TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m, Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Motivering
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De gemeente Tilburg heeft het voornemen het gebied ten noordoosten van de Burgemeester Bechtweg (N261) te transformeren tot Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders. Het betreft een bestaand landbouwgebied met verspreid enkele bospercelen. Het gebied is ongeveer 100 hectare groot.
De gemeente heeft recent besloten het gebied 'Zwaluwenbunders' toe te voegen aan het noordelijk gelegen 'Water- en Klimaatlandschap Pauwels' en het gebied in die context te herontwikkelen. De ambitie van de herontwikkeling van het gebied als 'Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders' is de realisatie van een zo ecologisch waardevol en duurzaam mogelijk gebied met een mix van natuurontwikkeling, extensieve (biologische) landbouw en extensieve recreatie. Met de herontwikkeling dient ook een bijdrage geleverd te worden aan de kwaliteiten van het nabijgelegen Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.
Dit alles is samengekomen in een integraal ontwerp, met de unieke kwaliteiten van het bodem en watersysteem als basis en aandacht voor landschap en cultuurhistorie.
Om de beoogde transformatie naar Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders planologisch-juridisch mogelijk te maken, is voorliggende wijziging van het omgevingsplan opgesteld.
1.2 Planvorm
Deze wijziging van het omgevingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen:
een plankaart (NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001) waarop de functies van het wijzigingsgebied zijn weergegeven. Deze functies zijn gerelateerd aan de regeling.
de regeling waarin het gebruik van de binnen het wijzigingsgebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch is geregeld. De regeling is conform de Omgevingswet opgesteld.
Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Deze wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld met een motivering waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording zijn opgenomen.
1.3 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van deze wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen wijziging. Hoofdstuk 3 behandelt het thema participatie. Hoofdstuk 4 beschrijft het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 biedt een artikelsgewijze toelichting van de in de wijziging van dit omgevingsplan opgenomen regels. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid van deze wijziging uiteengezet en in hoofdstuk 8 volgt tot slot de belangenafweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Hoofdstuk 2 Plan en wijzigingsgebied
2.1 Wijzigingsgebied
Het wijzigingsgebied ligt in de stadsrandzone van Tilburg Noord, in het buitengebied tussen de kernen Berkel-Enschot en Udenhout. Het terrein wordt globaal begrensd door de bebouwing van Tilburg aan de zuidzijde, de Zwaluwsestraat aan de westzijde en de bossage Hazennest-oost aan de oostzijde. Aan de noordzijde ligt het nog te ontwikkelen Landschapspark ‘Pauwels’.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402000.png)
2.2 Huidige situatie
2.2.1 Huidige ruimtelijke en functionele structuur
Het wijzigingsgebied betreft een landbouwgebied met verspreid enkele bospercelen aan de noordoostzijde van Tilburg en wordt doorkruist door de Burgemeester Bechtweg (N261). Aan de oostkant is woongebied Nieuwe Warande volop in ontwikkeling.
Het landschap van Zwaluwenbunders is open, aan de randen omkaderd door historische linten en ontginningswegen met boomrijen. Aan de zuidkant ligt de boskern Hazennest: een relict van het grotere bosgebied De Nieuwe Warande.
De gronden van Zwaluwenbunders zijn voornamelijk in gebruik voor ruwvoerwinning (gras en mais) ten behoeve van de Tilburgse veehouderijen.
De noordelijke entree vanuit Tilburg wordt gevormd door het viaduct over de N261, waar de Rugdijk overgaat in de Quirijnstokstraat. Langzaam verkeer maakt hier gebruik van de rijbaan. Aan de zuidkant biedt de fietsbrug van het Riddershofpad toegang tot het buitengebied vanuit Tilburg. Het Riddershofpad is een belangrijke losliggende fietsroute tussen Tilburg en Udenhout en loopt ruim 1,5 km langs de oostzijde van Zwaluwenbunders. De route is onderdeel van het Sternet: de Tilburgse 'snelwegen' voor de tweewielers. Daarnaast zijn diverse wandelpaden en -routes aanwezig. De lange afstandsroute Pauwelspad loopt door het gebied.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402001.png)
Huidige situatie (bron: H+N+S)
2.2.2 Geomorfologie
Het natuurlijke reliëf van Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders is ontstaan tijdens de laatste ijstijd. Onder toendra- en poolomstandigheden werd een dik pakket fijnzandige sedimenten afgezet van ± 5-10 meter. Vermoedelijk werd fijn zand en löss door de wind opgestoven tot ruggen en werd op grote schaal fijn sediment opgenomen door smeltwater en neerslag en in de vorm van lemige sequenties weer afgezet. Hemel- en smeltwater kon door de bevroren ondergrond niet inzijgen en werd oppervlakkig afgevoerd. Zo ontstonden beekjes die zich steeds dieper insneden in het dekzandpakket. De gronden buiten deze beekdalen werden relatieve hoogten: de huidige plateau's of ruggen. Tijdens een laatste stuiffase is over de leemrijke oude dekzanden een dun pakket van sterk siltige fijne zanden gesedimenteerd. Vanaf het holoceen werd het klimaat milder, ontwikkelde zich een gesloten vegetatiedek en trad bodemvorming op.
Op het Actueel Hoogtebestand Nederland tekenen dekzandplateaus en dekzandkoppen zich af tegen de lager gelegen, vlakkere dekzandvlakte. Binnen de dekzandvlakte loopt het maaiveld flauw af richting De Brand. De hoogteligging van Zwaluwenbunders varieert tussen de circa NAP +11 m en NAP +13 m. Globaal neemt de hoogte af in noordoostelijke richting, richting Natuurgebied De Brand, dat op circa NAP +7 tot +8m ligt. In de zuidwesthoek ligt een dekzandwelving met daarop het bos Hazennest, op 0,5 tot 1 m hoger dan de omgeving.
Als onderdeel van het ontginningsproces zijn gronden perceelsgewijs geëgaliseerd. Een enkel perceel toont nog een geleidelijk natuurlijk verloop van het oppervlaktereliëf.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402002.png)
Hoogtekaart laag schaalniveau: Hazennest op dekzandwelving. Perceelsgewijs aflopend maaiveld richting de greppels
2.2.3 Landschap
Het gebied betreft een lager gelegen en natte dekzandvlakte die in het oosten grenst aan een groot dekzandplateau met de oude akkergronden van de Berkelse akkers en in het zuiden aan de grotere dekzandruggen en –plateau's rond Tilburg. Vanwege de natte omstandigheden bestond Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders lang uit woeste grond.
De vroegst aangetroffen sporen van bewoning zijn afkomstig uit de Bronstijd. Aan de zuidkant van Zwaluwenbunders, op een kleine dekzandkop op de overgang naar de grote dekzandvlakte, zijn bij archeologisch onderzoek (Archol, 2019) sporen van een nederzetting aangetroffen (deze zijn ex situ geconserveerd). De nabije ligging van zowel hoge als lage gronden was aantrekkelijk voor vestiging. Op de hoge delen werd gewoond en vond op kleine schaal akkerbouw plaats. De lage, natte delen werden gebruikt als weidegrond; vennetjes voorzagen in de watervoorziening.
Na de bronstijd lijkt lange tijd geen menselijke activiteit te hebben plaatsgevonden rond Zwaluwenbunders.
Op de "kaart van Zijnen"(1760) zijn diverse driehoekige woonkernen, bosjes, akkers en weilanden, laanstructuren en uitgestrekte heidevelden met vennetjes te zien. Zwaluwenbunders is onderdeel van het 'Rauw Heike' (of de Ruwe Braken): een ruig gebied met diverse vennen en ontginningen vanaf de randen. Aan de zuidkant zien we een stukje van landgoed de Nieuwe Warande. Dit landgoed werd aangelegd in 1757, als zuiver rechthoekig perceel temidden van de Ruwe Braken. Op de kaart van Zijnen zijn meerdere vennen herkenbaar. Deze komen grotendeels overeen met huidige laagten in het AHN-beeld. Later zijn veel vennen en moerassen geslecht en opgenomen in het agrarisch areaal. We mogen ervan uitgaan dat wat deze midden 18e-eeuwse kaart aan vennetjes en andere moerassige laagten laat zien, een indruk geeft van wat er minimaal aan waterpartijen aanwezig was in eerdere perioden.
Lange tijd maakte Zwaluwenbunders deel uit van de uitgestrekte heideterreinen ten noordoosten van Tilburg. De eerste ontginningen in het gebied vonden plaats vanaf het eind van de 19de eeuw, waarbij delen van de heide aangeplant werden met bos. Voor een groot deel zijn de bossen opgebouwd uit rechthoekige percelen: dit duidt op aanplant van voormalige woeste gronden. De bossen bestonden uit een combinatie van loofbomen en naaldbomen.
Rond 1875 zien we de Nieuwe Warande als een groot aaneengesloten bosgebied dat doorloopt van Tilburg tot aan De Brand en Loonse en Drunense Duinen, met Zwaluwenbunders als een woeste open plek hierbinnen: zelfs voor bosbouw was dit deel niet aantrekkelijk. Zwaluwenbunders wordt omgeven door lange linten met boomrijen, met vanaf daar 'schapenpaadjes' naar de centrale woeste leegte. Her en der tussen de bospercelen en aan de randen liggen kleine akkertjes.
Het gebied Zwaluwenbunders is vanwege de natte omstandigheden laat ontgonnen. Grootschalige ontginning voor agrarische doeleinden begon pas in de loop van de 20ste eeuw. Udenhoutse boeren hebben het toenmalige heidegebied, dat bezaaid was met eiken- en dennenbosjes, heide, laagten, poelen en vennen, geschikt gemaakt voor de landbouw. Bos werd gekapt, het maaiveld werd geëgaliseerd, een deel van de poelen werd gedicht en er werd een afwateringsstelsel aangelegd om de gronden droog te leggen. Aanvankelijk waren de percelen kleinschalig en in gebruik als grasland; alleen aan de randen lagen akkers. Rond Hazennest bleef een klein deel van het bosgebied behouden. Van een robuuste verbinding met De Brand is geen sprake meer.
Rond 1970 vond in Nederland op grote schaal ruilverkaveling plaats. Zo ook in Zwaluwenbunders: de percelen werden vergroot, de sloten verdiept. Zo werden de gronden geschikt gemaakt voor akkerbouw. De nog resterende landschapselementen verdwenen snel. Het bosgebied bij Hazennest is verder verkleind en versnipperd. Het gebied is nauwelijks bebouwd, boerderijen vind je aan de historische linten.
De Burgemeester Bechtweg vormt sinds de aanleg eind jaren '90 van de 20e eeuw een barrière tussen Tilburg Noord en het buitengebied. De gronden in het gebied zijn voor ongeveer de helft van het landbouwareaal in gebruik voor akkerbouw, het andere deel als grasland.
2.2.4 Grondeigendom
De gemeente Tilburg bezit in het wijzigingsgebied een groot stuk aaneengesloten grondgebied dat momenteel verpacht wordt. De landbouwpercelen aan de noordoostzijde zijn vooral in particulier bezit.
2.2.5 Omgevingsplan van rechtswege
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Tilburg (/akn/nl/act/gm0855/2020/omgevingsplan, 1 maart 2024). Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt onder andere de geldende bestemmingsplannen binnen het wijzigingsgebied die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. Het betreft de volgende bestemmingsplannen:
Buitengebied De Zandleij 2012.
Zandleij 1e herziening.
Buitengebied De Groene Zoom 2012.
Lobelia-Spinder-Rugdijk.
Noordoosttangent 2009 II.
De Nieuwe Warande, fase 1.
Tilburg, parapluplan waterberging & grondwaterbescherming.
Tilburg, terrasregels 2019.
Tilburg, parkeerregeling 2017.
2.3 Toekomstige situatie
2.3.1 Ambitie
Groen om de stad draagt nadrukkelijk bij aan de aantrekkelijkheid van de stad. De gemeente Tilburg zet daarom volop in op natuurontwikkeling in combinatie met natuurinclusieve landbouw en recreatiemogelijkheden. Samen met andere partijen wordt gewerkt aan de uitwerking van het Masterplan Landschapspark Pauwels. Onderdeel van dit masterplan is het Water- en Klimaatlandschap Pauwels. In dit deellandschap komen de ambities ten aanzien van waterberging, groenblauwe verbindingen, landbouwtransitie, natuurontwikkeling en recreatie samen.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402003.png)
Koerskaart Water- en klimaatlandschap Pauwels
In 2021 heeft de gemeenteraad besloten het gebied Zwaluwenbunders toe te voegen aan het Water- en Klimaatlandschap Pauwels. Nadat is besloten tot deze scope uitbreiding is verkend welke invulling van Zwaluwenbunders/Rugdijk passend is binnen de doelen voor het Water- en Klimaatlandschap. Hieruit is het klimaatlandgoed Zwaluwenbunders ontstaan met een omvang van ca. 100 hectare. Hiervan wordt ca. 40 ha omgevormd tot de natuurkern, op de overige gronden is ruimte voor natuur-inclusieve en biologische landbouw.
2.3.2 Doelstellingen
In het landelijk gebied spelen verschillende grote opgaven en ambities. Ruimte en middelen zijn schaars: meervoudig ruimtegebruik en een slimme ordening en een inrichting gebaseerd op de condities van de ondergrond zijn essentieel voor een duurzame toekomst van ons landschap en zijn functies. De belangrijkste doelstellingen die de gemeente Tilburg als voorwaarde heeft gesteld voor de transitie naar Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders zijn:
Natuur
De hoofddoelstelling voor natuur is tweeledig. Enerzijds het zo optimaal mogelijk benutten van de aanwezige intrinsieke natuurpotenties die de bijzondere abiotische omstandigheden bieden. Anderzijds het leveren van een bijdrage aan de ecologische kwaliteiten en doelen van het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen en De Brand’. Om dit te bereiken is voor de planvorming door de provincie Noord-Brabant een subsidie toegekend via het Landelijk Programma Natuur (LPN). Versterken van het Natura 2000-gebied kan op verschillende manieren:
Door maatregelen die de ontwikkeling van een metapopulatie van de Natura 2000-doelsoort ‘Kamsalamander’ mogelijk maken (uitbreiding van het leefgebied en realisatie van robuuste ecologische verbindingszones tussen leefgebieden).
