TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r, Stokhasseltlaan 38
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Motivatie
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r, Stokhasseltlaan 38
Deel 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planwijziging
Tilburg wil een inclusieve stad zijn waar voor iedereen een plek is. Een stad waar niemand tussen wal en schip valt. Op dit moment is er een kleine kwetsbare groep burgers, die wel degelijk tussen wal en schip lijkt te vallen. Het gaat om kwetsbare burgers die in een normale woonomgeving door teveel prikkels (woon)overlast kunnen veroorzaken. Voor deze kwetsbare burgers, die beschikken over voldoende woonvaardigheden om zelfstandig te wonen en niet afhankelijk zijn van 24 uurszorg (met ambulante begeleiding en/of behandeling), is een woning in een prikkelarme (rustige) omgeving noodzakelijk. Hierdoor wordt hun zelfstandigheid bevorderd, kan men tot rust komen en wordt het woongedrag genormaliseerd. Op dit moment is er nog geen passende woonvorm voor deze kwetsbare burgers. Gemeente, woningcorporaties en zorgpartijen willen voorkomen dat zij dakloos worden/blijven en/of onnodig lang zijn aangewezen op maatschappelijke opvang of beschermde woonvoorzieningen bij gebrek aan passende woningen.
Het college van B&W heeft op 16 april 2016 besloten om het projectplan Aanpak Verwarde personen, bestaande uit 10 deelprojecten, vast te stellen. Eén van deze deelprojecten is de realisatie van een prikkelarme woonomgeving voor kwetsbare burgers. Gemeente Tilburg, de Tilburgse woningcorporaties en zorgpartijen zijn het erover eens dat deze woonvorm, voor bewoners die behoefte hebben aan een rustige omgeving, een waardevolle toevoeging is op de al bestaande woonvormen. Samen hebben zij het streven om het zogenaamde prikkelarm wonen in Tilburg te realiseren.
Het ontwikkelen van het project Prikkelarm Wonen maakt onderdeel uit van het Convenant wonen 2020-2024 dat de Gemeente Tilburg en de Tilburgse corporaties in september 2020 hebben gesloten. Specifiek voor deze opgave sluiten ook de zorgpartijen aan.
Er is een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de realisatie van 30 prikkelarme woningen aan Stokhasseltlaan 38 in Tilburg. Deze aanvraag past niet binnen het omgevingsplan.
Het project Prikkelarm Wonen voorziet in de behoefte aan woningen voor inwoners van gemeente Tilburg die niet goed zelfstandig kunnen wonen in een reguliere woonomgeving en wel zelfredzaam zijn in een prikkelarme woonomgeving. Het Voorlopig Ontwerp van het plan gaat uit van 30 prikkelarme woningen voor 1 à 2-persoonshuishoudens. ‘Prikkelarm’ heeft onder meer betrekking op privacy, geluidwering en geluidisolatie, beperking van installatiegeluid en materiaal- en kleurgebruik.
Het gaat om 12 grondgebonden woningen, 9 rolstoeltoegankelijke benedenwoningen en 9 bovenwoningen. Eén van de woningen wordt ingezet als algemene inloop- c.q. beheerdersruimte voor bewoners, zorgverleners en de sociaal beheerder.
De locatie Stokhasseltlaan 38 bevindt zich aan de noordkant van het stedelijk gebied van Tilburg. Op de kaart hieronder is de locatie bij benadering aangegeven.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402001.png)
De ontwikkeling vindt plaats op de kadastrale percelen, gemeente Tilburg, sectie F, nummers 7211, 7212, 7213 en 7215. Het perceel met nummer 7215 wordt alleen benut voor landschappelijke inpassing en waterberging.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402002.png)
De ontwikkeling vindt plaats op de kadastrale percelen, gemeente Tilburg, sectie F, nummers 7211, 7212, 7213 en 7215. Het perceel met nummer 7215 wordt alleen benut voor landschappelijke inpassing en waterberging.
Met deze onderbouwing wordt een basis gegeven voor verlening van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. Deze onderbouwing geeft tevens een basis voor het beoogde toekomstige gebruik voor wonen, landschappelijke inpassing en daarmee verbonden gebruik en voorzieningen. De onderbouwing geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden verwoord die aan de basis hebben gestaan van de planontwikkeling. De onderbouwing geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402003.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402003.jpg)
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat het perceel kadastraal bekend als gemeente Tilburg sectie F, nummers 7211, 7212, 7213 en 7215, plaatselijk bekend Stokhasseltlaan 38 in Tilburg en wordt globaal begrensd door het perceel Stokhasseltlaan 34 in het noorden, agrarisch gebied in het oosten, het perceel Stokhasseltlaan 42 in het zuiden en de Stokhasseltlaan in het westen.
In het DSO is het volgende plangebied opgenomen als locatie van dit omgevingsplan:
1.3 Geldend planologisch kader
Op de planlocatie geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) ‘Lobelia-Spinder-Rugdijk', vastgesteld door de gemeenteraad van Tilburg op 10 juni 2013.
In dat plan heeft het perceel de enkelbestemming(en) ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch’. Er zijn geen dubbelbestemming(en) op de gronden gelegen. Verder is de ontwikkeling gelegen op gronden met de aanduidingen ‘reconstructiewetzone - extensiveringsgebied’ en ‘veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen'.
De voorgenomen ontwikkeling naar een woonfunctie past niet binnen het nu geldende omgevingsplan. Het plan is in strijd met het huidige omgevingsplan wat betreft:
De bestemming Bedrijf (omdat deze gronden alleen mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een bedrijf en hier één bedrijfswoning aanwezig mag zijn);
De bestemming Agrarisch (omdat deze gronden alleen voor agrarische activiteiten mogen worden gebruikt en hier niet mag worden gebouwd).
Het college heeft de beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid om voor de ontwikkeling af te wijken van het geldende omgevingsplan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402005.png)
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
huidige situatie
Op dit moment bevindt zich op het perceel Stokhasseltlaan 38 een transportbedrijf met een bedrijfswoning. De bebouwing daarvan is verouderd. Daarnaast is het zuidelijk deel van het plangebied in gebruik als agrarische grond. Er is sprake van een functioneel gemengde omgeving. In de buurt bevinden zich bedrijven, een tuincentrum en woningen. Daarnaast is sprake van agrarisch grondgebruik, in de toekomst waterberging en van natuurfuncties. De luchtfoto's hieronder geven een beeld van de huidige situatie.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402006.png)
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402007.png)
kabels en leidingen
Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan:
hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;
buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;
buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;
buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.
Op de projectlocatie zijn geen relevante kabels of leidingen aanwezig. Het aspect kabels en leidingen vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Grondeigendom
De gronden, kadastraal bekend als gemeente Tilburg sectie F, nummers 7212 en 7215 zijn nu nog in eigendom van de gemeente Tilburg maar zullen worden overgedragen aan initiatiefnemer WonenBreburg. De percelen kadastraal bekend als gemeente Tilburg sectie F, nummers 7211 en 7213 zullen in de toekomst (ook) gebruikt gaan worden voor natuur- en landschapsontwikkeling en waterberging en blijven in eigendom bij de gemeente Tilburg.
1.5 Voorgenomen ontwikkeling
Beschrijving en de inrichting van het perceel
In deze paragraaf wordt een samenvatting van het plan gegeven. De formele aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit voor het project, waarvoor deze onderbouwing de motivering bevat, bevat het volledige plan.
Het plan bestaat uit het bouwen van 30 woningen voor een speciale doelgroep voor 1- en 2 persoons huishoudens (12 grondgebonden, 9 rolstoel-benedenwoningen, 9 bovenwoningen) met bergingen, inclusief terreininrichting (parkeren, verharding, groen, geluidswal). De woningen zijn circa 65 m² groot, waarvan er één (voorlopig) in gebruik wordt genomen als collectieve, algemene ruimte.
De grondgebonden woningen hebben een goothoogte van 3,90 meter en 6,20 meter en een nokhoogte van 7,60 meter (1 bouwlaag met een asymmetrische kap). De grondgebonden woningen worden gerealiseerd in een blok van 4 en een blok van 8 woningen.
De beide appartementengebouwen met respectievelijk 10 en 8 appartementen hebben een goothoogte van 6,30 meter en een nokhoogte van 8,30 meter (2 bouwlagen met een kap).
De bergingen worden aan de zijde van en evenwijdig aan de Stokhasseltlaan gerealiseerd. Dit gebouw heeft een goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van 5,10 meter. Centraal tussen de gebouwen wordt een wadi aangelegd.
Het terrein wordt ontsloten op de Stokhasseltlaan via een in- uitrit voor gemotoriseerd verkeer ter plaatse van de parkeerplaatsen en een in- uitrit voor langzaam verkeer. Aan de zuidoostzijde (zijde Stokhasseltlaan 42) wordt een houtwal met opgeworpen grondwal en een begroeid topscherm met een totale hoogte van 3 meter aangelegd.
Er worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd. Iedere woning krijgt een berging waarin 3 fietsen per woning kunnen worden gestald. In de openbare ruimte worden 10 stallingsplaatsen voor fietsen gerealiseerd.
De oppervlakte van het bebouwd oppervlak is als volgt:
Grondgebonden woningen (blok van 4): circa 10,23 meter x 17,55 meter
Grondgebonden woningen (blok van 8): circa 10,23 meter x 34,55 meter
Appartementengebouw (8 stuks): circa 7,75 meter x 33 meter
Appartementengebouw (10 stuks): circa 7,75 meter x 41 meter
Bergingen-gebouw inclusief overkappingen: circa 26 meter x 11,92 meter
Verder bestaat de gebruiksoppervlakte in totaal uit 1.840 m2, de Bruto vloeroppervlakte is 2.546 m2, de Bruto inhoud is 9.286 m3 en het bebouwde oppervlakte van het perceel is 1.363 m2.
De volgende tekening met de situering van het project maakt onderdeel uit van de aanvraag:
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402009.png)
De stedenbouwkundige opzet van het project Prikkelarm Wonen refereert aan de opzet van agrarische bebouwing rondom een erf. En sluit aan bij de maat en schaal van de andere bebouwing aan de Stokhasseltlaan. De bebouwing bestaat uit 3 langgerekte woonblokken met asymmetrische kappen. Het erf wordt afgeschermd door een langgerekte fietsenberging, waarbij het volume met een pergola verder is doorgezet, zodat ook dit gebouw meedoet in dezelfde vormtaal van een agrarisch erf. De opzet van de blokken en interne verkaveling honoreert tevens de doelgroep en is gericht op het minimaliseren van prikkels. Openingen tussen de blokken zijn strategisch gekozen, zodat doorzichten naar het achterliggende landschap vanaf de Stokhasseltlaan beleefbaar blijven.
Beoogde functies
Het project Prikkelarm Wonen voorziet in de behoefte aan woningen voor inwoners van gemeente Tilburg die niet goed zelfstandig kunnen wonen in een reguliere woonomgeving en wel zelfredzaam zijn in een prikkelarme woonomgeving. Het Voorlopig Ontwerp van het plan gaat uit van 30 prikkelarme woningen voor 1 à 2-persoonshuishoudens. ‘Prikkelarm’ heeft onder meer betrekking op privacy, geluidwering en geluidisolatie, beperking van installatiegeluid en materiaal- en kleurgebruik.
Het gaat om 12 grondgebonden woningen, 9 rolstoeltoegankelijke benedenwoningen en 9 bovenwoningen. Eén van de woningen wordt (voorlopig) ingezet als algemene inloop- c.q. beheerdersruimte voor bewoners, zorgverleners en de sociaal beheerder. Omdat de bewoners in principe zelfredzaam zijn, krijgen de woningen de bestemming ‘wonen’ (en niet ‘beschermde woonvorm/verpleeg/verzorgingstehuis’).
Op de onderstaande tekening zijn globaal de beoogde functies opgenomen. Het betreft in hoofdzaak de functie ‘Wonen’ en de functie ‘Verkeer en groen’.
Binnen de functie ‘Wonen’ valt het gebruik van het terrein voor de bouw van de woningen en bergingen, maar ook het gebruik als erf, voor verharding, inrit, tuin, landschappelijke inpassing en waterberging. De functie ‘Verkeer en groen’ bevat de inritten naar het terrein, de landschappelijke inpassing, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402010.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402010.png)
doelgroep en beheer van de woningen
Er is in dit project sprake van zelfstandige woningen waarin door de bewoners (nagenoeg) zelfstandig wordt gewoond. De woningen zijn volledig zelfstandig, met alle daarvoor noodzakelijke voorzieningen per woning. Daarom is gebruik als ‘wonen’ passend en is in dit omgevingsplan hier ook de activiteit of functie ‘wonen’ opgenomen en niet (bijvoorbeeld) een activiteit ‘maatschappelijk', die vaak voor onzelfstandige bewoning wordt gebruikt. Juridisch gezien is het binnen een activiteit ‘wonen’ niet nodig en ook niet wenselijk om doelgroepen vast te leggen in een vergunning of omgevingsplan, nog los van de vraag of dat juridisch eigenlijk wel kan. Ook andere 'normale’ woningen zouden gebruikt kunnen worden voor bewoning door de doelgroep van prikkelarm wonen.
In de eerder verleende BOPA vastgelegd dat er sprake moet blijven van sociale huurwoningen. Dat is wel relevant in het kader van het vastleggen van de gewenste verdeling van de woningbouwvoorraad. In dit omgevingsplan is dit ook vastgelegd.
Het voorgaande neemt niet weg dat dit project wel specifiek bedoeld en bedacht is voor mensen die prikkelarm moeten wonen. Daarom is privaatrechtelijk geborgd in zowel de Verkoop- en realisatieovereenkomst die gesloten is tussen gemeente Tilburg en WonenBreburg, als in de Samenwerkingsovereenkomst die is gesloten tussen gemeente Tilburg, WonenBreburg en de zorgpartijen verenigd in Siem dat er geen andere doelgroepen worden gehuisvest dan de doelgroep voor Prikkelarm Wonen die daar expliciet wordt omschreven. Wij verwijzen hier verder naar het gespreksverslag van 14 mei (bijlage 2). Daarbij zit de omschrijving uit de samenwerkingsovereenkomst van de doelgroep.
Dit is uitdrukkelijk geen locatie voor ‘Skaeve Huse’. Mocht later blijken dat de omgeving toch niet prikkelarm genoeg is, dan zullen de woningen als ‘normale’ huurwoningen door WBB worden verhuurd.
Met betrekking tot de normering voor het project en de inrichting, merken wij het volgen. Er is uitgegaan van de normen voor wonen. Dit is een vorm van zelfstandig wonen en past ook binnen de bestemming wonen.
Uit het verslag van de klankbordgroep ‘Prikkelarm wonen’ van 13-9-2023: “De woonvorm Prikkelarm Wonen is bestemd voor personen die beschikken over voldoende woonvaardigheden om zelfstandig te wonen met ambulante begeleiding en/of behandeling (maar niet afhankelijk van 24-uurszorg) in een prikkelarme (rustige) omgeving. De doelgroep ervaart prikkels van bijvoorbeeld fietsen die op straat liggen, sociale omgang met directe buren. Ze hebben zelf ook bepaalde manier van reageren. In het project Prikkelarm Wonen kunnen ze, met respect voor elkaar, gaan wanneer ze willen, en kunnen ze zich terugtrekken in hun eigen woning. Op de eerste plaats in een rustige omgeving, een plek waar men zich thuis voelt en waar men rustig kan wonen. Hierdoor wordt zelfstandigheid bevorderd, kan men tot rust komen en wordt het woongedrag genormaliseerd. We stellen bewoners daarmee hopelijk in staat om het beste uit zichzelf te halen.”
Aan de wettelijke normen voor wonen wordt voldaan. Daarnaast biedt het project extra bescherming tegen prikkels door o.a.:
Een besloten hof zonder publiek of buitenstaanders met de mogelijkheid om elkaar te ontlopen;
Eigen terugliggende woningentrees met visuele afscheiding;
Zeer goede gevelgeluidisolatie en woningscheidende geluidisolatie, zodat in de woning geen verstoring van buiten plaatsvindt;
Positionering van ruimten en functies zodat medebewoners elkaar minder verstoren;
Extra laag installatiegeluidniveau in de woning;
Gebruik van prikkelarme materialen en kleuren in de woning.
De zorgaanbieders ervan overtuigd dat de woningen in het project ‘prikkelarm’ genoeg zijn voor de beoogde doelgroep.
beheer
Als onderdeel van de Samenwerkingsovereenkomst tussen alle betrokken partijen zijn afspraken gemaakt over de sociaal beheerder die in dienst is bij WonenBreburg en het takenpakket van de sociaal beheerder. Het bespreken van klachten van bewoners valt inderdaad onder de taken van de sociaal beheerder. Daarnaast zijn in diezelfde overeenkomst ook afspraken gemaakt over de door Siem aangeboden ambulante begeleiding en ondersteuning. Dus ook daar kunnen de huurders terecht.
