TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t, Vijverlaan 2
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.TAM2025007-c001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Motivering
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding
Op 23 september 2024 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen voor de locatie Vijverlaan 2 in TIlburg. Het doel van dit voorbereidingsbesluit was om te voorkomen dat er ongewenste zelfstandige ontwikkelingen zouden plaatsvinden die niet in lijn zijn met de bestuurlijke doelen en uitgangspunten van het in voorbereiding zijnde omgevingsprogramma Kenniskwartier. Er was op dat moment namelijk een sloopmelding ingediend voor de huidige bebouwing en een conceptverzoek voor de bouw van een hotel.
De locatie is van belang voor de uitvoering van de opgaven in de gebiedsontwikkeling vanwege de ligging direct naast (een in de toekomst nieuw te ontwikkelen) station Tilburg Universiteit en andere percelen aan de Meerkoldreef en de Statenlaan. Een vernieuwing van het station is op termijn gewenst en mogelijk ook noodzakelijk voor de gebiedsontwikkeling. Daarbij zal het spoor in de toekomst mogelijk worden verbreed. Verder vormt de locatie Boerke Mutsaers een belangrijke schakel in de groene verbinding tussen het Stadsbos en de binnenstad, zoals beschreven in de Stadsnatuurkaart. Met het voorbereidingsbesluit is voorkomen dat de locatie Vijverlaan 2 separaat en suboptimaal wordt ontwikkeld.
Middels voorbeschermingsregels zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden beperkt tot het huidige feitelijke gebruik. Deze voorbeschermingsregels maken gedurende 1,5 jaar onderdeel uit van het omgevingsplan vanaf het moment van inwerkingtreding. Om ervoor te zorgen dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden op de locatie Vijverlaan 2 ook na afloop van deze periode in lijn blijven met de bestuurlijke doelen en uitgangspunten van het omgevingsprogramma Kenniskwartier wordt het voorbereidingsbesluit opgevolgd door de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat de percelen kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie AC, nummer 3424 en 3425. De ligging van het plangebied is weegegeven in figuur 1. Figuur 2 laat de ligging zien op groter schaalniveau.
Figuur 1 - ligging plangebied Vijverlaan 2 in Tilburg (aangeduid met stippellijn)
Figuur 2 - ligging plangebied in gemeente Tilburg (aangeduid met rode stip)
1.3 Voorgaande plannen
In de voorgaande planologische situatie was het bestemmingsplan Zand 2008 van kracht op deze locatie. Op 1 januari 2024 is dit bestemmingsplan van rechtswege onderdeel geworden van het tijdelijk deel omgevingsplan. Aan de locatie Vijverlaan 2 was de bestemming Gemengd-2 toegekend. In beginsel kunnen binnen deze bestemming diverse gebruiksactiviteiten worden verricht, maar specifiek voor deze locatie was in het plan bepaald dat op de locatie uitsluitend een café restaurant met zalenverhuur mag worden geëxploiteerd. Daarnaast had een deel van de locatie de functieaanduiding Horeca 3, op grond waarvan diverse andere vormen van horeca ter plaatse geëxploiteerd konden worden.
Op het perceel was een groot bouwvlak gelegen met een maatvoeringsaanduiding voor een maximum bebouwingspercentage van maximaal 50% en een maximale bouwhoogte van 9,5 m. Het bouwvlak is met een oranje vlak weergegeven in figuur 3. De bestaande bebouwing bevindt zich aan de oostzijde van het perceel. De planologische ruimte voor het oprichten van bebouwing werd nog niet volledig benut.
Tot slot lag er op een gedeelte van het perceel een dubbelbestemming voor het verwachtingsgebied archeologische waarden.
Met het voorbereidingsbesluit van 23 september 2024 zijn de planologische mogelijkheden uit Zand 2008 ingeperkt in die zin dat alleen het bestaande gebruik en de bestaande bouwwerken toegestaan bleven. Hiertoe zijn de volgende voorbeschermingsregels in het omgevingsplan opgenomen:
het is verboden gebruiksactiviteiten te verrichten die ten tijde van de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit nog niet plaatsvinden;
het is verboden bouwactiviteiten te verrichten die leiden tot een groter bebouwd oppervlak, een groter bouwvolume, of een andere situering van bebouwing dan aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit;
de overige in het omgevingsplan gestelde regels die in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels blijven buiten toepassing.
Figuur 3 - verbeelding voorgaand planologisch regime Zand 2008
1.4 Voorliggende wijziging
Met het voorliggende wijzigingsbesluit wordt het bouwvlak ter plaatse verkleind en de maatvoeringsaanduiding voor het maximum bebouwingspercentage wordt verwijderd. In tegenstelling tot hetgeen met de voorbeschermingsregels is bewerkstelligd, worden er geen wijzigingen doorgevoerd ten aanzien van de ter plaatse toegestane functies. Alle vormen van horeca blijven toegelaten op het perceel, alleen de bebouwingsmogelijkheden worden ingeperkt. In paragraaf 2.3 zal deze keuze worden gemotiveerd aan de hand van de ambities en maatregelen die beschreven zijn in het (ontwerp) omgevingsprogramma Kenniskwartier.
In deze motivering zal daarnaast ingegaan worden op de gevolgen van de beperking van de bouwmogelijkheden voor de fysieke leefomgeving en wordt gemotiveerd dat er sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Hoofdstuk 2 Toetsing aan algemene beleidskaders
2.1 Rijk
2.1.1 Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De opgenomen regels en omgevingswaarden zijn gesteld ter bescherming van nationale belangen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl is onder meer geregeld welk bestuursorgaan bevoegd gezag is bij het verlenen van een omgevingsvergunning, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en procedures.
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze instructieregels gaan over:
algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1)
waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2)
beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4)
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5)
behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6)
behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7)
bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8)
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:
voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen
lokale spoorwegen binnen vervoerregio's
lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool
bebouwingscontour jacht
bebouwingscontour houtkap
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Ondanks het ingekaderde karakter van de afwegingsruimte die door de instructieregels ontstaat, biedt het Bkl veel ruimte aan de gemeente om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te sturen. Als de gemeente gebruik wil maken van deze afwegingsruimte, zal zij dit goed moeten motiveren. Daarnaast zullen deze deugdelijk onderbouwde, op het specifieke deelgebied afgestemde kaders ook moeten worden uitgewerkt in juridische planregels.