Verminderen van de recreatieve druk op Natura-2000 gebieden door de natuurervaring aan te bieden dichtbij de stad.
Klimaat
Weersomstandigheden worden extremer: in de toekomst zullen steeds langere aaneengesloten perioden van droogte voorkomen en zal regen vaker vallen in de vorm van piekbuien. Door meer water vast te houden in het gebied en tegelijkertijd meer ruimte bieden voor berging draagt Zwaluwenbunders bij aan een toekomstbestendig landschap.
De aanleg van houtige beplantingen en het ontwikkelen van kruidenrijke vegetaties zorgt er daarnaast voor dat CO2 wordt vastgelegd.
Landbouw
Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk (agrarische) gronden in gebruik blijven bij de agrarische ondernemers in het gebied. Daarbij geldt de ambitie om een stap voorwaarts te maken in de landbouwtransitie. Met een gezonde bodem, hoge biodiversiteit en een goed verdienmodel als uitgangspunt.
Recreatie
Uitgangspunt voor Zwaluwenbunders is extensief recreatief medegebruik. De ligging aan de stadsrand maakt het gebied interessant als uitloopgebied voor inwoners van de groeiende stad en woonontwikkeling Nieuwe Warande. Door zonering van gebruikers blijven de delen met hogere natuurdoelen rustiger. Een stevige ruimtelijke en functionele verbinding tussen de stad en het buitengebied is gewenst: de Burgemeester Bechtweg vormt nu een grote barrière en
2.3.3 Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders
Door H+N+S is in juni 2024 een voorlopig ontwerp voor het klimaatlandgoed Zwaluwenbunders vervaardigd (zie Bijlage 1).
Landschappelijke zonering
De ambities zijn verenigd in een landschappelijk zoneringsplan met verschillende deelgebieden, dat slim inspeelt op de ondergrond en de huidige inrichting van het landschap. Elk deelgebied heeft een eigen accent op natuur, landbouw en recreatie.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402004.png)
Deelgebieden en recreatief netwerk
Binnen het zoneringsplan is ruimte voor verweving. Een overkoepelend nat netwerk van poelen en natuurvriendelijke oevers voorziet in de urgente uitbreiding van het leefgebied van de kamsalamander en draagt bij aan een klimaatrobuust landschap.
Vanuit de doelstellingen voor het aangrenzende Natura 2000-gebied is de kamsalamander een doelsoort voor Zwaluwenbunders. Overige doelsoorten voor Zwaluwenbunders zijn boomkikker, grauwe klauwier, oranje zandoogje, kleine ijsvogelvlinder, middelste bonte specht, spotvogel, kleine parelmoervlinder, kneu en grote pimpernel. Deze soorten zijn schaars of staan op de rode lijst en passen bij een gevarieerd kleinschalig landschap op de leemgronden van Noord-Brabant. Door het landschap goed in te richten voor deze soorten, ontstaat een gevarieerd gebied met een rijke biodiversiteit. De habitat van de aanwezige das en steenuil worden kwalitatief versterkt.
Het beheer van het gebied zal zoveel mogelijk in samenwerking met lokale boeren worden ingevuld.
Bosrijke rug
Op de dekzandrug, wat hoger in het landschap, worden bestaande en nieuwe bosschages aaneengeregen door landschapselementen en kleine bosjes. Zo ontstaat een kleinschalig landschap. Daarbinnen is ruimte voor landbouw: beweid grasland en enkele hooilandjes van de huidige boeren. Ook zijn hier poelen te vinden voor de kamsalamander en de boomkikker.
Het deel van de Bosrijke rug rond de bosschages van het Hazennest, buiten de Burgemeester Bechtweg, is o.a. bedoeld als optimale habitat voor de aanwezige das, die hier al decennialang huisvest. Daarnaast profiteren vele andere soorten van dit kleinschalige cultuurlandschap, zoals de kleine ijsvogelvlinder, de kleine parelmoervlinder, de middelste bonte specht en de spotvogel. Het bosgebied maakt de verbinding tussen de stad en Hazennest bij Zwaluwenbunders: het landschap steekt de weg over. In het gedeelte binnen de Burgemeester Bechtweg zijn de contouren getekend voor een boslandgoed, het 'Kransbos', met een stevige boskern vergelijkbaar met de schaal van het Hazennest. In de toekomst vormt een voetgangersbrug de entree vanuit het aan te leggen boslandgoed naar het klimaatlandgoed Zwaluwenbunders. Het grotere aaneengesloten bosrijke gebied dat ontstaat is een echo van het uitgestrekte bosgebied de Nieuwe Warande dat Tilburg ooit met De Brand verbond.
De Bosrijke rug biedt ruimte voor recreatief medegebruik. In aansluiting op de entrees vanuit Tilburg en de aangrenzende woonwijk is het wandelnetwerk fijnmaziger en wordt ruimte geboden aan kleinschalig recreatief programma, zoals een natuurspeeltuin. De wandelaar beweegt zich over maaipaden, langs de landschapselementen en soms door het bos. Er is ruimte voor kleinschalig recreatief programma rondom het Riddershofpad. De hoofdentree voor fietsers vanuit Tilburg is de fietsbrug over de Burgemeester Bechtweg, die doorloopt in de bestaande primaire fietsroute Riddershofpad aan de zuidoostkant van het wijzigingsgebied. Min of meer langs de Burgemeester Bechtweg wordt een secundaire fietsroute gerealiseerd als 'oostwest' verbinding binnen Water- en Klimaatlandschap Pauwels.
Natuurgordel (natuur en natuurinclusieve landbouw)
Aan de rand van de Bosrijke rug ligt een groot aaneengesloten gebied met relatief lage fosfaatwaarden: hier wordt de 'Natuurgordel' gerealiseerd. Dit gebied wordt ingericht als optimaal landschap voor de kamsalamander met zo hoog mogelijke natuurwaarden. Door op enkele plekken de bovenlaag af te graven, wordt een basenrijke uitgangssituatie ontwikkeld en komen de bijzondere natuurlijke condities van de ondergrond tot expressie in natuur. De afwisselende bodemopbouw en de gradiënten in het maaiveld worden zichtbaar in een grotendeels spontaan ontwikkelende, afwisselende vegetatie. Er ontwikkelt zich een halfopen landschap met kruidenrijk grasland, struwelen en solitaire struikvormige wilgen. Periodiek (in de natte maanden) staan delen onder water, omdat water stagneert op de leemlaag. Het gebied is extensief recreatief toegankelijk. De dynamiek van de bijzondere bodem is te ervaren doordat het wandelpad soms omgeven wordt door water.
Ecologische verbindingszone
De door de provincie aangewezen ecologische verbindingszone maakt onderdeel uit van de Natuurgordel. Door ORBIS Groenversnellers is een nadere uitwerking gemaakt voor de inrichting van deze ecologische verbindingszone.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402005.png)
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402006.png)
Ecologische verbindingszone (bron: ORBIS groenversnellers, 27 maart 2025)
Vanzelfsprekend wordt ook geschikt landbiotoop aangelegd binnen de contouren van deze ecologische verbindingszone; vochtige en droge loofhoutbosjes, houtsingels of struweelhaag, braamstruweel. Door de aanleg van poelen, struweelvegetaties en bosschages wordt invulling gegeven aan de eisen die doelsoorten als Kamsalamander en Boomkikker stellen aan een ecologische verbinding.
Natuurinclusieve landbouw
Natuurinclusieve landbouw is een manier van landbouwkundig beheer waar ook de natuur baat bij heeft en waarbij gewerkt wordt binnen de grenzen van de natuur. Beheer waardoor de biodiversiteit, de rijkdom aan planten en dieren toeneemt. Een gezonde bodem is een noodzakelijke basis. Een agrarisch ondernemer die natuurinclusief werkt heeft respect voor het landschap van de streek en probeert dit ook te verfraaien. Om de mogelijkheden van natuurinclusieve landbouw voor de gewenste transitie van, of beter de gewenste kwaliteitsimpuls voor Zwaluwenbunders te realiseren zijn meerdere maatregelen te identificeren. De maatregelen zijn ingedeeld in zes hoofdcategorieën (in lijn met een indeling voor Basis Kwaliteit Natuur), met als basis twee abiotische invalshoeken:
Maatregelen met een primaire focus op het verbeteren van de waterhuishouding.
Maatregelen met een primaire focus op het herstel van de vitaliteit van de bodem.
Maatregelen met een focus op het vergroten van het natuurareaal en het realiseren van ecologische verbindingen.
Maatregelen primair gericht op het vergroten van de dynamiek en de diversiteit.
Maatregelen primair gericht op het optimaliseren van de nutriëntenkringloop en het verminderen van het gebruik van chemische gewasbestrijdingsmiddelen.
Maatregelen primair gericht op het verbeteren van de biodiversiteit.
De natuurinclusieve maatregelen omvatten zowel beheermaatregelen als inrichtingsmaatregelen.
Bufferzone duurzame landbouw
Aan de noordzijde van de Natuurgordel, op de overgang naar agrarisch gebied in particulier bezit, wordt op de gronden van de gemeente een stap gemaakt in de landbouwtransitie. Struweelsingels met daarin enkele bomen in deze 'Bufferzone duurzame landbouw' dragen bij aan een goed landbouwmilieu. De singels weren wind en gaan verdroging tegen, doorwortelen de bodem en verhogen zo de vruchtbaarheid, werpen schaduw voor dieren (en verhogen zo welzijn) en verhogen biodiversiteit ten gunste van natuurlijke plaagbestrijding. Deze meervoudige agronomische meerwaarde staat in gunstige balans met de betrekkelijk kleine areaalvermindering, een kleinere eerste snede van hooilanden (maar betere tweede snede) en verhoogde beheerkosten. In noordwestelijke richting loopt een nieuwe ecologische verbindingszone richting het Noorderbos met enkele poelen en struweelsingels.
Agrarische rand met ecologische dooradering (landbouw)
De ambitie is om in goed overleg met de aanwezige agrariërs te voorzien in kleinschalige, ecologische dooradering van het gebied, in de vorm van struweelsingels en natuurvriendelijke oevers. De aanwezige biologische agrariër wordt gezien als trendsetter. Er worden enkele kleine kruidenrijke graanakkers gerealiseerd. Niet alleen het leefgebied van de steenuil wordt door deze maatregelen verbeterd: ook kleine parelmoervlinder en kneu zullen profiteren. Belangrijk onderdeel van de agrarische rand zijn de boomrijen langs oude ontginningswegen. De iepen staan er niet overal goed bij: deze boomrijen dienen te worden hersteld met iepenziekte-resistente iepen. Een andere inheemse boomsoort kan ook maar heeft vanuit het aspect cultuurhistorie niet de voorkeur.
Transitieplan
De landschappelijke zonering is nader uitgewerkt in een transitieplan.Door een verdere optimalisatie van de waarden en de potenties van dit gebied voor genoemde stakeholders kan aan Zwaluwenbunders een kwaliteitsimpuls worden gegeven, die tevens borgt dat dit landschappelijk en ecologisch waardevolle gebied ook voor de toekomst behouden blijft.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402007.png)
Streefbeeld transitieplan (zie tevens Bijlage 2)
De grootste uitdaging is het realiseren van een voldoende kwaliteitsimpuls op korte termijn (binnen de periode april 2025 – december 2028). In het transitieplan is een strategische aanpak uitgewerkt die tot de gewenste kwaliteitsimpuls op korte termijn leidt; een stapsgewijze effectieve doordachte realisatie. Effectief door het inzetten op maatregelen die op korte termijn een significant deel van het doelbereik invullen. Doordacht door met kleine pilots te verkennen of de maatregelen die juist een zeer hoge investering vragen ook leiden tot de gewenste doelen.
uit het transitieplan blijkt dat een significant deel van de doelen en het beoogde doelbereik kan worden gerealiseerd met maatregelen die goed inpasbaar zijn in het huidige beheer van het gebied, de zogenaamde maatregelen vanuit Natuurinclusieve Landbouw. Inpasbaar, met relatief zeer beperkte middelen en op zeer korte termijn te realiseren. Doordat deze maatregelen voor een groot deel inpasbaar zijn in het huidige agrarische beheer, behoudt de gemeente ook de mogelijkheden om met de inzet van haar gronden de extensiveringsslag die agrarische ondernemingen in en rondom dit gebied moeten maken te faciliteren.
Hoofdstuk 3 Participatie
3.1 Kennisgeving ex artikel 16.29 Ow
Artikel 16.29 van de Omgevingswet verplicht gemeenten die een wijziging van het omgevingsplan voorbereiden op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze kennis te geven van het voornemen om te komen tot vaststelling van het omgevingsplan. In casu is het voornemen om te komen tot vaststelling van het voorliggende wijzigingsbesluit gepubliceerd in het Gemeenteblad.
3.2 Omgevingsdialoog
Op 31 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders de Richtlijn omgevingsdialoog vastgesteld. De Omgevingswet stimuleert het vroegtijdig betrekken van inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en partners bij initiatieven in de fysieke leefomgeving. Dit wordt participatie genoemd. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving zorgt ervoor dat ideeën, zorgen, belangen, kansen en creativiteit op tijd ter tafel komen. Dat zorgt voor kwalitatief betere en meer herkenbare plannen en initiatieven en kan bezwaren in een later stadium voorkomen.
Op basis van de Richtlijn omgevingsdialoog geldt voor dit TAM-omgevingsplan een Impactscore van 3.5 (een gemiddelde impact op de omgeving) en dient de participatie te verlopen volgens categorie B; raadplegen van de omgeving over het initiatief.
De omgevingsdialoog Zwaluwenbunders is opgenomen als Bijlage 3. Hierin is tevens het verslag van de informatieavond op 28 maart 2024 opgenomen.
3.3 Betrokken overheden en instanties
Het concept van dit ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, waterschap de Dommel, Tennet en de RotterdamRijnPijpleiding (RRP). De reacties zijn, voor zover van toepassing, verwerkt in het ontwerp TAM-omgevingsplan.
