TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade (Residentie)
| Status: | ontwerp |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Motivatie
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
De gemeente Tilburg is samen met Woonzorg Nederland voornemens om aan de Hopliedenkade in Tilburg, ter plaatse van het huidge appartementengebouw 'De Residentie', een woningbouwontwikkeling te realiseren.
De ontwikkeling bestaat uit de sloop van de bestaande bebouwing en nieuwbouw van woningen in meerdere woongebouwen met een herinrichting van het openbaar gebied op de beoogde projectlocatie. Tevens wordt voorzien in publieksfuncties in de plint(en) van de gebouwen. Zie voor een globale afbakening van de projectlocatie onderstaande afbeelding.
Afbeelding: huidige situatie met het plangebied paars omlijnd (getekend gebied) (Bron: Omgevingsloket – Regels op de kaart)
Het planvoornemen kan niet gerealiseerd worden binnen de regels van het Omgevingsplan gemeente Tilburg. Zo zijn publieksfuncties in de plint momenteel niet toegestaan en past de beoogde bebouwing niet binnen de bouwregels. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt het omgevingsplan gewijzigd.
Een wijzigingsbesluit omgevingsplan bestaat uit regels en een motivering. Voorliggend document voorziet in de motivering. In dit document wordt gemotiveerd waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden verwoord die aan de basis hebben gestaan van de planontwikkeling. De motivering geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer. Gemotiveerd wordt dat het plan past binnen de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de provinciale omgevingsverordening en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1.2 Leeswijzer
In de volgende hoofdstukken wordt een beschrijving en motivering gegeven van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie, waarbij zowel de ruimtelijke als functionele aspecten aan bod komen.
Hoofdstuk 3 beschrijft de toetsing aan de algemene beleidskaders van Rijk, Provincie, Waterschap en Gemeente.
Hoofdstuk 4 betreft de toetsing aan de fysieke leefomgeving en milieu.
Hoofdstuk 5 beschrijft de economische uitvoerbaarheid en het kostenverhaal.
Hoofdstuk 6 omvat een omschrijving van de participatie en zienswijzen.
In hoofdstuk 7 wordt de belangenafweging beschreven en is een conclusie opgenomen.
Hoofdstuk 2 Het plangebied
Het plangebied omvat het perceel kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie M, nummers 10634 en deels 12145 plaatselijk bekend Hopliedenkade. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Hopliedenkade in het noorden, de kade van de Piushaven in het oosten, de Tamboerskade in het zuiden en de Piushaven in het westen. Onderstaande figuur geeft de ligging van het plangebied in de gemeente Tilburg weer.![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402001.png)
Afbeelding: ligging plangebied (rood omcirkeld) in de gemeente Tilburg (Bron: PDOK Viewer)
2.1 Huidige situatie
Het plangebied fungeert in de huidige situatie als wooncomplex voor 55+ers. Het complex kent in de huidige situatie 120 sociale huurwoningen en is opgebouwd uit een langgerekte bouwmassa aan de Hopliedenkade van vierenhalve bouwlaag met daaraan vast twee vleugels van drieënhalve bouwlaag aan de Tamboerskade. In de onderste bouwlaag vindt half verdiept parkeren plaats en zijn bergingen van de woningen te vinden. De zuidelijke vleugels zijn door groen omgeven, met gazon, struikgewas, bomen en een jeu-de-boulesbaan.
Afbeelding: huidige situatie plangebied vanuit de zuidoostzijde (Bron: Google Maps)
Afbeelding: huidige situatie plangebied vanuit de zuidzijde (Bron: Google Maps)
Afbeelding: huidige situatie plangebied vanuit de noordzijde (Bron: Google Maps)
Afbeelding: Restaurant, vlonder en oude havenarm ten oosten van het plangebied (Bron: Google Maps)
2.1.1 Huidige ruimtelijke en functionele structuur
Het plangebied is gelegen aan de Piushaven. Dit is een vaarweg in beheer bij Rijkswaterstaat, maar de kade en objecten binnen dit vaarwater vallen onder beheer van gemeente Tilburg. De Piushaven bestond vroeger uit twee havenarmen. In 1983 is de zuidelijke havenarm gedempt ten behoeve van woningbouw. Het plangebied bevindt zich ter plaatse van deze gedempte havenarm.
Ten noorden van het plangebied bevindt zich de noordelijke havenarm van de Piushaven, met daarin ligplaatsen van recreatievaart en een vlonder. Aan de noordkade van deze havenarm bevinden zich diverse commerciële functies en horeca. Ten noordoosten van het plangebied is op het eind van de oorspronkelijke middenpier een restaurant gevestigd met een vlonder. Direct ten oosten van het plangebied ligt nog een oorspronkelijk deel van de zuidelijke havenarm met een vlonder en enkele woonboten. Aan de zuid- en westzijde van het plangebied staan woningen, zowel grondgebonden als gestapeld.
Autoparkeren gebeurt in de omgeving van het plangebied vooral in de openbare ruimte, via zowel haaks- als langsparkeren. Behoudens de tuinen binnen het plangebied rond het bestaande gebouw beperkt het groen zich hoofdzakelijk tot enkele plantvakken met bomen langs de straten. Ten zuidoosten ligt het Vendelierspark.
2.1.2 Technische infrastructuur
Binnen of direct buiten het plangebied komen geen planologische beschermde kabels, leidingen of (bovengrondse) hoogspanningsverbindingen voor die relevant zijn voor dit project.
2.1.3 Grondeigendom
Het bouwperceel met daarop het huidige appartementencomplex (perceel M 10634) is eigendom van de gemeente Tilburg en tot 2033 in erfpacht uitgegeven aan Woonzorg Nederland. De openbare ruimte rondom is eigendom van de gemeente Tilburg (perceel M 12145 ged.).
2.1.4 strijdigheden met het omgevingsplan
Op de planlocatie geldt het tijdelijk deel omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) 'Piushavengebied', vastgesteld door de gemeenteraad op 14 december 2011. In dat plan heeft het perceel de enkelbestemming(en) 'Wonen - Gestapeld' en 'Verkeer - Verblijf'. Verder is de ontwikkeling gelegen op gronden waar een bouwvlak met bijhorende maatvoering is opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen dit tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het plan is in strijd met het huidige omgevingsplan wat betreft:
Bouwregels: De toekomstige bebouwing voldoet niet aan de bouwregels. De gebouwen liggen niet binnen het bouwvlak en het maatvoeringsaanduidingsvlak die van toepassing zijn op de planlocatie.
Bouwregels: De ter plaatse geldende bouwhoogten zijn niet toereikend voor de beoogde bebouwing;
Gebruiksregels: De beoogde publieksfuncties in de plint zijn momenteel niet toegestaan.
Afbeelding: Uitsnede digitale verbeelding bestemmingsplan "Piushavengebied 2009" met het plangebied paars omlijnd (getekend gebied) (Bron: Omgevingsloket - Regels op de kaart)
Daarnaast zijn enkele paraplubestemmingsplannen vastgesteld die eveneens deel uitmaken van het omgevingsplan en voor de projectlocatie gelden:
Tilburg, parapluplan waterberging & grondwaterbescherming: dit parapluplan gaat in op de waterberging en grondwaterbescherming binnen het aangeschreven plangebied. Om de regenwateropgave conform het gemeentelijk beleid juridisch te verankeren is gekozen voor een paraplubestemmingsplan. Dit bestemmingsplan wordt verderop in deze motivering aan het gemeentelijke waterbeleid getoetst (zie paragraaf 5.1.3). De regels uit het parapluplan over grondwaterbescherming zijn in dit geval niet van toepassing, omdat de locatie niet is gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. De ontwikkeling is dan ook niet in strijd met dit parapluplan.
Tilburg, Terrasregels 2019: in dit parapluplan wordt de omgevingskwaliteit omtrent terrassen geregeld. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van terrassen. Deze terrassen in het openbaar gebied ondersteunen de functies in de plint. Dit betekent dat dit parapluplan van toepassing is op de beoogde ontwikkeling.
Tilburg, parkeerregeling 2017: in dit parapluplan is een voorwaardelijke verplichting voor parkeren opgenomen. Gronden mogen enkel worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat op eigen terrein in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is. Dit volgt uit het gemeentelijk parkeerbeleid. In paragraaf 5.1.2 van deze motivering wordt aan dit gemeentelijk parkeerbeleid getoetst.
Tilburg, Appartementen 2019: Met dit paraplubestemmingsplan wordt in lijn met het appartementenbeleid de realisatie van zeer kleine appartementen voorkomen door een vergunningplicht op te nemen voor het realiseren van appartementen. Ook wordt op sommige plaatsen de maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen beperkt tot 11 meter. Binnen het bestemmingsplan "Piushavengebied 2009" heeft dit paraplubestemmingsplan alleen de bestemmingen 'Gemengd', 'Gemengd - 1' en 'Gemengd - 2' gewijzigd. Die bestemmingen zijn niet aan de orde binnen voorliggende plangebied, waardoor dit paraplubestemmingsplan voor dit plangebied niet relevant is.
De raad heeft de beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid om voor de ontwikkeling het omgevingsplan te wijzigen.
2.2 Toekomstige situatie
2.2.1 Het plan en inrichting plangebied
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 5 woongebouwen ter plaatse van de oude bebouwing van “De Residentie”. In totaal worden maximaal 272 appartementen gerealiseerd, zowel koop als sociale- en middenhuur. Ook zijn er commerciële en/ of maatschappelijke functies voorzien in de plint van de te realiseren bebouwing. Het auto- en fietsparkeren zal grotendeels plaatsvinden in een volledig verdiepte parkeergarage onder gebouw 2 tot en met 5. De centrale toegang tot deze parkeergarage wordt ondergebracht in gebouw 3. De inrit van de garage is ondergebracht in gebouw 4.
De gebouwen hebben verschillende bouwhoogtes (van 23 tot 51 meter hoog). De twee hoogste volumes liggen aan het water op afstand van de bestaande woningen. Vanuit de Koopvaardijstraat, die de Piushaven met Koningswei verbindt, is er zicht op het hoogste gebouw. De drie lagere gebouwen maken de ruimtelijke verbinding met de meer kleinschalige woonbuurt.
Afbeelding: inrichtingstekening beoogde situatie (bron: regiedocument)
De vijf gebouwen liggen versprongen ten opzichte van elkaar. Aan de Hopliedenkade en de Tamboerskade ontstaan hierdoor respectievelijk pleintjes en groene hoven. Met voetgangerspaden wordt deze nieuwe openbare ruimte verbonden aan het fijnmazig stedelijk weefsel van de direct omliggende buurt. Op het grotere schaalniveau vormt het groen een onderdeel van het havenpark dat gelegen is tussen het Stadpark Oude Dijk en Moerenburg. De verdwenen havenarm vormt de inspiratie voor de vormgeving van de groene inrichting rondom de bebouwing aan de zuidzijde. Met de toevoeging van gevelgroen en daktuinen wordt nader invulling gegeven aan de klimaatambities van de gemeente Tilburg.
Afbeelding: inrichtingstekening beoogde situatie (bron: regiedocument)
Afbeelding: inrichtingstekening fase 1 (donkerblauw nieuw gerealiseerd)
Afbeelding: inrichtingstekening fase 2 (donkerblauw nieuw gerealiseerd)
2.2.2 beoogde functies
In de navolgende tabel is het programma van de beoogde ontwikkeling weergegeven, waarbij B1 t/m B5 corresponderen met de gebouwen en de aantallen daarachter het aantal woningen per gebouw betreft. In totaal worden maximaal 272 appartementen gerealiseerd en ongeveer 1.000 m² bvo ten behoeve van commerciële en maatschappelijke functies.
In de parkeergarage worden ten behoeve van deze functies 134 autoparkeerplaatsen aangelegd en een stallingsruimte voor 901 fietsen. Rondom het gebouw kunnen op basis van de huidige reeds vergunde situatie 18 autoparkeerplaatsen aan de ontwikkeling worden toegekend en ongeveer 80 fietsen kunnen in de openbare ruimte worden gerealiseerd.
|
|
Gebouw 1 |
Gebouw 2 |
Gebouw 3 |
Gebouw 4 |
Gebouw 5 |
Totaal |
|
Appartementen, waarvan |
76 |
39 |
71 |
59 |
27 |
272 |
|
Sociale huur |
0 |
39 |
0 |
59 |
27 |
125 |
|
Middeldure huur |
76 |
0 |
0 |
0 |
0 |
76 |
|
Koop, vrije sector |
0 |
0 |
71 |
0 |
0 |
71 |
|
Commercieel/maatschappelijk (m2 bvo) |
296 |
144 |
208 |
200 |
139 |
987 |
|
Autoparkeren |
|
|
|
|
|
134 |
|
Fietsparkeren |
|
|
|
|
|
901 |
Afbeelding: structuurontwerp van de beoogde situatie gezien vanuit het zuidwesten (bron: LEVS architecten)
Afbeelding: Structuurontwerp van de beoogde situatie gezien vanuit het noordoosten (Bron: LEVS architecten)
De (semi) publieke plint wordt in dit plan aangeduid met de bestemming “gemengd”. Hiermee wordt aangesloten op de systematiek van het Omgevingsplan “Piushavengebied 2009”. De (semi) publieke functies in de plint dienen aanvullend te zijn op het bestaande aanbod in de Piushaven. Dit kan door kleinschalige detailhandel (zoals een bloemenwinkel, groentewinkel of een kapper), werkfuncties met een publieksgerichte invulling (zoals ateliers, ambachtelijke werkplaatsen of co-workingruimten), maatschappelijke voorzieningen (zoals een buurtkamer, zorgpunt of dagbesteding), dienstverlening (zoals een ontwerpbureau), sport (zoals fitness) of recreatie (zoals sup verhuur).
Hoofdstuk 3 Toetsing aan algemene beleidskaders
3.1 Rijk
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. We maken ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. We bevorderen duurzaam economisch groeipotentieel. We zorgen voor sterke en gezonde steden en regio’s. En we stimuleren een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio’s;
Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied.
Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
Afwentelen wordt voorkomen.
Toetsing aan NOVI
De beoogde ontwikkeling voorziet voornamelijk in de realisatie van maximaal 272 woningen in zowel de sociale huur, middeldure huur als vrije sector. Hiermee wordt ingespeeld op de woningnood die er op dit moment nationaal speelt en ook op lokaal niveau voelbaar is. De huidige bebouwing is gebouwd in 1984 en toe aan vervanging. In de nieuwbouw wordt voorzien in een divers woonprogramma dat voor een gedifferentieerd woonmilieu zorgt. Het duurzaam ingerichte terrein zal de leefomgevingskwaliteit verbeteren. Met de inrichting van het terrein wordt de groene corridor vanuit het kanaal doorgetrokken tot in de Piushaven.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
De opgenomen regels en omgevingswaarden zijn gesteld ter bescherming van nationale belangen en het voldoen aan internationale verplichtingen.
In het Bkl is onder meer geregeld welk bestuursorgaan bevoegd gezag is bij het verlenen van een omgevingsvergunning, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en procedures.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Hoofdstuk 5 bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1)
waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2)
beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4)
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5)
behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6)
behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7)
bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8)
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:
voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen
lokale spoorwegen binnen vervoerregio's
lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool
bebouwingscontour jacht
bebouwingscontour houtkap
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Ondanks het ingekaderde karakter van de afwegingsruimte die door de instructieregels ontstaat, biedt het Bkl veel ruimte aan de gemeente om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te sturen. Als de gemeente gebruik wil maken van deze afwegingsruimte, zal zij dit goed moeten motiveren. Daarnaast zullen deze deugdelijk onderbouwde, op het specifieke deelgebied afgestemde kaders ook moeten worden uitgewerkt in juridische planregels.
Toetsing aan Bkl
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het plangebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Dit wijzigingsbesluit voorziet niet in windturbines.
Voor zover thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een toets aan deze instructieregels plaats in Hoofdstuk 4 van deze motivering.
3.1.2 Maatschappelijke behoefte
De Piushaven was lange tijd een industriële haven met rondom de vaarweg diverse bedrijven en bedrijventerreinen. Aan het begin van de 21e eeuw heeft de gemeente Tilburg ervoor gekozen om de Piushaven en omgeving te transformeren naar een veelzijdig en levendig woonwerkgebied met als grote kracht het water. De haven is immers gunstig gelegen en verbindt het centrum van Tilburg met het Landschapspark Moerenburg. De gehele gebiedsontwikkeling omvat 60 hectare, waaronder locaties direct aan de haven / vaarweg, delen van de wederopbouwbuurt Jeruzalem en voormalig industrieel erfgoed AaBe-complex.
Afbeelding: overzichtskaart deelprojecten gebiedsontwikkeling Piushaven (Bron: gebiedsontwikkeling.nu)
De totale gebiedsontwikkeling bestaat uit meer dan 15 verschillende deelplannen, waarvan de eersten alweer enkele jaren geleden zijn opgeleverd. Een van de plannen is de herontwikkeling van De Residentie Piushaven aan de Hopliedenkade.
Daarnaast vormt de gebiedsontwikkeling een van de groene steppingstones aan de Piushaven langs een van de verbindingsroutes die het Stadspark Oude Dijk via de Koningswei verbindt met Moerenburg.
Met deze gebiedsontwikkeling wordt een impuls gegeven aan de kop van de Piushaven. Er worden ruim 150 woningen toegevoegd. In de plint worden functies toegevoegd die van meerwaarde zijn voor de buurt. In het openbaar gebied wordt ruimte gegeven aan de voetganger en als bijdrage aan de klimaatopgave wordt er meer ruimte gemaakt voor groen en waterberging.
3.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en
tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toe-
passing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor
een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met dit plan wordt de bouw van maximaal 272 appartementen en 1000m2 aan maatschappelijke en commerciele functies mogelijk gemaakt. Uit artikel 5.129g blijkt dat dit artikel alleen van toepassing is wanneer sprake is van een voldoende substantiële ontwikkeling. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeven dat een omgevingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen of niet meer dan 500m2 aan uitbreiding of nieuwbouw van overige functies in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Deze ontwikkeling betreft dus een stedelijke ontwikkeling waarbij de ladder van toepassing is.