De toetsing aan het Bkl, voor zo ver van toepassing op voorliggend wijzigingsbesluit, vindt plaats in hoofdstuk 3 en 4 waar de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving, het milieu en de gezondheid aan de orde komen.
2.1.2 Duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel die gesteld is met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt enkel een bestaand bouwvlak van een bestaande functie verkleind om ruimte te maken voor de toekomstige ontwikkeling van de nieuwe stationslocatie. Gelet op het vorenstaande is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op deze wijziging van het omgevingsplan.
2.2 Gemeente
Gelet op de zeer geringe impact en omvang van het initiatief wordt niet nader ingegaan op de algemene gemeentelijke beleidskaders zoals de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en het bestuursakkoord ‘Meer voor elkaar’.
2.2.1 Gebiedsvisie Kenniskwartier
De Gebiedsvisie Kenniskwartier, vastgesteld door de gemeenteraad op 13 december 2021, is een visiedocument met een hoog abstractieniveau. Het beschrijft de ambities voor het Kenniskwartier als geheel en maakt onderscheid in deelgebieden met een eigen karakter. Daarnaast geeft de visie een aanzet voor een aantal structuuraanpassingen zoals het groenblauwe netwerk en de esplanade.
In deze visie wordt het onderhavige perceel tot de Stationszone gerekend. Uiteengezet wordt dat we de identiteit en herkenbaarheid van deze gaan vergroten. Als doelstelling is daarbij uitgesproken om het station zowel tot een stedelijke als landschappelijke aankomstplaats te maken. Het station staat namelijk niet alleen in verbinding met stedelijke plekken, zoals de Westermarkt en de universiteitscampus, maar ligt ook op steenworp afstand van Stadsbos013. Het station moet ook hiermee een herkenbare connectie krijgen. Daarnaast is in de Gebiedsvisie Kenniskwartier aangegeven dat we een fietslus gaan maken aan de noordwestzijde van het spoorviaduct. Deze lus is nodig om de aansluitingen van het station op het omliggende fietsnetwerk te verbeteren.
De gebiedsvisie gaat niet in op de ontwikkelmogelijkheden op specifieke percelen. De locatie Boerke Mutsaers wordt wel één keer genoemd; bij de beschrijving van de Stationszone wordt gesteld dat een horecavoorziening, zoals het bestaande Boerke Mutsaers, heel goed in de Stationszone past.
Om een indruk te geven van de locatie en omvang van de ontwikkelingen per deelgebied zijn beelden van een abstractie studie in de gebiedsvisie opgenomen. Deze beelden laten voor de Stationszone een studiemodel zien, waarbij een nieuw station ten westen van de Statenlaan is gerealiseerd. Dit station is voorzien van een nieuw perron aan de noordzijde en ligt op relatief korte afstand van de universiteit. In dit studiemodel is op de locatie Boerke Mutsaers ruimte geboden aan twee vrijstaande volumes ten noorden van het station; een toren aan oostzijde en een paviljoen aan de westzijde. Het model geeft geen beeld van de buitenruimte.
2.2.2 Omgevingsprogramma Kenniskwartier
In het Omgevingsprogramma Kenniskwartier zijn de ambities van de Gebiedsvisie Kenniskwartier verder uitgewerkt en bijgesteld op nieuwe informatie. Zo is in dit document ruimte gehouden voor een spoorbaan van 4-sporen door de stad en een nieuw station met perronlengte geschikt voor intercitytreinen. In het spoorlandschap van het Kenniskwartier is niet alleen rekening gehouden met meer ruimte voor het spoor, maar is ook rekening gehouden met opschuivende hindercontouren op het gebied van externe veiligheid en geluid. Om die reden is ervoor gekozen om bebouwing zo veel als mogelijk op 30 meter afstand van het spoor te situeren.
Verder is in het Omgevingsprogramma de keuze gemaakt om de noordelijke stationsomgeving een landschappelijk karakter te geven en de zuidzijde juist stedelijk van karakter te laten zijn. De noordelijke stationsomgeving is onderdeel geworden van het Boerke Mutsaerspark; een continue parkzone die Stadsbos013 verbindt met het Spoorpark en het station de gewenste landschappelijke aankomstplaats geeft. De pleisterplaats Boerke Mutsaers markeert hier de plek van aankomst in een groene omgeving. Daarnaast is in het Omgevingsprogramma aangegeven dat we aan de westzijde van de Statenlaan een dubbelzijdig fietspad introduceren dat we ter hoogte van de locatie Boerke Mutsaers met de snelfietsroute tussen Tilburg en Breda verbinden.
In het Omgevingsprogramma is ook nadere uitwerking gegeven aan de bebouwingsstructuur van het Kenniskwartier. Daarbij is onderscheid aangebracht tussen bebouwing aan de randen van de parken (De Parkranden) en bebouwing in de parken (De Specials). De parkranden mogen worden vormgegeven als aaneengesloten bebouwingswanden, waarbij ruimte is voor enkele bebouwingsaccenten van 50 of 70 meter hoogte. De specials zijn juist paviljoens, buitenverblijven of open constructies met een vrijliggende positie in een park of op plein. Een paviljoen is een kleinschalig, losstaand gebouw of een sierlijk bouwwerk in een park of tuin. De functie is gericht op ontspanning, vermaak maar een paviljoen kan ook gebruikt worden voor bijeenkomsten en tentoonstellingen.
De locatie Boerke Mutsaers wordt in het Omgevingsprogramma gezien als een belangrijke plek in het Boerke Mutsaerspark. Zoals aangegeven wordt in dit park alleen ruimte gezien voor een special. Het omgevingsprogramma sluit hiermee aan op de ambities van de gebiedsvisie, maar is veel scherper over de bouwmogelijkheden hier. Waar de gebiedsvisie nog ruimte bood aan uiteenlopende studiemodellen, brengt het omgevingsprogramma de variatie in uitwerkingsmogelijkheden sterk terug.