Provincie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant is intensief betrokken bij de planvorming en ontwikkeling van klimaatlandgoed Zwaluwenbunders. Daarnaast is het plan voorgelegd aan het provinciaal planteam in het kader van het vooroverleg en is het plan voor een nadere toelichting gepresenteerd aan een aantal provinciale ambtenaren. De provincie heeft kennis genomen van het concept-ontwerp en heeft aangegeven nu geen opmerkingen te hebben over het plan.
Waterschap de Dommel
Evenals de provincie Noord-Brabant is ook waterschap de Dommel intensief betrokken bij de planvorming en ontwikkeling van klimaatlandgoed Zwaluwenbunders. Waterschap de Dommel heeft belang bij een goede waterhuishouding in dit gebied en bij de realisering van de Ecologische verbindingszone (EVZ). Het plan is daarnaast schriftelijk bij het waterschap voorgelegd. Het waterschap had een aantal opmerkingen, die onder andere betrekking hadden op (de aanleg van) de poelen, de waterparagraaf en de regeling.
RotterdamRijnPijpleiding
De RRP deelt mede dat zij voldoende in het plan beschreven en opgenomen zijn. Wel wordt een kleine omissie opgemerkt, namelijk dat 16.5.2 lid f abrupt stopt.
Tennet
Van Tennet is geen reactie ontvangen.
Hoofdstuk 4 Toetsing aan algemene beleidskaders
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het project toegelicht en wordt het project hieraan getoetst.
4.1 Rijksbeleid en rijksregels
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is, als opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan het inrichten van de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten:
Ruimte maken voor klimaatverandering en enrgietransitie.
De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden.
Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken.
Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.
ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbetert het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig. Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen.
ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken
Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet stedelijk gebied moet plaatvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht.
ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen
Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem. Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid. Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast. Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermd en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut. Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt.
Voor deze prioriteiten geldt dat zowel voor de lange, als voor de korte termijn maatregelen nodig zijn die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Het kernbegrip bij deze maatregelen is omgevingskwaliteit: dat wil zeggen dat ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit centraal staan.
Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:
combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
afwentelen wordt voorkomen.
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende, brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten:
het werken als een overheid, samen met de samenleving;
de opgave(n) centraal stellen;
gebiedsgericht werken;
permanent en adaptief aan de opgaven werken.
Relatie tot het omgevingsplan
Zwaluwenbunders richt zich op het behoud en de versterking van natuur en landschap. Met de beoogde transitie naar Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders wordt de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem verbeterd. Tevens wordt de balans hersteld tussen landgebruik en de natuurlijke systemen om tot een vitaal en duurzaam landbouwsysteem te komen dat zich baseert op natuurinclusiviteit. Dit helpt bij het verminderen van de ecologische voetafdruk van landbouwactiviteiten. Het landgoed draagt daarnaast bij aan klimaatdoelstellingen door maatregelen zoals het behoud van water in poelen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers, zodat een klimaatrobuust landschap wordt gecreëerd. Tot slot wordt Het klimaatlandgoed wordt ontwikkeld als een recreatief uitloopgebied voor Tilburg, wat de recreatieve druk op nabijgelegen Natura 2000-gebieden vermindert.
Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders draagt bij aan een duurzame, klimaatbestendige en natuurrijke omgeving en sluit daarmee aan bij de doelen van de Nationale Omgevingsvisie.
4.1.2 Instructieregels Rijk (Bkl)
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's:
Voldoen aan de Dienstenrichtlijn (paragraaf 5.1.1).
Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2).
Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3).
Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit.
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking.
Behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) zoals autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden.
Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouw categorieën.
Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
In de volgende paragrafen zijn de voor deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.
4.1.2.1 Omgevingsveiligheid
Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises.
In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid, die met deze activiteiten binnen het wijzigingsgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd.
Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen (artikelen 5.7 en 5.11 Bkl). Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden
geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen.
Relatie met het omgevingsplan
Voor het aspect omgevingsveiligheid wordt verwezen naar paragraaf 5.2.3.
4.1.2.2 Water
Op grond van artikel 5.37 Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken.
Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. Op Europees niveau is dit de Kaderrichtlijn Water (KRW), op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet.
Het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt, is opgenomen in de waterschapsverordening.
Relatie met het omgevingsplan
Bij alle ruimtelijke plannen moeten alle waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het wijzigingsgebied expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Vroegtijdig overleg en afstemming met de waterbeheerders is daarom van groot belang.
Voor het aspect water wordt verwezen naar paragraaf 5.1.3.
4.1.2.3 Toegankelijkheid openbare ruimte
Paragraaf 5.1.8 van dit besluit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte in dat plan rekening gehouden wordt met het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
In artikel 5.162 Bkl zijn instructieregels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Dit artikel brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder. Zo kan bij regels in het omgevingsplan over de inrichting expliciet aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid voor mensen in een rolstoel en mensen met bijvoorbeeld visuele beperkingen. Als maatregelen nodig zijn kunnen deze geborgd worden in de regels van het omgevingsplan.
Door bij nieuwe ontwikkelingen vroegtijdig, dat wil zeggen bij inrichting en ontwerp, met toegankelijkheid van openbare ruimten rekening te houden, leidt deze instructieregel naar verwachting niet tot hogere kosten en bestuurslasten. De "Integrale toegankelijkheidsstandaard" (ITS) wordt hierbij betrokken voor zover die gaat over de openbare buitenruimte. In de ITS zijn algemene toegankelijkheidsrichtlijnen en normen omgewerkt naar bouwtechnische eisen die kunnen worden toegepast bij ontwerp en realisatie van integraal toegankelijke projecten. Het gaat er in de openbare buitenruimte, die heel divers is, niet om dat de ITS naar de letter wordt toegepast, maar dat deze behulpzaam is bij het maken van een afweging welke onderdelen van de openbare ruimte voor een ieder toegankelijk moeten zijn en tot welke regels dit in het omgevingsplan leidt. Daarnaast heeft bijvoorbeeld ook het kennisplatform CROW-richtlijnen voor integrale toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.
Relatie met het omgevingsplan
In de verdere uitwerking van het klimaatlandgoed Zwaluwenbunders wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid van de buitenruimte voor rolstoelgebruikers en slechtzienden.
4.1.3 Maatschappelijke behoefte
Het Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders is ontworpen om een ecologisch waardevol landschapsgebied te creëren. Door natuurontwikkeling te combineren met duurzame, natuurinclusieve landbouw, ontstaat een harmonieus ecosysteem dat zowel flora als fauna ten goede komt. Dit gebied zal dienen als een toevluchtsoord voor inheemse planten en dieren, waardoor biodiversiteit wordt bevorderd en bedreigde soorten een veilige habitat vinden. De nabijheid van het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen maakt dit project nog belangrijker. Door de herontwikkeling van Zwaluwenbunders wordt een bufferzone gecreëerd die de ecologische kwaliteiten van het Natura 2000-gebied versterkt. Dit helpt bij het behoud van zeldzame habitats en soorten, en draagt bij aan de Europese doelstellingen voor natuurbehoud.
Naast de ecologische voordelen, speelt het Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders een cruciale rol in het bevorderen van maatschappelijk welzijn. Extensieve recreatie, zoals wandel- en fietspaden, biedt de lokale gemeenschap en bezoekers de mogelijkheid om te genieten van de natuur, wat bijdraagt aan fysieke en mentale gezondheid. Bovendien stimuleert natuurinclusieve landbouw lokale economieën en biedt het gezonde, duurzame voedselopties.
In een tijd waarin klimaatverandering een steeds grotere bedreiging vormt, biedt het Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders een model voor klimaatadaptatie. Door slimme landschapsinrichting en duurzame landbouwpraktijken wordt het gebied beter bestand tegen extreme weersomstandigheden, zoals droogte en overstromingen. Dit draagt bij aan de veerkracht van de regio en beschermt zowel de natuur als de gemeenschap.
Het realiseren van het Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders is een antwoord op een breed scala aan maatschappelijke behoeften. Het biedt ecologische, economische en sociale voordelen die de regio versterken en bijdragen aan een duurzame toekomst. Dit project is een voorbeeld van hoe mens en natuur in harmonie kunnen samenleven, en het verdient de steun en betrokkenheid van de hele gemeenschap.
4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels
4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant (2018)
Op 14 december 2018 is door Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie "De kwaliteit van Brabant - Visie op Brabantse leefomgeving" vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar de provincie in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt een basisopgave en vier hoofdopgaven:
Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit
Het creëren van een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit vormt de basis voor alle acties van de provincie Noord-Brabant. Elke ontwikkeling, ongeacht de omvang of locatie in Brabant, draagt bij aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Er wordt gestreefd naar een evenwichtige balans tussen economische groei, sociale welvaart en behoud van het milieu. De provincie Noord-Brabant zet zich in de toekomst in om duurzame en toekomstbestendige oplossingen te vinden, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van inwoners, bedrijven en natuur. Door middel van samenwerking en participatie wordt er een breed draagvlak gecreëerd voor de ontwikkelingen in de provincie. Het uiteindelijke doel is om een goede leefomgeving te realiseren waarin het prettig wonen, werken en recreëren is, met respect voor de natuur en het cultureel erfgoed van Noord-Brabant. De provincie streeft ernaar om op de bovengenoemde aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
1. Werken aan de Brabantse energietransitie
Noord-Brabant zet zich in voor de energietransitie met als doel om op lange termijn 100% duurzame
energie op te wekken, voornamelijk binnen de provincie. De provincie streeft ernaar om aan te sluiten bij het klimaatakkoord van Parijs, door energiebesparing, het benutten van kansen voor duurzame energieopwekking en het verminderen van CO2-uitstoot. De provincie erkent dat de energietransitie een grote uitdaging is en beseft dat samenwerking essentieel is om de ambitieuze doelen te bereiken. Daarom neemt de provincie een leidende en stimulerende rol op zich.
2. Werken aan klimaatproof Brabant
Werken aan klimaatproof Brabant De provincie Noord-Brabant streeft ernaar om het landschap in de toekomst klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Ze erkent dat klimaateffecten zowel de concurrentiepositie kunnen verzwakken als versterken. Dit biedt kansen voor het benutten van Nederlandse en Brabantse expertise op het gebied van klimaatthema's. Het is belangrijk om de effecten van klimaatverandering in Brabant te minimaliseren of beheersbaar te houden. Dit vraagt om aandacht bij de inrichting van Brabant en vereist integrale samenwerking tussen verschillende invalshoeken.
3. Werken aan de slimme netwerkstad
Brabant vormt momenteel een polycentrisch netwerk van steden en dorpen, dat sterk verbonden is
met de Randstad en het buitenland, zoals de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied. Het stedelijk netwerk is de drijvende kracht achter de Brabantse economie. Om een toonaangevende regio te blijven op het gebied van kennis en innovatie, ziet de provincie in dat het essentieel is dat Brabant zich inzet voor een duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een veerkrachtig mobiliteitssysteem. Wereldwijd concurreren metropolen om talent en investeringen. Om zich te onderscheiden van andere regio's, moet Brabant samen met haar partners de intrinsieke kwaliteit van het stedelijk netwerk versterken op ruimtelijk, sociaal en economisch vlak.
4. Werken aan een concurrerende, duurzame economie
De economie van Brabant is sterk en concurrerend, met een internationale oriëntatie. Dit is te danken aan de gunstige ligging met goede verbindingen, een uitstekende fysieke en digitale infrastructuur, een sterke focus op kennis en innovatie, en de aantrekkelijke combinatie van grootstedelijke allure in een groene leefomgeving. Om deze ambities te behouden en verder te versterken, wordt er ingezet op het versterken van Brabant als kennis- en innovatieregio binnen Europa. Brabant streeft naar een circulaire economie, waarbij producten, materialen en grondstoffen in alle sectoren van de economie in grote mate worden hergebruikt. Niet-hernieuwbare hulpbronnen worden behouden, terwijl gestreefd wordt naar waardecreatie voor mens, natuur en economie. De Brabantse economie van de toekomst is dus sterk gericht op circulariteit.
De vier hoofdopgaven zijn belangrijk voor heel Noord-Brabant en spelen ook in de hele provincie. Bij de uitwerking van de vier hoofdopgaven is de basisopgave 'een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit' leidend.
De primaire verantwoordelijkheid voor het maken van keuzes over de inrichting van de fysieke leefomgeving ligt bij gemeenten. De provincie wil gemeenten volop ruimte bieden om hierin hun verantwoordelijkheid te nemen. Hierbij staan gemeenten niet los van hun omgeving. Door samen te werken met andere overheden, inwoners, bedrijfsleven en kennisinstellingen worden doelen makkelijker en sneller behaald. De provincie wil met deze visie bijdragen door de verdere invulling van de vier hoofdopgaven samen met gemeenten en andere partijen op te pakken. Regionale samenwerking heeft belangrijke toegevoegde waarde om de regio als koppelstuk te benutten.
Relatie met het omgevingsplan
Het project richt zich op klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, duurzame landbouw en recreatie. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de provincie om een ecologisch waardevol gebied te creëren dat bijdraagt aan klimaatdoelstellingen en de biodiversiteit versterkt.
4.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant (2025)
Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant in werking getreden. Deze verordening beschrijft de gebieden en begrenzing van de fysieke leefomgeving, evenals de activiteiten die effect hebben op, of mogelijk effect kunnen hebben op, de fysieke leefomgeving in de provincie Noord-Brabant. De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de waarden die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De instructieregels uit hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een omgevingsplan.
Ook bij het huidige plan is rekening gehouden met de verschillende beleidsonderwerpen waarvoor regels zijn vastgesteld in de Omgevingsverordening en die van toepassing zijn op de betreffende locatie, zoals ontgrondingen, ruimtelijke kwaliteit en regionale watersystemen. In het volgende gedeelte wordt ingegaan op de specifieke waarden die gelden binnen het wijzigingsgebied en die mogelijk relevant zijn voor het voorgenomen plan.
In de volgende paragrafen zijn de voor deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.
4.2.2.1 kwaliteitsverbetering landschap
Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving (artikel 5.11). Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan of door nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg.