Behoefte aan woningen
Wonen en duurzame verstedelijking
De gemeente Tilburg maakt samen met tien andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. In de periode 2020-2040 is er behoefte aan 25.000 extra woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, in de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De sterkste groei vindt plaats in de jaren tot 2030. In de update stedelijke ontwikkelingsstrategie 2021 is aangegeven dat de Tilburgse netto bouwopgave tot 2030 gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar bedraagt.
Monitor bevolking en wonen (december 2024)
Uit de actuele 'Monitor bevolking en wonen' van provincie Noord-Brabant blijkt dat de benodigde capaciteit in gemeente Tilburg in de periode 2024 t/m 2033 17.670 woningen is (prognose + vervangingsopgave). Er is harde plancapaciteit voor 6.815 woningen. Dit betekent dat er nog veel harde plancapaciteit moet worden toegevoegd.
Woondeal Stedelijke Regio Breda-Tilburg (maart 2023)
Op 9 maart 2023 is de woondeal voor de Stedelijke Regio Breda-Tilburg ondertekend door de gemeente Breda, de andere gemeenten in de stedelijke regio, de woningcorporaties, de provincie Noord-Brabant en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De woondeal bevat afspraken over de woningbouwopgave, het versnellen van woningbouw, de betaalbaarheid van woningen en de kwalitatieve opgave (doelgroepen).
Elke gemeente neemt een aandeel van de regionale woningbouwopgave van in totaal 39.210 woningen (netto). De voorlopige, minimale opgave voor de periode 2022 t/m 2026 is per gemeente opgenomen. In Tilburg gaat het om 8.055 woningen.
In het kader van de woningbouwversnelling zijn door de gemeenten in de regio locaties aangewezen als sleutelgebieden. Het gaat hier om grootschalige locaties/ gebiedsontwikkelingen, waar meerdere projecten worden gerealiseerd die bijdragen aan onze regionale opgaven. De Piushaven is als sleutelgebied in de woondeal opgenomen.
Gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid
Het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid komt terug in:
Woonvisie en Woonagenda 2020-2025
Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie wonen 2021
Voor een motivering van de woningbehoefte op basis van het gemeentelijk beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.4.4. Op deze plaats volstaat de conclusie dat er ook op lokaal niveau voldoende behoefte aan de ontwikkeling is.
Behoefte aan overige functies
In het huidige detailhandelsbeleid “Tilburg, detailhandelsvisie 2019” werd nog uitgegaan van een afvlakking van de bevolkingsgroei door vergrijzing. De gemeente Tilburg gaat inmiddels uit van een flinke bevolkingsgroei. De eerder bedachte krimp van het winkelbestand is inmiddels achterhaald. Aan de Piushaven hebben in lijn met het omgevingsplan “Piushavengebied 2009” inmiddels verschillende winkels een plek gekregen. Het Piushavengebied (o.a. Piushaven, Havendijk, Kempenaarsplaats) is ontwikkeld als een gebied met een levendig en gemengd milieu met onder meer (zakelijke) dienstverlening, horeca en winkels. Detailhandel vormt hierbij een waardevol onderdeel. Deze straten zijn georiënteerd op het water en vormen een route tussen binnenstad en Aabe Fabriek en het buitengebied, meer specifiek Moerenburg.
De bezoekers aan de winkels (o.a. chocolaterie, viswinkel, bakker en kledingwinkel) aan de Piushaven brengen levendigheid in het gebied. Ook aan de Hopliedenkade zal het toevoegen van ruimte voor detailhandel bijdragen aan de levendigheid van het gebied. Dit kan door kleinschalige detailhandel (zoals bijvoorbeeld een bloemenwinkel, groentewinkel of een kapper). De levendigheid aan de Hopliedenkade vormt via de Koningswei een uitloper van de binnenstad.
Het Horecabeleid ”Beleidsnota gebiedsgerichte horecavisie” is in 2023 vastgesteld. In dit beleid wordt de Piushaven als een van de horecagebieden in de stad aangeduid. In het beleid wordt gesteld dat de reeds toegestane 14 horecazaken voldoende zijn voorde Piushaven. Het toevoegen van extra zelfstandige horeca in de Piushaven is niet gewenst.
Alleen ondersteunend of additioneel bij een andere functie kan horeca van meerwaarde zijn. Door het te koppelen aan een andere functie wordt ook voorkomen dat er voor de toekomstige bewoners overlast ontstaat in de avond en nacht. Door maatschappelijke en economische ontwikkelingen ontstaat er immers bij consumenten steeds meer een behoefte aan onderscheidende concepten in zowel winkels als horeca. Bijvoorbeeld een kapsalon met een koffiebar of een lunchroom waar het gehele interieur te koop is. Maar ook bij een dienstverlenende bedrijven, zoals een gebouw met een maatschappelijke functie, is een bijbehorend horecaconcept denkbaar.
3.2 Provincie
3.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.
De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden;
De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.
3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Omgevingsverordening Noord-Brabant is tegelijk met de Omgevingswet van kracht geworden. In de omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels.
De instructieregels uit hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een omgevingsplan. De regels zijn van toepassing op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De wet biedt de mogelijkheid dat Gedeputeerde Staten voor de vergunningverlening voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gevallen aanwijst waarvoor verplicht advies (met instemming) bij hen gevraagd moet worden. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft bij besluit van 7 november 2023 de volgende activiteiten aangewezen waarover advies moet worden aangevraagd. Een activiteit zoals de beoogde ontwikkeling komt niet op die lijst voor. Er is dan ook geen advies van GS nodig. In het voortraject is het plan mondeling besproken met de Provincie. Hier zijn geen opmerkingen uitgekomen.
Specifiek voor het plangebied gelden de volgende werkingsgebieden:
Stedelijk gebied (instructieregels gemeente)
Beperking grootschalige logistiek (instructieregels gemeente
Stalderingsgebied (instructieregels gemeente)
Diep grondwaterlichaam (rechtstreeks werkende regels)
Geen attentiezone waterhuishouding (rechtstreeks werkende regels)
Daarnaast gelden voor iedere ontwikkeling de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Stedelijk gebied
Artikel 5.31 (Externe werking Natuur Netwerk Nederland) bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling die binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en die aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant geeft, de negatieve effecten waar mogelijk moet beperken en de overblijvende, negatieve effecten moet compenseren. Deze bepaling is niet van toepassing op aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In paragraaf 5.1.5 is gemotiveerd dat dit project gelet op de aard en omvang in verhouding tot de ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant geen negatieve effecten tot gevolg zal hebben. Compensatie is dan ook niet aan de orde.
Artikel 5.55 (Duurzame stedelijke ontwikkeling) bepaalt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals wonen, werken of voorzieningen in beginsel binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en dat daarbij gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling past binnen regionale afspraken en dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Bij de beoogde ontwikkeling is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In paragraaf 4.1.4 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Kortheidshalve volstaat hier de conclusie dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Er is immers sprake van een herontwikkeling van een bestaand bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Daarbij vindt op een verantwoorde wijze (zie hoofdstuk 5) verdichting plaats, waarbij voldoende oog is voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. De locatie is gelegen dicht tegen het centrum van Tilburg met al haar voorzieningen en op 300 meter van een bushalte, wat uitnodigt om gebruik te maken van duurzame vervoersmiddelen.
De overige regels binnen dit werkingsgebied (veehouderij in Stedelijk gebied en Toedeling beheer vaarwegen) zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.
Beperking grootschalige logistiek
Artikel 5.56 (Grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.
Stalderingsgebied
Binnen het Stalderingsgebied (Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen) gelden regels over de toename van de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren op agrarische bedrijven. Dit project heeft geen betrekking op een bestaand of nieuw agrarisch bedrijf. De regels voor stalderingsgebieden zijn in dit geval dan ook niet relevant.
Diep grondwaterlichaam
Artikel 3.12 (diep grondwaterlichaam) beschrijft dat het verboden is om milieubelastende activiteiten, onconventionele winning van koolwaterstoffen, te verrichten binnen het diep grondwaterlichaam-gebied. Dit is bij de beoogde ontwikkeling niet aan de orde.
Geen attentiezone waterhuishouding
In Artikel 3.15 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen open bodemenergiesysteem) van de Omgevingsverordening staat dat een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem van het Bal niet is vereist als de onttrekking buiten de Attentiezone waterhuishouding ligt. Dit is het geval bij de beoogde ontwikkeling. Hoewel er geen omgevingsvergunning is vereist, zullen de in Artikel 3.15 van de Omgevingsverordening genoemde activiteiten niet worden toegevoegd bij de beoogde ontwikkeling.
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
In paragraaf 5.1.2 van de provinciale Omgevingsverordening is bepaald dat bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling moet worden gegeven aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie.
Van zorgvuldig ruimtegebruik is in dit geval duidelijk sprake. De ontwikkeling betreft het opnieuw benutten van een bebouwd bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Er is dus sprake van een herbestemming binnen bestaand bebouwd gebied.
Bij de lagenbenadering komen de volgende lagen en thema's aan de orde:
de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige en archeologische waarden;
de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer
de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.
Al deze aspecten komen terug in deze motivering. In het kort kan voor al deze aspecten geconcludeerd worden dat het project voorziet in een duurzame ontwikkeling, waarbij voldoende rekening is gehouden met de verschillende thema's binnen de lagen (zie Hoofdstuk 4 Toetsing aan de aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu).
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Daaronder wordt in ieder geval verstaan de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren. Ook de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn wordt als meerwaarde gezien. Ten slotte kan ook de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit (Kwaliteitsverbetering landschap) in het buitengebied deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
In dit geval zit de meerwaarde met name in het feit dat er met de nieuwe woningen wordt bijgedragen aan de gemeentelijke opgave om in de periode 2022-2026 circa 8.055 woningen te realiseren. De benodigde extra parkeerplaatsen zijn voorzien in een parkeergarage. De openbare ruimte rondom de bebouwing is groenrijk ingevuld. Dit nodigt bewoners en omwonenden uit om door het gebied te bewegen en te ontmoeten.
3.3 Waterschap
Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van Waterschap De Dommel. Het relevante beleid van dit waterschap is opgenomen in het waterbeheerprogramma. Daarnaast heeft het waterschap een waterschapsverordening vastgesteld.
3.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving
Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Waterschap De Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.
Wat schoon is moet schoon blijven.
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:
van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;
van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied;
van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling is voorzien op een bestaand bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. In de bebouwde situatie is zowel het hemel- als afvalwater op het ter plaatse aanwezige rioolstelsel aangesloten. In de beoogde situatie worden appartementen gerealiseerd. De locatie ligt volgens de 'Werkkaart Hoge Koppen Beekdalen Flanken' op een hoge kop. Daarmee is de locatie geschikt voor woningbouw en kunnen 'natte voeten' worden voorkomen. Conform de gemeentelijke waterbergingseis dient het hemelwater binnen de plangrenzen te worden opgevangen en geborgen. Er vindt geen afvloeiing in de richting van oppervlaktewaterlichamen in het beheer van het waterschap plaats. Het project sluit dan ook aan bij de drie principes van het waterschap.
3.3.2 Waterschapsverordening
Net als de provincie heeft het waterschap een omgevingsverordening vastgesteld. In de Waterschapsverordening staan de regels voor bewoners, bedrijven en andere overheden met betrekking tot activiteiten in of nabij rivieren, beken, sloten, gemalen, en dijken (waterkeringen) en activiteiten met betrekking tot het grondwater.
Binnen het plangebied of direct daarbuiten liggen geen provinciale vaarwegen, A- of B-watergangen, waterkeringen, of beschermingszones daarvan. Ook ligt er geen rioolwatertransportleiding binnen of nabij het plangebied. Binnen de projectlocatie zijn in zowel de huidige als toekomstige situatie geen activiteiten voorzien waarbij systematisch grondwater wordt onttrokken of ontwatering plaatsvindt door middel van drainage. Bepalingen hierover uit de Waterschapsverordening zijn dan ook niet van toepassing op het plangebied.
Ten slotte geldt bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak het uitgangspunt dat ruimtelijke (her)ontwikkelingen zovel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Om aan dit uitgangspunt te kunnen voldoen wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren. In de Waterschapsverordening is daarom bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam:
Een omgevingsvergunning voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak is niet nodig als:
het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 500 m²; of
de toename van verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak
de toename meer dan 500 m² maar maximaal 10.000 m² bedraagt, en er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m).
Een omgevingsvergunning is wel nodig voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door afkoppeling, mits er maximaal 10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.
Toetsing
In dit geval bedraagt de realisatie aan verhard oppervlak meer dan 500 m² maar niet meer dan 10.000 m². Zodoende zijn er compenserende maatregelen nodig om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m).
In paragraaf 5.1.3 wordt nader ingegaan op het thema 'water', waarbij ook wordt ingegaan op de benodigde bergingsvoorzieningen voor hemelwater.
3.4 Gemeente
3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2050 Deel A
Op 2 februari 2026 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2050 deel A vastgesteld.
De Omgevingsvisie Tilburg 2050 deel A vormt het kader voor de verdere uitwerking van een integrale visie op de fysieke leefomgeving van de gemeente Tilburg richting 2050. Deze visie sluit aan bij het toekomstbeeld “Samen werken aan brede welvaart voor Tilburg in 2050”, het vastgestelde beleid en de (gebieds)visies voor de fysieke leefomgeving en vertaalt dit naar ruimtelijke keuzes die bijdragen aan een gezonde, inclusieve en duurzame stad. Deel A bevat drie strategische keuzes: compacte stedelijke ontwikkeling, landschappelijke versterking en een gezonde en weerbare leefomgeving:
Tilburg groeit compact
We zoeken de ruimte voor nieuwe woningen en bedrijven binnen de bestaande grenzen van de stad en de dorpen. Zo versterken we woonwijken, bedrijventerreinen en het centrum van de stad en dragen we ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving en het openhouden van het buitengebied. De meeste wijken en buurten ontwikkelen daarmee een hogere mate van stedelijkheid, en op sommige plekken groeit een hoog stedelijk milieu. Zo versterken we de aantrekkingskracht en diversiteit van de Tilburgse leefmilieus.
We versterken het landschap
We versterken het landschap—binnen evenals buiten het bebouwd gebied—in samenhang met de stedelijke ontwikkeling. We investeren in de kwaliteit van ons buitengebied: in natuurontwikkeling, duurzame landbouw, wateropvang en recreatie. In de stad en de dorpen investeren we in groen van goede kwaliteit en zorgen we dat groenblauwe zones in het bebouwd gebied goed zijn verbonden met het landschap daarbuiten. Dat gaat hand in hand met de inzet op compact verstedelijken. Juist verdichting in combinatie met natuurontwikkeling maakt dat we maximaal kunnen investeren in de kwaliteit en leefbaarheid van ons bebouwd gebied.
We gebruiken de groei- en transitieopgaven om Tilburg gezond en weerbaar te maken
We maken onze netwerken duurzaam en toekomstbestendig. We investeren in een aantrekkelijk en innovatief vestigingsklimaat, zodat jong talent en hoogwaardige bedrijvigheid in onze gemeente een thuis vinden. Deze ontwikkeling, en de nabijheid die we daarmee kunnen organiseren, geven we zo vorm dat de huidige en toekomstige bewoners ervan profiteren. Daarmee investeren we in de gezondheid van onze bewoners en ons gemeentelijk ecosysteem, en worden we weerbaar tegen schokken van buitenaf.
Deze strategische keuzes vertalen zich tot verschillende typen opgaven. In sommige gevallen vragen ze dat we voortbouwen op bestaande kwaliteiten, op andere vlakken dat we aspecten van de fysieke leefomgeving moeten aanpassen, en in weer andere gevallen dat we plaatsmaken voor iets nieuws.
De voortbouwagenda gaat over investeren in de bestaande kwaliteiten van de fysieke leefomgeving over goed rentmeesterschap. We dragen zorg voor wat we waardevol vinden, zodat huidige evenals toekomstige Tilburgers ervan kunnen blijven genieten. Dat kan leiden tot behoud, herstel of renovatie, maar soms kan transformatie juist nodig zijn om bestaande kwaliteiten het best tot uiting te brengen.
De ombouwagenda betreft aspecten van de fysieke leefomgeving die (radicaal) anders moeten worden georganiseerd of opgewaardeerd om hun functie te kunnen blijven vervullen. Dat gaat met name om de grote systemen en netwerken die randvoorwaardelijk zijn voor het stedelijk functioneren maar in een (veel) vroegere periode zijn ontwikkeld: het ecologisch netwerk van bodem-, water- en groenstructuren, het energiesysteem, en het mobiliteitsnetwerk.
De bijbouwagenda hangt samen met de bevolkingstoename en de positie van Tilburg in de regio. Tot 2040 houden we rekening met een programmering van 31.000 en tot 2050 met een totaalopgave van 35.000 extra woningen, met een werkopgave passend bij de identiteit van onze gebieden. Juist door ruimte voor nieuwe ontwikkelingen binnen het bestaand bebouwd gebied te zoeken, ontstaan kansen voor extra voorzieningen, hoogwaardige mobiliteit en een bruisend sociaal-maatschappelijk verkeer. Daarmee kunnen we zorgen dat groei niet alleen gaat over méér, maar vooral over beter: beter samenleven, beter omgaan met energie en ruimte en beter inspelen op verandering. Door ervoor te zorgen dat voorzieningen meegroeien met de ontwikkeling van de stad en dorpen. En door te sturen op de realisatie van meer woontypologieën, zoals wooncoöperaties, woon- en werkconcepten, en meergeneratiehoven, en een woningaanbod gezamenlijke ruimtes zoals een gedeelde (dak)tuin, huiskamer, een gym of werkplek.