2.2.3 Horecabeleid
Visiedocument Horeca Tilburg 2023 - 2027
In het Visiedocument Horeca Tilburg 2023 - 2027 zijn vier ambities gesteld voor het horeca aanbod in de gemeente Tilburg, ieder met twee belangrijke pijlers. Deze zijn in het blokkenschema hieronder weergegeven.
Figuur 4 - ambities en pijlers Tilburgse horeca
Op de locatie van Boerke Mutsaers is reeds horeca gevestigd. De locatie heeft al sinds het midden van de 17e eeuw een functie als pleisterplaats voor reizigers. Horeca op deze locatie is dus in lijn met de historische functie van de plek. Daarbij worden ontwikkelgebieden zoals Kenniskwartier gedragen door passende horeca ontwikkeling. Hier kan veel impact worden gemaakt door te werken aan de vier ambities. Horeca ontwikkeling is ook een ontwikkeling in kwaliteit, categorie en het verbreden van de doelgroep of horecamomenten op de dag. Onder andere horeca zorgt voor verbinding tussen inwoners en bezoekers in de stad van makers waar je je vanaf aankomst tot vertrek welkom en geboeid voelt. Horeca is een katalysator voor gebiedsontwikkeling.
Vanuit haar stedelijke ontwikkelingsstrategie zoekt Tilburg continu naar een optimale balans tussen levendigheid en leefbaarheid. Hierbij kijken we integraal naar de functies en kwaliteiten van een gebied, evenals de gebiedsgebruikers (wonen, werken, verblijven, recreëren). Het DNA van het gebied wordt versterkt door een optimaal aanbod van differentiatie in horecasectoren en concepten, kwaliteit en vernieuwende duurzame initiatieven dat van meerwaarde is voor de doelgroep.
Het voorliggende wijzigingsbesluit biedt ruime mogelijkheden voor invulling van de locatie met een (eventueel te vernieuwen) horecafunctie en om te voldoen aan de ambities en pijlers uit het Visiedocument Horeca Tilburg 2023 - 2027.
Hoofdstuk 3 Beoordeling aspecten fysieke leefomgeving
3.1 Stedenbouwkundige inpassing van bouwwerken
Zoals in paragraaf 2.2.2 is aangegeven wordt in het omgevingsprogramma ruimte gehouden voor een nieuw (intercity)station en een spoorbaan van 4-sporen. Daarnaast is in het spoorlandschap nieuwbouw op voldoende afstand van het spoor geplaatst en is ruimte gehouden voor een stationsomgeving. In het spoorlandschap is de locatie Boerke Mutsaers aangemerkt als een belangrijke plek in het Boerke Mutsaerspark. In dit park wordt op het gebied van bebouwing alleen ruimte gezien voor een special; een paviljoen, buitenverblijf of open constructie met een vrijliggende positie in een park.
Met het voorliggende wijzigingsbesluit wordt het bouwvlak ter plaatse verkleind. Op deze manier wordt voorkomen dat er in nabijheid van het (toekomstige) station wordt gebouwd en de mogelijkheden voor het realiseren van een nieuw station worden beperkt.
De bebouwingshoogte van het vigerende bestemmingsplan wordt niet gewijzigd. Deze hoogte (9,5 meter) biedt ruimte aan bebouwingstypen zoals het huidige gebouw; een landelijk bouwvolume met een hoge kap. Daarnaast geeft deze hoogte ook voldoende ruimte om verschillende soorten specials te ontwerpen, maar blijft eventuele nieuwbouw wel duidelijk lager te blijven dan de omliggende nieuwbouw van de Parkranden.
3.2 Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie
Door de beperking van de bouwmogelijkheden binnen het plangebied worden de mogelijke effecten op eventueel aanwezige archeologische waarden verkleind. De regels ter bescherming van archeologische waarden worden uit het tijdelijk deel omgevingsplan (het voormalige bestemmingsplan Zand 2008) overgenomen in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan. De wijziging ziet dus in feite niet op dit onderdeel en daarmee blijft er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Cultuurhistorie
Het huidige gebouw dateert uit 1979 en bezit geen monumentwaarden. De plek waar het gebouw zich bevindt heeft echter wel degelijk cultuurhistorische betekenis, omdat hier al sinds het midden van de 17e eeuw een pleisterplaats voor reizigers was en het gebouw in de meer recente geschiedenis een rol heeft gekregen in de huisvesting van een aantal Tilburgse verenigingen. Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie is dus met name de functie van de plek van belang en niet de bebouwing die er nu staat. Om die reden verdient het aanbeveling om bij een doorontwikkeling van deze locatie iets van de historische functie terug te laten komen.
In archiefstukken uit 1644 is er sprake van ‘ene Mutsaers’ die aan de westkant van Tilburg woonde. Bij zijn boerderij had hij waarschijnlijk toen al een uitspanning annex herberg op de handelsroute tussen Tilburg en Breda. Deze combinatie van boerderij en aanlegplaats werd voortgezet tot in de jaren zestig van de vorige eeuw. Bij de aanleg van de westelijke uitbreidingswijken kon de agrarische bestemming hier niet meer worden gehandhaafd. In 1926 was het woonhuis aan de huidige Vijverlaan al verbouwd tot een echt café. In 1979 volgde een laatste uitbreiding met de aanbouw van een restaurant. Het tegenwoordige horecabedrijf, dat dienstdoet als café-restaurant en party- en congrescentrum, werd tot voor kort nog altijd geleid door de familie Mutsaers. Voor zover bekend, is Boerke Mutsaers officieus het oudste nog bestaande familiebedrijf in Tilburg.
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande bouwmogelijkheden ingeperkt, maar de horecafunctie blijft behouden. De bestaande bebouwing kan dus worden gesloopt en vervangen worden door nieuwbouw. Gelet op het voorgaande wordt hiermee de cultuurhistorische waarde van de plek gerespecteerd en is op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.3 Verkeer en parkeren
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan ziet op de verkleining van de bouwmogelijkheden op het perceel aan de Vijverlaan 2. De effecten hiervan op de fysieke leefomgeving zijn nihil, zo ook het effect op de verkeerssituatie en de parkeergelegenheid. Om die reden wordt het beleid ten aanzien van verkeer en parkeren niet uitgebreid behandeld. Door de beperking van de bouwmogelijkheden daalt het planologisch maximum aantal verkeersbewegingen dat gegenereerd kan worden en neemt de ruimte voor parkeren op eigen terrein toe. Er is reeds een ruime parkeerplaats op het terrein aanwezig.