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:
de op grond van de omgevingsverordening verplichte landschappelijke inpassing;
het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken;
het wegnemen van verharding;
het slopen van bebouwing;
de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone;
het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
Relatie met het omgevingsplan
Het project richt zich op klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, duurzame landbouw en recreatie. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de provincie om een ecologisch waardevol gebied te creëren dat bijdraagt aan klimaatdoelstellingen en de biodiversiteit versterkt
4.2.2.2 Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant
Een omgevingsplan ter plaatse van Natuur Netwerk Brabant kan, in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a, bepalen dat het is toegestaan kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik op te richten, als dat geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant (artikel 5.33). Een omgevingsplan ter plaatse van Natuur Netwerk Brabant kan in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a, een nieuwe gebruiks- of bouwactiviteit toestaan als het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat door Stedelijk gebied loopt en de ontwikkeling geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. Als er door het verrichten van een gebruiks- of bouwactiviteit als bedoeld in het eerste en tweede lid een verstoring of tijdelijke verstoring optreedt van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant, wordt deze verstoring waar mogelijk beperk en wordt de resterende verstoring gecompenseerd.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402008.png)
Uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant (de groene gebieden maken deel uit van het Natuur Netwerk Brabant)
Relatie met het omgevingsplan
Het project legt geen ruimtebeslag op het Natuur Netwerk Brabant (NNB). De voorgenomen transitie naar klimaatlandgoed zal het NNB juist verder versterken.
4.2.2.3 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone
Een omgevingsplan ter plaatse van Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone strekt tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij als uitgangspunt geldt dat de zone een breedte heeft van ten minste 50 meter in Stedelijk Gebied of in Landelijk gebied waar een stedelijke ontwikkeling is voorzien en een breedte van ten minste 25 meter in alle overige gebieden (artikel 5.40). Het omgevingsplan stelt regels die voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone , en die in ieder geval et oprichten van bebouwing beperken en het aanbrengen van verharde oppervlakten beperken. Het functioneren van de ecologische verbindingszone is ook verzekerd als het omgevingsplan een nieuwe locatie aanwijst, die vanuit kwaliteit en samenhang van het Natuur Netwerk Brabant en de functie die de ecologische verbindingszone vervult, een gelijkwaardig alternatief biedt en borgt dat aanleg en realisering van de ecologische verbindingszone op de nieuwe locatie is verzekerd.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402009.png)
Ecologische verbindingszone
Doorwerking in het omgevingsplan
De ecologische verbindingszone is vastgelegd in de functie Natuur van dit TAM-omgevingsplan.
4.2.2.4 Attentiezone waterhuishouding
Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant (artikel 5.41).
Het omgevingsplan stelt regels over:
het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm beneden maaiveld, voor zover geen omgevingsvergunning is vereist voor een ontgrondingsactiviteit;
de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;
het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; en
het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van verharde oppervlakten.
Deze regels zijn niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud van de gronden.
Doorwerking in het omgevingsplan
De attentiezone waterhuishouding is geheel binnen de functie 'Bos' gelegen. De voor deze functie opgenomen regels zorgen voor de benodigde bescherming van deze attentiezone.
4.2.2.5 Behoud en herstel van watersystemen
Een omgevingsplan ter plaatse van Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen (artikel 5.42).
Het omgevingsplan stelt regels die:
het oprichten van bebouwing beperken;
het aanbrengen van verharde oppervlakten beperken; en
het ophogen van gronden beperken.
Een omgevingsplan ter plaatse van Behoud en herstel van watersystemen kan in afwijking hiervan een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als reële alternatieven voor die bouw- of gebruiksactiviteit ontbreken en uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.
Doorwerking in het omgevingsplan
De beschermingszone voor Behoud en herstel van watersystemen is geheel binnen de functie 'Natuur' gelegen. De voor deze functie opgenomen regels zorgen voor de benodigde bescherming van deze zone.
4.2.2.6 Tijdelijk verbod geitenhouderij
Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied bepaalt dat de vestiging van of omschakeling naar een geitenhouderij is uitgesloten en een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten is uitgesloten (artikel 5.61). Als bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten geldt de oppervlakte die op 7 juli 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was of mag worden gebouwd op grond van een vóór 7 juli 2017 verleende omgevingsvergunning.
Doorwerking in het omgevingsplan
Dit omgevingsplan maakt nieuwe geitenhouderijen en de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen niet mogelijk.
4.2.2.7 Afwijkende regels beperkingen veehouderij
Een omgevingsplan ter plaatse van Beperkingen veehouderij bepaalt in afwijking van Artikel 5.63 dat vestiging van, omschakeling naar of uitbreiding van een veehouderij is uitgesloten en een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten (artikel 5.65). Als bestaande oppervlakte van een bouwwerk geldt de oppervlakte die op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was of gebouwd mag worden op grond van een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning.
Voorstaande is niet van toepassing op een veehouderij die voldoet aan één van de volgende criteria:
de veebezetting bedraagt niet meer dan 2.75 GVE /ha, berekend over de grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie;
ten minste 75% van de op het bedrijf geproduceerde mest, uitgedrukt in fosfaat, wordt aangewend op grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie;
via een jaarlijkse rapportage uit BEX is aangetoond dat de veehouderij ten minste 95% van het ruwvoer, zoals gras en mais, uitgedrukt in fosfaat, wordt gewonnen op grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie en ten minste 50% van het fosfaat in het rantsoen afkomstig is uit ruwvoer, zoals gras en mais;
de dieren worden uitsluitend of in hoofdzaak gehouden ten behoeve van natuurbeheer.
Relatie met het omgevingsplan
Binnen het wijzigingsgebied zijn geen veehouderijen gelegen.
4.2.2.8 Aanvullende regels stalderen
Een omgevingsplan ter plaatse van Stalderingsgebied bepaalt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren alleen is toegestaan als bewijs is overgelegd dat binnen het Stalderingsgebied dierenverblijf voor hokdieren is gesaneerd door sloop of functiewijziging waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd (artikel 5.66). De oppervlakte van het te saneren dierenverblijf voor hokdieren bedraagt bij sloop, ten minste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen en bij functiewijziging, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen. Bij het bepalen van de oppervlakte op te richten of te saneren dierenverblijf, tellen de inpandige voorzieningen van een dierenverblijf mee.
Het bewijs dat aan de voorwaarden is voldaan, wordt uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten.
Doorwerking in het omgevingsplan
Binnen het wijzigingsgebied zijn geen stallen van veehouderijen gelegen.
4.2.2.9 Grootschalige logistiek
Het omgevingsplan bepaald dat de ontwikkeling van grootschalige logistiek alleen mogelijk is als dit aantoonbare regionale meerwaarde heeft (artikel 5.56a). In afwijking hiervan bepaalt een omgevingsplan ter plaatse van Beperking grootschalige logistiek dat nieuwvestiging, vestiging en uitbreiding van grootschalige logistiek is verboden.
Doorwerking in het omgevingsplan
Deze wijziging van het omgevingsplan maakt de ontwikkeling van grootschalige logistiek niet mogelijk.
4.3 Beleid waterschap
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen.
4.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het Waterbeheerprogramma (WBP) van het waterschap De Dommel omschrijft de koers en de ambitites van het waterschap voor de periode 2022-2027. Dit is de opvolger van het WBP 2016-2021. Het Waterbeheerprogramma maakt onderdeel uit van een groter geheel aan beleidsplannen. Om richting en prioriteit te geven aan de watertransitie op de korte, middellange en lange termijn hanteert het waterschap drie principes, namelijk:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.
Wat schoon is moet schoon blijven.
De drie inhoudelijke principes van de watertransitie bieden een inhoudelijk kompas waarmee verandering vorm krijgt.
Relatie met het omgevingsplan
Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders sluit nauw aan bij het waterbeheerprogramma 2022-2027 van waterschap De Dommel. Dit programma richt zich op een robuust en flexibel watersysteem dat in balans is met de natuur en de omgeving. Zwaluwenbunders draagt hieraan bij door water vast te houden in het gebied, wat helpt bij het aanvullen van grondwater en het verminderen van wateroverlast in natte periodes. Daarnaast bevordert het project de waterkwaliteit door natuurvriendelijke oevers en poelen aan te leggen, wat de biodiversiteit ten goede komt. Deze aanpak sluit naadloos aan bij de integrale en gebiedsgerichte benadering van De Dommel, waarbij elke druppel telt.
4.3.2 Waterschapsverordening De Dommel
De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. In de waterschapsverordening staan regels voor verschillende soorten activiteiten met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving in samenhang met water.
De regels zijn nodig om het watersysteembeheer en de zuiveringstaak, en eventueel het wegenbeheer, goed te kunnen vervullen. Ze gaan over:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste veilig en doelmatig gebruik, in overeenstemming met de functies die volgens de wet aan het watersysteem toegedeeld zijn. Denk aan drinkwatervoorziening, voedselvoorziening, industrie, landbouw, visserij, transport, recreatie, enzovoorts
de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de chemische grondwaterkwaliteit.
In de waterschapsverordening staan niet alleen regels voor het waterschap. Er gelden ook verplichtingen voor een initiatiefnemer. Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen. Het gaat om de volgende activiteiten:
lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam.
lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie).
activiteiten in of nabij het oppervlaktewater.
activiteiten in, op of nabij waterkeringen.
het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.
activiteiten aan, op of nabij wegen in het beheer van het waterschap.
Relatie met het omgevingsplan
Hydrologisch gezien kan worden gesproken van een gebied met een hoge grondwaterdynamiek, door de invloed van een min of meer aaneengesloten leemlaag. Door BOOT is een beeld geschetst van het grondwatersysteem en (de wisselwerking met) het oppervlaktewatersysteem. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.1.3.
4.4 Gemeentelijk beleid
4.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: Tilburg gaat voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om het gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie.
de Regiostrategie.
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten: 1) Binnenstad van de 21e eeuw, 2) Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing, 3) Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven en 4) Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant en en drie stadsregionale parken, te weten Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven, Stadsregionaal park Stadsbos 013 en Stadsregionaal park Noord.
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten: 1) Bedrijvenpark Zuid, 2) Zorgcluster Leijpark en 3) Duurzaam energielandschap Noord en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten.
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig.
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk.
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners.
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal.
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar.
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen.
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers.
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken.
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Relatie met het omgevingsplan
Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders sluit naadloos aan bij de omgevingsvisie, die streeft naar een duurzame en veerkrachtige leefomgeving. De omgevingsvisie benadrukt het belang van natuurbehoud, klimaatadaptatie en het versterken van de biodiversiteit. Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders draagt hieraan bij door water vast te houden en te infiltreren, wat helpt bij het voorkomen van wateroverlast en het aanvullen van grondwater. Daarnaast bevordert het project de biodiversiteit door de aanleg van natuurvriendelijke oevers en poelen en door het integreren van duurzame, natuurinclusieve landbouw. Dit sluit aan bij de visie van Tilburg om functies aan te passen aan het bodem- en watersysteem en om schone waterbronnen te behouden. Door deze integrale aanpak draagt Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders bij aan een robuust en toekomstbestendig landschap dat de leefkwaliteit voor zowel mens als natuur verbetert.
Hoofdstuk 5 Toetsing aan de aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu
5.1 Aspecten fysieke leefomgeving
5.1.1 Omgevingskwaliteit
Door H+N+S is in juni 2024 een voorlopig ontwerp voor het klimaatlandgoed Zwaluwenbunders vervaardigd (zie Bijlage 1).
Nat netwerk voor natuur en klimaat
Poelen vormen een geschikt voortplantingshabitat voor kamsalamander en boomkikker. In het Klimaatlandgoed wordt ruimte geboden voor meerdere poelen. De poelen 'hangen' op de aanwezige leemlagen, en communiceren niet met de regionale hoogten van het grondwater. De bodem van de poelen wordt waar nodig afgedicht met een waterdichte (leem) laag. Het waterpeil in de poelen beweegt niet mee met het grondwater: ze zijn regenwater afhankelijk. De variatie in de manier waarop het waterpeil in de poelen samenhangt met de ondergrond en diepere (schijn)grondwaterspiegels wordt omarmd. De grootte van de poelen verschilt, zodat er variatie ontstaat. De A-biotoop poelen zijn minimaal 1.000 m2 groot en de B-biotooppoelen zijn minimaal 500 m2 groot.
Het creëren van poelen heeft geen negatieve gevolgen door verdamping. Vanuit open water verdampt ongeveer 30% meer dan vanuit grasland (Bot, 2016, tabel 2.10). Daartegenover staat dat een poel minimaal 150% meer water bevat dan de lemige ondergrond (poel = 100% tegenover maximaal 20-25% poriënvolume in lemig zand). Daarom is er meer water beschikbaar en is de verwachting dat in totaliteit door de realisatie van poelen meer water in het gebied wordt vastgehouden. De poelen hebben bovendien een positief effect op de luchtvochtigheid van de directe omgeving, waardoor vegetaties langer fotosynthetisch actief blijven.
Natuurvriendelijke oevers
Diverse waterlopen in het wijzigingsgebied krijgen natuurvriendelijke oevers. Deze waterlopen prikken vanuit de 'Natuurgordel' als tentakels in alle windrichtingen en versterken de natte ecologische dooradering. Het natuurvriendelijke profiel van de waterlopen in het wijzigingsgebied krijgen een talud van 1:5 tot 30 centimeter onder maaiveld en komen daarmee uit op 3,5 m breedte. Dit om goede natuurwaarden te bereiken en tegelijkertijd in beperkte mate landbouwgrond te verminderen.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402010.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402010.png)
Principeprofiel natuurvriendelijke oever
Relatie met het omgevingsplan
De aanleg van natuurvriendelijke oevers en poelen, de aanleg van nieuwe vegetatie en de ontwikkeling van een gezondere bodem zorgen voor meer ruimte voor water, het langer vasthouden van water en meer infiltratie. Hiermee wordt een klimaatrobuust watersysteem gerealiseerd.