Of het nu om voortbouwopgaven, ombouwopgaven, of bijbouwopgaven gaat, we hanteren vier ordeningsprincipes als leidraad voor ontwerp, beleid, en uitvoering. Deze zijn de vertaling van onze strategische keuzes tot een werkwijze en benadrukken het belang integraal programmeren in een
context waarin er veel samenkomt in de beschikbare ruimte:
We dragen zorg voor een goede omgevingskwaliteit. Dat betekent dat we kwaliteit voorop zetten bij
gebiedsontwikkelingen en sturen op ontwerpkwaliteit bij gebouwen en in de openbare ruimte. Die
kwaliteit kan gelegen zijn in ruimtelijk erfgoed, de kwaliteit van natuur, in stedenbouwkundige en
architectonische kwaliteit—en vooral in ontwikkelingen die deze aspecten creatief met elkaar
verbinden. In alle gevallen geldt dat ontwikkelen vanuit het principe van omgevingskwaliteit het
belang benadrukt van plekken die met lef en creativiteit voortbouwen op de Tilburgse identiteit, die
inclusief zijn en dus voor en van iedereen, en toekomstbestendig en flexibel zijn.
We sturen op nabijheid bij de inrichting en ontwikkeling van de stad en dorpen. Dat betekent dat we
een hogere dichtheid en daarmee connectiviteit van mensen, voorzieningen en dus ‘functies’
organiseren. Woningen, werkplekken, winkels, scholen, zorg en recreatie komen daarmee over de
gehele linie dichter bij elkaar te liggen. Dat versterkt draagvlak voor voorzieningen, maakt bijvoorbeeld
buurthuizen, apotheken, sportcentra beter toegankelijk, en creëert meer dynamiek in het straatbeeld.
Dat is op zijn beurt belangrijk voor het versterken van ontmoeting en sociale veerkracht in de buurten
en wijken.
We nemen meervoudig ruimtegebruik of het mengen van functies als uitgangspunt. Dat betekent dat
meerdere functies of activiteiten op dezelfde plek plaatsvinden. Denk aan gebouwen waar bovenin
gewoond wordt en onderin maatschappelijke functies gevestigd zijn, daken als tweede
maaiveld, pleinen en parken die tegelijkertijd bijdragen aan biodiversiteit en sociale ontmoeting, aan
sportvelden die ook als waterberging functioneren, of aan bedrijventerreinen waar ook energie wordt
opgewekt. Hiermee maken we efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte en kunnen we
voorzieningen dichter bij bewoners brengen. Ook stimuleren we hiermee creatief ontwerp en maken
we gebouwen en openbare ruimte makkelijker aanpasbaar aan veranderende behoeften.
We zetten in op het verweven van functies, dat wil zeggen het verbinden van verschillende functies
binnen eenzelfde gebied. Verwevenheid draagt bij aan ruimtelijke menging en synergie. Op een
slimme manier worden functies samengebracht, zodat een dynamisch leefmilieu ontstaat. Dit
bevordert actieve mobiliteit, zoals lopen en fietsen, vermindert de afhankelijkheid van de auto en
versterkt de sociale samenhang in buurten. Daarmee creëert het een aantrekkelijke leefomgeving,
nodigt uit tot beweging en ontmoeting en maakt wijken veerkrachtiger voor maatschappelijke
veranderingen.
Toetsing
Dit project draagt bij aan de doelstellingen van de Verstedelijkingsstrategie Brabant, de Regionale Ontwikkelagenda en de Omgevingsvisie. Het gaat om een afzonderlijk project binnen een grotere gebiedsontwikkeling waarbij een voormalig industriële haven wordt getransformeerd naar een veelzijdig en levendig woonwerkgebied met als grote (aantrekkings)kracht het water in de vorm van de historische haven. De locatie is goed bereikbaar vanaf de Ringbaan-Oost en Ringbaan-Zuid en ligt dicht bij het centrum van de stad. De mix aan woonvormen op de verdiepingen en commerciële en maatschappelijke functies in de plint past bij de dynamiek die in de Piushaven gewenst is.
De gemeente streeft naar voldoende betaalbare woningen voor de diverse inkomens en doelgroepen. Een belangrijk aandachtspunt is verduurzaming van de woningvoorraad, zodat woningen naar de toekomst toe ook het gewenste comfort bieden en de woonlasten minimaal houden. Met de beoogde ontwikkeling worden woningen gerealiseerd die invulling geven op de woningvraag binnen de gemeente Tilburg. Ook zullen de nieuwe woningen voldoen aan de hedendaagse duurzaamheidseisen.
Ten slotte wordt met dit plan ook de openbare ruimte heringericht. Er ontstaat een hoogwaardige plek om te wonen, werken en te verblijven, wat belangrijk is voor de eigen bewoners en de concurrentiepositie van Tilburg.
3.4.2 bestuursakkoord 'meer voor elkaar''
Het Akkoord ‘Meer voor elkaar betreft het bestuursakkoord voor de raadsperiode 2022 tot 2026. In dit akkoord staan doelen, koers en aanpak beschreven met betrekking op gezondheid, jeugd, kansengelijkheid, energietransitie, verduurzaming van de bestaande woon- en werkomgeving, groen in de stad, mobiliteit, openbare ruimte, nieuwe woningen, werkgelegenheid, kunst cultuur, evenementen en sport.
Toetsing aan het bestuursakkoord
Voor deze ontwikkeling is met name de opgave 'Tilburg Groeit, Bloeit en Bruist' aan de orde. Tilburg wil bouwen aan de stad waar het prettig leven is en met een eigen stedelijke identiteit:
"De woningbouwopgave in Nederland betekent dat we tot 2040 maar liefst 25.000 nieuwe woningen gaan bouwen in de gemeente Tilburg. Deze nieuwe woningen maken we meteen duurzaam. We kiezen ervoor om voornamelijk in de stad en de dorpen te bouwen, niet daar buiten."
Gemeente Tilburg wil het volgende bereiken:
Duurzame woningen: Nieuwe woningen zijn energieneutraal, natuurinclusief en klimaatadaptief. Meer woningen betekent ook meer groen. Er wordt in de stad en in de dorpen gebouwd, niet daar buiten.
Betaalbare woningen: Er worden betaalbare en passende huur- en koopwoningen gebouwd. Bij nieuwbouw wordt op gemeentelijk niveau ingezet op minimaal 35% sociale huur en lage middenhuur, te bouwen door de woningcorporaties. Daarnaast wordt ingezet op minimaal 10% particuliere middenhuur.
Toekomstbestendige woningen: Er wordt toekomstbestendig gebouwd. Dit betekent flexibel bouwen en bouwen voor doorstroming.
Gebiedsontwikkeling: Er wordt uitvoering gegeven aan de stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen en er wordt prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van de dorpen, het Kenniskwartier, de Binnenstad (inclusief Spoorzone, Piushaven, Stadsforum en Koningswei) en Stappegoor. Daarbij wordt niet alleen ingezet op nieuwe ontwikkelingen, maar wordt ook onderzocht hoe onder andere in Noord, West en Zuid meer woningen kunnen worden toegevoegd (verdichten) en hoe de leefbaarheid, de voorzieningen en de kwaliteit van de leefomgeving kan worden verbeteren, zowel vanuit fysiek als sociaal oogpunt.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt op een locatie aan de Piushaven een bestaand wooncomplex gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe woongebouwen met ruimte voor commerciële en/of maatschappelijke functies in de plint. In totaal worden maximaal 272 woningen gerealiseerd en er is sprake van verdichting ten opzichte van de huidige situatie. Het woonprogramma voorziet in 46% sociale huur en 28% middenhuur. Bij de herontwikkeling worden de woningen volgens hedendaagse duurzaamheidsstandaarden gerealiseerd. In de ontwikkeling is voldoende oog voor vergroening, klimaatadaptatie en biodiversiteit, zowel op gebouwniveau als in de openbare ruimte. Zo worden de gebouwen voorzien van groene gevels en daken en wordt de openbare ruimte rondom de gebouwen ingericht met groen en bomen.
3.4.3 Gebiedsvisie Piushaven Stedenbouwkundige visie 2018
Sinds de vaststelling van de Ontwikkelvisie Piushaven 2002 is het gebied rond de Piushaven stapsgewijs getransformeerd tot een aantrekkelijk woon, werk, cultureel en recreatief gebied. De eerste stedenbouwkundige visie gebiedsontwikkeling Piushaven is in 2008 door de gemeenteraad vastgesteld. Elke paar jaar werd deze visie verfijnd en geactualiseerd op basis van nieuwe feiten, ontwerpervaringen en inzicht in planningsrisico’s. De laatste visie dateert uit 2018. In deze visie werd ingezet op de drie kernbegrippen Vitaal, Duurzaam en Inclusief. De Hopliedenkade wordt o in lijn met de eerdere visies en ook vanuit de kernbegrippen van deze laatste visie ontwikkeld.
Vitaal
Een betere verbinding tussen Koningsplein en Piushaven verbetert de aaneenrijging van Theresia, Spoorzone, Dwaalgebied, Kernwinkelgebied, Piushaven en zal de ruimtelijk-economische vitaliteit van het gehele gebied kunnen bevorderen. Vanuit de gebiedsontwikkeling is de transformatie van een aantal vastgoedlocaties in de Koopvaardijstraat al ingezet als bijdrage aan de betere verbinding. Met de ontwikkeling van Koningswei en de ontwikkeling aan de Hopliedenkade wordt mede door de vergroening de verbinding nog meer versterkt.
Duurzaam
Met de ontwikkeling van de locatie Fabriekskwartier-Noord (het bouwblok tussen Weth. Baggermanlaan, Havendijk, Prinsenhoeven en Fatimastraat) die nu is reeds gestart. De meerwaarde van de ontwikkeling zit niet alleen in woonvormen, maar ook in duurzaamheid en klimaatbestendigheid. Ook aan de Hopliedenkade is de gebiedsontwikkeling benaderd vanuit klimaatbeheersing en groen in plaats van primair vanuit vastgoed. Ook hier wordt de balans gevonden tussen functionele/ architecturale identiteit en generieke gebouwkwaliteit, met lange levensduur. Door het toevoegen van collectieve voorzieningen voor de woningen wordt een bestendige en duurzame leefomgeving gemaakt.
Inclusief
Ook hier wordt een zeer groot deel van de woningen gerealiseerd in de betaalbare sector. Er wordt daarbij gezocht naar een goede balans tussen koop en huur en tussen hoge en lage marktsegmenten. Een groot deel van de woningen zal levensloopbestendig zijn.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402015.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402015.jpg)
Afbeelding: Stedenbouwkundige visie Piushaven 2018
3.4.4 Woonbeleid en volkshuisvesting
Woonvisie en Woonagenda 2020-2025
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema’s en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie.
Woonbeleid 2025-2030
In het nieuwe Woonbeleid 2025-2030 wordt de Woonvisie Tilburg 2015 en Woonagenda 2020-2025 vervangen. In dit nieuwe gemeentelijk woonbeleid zijn een viertal speerpunten opgenomen die gebaseerd zijn op onze woonopgave en de ambities die de gemeente wil verwezenlijken. Dit zijn
Meer betaalbare woningen. De gemeente zet in op het toevoegen van 10.000 woningen tussen 2025 en 2030. Dit sluit aan op de afspraken gemaakt binnen de SRBT-woondeal. Daarbij wordt gemeentebreed inzetten op een verdeling in de nieuwbouw van 30% sociale huur, 40% betaalbare koop en middenhuur en 30% vrije keuze. Daarnaast wordt meer ingezet op het beter benutten van de huidige voorraad en de betaalbaarheid van de woningen op langere termijn.
De juiste woning op de juiste plek. Er wordt gebiedsgericht gewerkt aan het versterken van de ongedeelde stad en de gemeenschap, met een divers aanbod van woningen. Daarbij stuurt degemeente op geschikte en passende woningen en (collectieve) woonvormen in nabijheid van voorzieningen. Zo kunnen we (nieuwe) Tilburgers boeien, binden en laten blijven. Daarbij wordt een basiskwaliteit gehanteerd voor woningen. Woningen dienen een oppervlakte van minimaal 50m2 GBO (gebruiksoppervlakte) te hebben. Voor aandachtsgroepen en bijzondere woonvormen zijn onder voorwaarden woningen kleiner dan 50m2 mogelijk.
Voor iedereen een passende woonvorm. Onder dit speerpunt valt het beleid om voldoende en passende huisvesting met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding te bieden voor aandachtsgroepen, waaronder ouderen. Daarbij wordt aangesloten op de Woonzorgvisie Regio Hart van Brabant en de Lokale Paragraaf Woonzorgvisie Tilburg.
Een sterkere positie op de woningmarkt. Dit speerpunt richt zich op een toegankelijke en inclusieve woningmarkt voor alle (nieuwe) Tilburgers.
Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie wonen 2021
Om het tekort aan woningen op te vangen zijn meer woningen nodig. De update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen van september 2021 geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd in aansluiting op de uitgangspunten van de NOVI. De strategie bevat richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien. Hieronder deze verdichtingsprincipes.
Bouwen met een menselijke maat
Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:
Een stedelijk leven op ooghoogte; actieve en levendige plinten van gebouwen.
Een menging en een synergie van functies voor een levendige openbare ruimte.
Interactie tussen gebouwen en openbare ruimte, die ontmoeting stimuleert.
Oogcontact vanuit bovenliggende verdiepingen op de aangrenzende openbare ruimte.
Een maximale openbaarheid van de openbare ruimte en opheffen sociale, fysieke barrières en anonimiteit.
Een fijnmazig netwerk van openbare ruimte en doorwaadbaarheid van de stad.
Voor iedereen eenvoudig bereikbare van voorzieningen en groen en koelteplekken, in de nabijheid van de woonomgeving; de zogenaamde 15 minutenstad.
Duurzaam en toekomstgericht
Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:
Een robuust groen-, water- en biodiversnetwerk.
Een klimaatadaptieve omgeving en bebouwing. E
Een schone, sociale en gezonde omgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
We streven naar groen en biodiversiteit voor iedereen dichtbij door een aaneenschakeling van ‘stepping stones’ van substantieel groen of blauw (water) in de stad met een onderlinge afstand van maximaal 400 meter. Deze groene of blauwe plekken worden niet alleen verbonden door groenstructuren in combinatie met hoogwaardige loop- en fietsroutes, maar ook door bijzonder groen zoals geveltuinen en groene daken.
Alle inwoners hebben binnen 300 meter van hun woning toegang tot een koelteplek of groene of blauwe plek die via een groene of blauwe structuur verbonden is met een natuurgebied in de omgeving.
Er wordt natuurinclusief gebouwd en hanteren om dat te toetsten het ‘puntensysteem natuurinclusief bouwen’.
Een veranderende slimme stedelijke mobiliteit.
Verplaatsingen te voet, te fiets (Bicycle Oriënted Development) en Openbaar Vervoer als norm.
Een aantoonbare bijdrage aan inclusieve buurten, wijken en stad.
Multifunctionele gebouwen en stedelijke blokken.
Energieneutraal bouwen is uitgangspunt voor nieuwbouw.
Bij nieuwbouw en herontwikkeling van vastgoed stimuleren we dat zoveel mogelijk hergebruikte of herbruikbare materialen en grondstoffen worden gebruikt.
We faciliteren een stadsbrede intelligente ondergrondse infrastructuur (energietransitie, watersysteem en data).
Voortbouwen op het Tilburgs weefsel
Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:
Afleesbaarheid van de cultuurhistorische tijdslagen en het DNA van de stad.
onderscheidende wijken: Binnenstad, Oude stad binnen de Ringbanen, na-oorlogse wijken, Reeshof en dorpen, waarbij op een passende wijze en mate verdicht, ingeweven en gemengd wordt.
Voortbouwen en verdichten binnen de bestaande Tilburgse laag en karakteristiek van het stedelijk blok.
Hoogbouw is mogelijk als er sprake is van een waardevolle en betekenisvolle toevoeging aan de omgeving.
We stimuleren vroegtijdige betrokkenheid van bewoners, eindgebruikers en ondernemers bij planvorming.
Benutten van kansen om in stedelijke blokken ruimte en voorzieningen te delen (mobiliteit, energie, keuken).
We stimuleren het gebruik van een 2e maaiveld voor vergroening, klimaatadaptatie, en verblijven en het toepassen van groene gevels en het opwekken van (zonne)energie op daken.
maatschappelijk rendement en betrokkenheid
Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:
Participatie van bewoners, ondernemers, instanties als integraal onderdeel van het beleids-, ontwikkel- en ontwerpproces op diverse schaalniveaus zoals stad, wijk, buurt, straat en gebouw.
Actief creëren van een proces van draagvlak, meedenken en waar mogelijk het creëren van toegevoegde waarde voor de buurt of wijk.
Vooraf heldere kaders voor het speelveld en spelregels van participatie, zodat voor deelnemers duidelijk is welke rol ze hebben.
Heldere informatie en terugkoppeling over dilemma’s, afweging en besluitvorming tijdens het proces over ingebrachte bijdragen.
Toets aan het woonbeleid
Het plan vervangt oudere sociale huurwoningen door een mix aan grotendeels betaalbare woningen waarbij er netto ruim 150 woningen extra worden gerealiseerd. Daarmee levert deze ontwikkeling een belangrijke bijdrage aan de woningbouwopgave. In het akkoord ‘Meer voor elkaar’, het Addendum Woonagenda 2020-2025 en het Woonbeleid 2025-2030 is als uitgangspunt opgenomen dat er we ons richten op 30% sociale huur en 40% betaalbare koop en huur. Dit wegen wij gebiedsgericht af en we leveren per project maatwerk. Van de bouw van 272 woningen wordt 44% in de sociale sector en 24% als middeldure huurwoning uitgevoerd. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de kwalitatieve eisen die we stellen aan woningen. Bovendien draagt deze ontwikkeling bij aan een meer gedifferentieerde en betaalbare woningbouw in het centrum. Naast realisatie van nieuwe duurzame en levensloopbestendige sociale huurwoningen komen er woningen in de middenhuur, een segment waar veel vraag naar is in Tilburg. Dit zorgt ook voor meer mogelijkheden voor doorstroming van ouderen. Daarnaast komen er koopwoningen.
De ontwikkeling past dan ook in het Woonbeleid 2025-2030.
3.4.5 Detailhandel
Met de Detailhandelsvisie 2020 is een helder beleidskader vastgesteld met een onderbouwd en afgestemd toekomstbeeld voor de gewenste Tilburgse detailhandelsstructuur en welke inspanningen nodig zijn om deze gewenste structuur te realiseren. Dit beleid is op te vatten als een thematisch ‘programma’ binnen de omgevingswet, dat zoveel mogelijk gebiedsgericht is opgezet.