Om ervoor te zorgen dat de aanleg van parkeergelegenheid overeenkomstig de actuele parkeernormen bij toekomstige ontwikkelingen op het perceel gewaarborgd blijft, zullen de regels uit het paraplubestemmingsplan Tilburg, Parkeerregeling 2017 (onderdeel tijdelijk deel omgevingsplan en geldend op de planlocatie) worden overgenomen in de voorliggende wijzigingsbesluit.
Concluderend kan voor de aspecten verkeer en parkeren worden gesteld dat er als gevolg van de wijziging van het omgevingsplan sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.4 Water en klimaat
Om ervoor te zorgen dat er bij toekomstige bouwactiviteiten voldaan wordt aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van water, meer specifiek het Programma Water en Riolering (PWR) 2024 - 2027 en de Uitvoeringsagenda klimaatadaptatie Koel Tilburg, wordt de waterbergingsregeling uit het paraplubestemmingsplan 'Tilburg, waterberging & grondwaterbescherming' overgenomen in de regels van dit wijzigingsbesluit. Het gemeentelijk beleid is op dit onderdeel strenger dan het waterschapsbeleid, omdat op grond van het gemeentelijk beleid niet alleen bij een toename van verhard oppervlak, maar ook bij vervanging van bestaand verhard oppervlak waterberging wordt geëist. Hiermee worden de waterbelangen beschermd en wordt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bewerkstelligd. De waterbergingseis is weergegeven in de onderstaande tabel. Op dit onderdeel verandert er in feite niets aan de planologisch-juridische situatie.
Tabel regenwateropgave per type en schaal van de ontwikkeling
*De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niets mee gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave.
**Er geldt altijd een minimale opgave van 10 mm voor bergen en infiltreren.
***Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar).
De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad met het oog op de toenemende verdroging.
Daarnaast gelden voor toekomstige ontwikkelingen op de locatie de volgende randvoorwaarden vanuit het beleid ten aanzien van water en klimaatadaptatie.
Randvoorwaarden watersysteem
Zowel inpandig als terreinriolering is een gescheiden watersysteem.
Zo min mogelijk verharding aanleggen.
Verplichte waterbergingsopgave wordt op eigen terrein gerealiseerd.
Technische oplossing voor de waterberging bij voorkeur een bovengrondse voorziening, bijvoorbeeld een wadi.
Bergen in groene daken is een mogelijkheid. De bergingscapaciteit ervan kan afgetrokken worden van de bergingsopgave.
Keuze van terrein- en vloerhoogte is aan de eigenaar. De gemeente adviseert vloerhoogten van minimaal 20 cm boven het hoogste punt in openbare ruimte i.v.m. risico op wateroverlast bij extreme neerslag.
Geen drainage dieper dan GHG.
Randvoorwaarden klimaatadaptatie
Ter beperking van hittestress dient er bij een nieuwe ontwikkeling te worden gestreefd naar een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Een onbebouwd, groen in te richten terrein van 30% van de totale terreinoppervlakte is daarbij een goed uitgangsgpunt. Ook eventuele aanplant van nieuwe bomen kan daarbij nodig zijn, waarbij de positionering en oriëntatie van de bomen wordt afgestemd op de situering van bouwwerken en (buiten)verblijfsruimtes, zodat er (na een groeiperiode van ca. 5 jaar) op de heetste momenten van de dag schaduw wordt geworpen op het terrein.
3.5 Natuur en ecologie
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet en is grotendeels bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen, te weten de Natura 2000-activiteit en de flora en fauna-activiteit.
Natura 2000-activiteit
Het natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de grenzen van een natura 2000-gebied of die significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied vallen onder een ‘Natura 2000-activiteit’ en zijn vergunningsplichtig. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Het bevoegd gezag hiervoor zijn gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan, waarbij slechts het bouwvlak ter plaatse van de Vijverlaan 2 wordt verkleind en de bebouwingsmogelijkheden worden ingeperkt, heeft geen significante effecten op Natura 2000-gebieden tot gevolg. De mogelijke impact op Natura 2000-gebieden wordt ook niet groter als gevolg van dit wijzigingsbesluit. Zodra er een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend voor een bouwactiviteit op de locatie zal wel door de aanvrager moeten worden nagegaan of op dat moment sprake is van een Natura 2000-activiteit.
Flora en fauna-activiteit
In het wild levende planten en dieren zijn beschermd onder de wet. Bij handelingen of werkzaamheden die effect hebben op deze soorten zal vergunning voor een ‘flora en fauna-activiteit’ aangevraagd moeten worden. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats
Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern
Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn
Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Specifieke zorgplicht
Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij flora- en fauna-activiteiten die niet vergunningplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt. Wanneer de zorgplicht in de weg staat aan de (bouw)werkzaamheden dient de gemeente hierover te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezocht worden naar een oplossing.
De aanleiding voor dit wijzigingsbesluit is de beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel aan de Vijverlaan 2. Er is op dit moment geen concreet bouwplan. Zodra er wel sloop- en/of (bouw)werkzaamheden plaats gaan vinden op de locatie dan is het van belang dat dit in overeenstemming gebeurt met de wettelijke bepalingen over de flora en fauna-activiteit en de specifieke zorgplicht. De mogelijke impact op beschermde soorten wordt als gevolg van dit wijzigingsbesluit niet groter.
3.6 Bomen
Bomen bieden een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen en zijn van belang voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn de volgende documenten vastgesteld:
Bomenverordening gemeente Tilburg 2024
Beleidsregels bomen 2024
Boomwaardezoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Kaart monumentale bomen Tilburg (KMBT)
Deze documenten samen zorgen ervoor dat er een juiste balans is tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de leefbaarheid van de stad.