Zo is het gebied zelf beter beschermd tegen lange perioden van droogte (die in de toekomst vaker zullen voorkomen), biedt het systeem meer ruimte om piekbuien op te vangen en bereikt meer water via het eerste watervoerende pakket 'De Brand'.
5.1.2 Verkeer en parkeren
Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
Nota 'Parkeernormen Tilburg 2023', parkeernormen voor de auto en voor de fiets
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen.
Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020
De fietsagenda is één van de vijf uitwerkingen van de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 (MAT2040) en de MobiliteitsAgenda 013. Hierin is de doelstelling opgenomen dat tweederde van de verplaatsingen binnen de stad in 2040 op actieve wijze plaatsvindt (lopen en fietsen) en een groei van 20% van het aantal gereden fietskilometers in 2027 ten opzichte van 2017. Fietsen is inclusief, draagt bij aan een duurzame stad en is cruciaal in gezondheidspreventie. Daarom kiest de gemeente Tilburg voor de fiets en doet dit consequent. Hierbij wordt ingezet op drie pijlers: fietsinfrastructuur, fietsparkeren en fietsstimulering.
Tilburg loopt!, de loopagenda Tilburg 2020 – 2023
Lopen draagt bij aan de doelen in het bestuursakkoord. Lopen maakt, zoals wetenschappelijk is bewezen, gezond en gelukkig. Lopen is inclusief, duurzaam en draagt bij aan de vitaliteit van onze inwoners. Met dit doel is op 12 mei 2020 de loopagenda vastgesteld. Deze agenda geeft invulling aan het handvest voor lopen, het partnerschap van het platform ruimte voor lopen, de mobiliteitsaanpak 2040 en de mobiliteitsagenda 013. Bij de mobiliteitsaanpak 2040 horen uitvoeringsagenda's. In de loopagenda is het uitvoeringsprogramma voor de voetganger opgenomen.
De uitgangspunten die zijn vastgesteld gaan uit van volledige toegankelijkheid voor iedereen. Lopen maakt deel uit van elke verplaatsing ook die waarbij andere vervoerswijzen betrokken zijn. Het kan ook alleen een ommetje zijn. Er moet voor voetgangers een basiskwaliteit zijn, maar op plaatsen waar veel voetgangers komen moet dat een extra kwaliteitsimpuls krijgen.
Relatie met het omgevingsplan
Recreatief netwerk Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders
De hoofdentree voor fietsers vanuit Tilburg is de fietsbrug over de Burgemeester Bechtweg, die doorloopt in de bestaande primaire fietsroute Riddershofpad aan de zuidoostkant van het wijzigingsgebied. Min of meer langs de Burgemeester Bechtweg wordt een secundaire fietsroute gerealiseerd als 'oostwest' verbinding binnen Water- en Klimaatlandschap Pauwels.
Het gebied Zwaluwenbunders zelf is vooral bedoeld voor voetgangers. Het bestaande wandelnetwerk wordt uitgebreid, zodat afwisselende rondes van verschillende grootte kunnen worden gemaakt. Aan de oostzijde, door de 'Bosrijke rug', is het nieuwe padennetwerk intensiever. Hier kunnen diverse rondjes worden gemaakt vanuit woongebied Nieuwe warande, en vanaf het rustpunt aan het Riddershofpad. Een toekomstige nieuwe voetgangersbrug vanuit het boslandgoed in de stadsrand is een kans om dit gebied met Zwaluwenbunders te verbinden. De wandelpaden bestaan in principe uit maaipaden, gedeeltelijk uit vlonderpaden en door het bos uit halfverharding met leem.
Aan het Riddershofpad ligt een rustpunt met twee picknicktafels, een natuurspeeltuin, fietsnietjes en enkele lindes. Ook bij het Kransbos is een rustpunt met picknicktafels, daar waar het historische pad een knik heeft.
Parkeren
In het Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders zijn en worden geen parkeervoorzieningen voor gemotoriseerde voertuigen voorzien. Bij de rustpunten in het gebied worden mogelijkheden gecreëerd om een fiets te stallen.
5.1.3 Water & watersystemen
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg
Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. Gemeente Tilburg wil dat de stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom moet de stad leefbaar blijven tijdens hittegolven, regenwater geen schade veroorzaken en de Tilburgse bodem niet verder uitdrogen. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe Tilburg samenwerkt aan een Koel Tilburg.
Tilburg vindt dat ieder initiatief moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven, heeft de gemeente zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld.
De zes doelstellingen zijn:
Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied.
Robuuste groen- blauwe structuren.
Een koele woonomgeving.
Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld.
Klimaatbestendige bedrijventerreinen.
Klimaatbewustwording en Koel gedrag.
De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2024 - 2027.
Waterhuishouding
Op basis van gegevens uit onlinebronnen (DINO loket, Grondwatertools), reeds uitgevoerde onderzoeken en eigen onderzoek (grondboringen en grondwatermonitoring) is door BOOT een beeld geschetst van het grondwatersysteem en (de wisselwerking met) het oppervlaktewatersysteem (zie Bijlage 4).
Hydrologisch gezien kan worden gesproken van een gebied met een hoge grondwaterdynamiek, door de invloed van een min of meer aaneengesloten leemlaag. In de winterperiode is sprake van een zeer hoge grondwaterstand en in de zomer van een lage grondwaterstand, tot wel 3,5 m-mv. Het systeem is op hoofdlijnen eenduidig met op kleinere schaal (op meters uiteen) veel variatie vanwege de heterogene bodemopbouw. Er is een relatief dicht slotenpatroon aanwezig.
Geohydrologisch systeem
De leemlaag in de ondergrond is beperkt waterdoorlatend. Het regenwater dat in de bodem infiltreert stroomt grotendeels boven de leemlaag af en wordt afgevangen door de sloten in het gebied. De geïsoleerde sloten in het centrale deel zijn in feite zaksloten: hiervandaan stroomt het regenwater via de tussenzandlagen, met grote vertraging in de leemlaag, vaak via horizontale omwegen, naar het onderliggende watervoerend pakket. Het grondwater in dit eerste watervoerend pakket stroomt in noordoostelijke richting, vanuit Tilburg richting De Brand. Het maaiveld neemt geleidelijk af in die richting van circa NAP +12,5 m (Zwaluwenbunders) naar NAP +7,5 m (De Brand). De ondiepe leemlaag eindigt nabij De Brand. Ter plaatse van De Brand treedt kwel op: het grondwater komt hier deels omhoog.
Aanwijzingen voor veengroei zijn niet gevonden. Dit duidt er waarschijnlijk op dat oorspronkelijk water wel periodiek, maar niet permanent stagneerde, en goed kon afvoeren, via de natuurlijke oppervlaktegradiënt, en door infiltratie.
Op de plek waar twee diepe leidingen het gebied doorkruisen lijkt de leemlaag (deels) doorbroken. Lokaal wijkt de waterhuishouding dus af van wat hierboven beschreven is. In het droge seizoen is de ligging van leidingen zichtbaar in de graslandvegetatie door symptomen van droogtestress.
Hoge grondwaterdynamiek
In de huidige situatie is er een grote fluctuatie in de grondwaterstanden. De wintergrondwaterstanden liggen op sommige locaties hoger dan de regionale grondwaterstanden en zijn in sommige gevallen te typeren als schijngrondwaterspiegels bovenop slecht doordringbare leemlagen. In natte perioden kan bij pieken het basenhoudend (schijn)grondwater dicht aan het maaiveld komen te staan: 0,1 m-mv in het zuidwesten en 0,0 m-mv in het oosten. Bij een hoge grondwaterstand is de bodem al grotendeels verzadigd. Hierdoor kan het hemelwater niet de bodem in trekken maar stagneert het op het maaiveld. Naast stagnerend hemelwater treedt inundatie ook op als gevolg van grondwaterstanden boven het maaiveld.
In droge perioden kan het grondwater wegzakken tot 3,5 m onder maaiveld. Dit betekent dat de zandlaag boven de leemlaag in de zomerperiode droogvalt, in sommige gevallen tot november. Ondanks de diepe grondwaterstand gedurende de zomer irrigeren de agrariërs de landbouwgronden niet. De bodem is opgebouwd uit lemig zand met daaronder een leemlaag. Lemige gronden kenmerken zich door de grote capillaire werking en een hoog vochtpercentage. Hierdoor kunnen de planten nog voldoende water vanuit de bodem opnemen tijdens droge zomers.
Poelen, geïsoleerd van grondwatersysteem
In Zwaluwenbunders liggen diverse poelen. Deze 'hangen' op de aanwezige leemlagen, en communiceren niet met de regionale hoogten van het grondwater. Een deel van de poelen staat in verbinding met greppels. Het waterpeil in de poelen beweegt niet mee met het grondwater. Er bestaat variatie in de manier waarop het waterpeil in de poelen samenhangt met de ondergrond en diepere (schijn)grondwaterspiegels. Voor de waterhoudendheid van een poel zijn de aanwezigheid van een leemrijke bodem en de inhoud van de poel van groter belang dan de maaiveldhoogte: het water in de poel staat immers los van het grondwater.
In de waterschapsverordening is de volgende regeling opgenomen voor onder andere poelen:
Artikel 2.110 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, geldt niet voor het aanleggen, verbreden of verdiepen van een oppervlaktewaterlichaam niet zijnde a- of b-wateren, buiten de beschermingszone bij een a-water en buiten beschermd gebied, attentiegebied en beekdal, als daardoor geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, geldt niet voor het aanleggen van een poel, als deze:
een oppervlakte heeft van maximaal 5.000 m2;
niet dieper is dan de gemiddeld laagste grondwaterstand;
maximaal 1,20 meter diep is;
aan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:5; en
aan de andere zijden dan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:3.
Oppervlaktewater
Aan de randen van het wijzgingsgebied vindt afwatering plaats via perceelsloten naar het stelsel van hoofdwatergangen van het waterschap. De B-watergangen zijn aangesloten op de Kasteelloop (A-watergang) en de watergang langs de Waalwijksebaan, die later ook aantakt op de Kasteelloop. De B-watergangen staan met de Kasteelloop in verbinding door duikers.
Als onderdeel van het ontginningsproces zijn gronden perceelsgewijs geëgaliseerd. Daarbij ligt het maaiveld in het midden van de percelen vaak wat hoger ten opzichte van de randen. Bij veel neerslag kan daardoor eventueel water over het maaiveld naar de sloten afstromen.
In het centrale gedeelte kan het water niet worden afgevoerd omdat veel van de watergangen zijn afgedamd tot het maaiveldniveau. Er lijken geen duikers aanwezig, waardoor het oppervlaktewatersysteem bestaat uit veel losse watergangen. De watergangen functioneren als zaksloten; neerslag en oppervlakkig afstromend water blijft in de watergangen staan en infiltreert zo langzaam in de bodem. Gedurende de natte periode resulteert dit in een hoog oppervlaktewaterpeil en daardoor ook een hoge grondwaterstand. Als de sloten volstaan, kan het maaiveld tijdelijk inunderen. Door de dammen/onderbrekingen van de watergangen is het watersysteem niet één systeem maar betreft het vele kleinere, opzichzelfstaande systemen.
Fietspad
Het nieuwe fietspad zal worden uitgevoerd met halfverharding. Een deel van het regenwater kan infiltreren door de halfverharding; het overige regenwater zal afstromen naar de berm. De invloed van het fietspad op de waterhuishouding is hierdoor zeer beperkt.
Indicatie beschikbare waterberging
De beschikbare waterberging in de huidige situatie is indicatief bepaald door middel van het AHN 4 DTM 0,5. In de huidige situatie is de totale waterberging binnen het wijzigingsgebied 42.300 m2.
Relatie met het omgevingsplan
In Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders worden de volgende kansen voor hydrologie gezien:
Door een min of meer aaneengesloten leemlaag heeft dit gebied een hoge grondwaterdynamiek, met voor dit gebied kenmerkende hoge grondwaterstanden tijdens perioden met neerslagoverschot zodat ook een waterbuffer aanwezig is ten tijde van drogere periodes. Dit laat onverlet dat de bodem ook in dit gebied bij langdurige droge periodes kan uitdrogen.
Poelen kunnen onafhankelijk van grondwater worden gerealiseerd, leemrijke bodems zijn van belang, alsmede het volume om ook open water te behouden.
Meer water vasthouden en waterberging.
Maatregelen om de verontreiniging van oppervlakte- en grondwater te verminderen.
Kasteelloop: optimaliseren van het functioneren van deze watergang door het aanpassen van het profiel.
Op agrarische percelen kan door verbeteren van de bodemkwaliteit worden bijgedragen aan de sponswerking ervan.
Poelen
Om het aantal voortplantingsbiotopen voor Kamsalamander en Boomkikker is voor het gebied Zwaluwenbunders de realisatie van een netwerk van minimaal tien geschikte voortplantingsbiotopen vereist, bestaande uit:
Drie zogenaamde A-basisbiotopen.
Minimaal vijf poelen in te richten als B-basisbiotoop.
Minimaal twee 'overige' poelen.
De locaties voor de poelen zijn vastgelegd in deze wijziging van het omgevingsplan. De inrichtingseisen voor deze biotopen worden nader uitgewerkt in het transitieplan voor Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders.
Groenblauwe dooradering
Voor het leveren van diverse landschapsdiensten (diensten geleverd door de natuur waar mensen gebruik van maken. Voorbeelden zijn vitale biodiversiteit van het landelijk gebied, versterken natuurnetwerk met ecologische verbindingen, het zuiveren van oppervlaktewater, natuurlijke plaagonderdrukking, bestuiving, gezonde bodemvruchtbaarheid en bodemfauna, CO2-opslag) inclusief het optimaal ecologisch functioneren van een natuurinclusief agrarisch landschap is een Groenblauwe Dooradering (GBDA) van significant belang. Dit netwerk van natuurlijke elementen in het agrarische landschap bestaat uit houtige elementen (zoals houtwallen), grazige elementen (zoals bloemrijke randen) en natte elementen (zoals natuurvriendelijke oevers van beken).
In dit kader worden de aanwezige waterlopen voorzien van natuurvriendelijke oevers.