In de detailhandelsvisie wordt de bestaande structuur van winkelgebieden centraal gesteld, winkels dienen zich binnen deze gebieden te vestigen, tenzij er nadrukkelijk redenen zijn om daarvan af te wijken. Daartoe zijn in het beleid omschreven voorwaarden voor maatwerk opgenomen.
Winkelen en boodschappen doen
Traditioneel kennen we verschillende lagen in de detailhandelsstructuur. Deze gelaagdheid is zowel voor de concept structuurvisie 2040 van Tilburg als deze detailhandelsvisie het uitgangspunt. De Binnenstad is het belangrijkste winkelgebied van de stad, naast een boodschappenfunctie staat recreatief winkelen centraal, het is ook primair het gebied waar winkelbezoek gecombineerd wordt met andere bezoekdoelen zoals, theaterbezoek, evenementen en dergelijke. Bij de wijk, buurt en dorpscentra is de winkelfunctie de basis, maar wordt de ontmoetingsfunctie steeds belangrijker. Voor de linten is de nadruk gelegd op boodschappen doen in combinatie met bezoek aan speciaalzaken. Bij alle gebieden geldt dat – mede als gevolg van de teruglopende behoefte aan winkels – dat een verdere menging van functies mogelijk en wenselijk is. Naast detailhandel zijn dat andere op consumentengerichte functies als kapsalons en adviseurs, maar ook zorgverleners.
Nieuwe ontwikkelingen
Trends, ontwikkelingen, consumentengedrag en de behoefte van retailers krijgen een prominente plek in de Tilburgse detailhandelsstructuur. Met dat in het achterhoofd stimuleren we het behoud en versterking van de bestaande winkelgebieden. Als we de huidige markt willen volgen zullen we incidenteel zeker ook ruimte moeten kunnen bieden aan ontwikkelingen buiten de bestaande locaties. Onze doelstelling is daarmee de kwaliteit en vitaliteit van de bestaande structuur te versterken en te voldoen aan de wens van de consument.
Op trafficlocaties (zoals stations, bedrijventerreinen, ziekenhuizen of andere drukbezochte locaties waar veel mensen om andere redenen dan winkelen komen) blijft een beperkte mogelijkheid voor detailhandel aanwezig. In bijzondere gevallen kan de gemeente detailhandel buiten winkelcentra toestaan, denk aan (zeer) stedelijke gebiedsontwikkelingen waar een menging van functies stellen wenselijk is.
Toets aan detailhandelsbeleid
In het huidige detailhandelsbeleid werd nog uitgegaan van een afvlakking van de bevolkingsgroei door vergrijzing. De gemeente Tilburg gaat inmiddels uit van een flinke bevolkingsgroei. De eerder bedachte krimp van het winkelbestand is achterhaald. Aan de Piushaven hebben in lijn met het omgevingsplan “Piushavengebied 2009" inmiddels verschillende winkels een plek gekregen. Het Piushavengebied (o.a. Piushaven, Havendijk, Kempenaarsplaats) is ontwikkeld als een gebied met een levendig en gemengd milieu met onder meer (zakelijke) dienstverlening, horeca en winkels. Detailhandel is hier een waardevol onderdeel. Deze straten zijn georiënteerd op het water en vormen een route tussen binnenstad en AaBe Fabriek en het buitengebied, meer specifiek Moerenburg.” De bezoekers aan de winkels (o.a. chocolaterie, viswinkel, bakker en kledingwinkel) aan de Piushaven brengen levendigheid in het gebied. Ook aan de Hopliedenkade zal het toevoegen van ruimte voor detailhandel bijdragen aan de levendigheid van het gebied. Dit kan door kleinschalige detailhandel (zoals bijvoorbeeld een bloemenwinkel, groentewinkel of een kapper). De levendigheid aan Piushaven vormt via de Koningswei een uitloper van de binnenstad.
3.4.6 Horecabeleid
Het Horecabeleid ”Beleidsnota gebiedsgerichte horecavisie” is in 2023 vastgesteld. In dit beleid wordt de Piushaven als een van de horecagebieden in de stad aangeduid. Er kan hier culinair genoten worden, onthaast worden en verwend worden. In het beleid wordt gesteld dat de reeds toegestane 14 horecazaken voldoende zijn voor de Piushaven. Het toevoegen van extra zelfstandige horeca in de Piushaven is niet gewenst.
Ondersteunende en additionele horeca
Alleen ondersteunend of additioneel bij een andere functie kan horeca worden toegestaan, onder voorwaarde dat dit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit. Hiermee wordt ook voorkomen dat er voor de toekomstige bewoners overlast ontstaat in de avond en nacht. Door maatschappelijke en economische ontwikkelingen ontstaat er bij consumenten steeds meer een behoefte aan onderscheidende concepten in zowel winkels als horeca. Bijvoorbeeld een kapsalon met een koffiebar of een lunchroom waar het gehele interieur te koop is. Maar ook bij een dienstverlenende bedrijven, zoals een gebouw met een maatschappelijke functie, is een bijbehorend horecaconcept denkbaar.
Bij additionele horeca is geen terras mogelijk. Wel kunnen openbare ontmoetingsplekken worden gerealiseerd. Alcohol schenken is niet toegestaan, hiervoor wordt geen vergunning verleend. Voor een (maatschappelijke) ontmoetingsruimte is een paracommerciële horecavergunning mogelijk.
3.4.7 maatschappelijke voorzieningen
De “Nota Richtlijn Maatschappelijke Voorzieningen” en “Bouwsteen ruimte voor maatschappelijke voorzieningen” onderstreept dat maatschappelijke functies een plek moeten krijgen in het stedelijk gebied. Aan de maatschappelijke vastgoedtafel zal in kaart gebracht worden welke maatschappelijke functies op deze locatie het beste kan worden gerealiseerd. Daarbij vormt het uitgangspunt dat de functie bijdraagt aan de levendigheid van de plek.
3.4.8 Toekomstbestendige werklocaties
Het toevoegen van werkfuncties sluit aan op de visie in de “Nota Toekomstbestendige Werklocaties” (2020). Hierbij wordt ingezet op functiemenging, werken in de wijk en het faciliteren van kleinschalige werkplekken in gemengde woon-werkomgevingen. Buurtgerichte dienstverlening en kleinschalig ondernemerschap (werkplekken, recreatieve en kleinschalige sportvoorzieningen) dragen bij aan de economische diversiteit van de stad. Volgens de beleidsnota is de Piushaven aangewezen als moderne mixlocatie. Binnen een dergelijke locatie houdt gemeente Tilburg de optie open om op binnenwijkse terreinen waar een stedelijk gemixt milieu ontstaat (zoals de Piushaven), (vraaggericht) extra bedrijfsruimte te creëren. Grootschalige kantoorclusters zijn vooral voorzien in de spoorzone en aan de kennis-as. Binnen gemixte milieu wordt gestreefd naar een mix van wonen, horeca (voor zover in overeenstemming met horecabeleid), werken, maatschappelijke voorzieningen, kleinschalige leisure, en detailhandel (voor zover in overeenstemming met horeca-, leisure- en detailhandelsbeleid). Hier wordt name ruimte geboden aan kleinschaligere (units van) (kantoor)bedrijvigheid, ruimten voor creatievelingen en schone productie.
Toetsing
Met dit plan worden commerciële ruimten gerealiseerd in de plint van de vijf nieuwe gebouwen. Het gaat om oppervlakten van ongeveer 140 m² bvo tot 300 m² per gebouw. Dit draagt bij aan het gemixte milieu van het Piushavengebied.
Hoofdstuk 4 Toetsing aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1 Aspecten fysieke leefomgeving
4.1.1 Stedenbouwkundige inpassing
De Hopliedenkade vormt met zijn vijf gebouwen een stedelijke inbreiding binnen het bestaande stedelijk weefsel. De locatie ligt tussen de Koningswei en de Piushaven. Het is een belangrijk scharnierpunt in het stedelijk weefsel en zal de havenkom markeren. De locatie is vanaf de knik in de Piushaven bij de Burgemeester Baggermanstraat vanuit het oosten goed zichtbaar. Het hoge bouwvolume zal de locatie al van veraf markeren. Vanuit de stad biedt de kromming van de Koopvaardijstraat een verschuivende blik op het havenfront van de locatie. Dit veranderende zicht door de beweging heeft de compositie van de vijf gebouwvolumes bepaald. Een van de gebouwen sluit qua hoogte aan op de bestaande en geplande hoogbouw (ongeveer 50m). Dit hoogste accent past in de zorgvuldig gecomponeerde “toevallige” reeks hogere woongebouwen (o.a. Koningswei, Havenmeester en de Fabrikant) en zal helpen bij de in de oriëntatie in de stad.
De bebouwing aan de Hopliedenkade is zodanig ‘geleed’, dat de openingen tussen de gebouwen lucht en licht brengen aan het havenfront. De paden tussen de gebouwen verbinden het havenfront met de zuidelijk gelegen woonbuurt.
De hogere gebouwen liggen aan het water. In de nabijheid bestaande woningen zullen kleinere volumes worden gebouwd. De gebouwen samen vormen een samenhangend ensemble.
Met de ontwikkeling aan de Hopliedenkade wordt aangesloten op de Stedenbouwkundige Principes van de Piushaven. In de Piushaven is sprake van een afwisselende compositie van industrieel erfgoed, bestaande bebouwing, de nieuwe stadslaag en hogere accenten.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402016.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402016.jpg)
Bron: Levs architecten
Met de plint (de onderste lagen) en de openbare ruimte wordt aangesloten op de identiteit van de Piushaven. De industriële laag krijgt in de plint zijn expressie. Hier worden functies gerealiseerd met meerwaarde voor het gebied: winkels, werkplekken, haven gebonden voorzieningen en buurtfuncties.
Aan de Tamboerskade en de straat Piushaven loopt de kademuur met de bomen ook tussen de gebouwen door. De voormalige middenpier en havenarm vormen de onderlegger voor de maaiveld inrichting. Door de alternerende plaatsing van de volumes ontstaan er pleintjes op de voormalige middenpier en hoven ter plaatse van de voormalige havenarm aan de Tamboerskade zijde.
4.1.2 omgevingskwaliteit (welstand)
In 2024 is het Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit vastgesteld. Met het Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit wordt richting gegeven aan de manier waarop er in Tilburg met ambitie, optimisme, lef én historisch besef aan de verdere ontwikkeling van de stad en dorpen gewerkt gaat worden.
Voorafgaand aan de vaststelling is al in lijn met dit Uitvoeringsprogramma begin 2023 met gemeentelijke adviseurs en externe deskundigen uit verschillende disciplines (o.a. planologie, stedenbouw, landschap, architectuur) in een ontwerpatelier een ruimtelijk- programmatische studie voor de locatie gemaakt. Verschillende ruimtelijke modellen zijn daarbij onderzocht. Het voorliggend model met vijf gebouwen kwam daarbij als voorkeursvariant naar voren. Op dit model heeft het Kwaliteitsteam Piushaven in 2023 positief geadviseerd. In 2024 is de input van het planteam (brede vertegenwoordiging van belanghebbenden) opgehaald en samen met de input van het Kwaliteitsteam Piushaven in het “Regiedocument Residentie Piushaven” ( bijlage 1) verwerkt.
De Tilburgse Omgevingscommissie adviseert conform de Omgevingswet over bouwplannen. Zij doet dit op basis van de welstandsnota Tilburg 2017 die op 21 april 2020 is aangevuld. Om de samenhang van de gefaseerde bouw te borgen is na een advies van het kwaliteitsteam "Regiedocument Piushaven” opgesteld. Dit document bevat op basis van de stedenbouwkundige analyse de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten voor de ontwikkeling. Dit document vormt voor deze ontwikkeling het ruimtelijk kader voor de advisering van de Omgevingscommissie.
De gebouwen vormen samen een compositie waarin elk gebouw haar eigen identiteit krijgt. Deze identiteit zal vertaald worden in de architectuur van de gebouwen die mede gebaseerd zal worden op het industriële verleden van het gebied. Als bijlage bij de regels is het “Regiedocument Piushaven” als beeldkwaliteitskader opgenomen. In het Regiedocument wordt de samenhang tussen de gebouwen en de karakteristiek, het beoogde architectonische beeld en de materialisatie van de verschillende gebouwen geduid.
4.1.3 Handreiking hoogbouw
In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. Een nieuwe aangepaste Handreiking is door de raad in juni 2023 vastgesteld.
Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw wordt realiseerd op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.
De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het omgevingsplan.
4.1.3.1 Gebiedsprofiel
De stedenbouwkundige analyse zoals beschreven in het Regiedocument (bijlage 1) vormde de basis van de voor de keus van de hoogtes van de 5 gebouwen op de voorgestelde posities.
ruimtelijke oriëntatie
De gebiedsontwikkeling vormt een verbindende schakel op een belangrijk scharnierpunt in het stedelijk weefsel. De hogere volumes van de ontwikkeling markeren zowel “de verbinding tussen Koningswei en Piushaven” als de “kop van de Piushaven”.
De locatie op de kop van de haven is vanuit het oosten vooral vanaf de knik in de Piushaven (nabij de brug Den Ophef) goed zichtbaar. De hogere bouwvolumes markeren dit punt en zijn in de skyline vanaf het oosten al eerder zichtbaar.
Vanuit de stad biedt de kromming van de Koopvaardijstraat een verschuivende blik op het havenfront van de locatie. Het hoogste gebouw staat in de zichtas na de kromming van de Koopvaardijstraat. ![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402017.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402017.jpg)
De nieuwe bebouwing is in hoogte afgestemd op de reeds bestaande en geplande hoogbouwaccenten zoals die aan de Koningswei, de Havenmeester en die in het Fabriekskwartier. Bron: Levs architecten
Silhouet/skyline
Het hoogste gebouw aan de Hopliedenkade vormt een van de hoogte accenten aan de Piushaven. Deze hoogte accenten vormen een onderdeel van een brede band met verschillende accenten in het stedelijk “weefsel” (o.a. Kernwinkelgebied, Koningswei en Piushaven). In het silhouet van de stad duiden deze de verbinding tussen de binnenstad en Moerenburg. Deze as kruist bij de Koepelhal Wagenmakerij de stedelijke “as “(o.a. Kennisas en Spoorzone). Beide assen hebben hun eigen identiteit en een verschillend effect op de skyline van Tilburg.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402018.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402018.jpg)
Schema met deel van de skyline van Tilburg. Stedelijk weefsel (roze) en stedelijke as (blauw)
De ontwikkeling aan de Hopliedenkade vormt een gebouwensemble dat zich voegt in de context. De twee hogere gebouwen liggen als accenten aan de haven. De drie lagere gebouwen vormen de verbinding naar de kleinschaligere woonwijk. Met de setbacks en materialisatie worden de volumes geleed/ verschaald. In vormentaal en materialisatie wordt aangesloten op de karakteristiek van de Piushaven.
Om het gebied van meerwaarde te laten zijn voor de omgeving worden er publieke pleintjes en groene hoven tussen de gebouwen toegevoegd. Aan de groene hoven liggen de woningen. Rondom de pleintjes wordt er op de begane grond zo veel mogelijk collectief en publiek programma toegevoegd dat zich richt op de openbare ruimte zodat het gebied ook aantrekkelijk is voor de passant en buurtbewoner.
4.1.3.2 Projectprofiel
Windhinder
Het windhinderonderzoek (bijlage 2) is uitgevoerd op basis van de norm NEN 8100.
Het onderzoek toont aan dat er geen sprake is van windgevaar. Rondom de geplande bebouwing is er voor passanten op de meeste plaatsen een goed windklimaat te verwachten. Op enkele plaatsen is sprake van een matig windklimaat voor passanten. Het optredende windklimaat past bij de beoogde activiteit. De doorgangen tussen de gebouwen zijn beoogd om doorheen te lopen en niet langdurig te verblijven. Bij de uitwerking van de inrichting van de openbare ruimte zal met het te verwachten windklimaat rekening worden gehouden.
Concluderend wordt gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar windklimaat waarbij in de architectonische uitwerking van de gebouwen de aanbevelingen van het onderzoek worden meegenomen om het windklimaat rond de gebouwen verder te optimaliseren ter comfort.
Om het windklimaat op het water te bepalen is een oplegnotitie gemaakt (bijlage 16). Uit dit onderzoek blijkt dat er een overwegend mild windklimaat op het water van de Piushaven heerst met overwegend de meest gunstige windhinderklasse A, beperkt B en een minimale hoeveelheid windhinderklasse C. Deze laatste klasse wordt beschouwd als goed geschikt voor de activiteit doolopen en kan ook als maatgevend worden beschoud voor activiteiten op het water.
Bezonning
Het bezonningsonderzoek (bijlage 3) is gebaseerd op de eisen in het "het hoogbouwbeleid". In de onderzoeksmethodiek wordt uitgegaan van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober ter plaatse van de fictieve meetpunten. De meetpunten zijn op 75 cm vanaf het maaiveld en/of een verdiepingsvloer geplaatst en er is bij een minimale zonhoogte van 10 graden gemeten. In het Tilburgse hoogbouwbeleid is aangegeven dat indien een ontwikkeling kwalitatief en/of kwantitatief bijdraagt aan de verdichtingsopgave er gemotiveerd kan worden afgeweken van de Haagse norm bij woningen binnen de “bestaande stedelijke contouren” én als er bij deze woningen nog steeds sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Bij een aantal woningen wordt op 19 februari niet voldaan aan de Haagse norm:
Piushaven 31c: 20 minuten minder zon dan norm
Koopvaardijstraat 5: 1 uur minder dan norm
Barkstraat 29b : 25 minuten minder zon dan norm
Barkstraat 27: 20 minuten minder zon dan norm
Barkstraat 25: 15 minuten minder zon dan norm
Barkstraat 23: 5 minuten minder zon dan norm
De woningen aan de Piushaven (31a-38) zijn oost-west georiënteerd. De meeste woningen voldoen door deze oriëntatie aan de gestelde norm doordat ook de bezonning op de achtergevel meegeteld. Echter door de uitbouw van de buren aan de achterzijde van Piushaven 31c ontvangt deze woning via de achterzijde in het vroege voorjaar/ late najaar geen zon. Een week later voldoet de woning wel aan de norm.