Concreet staat in artikel 8.3 van de samenwerkingsovereenkomst die is gesloten tussen gemeente Tilburg, WonenBreburg en de zorgpartijen verenigd in Siem dat de sociaal beheerder een goede bijdrage kan leveren in het contact en afspraken met de buurt. In bijlage 7 van de samenwerkingsovereenkomst over het sociaal beheer staat onder andere dat de sociaal beheerder fungeert als eerste aanspreekpunt voor de omgeving en contacten onderhoudt met de omgeving.
Naar aanleiding van de klachtafhandeling is met Groenrijk ook gesproken over het beheerplan. Het beheerplan wordt nog opgesteld door WonenBreburg, Siem en gemeente. Bij de klankbordgroep is afgesproken dat de klankbordgroep daarin nog mee mag kijken. In het besluit op bezwaar van de BOPA is opgenomen dat er een beheerplan moet zijn, voordat de woningen in gebruik mogen worden genomen. Deze voorwaarde is ook in dit omgevingsplan opgenomen als voorwaardelijke verplichting.
In het project Prikkelarm Wonen zal begeleiding aanwezig zijn vanuit SIEM, het samenwerkingsverband van de zorgpartijen, en een sociaal beheerder zal regelmatig op de locatie aanwezig zijn. Er zal 24/7 een achterwacht c.q. hulplijn zijn voor bewoners die begeleiding nodig hebben. De beschrijving van wie er in de woningen kunnen komen te wonen zullen met de klankbordgroep gedeeld worden. De precieze selectiecriteria zijn op dit moment nog niet uitgewerkt, ook deze kunnen te zijner tijd met de klankbordgroep gedeeld worden.
doelgroep project 'prikkelarm wonen'
In artikel 5 is de doelstelling van Prikkelarm Wonen opgenomen. Verder is artikel 6 van belang.
Art. 6.1 Prikkelarm Wonen is bestemd voor kwetsbare inwoners die beschikken over voldoende woonvaardigheden om zelfstandig te wonen, al dan niet met ambulante begeleiding (maar niet afhankelijk van 24-uurszorg). In een reguliere woonomgeving ervaren zij te veel prikkels waardoor ze overlast veroorzaken en/of een groter beroep doen op zorg en ondersteuning dan ze in een prikkelarme woonomgeving nodig hebben.
Art 6.4 De toekomstige huurder van Prikkelarm Wonen dient te voldoen aan de volgende criteria welke nog nader worden uitgewerkt door Partijen:
heeft baat bij het wonen in een prikkelarme woonomgeving;
veroorzaakt zelf geen verstoring van de veiligheid en leefbaarheid van de overige huurders, de locatie zelf en de directe omgeving;
is in staat om minimale leef- en gedragsregels in acht te nemen;
heeft voldoende zelfregie om met of zonder ambulante begeleiding zelfstandig te kunnen wonen;
staat open voor ambulante begeleiding, zorgmijders komen niet in aanmerking;
één persoon komt in aanmerking voor een huurcontract;
is een inwoner van de gemeente Tilburg of heeft de laatste twee jaar voorafgaand aan de aanmelding voor Prikkelarm Wonen een (brief)adres gehad in de gemeente Tilburg.
Bij gelijke geschiktheid krijgen inwoners uit Tilburg Noord voorrang; Paraaf Gemeente
voldoet aan de inkomenseis die geldt voor sociale huurwoningen op het moment van toewijzing; staat ingeschreven bij Woning in Zicht, of bij de opvolger daarvan.
Art 6.5 Personen op wie één van onderstaande situaties van toepassing is, zijn uitgesloten van het Prikkelarm Wonen:
personen bij wie psychiatrie of verslaving leidt tot een dusdanige, niet beheersbare gedragsproblematiek dat samenleven met anderen onmogelijk is;
de overlast bestaat uit ernstige agressie danwel gevaar voor zichzelf of anderen.
De toekomstige bewoners worden geselecteerd door het Toetsingsteam, een selectiecommissie van (zorg)professionals in samenwerking met WonenBreburg. Het Toetsingsteam, een commissie die de aangedragen kandidaten voor het woonproject Prikkelarm Wonen bespreekt en beslist over de woningtoewijzing, gaat in overleg met alle bij de aangemelde cliënt betrokken partijen, de cliënt zelf en/of zijn/haar naasten om te beoordelen of deze vorm van wonen de meest optimale/haalbare vorm betreft. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met een match met de huidige bewoners van deze woonvorm.
De cliënt geeft hier vooraf toestemming voor. Als een cliënt niets wil vertellen over zijn problematiek en achtergrond dan kan hij niet voor Prikkelarm Wonen in aanmerking komen.
De samenstelling en werkwijze van het Toetsingsteam moet nog nader worden uitgewerkt.
Verder merken wij nog het volgende op. De bewoning van de prikkelarme woningen begint al bij de selectie van de juiste bewoners, die passen op deze locatie. Zij moeten voldoen aan de criteria die daarvoor zijn omschreven in de onder 1.5 beschreven Samenwerkingsovereenkomst. Het gaat hierbij o.a. over personen die
heeft baat bij het wonen in een prikkelarme woonomgeving;
veroorzaakt zelf geen verstoring van de veiligheid en leefbaarheid van de overige huurders, de locatie zelf en de directe omgeving;
is in staat om minimale leef- en gedragsregels in acht te nemen;
heeft voldoende zelfregie om met of zonder ambulante begeleiding zelfstandig te kunnen wonen;
staat open voor ambulante begeleiding, zorgmijders komen niet in aanmerking.
Dit is geen volledige omschrijving, maar dit geeft een beeld van het soort personen die hier komt te wonen. Een selectiecommissie ziet erop toe dat de juiste personen worden geselecteerd als huurders.
Deel 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. We maken ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. We bevorderen duurzaam economisch groeipotentieel. We zorgen voor sterke en gezonde steden en regio’s. En we stimuleren een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio’s;
Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied.
Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
Afwentelen wordt voorkomen.
2.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De opgenomen regels en omgevingswaarden zijn gesteld ter bescherming van nationale belangen en het voldoen aan internationale verplichtingen.
In het Bkl is onder meer geregeld welk bestuursorgaan bevoegd gezag is bij het verlenen van een omgevingsvergunning, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en procedures.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Hoofdstuk 5 bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1)
waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2)
beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4)
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5)
behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6)
behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7)
bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8)
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:
voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen
lokale spoorwegen binnen vervoerregio's
lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool
bebouwingscontour jacht
bebouwingscontour houtkap
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Ondanks het ingekaderde karakter van de afwegingsruimte die door de instructieregels ontstaat, biedt het Bkl veel ruimte aan de gemeente om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te sturen. Als de gemeente gebruik wil maken van deze afwegingsruimte, zal zij dit goed moeten motiveren. Daarnaast zullen deze deugdelijk onderbouwde, op het specifieke deelgebied afgestemde kaders ook moeten worden uitgewerkt in juridische planregels.
2.1.3 Maatschappelijke behoefte
Tilburg wil een inclusieve stad zijn waar voor iedereen een plek is. Een stad waar niemand tussen wal en schip valt. Op dit moment is er een kleine kwetsbare groep burgers, die wel degelijk tussen wal en schip lijkt te vallen. Het gaat om kwetsbare burgers die in een normale woonomgeving door teveel prikkels (woon)overlast kunnen veroorzaken. Voor deze kwetsbare burgers, die beschikken over voldoende woonvaardigheden om zelfstandig te wonen en niet afhankelijk zijn van 24 uurszorg (met ambulante begeleiding en/of behandeling), is een woning in een prikkelarme (rustige) omgeving noodzakelijk. Hierdoor wordt hun zelfstandigheid bevorderd, kan men tot rust komen en wordt het woongedrag genormaliseerd. Op dit moment is er nog geen passende woonvorm voor deze kwetsbare burgers. Gemeente, woningcorporaties en zorgpartijen willen voorkomen dat zij dakloos worden/blijven en/of onnodig lang zijn aangewezen op maatschappelijke opvang of beschermde woonvoorzieningen bij gebrek aan passende woningen.
Het college van B&W heeft op 16 april 2016 besloten om het projectplan Aanpak Verwarde personen, bestaande uit 10 deelprojecten, vast te stellen. Eén van deze deelprojecten is de realisatie van een prikkelarme woonomgeving voor kwetsbare burgers. Gemeente Tilburg, de Tilburgse woningcorporaties en zorgpartijen zijn het erover eens dat deze woonvorm, voor bewoners die behoefte hebben aan een rustige omgeving, een waardevolle toevoeging is op de al bestaande woonvormen. Samen hebben zij het streven om het zogenaamde prikkelarm wonen in Tilburg te realiseren.
Het ontwikkelen van het project Prikkelarm Wonen maakt onderdeel uit van het Convenant wonen 2020-2024 dat de Gemeente Tilburg en de Tilburgse corporaties in september 2020 hebben gesloten. Specifiek voor deze opgave sluiten ook de zorgpartijen aan.
2.1.4 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voorliggend plan voorziet in de bouw van maximaal 30 woningen buiten betaand stedelijk gebied. Daarom voorziet het plan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en moet de behoefte van het plan worden aangetoond. In bijlage 1 bij deze motivering is de laddertoets opgenomen. In bijlage 14 bij deze motivering wordt nader ingegaan op de locatiekeuze van deze prikkelarme woningen. Uit deze bijlagen blijkt de kwantitieve en kwalitatieve behoefte en is tevens gemotiveerd dat er hiervoor buiten bestaand stedelijk gebied kan worden gebouwd.
Gemeentelijke bouwopgave in regionale context
De gemeente Tilburg maakt samen met tien andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. In de periode 2020-2040 is er behoefte aan 25.000 extra woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De sterkste groei vindt plaats in de jaren tot 2030. In de update stedelijke ontwikkelingsstrategie 2021 is aangegeven dat de Tilburgse netto bouwopgave tot 2030 gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar bedraagt.
De update Stedelijke Ontwikkelstrategie Wonen van september 2021 geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd in aansluiting op de uitgangspunten van de Rijksoverheid. De strategie bevat richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien.
Het plan voorziet tevens in realisatie van een stadsdistributiecentrum en een ambulancepost. Aangezien dit plaatsvindt op een bestaand bedrijventerrein is geen sprake van ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein. Artikel 5.129g is zodoende hierop niet van toepassing. Overigens ligt het bedrijventerrein binnen bestaand stedelijk gebied.
Conclusie
Het plan tot de bouw van 20 grondgebonden woningen past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context. Ruimtelijk past dit plan binnen de in de update Stedelijke Ontwikkelstrategie Wonen geformuleerde strategie.
2.1.5 Voorgenomen ontwikkeling in relatie tot rijksbeleid
De wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten en afwegingsprincipes van de NOVI. Dit uit zich in het feit dat de wijziging voorziet in een combinatie van functies en de ontwikkeling past bij de kenmerken en identiteit van het gebied. Tevens is de wijziging getoetst aan de van toepassing zijnde instructieregels uit het Bkl. Hieruit blijkt dat de activteiten die via deze wijziging mogelijk worden gemaakt voldoen aan deze instructieregels. Tot slot voldoet het plan aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
2.2 Provincie
2.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen:
De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden;
De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.
2.2.2 Provinciale omgevingsverordening
De Omgevingsverordening Noord-Brabant is nu geldend en is tegelijk met de Omgevingswet van kracht geworden op 1 januari 2024. In de omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels.
De instructieregels uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad of het college de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een omgevingsplan. De regels zijn (ook) van toepassing op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De wet biedt de mogelijkheid dat Gedeputeerde Staten voor de vergunningverlening voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gevallen aanwijst waarvoor verplicht advies (met instemming) bij hen gevraagd moet worden. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben bij besluit van 7 november 2023 in lid 1 van dit besluit de activiteiten aangewezen waarover advies moet worden aangevraagd. Dat geldt onder andere voor artikel 5.56 (Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling) van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, waarvan hier sprake is.
Op basis van lid 2 van dit provinciaal besluit is geen instemming vereist van de provincie voor deze plannen.
Verder is er op basis van lid 3 van dit artikel geen advies nodig als er over de voorgenomen activiteit of aanvraag voor omgevingsvergunning in een vroegtijdig stadium overleg is gevoerd tussen de diensten van de gemeenten en de provincie, en er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- door of namens Gedeputeerde Staten is een positieve schriftelijke reactie gegeven op de uitkomsten van het overleg;
- de verlening van de omgevingsvergunning is in overeenstemming met de uitkomsten van het overleg en de schriftelijke reactie van Gedeputeerde Staten; en
- het besluit om de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen wordt via het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde e-formulier aan de provincie
toegezonden.
Concreet voor dit plan geldt dat er sprake is van maatwerk op basis van artikel 5.56 Ov (afwijkende regels met betrekking tot stedelijke ontwikkeling). Dat betekent dat er een adviesplicht geldt, behalve als er op basis van lid 3 sprake is van een uitzondering op deze adviesplicht.
Wij hebben het plan besproken met de provincie. De uitkomst hiervan staat in paragraaf 7.2. Specifiek voor het plangebied geldt het volgende.
De locatie is gelegen in het landelijk gebied, zie hiervoor de volgende afbeelding.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402011.png)
De locatie ligt verder in het gebied ‘norm wateroverlast buiten stedelijk gebied’. Deze aanduiding ligt overigens over het hele buitengebied. Op de kaart is dit als volgt aangegeven:
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402012.png)
Er liggen verder geen andere waarden op het gebied. Wel is er sprake van ‘natuurnetwerk Brabant’ en ‘attentiezone waterhuishouding’ net ten noorden van het plangebied.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402013.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402013.png)
Er is, gelet op de grootte van de ontwikkeling, sprake van een stedelijke ontwikkeling. De meest relevante artikelen uit de Ov zijn de volgende:
Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap
Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting
Artikel 5.55 en 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling
In paragraaf 3.2 wordt ingegaan op de inpasbaarheid van de ontwikkeling in het landschap en het gebied.
Met betrekking tot artikel 5.11, kwaliteitsverbetering van het landschap, merken wij het volgende op. Het project Prikkelarm Wonen ligt in landelijk gebied. Volgens de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant artikel 5.11 ‘Kwaliteitsverbetering landschap’ lid 1 dient een omgevingsplan (of BOPA) dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in landelijk gebied te bepalen dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Daarbij moet de te realiseren kwaliteitsverbetering berekend en beoordeeld worden op basis van de regionale werfafspraken die in de regio Hart van Brabant met de provincie hierover gemaakt zijn.
Er is sprake van een planmatige stedelijke uitbreiding met woningen. De kwaliteitsverbetering landschap is dan 1% van de uitgifteprijs. In dit geval bedraagt de uitgifteprijs, gelet op de doelgroep van het project, € 344.756,- en bedraagt de kwaliteitsverbetering dus € 3.448. Dit bedrag wordt in het groenfonds gestort en gelabeld voor projecten die, conform de werkafspraken, een kwaliteitsverbetering van het landschap bewerkstelligen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied niet in strijd zijn met de uitgangspunten en instructieregels van het provinciaal beleid zoals vastsgelegd in de omgevingsvisie en omgevingsverordening.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid;
Zorgcluster Leijpark;
Duurzaam energielandschap Noord.
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
2.3.2 Bestuursakkoord ‘Meer voor elkaar’
Het Akkoord ‘Meer voor elkaar betreft het bestuursakkoord voor de raadsperiode 2022 tot 2026. In dit akkoord staan doelen, koers en aanpak beschreven met betrekking op gezondheid, jeugd, kansengelijkheid, energietransitie, verduurzaming van de bestaande woon- en werkomgeving, groen in de stad, mobiliteit, openbare ruimte, nieuwe woningen, werkgelegenheid, kunst, cultuur, evenementen en sport. Dit plan draagt concreet bij aan het bouwen en realiseren van betaalbare passende woningen. Verder draagt dit project bij aan het vergrote van inclusie: ‘iedereen is welkom in de gemeente Tilburg om te wonen, te werken, te leren en te leven. We streven naar een inclusieve stad, waarin iedereen meedoet en iedereen de vrijheid heeft om zelf vorm te geven aan de toekomst. We staan voor gelijke kansen, ongeacht opleidingsniveau, achtergrond, leeftijd, geloofsuiting, geaardheid of eventuele beperking. Tilburg moet van en voor iedereen zijn’.
2.3.3 Gebiedsgericht beleid
Dit plan is gelegen in het gebied van het masterplan van Waterlandschap Pauwels en binnen het gebiedsperspectief voor Tilburg-Noord. Op beide plannen wordt ingegaan in paragraaf 3.2.
2.3.4 Woonbeleid en volkshuisvesting
Woonvisie en Woonagenda 2020-2025
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie.
Centraal in de Woonagenda staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen.
In de Woonagenda 2020-2025 hebben we vastgelegd hoe we zorgen voor een passende woning voor elke Tilburger. De Woonagenda vormt de basis voor afspraken met onze partners, zoals de woningcorporaties en geeft richting aan de ontwikkelingen in onze stad. Met het addendum 2023 geven we invulling gegeven aan de beleidswijziging op betaalbaar wonen in de Woonagenda 2020-2025.
