om te zorgen voor een geschikte landschappelijke inpassing. Rondom het zonnepark wordt een (winter)groene afscherming van 3 meter hoog geplaatst. Daaromheen komt een onderhoudszone van 4 meter breed.
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het NatuurNetwerk Nederland (voormalige ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'treden' die doorlopen moeten worden om te bezien of een ontwikkeling bijdraagt aan duurzame verstedelijking. De treden zijn:
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de in het SVIR aangewezen gebieden. Ten noordwesten van het plangebied ligt een bosje dat is aangewezen als onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland . Dit vormt geen belemmering voor het initiatief (zie ook paragraaf 4.3).
Ladder duurzame verstedelijking
Algemeen
De eerste vraag die beantwoordt moet worden is of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij de aanleg van een zonnepark. Uit het begrip volgt dat een zonnepark géén stedelijke ontwikkeling is. Uit de genoemde handreiking is ook op te maken dat het niet onder de 'restcategorie' van andere ontwikkelingen valt. Dat valt ook te begrijpen vanuit de doelstelling van de Ladder. De Ladder heeft immers tot doel om leegstand te voorkomen en de realisatie van een zonnepark leidt niet tot leegstand. De Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is niet van toepassing op de aanleg van zonneparken.
Locatiekeuze
Bij het motiveren van de locatiekeuze van een zonnepark vormt de ladder niettemin een goed handvat voor een zorgvuldige afweging en motivering. Onderstaand daarom kort een reactie op de drie treden.
Trede 1. Regionale behoefte
Het energievraagstuk als geheel is een kwestie is van (boven)nationaal belang, maar met een hele duidelijke regionale component. Het Rijk legt in haar plannen mede verantwoordelijkheid neer bij de provincies, gemeenten en de markt: het voorzien in energieproductie kent derhalve een regionale behoefte. Dat is temeer logisch daar energie ook regionaal gebruikt wordt. De eerste trede is daarmee geen belemmering voor welk zonnepark dan ook.
Trede 2. Binnen bestaand stedelijk gebied (locatiekeuze)
De tweede trede ziet erop dat potentiële stedelijke ontwikkelingen die in een actuele regionale vraag voorzien binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd. Dit is het principe van "inbreiding voor uitbreiding". Bestaand stedelijk gebied is omschreven in het Besluit ruimtelijke ordening: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Gezien de opgave is het realiseren van een zonnepark in bestaand stedelijk gebied niet op voorhand een eenvoudige opgave. Dit geldt evenwel ook voor het landelijk gebied. De vraag die centraal staat bij elk zonnepark-project is de inpassing. Daarover hierna meer in paragraaf 3.2.
Trede 3. Bereikbaarheid
De derde trede van de ladder staat in het teken van een goede verkeersontsluiting. De toegang tot het zonnepark zal plaatsvinden via de Korenstreep. Het zonnepark heeft geen dagelijkse bezetting met personeel. De verkeersontsluiting wordt dan ook uitsluitend benut bij het uitvoeren van (periodieke) onderhoudswerkzaamheden. Gezien de zeer beperkte verkeersaantrekkende werking van het zonnepark staat dit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. In de visie worden verschillende ruimtelijke opgaven voor de provincie beschreven. Een hiervan is de toenemende behoefte aan duurzame energie.
De fossiele brandstoffen raken de komende decennia op. Daarom wordt het steeds belangrijker om alternatieven voor fossiele energiewinning te implementeren. Duurzame alternatieven zijn onder andere windenergie, warmtekrachtkoppeling, zonne-energie, biomassavergisting en geothermie.
Duurzame energie biedt op een veelheid van terreinen kansen, maar vraagt om een goede ruimtelijke visie. Zo hebben windturbines en windmolenparken impact op het landschap. Daardoor ontstaat een dilemma op welke schaal dit kan plaatsvinden: een beperkt aantal grootschalige locaties, vele kleinschalige oplossingen of een combinatie van beide.