Bomenverordening 2024 en beleidsregels bomen 2024
De Bomenverordening en de beleidsregels bomen 2024 bieden het particuliere en gemeentelijke bomenbestand bescherming met een velverbod met bijbehorende regels (vellen = rooien, kappen, verplanten of snoeien van meer dan 20% van de kroon of wortels). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime (zie BWZ-kaart en de KMBT). Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van de Bomenverordening en beleidsregels.
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Deze kaart geeft alle huidige openbare en particuliere houtopstanden in de gemeente Tilburg een waarde; er zijn zones met houtopstanden met een klimaat- , eco- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor bomen in deze zones zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria opgesteld o.a. over het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), compensatieverplichting en straatbeeld.
Hoog beschermingsregime: monumentale bomen en bomen met een klimaat- of ecowaarde. Het is in principe verboden deze bomen te vellen. Een vergunning wordt alleen afgegeven als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de boom.
Normaal beschermingsregime: dit zijn bomen met een basiswaarde of in de buiten-zone. Een omgevingsvergunning voor het vellen van deze bomen wordt verleend, tenzij er weigeringsgronden zijn op basis van natuur- en milieuwaarde, landschappelijke waarde, waarde voor straat- of stadsbeeld cultuurhistorische waarde, waarde voor recreatie of klimaatadaptieve waarde.
Kaart Monumentale Bomen Tilburg (KMBT)
Op de KMBT staan alle monumentale bomen in de gemeente Tilburg (particulier en gemeentelijk). Voor deze bomen zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria en regels opgesteld, waardoor ze voldoende juridische bescherming krijgen. Monumentale bomen vallen onder het eerder genoemde hoge beschermingsregime. Daarnaast hebben gemeentelijke monumentale bomen een hoge prioriteit bij het gemeentelijk beheer en onderhoud.
Toets van de ontwikkeling aan het bomenbeleid
Door de beperking van de bebouwingsmogelijkheden op het perceel worden mogelijke negatieve effecten op beschermwaardige bomen als gevolg van bouwwerkzaamheden op de locatie kleiner. Daarbij wordt het bouwvlak gesitueerd op de locatie van de bestaande bebouwing. Desalniettemin zullen bij (bouw)werkzaamheden de regels ter bescherming van bomen in acht moeten worden genomen. De Bomenverordening 2024 ziet niet alleen op het bedoeld vellen van een boom. Verrichten van (bouw)werkzaamheden in de nabijheid van bomen kan (onbedoeld) leiden tot beschadiging of zelfs de dood van een boom en ook dit is verboden op grond van de Bomenverordening 2024. Een initiatiefnemer van een (bouw)activiteit zal dus altijd op voorhand zeker moeten stellen dat de activiteit geen schade toebrengt aan beschermde bomen.
Hoofdstuk 4 Beoordeling milieu en gezondheid
4.1 Milieueffectrapportage
Of een besluit m.e.r.(beoordelings-)plichtig is kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
De aard van voorliggend wijzigingsbesluit en het geringe effect ervan op de fysieke leefomgeving leiden tot het oordeel dat er geen sprake is van een kaderstellend besluit voor één van de m.e.r.(beoordelings-)plichtige projecten in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast heeft het wijzigingsbesluit, zoals reeds uiteengezet in paragraaf 3.5 van deze motivering, geen significante effecten op Natura-2000 gebieden tot gevolg. Er is geen passende beoordeling vereist.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor dit wijzigingsbesluit.
4.2 Bedrijven en milieuzonering
Bedrijven en milieuzonering nieuwe stijl richt zich op de relatie tussen milieuhinderlijke activiteiten en milieugevoelige activiteiten (VNG, handreiking milieuzonering nieuwe stijl, versie oktober 2024). Hierbij wordt gekeken naar functiemenging waar het kan (én gewenst is) en functiescheiding waar dat moet. De handreiking is niet van toepassing op industrieterreinen. Hiervoor geldt volgens het Bkl andere regelgeving, namelijk voor industrieterreinen met geluidproductieplafonds. De handreiking van de VNG geldt ook niet voor milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied.
Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico’s of lichthinder kunnen veroorzaken zijn milieuhinderlijke activiteiten. Een milieugevoelige activiteit is een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij onder andere om locaties als woningen, scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen.
Hierbij wordt opgemerkt dat milieu-aspecten zoals omgevingsveiligheid, trillingen, stofhinder en luchtverontreiniging, lichthinder, spuitzones, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied en hinder door verkeersaantrekkende werking zich vaak niet lenen om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. Daarom gaat de milieuzonering onder de Omgevingswet enkel over geluid- en geurhinder. Voor de overige milieu-aspecten moet aan de hand van specifieke regelgeving worden bepaald of de activiteit op een locatie inpasbaar is. Het gaat dan zowel om rijksregels als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 4.5 omgevingsveiligheid, 4.6 voor luchtkwaliteit en 4.7 voor trillingen. Ook enkele ‘zware’ activiteiten zijn niet geschikt voor de toetsing van bedrijven en milieuzonering en een nadere, zorgvuldige afweging is nodig. Welke activiteiten dit betreft staat toegelicht in bijlage 7 van de handreiking.
Milieuzonering onder de Omgevingswet werkt met gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen in plaats van met milieucategorieën en richtafstanden. De wettelijke basis hiervoor is terug te vinden in artikel 5.69 voor geluid en 5.93 voor geur uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarnaast dienen de waarden en regels voor geluid- en geurgevoelige gebouwen uit het Bkl in acht genomen te worden. Er moet rekening gehouden worden met de maximale planologische mogelijkheden van de milieubelastende activiteiten.
Deze ‘ruimtelijke’ milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. Voor specifieke activiteiten of voor het projecteren van woningen en andere gevoelige functies nabij bestaande milieubelastende activiteiten kan een geluid- of geuronderzoek verplicht zijn, dit is te achterhalen via het Bal en de bruidsschat.