Daarbij hebben we voor het bepalen van de woningbehoefte het regionale Woningmarktonderzoek Hart van Brabant 2022 als uitgangspunt genomen. De planvoorraad houden we op peil door bij nieuwbouw op het niveau van de gemeente in te zetten op een percentage van 35% sociale huur, (lage) middenhuur en onzelfstandige wooneenheden (studenten en doelgroep `Een thuis voor iedereen’), te realiseren door woningcorporaties. Daarnaast blijven we inzetten op 10% particuliere middenhuur (conform de Verordening Middenhuur). Voor de gemeente als geheel houden we aan de bovengenoemde percentages vast, maar per gebied kan dit verschillen.
De locatie maakt deel uit van het gebied Tilburg-Noord, waarvoor recent een gebiedsperspectief hebben vastgesteld. Onderdeel van dit perspectief is dat we per wijk en buurt hebben opgenomen wat het gewenste aandeel sociale woningen is in het gebied om te komen tot een beter spreiding van de sociale voorraad over het gebied. Voor de buurt Landschapspark Noord hebben we in het gebiedsperspectief het aandeel corporatiewoningen in het gebied te verhogen en daarvoor bij toevoegingen aan de woningvoorraad uit te gaan van 35-40% sociale huur. De voorgestelde ontwikkeling voor het project Prikkelarm Wonen draagt is substantieel aan bij.
Verder is het volgende van belang. De wijk Noord heeft een lage dichtheid en een redelijk eentonige woningvoorraad. De locatie ligt in het uiterste noorden van de wijk, grenzend aan groen. Dit maakt de locaties bij uitstek geschikt voor prikkelarm wonen. Met het aanbieden van deze prikkelarm woningen bieden we een woonvorm waaraan behoefte is in de stad en waardoor de doelgroep zelfstandig kan wonen en iet onnodig in een instelling verblijft.
Woonzorgvisie
In september 2024 heeft de gemeenteraad de Regionale Woonzorgvisie met lokale paragraaf vastgesteld. In deze visie is het uitgangspunt dat we streven naar een evenwichtige verdeling van sociale huurwoningen, woonvormen en (zorg)voorzieningen over de verschillende gebieden in de gemeente. Dit betekent niet automatisch een gelijke verdeling over de gebieden op grond van woningvoorraad of bevolkingssamenstelling. De evenwichtige verdeling kan afhankelijk zijn van de doelgroep en/of de kenmerken van een gebied. We vinden het belangrijk dat in al onze wijken, buurten en dorpen voldoende en passende (maatschappelijke) voorzieningen beschikbaar zijn. De realisatie van het project Prikkelarm Wonen op deze locatie draagt bij aan deze ambitie.
Wonen en duurzame verstedelijking
De gemeente Tilburg maakt samen met tien andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. In de periode 2020-2040 is er behoefte aan 25.000 extra woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De sterkste groei vindt plaats in de jaren tot 2030. In de update stedelijke ontwikkelingsstrategie Wonen 2021 is aangegeven dat de Tilburgse netto bouwopgave tot 2030 gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar bedraagt.
De Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen van september 2021 geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd in aansluiting op de uitgangspunten van de NOVI. De strategie bevat richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien.
Het plan voor de bouw van 18 beneden/bovenwoningen en 12 grondgebonden woningen, alle sociale huur, past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context en is opgenomen in de planlijst (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Ruimtelijk past dit plan binnen de in de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen geformuleerde strategie. Over de samenhang van dit plan met de kwalitatieve woningbouwopgave verderop meer.
2.3.5 Welstandsbeleid
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´. Naast het omgevingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereedgekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
2.4 Waterschap De Dommel
Waterschapsbeleid De Dommel
Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het projectgebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het projectgebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna beschreven:
Waterbeheerprogramma 2022-2027;
Handreiking Watertoets.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
“Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving”. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.
Wat schoon is moet schoon blijven.
Handreiking watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De initiatiefnemer verwoordt in een waterparagraaf zijn afweging van de waterhuishoudkundige aspecten. Het waterschap geeft hierover een wateradvies.
De Handreiking watertoets die door het waterschap De Dommel is opgesteld is een middel om te komen tot een evenwichtige watertoets.
Keur
In de Keur staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de Keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
De waterschapsregels richten zich op het voorkomen van versnelde afvoer van regenwater naar het oppervlaktewatersysteem als gevolg van een toename van verhard oppervlak. Het kan dan gaan om nieuwe bebouwing, maar ook om nieuwe wegen, parkeerterreinen of andere verhardingen:
Bij een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 gelden algemene regels voor het realiseren van regenwaterberging.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename van meer dan 10.000 m2 geldt een watervergunningplicht. Daarbij is een waterhuishoudkundig plan nodig, waarin de initiatiefnemer uitwerkt hoe hij omgaat met regenwater en welk effect de ontwikkeling heeft op het watersysteem.
Deel 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van deze wijziging omgevingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Motivering van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving
Ligging
Landschappelijk gezien ligt het project Prikkelarm Wonen in de stadsrand van Tilburg-Noord, waar ook Landschapspark Pauwels begint. Dit is een uitgestrekt gebied ten zuiden van de Loonse en Drunense Duinen en Kaatsheuvel tot de noordgrens van de stad Tilburg. Op kleinere schaal ligt het project Prikkelarm Wonen tussen de wijk Stokhasselt en diverse bosschages langs de Burgemeester Bechtweg.
Context en beleid
De ontwikkeling van het project Prikkelarm Wonen maakt onderdeel uit van een integrale opgave om van de Stokhasseltlaan een ontspannen en groene stadsentree te maken. Een volwaardige stadsentree van de nu nog wat rommelige restanten van agrarische bebouwing die ver terug liggen van de weg. Het is stedenbouwkundig gewenst om enerzijds met bebouwing deze stadsentree beter te begeleiden en tegelijkertijd het groene karakter te behouden. Een heldere rooilijn, zicht op de flat aan de rand van Tilburg-Noord en tussen de bebouwing door de relatie met het achterliggende landschap spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast zal de inpassing en het beleefbaar maken van waterbergingen en toevoegen van natuur, en het herinrichten van de Stokhasseltlaan met laanbeplanting en losliggende fietspaden tevens onderdelen zijn van deze opgave. Voor de herinrichting van de Stokhasseltlaan is al een ruimtereservering gemaakt binnen het ontwerp voor het project Prikkelarm Wonen.
Landschapspark Pauwels:
Vanuit het Masterplan van Waterlandschap Pauwels en latere uitwerkingen in de vorm van ‘Waterlandschap Pauwels’ is het de bedoeling om het landschap ten noorden van de stadsrand in te richten met een reeks van kleinere en grotere waterparken die samen één systeem vormen. Dit waterpark bestaat uit waterlopen en -bergingen. Er komen meer fiets- en wandelpaden en er is ruimte voor natuur in de vorm van ecologische oevers, poelen en houtwallen. Dragers in het landschap zijn de historische (bebouwings)linten die door het landschap en Tilburg-Noord lopen. Dit zijn structuren met afwisselend bebouwing en doorzicht- en toegang naar achtergelegen landbouwpercelen. Extra woningen zijn incidenteel mogelijk binnen het landschapspark in een erfopzet. De ontwikkeling van het project Prikkelarm Wonen gaat in deze opzet mee. Wonen aan de rand van de stad in een rustige groene omgeving, maar voorzieningen dichtbij en goed ontsloten.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402014.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402014.png)
Waterlandschap Pauwels, 2021 (raad). Masterplan Pauwels 2019 door Strootman Landschapsarchitecten
Het waterlandschap in Noord wordt geconcretiseerd uitgewerkt in een aparte gebiedsvisie. De volgende CONCEPT tekening geeft de invulling van de waterbergingen aan de noordelijke stadsentree aan weerszijde van de Stokhasseltlaan, ten noorden van de locatie van het project Prikkelarm Wonen weer:
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402015.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402015.png)
Gebiedsperspectief Tilburg-Noord:
Het gebiedsperspectief Tilburg-Noord is na een participatietraject vastgesteld op 16 december 2024. De locatie voor het project Prikkelarm Wonen is in dit gebied gelegen.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402016.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402016.png)
Voor de groene landelijke rand tussen het stedelijk gebied en de noordelijke randweg Burgemeester Bechtweg, gelden de volgende uitgangspunten:
Het landschapspark wordt de voortuin van Noord
Versterking van de landschappelijke en natuurlijke waarden conform de plannen voor Pauwels vormen de basis. (bosaanleg, waterretentie, cultuurhistorie, stad-landverbindingen en toekomstige landbouw). Binnen deze waarden is ruimte om het gebied kwalitatief beter te benutten. Het landschapspark krijgt een waarde en positie die vergelijkbaar is met Moerenburg en de Oude Warande. Hooggewaardeerde landschapsparken als uitloopgebied voor de stad.
Het landschapspark wordt ook qua gebruik en bebouwing een toonbeeld voor circulair ontwikkelen en bouwen.
Bebouwing is geen doel, maar een middel. Alle bebouwing wordt bij voorkeur houtbouw, waardoor een duurzaam en samenhangend landschappelijk beeld ontstaat.
Om de doelstellingen te bereiken zijn er principes geformuleerd die zijn gebaseerd op de kenmerken van het agrarisch cultuurlandschap. Dit landschap wordt gekenmerkt door een kleinschalige verkaveling met houtwallen en boerenerven langs linten, open kransakkers en dicht beboste percelen. Gegraven waterlopen dooraderen het landschap.
Principes:
- Ruimte voor experimenten op het snijvlak van maatschappelijk programma, landbouw en natuurontwikkeling
- De stadsrand – nu nog liggend onder de hoogspanningskabels die vanaf 2026 zullen verdwijnen, wordt ontwikkeld tot aantrekkelijke openbare zone met ruimte voor sport, spelen en ontmoeten voor de aanliggende buurten
- Het westelijk deel krijgt een opwaardering door het reeds in planvorming zijnde waterpark
- Het speelbos wordt aantrekkelijker
- Een volwaardige groenblauwe stadsentree door herprofilering van de Stokhasseltlaan en het plaatselijk toevoegen van nieuwe bebouwing kan dit gebied aantrekkelijker maken
- Wonen is slechts op enkele plekken gewenst. De parkfunctie staat voorop. Wonen heeft een collectief karakter in een kleinschalige vorm die past bij, en interactie aangaat met het landschapspark. Op strategische locaties ontstaat ruimte voor nieuwe erven of kleinschalig landschappelijk wonen. Er is ruimte voor specifieke collectieve woonvormen zoals het project Prikkelarm Wonen.
- Nieuwe (woon)bebouwing richt zich hoofdzakelijk op de transformatie van bestaande erven. Deze bebouwing wordt met name ingezet om de leegstaande en ongewenste bebouwing te vervangen.
- Het gebied biedt ruimte aan (burger) initiatieven op nieuwe vormen van (stads) landbouw passend binnen de landschapsstructuur, mits ze een binding hebben met Noord.
- Transformeer linten tot aantrekkelijke routes voor fietsers en voetgangers. Een fijnmaziger padennetwerk biedt meer variatie in routes.
- Het noordelijk deel van de Stokhasseltlaan krijgt een laanprofiel met meer ruimte voor groen, fietsers en voetgangers
- Grootschalige verkeersaantrekkende functies passen niet in het landschapspark
Groen en natuur
- Het versterken van het agrarisch cultuurlandschap : herstellen van singels langs wegen, het aanplanten van houtwallen en bosgebieden op percelen.
Klimaat
- Bodem en water zijn sturend bij de indeling van het landschapspark. De focus ligt op het herstellen van de oude waterlopen en het creëren van waterbergingsgebieden. De waterlopen worden opnieuw een integraal onderdeel van het landschappelijk raamwerk.
Onderstaande tekening laat de integrale visie voor Tilburg-Noord zien.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402017.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402017.png)
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402018.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402018.png)
Op bovenstaande tekening is een uitsnede weergegeven van het integrale gebiedsperspectief. De groen omlijnde erven/percelen zijn in de legenda weergegeven als ‘mogelijk toe te voegen programma in erfopzet'.
Op de tekening met alleen de stedenbouwkundige structuur zijn deze erven duidelijker zichtbaar:
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402019.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402019.png)
Dus, samenvattend:
Het beleid in dit deel van het buitengebied is gericht op het transformeren naar een landschapspark, met waterloop en klimaatbos. Een landschapspark met groen en water versterkt met bijzonder programma en incidentele erfbebouwing. We gaan in dit gebied zeer terughoudend om met nieuwe woningen. Op slechts enkele, bestaande, locaties past woningbouw. Het project Prikkelarm Wonen past daarin als collectieve woonvorm aan de stadsentree aan de Stokhasseltlaan. Nieuwbouw op locaties waar nu nog geen erf aanwezig is, is in principe niet passend in het gebiedsperspectief. Het plan draagt bij aan het maken van een aantrekkelijk landschapspark met ruimte voor bijzonder programma dat het landschapspark versterkt en geen auto-aantrekkende werking heeft en bijzondere woonvormen, in een compacte erfachtige opzet. De opzet van het plan en van de Stokhasseltlaan blijft ‘landelijk'. De echte stadsrand wordt immers al heel krachtig en met hoogbouw gemarkeerd.
Stedenbouwkundige opzet van het plan:
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402020.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402020.png)
Stedenbouwkundig ontwerp project Prikkelarm Wonen, bvab architecten.
De stedenbouwkundige opzet van het project Prikkelarm Wonen refereert aan de opzet van agrarische bebouwing rondom een erf. De bebouwing bestaat uit drie langgerekte woonblokken met asymmetrische kappen. Het erf wordt afgeschermd door een langgerekte fietsenberging, waarbij het volume met een pergola verder is doorgezet, zodat ook dit gebouw meedoet in dezelfde vormtaal van een agrarisch erf. De opzet van de blokken en interne verkaveling honoreert tevens de doelgroep en is gericht op het minimaliseren van prikkels. Openingen tussen de blokken zijn strategisch gekozen, zodat doorzichten naar het achterliggende landschap vanaf de Stokhasseltlaan beleefbaar blijven.
Op deze wijze past het ontwerp bij het vormgeven van de stadsentree en binnen de visie van het Landschapspark Pauwels, waarin het incidenteel verdichten via een erfopzet is gewaarborgd. Door voor de doelgroep ‘’prikkelarm te bouwen’’ wordt tevens gevolg gegeven aan de ambities uit het gebiedsperspectief Noord om voor bijzondere doelgroepen op deze plek te bouwen.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402021.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402021.png)
Ruimtelijk concept, IDverde
Uitbreiding bebouwd gebied
Dit project kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. Daarom wordt het plan ook als zodanig onderbouwd op basis van de Omgevingsverordening en is ook kwaliteitsverbetering van het landschap nodig. Dit project leidt er echter wel toe dat de aard van het gebied wijzigt.
Er zijn twee redenen waarom we onze visie op dit gebied moeten actualiseren; de eerste reden is dat de positie van het gebied in het stedelijk weefsel is veranderd en de tweede is de functionele verandering van het gebied.
De stad is voortdurend in ontwikkeling. Belangrijkste veranderingen in dit deel van de stad met effect op dit gebied zijn:
- de infrastructurele ingrepen in de directe omgeving, denk daarbij aan de tangenten en hoogspanningsnetwerk met schakelstations en (ondergrondse) leidingen;
- de gebiedsvisie voor Tilburg-Noord; het verdichten van de stad, het versterken van de sociale structuur van de wijk en het toevoegen van veel programma;
- Landschapspark Pauwels: een stadsregionaal park met groene en recreatieve ontwikkelingen en een overgangsgebied van stad naar platteland.
Door al deze veranderingen verandert ook de positie van deze entree van de stad. Was het in het verleden een secundaire ontsluiting van Tilburg-Noord met nog een aantal landelijke en perifere functies, nu wint het gebied steeds meer aan belang. En vraagt daarmee om ook een andere stedenbouwkundige en planologische benadering. Ook verandert de ruimtelijke verschijningsvorm van deze stadentree met de komst met de ombouw van de N261 en het tangentenstelsel en het masterplan voor Landschapspark Pauwels met daarin opgaves voor betere overgangen tussen stad/land en waterparken.
Wat voorheen een soort geleidelijke overgang was van stad naar land is nu door de nieuwe positionering en het verdwijnen van een aantal functies een veel stedelijker gebied geworden, wat toe is aan een veel duidelijkere en gestuurde transformatie.
Om te voorkomen dat het in de onduidelijke positie als half buitengebied blijft hangen, terwijl het dat feitelijk niet meer is, is het wenslijk om de positie opnieuw te bezien.
Er is veel veranderd en er gaat veel veranderen in dit gebied:
De flats aan de Kapelmeesterstraat worden op termijn getransformeerd, de relatie tussen de gebouwen en de openbare ruimte wordt verbeterd en het gebied ten noorden daarvan veel meer ingericht als park; daardoor kent het een intensiever gebruik. Dit geldt ook voor het wat van haar omgeving los geknipt bosgebiedje.
Ten noordwesten van Groenrijk komt een belangrijk onderdeel van het waterpark om het stedelijk water van Tilburg op te vangen en te zuiveren en zo verder te geleiden naar de Leij.
Groenrijk breidt uit, op veel plekken in Nederland liggen dit soort functies wat perifeer aan de rand van de stad. Door het sluiten van de Groenrijk in Waalwijk vervult deze vestiging voor een deel een regionale functie
De bedrijfsfuncties aan de noordzijde en zuidzijde van de Stokhasseltlaan kunnen gehandhaafd blijven maar zijn niet dragend/beeld bepalend voor dit gebied.