Een overkoepelend nat netwerk van poelen en natuurvriendelijke oevers draagt bij aan een klimaatrobuust landschap en voorziet tevens in de urgente uitbreiding van het leefgebied van de kamsalamander.
5.1.4 Natuur en ecologie
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet en is grotendeels bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen.
5.1.4.1 Natura 2000
Het natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de grenzen van een natura 2000-gebied of die significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied vallen onder een 'Natura 2000-activiteit' en zijn vergunningsplichtig. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit te worden onderzocht. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Stikstofdepositie
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening voor de realisatiefase (zie Bijlage 5) uitgevoerd. In de realisatiefase wordt stikstofdepositie veroorzaakt vanwege het gebruik van dieselmaterieel tijdens de werkzaamheden en de uitstoot van het bouwverkeer. Bij het gebruik van dieselmaterieel komt NOx en NH3 vrij. De uitstoot is afhankelijk van het brandstofverbruik, het aantal draaiuren, het motorische vermogen en de stageklasse van het materieel. Hierin zijn het aantal draaiuren en het motorische vermogen van het materieel projectafhankelijk.
Daarnaast worden gedurende de realisatie voertuigen ingezet voor het transport van materieel van en naar de bouwlocatie.
Met ingang van Aerius 2024 moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen. Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stilgestaan heeft en kan gelden voor:
Motorvoertuigen van werknemers wanneer deze langer dan 2 uur geparkeerd zijn;
Middelzware en zware vrachtwagens die bij laden en lossen de motor afzetten en waarvan de laad- en lostijd meer dan 2 uur bedraagt.
Voor de realisatiefase is het maximale berekende resultaat 0,05 mol/ha in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Daarnaast vindt er stikstofdepositie plaats in de Natura 2000-gebieden Kampina & Oisterwijkse Vennen (0,01 mol/ha) en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (0,01 mol/ha).
Hersteldoelhexagonen
Op 17 juni 2024 heeft de Raad van de EU de Natuurherstelwet goedgekeurd. Hiermee geldt een natuurherstelverplichting in alle Europese landen. In de afgelopen jaren zijn in Nederland habitats verdwenen - en niet op een andere locatie voor hetzelfde oppervlak teruggekomen. Nederland moet deze natuur dus herstellen.
Hierom wordt sinds de release van Aerius 2024 bij elke Aeriusrapportage ook een rapportage met hersteldoelhexagonen meegestuurd.
Uit deze rapportages blijkt dat het project geen hersteldoelhexagonen raakt.
Relatie met het omgevingsplan
Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders ligt ten zuiden en zuidoosten van Natura 2000-gebied 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen. Het dichtst bij de Zwaluwenbunders ligt het Natura 2000-deelgebied 'natte natuurparel De Brand' op ruim een kilometer.
Door de herontwikkeling van Zwaluwenbunders wordt een bufferzone gecreëerd die de ecologische kwaliteiten van het Natura 2000-gebied versterkt. Dit helpt bij het behoud van zeldzame habitats en soorten, en draagt bij aan de Europese doelstellingen voor natuurbehoud.
Omdat er een tijdelijke toename van stikstof depositie berekend wordt, is verder onderzoek naar emissie verlagende maatregelen en/of een nadere ecologische beoordeling nodig om significante negatieve effecten op de Natura 2000 -gebieden uit te sluiten.
5.1.4.2 Natuurnetwerk Brabant (NNB)
Tevens vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de Omgevingsverordening en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.
Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe waarden streeft de provincie naar een samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Binnen Groenblauwe waarden geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem.
Relatie met het omgevingsplan
De bosgebieden binnen Zwaluwenbunders en een deel van de poelen met omliggende begroeiing maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Ook een strook natuur met poelen, ruig grasland en struweel langs de Burgemeester Bechtweg maakt deel uit van het NNB.
Daarnaast is sprake van een door de provincie beleidsmatig vastgelegde ecologische verbindingszone (EVZ) die deels in de Zwaluwenbunders ligt. Deze loopt van de bossen in het zuiden van Zwaluwenbunders in noordoostelijke richting via watergangen en poelen naar De Brand bij Udenhout.
5.1.4.3 Soortenbescherming
In het wild levende planten en dieren zijn beschermd onder de wet. Bij handelingen of werkzaamheden die effect hebben op deze soorten zal vergunning voor een 'flora en fauna-activiteit' aangevraagd moeten worden. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats.
Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn.
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern.
Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn.
Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Quickscan Flora en Fauna
Door Buiting Advies is medio 2023 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie Bijlage 6). Middels een bronnenonderzoek is onderzocht wat bekend is over de aanwezigheid van beschermde soorten of beschermde verblijfplaatsen binnen het wijzigingsgebied en in de directe omgeving daarvan. Hierbij vormde de Nationale database Flora en fauna één van de belangrijkste bronnen. Daarnaast is door ecologen op meerdere dagen verkennend onderzoek uitgevoerd. Daarbij zijn graslanden, akkers, bosjes en landschapselementen langs en doorgelopen waarbij gelet is op aanwezigheid van beschermde soorten of verblijfplaatsen dan wel sporen die daar op wijzen. De onderzoeken zijn aangevuld met een voorjaarsveldbezoek door twee ecologen. Op die dag zijn aanwezige bossen volledig doorkruist om een beeld te krijgen van de ecologische kwaliteiten en eventuele aanwezigheid van voorjaarsflora. Tevens zijn poelen bemonsterd met een net en monsters genomen ten behoeve van e-DNA-analyse.
Door het combineren van de resultaten van het bronnenonderzoek en de veldbezoeken is ingeschat of de voorgenomen werkzaamheden zouden kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen.
Relatie met het omgevingsplan
In onderstaande tabel worden de bevindingen per soortgroep weergegeven. Het gaat hier specifiek over de niet door de provincie vrijgestelde soorten.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402011.png)
In gebruik zijnde nesten van vogels mogen nooit worden beschadigd, vernield of verstoord. Het is aan te raden werkzaamheden die daartoe kunnen leiden, ruim buiten de indicatieve broedtijd van vogels (1 maart-31 juli) uit te voeren. Geadviseerd wordt om tijdens de werkzaamheden de algehele zorgplicht in acht te nemen. Als basis hiervoor wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen waarbij met alle (mogelijk) voorkomende soorten rekening wordt gehouden.
Aanvullend onderzoek
Op basis van de quickscan flora en fauna heeft Buiting Advies een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar beschermde soorten in het wijzigingsgebied (zie Bijlage 7).
In dit geval gaat het om de volgende vogelsoorten met een jaarrond beschermde nest: ransuil, buizerd, havik en sperwer, waarvoor het wijzigingsgebied geschikt is bevonden als voortplantings- en/of rustplaats en als essentieel foerageergebied. Daarnaast is het gebied geschikt bevonden voor een aantal zoogdieren, het betreft hier: das, eekhoorn, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Mogelijk wordt het wijzigingsgebied door deze diersoorten gebruikt als voortplantings- en/of rustplaats. De poelen die aanwezig zijn, worden bewoond door de wettelijk beschermde kamsalamander en mogelijk de grote modderkruiper. Door de omvorming van het wijzigingsgebied kan het voorkomen dat er plantensoorten in het geding komen die gebruikt worden door de Teunisbloempijlstaart als waardplant. Er zijn in het wijzigingsgebied geen enorme clusters aan waardplanten, maar gezien de 'opkomst' van de soort vanuit Limburg is het mogelijk dat de soort er voorkomt.
Relatie met het omgevingsplan
Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat het wijzigingsgebied voor verschillende van deze soorten een belangrijke rol speelt in de instandhouding van hun (essentiële) leefgebied en voortplantings- en/of rustplaatsen. Er zijn verschillende soorten die als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden in het geding komen. De voorgenomen werkzaamheden zijn ten aanzien van deze soorten in strijd met de relevante verbodsartikelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Om dit te voorkomen, dient er voor de volgende soorten een omgevingsvergunning bij het bevoegd gezag te worden aangevraagd:
Roofvogels: Buizerd, havik en sperwer
Uilen: Ransuil
Zoogdieren: Das, steenmarter en bunzing
Amfibieën: Kamsalamander
De overige soorten die zijn onderzocht tijdens het aanvullend onderzoek komen naar alle waarschijnlijkheid niet in het geding door de voorgenomen werkzaamheden. Overtreding van het Bal ten aanzien van de volgende soorten is vrijwel uitgesloten:
Zoogdieren: Eekhoorn, hermelijn en wezel
Vissen: Grote modderkruiper
Insecten: Teunisbloempijlstaart
Hoewel de levendbarende hagedis niet is opgenomen in het aanvullende onderzoek als een te onderzoeken soort, is de soort wel waargenomen in de natuurgordel van het wijzigingsgebied. Gezien de leefwijze van de levendbarende hagedis is het zeer aannemelijk dat de natuurgordel wordt gebruikt als voortplantings- en/of rustplaats voor de soort. Bovendien kunnen de aanwezige sloten als essentieel leefgebied voor de hagedis worden beschouwd. Het omvormen van de 'natuurgordel' zal daarom leiden tot verlies van voortplantings- en/of rustplaatsen. Om overtreding van het Bal)ten aanzien van de levendbarende hagedis te voorkomen, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag.
5.1.4.4 Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij flora- en fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt. Wanneer de zorgplicht aan de orde is dient de gemeente hiervan te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezorgd worden naar een oplossing.
5.1.5 Bomenverordening
Bomenverordening 2024 en beleidsregels Bomen 2024
De Bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 bieden het particuliere en gemeentelijke bomenbestand bescherming met een velverbod met bijbehorende regels (vellen = rooien, kappen, verplanten of snoeien van meer dan 20% van de kroon of wortels). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime (zie BWZ-kaart en de KMBT). Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van de Bomenverordening en beleidsregels.
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Deze kaart geeft alle huidige openbare en particuliere houtopstanden in de gemeente Tilburg een waarde; er zijn zones met houtopstanden met een klimaat- , eco- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor bomen in deze zones zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria opgesteld o.a. over het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), compensatieverplichting en straatbeeld.
Hoog beschermingsregime: monumentale bomen en bomen met een klimaat- of ecowaarde. Het is in principe verboden deze bomen te vellen. Een vergunning wordt alleen afgegeven als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de boom.
Normaal beschermingsregime: dit zijn bomen met een basiswaarde of in de buiten-zone. Een omgevingsvergunning voor het vellen van deze bomen wordt verleend, tenzij er weigeringsgronden zijn op basis van natuur- en milieuwaarde, landschappelijke waarde, waarde voor straat- of stadsbeeld cultuurhistorische waarde, waarde voor recreatie of klimaatadaptieve waarde.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402012.png)
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402013.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402013.png)
Uitsnede boomwaarde zoneringskaart
Binnen het wijzgigingsgebied zijn ecowaarde, basiswaarde, buien-zone en bebouwingscontour houtkap aanwezig.
Kaart Monumentale Bomen (KMBT)
Op de KMBT staan alle monumentale bomen in de gemeente Tilburg (particulier en gemeentelijk). Voor deze bomen zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria en regels opgesteld, waardoor ze voldoende juridische bescherming krijgen. Monumentale bomen vallen onder het eerder genoemde hoge beschermingsregime. Daarnaast hebben gemeentelijke monumentale bomen een hoge prioriteit bij het gemeentelijk beheer en onderhoud.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402014.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402014.png)
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402015.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024013-e001_402015.png)
Uitsnede kaart monumentale bomen
Binnen het wijzigingsgebied zijn geen monumentale bomen aanwezig.
Omgevingswet: bescherming houtopstanden buiten de bebouwde kom
Naast de bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 kunnen de rijksregels volgens de Omgevingswet over vellen van bomen gelden. Deze rijksregels zijn van kracht in het buitengebied van Tilburg. Wat er precies onder buitengebied valt, is vastgelegd met de bebouwingscontour kap (deze wordt vastgesteld door de gemeenteraad). Waar deze contour/grens precies ligt, is op de boomwaarde zoneringskaart terug te vinden.
Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten de bebouwingscontour kap staan (dus in het buitengebied), geldt op grond van de rijksregels over vellen een verplichting; bij velling van groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij vellingen in een rij van meer dan 20 bomen geldt een meld- en herplantplicht bij het bevoegd gezag. Dit kan bijvoorbeeld de provincie zijn of het ministerie van LNNV. Zij kunnen een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de rijksregels de eis dat er ook weer een gelijk aantal bomen worden teruggeplant. Veel Tilburgse bossen maar ook andere terreinen met veel bomen vallen onder de rijksregels over vellen. Voor bossen en andere terreinen die binnen de bebouwingscontour vallen (dus in het stedelijk gebied), zijn de rijksregels niet van kracht, maar de Bomenverordening 2024.
In de buiten-zone (van de BWZ-kaart) kunnen naast de rijksregels ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen in de buiten-zone dus naast elkaar van toepassing zijn.
Relatie met het omgevingsplan
Er worden geen bomen gekapt die met de bomenverordening beschermd worden.
5.1.6 Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie
In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed. Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken.
Voor een deel van het wijzigingsgebied is een archeologisch vooronderoek uitgevoerd (zie Bijlage 8).
Uit dat onderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied wordt gekenmerkt door een grote ruimtelijke variatie aan bodemtypen over korte afstand, hetgeen indicatief is voor een landschap met een kleinschalig reliëf. Een reliëf dat over grote oppervlakken is genivelleerd als gevolg van grondverzet in de afgelopen eeuwen, waardoor een groot oppervlak van het onderzochte deel van het plangebied gekenmerkt wordt door enkeerdgronden of een dikke A-horizont (dikker dan 50 cm). Met name op de hoogste delen van het oorspronkelijke landschap is het bodemprofiel onthoofd als gevolg van grondbewerking, resulterend in vaaggronden. Terwijl het oppervlaktereliëf een vrij grootschalig dekzandreliëf doet vermoeden met relatief grote, aaneengesloten dekzandruggen/opduikingen, blijkt uit het booronderzoek dat ook binnen de hogere delen nattere zones voorkomen met natte bodemprofielen. Deels zijn deze natte zones opgevuld met zwarte grond (‘esdek’) en daardoor niet als zodanig herkenbaar. Sprake is van versnipperd, geaccidenteerd dekzandlandschap, zonder markante hoogtegradiënten en daardoor waarschijnlijk relatief nat (matige afvoer van grond- en opper vlaktewater).