Koopvaardijstraat 5 is een van de appartementen in het lagere bouwvolume ten noorden van het hogere volume van de Koopvaardij. Over het algemeen werpt dit hogere volume al een schaduw op dit noordelijk gelegen bouwdeel. Bij Koopvaardijstraat 5 is door een westelijk gelegen bouwvolume sprake van een slechte bezonning op de achtergevel. 2 weken later voldoet de woning wel aan de norm.
Barkstraat 29b is een hoekwoning met een voordeur aan de Barkstraat. De op de Piushaven gerichte zijgevel ontvangt voldoende zon. Echter volgens de strikte regel van het beleid wordt deze zijgevel niet meegeteld.
De woningen aan de Barkstraat 23 t/m 27 zijn oost-west georiënteerd. Door de uitbouwen aan de achterzijde ontvangt de achtergevel bij een lage zonnestand geen zon. Barkstraat 23 voldoet ondanks dit vrijwel aan de norm. Bij een iets hogere zonnestand valt bij al deze woningen zowel aan de oost- als aan de westzijde voldoende zon in de woning. Een week later voldoet elke woning ruimschoots aan de norm. De woningen liggen op afstand van de ontwikkeling en zijn niet op de ontwikkeling georiënteerd.
Afwegingscriteria
De gemeente Tilburg hanteert in de 'handreiking hoogbouw' de 'Haagse norm' als basis waaraan een nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Voor deze ontwikkeling wijken wij gemotiveerd af van de gestelde in de 'Haagse norm'.
Proportie
Slechts bij een beperkt aantal woningen (zes) wordt niet voldaan aan de Haagse bezonningsnorm. Ondanks de afname van bezonning, is bij alle woningen wel sprake van voldoende lichtinval, zoals vereist op grond van het Bouwbesluit. Daarbij voldoen alle woningen twee weken na 19 februari, en sommige al eerder, aan de Haagse bezonningsnorm.
Verdichting
De woningen zijn gelegen in een centrumstedelijke verdichtingslocatie, waarbij wij streven naar intensivering van het ruimtegebruik. In een dynamische, intensief bebouwde omgeving kan niet altijd worden voldaan aan de bezonningsnorm. In een stedelijke omgeving kunnen andere eisen worden gesteld aan bezonning en lichtinval dan in een omgeving met een ruime opzet. Daarnaast is de waardering van de openbare ruimte een steeds belangrijker onderwerp bij de ontwikkeling van de stad. De vergroening, verduurzaming en hoogwaardige materialisering, alsmedehet terugdringen van de automobiliteit getuigen daarvan. De toegenomen gebruikswaarde en kwaliteit van de openbare ruimte kan, met name in de intensief bebouwde delen van de stad, een goed alternatief vormen voor bezonning van individuele woningen.
Kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave wordt mogelijk gemaakt
Het plan levert een positieve bijdrage aan de woningbouwopgave: na sloop van het huidige complex is er per saldo een toename van ca 150 nieuwe woningen. In totaal zullen er minimaal 65% betaalbare huurwoningen (sociaal en middelduur) gerealiseerd worden. Om deze woningen stedenbouwkundig inpasbaar en financieel haalbaar te maken is gestapeld wonen noodzakelijk.
Het belang van het nieuwbouwplan is in dit geval groter dan het belang van de bezonning van een klein aantal van de bestaande woningen. Hierbij wordt in overweging genomen dat er nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat alle woningen binnen twee weken na 19 februari alsnog voldoen aan de bezonningsnorm
Uitzicht en privacy
De ontwikkeling omvat 5 bouwvolumes met verschillende hoogtes. Op de locatie is een massa aanwezig van 3,5 tot 4,5 bouwlagen. Hiermee kan worden gesteld dat het uitzicht in de huidige situatie al wordt beperkt door de aanwezigheid van appartementen in het plangebied.
Door de verschaling van de bouwvolumes aan de kant van de omliggende woningen is er rekening gehouden met de privacy voor de huidige bewoners en het uitzicht vanuit de bestaande woningen.
De lagere bouwvolumes aan de Tamboerskade liggen op vrijwel dezelfde positie als het eerder vergunde woongebouw. Aan de Tamboerskade wordt iets meer afstand genomen van de bestaande woningen. Aan deze zuidzijde worden geen balkons voorzien.
Ook bij het lagere bouwvolume aan de Piushaven wordt meer afstand aangehouden dan het eerder vergunde woongebouw. Ook aan deze westzijde worden geen uitstekende balkons voorzien bij de gevel die aan de Piushaven ligt.
De hogere bouwvolumes liggen aan de Piushavenzijde. Deze bouwvolumes liggen op minimaal 55 meter afstand. Het uitzicht vanuit de woningen in de omgeving veranderd, echter door deze grote afstand wordt de impact op de privacy aanvaardbaar geacht. Qua uitzicht kan worden gesteld dat de woningen er op vooruit gaan, gezien de door de ontwikkeling ontstane doorzichten naar de haven.
Hoogte accenten
De twee nieuwe hoogteaccenten (van 51 en 40 meter) vormen een onderdeel van het stedelijk silhouet. Zij zullen de schakel vormen tussen de (beoogde) hoogte accenten bij de Koningswei en in de rest van de Piushaven.
Plint
Aan de noordzijde van de ontwikkeling is op de begane grond en deels op de eerste verdieping een (semi) publieke plint voorzien. In de plint zullen o.a. collectieve ontmoetingsruimtes voor bewoners gerealiseerd worden. Met het toevoegen van (semi) publieke functies in de plint aan de kade zijde wordt de levendigheid op de kop van de Piushaven versterkt. De toevoeging van functies versterkt de sociale cohesie, veiligheid en verblijfskwaliteit in het gebied. Het programma in de plint zal zowel aantrekkelijk zijn voor de toekomstige bewoners als ook voor de buurt en de overige bezoekers van de Piushaven. Door de ontwikkeling van het Stadsforum en Koningswei ontstaat immers voor de Piushaven via de Koopvaardijstraat een betere verbinding met de Binnenstad. Ook zal door de nieuwe doorsteken tussen de bouwvolumes de Piushaven ook vanuit de woonbuurt Broekhoeven en vanuit het winkelgebied AaBe fabriek voor een voetganger beter verbonden worden.
4.1.4 Verkeer en parkeren
Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze Mobiliteitsagenda 013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
4-sporen beleid parkeren 2021
Op 18 november 2021 heeft de raad met betrekking tot parkeren in de binnenstad het 4-Sporenbeleid Parkeren en Deelmobiliteit vastgesteld. Dit houdt onder andere in dat bij een nieuwe ontwikkeling de ontwikkelaar in de basis nog steeds geacht wordt het parkeren op de eigen ontwikkelplot op te lossen, maar dat er meer handvatten komen waarmee de gemeente een helpende hand kan bieden. De vier sporen zijn:
Spoor 1: Het beter benutten van restcapaciteit in openbare parkeergarages
Hiervoor zijn nieuwe abonnementsvormen ingevoerd waarbij de garages op rustige momenten beter worden gebruikt zonder op drukke momenten afbreuk te doen aan de beschikbare parkeercapaciteit voor bezoekers van de stad. Voor bezoekers van bewoners bij nieuwe wooncomplexen in de binnenstad is een bezoekersregeling voor de parkeergarages ontwikkeld.
Spoor 2: Met een hoogwaardig en betaalbaar aanbod deelmobiliteit een goed alternatief bieden voor de eigen auto
Met behulp van een vergunningenstelsel voor deelscooters en deelfietsen stuurt Tilburg actief op een hoogwaardig aanbod van deeltweewielers. Ook voor deelauto’s wordt gewerkt aan een vergelijkbaar mechanisme om met aanbieders langdurige afspraken te kunnen maken over kwantiteit en kwaliteit van hun aanbod voor de bewoners van de stad. In de nota parkeernormen zijn voorwaarden voor deelmobiliteit opgenomen. Begin 2026 zal er een Mobiliteitsfonds ingericht zijn. Dit Mobiliteitsfonds wordt primair gevuld met bijdragen vanuit de ontwikkelaars. De gemeente zal die middelen inzetten om bij nieuwe ontwikkelingen een hoogwaardig aanbod aan deelmobiliteit te organiseren.
Spoor 3: Gebiedsgericht aan de rand van de binnenstad openbare parkeercapaciteit toevoegen
Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat er aan de oostkant van het centrum een aantal van 500 á 600 extra parkeerplaatsen in openbare gebouwde voorziening wordt gerealiseerd. Deze capaciteit is vooral ook bedoeld voor het faciliteren van de extra parkeerbehoefte ten gevolge van de vele nieuwe ontwikkelingen in de binnenstad (incl. Spoorzone).
Spoor 4: Transferia bij de belangrijke toegangspoorten van de stad
Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat een tweetal transferia wordt ingericht: eerst bij het ETZ ziekenhuis en daarna in Noord. Deze transferia worden voorzien van hoogwaardig natransport, waaronder snelle en frequente buslijnen.
Aanvullend is op 31 maart 2025 door de raad de Financiële Strategie Parkeren vastgesteld. Daarin zijn twee belangrijke besluiten opgenomen, te weten:
In de vier grote gebiedsontwikkelingen (Tilburg Noord, Kenniskwartier, Stappegoor en Brede Binnenstad (incl. Spoorzone en omgeving Piushaven) is de gemeente bereid voor eigen rekening en risico gebiedsgerichte parkeervoorzieningen, zogeheten Parkeerhubs, te realiseren en te exploiteren.
In de omgeving van dergelijke Parkeerhubs zal een vorm van parkeerregulering worden ingevoerd.
Het financiële instrumentarium waarmee de kosten van deze belangrijke stappen gedekt kunnen worden zal begin 2026 worden vastgesteld.
Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020
Het Tilburgs beleid voor de fiets is vastgelegd in “Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020”, welke door het college is vastgesteld op 8 december 2020.
De fietsagenda is één van de vijf uitwerkingen van de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 (MAT2040) en de MobiliteitsAgenda 013. Hierin is de doelstelling opgenomen dat tweederde van de verplaatsingen binnen de stad in 2040 op actieve wijze plaatsvindt (lopen en fietsen) en een groei van 20% van het aantal gereden fietskilometers in 2027 ten opzichte van 2017. Fietsen is inclusief, draagt bij aan een duurzame stad en is cruciaal in gezondheidspreventie. Daarom kiest de gemeente Tilburg voor de fiets en doet dit consequent. Hierbij wordt ingezet op drie pijlers: fietsinfrastructuur, fietsparkeren en fietsstimulering. De fietsagenda verbindt het Tilburgs fietsbeleid met het Regionaal Fietsbeleidsplan 2016-2020 (regio Hart van Brabant), met de Samenwerkingsagenda BrabantStad Fiets 2019-2022 (de vijf Brabantse steden, de provincie NoordBrabant en BUas) en met het landelijke Tour de Force 2e etappe Schaalsprong Fiets (samenwerking tussen het Ministerie van I&W, IPO, VNG/F10, vervoerregio's en diverse organisaties waaronder de ANWB en de RAI Vereniging).
Agenda voor het stedelijk openbaar vervoer in Tilburg
De Tilburgse OV-agenda vormt een uitwerking van actuele kaders, waaronder de Mobiliteitsaanpak Tilburg (2016), Verstedelijkingsstrategie (2022), Parkeerstrategie (2022) en de Netwerkanalyse (2020). In het bestuursakkoord 'Meer voor Elkaar' (2022) is opgenomen dat voor het realiseren van de woningbouwopgave en voor een prettig en gezond verblijfsklimaat een mobiliteitstransitie noodzakelijk is met inzet op hoogwaardig openbaar vervoer voor de lange termijn.
Om Tilburg leefbaar en bereikbaar te houden, dient het aantal reizigers in 2040 met een factor 3-4 te zijn gegroeid ten opzichte van 2019. Om dat te bereiken, zet Tilburg op hoofdcorridors in op Bus Rapid Transit (BRT). Hier reizen inwoners en bezoekers snel en comfortabel over busbanen naar hun bestemming. Aanvullend op BRT worden sterke ontsluitende stads- en streeklijnen gehandhaafd. Een hoogfrequente stadslijn door de oude stad van noord naar zuid verbindt de Parkring, het Museumkwartier, Wagnerplein en mogelijk het ziekenhuis en te ontwikkelen transferia in Noord en Zuid. Tenslotte gaan reizigers voor de kleine vervoersbehoeften gebruik maken van flexibele, ondersteunende, toegankelijke diensten.
Netwerkanalyse, de auto-agenda Tilburg
De Omgevingsvisie uit 2015, de Mobiliteitsaanpak uit 2016 en TilburgNext uit 2017, sturen in combinatie met een mobiliteitstransitie en een toename van een fors aantal inwoners aan op stedelijke ontwikkeling die bijdraagt
aan een vitale, economische sterke, inclusieve en mooie stad om in te wonen en werken. Dit geldt ook voor de binnenstad, dat als nieuw centrum toe moet naar meer bezoekers, meer inwoners en meer verblijfskwaliteit. Dit vergt echter ruimte en die is slechts beperk t beschikbaar.
Ten behoeve hiervan is de netwerkanalyse uitgevoerd en vastgesteld door de raad op 1 februari 2021.
In de netwerkanalyse is een betere benutting van de buitenring van de stad, voor vracht- en doorgaand verkeer, door een optimalisering van deze routes, opgenomen. Daarnaast is vastgesteld dat de gehele cityring in een kwalitatieve en leefbare openbare ruimte geïntegreerd moet worden, met gegarandeerde bereikbaarheid van de binnenstad voor bewoners, bezoekers en bevoorrading. Hiervoor is op 4 oktober 2021 door de raad een aantal concrete, aanvullende, maatregelen vastgesteld die de hoeveelheid verkeer op de cityring in voldoende mate terugbrengt. Met deze aanpassingen wordt ook de naam “cityring” vervangen door een naam die de lading beter dekt en verwijst naar de parkeerroute en het gewenste groene karakter van de ring. De huidige werknaam hiervoor is “Parkring”.
Tilburg loopt!, de loopagenda Tilburg 2020 – 2023
Lopen draagt bij aan de doelen in het bestuursakkoord. Lopen maakt, zoals wetenschappelijk is bewezen, gezond en gelukkig. Lopen is inclusief, duurzaam en draagt bij aan de vitaliteit van onze inwoners.
Met dit doel is op 12 mei 2020 de loopagenda vastgesteld. Deze agenda geeft invulling aan het handvest voor lopen, het partnerschap van het platform ruimte voor lopen, de mobiliteitsaanpak 2040 en de mobiliteitsagenda
013. Bij de mobiliteitsaanpak 2040 horen uitvoeringsagenda's. In de loopagenda is het uitvoeringsprogramma voor de voetganger opgenomen.
De uitgangspunten die zijn vastgesteld gaan uit van volledige toegankelijkheid voor iedereen. Lopen maakt deel uit van elke verplaatsing, ook die waarbij andere vervoerswijzen betrokken zijn. Het kan ook alleen een ommetje zijn. Er moet voor voetgangers een basiskwaliteit zijn, maar op plaatsen waar veel voetgangers komen moet dat een extra kwaliteitsimpuls krijgen.
Nota 'Parkeernormen Tilburg 2026', parkeernormen voor de auto en voor de fiets
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2026' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen.
Toetsing
In beginsel worden de aspecten verkeer en parkeren beoordeeld conform het STOMP principe. STOMP staat voor: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en ten slotte de Privéauto. Het STOMP principe gaat ervanuit dat de voetgangers en fietsers de belangrijkste verkeersdeelnemers zijn die binnen de ontwikkeling gefaciliteerd dienen te worden, daarna volgt het openbaar vervoer en de deelmobiliteitsvoorzieningen en als laatste wordt de privéauto gefaciliteerd. Het toepassen van het STOMP principe draagt bij aan een duurzame gebiedsontwikkeling, daarom is dit principe belangrijk om mee te nemen in de beoordeling.
In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect verkeer zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerwijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer). Dit gebeurt in de volgende stappen:
Allereerst is op basis van kaart- en beeldmateriaal van de ontsluitingsstructuur voor de verschillende vervoerswijzen geïnventariseerd. Daarbij kijken wij conform het STOMP principe eerst naar de infrastructuur voor langzaam verkeer, vervolgens het aanbod aan openbaar vervoer in de omgeving, en tenslotte kijken wij naar de ontsluitingsstructuur voor het gemotoriseerde verkeer.
Vervolgens is de verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling berekend. Hierbij wordt in principe gebruik gemaakt van de meest recente CROW-kencijfers.
Daarna zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en -veiligheid beoordeeld.
Tot slot is getoetst of de beoogde ontwikkeling voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
Voetgangers
Onderzocht is of er binnen een acceptabele loopafstand (ca. 500 meter) bestemmingen zijn die een verplaatsing te voet realistisch maken, of de wegen en straten in de omgeving van de beoogde ontwikkeling voorzien zijn van veilige en comfortabele voetpaden en of de wegen veilig en zonder grote omwegen oversteekbaar zijn.
Binnen 500 meter naar het noordwesten zijn voorzieningen te voet bereikbaar. Hier bevindt zich het centrum van Tilburg. Ook bevindt zich binnen 500 meter basisschool OBS Panta Rhei. De looproute naar de basisschool loopt over de Piushaven, Schoenerstraat en Galjoenstraat. Deze zijn voorzien van vrijliggende voetpaden, die allen met circa 2 meter breed genoeg zijn om zonder problemen naast elkaar te lopen en andere voetgangers te kunnen passeren. Met een maximumsnelheid van 30 km/u en een intensiteit van maximaal 3.400 motorvoertuigen per etmaal zijn de straten zo rustig dat oversteken overal veilig kan.