De manege is gesloten en vraagt om een herontwikkeling om uiteindelijk verloedering te voorkomen
Het schakelstation aan de Kalverstraat wordt omgebouwd en uitgebreid en er gaan veel ingrepen plaatsvinden i.r.t. de uitbreiding van het schakelstation bij ‘t Spinder en het onder de grond brengen van het 150 kV tracé.
Gezien de opgave van de stad als het gaat om woningbouw en de bijbehorende voorzieningen is het logisch dit gebied te intensiveren en de ruimte beter te benutten. Dit kan met het behoud van zijn groene karakter door enerzijds te investeren in de stedelijke ontwikkeling anderzijds veel nadrukkelijker te investeren in de groen blauwe ontwikkeling.
Met betrekking tot de inrichting van het gebied op een wat lager abstractieniveau, merken wij nog het volgende op.
Op bouwvlakniveau geeft de kaart van het gebiedsperspectief van Tilburg-Noord inzicht in de stedenbouwkundige mogelijkheden van het gebied. Wij kiezen er aan de oostzijde van de Stokhasseltlaan voor om grotere bouwmassa’s (blokken woningen bijvoorbeeld) aan de noord- en zuidzijde ervan, af te wisselen met de kleinere bouwmassa’s van bestaande woningen. Hierdoor ontstaat een geleding en afwisseling in korrelgrootte, maar is er toch sprake van de gewenste, niet te grootstedelijke entree van Tilburg. Die afwisseling willen we ook aan de westzijde. Er is aan de westzijde sprake van een grootschalige bouwmassa bij Groenrijk. Andere grootschalige nieuwe erven aan de oostzijde van de Stokhasseltlaan zijn hier, om de gewenste afwisseling te behouden, niet gewenst. Ook een verdere verdichting met nieuwe functies, als die al milieutechnisch toegelaten zouden zijn, willen we hier niet.
Op basis van het bovenstaande, vinden wij een gebiedsaanduiding in de Omgevingsverordening als ‘bebouwd gebied’ in plaats van als ‘landelijk gebied’ hier meer op zijn plaats. Wij zullen de provincie dan ook vragen om de Stokhasseltlaan en de aangrenzende bebouwing aan de Kalverstraat als bebouwd gebied op te nemen.
Stedenbouwkundige inpassing van bouwwerken
Inpassing in de omgeving
Het cluster van de prikkelarme woningen draagt bij aan het meer stedelijk vormgeven van de stadsentree doordat het de Stokhasseltlaan met een stedenbouwkundige wand begeleidt en toch ook ruimte laat voor de relaties met het landschap. Daarnaast voegt het zich naar de bestaande rooilijn van de bebouwing in de directe omgeving, aan deze zijde van de Stokhasseltlaan. En door de clustering van bebouwing verwijst het naar de opbouw van de bestaande percelen.
De buitenruimtes zijn integraal mee-ontworpen met de bebouwing en worden afgezoomd met brede groene randen, ingezaaid met kruidenrijk gras. Hierdoor staat bebouwing met de voet aan het erf of in het groen. Erfgrenzen zijn groen afgezoomd en vormen een gebiedseigen overgang naar het landschap. Verharding is geminimaliseerd. Bijvoorbeeld door de inrit als karrespoor vorm te geven en de parkeerplaatsen in grasbetontegels in te passen. De waterberging neemt een centrale plek in op het erf. Terreinafscheidingen aan de Stokhasseltlaan bestaan uit een 1 meter hoge haag en hekwerk. Aan de zuidzijde, ligt een geluidswal met een houtwal, die de woningen afschermt van het geluid van het naastgelegen autobedrijf. Deze houtwal wordt doorgetrokken naar de oostzijde. In combinatie met een tweede waterberging zorgt deze voor een natuurlijk maar ontoegankelijke afscheiding tussen het erf en omliggend landschap wat beoogd is voor waterberging en natuurontwikkeling. Dit achterliggende landschap dient tevens als foerageergebied voor de das, waardoor een natuurlijke afscheiding wenselijk is. Ten behoeve van de nieuwe op te richten bebouwing en een goede landschappelijke inpassing wordt ten slot aan de noordzijde een verouderde schuur gesloopt.
In de als bijlage 7 bij de motivering van dit plan bijgesloten landschappelijk inpassingsplan, opgesteld door IDverde, wordt meer concreet ingegaan op de landschappelijke inpassing. Dit landschapsplan is verankerd in de regels van dit omgevingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402022.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402022.png)
Uitzicht en privacy
De opzet van de geclusterde woonvorm is gegroepeerd rond een erf. De woningen kijken vanuit de toegangspaden en zichtlijnen uit over het landschap. Vanwege een afzoming van het perceel met erfbeplanting van hagen en bomen en waterpartijen is anderzijds de privacy gewaarborgd van de nieuwe woningen en de naastgelegen kavel.
Vanaf de Stokhasseltlaan heeft het erf een herkenbare opzet en een duidelijk adres, maar er is ook een besloten binnentuin centraal op het erf.
Licht en schaduw
Alle woningen hebben zo al naar gelang de zonnestand in eigen voor- of achtertuin en ook in de binnentuin een plek om in de zon te zitten. Door de beplanting is er ook beschutting en schaduw. De verharding op het terrein is minimaal, er is maximaal ingezet op klimaatadaptatie, vergroening en waterberging. De erfafscheidingen zijn groen en mee vormgegeven in het terreinontwerp
Handreiking hoogbouw
In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007.
Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.
De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan.
Deze ontwikkeling maakt geen bouwhoogte hoger dan 15 meter mogelijk. De Handreiking Hoogbouw is dan ook niet van toepassing op dit plan.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
Toetsingskader archeologie
In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op
verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot uitdrukking in de Omgevingswet en in de Erfgoedwet.
Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken.
Toetsingskader cultuurhistorie
Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen.
Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers ertoe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen.
In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op of de het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota.
Historische geografie
In het landschapsplan van IDverde, bijgesloten als bijlage 7 bij deze motivering, wordt beschreven hoe het landschap ter plaatse van dit project zich heeft ontwikkeld en op welke manier hiermee in het project rekening is gehouden.
Archeologie
In het huidige bestemmingsplan (Lobelia-Spinder-Rugdijk) heeft het plangebied geen dubbelbestemming ‘waarde archeologie’. Dit is grotendeels gebaseerd op de landschappelijke ligging. Het plangebied bevindt zich op relatief laaggelegen dekzandwelvingen op de overgang naar een beekdal dat direct ten oosten ligt. Dergelijke laag gelegen gronden hebben over het algemeen een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Verder zal het plangebied voorafgaand aan de ontwikkeling worden opgehoogd. Op basis van de landschappelijke ligging en de aard van de werkzaamheden wordt de kans op het aantreffen van archeologische resten laag ingeschat. Een archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
Er zijn ter plaatse van dit project geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig die om bescherming vragen. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is dit gebied niet aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied.
3.4 Verkeer en parkeren
Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
4-sporen beleid parkeren 2021
Op 18 november 2021 heeft de raad met betrekking tot parkeren in de binnenstad het 4-Sporenbeleid Parkeren en Deelmobiliteit vastgesteld. Dit houdt onder andere in dat bij een nieuwe ontwikkeling de ontwikkelaar in de basis nog steeds geacht wordt het parkeren op de eigen ontwikkelplot op te lossen, maar dat er meer handvatten komen waarmee de gemeente een helpende hand kan bieden. De vier sporen zijn:
Het beter benutten van restcapaciteit in openbare parkeergarages
Hiervoor zijn nieuwe abonnementsvormen ingevoerd waarbij de garages op rustige momenten beter worden gebruikt en op drukke momenten voornamelijk ruimte bieden voor bezoekersparkeren. Voor bezoekers van bewoners wordt een bezoekersregeling in de garages ontwikkeld.
Met een hoogwaardig en betaalbaar aanbod deelmobiliteit een goed alternatief bieden voor de eigen auto
Met behulp van een vergunningenstelsel voor deelscooters en deelfietsen wordt actief gestuurd op een hoogwaardig aanbod. Ook voor deelauto’s is een dergelijk vergunningenstelsel volgens planning eind 2023 beschikbaar. In de nota parkeernormen zijn de voorwaarden voor deelmobiliteit opgenomen.
Gebiedsgericht aan de rand van de binnenstad openbare parkeercapaciteit toevoegen
Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat er aan de oostkant van het centrum een aantal van 500 á 600 extra parkeerplaatsen in openbare gebouwde voorziening wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt aan de westzijde van de binnenstad een tijdelijke garage van ca. 350 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Transferia bij de toegangspoorten van de stad
Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat een tweetal transferia, bij de Kempenbaan en in Noord, worden uitgewerkt. Deze worden voorzien van hoogwaardig natransport, waaronder snelle en frequente buslijnen.
Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020
Het Tilburgs beleid voor de fiets is vastgelegd in “Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020”, welke door het college is vastgesteld op 8 december 2020.
De fietsagenda is één van de vijf uitwerkingen van de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 (MAT2040) en de MobiliteitsAgenda 013. Hierin is de doelstelling opgenomen dat tweederde van de verplaatsingen binnen de stad in 2040 op actieve wijze plaatsvindt (lopen en fietsen) en een groei van 20% van het aantal gereden fietskilometers in 2027 ten opzichte van 2017. Fietsen is inclusief, draagt bij aan een duurzame stad en is cruciaal in gezondheidspreventie. Daarom kiest de gemeente Tilburg voor de fiets en doet dit consequent. Hierbij wordt ingezet op drie pijlers: fietsinfrastructuur, fietsparkeren en fietsstimulering. De fietsagenda verbindt het Tilburgs fietsbeleid met het Regionaal Fietsbeleidsplan 2016-2020 (regio Hart van Brabant), met de Samenwerkingsagenda BrabantStad Fiets 2019-2022 (de vijf Brabantse steden, de provincie Noord-Brabant en BUas) en met het landelijke Tour de Force 2e etappe Schaalsprong Fiets (samenwerking tussen het Ministerie van I&W, IPO, VNG/F10, vervoerregio’s en diverse organisaties waaronder de ANWB en de RAI Vereniging).
Agenda voor het stedelijk openbaar vervoer in Tilburg
De Tilburgse OV-agenda vormt een uitwerking van actuele kaders, waaronder de Mobiliteitsaanpak Tilburg (2016), Verstedelijkingsstrategie (2022), Parkeerstrategie (2022) en de Netwerkanalyse (2020). In het bestuursakkoord ‘Meer voor Elkaar’ (2022) is opgenomen dat voor het realiseren van de woningbouwopgave en voor een prettig en gezond verblijfsklimaat een mobiliteitstransitie noodzakelijk is met inzet op hoogwaardig openbaar vervoer voor de lange termijn.
Om Tilburg leefbaar en bereikbaar te houden, dient het aantal reizigers in 2040 met een factor 3-4 te zijn gegroeid ten opzichte van 2019. Om dat te bereiken, zet Tilburg op hoofdcorridors in op Bus Rapid Transit (BRT). Hier reizen inwoners en bezoekers snel en comfortabel over busbanen naar hun bestemming. Aanvullend op BRT worden sterke ontsluitende stads- en streeklijnen gehandhaafd. Een hoogfrequente stadslijn door de oude stad van noord naar zuid verbindt de Parkring, het Museumkwartier, Wagnerplein en mogelijk het ziekenhuis en te ontwikkelen transferia in Noord en Zuid. Tenslotte gaan reizigers voor de kleine vervoersbehoeften gebruik maken van flexibele, ondersteunende, toegankelijke diensten.
Netwerkanalyse, de auto-agenda Tilburg
De Omgevingsvisie uit 2015, de Mobiliteitsaanpak uit 2016 en TilburgNext uit 2017, sturen in combinatie met een mobiliteitstransitie en een toename van een fors aantal inwoners aan op stedelijke ontwikkeling die bijdraagt aan een vitale, economische sterke, inclusieve en mooie stad om in te wonen en werken. Dit geldt ook voor de binnenstad, dat als nieuw centrum toe moet naar meer bezoekers, meer inwoners en meer verblijfskwaliteit. Dit vergt echter ruimte en die is slechts beperkt beschikbaar.
Ten behoeve hiervan is de netwerkanlyse uitgevoerd en vastgesteld door de raad op 1 februari 2021.
In de netwerkanalyse is een betere benutting van de buitenring van de stad, voor vracht en doorgaand verkeer, door een optimalisering van deze routes, opgenomen. Daarnaast is vastgesteld dat de gehele cityring in een kwalitatieve en leefbare openbare ruimte geïntegreerd moet worden, met gegarandeerde bereikbaarheid van de binnenstad voor bewoners, bezoekers en bevoorrading. Hiervoor is op 4 oktober 2021 door de raad een aantal concrete, aanvullende, maatregelen vastgesteld die de hoeveelheid verkeer op de cityring in voldoende mate terugbrengt. Met deze aanpassingen wordt ook de naam “cityring” vervangen door een naam die de lading beter dekt en verwijst naar de parkeerroute en het gewenste groene karakter van de ring. De huidige werknaam hiervoor is “Parkring”.
Tilburg loopt!, de loopagenda Tilburg 2020 – 2023
Lopen draagt bij aan de doelen in het bestuursakkoord. Lopen maakt, zoals wetenschappelijk is bewezen, gezond en gelukkig. Lopen is inclusief, duurzaam en draagt bij aan de vitaliteit van onze inwoners.
Met dit doel is op 12 mei 2020 de loopagenda vastgesteld. Deze agenda geeft invulling aan het handvest voor lopen, het partnerschap van het platform ruimte voor lopen, de mobiliteitsaanpak 2040 en de mobiliteitsagenda 013. Bij de mobiliteitsaanpak 2040 horen uitvoeringsagenda's. In de loopagenda is het uitvoeringsprogramma voor de voetganger opgenomen.
De uitgangspunten die zijn vastgesteld gaan uit van volledige toegankelijkheid voor iedereen. Lopen maakt deel uit van elke verplaatsing ook die waarbij andere vervoerswijzen betrokken zijn. Het kan ook alleen een ommetje zijn. Er moet voor voetgangers een basiskwaliteit zijn, maar op plaatsen waar veel voetgangers komen moet dat een extra kwaliteitsimpuls krijgen.
Nota 'Parkeernormen Tilburg 2023', parkeernormen voor de auto en voor de fiets
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen.
Beschrijving verkeerssituatie en toets aan de nota parkeernormen
Parkeren
Er worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd. Iedere woning krijgt een berging waarin 3 fietsen per woning kunnen worden gestald. In de openbare ruimte worden 10 stallingsplaatsen voor fietsen gerealiseerd.
Aan de Stokhasseltlaan 38 in Tilburg ontwikkelen we een woonvoorziening voor kwetsbare burgers met een woon- en ondersteuningsbehoefte in een prikkelarme omgeving. Het plan bestaat uit 30 prikkelarme woningen van circa 65 m² groot, waarvan er één (voorlopig) in gebruik wordt genomen als collectieve, algemene ruimte. Omdat de bewoners in principe zelfredzaam zijn, krijgen de woningen de bestemming ‘wonen’ (en niet ‘beschermde woonvorm/verpleeg/verzorgingstehuis’).
Voor de 12 grondgebonden woningen en de 18 portiekwoningen (waarvan 1 collectief gebruikt wordt), allemaal sociale huur, zouden volgens de parkeernorm voor ‘gewone’ woningen in zone C (waarin het project gelegen is) (12 x 0,7 plus 18 x 0,6 maakt 19,2, dus) 20 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden.
In de als bijlage 5 bij deze motivering gevoegde notitie ‘Prikkelarm wonen Parkeerbehoefte’ is gemotiveerd dat de te verwachten parkeerbehoefte voor dit project beperkt blijft tot circa 14 parkeerplaatsen, en dat te verwachten is dat dit ruim voldoende zal zijn. Vasthouden aan de reguliere parkeernorm (20 parkeerplaatsen) betekent veel extra verharding en extra kosten en is stedenbouwkundig en landschappelijk ongewenst.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402024.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402024.png)
Parkeerplaatsen en inrit vanaf de Stokhasseltlaan
Verkeer
Gemeente Tilburg heeft haar mobiliteitsbeleid beschreven in de 'Mobiliteitsaanpak 2040'. Voor de functies van het wegennet verwijst gemeente Tilburg naar het TVVP2003. Hierin is een categorisering van het wegennet opgenomen.
De ontsluitende weg van dit plan is de Stokhasseltlaan, een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/h. De theoretische maximum intensiteit voor dit type weg is 15.000 à 20.000 voertuigen per etmaal.
Een vuistregel is dat in het drukste uur 10% van de etmaalintensiteit rijdt. Dat betekent in het drukste uur een toename van 19 auto's. Deze aantallen gaan op in het reguliere verkeersbeeld. Vanuit de verkeersgeneratie worden daarom ook op de Stokhasseltlaan geen aandachtspunten verwacht.