Binnen het wijzigingsgebied bevindt zich nog één beschermenswaardige vindplaats, te weten vindplaats 413812 waar een concentratie zeer grof aardewerk uit de Midden Bronstijd is aangetroffen in een prehistorisch grondspoor op een dekzandrug ten zuiden van de Bundersestraat.
Voor het overige kunnen de gronden ten zuiden van de Bundersestraat, voor zover gelegen binnen het wijzigingsgebied, grotendeels worden aangemerkt als gebieden met 'middelhoge verwachting' voor Steentijd-Late Middeleeuwen en voor het overige 'lage verwachting' en 'lage verwachting, alle perioden'.
De grond ten noorden dan de Bundersestraat kunnen voor het overgrote deel worden aangemerkt met 'age verwachting voor alle perioden', voor een beperkt deel met 'lage verwachting' en voor een heel klein deel 'middelhoge verwaching voor archeologische resten in natte contexten in alle perioden'. Dit laatste gebiedje is gelegen ten noorden en direct aansluitend aan de Burgemeester Bechtweg.
Doorwerking in het omgevingsplan
De aanwezige archeologische waarden zijn middels een functie Waarde - Archeologie opgenomen in dit omgevingsplan.
Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Omgevingswet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe worden aangezet om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen.
Relatie met het omgevingsplan
In het wijzigingsgebied zijn geen beschermingswaardige cultuurhistorische objecten/structuren of historisch groen aanwezig.
5.2 Milieu & gezondheid
5.2.1 Mer-beoordeling
De milieueffectrapportage (MER) is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De MER is geregeld in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. In een project-mer-beoordeling (artikel 16.43 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden, en of er daarmee een noodzaak is tot het opstellen van een MER.
De beoogde ontwikkeling kan worden aangemerkt als een landinrichtingsproject, zoals dat is opgenomen in bijlage V van het omgevingsbesluit onder nummer J12.
Landinrichtingsprojecten zijn projecten waarbij de inrichting van het landelijk gebied wordt aangelegd in overeenstemming met de functies van dat gebied. Deze functies zijn natuur (bos(bouw), landschap), recreatie (openluchtrecreatie, cultuurhistorie) en landbouw (tuinbouw, intensieve veehouderij). Er geldt geen drempel voor de mer-plicht. Het aangewezen besluit is het omgevingsplan.
In de project-mer-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een project-mer-beoordeling kan leiden tot twee conclusies:
Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.
De initiatiefnemer beschrijft in zijn mededeling aan het bevoegd gezag de milieueffecten van het voornemen. In de praktijk wordt de mededeling vaak in de vorm van een aparte notitie geschreven (aanmeldnotitie, zie Bijlage 9). De mededeling is vormvrij, maar er zijn wel eisen aan de inhoud. Deze eisen in bijlage III bij de mer-richtlijn zijn omgezet naar artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Hierbij moet rekening worden gehouden met de drie hoofdcriteria (de kenmerken van de activiteit, de plaats van de activiteit en de kenmerken van de potentiële effecten van de activiteit) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn.
Relatie met het omgevingsplan
Op bais van de uitgevoerde beoordeling zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van het planvoornemen. Wel dient in het kader van mogelijke negatieve effecten op natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie nader onderzoek naar emissie verlagende maatregelen en/of een nadere ecologische beoordeling uitgevoerd te worden om significante negatieve effecten uit te sluiten.
5.2.2 Activiteiten en milieuzonering
De Omgevingswet stimuleert een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daarbij worden ruimtelijke thema's en milieuthema's verder geïntegreerd. Op gemeentelijk niveau vindt deze integratie vooral plaats in het omgevingsplan. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Een gezonde en veilige leefomgeving voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies, zoals woningen.
Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van woningen en andere milieugevoelige gebouwen. Milieuzonering wordt enerzijds toegepast met het oog op de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en anderzijds met het oog op het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving.
Relatie met het omgevingsplan
Binnen het wijzigingsgebied wordt geen nieuwe bedrijvigheid gesitueerd. Het omgevingsplan maakt ook geen functies mogelijk die gevoelig zijn voor bedrijvigheid in de omgeving van het wijzigingsgebied. Het aspect activiteiten en milieuzonering legt geen belemmeringen op aan het voorliggende initiatief.
5.2.3 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid)
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op bedrijven, transportroutes en buisleidingen.
Conform artikel 5.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het plaatsgebonden risico de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Conform artikel 5.7, eerste lid van het Bkl wordt in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Conform artikel 5.11, eerste lid van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties.
Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico's overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit. Plaatsen met een gelijk PR worden op een kaart door middel van een PR-contour weergegeven. Binnen de PR 10-6 per jaar contour is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit dus groter dan 1 op de 1.000.000 per jaar
Conform artikel 5.15, eerste lid van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Conform artikel 5.15, tweede lid van het Bkl wordt aan artikel 5.15, eerste lid van het Bkl in ieder geval voldaan als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied:
geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; of
waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt:
dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of
dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.
Wat wordt verstaan onder beperkt kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare locaties, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen, is vastgelegd in Bijlage VI van het Bkl.
Het groepsrisico (GR) geeft de kans weer waarbij een groep van tien of meer personen tegelijkertijd om het leven komt door een ongeval bij een activiteit met externe veiligheidsrisico's. De waarde voor het GR wordt in een grafiek weergegeven met een fN-curve.
In de grafiek wordt het aantal dodelijke slachtoffers (N) op de horizontale as uitgezet tegen de cumulatieve frequentie per jaar (f) op de verticale as. In de grafiek wordt ook de oriëntatiewaarde (OW) weergegeven. Dit is de waarde voor het GR weergegeven door de lijn (f x N2 = 10-2 per jaar) die de punten met elkaar verbindt waarbij de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers 10-4 per jaar, de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers 10-6 per jaar en de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers 10-8 per jaar is.
Transportroutes
De Burgemeester Bechtweg (N261) is opgenomen in de routering van gevaarlijke stoffen in Tilburg. Deze weg heeft geen 10-6-risicocontour.
Buisleidingen
Binnen het wijzigingsgebied zijn drie buisleidingen gelegen. Deze leidingen zijn daarmee relevant voor dit TAM-omgevingsplan en zijn op de verbeelding weergegeven. Het betreft de volgende leidingen: twee leidingen (24 en 36 inch) die brandbare vloeistoffen en aardolieproducten van de K1-categorie van Rotterdam naar het Ruhrgebied (D) transporteren. Daarnaast ligt binnen het wijzigingsgebied een PRB-leiding (8 inch) waarmee nafta (K1-categorie) van Rotterdam naar het Chemelot complex vervoerd wordt.
|
Leidingbeheerder |
Leidingnr. |
Diameter (inch) |
Ontwerp- |
10-6 risicocontour (meter) |
Invloedsgebied (meter) |
|
RRP |
n.v.t. |
36 |
43 |
32,6 |
43 |
|
RRP |
n.v.t. |
24 |
62 |
25,4 |
36 |
|
PPS |
n.v.t. |
8 |
80 |
13 |
31 |
Plaatsgebonden risico
Voor de leidingen gelden de volgende plaatsgebonden risicocontouren:
Voor de 24" RRP-leiding geldt een PR 10-6 van 25,4 meter.
Voor de 36" RRP-leiding geldt een PR 10-6 van 32,6 meter.
Voor de PRB-leiding geldt een PR 10-6 van 13 meter.
De PR 10-6-contour is een grenswaarde voor het mogelijk maken van kwetsbare objecten mogelijk maken. De 10-6-contour is een richtwaarde voor bestemmingen die beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken. Binnen de PR 10-6-contour geldt een motiveringsplicht voor beperkt kwetsbare objecten.
Groepsrisico
Voor de leidingen gelden de volgende effectafstanden 1% letaal: Voor buisleidingen wordt normaal gezien de effectafstand 1% letaal als invloedsgebied aangehouden.
Voor de 24" RRP-leiding: 36 meter.
Voor de 36" RRP-leiding: 43 meter.
Voor de PRB-leiding: 31 meter.
Ten aanzien van de hoogte van het groepsrisico voor deze drie leidingen geldt voor leidingen met lichtere brandstoffen (K1) dat de rand van de plas bepalend is (ook al is de maximale warmtestraling minder dan 35 kW/m²). De omvang van het effectgebied strekt zich maximaal enkele meters buiten de PR 10-6-contour als gevolg van het risicoscenario plasbrand. Ten aanzien van de hoogte van het groepsrisico voor brandstofleidingen is berekend dat voor leidingen met lichte brandstoffen buiten de PR 10-6 het aantal van 10 slachtoffers niet gehaald wordt voor dichtheden tot 255 personen per hectare (36 inch, 100 bar). Voor dit type leiding is dus geen sprake van een significant groepsrisico.
De belemmerende strook bedraagt 5 meter aan weerszijden van elk van de leidingen.
Relatie met het omgevingsplan
De Burgemeester Bechtweg (N261) heeft geen 10-6-risicocontour. Voor het groepsrisico van deze weg geldt dat ter hoogte van het wijzigingsgebied geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. In dit omgevingsplan worden geen (zeer) kwetsbare functies mogelijk gemaakt, waardoor geen sprake is van toename van het groepsrisico.
Binnen de PR 10-6-contour van de RRP-leiding bevinden zich geen zeer kwetsbare, kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen en ook geen kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. Ook worden dergelijke gebouwen en locaties niet mogelijk gemaakt met het omgevingsplan.
Het voorliggende TAM-omgevingsplan zorgt niet voor een toename van het aantal personen binnen het het invloedsgebied van de leidingen. Daarmee neemt het groepsrisico niet toe.
5.2.4 Geluid
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet inwerking getreden. De regels met betrekking tot het geluid vanwege weg- en railverkeerslawaai zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsregeling (Or). De geluidregelgeving is van toepassing op de beheersing van het geluid afkomstig van bedrijven, wegen en spoorwegen bij geluidgevoelige gebouwen.
Relatie met het omgevingsplan
Het voorliggende TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk en voorziet evenmin in de realisatie van geluidproducerende functies. Daarmee is het aspect geluid niet relevant voor dit omgevingsplan.
5.2.5 Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden.
Relatie met het omgevingsplan
Het voorliggende TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe functies mogelijk die bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee draagt het plan in niet betekenende mater bij aan luchtverontreiniging.
5.2.6 Geur
De regels ten aanzien van geur zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat daarbij om zowel industriële geur als geur vanwege agrarische bedrijven. Artikel 5.92, eerste lid Bkl schrijft voor dat de gemeente in het omgevingsplan rekening moet houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
Relatie met het omgevingsplan
Het voorliggende plan maakt geen nieuwe geurgevoelige of geurproducerende functies mogelijk.
5.2.7 Bodem
In het kader van de realisatie van klimaatlandgoed “Zwaluwenbunders” wordt momenteel in opdracht van de gemeente Tilburg in 2025 een bodemonderzoek uitgevoerd binnen het wijzigingsgebied. Daarbij wordt deels uitgegaan van het actualiseren van eerder uitgevoerde onderzoeken, aanvullende analyses in het kader van SKAL (bestrijdingsmiddelen) en PFAS en het in beeld brengen van die delen waar nog geen beeld is van de milieuhygiënische kwaliteit. Het gaat daarbij om grond, grondwater en de waterbodems van watergangen en bestaande vennen.
Ter plaatse zijn bij eerder onderzoek enkele verdachte locaties bekend geworden, zoals een puinpad in de zuidoostelijke hoek, een puinverharding ter plaatse van Bunderseweg 40 en een erfverharding. Ter plaatse van deze deellocaties worden geen werkzaamheden of contactmogelijkheden voor wandelaars voorzien en wordt hier geen onderzoek uitgevoerd.
De veldwerkzaamheden zijn op dit moment voor 90% gereed. Het bodemonderzoek (Bijlage 10) wordt toegevoegd zodra de eindrapportage gereed is.
Grond(water)
Ter plaatse van deellocatie D, voormalige gronddepot (ten noorden van de Burg. Bechtweg, ter hoogte van de loze afslag) is een sterk verhoogd gehalte aan lood gemeten. Vermoedelijk betreft het hier een piekmeting welke niet representatief is voor de werkelijke bodemkwaliteit. Dit wordt momenteel nader onderzocht. Verder zijn geen sterke verontreinigingen in grond, waterbodem en grondwater geconstateerd.
Waterbodem
Alle tot nu toe onderzochte waterbodem valt in de categorie “vrij toepasbaar”; Er gelden dus geen beperkingen.
PFAS
PFAS is alleen in twee mengmonsters iets verhoogd aangetoond (klasse wonen/industrie) voor het overige voldoet de (water)bodemkwaliteit voor PFAS aan landbouw/natuur.
Bestrijdingsmiddelen
Plaatselijk zijn in enkele monsters zeer licht verhoogde gehalten aan dieldrin en glyfosaat gemeten. Voor deze parameters bestaan geen toetsingsnormen, maar gezien de lage gehalten lijken deze geen risico's te vormen.
Asbest
In geen van de monsters is asbest verhoogd aangetoond.
Relatie met het omgevingsplan
Op basis van de tussenresultaten kan worden geconcludeerd dat op basis van de beschikbare gegevens geen (omvangrijke) verontreiniging wordt verwacht. Tevens vormen de resultaten geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden en het toekomstig gebruik als natuurgebied en ecologische landbouw.
5.2.8 Gezondheid
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. In het Bkl zijn een aantal instructieregels opgenomen, die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorliggende paragrafen reeds gemotiveerd.
Hieruit blijkt dat de ontwikkeling een bijdrage levert aan de gezonde fysieke leefomgeving.
Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. wijzigingen van het omgevingsplan) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.
Dit houdt in dat:
wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;
kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;
met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;
nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;
de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten leiden over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
Doorwerking in het omgevingsplan
Het nieuwe TAM-omgevingsplan verbiedt de nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen expliciet. Het plan voorziet evenmin in de realisatie van gevoelige functies in het kader van een geitenhouderij.