Beoordeling voorliggend wijzigingsbesluit
Een horecafunctie wordt in beginsel beschouwd als milieuhinderlijke activiteit. Dit komt bijvoorbeeld door de potentie tot geluidsoverlast, geurhinder en de verkeersaantrekkende werking. De mate van hinder is afhankelijk van het type horecagelegenheid, de openingstijden, de aard van de activiteiten en de ligging ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen en maatschappelijke voorzieningen. In de omgeving van de planlocatie zijn onder meer woningen en maatschappelijke voorzieningen (onderwijs) gelegen.
In dit geval betreft het een verkleining van het bouwvlak van een bestaande horecafunctie. De verkleining van de bouwmogelijkheden leidt tot een beperking van de gebruiksruimte en daarmee potentieel tot een afname van de milieubelasting. Dit betekent dat de activiteit in ruimtelijke zin minder impact heeft op de omgeving dan voorheen. De horecafunctie bevindt zich op een locatie waar al sprake is van functiemenging (horeca, wonen, maatschappelijke voorzieningen), omliggende woningen en voorzieningen zijn op redelijke afstand gelegen, waardoor de hinder beperkt blijft en de milieugebruiksruimte van de horecafunctie wordt verkleind, wat past binnen het principe van inwaartse milieuzonering zoals omschreven in de VNG-handreiking. Daarmee is sprake van een zorgvuldige afweging tussen de belangen van de horecagelegenheid en die van de omgeving, en wordt voldaan aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3 Geluid
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De instructieregels voor geluid zijn terug te vinden in §5.1.4.2 en 5.1.4.3 van het Bkl en gaan over aanvaardbaarheid van geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (artikel 3.18 lid 1 Bkl) en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (artikel 3.20 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp, artikel 2.11a Ow) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Ook via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid zijn regels toegevoegd aan de Omgevingswet. In de bruidsschat is het onderdeel geluid voor een aantal activiteiten geregeld in paragraaf 22.3.4. In de omgevingsverordening van de provincie kunnen ook instructies staan voor geluid. Ook wanneer er geen (instructie)regels zijn voor geluid moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
De gemeente Tilburg hanteert een eigen Hogere Waardenbeleid. In dit beleid zijn randvoorwaarden opgenomen voor het bouwen van woningen op locatie waar niet aan de streefwaarde voor geluid kan worden voldaan.
Beoordeling voorliggend wijzigingsbesluit
Gelet op de geringe impact van dit wijzigingsbesluit, waarbij de bebouwingsmogelijkheden op het perceel aan de Vijverlaan 2 in Tilburg worden beperkt tot (grofweg) de omvang van de huidige bebouwing, is er geen sprake van negatieve effecten op de fysieke leefomgeving. Horeca is in beginsel geen gevoelige functie voor geluid. Daarbij komt dat het aantal potentieel gehinderden als gevolg van spoorweglawaai lager wordt door de kleinere bouwmassa die hier maximaal kan worden opgericht. De potentiële uitstraling van geluid afkomstig van de horecafunctie wordt ook lager als gevolg van de kleinere bouwmassa. Concluderend heeft dit wijzigingsbesluit geen negatieve effecten voor de fysieke leefomgeving op het aspect geluid.
4.4 Geur
In het Bkl (§ 5.1.4.6) is bepaald dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Alleen voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en verschillende agrarische activiteiten is een toetsingskader opgenomen. Voor alle andere activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken kan de gemeente regels in het omgevingsplan opnemen (zoals industriële activiteiten, horecabedrijven, maneges, etc.). Deze activiteiten vallen, omdat deze nu nog niet zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg, onder de specifieke zorgplicht in art. 2.11 Bal en, of art. 22.44 van de bruidsschat en de middelvoorschriften in de bruidsschat. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een functie als woning of onderwijs, zorg of kinderopvang.
Daarnaast moet volgens het Bkl ook rekening worden gehouden met geprojecteerde gebouwen (art. 5.91 Bkl).
Tijdelijke geurgevoelige gebouwen (korter dan 10 jaar) onder het Bkl niet aangemerkt als geurgevoelig. Uiteraard moet wel sprake zijn van een aanvaardbare situatie. De normen en afstanden voor geur door een activiteit, gelden ook niet op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit (bedrijfswoning) (art. 5.95 Bkl)
Onder de Omgevingswet dient er ook rekening gehouden te worden met de cumulatie van geur door bedrijven.
Er zijn nog geen gemeentelijke regels opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Met als gevolg dat vooralsnog de regels uit de bruidsschat gelden, namelijk:
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Wat altijd geldt is de eis dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar hinderniveau (art 5.92, Bkl).
Overige activiteiten waarvoor regels ter beperking van de geuremissie zijn opgenomen betreffen:
Niet-industriële voedselbereiding (artikel 22.199, Bruidsschat)
Voedingsmiddelenindustrie (artikel 22.201, Bruidsschat).
Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen ( artikel 22.205, Bruidsschat).
Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage (artikel 22.226, Bruidsschat).
In het Bkl zijn hiervoor geen aparte instructieregels opgenomen. De geurbelasting moeten aanvaardbaar zijn (art 5.92 Bkl).
Beoordeling voorliggend wijzigingsbesluit
Gelet op de geringe wijziging (verkleining bouwmogelijkheden) en op de regels ten aanzien van geur die reeds in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan zijn opgenomen kan worden kan worden gesteld dat geur geen belemmering is voor dit wijzigingsbesluit en dat op dit aspect de gezondheid wordt gewaarborgd.
4.5 Omgevingsveiligheid
Een van de doelen van de Omgevingswet is dat de gemeente bij plannen zo vroeg mogelijk kijkt naar veiligheid. Er staat dat het omgevingsplan rekening moet houden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden (art. 5.2 Bkl). Ook staan er instructieregels (§ 5.1.2 Bkl) in over de manier waarop bij de inrichting van een gebied omgevingsveiligheid meegenomen moet worden. Samenvattend gaan de instructieregels uit het Bkl over de volgende onderwerpen risicobronnen, het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftgebieden. In de bruidsschat zijn regels te vinden met betrekking tot propaan/propeen, LPG, traditioneel schieten, vergunningsvrij bouwen en brandbestrijding. Ook staan er verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal: het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines.