De openbare ruimte rondom de nieuwbouw zal ingericht worden als een onderdeel van het wandelroute netwerk van Tilburg. Het vormt de verbinding tussen de zuidelijke kade en de binnenstad. De openbare ruimte krijgt een hoogwaardige verblijfskwaliteit.
Fietsers
Onderzocht is of er binnen een acceptabele fietsafstand (ca. 2 kilometer, wat langer voor voortgezet onderwijs of werk) bestemmingen zijn die een verplaatsing per fiets realistisch maken, of de wegen en straten in de omgeving van de beoogde ontwikkeling voorzien zijn van veilige en comfortabele fietspaden en of de wegen veilig en zonder grote omwegen oversteekbaar zijn.
Het centrum van Tilbrug is vanaf de planlocatie binnen enkele minuten te bereiken met de fiets. Ook zijn de sportvelden aan de oostzijde van Tilburg binnen 5 á 6 minuten te bereiken met de fiets en sluit de locatie goed aan op het fietsnetwerk van Tilburg”.
Om fietsers zo veel mogelijk te faciliteren wordt er gebruik gemaakt van overzichtelijke en goed bereikbare gedeelde fietsenstallingen. In de nieuwbouw is voorzien in een ondergrondse fietsenstalling voor bewoners, bereikbar via een hellingbaan voorzien in gebouw 4. Bezoekers kunnen de fiets in de openbare ruimte stallen.
Openbaar vervoer
Tilburg is per openbaar vervoer met bussen en treinen ontsloten. De dichtstbijzijnde halte is halte Piusstraat, vanwaar meerdere malen per uur bus 1 of 2 naar het centrum vertrekt en vise versa. Deze buslijnen worden de gehele dag bediend. De reis naar het station duurt ongeveer een kwartier. Vanuit het station rijden er treinen in de richting van Breda, 's-Hertogenbosch en Eindhoven.
Auto
De beoogde ontwikkeling is voor gemotoriseerd verkeer ontsloten via de Piushaven en Vendeliersstraat van en naar Ringbaan-Zuid.
Parkeren
Het parkeren zal zo veel mogelijk uit het zicht ondergronds gefaciliteerd worden. De toekomstige parkeerbehoefte voor auto's wordt vrijwel volledig op eigen terrein voorzien in een volledig verdiepte parkeergarage onder de gebouwen 2 tot en met 5. De centrale toegang voor auto en fiets tot deze parkeergarage is voorzien in gebouw 4. De parkeergarage is via lift of trap bereikbaar via gebouw 3.
In deze parkeergarage kunnen maximaal 134 autoparkeerplaatsen gerealiseerd worden. Dit zijn parkeerplaatsen voor bewoners en deelauto's. In het openbaar gebied wordt het restant voor bezoekersparkeerplaatsen gerealiseerd waarbij deels ook bestaande parkeerplaatsen kunnen worden gebruikt. Hiermee is voor dit plan een sluitende parkeerbalans mogelijk, waarbij het autoparkeren een plek krijgt en het opladen van elektrische auto's wordt gefaciliteerd. Ingevolge de nota parkeernormen 2026 ligt het plangebied in zone A. De parkeerbalans gebaseerd op zone A is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting.
Na de bouw van fase 1 en zolang de parkeergarage nog niet in gebruik kan worden genomen, worden tijdelijke parkeerplaatsen aangelegd, zoals aangegeven in bijlage 17 bij deze toelichting.
Verkeersgeneratie
De verkeersgeneratie is gebaseerd op de kencijfers van de CROW publicatie 744. De projectlocatie valt binnen schil centrum en is zeer sterk stedelijk.
|
Functie |
Aantal |
Eenheid |
Kencijfer |
Verkeersgeneratie |
|
Huur, appartement sociale huur <75 m2 bvo |
125 |
woningen |
1,8 per woning |
225 mvt/etmaal |
|
Huur, appartement vrije secor, < 75m2 bvo |
31 |
woningen |
1,9 per woning |
58,9 mvt/etmaal |
|
Huur, appartement vrije sector 75-100m2 bvo |
41 |
woningen |
2 per woning |
82 mvt/etmaal |
|
Huur, appartement vrije sector >100m2 bvo |
4 |
woningen |
3,9 per woning |
15,6 mvt/etmaal |
|
Koop, appartement < 75 m2 bvo
|
20 |
woningen |
3,2 per woning |
64 mvt/etmaal |
|
Koop, appartement 75-100 m2 bvo
|
32 |
woningen |
4,1 per woning |
131,2 mvt/etmaal |
|
koop, appartement > 100 m2 bvo
|
19 |
woningen |
5,8 per woning |
110,2 mvt/etmaal |
|
Overige functies |
1000 |
m2 bvo |
38,5 per 100m2 bvo |
38,5 mvt/etmaal |
Op basis van bovenstaande kent de beoogde ontwikkeling een verkeersgeneratie van 725 mvt/etmaal. Het plangebied wordt vanuit de uitrit van de parkeergarage in gebouw 4 via de Tamboerskade ontsloten. Deze straat wordt tot aande ingang van de garage tweerichtingverkeer en daarna (ter hoogte van gebouw 3) ingericht naar éénrichtingsverkeer. Gezien de lage verkeersintensiteiten op omliggende wegen en gezien verdeling van verkeer over diverse straten en éénrichtingsverkeer, zal de toename per straat beperkt zijn en worden geen problemen met de verkeersafwikkeling verwacht.
4.1.5 Water en watersystemen
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg
Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom willen we dat de stad leefbaar blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een Koel Tilburg.
De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragen aan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet.
Het klimaat verandert sneller dan gedacht. Daarom vinden we dat ieder initiatief moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld. De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2024 - 2027. De beleidsregels worden vertaald in het Handboek Openbare Ruimte en in het omgevingsplan.
De zes doelstellingen:
Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied;
Robuuste groen- blauwe structuren;
Een koele woonomgeving;
Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld;
Klimaatbestendige bedrijventerreinen;
Klimaatbewustwording en Koel gedrag.
Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp:
Zorg voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen;
Zorg voor ‘koelte-eilanden’ en koele looproutes;
Zorg dat regenwater infiltreert op de plek waar het valt, dan droogt de bodem niet uit;
Zorg voor waterbergingsruimte om extreme buien op te vangen;
Gebruik groen als basis en verharding waar nodig.
Programma Water en Riolering
Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing.
Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
Als gevolg van het veranderende klimaat is de bestaande situatie vaak niet bestand tegen hevige buien en langdurige droogte. Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een regenwateropgave. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. De volgende criteria bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden:
|
Regenwateropgave |
|
Opgave bij A < 50 m² |
Opgave bij 50 m² ≤ A < 200 m² |
Opgave bij A ≥ 200 m² |
|
Ruimtelijke ontwikkeling |
|
||||||||
|
Openbare ruimte |
|
Tabel regenwateropgave per type en schaal van ontwikkeling
*De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niets mee gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave.
**Er geldt altijd een minimale opgave van 10 mm voor bergen en infiltreren.
***Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar).
De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad met het oog op de toenemende verdroging.
Duurzaam watersysteem
De volgende randvoorwaarden voor het watersysteem en klimaatadaptatie worden gehanteerd voor de ontwikkeling.
Randvoorwaarden watersysteem:
Zowel inpandig als terreinriolering is een gescheiden watersysteem;
Zo min mogelijk verharding aanleggen, ter voorkoming van hittestress;
Verplichte waterbergingsopgave wordt in eigen terrein gerealiseerd, met een minimale inhoud van 60 l/m² aangekoppeld afwaterende oppervlakken;
Technische oplossing voor de waterberging bij voorkeur een bovengrondse voorziening, bijvoorbeeld een wadi. Ondergrondse oplossingen zijn ongewenst.
Bergen in groene daken is een mogelijkheid. De bergingscapaciteit ervan kan afgetrokken worden van de bergingsopgave;
Keuze van terrein- en vloerhoogte is voor rekening van de eigenaar. Gemeente adviseert vloerhoogten minimaal 20 cm boven de hoogste punt in openbare ruimte i.v.m. risico op wateroverlast bij extreme neerslag, aangezien de locatie een verhoogd risico heeft op wateroverlast;
Geen drainage dieper aanleggen dan GHG grondwater.
Randvoorwaarden klimaatadaptatie:
Hitte: ontwerp moet insteken op verbetering t.o.v. heden. Streef naar minimaal 30% van terrein waar geen bebouwing is, groen in te richten zodat schaduw door groen (bomen) in de heetste moment van de dag na 5 jaar groei, bij normale groeiomstandigheden. Positionering en oriëntatie van bomen afstemmen op standplaats van gebouw en (buiten)verblijfruimtes.
Weging van het waterbelang
Hoogteligging
Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich ten zuiden van het plangebied aan de Tamboerskade op een hoogte van 13,40 tot 13,50 m +NAP. De Hopliedenkade aan de noord- en oostzijde van het plangebied ligt op een hoogte van 13,60 m +NAP. In onderstaande figuur is een uitsnede van het AHN (bron: AHN 5) weergegeven.
Figuur: Uitsnede AHN 5, met plangebied geel omlijnd. (Bron: AHN 5) Bodem
Het plangebied ligt volgens de bodemkaart van Nederland, in een niet-gekarteerd gebied. De bovengrond zal zeer waarschijnlijk gekenmerkt worden door antropogene afzettingen (geroerde en opgebrachte grond). Op basis van boorprofielen uit de BRO zijn van de bodem tot ca. 2,0 à 2,5 meter beneden maaiveld geen gegevens beschikbaar (geen monsters genomen). Vanaf 2,0 à 2,5 meter beneden maaiveld wordt tot ca. 4,0 meter beneden maaiveld fijn zand aangetroffen. Op basis van het REGIS II v2.2 en GeoTOP v1.6 model van uit het BROloket bestaat de bodem, behorende tot de formatie van Boxtel, tot 5,0 meter beneden maaiveld uit zand, zeer fijn tot zeer grof zand.
Oppervlaktewater
Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem.
Op de legger waterstaatwerken 2023 van waterschap De Dommel zijn de in de directe omgeving van het plangebied gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Op basis van de legger van waterschap De Dommel is in de directe omgeving van het plangebied geen oppervlaktewater gelegen dat voor het waterschap waterhuishoudkundig van belang is.
Aan de noordzijde van het plangebied ligt de Piushaven. De Piushaven staat in open verbinding met het Wilhelminakanaal die ca. 1,3 km ten oosten van het plangebied ligt. Het Wilhelminakanaal verbindt Tilburg en Eindhoven met de Maas. De normaal waterstand in het Wilhelminakanaal (meetpunt Sluis 23 boven en sluis 24 beneden) ligt tussen de 12,35 en de 12,85 m +NAP. Het streefpeil ligt op 12,55 m +NAP. Bij een verhoogde waterstand kan het waterpeil in het Wilhelminakanaal hoger zijn dan 13,00 m +NAP.
Grondwater
Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Bij nieuwbouwplannen is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand).
Binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Voor de bepaling van de locatie specifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn daarbij geïnterpoleerd naar het plangebied. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in noordoostelijke richting.
Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor het plangebied ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen tussen 11,50 en 12,00 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op 1,40 tot 1,60 m -mv bevinden. Het lokale grondwaterregime zal daarbij sterk worden beïnvloed door het waterpeil in de nabij gelegen Piushaven dat in openverbinding staat met het Wilhelminakanaal (zie oppervlaktewater). De daadwerkelijke grondwaterstand binnen het plangebied kan daardoor lokaal hoger staan dan 12,00 m +NAP. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone.
Veiligheid (waterkering)
Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.
Ontwatering
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen. De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402020.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402020.jpg)
Figuur: Ontwatering
De gemeente Tilburg draagt zorg voor het in stand houden van de ontwateringsfunctie van singels en drainage (voor zover deze aanwezig is). In nieuwbouw gebieden zijn daarbij de ontwateringsdiepten uit onderstaande tabel het te eisen minimum. De ontwateringsdiepten gelden als een inspanningsverplichting. De gemeente kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor het handhaven van de genoemde waarden. Door in nieuwbouwsituaties en bij inbreidingen (extra) hoge peilhoogten te hanteren wordt het risico op grondwateroverlast verder beperkt.
Dit moet uiteraard wel mogelijk zijn gelet op de omliggende percelen en aangrenzend openbaar gebied. De voorkeur gaat uit naar ophogen in plaats van de aanleg van drainage. In bestaand gebied wordt gestreefd naar het behalen van deze normen. Drainage van bodem- of hangwater mag uitsluitend boven de GHG.
Tabel minimale ontwateringsdiepten bij nieuwbouw men ontwateringsdiepte
|
Functie |
Minimaal benodigde ontwateringsdiepte (m t.o.v. GHG) |
|
Bebouwing met kruipruimte* |
0,9 |
|
Bebouwing met water- en vochtdichte vloeren* |
0,7 |
|
Tuinen/groenvoorzieningen |
0,5 |
|
Hoofdwegen** |
1,0 |
|
Secundaire wegen en woonstraten** |
0,9 |
* t.o.v. onderkant vloer
** t.o.v. de kruin van de weg
Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van 13,40 tot 13,60 m +NAP. De GHG is ingeschat op 12,00 m +NAP. De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau en toekomstige (bouw)peilen voldoende. Ophoging van maaiveld is niet direct noodzakelijk. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen komen de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 tot 30 cm hoger te liggen dan het naastgelegen wegpeil of maaiveldniveau. Ondergrondse bouwwerken dienen waterdicht te worden uitgevoerd.
Riolering
In de rondom het plangebied gelegen wegen ligt een gemengd rioolstelsel. De bestaande bebouwing is via een hulpstuk en uitleggers aan de west- en oostzijde aangesloten op het gemengd riolenstelsel. In onderstaande figuur is de situering van het rioolstelsel weergegeven.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402021.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402021.jpg)
Figuur: Riolering in de omgeving van het plangebied
Beleid en regelgeving
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is onder meer vastgelegd in het Programma Water en Riolering 2024-2027 (PWR). Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken.
Bij de bepaling van de benodigde waterberging of compensatie wordt er vanuit de gemeente geen rekening gehouden met de voormalige verharding op het terrein. Voor de regenwateropgave maakt het dus niet uit of het terrein voorheen onverhard (bijvoorbeeld groen waar gebouwd wordt) of al verhard was (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw). Hiermee gaat de gemeente Tilburg verder dan het Hydrologisch-neutraal-ontwikkelen principe van de Brabantse waterschappen waarbij alleen voor de toename van verharding een regenwateropgave geldt. De gemeente hanteert daarom het verdergaande beleid van Hydrologisch-positief-ontwikkelen. Voor nieuw verhard oppervlak geldt altijd een wateropgave ook als het terrein voorheen ook al verhard was.
De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die het waterschap oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. De criteria zoals navolgend weergegeven bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden.
< 50 m²: Voor een verhard oppervlakte tot 50m² wordt geen waterbergingsopgave gesteld;
50 tot 200 m²: Voor een verhard oppervlak van 50 tot 200 m² geldt in basis een opgave van 20 mm bij nieuwe toename verharding en 10 mm bij vervanging van bestaande verharding;
=>200 m²: Vanaf 200 m² verhard oppervlak geldt in basis een opgave van 60 mm (zowel voor toename als vervanging).
Verhard oppervlak en bergingsopgave
In de bestaande situatie is het plangebied voor 75% bebouwd en verhard. Zie onderstaande tabel.
Tabel Oppervlakten bestaande situatie
|
Type oppervlak |
Oppervlak (m2) |
Verhardingspercentage (%) |
Verhard (m2) |
Regenwateropgave (m3) |
|
Bebouwing |
3.322 |
100 |
3.322 |
199 |
|
Verharding |
3.533 |
100 |
3.533 |
212 |
|
Groen |
2.394 |
0 |
0 |
|
|
Totaal |
9.249 |
- |
6.855 |
411 |
Figuur: Verharding in de bestaande situatie
De realisatie van de geplande hoogbouw en parkeergarage resulteert in een verhard oppervlak van 7.546 m2. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 691 m2. In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.
Tabel Oppervlakten toekomstige situatie
|
Type oppervlak |
Oppervlak (m2) |
Verhardingspercentage (%) |
Verhard (m2) |
Regenwateropgave (m3) |
|
Bebouwing |
3219 |
100 |
3219 |
193 |
|
Verharding |
3453 |
100 |
3453 |
53 |
|
Daktuin (parkeergarage) |
1249 |
70 |
874 |
53 |
|
Overig/onverhard |
1328 |
0 |
0 |
0 |
|
Totaal |
9249 |
|
7546 |
453 |
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402023.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402023.jpg)
Figuur: Verharding in de toekomstige situatie
De gemeente Tilburg hanteert het beleid van Hydrologisch-positief-ontwikkelen. Voor nieuw verhard oppervlak geldt altijd een wateropgave ook als het terrein voorheen al verhard was. Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is vanuit de gemeente een regenwateropgave geïntroduceerd die verplicht tot het aanbrengen van een regenwaterberging van 60 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal 453 m3 (7.546 m2 x 60 mm).
Waterhuishouding
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren);
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren);
Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd;
Verhard oppervlak 7.546 m2.
Toename verhard oppervlak 691 m2.
Wateropgave 453 m3;
Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG;
GHG 11,50 - 12,00 m +NAP;
Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden);
Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.
Hemelwater
Voor het verwerken van regenwater hanteert de gemeente de volgende voorkeursvolgorde (vasthouden, bergen, afvoeren):
Regenwater infiltreren;
Regenwater bovengronds bergen in openbare groenvoorzieningen zoals wadi's, taluds, verlaagde bloemperken, etc.;
Regenwater bergen op gebouwen (retentiedak);
Regenwater bovengronds bergen op straat o.a. holle wegen, tussen trottoirbanden, verdiepte parkeervakken;
Regenwater bergen in ondergrondse voorziening (mits goed te onderhouden);
Regenwater oppervlakkig/ zichtbaar afvoeren over de weg;
Regenwater ondergronds afvoeren via riolen.
Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen het plangebied verwerkt.