5.2.9 Kabels en leidingen
In het projectgebied zijn de volgende kabels en leidingen gelegen:
1 brandstofleiding van Petrochemical Pipeline Services BV.
2 brandstofleidingen van (N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij.
1 380kV Hoogspanningslijn (Geertruidenberg - Eindhoven) van TenneT.
Rioolleiding van Waterschap De Dommel.
Doorwerking in het omgevingsplan
De betreffende kabels en leidingen zijn met de bijbehorende beschermingszones opgenomen in dit omgevingsplan.
Hoofdstuk 6 Artikelsgewijze toelichting
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.
6.1 Uitwerking in de regels
Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) worden de 'oude' bestemmingsplannen samen met de gedecentraliseerde rijksregels (de 'Bruidsschat') van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan voorziet in een wijziging van het omgevingsplan voor de locatie ten noorden van het bestaande bedrijventerrein Smakterheide (ten noorden van de weg De Spurkt).
Préambule
De regeling vangt aan met een préambule. Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. In de préambule wordt ook aangegeven welk hoofdstuk van het omgevingsplan het voorliggende TAM-omgevingsplan betreft.
Hoofdstuk 1 van dit TAM-omgevingsplan betreft de Algemene bepalingen en bevat drie artikelen: het toepassingsbereik, de begripsbepalingen en de meet- en rekenbepalingen.
Artikel 1 Toepassingsbereik
Doordat een TAM-omgevingsplan er niet automatisch voor zorgt dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen, moet een toepassingsbereikbepaling in het plan worden opgenomen waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels. Deze regeling is opgenomen in het eerste lid van dit artikel.
In het tweede lid is geregeld dat de regels van de bruidsschat niet van toepassing zijn op de TAM-omgevingsplanlocatie als zij strijdig zijn met de regels van het TAM-omgevingsplan. De uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 ziet op de regels over het vergunningvrij bouwen zoals die in artikel 22.36 van het omgevingsplan zijn opgenomen. Deze blijven dus wel in stand.
Het derde lid zorgt ervoor dat de plankaart van het wijzigingsgebied deel uitmaakt van het omgevingsplan. Dit is immers niet automatisch het geval onder de Omgevingswet.
Artikel 2 Begrippen
In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Met het geven van een omschrijving wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het begrip. Dit komt de uitleg van de regeling ten goede.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt uiteengezet hoe bij de toepassing van de regeling wordt gemeten.
Hoofdstuk 2 van de regeling van dit TAM-omgevingsplan betreft de Algemene regels en bevat 5 artikelen: een algemeen gebruiksverbod, de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning, de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht voor respectievelijk bouwwerken en gebruik.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Wanneer een dergelijk verbod niet is opgenomen dan betekent dit dat activiteiten zonder meer mogen worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies is namelijk onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningplichtig te maken.
Artikel 5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel. Door de in dit artikel opgenomen regeling worden de relevante aanvraagvereisten uit de paragraaf van de bruidsschat van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan.
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
Deze regeling ziet erop toe dat wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Artikel 7 Overgangsrecht bouwwerken
In dit artikel is bepaald dat dat bouwwerken die op het moment van tervisielegging van het plan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels.
Artikel 8 Overgangsrecht gebruik
Dit artikel regelt dat het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de planregels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag worden voortgezet.
6.2 Functies en activiteiten
Hoofdstuk 3 van dit TAM-omgevingsplan betreft de functies en activiteiten die binnen het wijzigingsgebied worden toegestaan en bevat 9 artikelen.
Artikel 9 Bos
De functie Bos is gelegd op de bestaande bosgebieden, en gericht op het behoud en de ontwikkeling van deze bossen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 3 meter hoog zijn, behalve tereinafscheidingen die 1 meter hoog mogen zijn. Verder is aangegeven welke aanlegactiviteiten in ieder geval toegestaan zijn en welke alleen met een omgevingsvergunnning mogen worden uitgevoerd.
Artikel 10 Bufferzone duurzame landbouw
Voor de gronden die functie Bufferzone duurzame landbouw hebben gekregen, geldt dat ingestoken wordt op natuurinclusieve landbouw. Dit is een manier van landbouw bedrijven die gericht is op het in evenwicht brengen van economische, ecologische en sociale belangen, zodat landbouw ook op de lange termijn mogelijk blijft zonder schade aan het milieu, de biodiversiteit of de gezondheid van mens en dier.
Er zijn enkele locaties aangewezen waar poelen zijn voorzien. Indien deze poelen worden aangelegd dan dienen die minimaal de in de regels voorgeschreven omvang te hebben (500 m2 respectievelijk 1000 m2).
Gebouwen zijn enkel toegestaan voor zover het betreft gebouwen van openbaar nut. Verder zijn bouwwerk, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de toegekende functie toegestaan. Bouwwerken ten behoeve van water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogen tevens ondergronds worden gerealiseerd.
Artikel 11 Natuur
De functie Natuur heeft onder meer betrekking op de gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Deze functie is gericht op het behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden. Binnen deze functie zijn gebouwen niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn enkel toegestaan wanneer deze ten dienste van de functie staan. Er zijn enkele locaties aangewezen waar poelen zijn voorzien. Indien deze poelen worden aangelegd dan dienen die minimaal de in de regels voorgeschreven omvang te hebben (500 m2 respectievelijk 1000 m2). Verder is aangegeven welke aanlegactiviteiten in ieder geval toegestaan zijn en welke alleen met een omgevingsvergunnning mogen worden uitgevoerd.
Artikel 12 Verkeer
Binnen de functie Verkeer zijn een bestaande weg en een nieuw fietspad opgenomen. Ten behoeve van deze functie zijn bouwwerken alleen toegestaan, voor zover het betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 13 Verkeer-Verblijf
innen de functie Verkeer zijn een bestaande weg c.q. pad opgenomen. Ten behoeve van deze functie zijn bouwwerken alleen toegestaan, voor zover het betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 14 Water
Deze functie is toegekend aan de watergang Kasteelloop. Dit betreft een zogeheten A-watergang. Binnen deze functie zijn gebouwen niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn enkel toegestaan wanneer deze ten dienste van de watergang staan.
Artikel 15 Leiding - Brandstof
Binnen deze functie zijn diverse ondergrondse brandstofleidingen gelegen: een PRB-leiding, een RRP-leiding I en een RRP-leiding II. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan voor zover die ten dienste staan aan de hoogspanningsverbinding. Verder is aangegeven welke aanlegactiviteiten in ieder geval toegestaan zijn en welke alleen met een omgevingsvergunnning mogen worden uitgevoerd.
Artikel 16 Leiding - Hoogspanningsverbinding
De bestaande hoogspanningsverbinding heeft de functie Leiding - Hoogspanningsverbinding gekregen. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan voor zover die ten dienste staan aan de hoogspanningsverbinding. Verder is aangegeven welke aanlegactiviteiten in ieder geval toegestaan zijn en welke alleen met een omgevingsvergunnning mogen worden uitgevoerd.
Artikel 17 Leiding - Riool
De bestaande ondergrondse hoofdrioolpersleiding van het waterhschap heeft de functie Leiding - Riool gekregen. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan voor zover die ten dienste staan aan de rioolleiding. Verder is aangegeven welke aanlegactiviteiten in ieder geval toegestaan zijn en welke alleen met een omgevingsvergunnning mogen worden uitgevoerd.
Artikel 18 Waarde - Archeologie
Deze functie is toegekend aan de gronden die op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie de aanduiding hoog/middelhoger archeologische verwachtingswaarde hebben.
Binnen deze functie is een aanlegvergunningstelsel opgenomen waarmee archeologisch vooronderzoek verplicht wordt gesteld in het geval van werkzaamheden in de bodem met een gezamenlijke omvang groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Indien op het betreffende perceel archeologisch onderzoek is uitgevoerd en er is niets aangetroffen zal het omgevingsvergunningvereiste van het perceel worden verwijderd.
Hoofdstuk 7 Kostenverhaal
Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten.
De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:
de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;
de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;
de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;
de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.
Deze wijziging van het omgevingsplan maakt geen kostenverhaalsplichtige activiteiten mogelijk, waardoor het verhalen van kosten niet aan de orde is.
Hoofdstuk 8 Belangenafweging en conclusie
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
In het landelijk gebied spelen verschillende grote opgaven en ambities. Ruimte en middelen zijn schaars: meervoudig ruimtegebruik en een slimme ordening en een inrichting gebaseerd op de condities van de ondergrond zijn essentieel voor een duurzame toekomst van ons landschap en zijn functies. Groen om de stad draagt nadrukkelijk bij aan de aantrekkelijkheid van de stad. De gemeente Tilburg zet daarom volop in op natuurontwikkeling in combinatie met natuurinclusieve landbouw en recreatiemogelijkheden.
Voor het leveren van diverse landschapsdiensten (diensten geleverd door de natuur waar mensen gebruik van maken. Voorbeelden zijn vitale biodiversiteit van het landelijk gebied, versterken natuurnetwerk met ecologische verbindingen, het zuiveren van oppervlaktewater, natuurlijke plaagonderdrukking, bestuiving, gezonde bodemvruchtbaarheid en bodemfauna, CO2-opslag) inclusief het optimaal ecologisch functioneren van een natuurinclusief agrarisch landschap is een Groenblauwe Dooradering (GBDA) van significant belang. Dit netwerk van natuurlijke elementen in het agrarische landschap bestaat uit houtige elementen (zoals houtwallen), grazige elementen (zoals bloemrijke randen) en natte elementen (zoals natuurvriendelijke oevers van beken). In dit kader worden de aanwezige waterlopen voorzien van natuurvriendelijke oevers.
De aanleg van natuurvriendelijke oevers en poelen, de aanleg van nieuwe vegetatie en de ontwikkeling van een gezondere bodem zorgen voor meer ruimte voor water, het langer vasthouden van water en meer infiltratie. Hiermee wordt een klimaatrobuust watersysteem gerealiseerd. Zo is het gebied zelf beter beschermd tegen lange perioden van droogte (die in de toekomst vaker zullen voorkomen), biedt het systeem meer ruimte om piekbuien op te vangen en bereikt meer water via het eerste watervoerende pakket 'De Brand'.
In Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders worden de volgende kansen voor hydrologie gezien:
Door een min of meer aaneengesloten leemlaag heeft dit gebied een hoge grondwaterdynamiek, met voor dit gebied kenmerkende hoge grondwaterstanden tijdens perioden met neerslagoverschot zodat ook een waterbuffer aanwezig is ten tijde van drogere periodes. Dit laat onverlet dat de bodem ook in dit gebied bij langdurige droge periodes kan uitdrogen.
Poelen kunnen onafhankelijk van grondwater worden gerealiseerd, leemrijke bodems zijn van belang, alsmede het volume om ook open water te behouden.
Meer water vasthouden en waterberging.
Maatregelen om de verontreiniging van oppervlakte- en grondwater te verminderen.
Kasteelloop: optimaliseren van het functioneren van deze watergang door het aanpassen van het profiel.
Op agrarische percelen kan door verbeteren van de bodemkwaliteit worden bijgedragen aan de sponswerking ervan.
Een overkoepelend nat netwerk van poelen en natuurvriendelijke oevers draagt bij aan een klimaatrobuust landschap en voorziet tevens in de urgente uitbreiding van het leefgebied van de kamsalamander. Om het aantal voortplantingsbiotopen voor Kamsalamander en Boomkikker worden geschikte voortplantingsbiotopen gerealiseerd.
De hoofdentree voor fietsers vanuit Tilburg is de fietsbrug over de Burgemeester Bechtweg, die doorloopt in de bestaande primaire fietsroute Riddershofpad aan de zuidoostkant van het wijzigingsgebied. Min of meer langs de Burgemeester Bechtweg wordt een secundaire fietsroute gerealiseerd als 'oostwest' verbinding. Het gebied Zwaluwenbunders zelf is vooral bedoeld voor voetgangers. Het bestaande wandelnetwerk wordt uitgebreid, zodat afwisselende rondes van verschillende grootte kunnen worden gemaakt. Aan de oostzijde, door de 'Bosrijke rug', is het nieuwe padennetwerk intensiever. Hier kunnen diverse rondjes worden gemaakt vanuit woongebied Nieuwe warande, en vanaf het rustpunt aan het Riddershofpad. Een toekomstige nieuwe voetgangersbrug vanuit het boslandgoed in de stadsrand is een kans om dit gebied met Zwaluwenbunders te verbinden. De wandelpaden bestaan in principe uit maaipaden, gedeeltelijk uit vlonderpaden en door het bos uit halfverharding met leem.
Aan het Riddershofpad ligt een rustpunt met twee picknicktafels en een natuurspeeltuin. Ook bij het Kransbos is een rustpunt met picknicktafels, daar waar het historische pad een knik heeft. In het Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders zijn en worden geen parkeervoorzieningen voor gemotoriseerde voertuigen voorzien. Bij de rustpunten in het gebied worden mogelijkheden gecreëerd om een fiets te stallen.
Binnen het wijzigingsgebied wordt geen nieuwe bedrijvigheid gesitueerd en worden ook geen functies mogelijk gemaakt die gevoelig zijn voor bedrijvigheid in de omgeving van het wijzigingsgebied. Het voorliggende TAM-omgevingsplan zorgt niet voor een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied van de leidingen, maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk en voorziet evenmin in de realisatie van geluidproducerende functies. Tevens worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt die bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en worden geen nieuwe geurgevoelige of geurproducerende functies mogelijk gemaakt. Tot slot wordt de nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen expliciet verboden en wordt evenmin voorzien in de realisatie van gevoelige functies in het kader van een geitenhouderij.
Op het ontwerp van dit omgevingsplan zijn 5 zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen hebben wij beoordeeld in de nota van zienswijzen, die onderdeel is van de besluitvorming over dit plan.
Conclusie
Alles overwegende is de transitie van het wijzigingsgebied naar Klimaatlandgoed Zwaluwenbunders in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.