In de tabel staat de verkeersgeneratie die normaal gesproken wordt aangehouden bij de genoemde type woningen. Voor dit project zal deze zelfs aan de hoge kant zijn, gelet op de motivering die hierboven is opgenomen bij parkeren.
|
Type woning |
aantal |
Verkeersgeneratie |
Totaal |
|
huurappartementen |
18 |
6 |
108 |
|
Grondgebonden woningen |
12 |
7 |
84 |
|
totaal |
|
|
192 |
De toename met 192 verplaatsingen als gevolg van de ontwikkeling maakt dat toekomstige intensiteit mét ontwikkeling nog steeds onder de grenswaarde van 15.000 à 20.000 voertuigen per etmaal blijft. Het extra verkeer gaat op in het reguliere verkeersbeeld en vraagt niet om andere acties of maatregelen.
Er is een geringe toename van het aan verkeersbewegingen op de Stokhasseltlaan ten gevolge van dit project. De Stokhasseltlaan kan deze extra verkeersbewegingen makkelijk verwerken.
3.5 Bomenverordening
Bomenverordening
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer
bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is
onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024
Beleidsregels bomen 2024
Boomwaarde zoneringskaart 2024
Kaart Monumentale Bomen 2024
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening 2024
De Bomenverordening Tilburg 2024 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming
door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente
Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco-, of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Kaart Monumentale Bomen Tilburg 2024 (KMBT)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de
Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Bebouwingscontour houtopstanden
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwingscontour houtopstanden artikel 11.111, lid 2 a (Bal) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van
de Omgevingswet een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Omgevingswet de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Omgevingswet) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Omgevingswet van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Toets van de ontwikkeling aan de bomenverordening
In of nabij het plangebied staan geen monumentale bomen.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402025.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402025.png)
Om het plan te kunnen realiseren worden 15 bomen gekapt, de bomen zijn onderdeel van een voormalige tuin en erfbeplanting. Het betreft een mix van soorten welke grotendeels gebiedsvreemd zijn, de soorten passen slecht in het landschap, het geheel heeft de uitstraling van een verwaarloosde tuin. Een viertal grote gezonde bomen welke passend zijn in het landschap blijven behouden.
Ter compensatie van de te kappen bomen worden 37 nieuwe bomen met forse aanplantmaat (tussen 10 en 18 cm stamomtrek op 130 cm hoogte) aangeplant. Het betreft met name inheemse soorten welke goed passen in de overgang van landschap tussen stad en buitengebied.
De kap van de 15 bomen is mogelijk binnen de bomenverordening 2024 Tilburg. De te kappen bomen zijn van beperkte waarden en worden gecompenseerd door aanplant van een veelvoud kwalitatieve bomen welke passend zijn in het landschap.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402026.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402026.png)
Huidige situatie, te kappen bomen
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402027.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402027.png)
Nieuwe situatie, compensatie aanplant nieuwe bomen
De bomeneffectrapportage (BEA) met bijlagen I, II en III is bijgeslotenals bijlage 4, 4-1, 4-2 en 4-3 bij deze motivering. De BEA geeft inzicht in de vraag of de betreffende bomen binnen het project in de huidige verschijningsvorm en op de huidige standplaats duurzaam kunnen worden behouden en welke projectaanpassingen, gerichte (beschermings-)maatregelen en randvoorwaarden hiervoor noodzakelijk zijn.
3.6 Groen, klimaat en duurzaamheid
Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn.
Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora en fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en
versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie
van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een
duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet
worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de
groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en
groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon
waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap,
heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene
beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).
Agenda groen in de stad
De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit.
Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad).
stadsnatuurkaart 2040
De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld.
Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt.
Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk.
Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen
Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.
Deel 4 Milieu & gezondheid
4.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.2 Mer-beoordeling
Wettelijk kader
Bij een m.e.r.-beoordeling moet de gemeente toetsen of er bij een plan of programma aanzienlijke milieueffecten op kunnen treden (art. 16.36 lid 3 en 4 Ow).
In twee situaties is er een m.e.r.-beoordeling nodig:
Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit staan. Een m.e.r.-beoordeling moet uitgevoerd worden.
Het plan is kaderstellend voor projecten en komt terug in kolom 1 van bijlage V uit het Omgevingsbesluit. De drempel in kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit wordt niet overschreden.
Een m.e.r.-beoordeling is in plaats van een m.e.r. nodig als:
Het plan een kleine wijziging van een plan of programma is;
Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als de gemeente bevoegd gezag is over het plan.
Uit de m.e.r.-beoordeling kan volgen dat aanzienlijke milieueffecten niet zijn uitgesloten. Dan volgt er een m.e.r. en dient een milieueffectrapport (MER) worden opgesteld.
Wanneer direct duidelijk is dat aanzienlijke gevolgen zijn voor het milieu, bijvoorbeeld wanneer de drempelwaarde uit kolom V van het omgevingsbesluit overschreden wordt, dan ligt het voor de hand om de m.e.r.-beoordeling over te slaan en direct een m.e.r.-procedure op te starten.
Motivering/Uitkomst onderzoek
De woningbouwontwikkeling aan de Stokhasseltlaan (project Prikkelarm Wonen) kan geschaard worden onder categorie J11 (‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’). Voor een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het altijd om een fysieke uitbreiding van het te bebouwen oppervlak en aantal wooneenheden. Een renovatie van een bestaand gebouw is geen stedelijk ontwikkelingsproject.
Voor deze categorie (J11) geldt geen m.e.r.-plicht, maar geldt in geval van aanleg, wijziging of uitbreiding een m.e.r. beoordelingsplicht (kolom 3 uit Bijlage V Omgevingsbesluit).
Conclusie
Voor deze ontwikkeling geldt een m.e.r. beoordelingsplicht.
Vervolg
Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit)
Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit)
In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar:
de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:
de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
Planspecifiek
Er is een mer-beoordelingsnotitie opgesteld om te bezien of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Deze notitie is als bijlage 2 bij deze motivering bijgevoegd. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat het project niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.3 Bedrijven en milieuzonering
Wettelijk kader
Bedrijven en milieuzonering nieuwe stijl richt zich op de relatie tussen milieuhinderlijke activiteiten en milieugevoelige activiteiten (VNG, handreiking milieuzonering nieuwe stijl, versie oktober 2024). Hierbij wordt gekeken naar functiemenging waar het kan (én gewenst is) en functiescheiding waar dat moet. De handreiking is niet van toepassing op industrieterreinen. Hiervoor geldt volgens het Bkl andere regelgeving, namelijk voor industrieterreinen met geluidproductieplafonds. De handreiking van de VNG geldt ook niet voor milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied.
Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico’s of lichthinder kunnen veroorzaken zijn milieuhinderlijke activiteiten. Een milieugevoelige activiteit is een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij onder andere om locaties als woningen, scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen.
Hierbij wordt opgemerkt dat milieu-aspecten zoals omgevingsveiligheid, trillingen, stofhinder en luchtverontreiniging, lichthinder, spuitzones, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied en hinder door verkeersaantrekkende werking zich vaak niet lenen om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. Daarom gaat de milieuzonering onder de Omgevingswet enkel over geluid- en geurhinder. Voor de overige milieu-aspecten moet aan de hand van specifieke regelgeving worden bepaald of de activiteit op een locatie inpasbaar is. Het gaat dan zowel om rijksregels als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 4.9 voor omgevingsveiligheid, 4.5 voor luchtkwaliteit en 4.12 voor trillingen. Ook enkele ‘zware’ activiteiten zijn niet geschikt voor de toetsing van bedrijven en milieuzonering en een nadere, zorgvuldige afweging is nodig. Welke activiteiten dit betreft staat toegelicht in bijlage 7 van de handreiking.
Milieuzonering onder de Omgevingswet werkt met gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen in plaats van met milieucategorieën en richtafstanden. De wettelijke basis hiervoor is terug te vinden in artikel 5.69 voor geluid en 5.93 voor geur uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarnaast dienen de waarden en regels voor geluid- en geurgevoelige gebouwen uit het Bkl in acht genomen te worden. Er moet rekening gehouden worden met de maximale planologische mogelijkheden van de milieubelastende activiteiten.
Deze ‘ruimtelijke’ milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. Voor specifieke activiteiten of voor het projecteren van woningen en andere gevoelige functies nabij bestaande milieubelastende activiteiten kan een geluid- of geuronderzoek verplicht zijn, dit is te achterhalen via het Bal en de bruidsschat.
Motivering/Uitkomst onderzoek
In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal bedrijven (Stokhasseltlaan 39, 42, 43, 44 en 46). Daarnaast bevindt zich in de omgeving een hoogspanningsstation.
Het hoogspanningsstation bevindt zich op bijna 300 meter van de planlocatie. Deze afstand is ruim voldoende om geen hinder als gevolg van de activiteiten van het hoogspanningsstation op de projectlocatie te verwachten.
Aan de Stokhasseltlaan 46 bevindt zich een paardenhouderij/manege. Gezien de afstand tot de projectlocatie is ook hiervan geen hinder te verwachten. Voor het aspect geur geldt voor paarden een vaste richtafstand van 50 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
Voor de activiteiten van de overige vier bedrijven is geluid het maatgevende milieuaspect. Daarom is een onderzoek industrielawaai (Adviesbureau de Haan bv, kenmerk AH.2023.1188.00.R001, d.d. 29 januari 2024)
uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgesloten als bijlage 11-1. Voor de bedrijven op de adressen Stokhasseltlaan 42, 43 en 44 kan op basis van de bekende bedrijfsactiviteiten en afstand tot het projectgebied geconcludeerd worden dat de streefwaarde voor geluid niet zal worden overschreden. Deze bedrijven zijn niet nader onderzocht.
De bedrijfsactiviteiten van het bedrijf op Stokhasseltlaan 39 zijn nader onderzocht. Geconcludeerd kan worden dat voor zowel het langtijdgemiddelde als de maximale geluidniveaus voldaan kan worden aan de streefwaarde.
De streefwaarden voor geluid zijn opgesteld om te toetsen of er sprake is van een goed woon/leefklimaat. De streefwaarden doen geen uitspraak of er sprake is van een prikkelarme omgeving. Omdat er geen toetsingskader ‘Prikkelarm’ beschikbaar is, is hierop niet getoetst.
Stokhasseltlaan 39
Specfiek met betrekking tot het bedrijf Stokhasseltlaan 39 merken wij nog het volgen op. Met de huidige mogelijkheden en de voorgenomen (maar nog niet vergunde en gerealiseerde) uitbreiding van GroenRijk hebben wij bij dit project rekening gehouden.
In de geluidsrapportage van adviesbureau De Haan BV (AH.2023.1188.00.R001), bijgesloten als bijlage 11-1, wordt in paragraaf 3.3 ‘Bedrijvigheid’ aangegeven: “Bij de gemeente Tilburg is bekend dat er plannen zijn om het pand van Groenrijk uit te breiden in noordelijke richting. De rooilijn van het huidige pand dient daarvoor te worden aangehouden. Omdat de uitbreiding van het pand geen extra geluidsbronnen oplevert en de afstand van deze uitbreiding tot het project Prikkelarm Wonen groter is dan de huidige bedrijfsactiviteiten, zal een eventuele uitbreiding geen hogere geluidsbelasting voor het project Prikkelarm Wonen betekenen. Deze mogelijke uitbreiding is daarom niet in de berekeningen gemodelleerd.”
Om zowel Groenrijk als toekomstige bewoners extra comfort te bieden, is door adviesbureau de Haan BV d.d. 23 april 2025 een extra onderzoek uitgevoerd waarbij ook de geplande uitbreiding van Groenrijk concreet is meegenomen. Dit onderzoek is bijgesloten als bijlage 11-2. De conclusie van dit onderzoek is als volgt:
“WonenBreburg is van plan om aan de Stokhasseltlaan 38 in Tilburg een maatschappelijke voorziening te realiseren (nieuwbouw), genaamd Prikkelarm wonen. Wij hebben de uitbreiding van het tuincentrum GroenRijk en de uitbreiding van het parkeerterrein onderzocht. Ook inclusief de uitbreiding concluderen wij dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in het plangebied voldoet aan de standaardwaarde van 50 dB(A). Het maximale geluidniveau voldoet aan de waarde uit het Bkl. We concluderen dat het plan geen belemmering vormt voor de (toekomstige) bedrijfsvoering van het tuincentrum".
En verder merken wij nog het volgende op. De richtafstand tussen woningen en een bedrijf van categorie 2 op grond van de richtlijn ‘bedrijven en milieuzonering’ is 30 m. Omdat de afstand tussen de geplande uitbreiding van Groenrijk en (bestaande) woningen meer dan 30 m bedraagt, is op grond hiervan geen concreet akoestisch onderzoek meer uitgevoerd om de akoestische aanvaardbaarheid van de uitbreiding van Groenrijk aan te tonen. De woningen van het project prikkelarm wonen liggen ook meer dan 30 m van de (oude en nieuwe) bestemmingsgrens van Groenrijk en voldoen dus aan de richtafstand van ‘bedrijven en milieuzonering’ zodat op basis hiervan geen nader onderzoek meer nodig is.
De woningen zijn (op basis van wegverkeerslawaai) al op ca. 30 meter afstand van de weg geplaatst. (Net als de overige woningen langs de Stokhasseltlaan). En daarmee voldoe je dus op die manier aan de richtafstand vanuit BMZ voor Groenrijk en is een uitgebreid akoestisch onderzoek eigenlijk niet eens noodzakelijk. Op basis van de in dit omgevingsplan vastgelegde bouwvlakken kunnen de woningen niet worden verschoven richting Groenrijk. In een toekomstig omgevingsplan zal dit ook worden geborgd, als het project hierin moet worden opgenomen.
Conclusie
Bedrijven en Milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.4 Gezondheid
Wettelijk kader
Beschermen van de gezondheid en van het milieu maakt onderdeel uit van het omgevingsplan (§5.1.4 Bkl). De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en artikel 2.4 Omgevingswet).
Belangrijk is om te motiveren hoe het plan inspeelt op gezondheidsvragen. Gedacht kan worden aan de thema’s bestrijdingsmiddelen, ziekteverwekkers bij veehouderijen, hoogspanningslijnen (magneetvelden), veiligheid, de mogelijkheid tot bewegen en andere vormen van gezondheidsbevordering, hittestress, sociale contacten, bereikbaarheid van voorzieningen, zeer zorgwekkende stoffen in het milieu, de mogelijkheid om in contact te komen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld kinderen ter plaatse van speeltuinen), lichthinder en een groene leefomgeving. Deze opsomming is niet volledig en ook welke thema’s wel of niet relevant zijn is wisselend per plan.
Verder is het van belang om scherp te zijn op de cumulatie van gezondheidseffecten. Bijvoorbeeld voor de onderdelen geur, geluid en luchtkwaliteit. Zo kunnen bronnen in de omgeving van een ontwikkeling op zichzelf voldoen aan wettelijke normen. Stel dat er meerdere bronnen bij elkaar opgeteld worden dan dient men te toetsen of er nog steeds sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en er geen sprake is van overbelasting.
Motivering/Uitkomst onderzoek
ziekteverwekkers
Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich een paardenhouderij/manege. Vanwege de afstand tot de planlocatie en de diersoort wordt hiervan geen effect op de gezondheid verwacht. In onderzoeken (Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid, een samenwerking tussen RIVM, Wageningen University & Research, Universiteit Utrecht, ZonMW, GGD GHOR Nederland en Omgevingsdienst NL) waarbij verbanden zijn gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden gaat het om met name om geiten (een mogelijk verband met het vaker voorkomen van longontstekingen), varkens (69% bijdrage aan de endotoxineconcentratie) en pluimvee (24% bijdrage aan de endotoxineconcentratie). In de nabijheid van de locatie zijn geen varkens- of pluimveehouderijen aanwezig en de locatie bevindt zich op meer dan 2 kilometer afstand van een geitenhouderij.
Magneetvelden en lichthinder
De planlocatie bevindt zich buiten de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Qua lichthinder wordt op basis van de BrabantScan van de GGD (Brabantse Omgevingsscan (BrOS) - Tilburg; Team Noord (incl. Stokhasselt Noord) (brabantscan.nl) verwacht dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De locatie bevindt zich ter plaatse van een gebied van 50-100 E-10 Watt/cm2/steradiaal wat relatief laag is vergeleken met andere gebieden binnen de gemeente Tilburg. Opgemerkt wordt dat het onbekend is of deze vorm van lichthinder voldoende laag is voor prikkelarm wonen.
Gezondheidsbevordering en hittestress
In de landelijke omgeving en noordelijk gelegen bossen zijn mogelijkheden om te wandelen en te fietsen in het kader van gezondheidsbevordering. Vanwege deze groene omgeving wordt de hittestress ook verwacht beperkt te blijven. Dit wordt bevestigd via de BrabantScan van de GGD.
Sociaal netwerk en voorzieningen
Omdat de geplande woningen relatief afgelegen ten opzichte van woningen en maatschappelijke voorzieningen liggen, is het sociale netwerk in de omgeving naar alle waarschijnlijkheid beperkt. Hier kan mogelijk met het ontwerp van de planlocatie rekening worden gehouden zodat er ook ruimte is voor ontmoetingen. Bijvoorbeeld door de aanleg van een gemeenschappelijke tuin of park. De bereikbaarheid van voorzieningen is in dit gebied beperkt ten opzichte van de stad, echter draagt dit wel bij aan een prikkelarme omgeving.