Er zijn veel mogelijkheden voor biomassavergisting en warmtekrachtkoppeling op bedrijventerreinen en agrarische locaties. Ook zijn er kansen voor het opwekken van duurzame energie bij agribusiness complexen zoals bij glastuinbouw en de veehouderij, mits passend binnen ruimtelijke kaders die voor deze bedrijven worden gesteld. Aandachtspunten zijn een goede inpassing in de omgeving, een goede ontsluiting en minimale vervoersbewegingen van de grondstoffen.
De opgave is, om rekening houdend met de draagkracht van het Brabantse landschap en een aantrekkelijke en gezonde woon- en leefomgeving, de transitie naar nieuwe vormen van duurzame energiewinning te realiseren.
Planspecifiek
De provincie wil bijdragen aan de ontwikkeling en opwekking van duurzame energie. De toepassing van zonne-energie op bebouwing wil de provincie stimuleren. Hierbij wordt gedacht aan bedrijventerreinen en op agrarische bebouwing. Daarnaast ziet de provincie mogelijkheden om panelen te plaatsen op braakliggende (bedrijven)terreinen. Op het perceel van het voorliggend initiatief is geen sprake van bedrijventerrein. Op het perceel ligt conform het geldend bestemmingsplan voor een groot deel een agrarisch bouwvlak. Het (bouw)perceel fungeert in de huidige situatie deels als baggerdepot . Deels liggen de gronden braak. Het benutten van deze gronden voor de opwekking van duurzame energie sluit aan op het beleidskader van de provinciale structuurvisie.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd hoe de bevoegdheden op het gebied van ruimtelijke ordening zijn verdeeld tussen rijk, provincies en gemeenten. In de Verordening ruimte (Vr) 2014 zijn regels opgenomen waarvan de provincie het belangrijk vindt dat die door iedere gemeente worden toegepast bij ruimtelijke besluiten. Deze verordening vervangt de Vr 2012 en de sindsdien vastgestelde wijzigingsverordeningen.
In de Vr zijn regels opgenomen met betrekking tot stedelijke ontwikkeling (onder andere op het gebied van wonen en werken), de ecologische hoofdstructuur (EHS), water, de groenblauwe mantel, aardkunde en cultuurhistorie, agrarisch gebied, intensieve veehouderij, glastuinbouw en ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied. De regels zijn een doorvertaling van het provinciaal beleid zoals dat is opgenomen in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. Voor de realisatie van zonneparken zijn geen regels in de verordening opgenomen.
De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Ook wil de provincie dat een initiatiefnemer bij een nieuw initiatief zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken.
Planspecifiek
Zoals eerder besproken in paragraaf 3.1 is bij het realiseren van plannen voor zonneparken de (provinciale) ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Dat laat onverlet dat het plan wel aan moet sluiten bij het provinciale beleid. Ingevolge de provinciale omgevingsvisie en -verordening is ontwikkeling van een zonnepark in lijn met gestelde duurzaamheidsdoelstellingen. De ontwikkeling draagt rechtstreeks bij aan de provinciale duurzaamheidsdoelstellingen.
Bij het realiseren van zonneparken is de landschappelijke inpassing een belangrijke RO-component. De planlocatie van de ontwikkeling is net buiten bestaand stedelijk gebied gelegen tegen het talud van de op- en afrit van Rijksweg A50. Met de aanleg van de wal aan de noordzijde wordt een invulling gegeven aan landschappelijke inpassing. Gezien de ligging van het talud van de Udenseweg/Driehuizen is een landschappelijke inpassing aan die zijde niet mogelijk en niet noodzakelijk. Vanwege de noodzakelijke lichtinval is realisatie van een landschappelijke inpassing aan de zuid en westzijde van het perceel niet wenselijk.
Het initiatief is passend binnen het provinciaal beleid.