Om te kunnen voorzien in voldoende waterberging en eventueel hergebruik van regenwater, worden het dakoppervlak van gebouwen 2, 3 en 4 voorzien van waterberging Het dakoppervlak van gebouw 1 wordt vooralsnog voor 50% beschouwd als geschikt voor de aanleg van waterberging. Gebouw 5 krijgt geen waterberging. In totaal wordt 2.380 m2 aangelegd als waterberging. De daken worden voorzien van groen waar mogelijk. Op de parkeergarage wordt een daktuin aangelegd. Voor het oppervlak van de parkeergarage en daktuin met een oppervlak van 1.249 m2 is een reductie toegepast van 30%. In onderstaande figuur is de situering en ligging van de verschillende gebouwen en parkeergarage weergegeven.
Figuur: Bebouwing en toepassing groene daken
In het algemeen kan er onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten groendaken: extensieve en intensieve groendaken.
Extensief
Een extensieve groendak zijn lichtgewicht begroeide daken met een kortstondige vertraagde afvoer. Deze daken worden ook wel sedum-, gras- of kruidendaken genoemd. In een dergelijke reguliere en extensieve systeemopbouw voor de beplanting en/of bestrating kan op een bepaalde mate waterberging plaatsvinden. Dit wordt ook wel sponswerking genoemd. Hoewel de sponswerking nuttig is voor bijvoorbeeld beplantingen, is het een zogenaamde niet-reguleerbare waterberging. De sponswerking van lichtgewicht begroeide daken is het grootst bij kleine tot gemiddelde regenbuien. Bij heftige en langdurige regenbuien wordt de eerste piek van de bui afgezwakt, maar de substraat- en drainagelaag zijn snel verzadigd. Met een begroeid dak van dit type kan in een toestand waarbij de maximale waterbergingscapaciteit is bereikt ongeveer 15 tot < 20 mm regenwater tijdelijk vastgehouden worden.
Intensief
Een intensieve groendak of te wel groenblauw dak heeft in tegenstelling tot een extensief dak een drainagelaag voorzien van extra bergingscapaciteit of retentie. Retentie is in deze het overkoepelende begrip voor het vasthouden en vertraagd afvoeren van hemelwater. In een dergelijk systeem blijft er altijd een hoeveelheid water in de drainagelaag achter die beschikbaar blijft voor de vegetatielaag. De hoeveelheid water die blijft staan in de drainagelaag is afhankelijk van de afvoerregeling. Met een begroeid dak van dit type kan in een toestand waarbij de maximale waterbergingscapaciteit is bereikt 45 tot = 60 mm regenwater tijdelijk vastgehouden worden.
Vooralsnog is met de gemeente Tilburg besproken dat voor de toekomstige dakoppervlakten van groene daken wordt uitgegaan van een beschikbare berging van 60 mm per m2. Op basis van een dakoppervlak van 2.380 m2 wordt op de groendaken voorzien in een retentie of waterberging van ca. 143 m3 (2.380 m2 x 60 mm).
Het restant van de waterbergingsopgave, 310 m3 (453 m3 - 143 m3) kan bijvoorbeeld worden opgevangen door het realiseren van extra retentie in de opbouw van de daktuin en door het maaiveld binnen de groene delen in het plan te verlagen. Het vullen van het systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, en/of lijn,- molgoten. Eventueel kan het toepassen van het watermanagementsysteem als lijninfiltratie een mogelijkheid beiden.
Kwaliteit
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Grondwater
In het planvoornemen is momenteel de aanleg van een parkeergarage voorzien. Ondergrondse werken mogen een vrije afstroming van grondwater naar het oppervlaktewater niet belemmeren. In overleg met de waterbeheerders zal tijdens verdere planuitwerking, middels het uitvoeren van een geohydrologisch onderzoek (zogenoemde barrièreberekening) en bemalingsadvies, moeten worden berekend c.q. worden aangetoond dat de ondergrondse constructie geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving.
Vuilwater
Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting worden in overleg met de gemeente nader besproken.
Conclusies en aanbevelingen
Er zijn vooralsnog geen aanvullende gegevens beschikbaar van de grondwaterstand op locatie. Hierdoor is geen inzicht in het lokale grondwaterregime en interactie of correlatie met neerslag of waterpeil in de Piushaven. Vanwege de realisatie van de voorziene parkeergarage en de zeer beperkte lokale grondwaterdata wordt geadviseerd om binnen het plangebied een peilbuis te plaatsen en de grondwaterstand te monitoren.
In het plangebied wordt een verhard oppervlak gerealiseerd van circa 7.546 m2. De benodigde waterberging bedraagt ca. 453 m³. Hemelwater wordt in eerste instantie opgevangen op de toekomstige daken. Ter compensatie van het verhard oppervlak en het voorkomen van een versnelde afvoer van neerslag is in totaal ca. 2.380 m2 dakoppervlak voorzien als groen dak. Uitgaande van een berging of retentie van 60 mm per vierkante meter kan op de toekomstige daken 143 m3 water worden geborgen. Het restant van de waterbergingsopgave, 310 m3, zal worden opgevangen door het realiseren van extra retentie in de daktuinopbouw boven de parkeergarage en door het maaiveld binnen de groene delen in het plan te verlagen.
De exacte invulling van de waterbergingsopgave en compenserende maatregelen, waaronder systeemkeuze en situering, wordt na vaststellen van de ruimtelijke motivering nader uitgewerkt in een waterhuishoudkundigplan en afgestemd met gemeente en waterschap. Bij betreffende uitwerking zal separaat dan wel geïntegreerd ook een rioleringsplan, drainageplan en waterbergingsplan worden opgesteld.
Ten aanzien van de aanleg van de parkeergarage zal in overleg met de waterbeheerders tijdens verdere planuitwerking, middels het uitvoeren van een geohydrologisch onderzoek (zogenoemde barrièreberekening) en bemalingsadvies, inzichtelijk worden gemaakt of de ondergrondse constructie geen nadelige gevolgen heeft voor de omgeving.
4.1.6 Natuur en ecologie
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet en is grotendeels bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen.
Natura 2000
Het Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied of die significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied vallen onder een ‘Natura 2000-activiteit’ en zijn vergunningsplichtig. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied “Kampina & Oisterwijkse Vennen” dat op ongeveer 3,3 kilometer ten oosten van het plangebied ligt. Een andere nabijgelegen Natura2000-gebied is “Regte Heide & Riels Laag” op ongeveer 4,9 kilometer. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen directe negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402025.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402025.png)
Figuur: Ligging plangebied (blauwe marker) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland en Natura2000-gebieden (Bron: Atlas Leefomgeving)
Indirecte effecten zoals stikstofdepositie kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Om deze effecten te bepalen zijn er stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn als bijlage bij deze onderbouwing bijgevoegd.
Voor de gebruiksfase zijn de volgende uitgangspunten genomen:
Verkeersaantrekkende werking:
De verkeersaantrekkende werking is in paragraaf 5.1.2 bepaald op 725 verkeersbewegingen per etmaal.
Er is geen rekening gehouden met vrachtverkeer vanwege de milieunormen die gelden in het gebied.
Koude starts:
Uitgangspunt is dat alle vertrekkende bewegingen een koude start genereren. Dit komt neer op 363 koude starts per etmaal.
Verkeersverdeling:
Uitgegaan is van de volgende verkeersverdeling: Het verkeer verdeelt zich gelijkmatig over 4 windrichtingen (25% elk), rekening houdende met eenrichtingswegen.
Het verkeer dat in noordwestelijke richting gaat, is vanwege eenrichtingswegen ingevoerd voor 12,5%. Het verkeer gaat hier op de Koopvaardijstraat/Piusstraat.
Het verkeer in oostelijke richting gaat op in het heersende verkeersbeeld op de Wethouder Baggermanlaan. De toename van het verkeer ligt onder de waarde van 5% van de heersende intensiteit.
Het verkeer in zuidelijke richting gaat op in het heersende verkeersbeeld op de Groenstraat. De toename van het verkeer ligt onder de waarde van 5% van de heersende intensiteit.
Het verkeer in westelijke richting gaat op in het heersende verkeersbeeld op de Broekhovenseweg. De toename van het verkeer ligt onder de waarde van 5% van de heersende intensiteit.
Deze uitgangspunten resulteert in een toename van 0,00 mol N/ha/jaar voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. In bijlage 5 (stikstofmemo) en bijlage 6 en bijlage 7 (Aeriusberekeningen) is de stikstofberekening opgenomen.
Soortenbescherming
In het wild levende planten en dieren zijn beschermd onder de wet. Bij handelingen of werkzaamheden die effect hebben op deze soorten zal een vergunning voor een ‘flora en fauna-activiteit’ aangevraagd moeten worden. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats
Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern
Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn
Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Toetsing
Er is een quickscan flora fauna uitgevoerd (bijlage 8) om inzichtelijk te maken welke beschermde plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn binnen het plangebied. Dit document is als Bijlage 4 bij deze motivering gevoegd. In onderstaande tabel staan de voornaamste conclusies uit het onderzoek.
|
Soorten |
Negatieve effecten te verwachten? |
Algemene vrijstelling? |
Nader onderzoek geadviseerd? |
|
Flora |
Nee |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
Vleermuizen |
Ja |
Nee |
Ja, gebouwbewonende vleermuizen |
|
Grondgebonden zoogdieren |
Ja |
Ja |
Nee |
|
Vogels |
Ja |
Nee |
Ja, huismus |
|
Vissen |
Nee |
- |
- |
|
Reptielen en amfibieën |
Nee |
- |
- |
|
Ongewervelden |
Nee |
- |
- |
Voor grondgebonden zoogdieren, gebouwbewonende vleermuizen en huismus kunnen negatieve effecten vanwege het plan niet worden uitgesloten. Voor grondgebonden zoogdieren geldt een algemene vrijstelling conform het Besluit activiteiten leefomgeving. Wel dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Voor gebouwbewonende vleermuizen en huismus wordt nader onderzoek geadviseerd. Echter, voor de huismus, gierzwaluw en vleermuizen binnen de bebouwde kom (woongebieden) van Tilburg, Berkel-Enschot, Udenhout en Biezenmortel is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) bij sloop, renovatie of verduurzaming van woningen. Deze ontheffing staat gelijk aan de vergunning voor een flora- en fauna-activiteit onder de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving). De ontheffing is afgegeven tot 13 maart 2028. Aangezien de bebouwing binnen het plangebied vóór die datum wordt gesloopt, kan gebruik worden gemaakt van de ontheffing.
Er dient een aanvraag gedaan te worden om gebruik te maken van deze ontheffing. Na de aanvraag moet er een ecologisch werkprotocol (ewp) worden opgesteld met daarin mitigerende en compenserende maatregelen. Na goedkeuring van het ewp wordt een overeenkomst opgesteld en ondertekend opgestuurd naar de initiatiefnemer. Dit geldt dan als bewijs dat er gewerkt wordt onder de gebiedsontheffing. .
Ten behoeve van de Wnb-ontheffing is een soortenmanagementplan (SMP) opgesteld. In dit SMP zijn maatregelen opgenomen om het opzettelijk doden van dieren, te voorkomen. Het SMP bestaat uit een hoofdrapport en aantal deelrapporten, waaronder een deelrapport voor 'Oude stad'. Het hoofdrapport en deelrapport Oude Stad zijn als Bijlage 9 en Bijlage 10 bij deze motivering opgenomen.
De gemeente Tilburg is ontheffingshouder en daarmee verantwoordelijk voor implementatie en toepassen van de voorwaarden in de ontheffing. Voor dit project heeft gemeente Tilburg de ontheffing ingezet. De sloopactiviteiten dienen plaats te vinden conform de voorwaarden uit het SMP. Daarmee wordt een overtreding van het Besluit activiteit leefomgeving voorkomen.
Specifieke zorgplicht
Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij flora- en fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt. Wanneer de zorgplicht aan de orde is dient de gemeente hiervan te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezorgd worden naar een oplossing.
Omgevingsverordening Brabant
Naast genoemde wettelijke kaders vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de Omgevingsverordening en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.
Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe waarden streeft de provincie naar een samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Binnen Groenblauwe waarden geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem.
Toetsing
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe waarden, zoals begrensd op de kaarten van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 1,1 kilometer ten zuidoosten van het plangebied (Nieuwe Leij). Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.31 van de Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.
4.1.7 bomenverordening en beleidsregels bomen 2024
Bomen staan steeds meer onder druk. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van stedelijke druk. Dat is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van nadrukkelijk belang voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken door o.. stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024
Beleidsregels Bomen 2024
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Kaart Monumentale Bomen Tilburg (KMBT)
Deze documenten samen zorgen ervoor dat er een juiste balans is tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de leefbaarheid van de stad.
Bomenverordening 2024 en beleidsregels Bomen 2024
De Bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 bieden het particuliere en gemeentelijke bomenbestand bescherming met een velverbod met bijbehorende regels (vellen = rooien, kappen, verplanten of snoeien van meer dan 20% van de kroon of wortels). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime (zie BWZ-kaart en de KMBT). Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van de Bomenverordening en beleidsregels.
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Deze kaart geeft alle huidige openbare en particuliere houtopstanden in de gemeente Tilburg een waarde; er zijn zones met houtopstanden met een klimaat- , eco- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor bomen in deze zones zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria opgesteld o.a. over het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), compensatieverplichting en straatbeeld.
Hoog beschermingsregime: monumentale bomen en bomen met een klimaat- of ecowaarde. Het is in principe verboden deze bomen te vellen. Een vergunning wordt alleen afgegeven als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de boom.
Normaal beschermingsregime: dit zijn bomen met een basiswaarde of in de buiten-zone. Een omgevingsvergunning voor het vellen van deze bomen wordt verleend, tenzij er weigeringsgronden zijn op basis van natuur- en milieuwaarde, landschappelijke waarde, waarde voor straat- of stadsbeeld cultuurhistorische waarde, waarde voor recreatie of klimaatadaptieve waarde.
Kaart Monumentale Bomen (KMBT)
Op de KMBT staan alle monumentale bomen in de gemeente Tilburg (particulier en gemeentelijk). Voor deze bomen zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria en regels opgesteld, waardoor ze voldoende juridische bescherming krijgen. Monumentale bomen vallen onder het eerder genoemde hoge beschermingsregime. Daarnaast hebben gemeentelijke monumentale bomen een hoge prioriteit bij het gemeentelijk beheer en onderhoud.
Omgevingswet: bescherming houtopstanden buiten de bebouwde kom
Naast de bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 kunnen de rijksregels volgens de Omgevingswet over vellen van bomen gelden. Deze rijksregels zijn van kracht in het buitengebied van Tilburg. Wat er precies onder buitengebied valt, is vastgelegd met de bebouwingscontour kap (deze wordt vastgesteld door de gemeenteraad). Waar deze contour/grens precies ligt, is op de boomwaarde zoneringskaart terug te vinden.
Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten de bebouwingscontour kap staan (dus in het buitengebied), geldt op grond van de rijksregels over vellen een verplichting; bij velling van groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij vellingen in een rij van meer dan 20 bomen geldt een meld- en herplantplicht bij het bevoegd gezag. Dit kan bijvoorbeeld de provincie zijn of het ministerie van LNNV. Zij kunnen een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de rijksregels de eis dat er ook weer een gelijk aantal bomen worden teruggeplant. Veel Tilburgse bossen maar ook andere terreinen met veel bomen vallen onder de rijksregels over vellen. Voor bossen en andere terreinen die binnen de bebouwingscontour vallen (dus in het stedelijk gebied), zijn de rijksregels niet van kracht, maar de Bomenverordening 2024.
In de buiten-zone (van de BWZ-kaart) kunnen naast de rijksregels ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen in de buiten-zone dus naast elkaar van toepassing zijn.
Toetsing
De voorgenomen sloop en nieuwbouw binnen het plangebied heeft directe gevolgen voor de leibomen (35 stuks leilinden) aan de Hopliedenkade en 4 platanen aan de Tamboerskade. Op onderstaande afbeelding zijn de betreffende bomen aan de Piushaven en Tamboerskade groen omcirkeld en de leibomen groen omlijnd. Volgens de digitale kaart 'Monumentale bomen' van gemeente Tilburg komen er geen monumentale bomen binnen of direct buiten het plangebied voor.
Afbeelding: Werkzaamheden ten opzichte van de te behouden bomen
Voor het plan is een BoomEffectAnalyse (bijlage 11) opgesteld. De leilindes kunnen uit praktisch oogpunt niet behouden blijven in verband met het bouwverkeer dat over de Hopliedenkade zal rijden en opstelplekken moet krijgen. Bovendien passen de bomen niet in de nieuwe ontwerpgedachte van de Hopliedenkade. De kade zal worden ingericht als een overzichtelijke en doorwaadbare openbare ruimte, waarbij de verschillende groene plekken tussen de gebouwen verbonden zullen worden. De vergroening van de oude kade vindt plaats door aanplant van een meer divers assortiment van solitaire bomen, met grotere en beter verspreide boomkronen. De nieuwe bomen zullen daardoor meer toevoegen aan klimatologische en ecologische doelen dan de lindes die er nu staan.
Voor de platanen aan de Tamboerskade en Piushaven is onderzocht wat ervoor nodig is om deze bomen te behouden. Aangezien de bomen zowel in de huidige als toekomstige situatie dicht op de bebouwing staan, kunnen de bomen niet duurzaam worden behouden. Er is gestudeerd op diverse ontwerpen om zo veel mogelijk bomen te kunnen behouden. Hiermee hebben we het grootste gedeelte van de bomenlaan aan de Tamboerskade weten te sparen. Echter heeft de nieuwbouw en de werkzaamheden die hiermee gepaard gaan, als gevolg dat er vier platanen aan de Tamboerskade niet duurzaam behouden kunnen blijven en dus gekapt moeten worden (bijlage 7).![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402027.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402027.jpg)
Figuur: Uitsnede Boomwaardezoneringskaart 2024 met plangebied blauw omkaderd.
Uit de boomwaardezoneringskaart 2024 volgt dat het groen binnen het plangebied is aangemerkt als 'ecowaarde'. Volgens de Bomenverordening Tilburg 2024 is het binnen gebiedstype 'ecowaarde' verboden om houtopstanden te vellen voor zover het bomen betreft met een minimale stamomtrek van 40 cm gemeten op 1,30m hoogte boven het maaiveld. Van dit verbod kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen indien een zwaarwegend maatschappelijk belang zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de houtopstand.