Aandachtsgebieden & groepsrisico
Nieuw onder de Omgevingswet zijn aandachtsgebieden, hier zijn drie soorten van:
Brand (warmtestraling);
Explosie (warmtestraling en/of overdruk);
Gifwolk (concentratie gevaarlijke stoffen in de lucht).
Deze aandachtsgebieden zijn van belang in het kader van het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Onder de Omgevingswet is het niet meer verplicht om het groepsrisico te berekenen. Er is sprake van een kwalitatieve benadering, waarbij het bevoegd gezag afweegt waar (binnen aandachtsgebieden) extra maatregelen nodig zijn om aanwezigen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet dus optioneel. Een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) wordt de informatie over aandachtsgebieden zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.
Gebouwen en locaties
Gebouwen en locaties zijn ingedeeld in drie categorieën:
zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);
kwetsbaar (gebouwen en locaties);
beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
In bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de onderverdeling welke gebouwen en locaties onder welke categorieën vallen. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Voorheen ging het om de bescherming van het gehele gebouw, ook indien maar een deel van het gebouw werd gebruikt voor een kwetsbare functie. Onder de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar de delen van het gebouw met kwetsbare gebruiksfuncties. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) worden (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.
Voorschriftengebieden
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. In de voorschriftengebieden gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). In het omgevingsplan wordt een brandaandachtsgebied standaard aangewezen als brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Plaatsgebonden risico
De belangrijkste norm voor externe veiligheid uit het Bkl is het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie van de risicobron als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die risicobron. In het Bkl (art. 5.7, 5.10 en 5.11) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Beoordeling voorliggend wijzigingsbesluit
Het voorliggende wijzigingsbesluit betreft een inperking van de bouwmogelijkheden. Hierbij vinden geen wijzigingen plaats van de planologische gebruiksmogelijkheden en verandert vooralsnog de functie van de bestaande bebouwing niet. Er is derhalve geen sprake van een zeer kwetsbare locatie waardoor een voorschriftengebied of het aanwijzen hiervan ten gevolge van dit besluit niet noodzakelijk is. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende wijzigingsbesluit.
4.6 Luchtkwaliteit
Omgevingswaarden
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 uit het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen gemeentelijke omgevingswaarden opgenomen in het omgevingsplan en er zijn ook geen provinciale omgevingswaarden, waardoor de rijksomgevingswaarden gelden (paragraaf 2.2.1 van het Bkl). De rijksomgevingswaarden van zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide en ozon, fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn terug te vinden in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Bkl. Met uitzondering van fijnstof en stikstofdioxide, zijn de achtergrondconcentraties van de overige stoffen binnen de gemeente dusdanig laag dat er geen overschrijding van de luchtkwaliteit te verwachten is. Vandaar dat fijnstof en stikstofdioxide de kritische stoffen zijn die getoetst dienen te worden.
Tabel grenswaarden (concentraties in de buitenlucht, zoals die gelden op basis van het Bkl)
|
Stof |
Jaargemiddelde concentratie (µg/m3) |
Jaargemiddelde blootstellings- concentratie (µg/m3) |
24-uurgemiddelde concentratie (µg/m3) |
Uurgemiddelde concentratie (µg/m3) |
|
PM10 |
40 |
-- |
50* |
-- |
|
PM2,5 |
25 |
20 |
-- |
-- |
|
NO2 |
40 |
-- |
-- |
200** |
*Mag 35 keer per jaar overschreden worden
** Mag 18 keer per jaar overschreden worden
Aandachtsgebieden
Voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn er landelijk aparte aandachtsgebieden aangewezen. De gemeente Tilburg bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied.
Luchtkwaliteit buiten aandachtgebieden
Voor enkele activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden, ook buiten aandachtgebieden (artikel 5.50 Bkl). Dit geldt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en bij het toelaten in het omgevingsplan van de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt of de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
De regel is dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt op plekken die niet openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Daarom zijn deze plaatsen uitgezonderd van toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Het toepasbaarheidsbeginsel komt op meerdere plekken voor in het Bkl: artikel 5.52, 8.17 en 11.19.
Het blootstellingscriterium staat op verschillende plekken in de Omgevingsregeling, bijvoorbeeld in artikel 8.11 (toetsing van wegen) en artikel 8.17 (toetsen van milieubelastende activiteiten). De eisen van een luchtkwaliteitsonderzoek staan in § 8.2.3.1.2. van de Omgevingsregeling.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
• er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
• het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
• het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.
Beoordeling voorliggend wijzigingsbesluit
Het is evident dat voorliggend wijzigingsbesluit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, aangezien het slechts een verkleining van de planologische bouwmogelijkheden betreft.
4.7 Trillingen
De gemeente Tilburg heeft in het nieuwe deel van het omgevingsplan vooralsnog geen normen opgenomen voor continue en herhaald voorkomende trillingen conform artikelen 5.87 en 5.87a uit het Bkl. Tot deze normen opgenomen zijn wordt verwezen naar de bruidsschat (art. 22.88) waar normen opgenomen zijn voor het totaal aan trillingen, zowel continu als herhaald voorkomend. Verder staan in de bruidsschat staan regels die toezien op de trillingen in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen, veroorzaakt door activiteiten (paragraaf 22.3.5, art. 22.83 t/m 22.89 bruidsschat).
Onder trillinggevoelige gebouwen wordt niet verstaan (art. 22.83 lid 2 bruidsschat): gebouwen die geheel of gedeeltelijk liggen op een industrieterrein met geluidproductieplafonds of gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Ook een bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen trillingen vanwege een eigen bedrijf (art. 22.86 bruidsschat) net als een voormalige bedrijfswoning niet beschermd wordt tegen een agrarische activiteit (art. 22.87 bruidsschat).