In de structuurvisie schets de gemeente Veghel haar visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030. In deze visie gaat de gemeente ook in op het onderwerp energietransitie. Verwacht wordt dat fossiele brandstoffen de komende decennia steeds schaarser zullen worden. Deze schaarste zal leiden tot almaar stijgende prijzen en daarmee ook invloed hebben op de ontwikkeling van de economie. Schaarste van energie vergroot echter ook de noodzaak om er zuinig mee om te gaan en over te schakelen op andere (liefst vernieuwbare) energiebronnen. Grote energiebesparingen zijn haalbaar door het isoleren van verouderde gebouwen, zoals de gebouwen op oudere bedrijventerreinen en de woningbouw uit de jaren '50 tot en met '90 uit de vorige eeuw. Daarnaast zijn er steeds meer mogelijkheden om hernieuwbare energie op te wekken met behulp van zonnepanelen, zonneboilers, windturbines, aardwarmte en bijvoorbeeld biogas gewonnen uit mest, agrarisch afval en GFT.
Planspecifiek
Onderdeel van de structuurvisie is de kanskaart voor duurzaamheid. Hoewel op deze kaart geen specifieke plekken worden benoemd voor het benutten van kansen voor zonne-energie, geeft de gemeente in de visie aan dat in de gehele gemeente deze kansen benut moeten worden. Het voorliggend initiatief biedt de kans tot het ontwikkelen van een zonnepark waarin zonne-energie wordt opgewekt binnen de gemeente Veghel. De ontwikkeling draagt rechtstreeks bij aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het initiatief aansluit op de structuurvisie van Veghel.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 19 december 2013 door de gemeente Veghel.
Planspecifiek
Het plangebied heeft de bestemming ''Agrarisch met waarden" en dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4". Op een groot deel van het plangebied is een agrarisch bouwvlak aanwezig. Het gebruik van de gronden ten behoeve van het opwekken van energie door de realisatie van een zonnepark is niet toegestaan. De ontwikkeling is strijdig met het bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening opgesteld.
Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied (ruimtelijke plannen)
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
In de huidige situatie is de locatie in gebruik als baggerdepot. Hier is ontwaterd bagger opgeslagen in verschillende kwaliteiten van achtergrondwaarde. Het perceel is onderverdeeld in een viertal depots.
- De kwaliteit van de partijen van de depots 1 en 3 vallen in de klasse industrie en mag toegepast worden op de bodem, in een grootschalige bodemtoepassing (GBT) of in een grootschalige waterbodemtoepassing, mits voldaan wordt aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Er zijn geen asbestverdacht materialen aangetroffen in de onderzochte depots.
- Uit resultaten blijkt dat de grond van depot 2 niet elders toepasbaar is vanwege het hoge zinkgehalte. Deze partij zal afgevoerd moeten worden naar een erkende verwerker.
De grond van de depots 1, 3 en 4 zal in de nieuwe grondwal verwerkt worden. Uit overleg met de gemeente Veghel is gebleken dat de toplaag van de depots gebruikt gaat worden als aanvulgrond op de aan te leggen grondwal. Deze grond is voor aanvang van de aanleg van het baggerdepot ontgraven en in afzonderlijk depot gezet. Voordat gestart mag worden met de aanleg van de grondwal moet de aanlegvergunning verleend worden. Op 31 augustus 2015 is een melding ingediend voor de toepassing van 10.766 ton zand in een grondwal op het perceel aan de Korenstreep. Mogelijk moet er nog grond aangevoerd worden om de toplaag onder het baggerdepot na ontmanteling aan te vullen. Daarvoor dient dan een nieuwe melding gedaan te worden in het kader van het Besluit bodemkwaliteit.
Na ontmanteling van het baggerdepot, maar voor aanleg van het zonnepark, dient binnen 4 maanden na beëindiging van het baggerdepot een eindsituatie onderzoek uitgevoerd te worden om vast te stellen dat de ontwatering van het slib geen bodemverontreiniging heeft veroorzaakt. Bij het eindsituatie onderzoek dient ook de slootbodem meegenomen te worden. Indien sprake blijkt te zijn van een verontreiniging door de aanwezigheid van het baggerdepot, dient deze gesaneerd te worden. Hiervoor zal een regeling in het plan worden opgenomen. In dit stadium van de planvorming staat dit echter de uitvoerbaarheid niet in de weg. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (paragraaf 5.2). De Wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Planspecifiek
Voorliggend plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van een park voor het opwekken van zonne-energie. Een dergelijke functie heeft, met uitzondering van verkeer in verband met onderhoudswerkzaamheden geen verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie van de nieuwe functie is nihil. Op basis hiervan is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Het zonnepark is geen geluidsgevoelige functie c.q. object. Daarmee hoeft op basis van de Wet geluidhinder geen toetsing plaats te vinden aan mogelijk aanwezige zoneringen of geluidhinder door industrielawaai en weg- of railverkeer.