Cumulatie
De afzonderlijke milieuaspecten zijn in separate paragrafen getoetst en beoordeeld. Geconcludeerd is dat de afzonderlijke milieuaspecten geen belemmeringen opleveren voor dit plan. Daarnaast zien we ook geen cumulatie van de afzonderlijke milieuaspecten die op deze locatie aanleiding zouden kunnen geven voor een mogelijk effect op de gezondheid. Zie paragraaf 4.8 geluid voor een nadere toelichting over de cumulatie van geluid op deze locatie.
bestrijdingsmiddelen/spuitzone
Naast het perceel waarbinnen de 30 prikkelarme woningen kunnen worden gerealiseerd bevinden zich gronden met een agrarische bestemming. Deze gronden zijn op dit moment in beheer en gebruik als grasland.
De afstand van de dichtstbijzijnde woning binnen het plan tot de erfgrens bedraagt minder als 10 meter. Deze agrarische gronden kunnen in theorie in het kader van de planologisch maximale mogelijkheden worden gebruikt voor teelten zoals fruit- en groententeelt waarbij wordt gespoten. In het algemeen moet met een gevoelige functie 50 m afstand worden gehouden tot een perceel waarop gewasbestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Van deze afstand kan gemotiveerd worden afgeweken. In de als bijlage 15 bijgesloten notitie is onderbouwd dat hier volstaan kan worden met de afstand die de woningbouw nu aanhoudt tot het agrarisch perceel.
De jurisprudentie met betrekking tot het afwijken van de afstand van 50 m tussen agrarisch perceel en een gevoelig functie is echter strikt; niet zelden wordt een afwijking van die 50 m niet aanvaardbaar geacht. Om dit project juridisch zeker te stellen en daarnaast ook de gezondheid van de toekomstige bewoners te waarborgen, heeft de gemeenteraad op 19 mei 2025 een voorbereidingsbesluit met voorbeschermingsregels genomen op grond waarvan het verboden is om binnen 50 m van de woningen en de kadastrale grens gewasbestrijdingsmiddelen te gebruiken. Daarnaast is opgenomen dat het binnen deze afstand ook verboden is om vaste mest op te slaan, omdat ook ten opzichte van een vaste mestopslag afstand moet worden gehouden tot een gevoelige functie. Dit voorbereidingsbesluit is bijgesloten als bijlage 13. In dit omgevingsplan wordt dezelfde regeling dan die in het voorbereidingsbesluit opgenomen en wordt een zone ingesteld waarbinnen het verboden is om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Het plan hoeft hierdoor dan ook geen rekening meer te houden met een spuitzone.
weging van het belang van de eigenaar van het agrarisch perceel
Wij onderkennen dat een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen consequenties heeft voor de eigenaren van de omliggende agrarische percelen. Theoretisch bestaande rechten worden door dit plan ingeperkt. Wij hebben dan ook het belang van de omliggende eigenaren afgewogen tegen het belang van de realisatie van deze 30 prikkelarme woningen. Wij vinden dat het belang van de realisatie van de woningen moet prevaleren boven de belangen van de omliggende eigenaren, omdat:
De bedrijfsvoering in het geheel niet agrarisch georiënteerd is waarmee het niet waarschijnlijk is dat er in de nabije toekomst invulling wordt gegeven aan gewasteelt voor de eigen bedrijfsvoering.
Het huidig en historisch gebruik voor het weiden van dieren en graswinning op het perceel in combinatie met de bedrijfsactiviteiten van de eigenaar het eveneens niet aannemelijk maakt dat er spuitwerkzaamheden kunnen gaan plaatsvinden. Er heeft de afgelopen 10 tot 20 jaar in ieder geval geen teelt plaats gehad die gemechaniseerde chemische gewasbescherming vereisen met een bijbehorende spuitzone.
Het perceel op zich is te klein voor efficiënte gewasteelt die mechanische spuitactiviteiten vereisen, bij verkoop of verhuur aan derden.
Gecombineerd verhuren of verkopen van het perceel met de eigenaren van omliggende agrarische percelen aan een akkerbouwer of teler eveneens niet aannemelijk is.
Wij het belangrijk vinden dat er voor deze doelgroep prikkelarme woningen worden gerealiseerd.
Conclusie
De afzonderlijke milieuaspecten en mogelijke cumulatie daarvan leveren op deze locatie geen verhoogd risico op gezondheidseffecten. Over het algemeen is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Opgemerkt wordt dat er rekening gehouden dient te worden met een voldoende prikkelarme omgeving voor de toekomstige bewoners, bijvoorbeeld in het kader van lichthinder. Echter is dit ook met eenvoudige maatregelen in de
4.5 Luchtkwaliteit
Omgevingswaarden
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 uit het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen gemeentelijke omgevingswaarden opgenomen in het omgevingsplan en er zijn ook geen provinciale omgevingswaarden, waardoor de rijksomgevingswaarden gelden (paragraaf 2.2.1 van het Bkl). De rijksomgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide en ozon, fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn terug te vinden in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Bkl. Met uitzondering van fijnstof en stikstofdioxide, zijn de achtergrondconcentraties van de overige stoffen binnen de gemeente dusdanig laag dat er geen overschrijding van de luchtkwaliteit te verwachten is. Vandaar dat fijnstof en stikstofdioxide de kritische stoffen zijn die getoetst dienen te worden.
Tabel 4.1. Grenswaarden (concentraties in de buitenlucht, zoals die gelden op basis van het Bkl)
|
Stof |
Jaargemiddelde concentratie (µg/m3) |
Jaargemiddelde blootstellings- concentratie (µg/m3) |
24-uurgemiddelde concentratie (µg/m3) |
Uurgemiddelde concentratie (µg/m3) |
|
PM10 |
40 |
-- |
50* |
-- |
|
PM2,5 |
25 |
20 |
-- |
-- |
|
NO2 |
40 |
-- |
-- |
200** |
*Mag 35 keer per jaar overschreden worden
** Mag 18 keer per jaar overschreden worden
Aandachtsgebieden
Voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn er landelijk aparte aandachtsgebieden aangewezen. De gemeente Tilburg bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied.
Luchtkwaliteit buiten aandachtsgebieden
Voor enkele activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden, ook buiten aandachtsgebieden (artikel 5.50 Bkl). Dit geldt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en bij het toelaten in het omgevingsplan van de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt of de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
De regel is dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt op plekken die niet openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Daarom zijn deze plaatsen uitgezonderd van toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Het toepasbaarheidsbeginsel komt op meerdere plekken voor in het Bkl: artikel 5.52, 8.17 en 11.19.
Het blootstellingscriterium staat op verschillende plekken in de Omgevingsregeling, bijvoorbeeld in artikel 8.11 (toetsing van wegen) en artikel 8.17 (toetsen van milieubelastende activiteiten). De eisen van een luchtkwaliteitsonderzoek staan in § 8.2.3.1.2. van de Omgevingsregeling.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.
Motivering/Uitkomst onderzoek
Op de planlocatie wordt voldaan aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit.
Het plan zelf voldoet ruimschoots aan de criteria voor projecten die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit.
Conclusie
Luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.6 Geur
In het Bkl (§ 5.1.4.6) is bepaald dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Alleen voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en verschillende agrarische activiteiten is een toetsingskader opgenomen. Voor alle andere activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken kan de gemeente regels in het omgevingsplan opnemen (zoals industriële activiteiten, horecabedrijven, maneges, etc.). Deze activiteiten vallen, omdat deze nu nog niet zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg, onder de specifieke zorgplicht in art. 2.11 Bal en, of art. 22.44 van de bruidsschat en de middelvoorschriften in de bruidsschat. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een functie als woning of onderwijs, zorg of kinderopvang.
Daarnaast moet volgens het Bkl ook rekening worden gehouden met geprojecteerde gebouwen (art. 5.91 Bkl).
Tijdelijke geurgevoelige gebouwen (korter dan 10 jaar) worden onder het Bkl niet aangemerkt als geurgevoelig. Uiteraard moet wel sprake zijn van een aanvaardbare situatie. De normen en afstanden voor geur door een activiteit gelden ook niet op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit (bedrijfswoning) (art. 5.95 Bkl).
Onder de Omgevingswet dient er ook rekening gehouden te worden met de cumulatie van geur door bedrijven.
Er zijn nog geen gemeentelijke regels opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Met als gevolg dat vooralsnog de regels uit de bruidsschat gelden, namelijk:
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Wat altijd geldt is de eis dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar hinderniveau (art 5.92, Bkl).
Overige activiteiten waarvoor regels ter beperking van de geuremissie zijn opgenomen betreffen:
Niet-industriële voedselbereiding (artikel 22.199, Bruidsschat).
Voedingsmiddelenindustrie (artikel 22.201, Bruidsschat).
Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen (artikel 22.205, Bruidsschat).
Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage (artikel 22.226, Bruidsschat).
In het Bkl zijn hiervoor geen aparte instructieregels opgenomen. De geurbelasting moeten aanvaardbaar zijn (art 5.92 Bkl).
Bij het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan er sprake zijn strijdigheid van de regels. In de voorrangsbepaling is bepaald welke regels in dat geval gelden (art 22.1, Bruidsschat). Wanneer bruidsschatregels niet voldoen aan het Bkl, dienen deze bij het vaststellen van de regels in het omgevingsplan gewijzigd te worden zodat aan het Bkl voldaan wordt. Bij omzetting in het omgevingsplan staan deze regels open voor zienswijzen.
Motivering/Uitkomst onderzoek
In de omgeving van het plangebied bevindt zich één bedrijf met een relevante agrarische geuremissie. Dit betreft de paardenhouderij/manege op Stokhasseltlaan 46. Voor paarden geldt een vaste richtafstand van 50 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
Er bevinden zich geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie in de omgeving van het plangebied.
Conclusie
Geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.7 Geluid
Wettelijk kader
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De instructieregels voor geluid zijn terug te vinden in §5.1.4.2 en 5.1.4.3 van het Bkl en gaan over aanvaardbaarheid van geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (artikel 3.18 lid 1 Bkl) en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (artikel 3.20 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp, artikel 2.11a Ow) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Ook via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid zijn regels toegevoegd aan de Omgevingswet. In de bruidsschat is het onderdeel geluid voor een aantal activiteiten geregeld in paragraaf 22.3.4. In de omgevingsverordening van de provincie kunnen ook instructies staan voor geluid. Ook wanneer er geen (instructie)regels zijn voor geluid moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.
De gemeente Tilburg hanteert een eigen Hogere Waardenbeleid. In dit beleid zijn randvoorwaarden opgenomen voor het bouwen van woningen op locatie waar niet aan de streefwaarde voor geluid kan worden voldaan.
Motivering/Uitkomst onderzoek
In verband met de ligging aan de Stokhasseltlaan en de nabijheid an enkele bedrijven is een akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai uitgevoerd (Adviesbureau de Haan bv, kenmerk AH.2023.1188.00.R001, d.d. 29 januari 2024). Dit onderzoek is bijgesloten als bijlage 11-1.
De streefwaarden voor geluid zijn opgesteld om te toetsen of er sprake is van een goed woon/leefklimaat. De streefwaarden doen geen uitspraak of er sprake is van een prikkelarme omgeving. Omdat er geen toetsingskader ‘prikkelarm’ beschikbaar is, is hierop niet getoetst.
Industrielawaai
Voor de resultaten ten aanzien van industrielawaai zie paragraaf 4.3 Bedrijven en Milieuzonering.
Wegverkeerslawaai
Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai volgt dat voor de volgende wegen niet voldaan kan worden aan de streefwaarde. Vanwege de Burgemeester Bechtweg bedraagt de hoogste geluidbelasting 53 dB. Als gevolg van de Stokhasseltlaan bedraagt de hoogste geluidbelasting 57 dB.
De hoogste cumulatieve geluidbelasting bedraagt 60 dB vanwege wegverkeer. In de nachtperiode is de hoogste gecumuleerde geluidbelasting 51 dB.
Wij vinden deze hogere dan de standaardwaarde toch toelaatbaar om de volgende redenen. Alle woningen binnen het plangebied beschikken over een geluidluwe gevel en –buitenruimte. Daarmee voldoen ze aan de randvoorwaarden uit het gemeentelijk Hogere Waardenbeleid. Verder zijn (bron)maatregelen om het geluidniveau terug te brengen (zoals overwogen in het akoestisch onderzoek) stedenbouwkundig of financieel niet doelmatig of mogelijk. Aangezien wegverkeersgeluid redelijk monotoon van aard is, leidt dit over het algemeen overigens niet tot prikkels die voor de doelgroep niet hanteerbaar zijn. Bovendien worden de woningen goed geïsoleerd, waardoor binnen in de woningen geen last van het wegverkeersgeluid wordt ondervonden. Onverwachte prikkels hebben meer invloed. De doelgroep trekt zich veel terug in de woning op het moment dat zij prikkels slecht verdragen. Van binnen bieden de woningen een veilige, prikkelarme omgeving.
Conclusie
Vanwege weg- en industrielawaai zijn er geen beperkingen voor dit planvoornemen. Wij vinden een hogere waarde hier toelaatbaar.
4.8 Omgevingsveiligheid
Wettelijk kader
Een van de doelen van de Omgevingswet is dat de gemeente bij plannen zo vroeg mogelijk kijkt naar veiligheid. Er staat dat het omgevingsplan rekening moet houden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden (art. 5.2 Bkl). Ook staan er instructieregels (§ 5.1.2 Bkl) in over de manier waarop bij de inrichting van een gebied omgevingsveiligheid meegenomen moet worden.
Samenvattend gaan de instructieregels uit het Bkl over de volgende onderwerpen: risicobronnen, het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftgebieden. In de bruidsschat zijn regels te vinden met betrekking tot propaan/propeen, LPG, traditioneel schieten, vergunningsvrij bouwen en brandbestrijding. Ook staan er verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal: het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines.
Aandachtsgebieden en groepsrisico
Nieuw onder de Omgevingswet zijn aandachtsgebieden, hier zijn drie soorten van:
Brand (warmtestraling);
Explosie (warmtestraling en/of overdruk);
Gifwolk (concentratie gevaarlijke stoffen in de lucht).
Deze aandachtsgebieden zijn van belang in het kader van het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Onder de Omgevingswet is het niet meer verplicht om het groepsrisico te berekenen. Er is sprake van een kwalitatieve benadering, waarbij het bevoegd gezag afweegt waar (binnen aandachtsgebieden) extra maatregelen nodig zijn om aanwezigen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet dus optioneel. Een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) wordt de informatie over aandachtsgebieden zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.
Er wordt een standaard advies bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico gehanteerd als:
het initiatief zich bevindt binnen het invloedsgebied van een Basisnetroute, maar buiten de 200 meterzone en/of buiten de brand- en/of explosieaandachtsgebieden van transportroutes;
het initiatief binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen ligt, maar buiten de PR 10-8 contour en/of buiten de branden/of explosieaandachtsgebieden van inrichtingen.
Gebouwen en locaties
Gebouwen en locaties zijn ingedeeld in 3 categorieën:
1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);
2. kwetsbaar (gebouwen en locaties);
3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
In bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de onderverdeling welke gebouwen en locaties onder welke categorieën vallen. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Voorheen ging het om de bescherming van het gehele gebouw, ook indien maar een deel van het gebouw werd gebruikt voor een kwetsbare functie. Onder de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar de delen van het gebouw met kwetsbare gebruiksfuncties. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) worden (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.
Voorschriftengebieden
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. In de voorschriftengebieden gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). In het omgevingsplan wordt een brandaandachtsgebied standaard aangewezen als brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Plaatsgebonden risico
De belangrijkste norm voor externe veiligheid uit het Bkl is het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie van de risicobron als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die risicobron. In het Bkl (art. 5.7, 5.10 en 5.11) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Motivering/Uitkomst onderzoek
Er is een onderzoek omgevingsveiligheid uitgevoerd (adviesbureau de Haan bv, d.d. 1 juli 2024). Dit onderzoek is bijgesloten als bijlage 12. Hieruit blijkt dat er voor deze locatie geen belemmeringen met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn. De locatie bevindt zich niet binnen een brand- of explosieaandachtsgebied, maar wel binnen een toxisch aandachtgebied.
Er kan ingestemd worden met het aangeleverde onderzoek. Ook wordt opgemerkt dat de bewoners zelfredzaam zijn. Vanwege de ligging in een toxisch aandachtsgebied is een eenvoudig afsluitbaar mechanisch ventilatiesysteem wel nodig. Dit is echter al een verplichting voor nieuwe bouwwerken vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.124, lid 4).
Conclusie
Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.9 Bodem
4.9.1 Wettelijk kader
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. (paragraaf 2.3.6a.2)
Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal);
Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
4.9.2 Bodem plangebied
In 2023 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd volgens de NEN 5740, waarbij ook een verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707 (Verkennend bodemonderzoek inclusief nader asbestonderzoek Stokhassseltlaan 38, Tilburg, Tauw, kenmerk 1292671, d.d. 30 november 2023). Dit onderzoek is bijsloten als bijlage 6. Bij het onderzoek zijn in de bodem niet tot maximaal licht verhogingen aangetoond. Er is geen sprake van sterke verontreinigingen. Bij de eerste fase van het onderzoek is plaatselijk indicatief asbest aangetroffen, het nader onderzoek heeft echter aangetoond dat het een toevalvondst betrof, welke als onderdeel van de bemonstering reeds uit de bodem is weggenomen.