Onder het toepassingsbereik van de trillingregels van de bruidsschat vallen:
activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een parkeergarage of stadhuis;
laden en lossen op de openbare weg, bijvoorbeeld bij een winkel;
verkeer van en naar een bedrijf
De trillingregels van de bruidsschat gelden niet voor trillingen vanwege (art. 22.41 lid 2 bruidsschat):
wonen;
bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen en voor evenementen waarvoor in het omgevingsplan een incidentele of collectieve ontheffing is verleend (artikel 5.68 Bkl);
werkzaamheden met een mobiele installatie in een weiland, akker of bos, of;
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Bouw- en sloopwerkzaamheden
Trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn niet gereguleerd in het Bkl, de omgevingsverordening of de bruidsschat. Wel staan hiervoor bepalingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), die gelden in een verblijfsgebied van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, gezondheidsfunctie of onderwijsfunctie (art. 7.18 lid 2 Bbl). De toegestane trillingsterkte hierbij is terug te vinden in het Bbl (art. 7.18 lid 1). Een beperkte mate van versoepeling is onder voorwaarden mogelijk (art. 7.5 lid 2 en art. 7.23 lid 1 Bbl).
Spoorwegen
Voor woningen langs het spoor gelden geen instructieregels van het Rijk. De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet). Hierbij wordt meestal de Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) toegepast.
In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het zelfs nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. De redenen om uit te breiden van 100 naar 250 meter voor onderzoek zijn (cf. Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, ministerie van infrastructuur en waterstaat, mei 2019):
Wanneer er al sprake is van klachten door van het spoor op een grotere afstand van 100 meter;
De plaatselijke bodemopbouw en/of het treinbeeld kunnen leiden tot trillingshinder.
In de gemeente Tilburg wordt bij woningbouwontwikkelingen binnen 100 meter van het spoor een onderzoek trillingshinder gevraagd.
Beoordeling voorliggend wijzigingsbesluit
Aangezien het in dit geval geen nieuwe ontwikkeling betreft, maar een inperking van de bouwmogelijkheden op een locatie waar de horecafunctie reeds planologisch mogelijk is, en horeca in beginsel geen trillingsgevoelige functie is, is onderzoek naar trillingshinder vanaf het spoor niet vereist. Trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn voldoende gereguleerd middels de regels in het Bbl.
4.8 Lichthinder
Kunstmatige verlichting kan hinder voor de mens veroorzaken evenals hinder langs wegen, verstoring van de natuur en horizonvervuiling. Voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen, ook wel assimilatieverlichting genoemd, zijn rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 4.790 Bal). In artikel 22.239 van de bruidsschat zijn regels opgenomen voor lichthinder bij het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast. Voor het toetsen van objecten met verlichting langs auto(snel)wegen dient het kader Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen (Rijkswaterstaat, 12 juni 2019) gevolgd te worden.
Verder is sprake van de specifieke zorgplicht uit het Bal wanneer een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit is bij een MBA uit het Bal. De specifieke zorgplicht beschermt namelijk de belangen genoemd in artikel 2.2 van het Bal. En in artikel 2.2, 1e lid, onderdeel c, onder 5, staat lichthinder.
Er zijn nog geen gemeentelijke regels rondom lichthinder opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. In het kader van het beschermen van de gezondheid (§5.1.4 Bkl) wordt wel gevraagd om eventuele lichthinder van overige activiteiten en de effecten hiervan op gezondheid te onderbouwen evenals het opnemen van maatregelen om lichthinder te voorkomen.
Beoordeling voorliggend wijzigingsbesluit
Gelet op de aard van het wijzigingsbesluit, de functie en de ligging is lichthinder niet aan de orde.
4.9 Bodem
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan heeft geen functiewijziging tot gevolg en de bouwmogelijkheden op het perceel worden ingeperkt, grofweg tot de footprint van de bestaande bebouwing. Gelet hierop zijn er vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen voor de wijziging van het omgevingsplan. Wanneer er bouwactiviteiten plaatsvinden dient te worden voldaan aan de regels die al opgenomen zijn in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan ten aanzien van bodemkwaliteit. Hiermee is geborgd dat er sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.10 Gezondheid
Beschermen van de gezondheid en van het milieu maakt onderdeel uit van het omgevingsplan (§5.1.4 Bkl). De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en artikel 2.4 Omgevingswet).
Belangrijk is om te motiveren hoe het plan inspeelt op gezondheidsvragen. Gedacht kan worden aan de thema’s bestrijdingsmiddelen, ziekteverwekkers bij veehouderijen, hoogspanningslijnen (magneetvelden), veiligheid, de mogelijkheid tot bewegen en andere vormen van gezondheidsbevordering, hittestress, sociale contacten, bereikbaarheid van voorzieningen, zeer zorgwekkende stoffen in het milieu, de mogelijkheid om in contact te komen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld kinderen ter plaatse van speeltuinen), lichthinder en een groene leefomgeving. Deze opsomming is niet volledig en ook welke thema’s wel of niet relevant zijn is wisselend per plan.
Verder is het van belang om scherp te zijn op de cumulatie van gezondheidseffecten. Bijvoorbeeld voor de onderdelen geur, geluid en luchtkwaliteit. Zo kunnen bronnen in de omgeving van een ontwikkeling op zichzelf voldoen aan wettelijke normen. Stel dat er meerdere bronnen bij elkaar opgeteld worden dan dient men te toetsen of er nog steeds sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en er geen sprake is van overbelasting.
Beoordeling voorliggend wijzigingsbesluit
In de directe omgeving van het plangebied worden geen bestrijdingsmiddelen toegepast, is geen sprake van ziekteverwekkers afkomstig van veehouderijen en de locatie ligt ook niet in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen. Bovendien is horeca in beginsel geen gevoelige functie voor deze aspecten. Gelet op het voorgaande en het gestelde in de paragrafen 4.2 t/m 4.9 wordt geconcludeerd dat de afzonderlijke milieuaspecten en mogelijke cumulatie daarvan op deze locatie geen verhoogd risico op negatieve gezondheidseffecten opleveren.
Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid
De gemeentelijke plan- en apparaatskosten en eventueel uit dit wijzigingsbesluit voortvloeiende nadeelcompensatie worden gedekt uit bestaande budgetten. Doordat er sprake is van een bestaande functie en enkel een verkleining van de bouwmogelijkheden, hoeft er ook geen bijdrage te worden betaald aan de Reserve Bovenwijkse Voorzieningen. Concluderend zijn de kosten anderszins verzekerd. Er zijn geen redenen
om kostenverhaalsregels op te nemen in het omgevingsplan.