Wel moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden bekeken of met het voorliggende initiatief geen geluid producerende functie wordt toegelaten die zorgt voor mogelijke overlast voor nabijgelegen functies. Bij een zonnepark produceren alleen de aanwezige omvormers en de transformatoren geluid. De zonnepanelen zelf en de draagconstructie niet.
De omvormers produceren een geluidniveau van minder dan 20 dB. Daarmee is sprake van een verwaarloosbaar geluidniveau.
In dit zonnepark wordt een transformator toegepast die een doorvoer heeft die niet groter zal zijn dan 2 MVA. Ter vergelijking: een reguliere transformator in woonwijk voert 20 – 150 MVA door. De transformator wordt geplaatst in een betonnen behuizing. Hierdoor is het geluidniveau voor de omgeving nagenoeg verwaarloosbaar. De transformator produceert alleen geluid als ze energie doorvoert. De productie van geluid is evenredig met de doorvoer. Dat betekent dat de transformator midden op de dag, als sprake is van maximale zoninstraling, maximale geluidproductie heeft. 's Avonds en 's nachts is het geluidniveau verwaarloosbaar, aangezien er dan niet of nauwelijks sprake is van zoninstraling.
Geconcludeerd kan worden dat er geen relevante geluidhinder te verwachten is. Het woon- en leefklimaat bij de omliggende woningen zal niet worden aangetast. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor realisatie van het zonnepark.
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
Planspecifiek
Het zonnepark valt in de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' onder een categorie 2 activiteit: 40 - Elektriciteitsdistrubutiebedrijven, met transformatervermogen - < 10 MVA. Dit type bedrijvigheid heeft een maximale richtafstand van 30 meter tot gevoelige functies. De dichtsbijzijnde gevoelige functie betreft de bedrijfswoning aan de Korenstreep 6. Deze woning is gelegen op een afstand van circa 70 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand tot aan een milieugevoelige locaties in de omgeving.
Het zonnepark vormt daarnaast een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Het zonnepark is een type A-inrichting. De inrichting valt wel onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit, maar er is geen melding of omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu nodig.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het milieuaspect milieuzonering.
Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Voor inrichtingen geldt daarnaast dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een screenshot van die website.
Screenshot risicokaart
Naar aanleiding van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moeten plannen getoetst worden op de aspecten van externe veiligheid. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de risicocontouren (invloedsgebieden, plasbrandaandachtsgebieden en/of PR 10-6 contouren) van inrichtingen en buisleidingen. Wel is het invloedsgebied van de A50 relevant voor de ontwikkeling. Omdat het zonnepark echter geen dagelijkse bezetting met personeel kent, is er geen sprake van een kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object. Als gevolg hiervan voorziet de ontwikkeling ook niet in een toename van de personendichtheid en is het groepsrisico niet relevant. Nader onderzoek naar het aspect externe veiligheid is niet noodzakelijk.
De gemeente Veghel beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Ook uit deze beleidsvisie volgt dat externe veiligheid geen belemmering is voor het ruimtelijk initiatief.
Tot slot zal door onderhavig plan geen risicovolle functie worden toegelaten die, in het kader van het Bevi, een belemmering zal vormen voor gevoelige functies in de omgeving van het plangebied. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen oplevert ten aanzien van het Bevi.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van het overleg opgenomen.