De bodemkwaliteit van de locatie vormt op basis van het bodemonderzoeksrapport - getoetst aan de Omgevingswet / het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) - geen belemmering voor het afgeven van een omgevingsvergunning voor het aspect bouwen, het wijzigen van het omgevingsplan en/of de herontwikkeling van het terrein in genoemd kader.
Indien ontgravingswerkzaamheden plaats vinden ter plaatse van de gedempte sloot (huidige erf, voor de exacte situering zie de tekening achterin het bodemrapport), dient men vanuit het oogpunt van Arbo-technische veiligheid bij het graven wel alert te zijn op het aantreffen van asbestverdachte bijmengingen en dient men indien noodzakelijk aanvullende maatregelen te treffen (in afstemming met veiligheidskundige van de aannemer).
4.9.3 Conclusie
Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.
4.10 Natuur en ecologie
4.10.1 Wettelijk kader
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet. Het nationale natuurbeschermingsrecht binnen de Omgevingswet is voor een groot deel bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Net als onder het oude recht kan daarbij voor de meest voorkomende activiteiten een verdeling gemaakt worden tussen gebiedsbescherming soortenbescherming en houtopstanden. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'.
Een ‘Natura 2000-activiteit’ heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Een ‘flora en fauna-activiteit’ heeft betrekking op alle van nature in Nederland in het wild levende/voorkomende dieren en planten. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats;
Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn;
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn;
Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern;
Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn;
Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Specifieke zorgplicht
Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij flora- en fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt.
Naast bovengenoemd wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB.
De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe waarden.
De gemeenten geven in hun omgevingsplan aan op welke wijze rekening wordt gehouden met deze waarden. Concreet betekent dit dat invulling wordt gegeven aan de leidende principes van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem, zoals geformuleerd in dit Regionale Programma Water en Bodem.
Binnen de groenblauwe waarden is ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties met een extensief karakter, zoals grondgebonden landbouw en recreatie, en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals intensieve stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Door de gebieden aan te duiden kan de gemeente de waarden betrekken in hun afweging.
Groenblauwe waarden zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De provincie streeft niet alleen naar het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Daarom geldt binnen Groenblauwe waarden dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Het beleid richt zich ook op een toename van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden.
Gemeenten werken het concrete beleid binnen een gebied verder uit, rekening houdend met deze achterliggende doelstellingen. Hierbij is veel achtergrondinformatie beschikbaar, zoals de gebiedspaspoorten en de gebiedsgerichte ontwikkeling van gebieden zoals opgenomen in het Groenblauw Stimuleringskader.
4.10.2 Analyse plangebied
Planspecifiek
Om te voorkomen dat de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet worden overtreden, is door Vebego groen een verkennend veldonderzoek uitgevoerd. De Omgevingsscan is uitgevoerd om vast te stellen of de ingreep een mogelijk negatief effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN), of beschermde planten- en diersoorten in het plangebied kunnen voorkomen, of de ingreep een mogelijk effect heeft op deze beschermde soorten, of het plangebied een belangrijke functie voor beschermde planten- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats), en of op basis van deze bevindingen nader onderzoek nodig is. De rapportage van dit onderzoek d.d. 26 mei 2023 is als separate bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. De resultaten worden onderstaand besproken. Hierbij wordt er achtereenvolgens ingegaan op de gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden.
Gebiedsbescherming
Wettelijk kader
Natuurgebieden kunnen schade ondervinden van depositie (neerslag) van zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NOx). De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat de grote hoeveelheid stikstofuitstoot voor schade zorgt aan onze natuur. De bodem verzuurt en daardoor sterven bepaalde planten af en krijgen andere soorten juist de overhand. Dit tast de biodiversiteit aan en zorgt ervoor dat natuurgebieden veranderen en zeldzame planten en dieren verdwijnen.
Er gelden omgevingswaarden om de kwetsbare vegetatie te beschermen (artikel 2.3 lid 1c en d en artikel 2.4 lid 2 Bkl). Deze omgevingswaarden gelden alleen voor een natuurgebied met een oppervlakte van 1000 m2 of meer. Bovendien moet dit natuurgebied liggen binnen:
20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen (in vaktaal: agglomeratie);
5 km van bebouwing, een IPPC-installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg. Van deze weg moeten dan wel meer dan 50.000 motorvoertuigen per dag gebruikmaken.
De gemeente is verplicht om bij een vergunningsaanvraag te toetsen of een Natura-2000 activiteit uit de Omgevingswet van toepassing is. Is er sprake van een te hoge stikstofneerslag op een Natura 2000-gebied, dan moet de provincie Noord-Brabant een advies geven.
Motivering/Uitkomst onderzoek
In het kader van stikstof is een nader onderzoek, inclusief Aerius-berekening (Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening Stokhasseltlaan 38 te Tilburg’, d.d. 13 maart 2024, opgesteld door NOxAdvies) uitgevoerd. De stikstofonderzoeken zijn bijgesloten als bijlagen 10-1 tot en met 10-5.
De resultaten van dit onderzoek laten zien dat er geen sprake is van depositie van stikstof op N2000 gebieden
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402028.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402028.png)
Conclusie
Stikstof vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Soortenbescherming
Verkennend veldonderzoek
Uit het verkennend veldonderzoek is naar voren gekomen dat een gewone dwergvleermuis zich in een vleermuiskast bevindt, dat er mogelijke huismusverblijfplaatsen aanwezig zijn en dat er gierzwaluwkasten hangen. Het terrein en bebouwing is geschikt voor steenmarter en kleine marterachtigen. Als laatste is 100 meter van de huidige woningen een bijburcht gevonden van een das en op 150 meter een eekhoornnest.
De ecologische onderzoeken zijn bijgevoegd als bijlage 9-1 tot en met 9-4.
Nader onderzoek
Om deze reden is een nader onderzoek (oktober 2023 en februari 2024) uitgevoerd naar huismus, gierzwaluw, das, kleine marterachtigen, steenmarter, boommarter, eekhoorn, vleermuizen en (invasieve) exoten. Er zijn twee nestplaatsen van huismus, een verblijfplaats, wissels en foerageergebied van een das verderop in het terrein, een eekhoornnest verderop in het terrein, een gewone dwergvleermuis in een vleermuiskast en in een andere kast een gewone grootoorvleermuis aangetroffen. Beide vleermuiskasten zijn tijdelijke kasten en zijn opgehangen vanuit de tijdelijke compensatieopgave door de uitbreiding van Groenrijk in de directe omgeving. De kasten worden verwijderd op het moment dat deze leeg zijn. Voor de huismus is gebruik gemaakt van de gemeentelijke gedragscode. Hierdoor is een ontheffingsaanvraag niet nodig, maar wordt er wel gewerkt volgens een ecologisch werkprotocol. De woningen worden voorafgaand aan de sloop ongeschikt gemaakt voor huismus. Door de relatief grote afstand tussen het plangebied en de dassenbijburcht en het eekhoornnest, worden tijdens de sloop geen negatieve effecten verwacht op deze soorten.
Natuurinclusief bouwen
In de nieuwe situatie wordt natuurinclusief gebouwd. Voor de huismus worden 12 kasten opgehangen. Voor de vleermuizen komen 2 kraamkasten en 12 kleine kasten. Daarnaast wordt de omgeving heel groen ingepast met veel inheemse bomen, struiken, een ecologische wadi, kruiden- en faunarijk grasland, hagen, een zoomvegetatie en een rustzone langs wateroever.
4.11 Trillingen
Wettelijk kader
De gemeente Tilburg heeft in het nieuwe deel van het omgevingsplan vooralsnog geen normen opgenomen voor continue en herhaald voorkomende trillingen conform artikelen 5.87 en 5.87a uit het Bkl. Tot deze normen opgenomen zijn wordt verwezen naar de bruidsschat (art. 22.88) waar normen opgenomen zijn voor het totaal aan trillingen, zowel continu als herhaald voorkomend. Verder staan in de bruidsschat regels die toezien op de trillingen in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen, veroorzaakt door activiteiten (paragraaf 22.3.5, art. 22.83 t/m 22.89 bruidsschat).
Onder trillinggevoelige gebouwen wordt niet verstaan (art. 22.83 lid 2 bruidsschat): gebouwen die geheel of gedeeltelijk liggen op een industrieterrein met geluidproductieplafonds of gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Ook een bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen trillingen vanwege een eigen bedrijf (art. 22.86 bruidsschat), net als een voormalige bedrijfswoning niet beschermd wordt tegen een agrarische activiteit (art. 22.87 bruidsschat).
Onder het toepassingsbereik van de trillingregels van de bruidsschat vallen:
activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een parkeergarage of stadhuis;
laden en lossen op de openbare weg, bijvoorbeeld bij een winkel;
verkeer van en naar een bedrijf.
De trillingregels van de bruidsschat gelden niet voor trillingen vanwege (art. 22.41 lid 2 bruidsschat):
Wonen
Bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of terrein.
Een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht.
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
Een evenement dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen en voor evenementen waarvoor in het omgevingsplan een incidentele of collectieve ontheffing is verleend (artikel 5.68 Bkl).
Werkzaamheden met een mobiele installatie in een weiland, akker of bos.
Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Bouw- en sloopwerkzaamheden
Trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn niet gereguleerd in het Bkl, de omgevingsverordening of de bruidsschat. Wel staan hiervoor bepalingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), die gelden in een verblijfsgebied van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, gezondheidsfunctie of onderwijsfunctie (art. 7.18 lid 2 Bbl).
De toegestane trillingsterkte hierbij is terug te vinden in het Bbl (art. 7.18 lid 1). Een beperkte mate van versoepeling is onder voorwaarden mogelijk (art. 7.5 lid 2 en art. 7.23 lid 1 Bbl).
Spoorwegen
Voor woningen langs het spoor gelden geen instructieregels van het Rijk. De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet). Hierbij wordt meestal de Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) toegepast.
In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het zelfs nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. De redenen om uit te breiden van 100 naar 250 meter voor onderzoek zijn (cf. Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, ministerie van infrastructuur en waterstaat, mei 2019):
Wanneer er al sprake is van klachten door van het spoor op een grotere afstand van 100 meter;
De plaatselijke bodemopbouw en/of het treinbeeld kunnen leiden tot trillingshinder.
In de gemeente Tilburg wordt enkel bij ontwikkelingen binnen 100 meter van het spoor een onderzoek trillingshinder gevraagd.
Motivering/Uitkomst onderzoek
De planlocatie ligt niet binnen 100 meter van het spoor. Daarom is geen aanvullend trillingsonderzoek uitgevoerd.
Conclusie
Trillingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.12 Lichthinder
Wettelijk kader
Kunstmatige verlichting kan hinder voor de mens veroorzaken evenals hinder langs wegen, verstoring van de natuur en horizonvervuiling. Voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen, ook wel assimilatieverlichting genoemd, zijn rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 4.790 Bal). In artikel 22.239 van de bruidsschat zijn regels opgenomen voor lichthinder bij het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast. Voor het toetsen van objecten met verlichting langs auto(snel)wegen dient het kader Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen (Rijkswaterstaat, 12 juni 2019) gevolgd te worden.
Verder is sprake van de specifieke zorgplicht uit het Bal wanneer een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit is bij een milieubelastende activiteit (MBA) uit het Bal. De specifieke zorgplicht beschermt namelijk de belangen genoemd in artikel 2.2 van het Bal. En in artikel 2.2, 1e lid, onderdeel c, onder 5, staat lichthinder.
Er zijn nog geen gemeentelijke regels rondom lichthinder opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. In het kader van het beschermen van de gezondheid (§5.1.4 Bkl) wordt wel gevraagd om eventuele lichthinder van overige activiteiten en de effecten hiervan op gezondheid te onderbouwen evenals het opnemen van maatregelen om lichthinder te voorkomen.
motivering/Uitkomst onderzoek
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen inrichtingen en/of activiteiten waarvan lichthinder kan worden verwacht. Een nader onderzoek lichthinder is daarom niet uitgevoerd.
Conclusie
Lichthinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Deel 5 Wateraspecten
5.1 Inleiding
De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de
waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en aspecten als waterveiligheid en
een goede waterkwaliteit geborgd zijn. De weging van het waterbelang is verplicht voor alle
overheden die ruimtelijke plannen ontwikkelen of hierover besluiten.
Een ruimtelijk plan dient vergezeld te gaan van een gemotiveerde afweging van de waterbelangen. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid en een goede waterkwaliteit geborgd zijn. De gemeente beoordeelt deze afweging als er aanpassingen nodig zijn in het omgevingsplan en stemt hierover af het met waterschap. Het waterschap beoordeelt deze afweging bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.
Het doel van de weging van het waterbelang in het omgevingsplan is om ervoor te zorgen dat waterbelangen expliciet en evenwichtig worden meegenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat gemeenten bij het vaststellen van omgevingsplannen rekening moeten houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
De weging van het waterbelang, voorheen bekend als de watertoets, helpt bij het beschermen van waterveiligheid en het behoud van waterkwaliteit. Gemeenten moeten de opvattingen van waterbeheerders betrekken bij hun plannen om te waarborgen dat waterbelangen goed worden geïntegreerd in de fysieke leefomgeving.
5.2 Beleid en regelgeving
In deze paragraaf is het huidige beleid ten aanzien van stedelijk waterbeheer beknopt toegelicht. Het stedelijk waterbeleid wordt ingevuld door de gemeente Tilburg en waterschap De Dommel. Het provinciaal beleid wordt ingevuld door de provincie Noord-Brabant.
5.2.1 Provincie Noord-Brabant
Brabantse Omgevingsvisie: Deze visie bevat beleidsdoelen en uitgangspunten voor stedelijke en landelijke inrichting met het oog op klimaatadaptatie en waterbeheer. Het richt zich op het integreren van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Klimaatverandering leidt in Brabant tot meer extreem weer met hittegolven, hogere piekwaterafvoer in rivieren en beken, piekbuien en droogte. Dit heeft negatieve gevolgen voor de leefbaarheid in Brabant en daarmee nemen risico’s op schade door wateroverlast en waterschaarste toe.
De Brabantse Omgevingsvisie kent kernwaarden voor het handelen van de provincie. Dit zijn meerwaardecreatie, kwaliteit boven kwantiteit, sociale en technologische innovatie, continue verbetering van de leefomgeving en proactief en preventief handelen. Ze zijn vertaald in zeven handelingsprincipes, specifiek voor het beleid en de uitvoering op het vlak van wateren bodem. Degene die betrekking hebben op onderliggende rapportage zijn hieronder samengevat.
Principe 2) Elke druppel telt
Het (regen)water wordt zo min mogelijk afgevoerd en wordt zoveel mogelijk vastgehouden in de bodem zodat het kan infiltreren in het grondwater. Hoger gelegen gebieden functioneren als infiltratiegebieden, lagergelegen gebieden zijn structureel natter.
Principe 3) Niet alles kan overal
Het grondgebruik is volgend op wat het water- en bodemsysteem aan kan: niet alle gebruiksfuncties kunnen overal plaatsvinden in Brabant. Zo zijn in gebieden waar we ons drinkwater halen uit ondiepe pakketten de mogelijkheden voor bodemenergie beperkt.
Principe 4) Brabant is in staat extreme weersituaties op te vangen
Bij het optreden van extreme situaties zoals piekbuien, hoogwater of langdurige droogte, is er minder snel of minder ernstige overlast of schade.
Regionaal Water en Bodem Programma (RWP): Dit programma beschrijft hoe de provincie samenwerkt met strategische partners om veilig, schoon en voldoende water te waarborgen. Het biedt richtlijnen voor het beheer van watersystemen en bodemkwaliteit. Het RWP omvat de volledige water- en vitale bodemopgave in Noord-Brabant voor de planperiode 2022-2027, met een doorkijk naar 2050.
De TAM-Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant is een tijdelijke alternatieve maatregel die is ingevoerd om de overgang naar de Omgevingswet te vergemakkelijken. Deze verordening bevat regels en voorschriften die van toepassing zijn op verschillende activiteiten binnen de provincie, zoals milieubelastende activiteiten, grondwaterbescherming, en stiltegebieden. De verordening is bedoeld om de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen en te verbeteren door duidelijke richtlijnen te geven voor het uitvoeren van activiteiten die invloed hebben op het milieu en de natuur.
Daarnaast bevat de TAM-Omgevingsverordening instructieregels voor gemeenten en waterschappen. Deze instructieregels geven aan welke onderwerpen zij in hun omgevingsplannen moeten opnemen en hoe zij bepaalde taken moeten uitvoeren Dit helpt bij het harmoniseren van beleid en maatregelen op lokaal niveau, zodat er een samenhangend en effectief omgevingsbeleid ontstaat.
Een belangrijk aspect van de verordening is het overgangsrecht. Dit houdt in dat plannen en vergunningen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijven vallen onder het oude recht zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Dit zorgt voor continuïteit en duidelijkheid voor betrokken partijen tijdens de overgangsfase.