Planspecifiek
Voor dit plan is het beleid Waterschap Aa en Maas mede van belang. In de Keur 2015 wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover:
In de huidige situatie is op het perceel een baggerdepot aanwezig met een oppervlakte van circa 1,5 ha. Dit terrein is voorzien van folie, waarmee in feite sprake is van een verhard oppervlak. Deze folie zal in de nieuwe situatie worden verwijderd. Met het nieuwe zonnepark worden 7.500 zonnepanelen op het terrein geplaatst. De zonnepanelen worden boven de grond op een frame geplaatst. De bodem blijft onverhard (grasland). Het hemelwater dat op de installatie valt kan daarmee vrij het weiland inzijgen. Er is hiermee sprake van afname van het verhard oppervlak op het terrein.
Er vindt geen aanpassing van perceelssloten plaats. Er wordt een onderhoudsstrook van 4 meter aangehouden, zodat onderhoud aan de naastgelegen watergang kan plaatsvinden. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
Naast deze drie soorten gebieden is het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Het NNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van EZ (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website synbiosys.alterra.nl geraadpleegd. Onderstaand een screenshot van die website waarbij alle raadpleegbare gebieden zijn 'aangevinkt'.
Ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Met groene arcering het NNN. (bron: synbiosys.alterra.nl)
Het plangebied ligt op een afstand van 45 meter tot een bosje dat deel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruim 15 km. Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Beschermd Natuurmonument. Gelet op afstand tot het plangebied en de aard van de ingreep is een aantasting van de waarden van het NNN c.q. een externe werking op Natura 2000-gebieden of het Beschermd Natuurmonument niet aan de orde.
Soortenbescherming
Het perceel is in de huidige situatie in gebruik als baggerdepot. Gelet op dit intensieve gebruik en de aard van de ingreep kan gesteld worden dat de voorgenomen ingreep niet verstorend zal werken en een aantasting van de beschermde soortengroepen niet aan de orde is.
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het zonnepark.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.
Planspecifiek
Verkeer zonnepark
De toegang tot het zonnepark zal plaatsvinden via de Korenstreep. Het zonnepark heeft geen dagelijkse bezetting met personeel. De verkeersontsluiting wordt dan ook uitsluitend benut bij het uitvoeren van (periodieke) onderhoudswerkzaamheden. Het aantal voertuigbewegingen zal ten opzichte van de huidige functie als baggerdepot niet stijgen. Voor het functioneren van het zonnepark is enkel een parkeerruimte noodzakelijk in verband met het onderhoud van de zonnepanelen. Dit zal op het terrein zelf worden gerealiseerd.
Vrijwaringszone Rijksweg A50
Over een deel van het plangebied is een vrijwaringszone - weg van de Rijksweg A50 gelegen. Binnen deze zone mogen nieuwe bouwwerken gerealiseerd worden mits deze geen belemmering vormen voor mogelijke toekomstige wegverbredingen. Door Rijkswaterstaat is aangegeven dat er op dit moment geen plannen zijn om de A50 ter hoogte van Veghel te verbreden. Indien op termijn deze locatie in beeld komt voor een toekomstige uitbreiding, zullen de belemmerende zonnepanelen verwijderd dienen te worden. De rest van het park kan intact blijven.
Schittering en verblinding
Ten behoeve van het initiatief van het zonnepark is een schittering- en verblindingsstudie uitgevoerd door adviesbureau DNV GL, d.d. februari 2016. Het onderzoek is als bijlage bij het plan opgenomen. In het onderzoek is het volgende geconcludeerd.
Uit de simulaties blijkt dat op drie locaties gedurende verschillende periodes in het jaar een verblindingsrisico bestaat.
- Op de A50 in de richting van oost naar west is sprake van risico op verblinding in de ochtend tussen 06:30 en 08:00, uitsluitend in de periode van begin mei tot eind juli.
- Op de A50 in de richting van west naar oost is er verblindingsrisico ter hoogte van het viaduct in de middag tussen van 16:30 tot 17:00, uitsluitend in maart en september
Dit risico houdt in dat bestuurders het risico lopen op nabeeld. Op geen van de locaties is risico op oogletsel vastgesteld.
DNV GL heeft drie maatregelen onderzocht die de verblindingsrisico's zouden kunnen mitigeren:
Op basis hiervan is gekozen voor het plaatsen van een (winter)groene afscherming van 3 meter hoog aan de west- en zuidzijde van het zonnepark. Aan de oostzijde is het park nagenoeg gelegen tegen een talud van meer dan 3 meter aan.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
Archeologie
Het groeiende besef dat de toenemende ruimtelijke ontwikkelingen - en de bodemingrepen die daarmee gepaard gaan - op termijn het bodemarchief vernietigen, heeft in 1992 geleid tot de Conventie van Valletta (Verdrag van Malta). In dit Europese verdrag is vastgelegd dat het archeologisch erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter beschermd moet worden. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd.
In Nederland is het verdrag van Malta geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet is op 1 september 2007 van kracht geworden. Door middel van de Wamz is de omgang met het bodemarchief verankerd in onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op basis hiervan zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen meegenomen worden.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
In dit plan zijn geen gronden, bouwwerken of landschapselementen aanwezig met een cultuurhistorische waarde. Het zonnepark wordt gerealiseerd binnen de grenzen van het huidige weiland/baggerdepot. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het zonnepark.
Archeologie
Het plangebied heeft dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4". Voor deze gronden is een omgevingsvergunning nodig voor (bouw)werkzaamheden bij grondwerkzaamheden van meer dan 10.000 m2 en/of dieper dan 0,3 m in de grond. De frames waar de zonnepanelen op komen te liggen worden in de grond verankerd door middel van pinnen in de grond. Er vinden geen grondwerkzaamheden plaats van meer dan 10.000 m2 of dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld. Het behoud van in deze gronden te verwachten archeologische waarden is daarmee veiliggesteld.
De dubbelbestemming zoals opgenomen in het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied' zal overgenomen worden in dit plan. De beschermende waarde voor archeologische relicten wordt hiermee in stand gehouden. Mocht in de toekomst een bodemingreep plaatsvinden van meer dan 10.000 m2 en/of dieper dan 0,3 m zal vooraf archeologisch onderzoek gevraagd worden.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met het opstellen van dit plan en de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Kosten van gemeentewege worden verhaald door het heffen van leges. Hierdoor is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Daarnaast is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten waarin staat dat eventuele planschadekosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Dit brengt met zich mee dat de vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting, met eventuele bijlagen, van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt en is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Veghel. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van he t Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit bestemmingsplan is toegezonden in het kader van het vooroverleg ex. art. 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening aan Rijkswaterstaat en het Waterschap Aa en Maas. Bij de Provincie Noord-Brabant is de algemene toetsing gedaan.
Van het Waterschap Aa en Maas is geen inhoudelijke reactie ontvangen. Samen met Rijkswaterstaat zijn de aan de orde zijnde verkeerskundige aspecten behandeld. Over de gewenste situatie bestaat overeenstemming. De resultaten van dit overleg zijn opgenomen in paragraaf 4.4. Het verslag van het vooroverleg is te raadplegen in bijlage 1.
Het ontwerpbestemmingsplan is op 22 juni 2016 onder de naam ‘Buitengebied, herziening zonnepark bij de A50’ gepubliceerd in gemeenteblad Veghel en de Staatscourant. Het ontwerp heeft vervolgens vanaf 23 juni 2016 gedurende zes weken, dus tot en met 3 augustus 2016, voor een ieder ter inzage gelegen. Hierbij is de gelegenheid geboden tijdens deze periode een zienswijze op het plan in te dienen.
De volgende zienswijze (Bijlage 3) is ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan:
Reclamant acht het ontwerpbestemmingsplan strijdig met de Verordening ruimte omdat het
bouwperceel groter is dan 5.000 m2. Reclamant heeft in de zienswijze aangegeven graag in overleg te
treden om te bezien of er een oplossing of alternatief is die past binnen de regels van de Verordening.
Op 7 september 2016 heeft er overleg plaatsgevonden. Uit dit overleg is gebleken dat de ontwikkeling
van het zonnepark anders dan in de zienswijze niet strijdig is met de provinciale belangen. Er is, anders
dan werd veronderstelt, sprake van een bestaand bouwperceel. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van
een bouwperceel dat voorheen in gebruik was als een slibdepot.
Er is geen strijdigheid met de provinciale Verordening ruimte.