Specifiek voor dit plan is artikel 5.42 Behoud en herstel van watersystemen van toepassing voor dit plan. De bijbehorende zonering overlapt met het noordelijk deel van het plan.
Artikel 5.42 Behoud en herstel van watersystemen
Lid 1. Een omgevingsplan ter plaatse van Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.
Lid 2. Het omgevingsplan stelt regels die:
het oprichten van bebouwing beperken;
het aanbrengen van verharde oppervlakten beperken; en
het ophogen van gronden beperken.
Lid 3. Een omgevingsplan ter plaatse van Behoud en herstel van watersystemen kan in afwijking van het eerste lid een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:
reële alternatieven voor die bouw- of gebruiksactiviteit ontbreken; en
uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.
5.2.2 Waterschap De Dommel
Waterschap De Dommel heeft verschillende beleidsregels die van toepassing zijn op nieuwbouwplannen.
Waterbeheerprogramma 2022-2027: Dit programma bevat richtlijnen voor waterbeheer, waaronder maatregelen voor waterkwaliteit en -kwantiteit. Waterschap De Dommel start de watertransitie naar een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Samen met alle partijen in het gebied hanteren we drie eenvoudige, sterke richtinggevende principes voor alle ontwikkelingen:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan
Wat schoon is moet schoon blijven
Voor het plangebied betekent dit onder meer:
Peil volgt gebruik waar het kan en gebruik volgt peil waar het moet.” We willen een structurelere oplossing vinden in het aanpassen van de waterafhankelijke functies, zodat die meer in overeenkomst zijn met de mogelijkheden en natuurlijke condities van het wateren bodemsysteem.
In het stedelijk gebied is de inrichting van de openbare en private ruimte gericht op infiltratie en waar dat niet kan geregeld in klimaatbuffers.
Stedelijke uitbreidingen en inbreidingen voor zowel woningen als bedrijven hebben geen verlagend effect op de grondwaterstanden en zijn bestand tegen wateroverlast.
We accepteren dit niet meer in de beekdalen. Tenzij we, net als in de uiterwaarden van de grote rivieren, denken aan drijvende woningen en bedrijven of constructies op palen.
Bij de aanleg van infrastructuur wordt rekening gehouden met de condities die horen bij het toekomstbestendige watersysteem.
Gemeenten gebruiken het rioolstelsel waar het voor bedoeld is, namelijk het transporteren van vuil water naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Gemengde rioolstelsels worden uit gefaseerd.
Het waterschap zet zich in voor de bronaanpak, de end-of-pipe-oplossing en een verbetering van de kwaliteit van het effluent (denk aan medicijnresten, microplastics).
Waterschapsverordening:
Deze verordening bevat specifieke regels voor activiteiten bij beken, sloten en gemalen. Het vervangt de traditionele keur en is digitaal beschikbaar.
Hier zijn onder andere de eisen aan de compensatie van verhard oppervlak te vinden. Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de waterschapsverordening afdeling 2.6 Lozen. Voor nieuw verhard oppervlak is het uitgangspunt hierbij dat een bergings-/infiltratievoorziening wordt aangelegd met 60 mm (60 liter per m2) berging. Daarnaast zijn hier ook regels opgenomen met betrekking tot de vereiste beschermingszone rondom de A- en B-watergangen, de aanleg van bruggen en is hier ook in artikel 1.7 de specifieke zorgplicht opgenomen.
Dit artikel stelt dat iemand die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze activiteit schadelijke gevolgen kan hebben voor het watersysteem, verplicht is om:
Alle redelijke maatregelen te nemen om deze gevolgen te voorkomen.
Als voorkomen niet mogelijk is, de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Als de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, de activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd.
Deze zorgplicht geldt voor eenieder, en eenieder kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Als het handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht, kan het bestuur bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen inzetten.
Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater:
Deze regels zijn gericht op het beschermen en verbeteren van de waterhuishoudkundige condities, zowel voor natuur als landbouw.
5.2.3 Gemeente Tilburg
In het PWR 2024 – 2027 is het beleid ten aanzien van het vervangen of aanleggen van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen of in de openbare ruimte opgenomen. Het plan Kempenbaan oost is een ruimte ontwikkeling.
Projecten waarbij realisatie van nieuwe infrastructuur, sloop en nieuwbouw van gebouwen of ontwikkeling van nieuwe wijken plaatsvindt, vallen onder de noemer ruimtelijke ontwikkelingsprojecten. Ontwikkelingen met een deel toekomstige openbare ruimte worden als volledige ruimtelijke ontwikkeling gezien. Deze werkzaamheden leiden in veel gevallen tot functieveranderingen en tot een toename of versnelling van de regenwaterafvoer. Doordat minder functies vastliggen zijn waterbergende voorzieningen beter in te passen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt de in tabel 1 genoemde regenwateropgave.
De ontwikkeling moet naast een opgave voor water op meerdere thema’s klimaatadaptief worden vormgegeven.
Voor een integrale aanpak en toetsing van deze verschillende opgaven is het duurzaamheidsinstrument ontwikkeld. Deze tool geeft inzicht in hoe maatregelen op één of meerdere thema’s bijdragen door middel van klimaatscores. Klimaatscores geven per gebied aan hoeveel groen minimaal ontwikkeld dient te worden en hoeveel verharding maximaal mag worden aangelegd. Ook geldt het puntensysteem Natuurinclusief Bouwen. Afhankelijk van de omvang van het bouwvlak en bouwhoogte wordt een minimaal aantal punten gevraagd welke behaald worden met het toepassen van natuurinclusieve maatregelen.
Verwerken van regenwater bij voorkeur bovengronds
Een waterslimme inrichting is echter niet altijd haalbaar. Soms is een ander handelingsperspectief nodig. Naast een multifunctionele bovengrondse inrichting willen we daarom meer nadrukkelijk ook het stapelen van functies in de ondergrond in beschouwing gaan nemen. Het plaatsen van een boom boven een waterbergingsvoorziening of boven op een leiding moet bijvoorbeeld kunnen als de levensduren van de voorzieningen zodanig op elkaar zijn afgestemd dat gelijktijdige vervanging mogelijk is en het goed blijft functioneren (o.a. voorkomen wortelingroei).
Voor het verwerken van regenwater hanteren we de volgende voorkeursvolgorde (vasthouden, bergen, afvoeren):
VOORKEURSVOLGORDE
Regenwater infiltreren;
Regenwater bovengronds bergen in openbare groenvoorzieningen zoals wadi’s, taluds, verlaagde bloemperken, etc;
Regenwater bergen op gebouwen (groene daken);
Regenwater bovengronds bergen op straat o.a. holle wegen, tussen trottoirbanden, verdiepte parkeervakken;
Regenwater bergen in ondergrondse voorziening (mits goed te onderhouden)
Regenwater oppervlakkig/ zichtbaar afvoeren over de weg;
Ondergronds afvoeren via riolen.
5.3 Toekomstige situatie
Bestaand watersysteem
In bijlage 3 bij deze motivering is de watertoets opgenomen. De belangrijkste kenmerken van het plangebied zijn weergegeven in tabel ‘gebiedskenmerken. Het her te ontwikkelen plangebied bestaat uit meerdere kadastrale percelen. In de huidige situatie is een transportbedrijf met bedrijfswoning aanwezig. Het zuidelijke deel is agrarisch in gebruik.
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: Gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: Waterschap De Dommel Oppervlaktewater: Waterschap de Dommel |
|
Bruto oppervlakte |
Circa 8.000 m² |
|
Terreinhoogte |
Tussen NAP+11,7 m en NAP+12,7 m |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
Circa. NAP+10,8 m |
|
Ontwateringdiepte |
Tussen 0,9 m en 1,9 m |
|
Bodem |
Zand, zwak humeus, met in dikte variabele leemlenzen |
|
Riolering |
Drukriolering |
|
Afkoppelgebied |
N.v.t. |
|
Oppervlaktewater |
B-watergangen aan de westzijde van het plangebied (zie afbeelding) |
|
Beschermde gebieden |
Grenzend aan en deels gelegen in invloedsgebied Natura 2000 (zie afbeelding) |
Gebiedskenmerken
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402030.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402030.png)
projectgebied ten opzichte van oppervlaktewater
In de Stokhasseltlaan is drukriolering aanwezig. In de bestaande situatie wordt het regenwater dat op de percelen valt geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar oppervlaktewater. Regenwater mag niet op het drukriool worden aangesloten.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402031.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402031.png)
Locatie plangebied (rode ovaal) ten opzichte van de beschermingsgebieden waterschapsverordening
Beleidskader
Het Provinciale “Regionale Water en Bodem Programma” (RWP) 2022 – 2027 heeft als doel een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Rode draad is het herstel van de systeemwerking. Het water en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.
Waterschap De Dommel heeft zijn actuele waterbeleid opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). In dit programma staat een watertransitie centraal die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. De transitie heeft drie leidende principes: 1) elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2) functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; 3) wat schoon is moet schoon blijven.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2024-2027. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het langetermijnbeleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
Toekomstige situatie
De bestaande bebouwing wordt gesloopt en in het plangebied worden 30 prikkelarme woningen voor 1 á 2 persoonshuishoudens ontwikkeld. Naast een aantal woonblokken vindt een landschappelijke inpassing plaats in de omgeving.
Op basis van het ontwerp voor het plangebied is het verhard oppervlak van de nieuwe situatie bepaald op een totaal van 3.133 m². Hiervan is 1.398 m² verharding van de bouwblokken en 1.735 m² verharding in de openbare ruimte van de ontwikkeling.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402032.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2025005-c001_402032.png)
Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
voldoende ontwateringdiepte;
de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden;
aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
Regenwater
Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden. Mogelijkheden hiervoor zijn:
Minder terrein verharden;
Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen;
Infiltratie in bodem;
Groene daken;
Water opvangen in poel of vijver;
Waterdoorlatende verharding.
In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg.
Op basis van de verharde oppervlakte van de toekomstige situatie, 3.133 m², geldt voor het plangebied een bergingsopgave van 188 m³. De opgave dient bij verdere uitwerking mogelijk te worden bijgesteld op basis van de werkelijke afvoerende verharde oppervlakte.
Invulling van de waterberging is voorzien in een tweetal centrale bovengrondse voorzieningen. De uitwerking van deze waterberging is opgenomen in de bijlage “watertoets Prikkelarm Wonen”.
Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.
Huishoudelijk afvalwater
Uit onderzoek is gebleken dat het huishoudelijk afvalwater kan worden aangesloten op de bestaande drukriolering in de Stokhasseltlaan. Nadere uitwerking van deze aansluiting moet in overleg met Gemeente Tilburg worden bepaald.
Watertoets
In het kader van vooroverleg is het document ‘watertoets Prikkelarm wonen’ voorgelegd aan waterschap de Dommel. Vanuit waterschap is onderstaande positieve wateradvies ontvangen.
De ontwikkeling houdt goed rekening met de waterbelangen
De ontwikkelaar zorgt voor de aanleg van meer dan voldoende regenwaterberging om versnelde afvoer van regenwater vanaf de nieuwe verhardingen en gebouwen te voorkomen. Zo voldoet de ontwikkeling aan het gemeentelijk regenwaterbeleid en aan de Waterschapsverordening. Voor de nieuwe gebouwen en verhardingen wordt het plangebied iets opgehoogd, zodat er voldoende drooglegging is. De wadi’s komen (ruim) boven de gemiddeld hoogte grondwaterstand te liggen.
Vanuit het waterschap zijn er geen andere waterbelangen in of vlakbij het plangebied (denk aan rioolwatertransportleidingen of hoofdwatergangen).
Deel 6 Uitvoerbaarheid
Het project wordt uitgevoerd door gemeente Tilburg en WonenBreburg. Hiervoor zijn de financiële middelen voorhanden. Het project is dan ook financieel economisch uitvoerbaar.
Ten behoeve van de gemeentelijke plan- en apparaatskosten heeft de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten voor het verhalen van een bijdrage aan bovenwijkse voorzieningen en het aanpassen van de openbare ruimte. Er is tevens een overeenkomst voor het verhalen van nadeelcompensatie gesloten. De kosten zijn anderszins verzekerd en er zijn geen redenen om een exploitatieplan (in ontwerp) vast te stellen. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar en zijn hierdoor de gemeentelijke kosten gedekt.
Deel 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg
7.1 Kennisgeving voornemen wijziging
Artikel 16.29 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeente kennis geeft van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen. In de kennisgeving staat onder andere hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Voor onderhavige wijziging is het voornemen op 15 augustus 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
7.2 Overleg met andere overheidsinstanties
In het kader van het overleg met andere overheidsinstanties is het concept ontwerp van de wijziging omgevingsplan naar de volgende instanties toegezonden:
Het plan is een aantal keer besproken met de provincie. Voor het eerst al in maart 2023 heeft er informeel overleg plaatsgevonden over dit plan. Gesproken is toen over de voorwaarden van een duurzame stedelijke ontwikkeling en de kwaliteitsverbetering van het landschap (de bijdrage daaraan ter waarde van 1% van de uitgifteprijs en borging in de ruimtelijke procedure).Vervolgens heeft er in de tweede helft van 2024 enkele keren overleg plaatsgevonden met de provincie. Omdat er sprake is van een maatwerkregeling voor een stedelijke ontwikkeling in landelijk gebied heeft de provincie formeel adviesrecht, behalve als er in een planteamoverleg tussen provincie en gemeente overeenstemming is over het plan. Uit het verslag van het overleg tussen provincie en gemeente d.d. 5 december 2024 blijkt dat de provincie van mening is dat het plan voldoet aan het bepaalde in de provinciale Omgevingsverordening en, onder voorwaarden, akkoord gaat met deze ontwikkeling.
Het plan is verder voorgelegd bij waterschap de Dommel. Van het waterschap is de volgende reactie ontvangen:
De ontwikkeling houdt goed rekening met de waterbelangen
De ontwikkelaar zorgt voor de aanleg van meer dan voldoende regenwaterberging om versnelde afvoer van regenwater vanaf de nieuwe verhardingen en gebouwen te voorkomen. Zo voldoet de ontwikkeling aan het gemeentelijk regenwaterbeleid en aan de Waterschapsverordening. Voor de nieuwe gebouwen en verhardingen wordt het plangebied iets opgehoogd, zodat er voldoende drooglegging is. De wadi’s komen (ruim) boven de gemiddeld hoogte grondwaterstand te liggen.
Vanuit het waterschap zijn er geen andere waterbelangen in of vlakbij het plangebied (denk aan rioolwatertransportleidingen of hoofdwatergangen).
Vraag bij leidingtekening
In bijlage I van de watertoets zit de leidingentekening. Het lijk erop, dat de overloop vanuit de centrale wadi naar de noordelijke wadi hierop ontbreekt. In figuur 3 in de watertoets staat de overloop met hoogte 11,9 m +NAP aangegeven aan de noordkant van de centrale wadi. Op deze plek lijkt in de leidingentekening een uitstroom richting wadi met hoogte 11,48 m +NAP te liggen. Of is in de leidingtekening alleen de hoogteligging van de leiding aangegeven en niet de hoogteligging van de in-/uitstroompunten?
Naar aanleiding van de vraag van het waterschap merken wij op dat, zoals er op de ‘ondergrondse infra’- tekening te zien is, de peilmaten volgens de leganda de b.o.b.-maten aangeven (binnenonderkant buis), dus de buis loopt van de centrale wadi af naar de noordelijke wadi. De inlaathoogte van de overstort wordt (later) op de doorsnedetekeningen bepaald.
7.3 Omgevingsdialoog
Participatie is een belangrijke pijler van de Omgevingswet. De richtlijn geeft aan in welke mate de omgeving moet worden betrokken bij een initiatief c.q. ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente vindt het namelijk belangrijk dat inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners op tijd door de initiatiefnemer betrokken worden bij initiatieven of ruimtelijke ontwikkelingen in hun omgeving. Daardoor komen belangen, ideeën, zorgen en kansen eerder op tafel en worden initiatieven beter.
In de richtlijn omgevingsdialoog worden de verschillende stappen omschreven, die ten aanzien van participatie moeten worden gezet. Als eerste wordt met de impactscan de impact van de ontwikkeling op de omgeving beoordeeld. De scan bestaat uit zes thema’s waarop het initiatief mogelijk impact heeft: het soort initiatief, verkeer, groen, beleving, hinder en het (ruimtelijke) proces. De optelsom van de thema’s bepaalt de impactscore en daarmee de categorie van het initiatief.
Voor deze ontwikkeling is een impactscan uitgevoerd, waaruit een categorie C is gekomen. Dat betekent dat er een participatietraject doorlopen moet worden. In het kader hiervan hebben er brede informatiebijeenkomsten plaatsgevonden, zijn er klankbordgroepbijeenkomsten geweest en is er op andere wijze gecommuniceerd, zoals door middel van bewonersbrieven en publicaties. Wij informeren aanliggende eigenaren over dit plan en de tervisielegging ervan.
Het verslag van de omgevingsdialoog, inclusief impactscan is bijgevoegd als bijlage 8 bij dit plan.
7.4 Zienswijzen
PM