In dit geval weegt het maatschappelijke belang van de herontwikkeling binnen het plangebied, waarbij 150 woningen worden toegevoegd om te voorzien in de grote woningbehoefte en tevens een impuls wordt gegeven aan de Piushaven, zwaarder dan het belang om de bomen te behouden. Bovendien zijn in het nieuwe ontwerp voor de buitenruimte nieuwe bomen ingepast ten behoeve van enerzijds de waarde voor het straatbeeld en anderzijds vanwege de ecologische en klimaatadaptieve waarde.
Er wordt in totaal 6065 m3 aan kroonvolume verwijderd. Om dit te compenseren worden er voldoende bomen terug geplant zodat het verwijderde kroonvolume na 15 jaar hersteld is. In de volwassen situatie leveren deze bomen 30% extra kroonvolume ten opzichte van de huidige situatie. De bomen worden conform de richtlijnen uit de Bomenverordening Tilburg 2024 gecompenseerd in het plangebied.
Figuur: Concept inrichtingsplan openbare ruimte (Bron: Gemeente Tilburg)
De vergunning voor het vellen van bomen zal worden aangevraagd in kader van de realisatie van het project en doorloopt een afzonderlijke procedure. Er is in voldoende mate aangetoond dat er in de nieuwe situatie voldoende hoogwaardig groen terugkomt, ondanks dat de leilinden en platanen zullen worden geveld.
De bomen die behouden moeten blijven worden op de boomwaardekaart en worden daarmee in het omgevingsplan beschermd.
4.1.8 Groen, klimaat en duurzaamheid
Agenda groen in de stad
De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit.
Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad).
Nota biodiversiteit 2024
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010 en geactualiseerd op 1 juli 2024 is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
Voor de diversiteit van de flora en fauna zet de gemeente zich in aan de hand van vijf thema's. Er wordt ingezet op het (A) realiseren en borgen van leefgebieden en verbindingen, (B) het ecologisch beheren voor betere leefgebieden, (C) basiskwaliteit natuur als uitgangspunt in de gemeente Tilburg (in de nota inrichtingsbouwstenen genoemd). De ecologie wordt gemonitord om (D) zicht te houden en krijgen op hoe het gaat met de natuur. Als laatste zet de gemeente zich in op (E) kennisdeling en -vergaring.
De stadsnatuurkaart 2040 maakt onderdeel uit van de beleidsnota biodiversiteit 2024 en is naast de inrichtingsbouwstenen van belang om de biodiversiteit op orde te krijgen. Door de inrichting van gebieden en/of structuren aan te sluiten bij de inrichtingsbouwstenen, kunnen soorten behouden worden en/of hun leefgebieden worden verbeterd. Hierbij kan worden gedacht aan het toepassen van bomen, struiken, water, gazon, bloemrijk grasland en/of faunavoorzieningen. Om deze goed te kunnen toepassen is de gemeente in zes verschillende ecotopen opgedeeld: oude stad, bedrijventerreinen, wijken en dorpen, agrarisch gebied, natuurgebied en de ecologische structuur (stadsnatuurkaart 2040). Voor elke ecotoop wordt aangegeven welke inrichtingsbouwstenen er nodig zijn om de biodiversiteit te vergroten. Dit is afgestemd op de dier- en plantsoorten die in deze ecotopen (moeten) voorkomen.
Toetsing
De openbare ruimte van de Residentie wordt een combinatie van waterberging en beplanting. Vanuit de Nota biodiversiteit is de ambitie gesteld om minimaal 80% van de beplanting bij te laten dragen aan de biodiversiteit. Hierbij is het van belang dat zoveel mogelijk wordt ingezet op inheemse beplanting. Als dit niet kan of past binnen het plangebied dan dienen zoveel mogelijk klonen met enkelbloemige bloemen van inheemse beplanting te worden toegepast.
Stadsnatuurkaart 2040
De laatste versie van de Stadsnatuurkaart 2040 is vastgesteld als onderdeel van de beleidsnota biodiversiteit
Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en omgevingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en wordt versterkt.
Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren en plekken benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie noodzakelijk. Dit alles moet ertoe leiden dat ecologische plekken en structuren ecologisch functioneren.
Toetsing
De Piushaven is onderdeel van de stadsnatuurkaart, vanaf het Wilhelminakanaal tot Den Ophef ligt er een 1e orde ecologische structuur, daarna volgt er sec aan de noordzijde (dus niet aan de Hopliedenkade) een 3e orde ecologische structuur. De Piushaven zelf heeft al veel natuurlijke oevers met riet, wilgen en bloemrijke bermen. Deze vormen een grotendeels ononderbroken structuur. De verbondenheid stopt ter hoogte van de verbreding van de haven waar het splitst in de twee havenkoppen. De ontwikkeling ligt ter hoogte van de zuidelijke drooggelegde havenkop De gebiedsontwikkeling levert een belangrijke bijdrage aan het versterken van de ecologische structuur.
Afbeelding: doorlopende structuur Piushaven
Afwegingskader 'mag het licht uit'
Openbare verlichting is van groot belang voor de veiligheid en daarmee ook voor het gebruik en de beleving van de openbare ruimte. Het wordt vaak als vanzelfsprekend beschouwd dat wegen en paden verlicht worden. Maar op sommige plekken is verlichting juist niet gewenst. Veel kunstlicht is verstorend voor mensen en dieren. Met name nachtdieren worden onder andere bedreigd door te veel kunstlicht.
In het afwegingskader ‘mag het licht uit?’ wordt aangegeven waar vanuit ecologie de duisternis gewenst is en waar deze behouden of teruggebracht zal worden. Dat geldt in eerste instantie voor openbare verlichting. Het afwegingskader wordt ingezet bij projecten om een integrale afweging te maken voor wel of geen verlichting of zo nodig aangepaste verlichting. Bij een voorgenomen (nieuwbouw)project zal in een gebied dat aangeduid is op de donkertekaart, een integrale afweging van de belangen plaatsvinden.
Toetsing
Voor deze ontwikkeling geldt dat sfeerverlichting is toegestaan, op een manier dat de ecologische structuur blijft functioneren. Voornamelijk de vleermuizen in de Piushaven kunnen last hebben van de verlichting. Door zoveel mogelijk gebruik te maken van gerichte verlichting, natuurvriendelijke verlichting en verlichting met dimregimes, worden negatieve effecten voorkomen.
Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen
Er worden in onze gemeente veel nieuwe woningen en bedrijven gebouwd. Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moeten de natuur (en ook klimaatadaptatie) een volwaardige plaats krijgen in deze gebiedsontwikkelingen. Het instrument duurzaamheid (klimaatscores en puntensysteem natuurinclusief bouwen) helpt ontwikkelaars en archtitecten om natuur- en klimaatinclusief te bouwen en toetsing daarop mogelijk te maken. Op termijn gaat dit instrumentarium verankerd worden in het omgevingsplan (en krijgt daarmee een verplichtend karakter).
Toetsing
Binnen het systeem moet een score van minimaal punten 30 punten behaald worden, te weten 7 voor dak en gevel, 10 voor (dier)verblijven in gebouw en 13 voor de omgeving van het gebouw, waarbij rekening wordt gehouden met de beoogde gidssoorten. Dat betekent dat in de openbare ruimte voldoende ruimte gereserveerd moet worden voor bijvoorbeeld inheemse struiken en bomen, bloemrijk grasland en/of natuurlijke wadi's.
Gebiedsontheffing gebouwbewoonde soorten
De gemeente werkt sinds 2016 met een gebiedsontheffing voor gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels. Hiermee worden noodzakelijke procedures vanuit de Omgevingswet vereenvoudigd. Doe van het soortenmanagementplan (SMP) en bijbehorende gebiedsontheffing is de gunstige staat van instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Het SMP kan ook gebruikt worden bij de verduurzaming van woningen, waarbij aandacht ligt op de leefgebieden van gebouwbewonende soorten. Met name bij de isolatie van spouwmuren en daken.
Maatregelen in het plan
Met de stadsnatuurkaart, het bomenbeleid, de nota biodiversiteit en het puntensysteem natuurinclusief bouwen heeft de gemeente Tilburg een beleidskader om Tilburg meer natuurinclusief en biodiverser te maken.
In dit plan ligt de ambitie voor wat betreft groen en klimaatadaptatie hoog. Er wordt met de inrichting van de openbare ruimte geanticipeerd op het extremer wordende weer. Het maaiveld wordt zo groen mogelijk ingericht. Daar waar mogelijk worden bomen toegevoegd. Daar waar bebouwing komt worden de gevels en daken zo groen mogelijk. Op de platte daken en terrassen worden (gemeenschappelijke) groene tuinen gerealiseerd.
De volgende maatregelen zijn in het plan opgenomen:
Berging van regenwater 60 liter per m2 verhard oppervlak
Oppervlakte groen: minimaal de huidige oppervlakte + 40% van de oppervlakte van de ontwikkeling
Compensatie klimaatwaarde bomen: minimaal hetzelfde kroonvolume oppervlakte bij het vellen van een boom met een minimale omtrek van 40cm op 1,3m hoogte boven maaiveld
Schaduw: minimaal 40% op looproutes.
Op de parkeerkelder wordt gronddekking aangebracht. Hiermee ontstaat een voedingsbodem voor de beplanting van onder andere het gevelgroen.
De Middenpier krijgt een aantrekkelijk en groen karakter. Qua materialisatie wordt er aangesloten op de bestaande kade. Op deze kade worden bomen toegevoegd en plantvakken gemaakt. Er worden ontmoetingsplekken en verblijfsplekken gemaakt.
Door de groene inrichting van het plangebied kan de doorlopende structuur van de Piushaven worden versterkt, waarmee de ecologische corridor verder de stad ingetrokken wordt.
Met het inrichten van de groene haven, het maken van groen gevels en groene daken en daktuin wordt het areaal aan groen/ flora substantieel vergroot. Er zullen ook meer nestkasten, verblijfsplaatsen en schuilplekken voor dieren/fauna in deze ontwikkeling gerealiseerd worden.
4.1.9 energie en warmte
Regionale Klimaat- en Energiestrategie (REKS)
In regionaal verband is een REKS opgesteld. Met de REKS voor regio Hart van Brabant is in kaart gebracht waar energie kan worden bespaard en duurzaam kan worden opgewekt en hoe de fysieke leefomgeving kan worden aangepast aan het veranderende klimaat.
Transitievisie warmte
In het gebied binnen de Ringbanen voorziet de gemeente voorlopig geen grote ingrepen richting aardgasvrij. Het gebied is erg divers. Er staan veel verschillende gebouwen, zowel oude monumenten als nieuwbouw. Voor het gebied zijn tijdelijke, individuele oplossingen interessant. Ook zullen we proberen kansen te benutten. Bijvoorbeeld als een woningcorporatie haar huurwoningen gaat renoveren en de omliggende koopwoningen kunnen worden meegenomen.
Voor deze ontwikkeling geldt dat deze gasvrij wordt opgeleverd. De verwarming van de woningen zal plaatsvinden via een indivuele warmtepompen, waarschijnlijk een luchtwarmtesysteem.
Duurzaamheidsbeleid voor nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw
Hoewel in de nota Duurzaamheidsbeleid voor nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw, energieneutraal bouwen het uitgangspunt is, is dit voor gestapelde bouw in meer dan 5 bouwlagen momenteel niet haalbaar. Daarbij kunnen in dit omgevingsplan geen extra eisen bovenop de eisen uit het Bbl worden gesteld. Het project beoogt voor alle woningen BENG < 25 kWh/m2/jr.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling maakt appartementen en ruimten voor commerciële en maatschappelijke functies mogelijk. Deze zullen voldoen aan de hedendaagse kwaliteit- en duurzaamheidseisen. Dat wil enerzijds zeggen gedegen isolatie en warmtepompen om energieverbruik te minimaliseren. Anderzijds worden duurzame energiebronnen ingezet, zoals zonnepanelen op daken.
4.1.10 archeologie, cultuurhistorie en landschap
Toetsingskader archeologie
In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op
verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot uitdrukking in de Erfgoedwet.
Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken.
Toetsingskader cultuurhistorie
Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen.
Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen.
In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op over de bij het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota.
Historische geografie
Tilburg is gelegen op een dekzandrug die loopt van Breda, Den Bosch naar Oss. In het golvende patroon van deze dekzandrug liepen vroeger een aantal beken. De Piushaven is aan het begin van de vorige eeuw deels aangelegd in de bedding van de Korvelse Waterloop. Vanaf 1794 werden al plannen ontwikkeld voor een kanaal dat Tilburg met de zeehavens verbond. Het laatste plan werd in de periode 1910-1923 uitgevoerd.
Op 4 april 1923 is de Piushaven voor het scheepvaartverkeer geopend. De Piushaven is met een toeloopkanaal verbonden met het Wilhelminakanaal. Het Wilhelminakanaal vormt de verbinding tussen de Zuid-Willemsvaart en de Maas (via de Donge). Met deze twee kanalen is Tilburg nu met diverse steden verbonden (o.a. Breda, Tilburg, Helmond, Den Bosch, Maastricht). Via de Maas zijn de zeehavens bereikbaar. Aan het begin van de vorige eeuw was deze bereikbaarheid van groot belang voor de export van producten uit de lokale (wol) industrie en de import van (bulk)goederen. Na de aanleg van de nieuwe haven in Loven werden de havenactiviteiten vlak bij het centrum minder en raakte de haven deels in verval. Vanaf 1998 is de herontwikkeling van de Piushaven en omgeving begonnen. De bereikbaarheid van de haven is nog steeds van groot belang voor de huidige bezoekers van de passantenhaven.
De Piushaven bestond uit twee havenarmen met vier laad- en loskades. De middenpier met twee kades werd vooral gebruikt voor bulkgoederen. In 1983 is de zuidelijke havenarm gedempt ten behoeve van de bouw van het appartementencomplex "De Residentie".
Archeologie
De planlocatie kent geen archeologische verwachtingswaarde. Bij de aanleg van de Piushaven zijn eventueel aanwezige archeologische waarden bovendien al verstoord. Nadien is de havenarm gedempt met zand, waardoor geen archeologische waarden te verwachten zijn. Derhalve wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
In de ondergrond zit bij de oorspronkelijke tweede havenarm nog de fundering van de kademuur, deze fundering zal bij de bouw van de parkeergarage komen te vervallen. Deze paalfunderingen hebben echter geen formele status als beschermd monument. Het plangebied vormt een relatief klein onderdeel van de totale Piushaven. Na verwijdering van het relatief kleine aandeel aan funderingpalen binnen de Piushaven, blijft er voldoende bewaard op andere plekken in de Piushaven.
4.2 milieu en gezondheid
4.2.1 Milieueffectrapportage
Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 272 appartementen. Hiermee valt de beoogde ontwikkeling onder de categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'.
In dit geval worden de maximaal 272 appartementen en ongeveer 1.000 m² t.b.v. commerciële en/of maatschappelijke functies gerealiseerd. Ook de (openbare) ruimte rondom de bebouwing wordt opnieuw ingericht. Gelet op de aard en omvang kan het project worden aangemerkt als 'stedelijk ontwikkelingsproject' en moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.
In het kader van bovenstaande is er een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld (bijlage 12). Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of een gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. De activiteiten die mogelijk worden gemaakt zijn, gelet op de plaats van de activiteiten en de kenmerken van potentiele effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld en een volledige MER-procedure moet worden doorlopen.
4.2.2 Bedrijven en milieuzonering
Bij de realisatie van nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de milieuzonering van die bedrijfsactiviteiten en omliggende bedrijfsactiviteiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) die per bedrijfssoort aangeeft van welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) kan worden uitgegaan en met welke indicatieve (richt)afstand tussen een bedrijf en een rustige woonwijk rekening moet worden gehouden. Voor gebieden met functiemenging (stadscentra, winkelcentra, woonwerkgebieden met kleinschalige vooral ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies) reikt de brochure een afzonderlijke staat van bedrijfsactiviteiten aan waarin is vermeld welke bedrijfsactiviteiten uit het oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in gebieden met functiemenging, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
Toetsing
In dit geval is sprake van een gebied waar gemeente Tilburg functiemenging nastreeft. De Piushaven moet een levendige woonwerklocatie worden. Aan de noordzijde zijn al gemengde functies gevestigd. In het bestemmingsplan 'Piushavengebied 2009' hebben deze functies de bestemming 'Gemengd-2' gekregen. Hier zijn horecagelegenheden, sociaal-medische en commerciële dienstverlening, detailhandel en wonen direct naast elkaar te vinden. Deze functies zijn in alle gevallen gelegen op ongeveer 50 meter van de nieuwe woongebouwen binnen voorliggend plangebied, waardoor de gemengde functies niet van invloed zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Aan de zuidzijde wil gemeente Tilburg eenzelfde impuls geven, onder andere door binnen het plangebied ruimtes voor commerciële en maatschappelijke functies in de plint te realiseren met wonen. Ook is in 2017 een horecagelegenheid op de voormalige middenpier gerealiseerd. Het gaat om een horecagelegenheid van categorie 1. Hiertoe wordt volgens het Omgevingsplan gemeente Tilburg gerekend een (eet)café, restaurant, brasserie, lunchroom, cafetaria, snackbar en dergelijke. Volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) geldt voor restaurants, cafés en bars een richtafstand van 10 meter vanwege de aspecten (geur,) geluid en gevaar. Voor een muziekcafé geldt een richtafstand van 30 meter vanwege geluid en 10 meter vanwege gevaar. Deze afstanden gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk. De richtafstanden voor geur en geluid mogen met één afstandstap worden teruggebracht omdat in het Piushavengebied sprake is van gemengd gebied naar respectievelijk 10 en 0 meter. Zodoende moet voor de horecagelegenheid rekening worden gehouden met een richtafstand van 10 meter.
In de beoogde situatie worden de nieuwe woongebouwen opgericht op meer dan 10 meter van de horecagelegenheid. De ontwikkeling wordt zodoende niet belemmerd door de horecagelegenheid en andersom maakt deze ontwikkeling geen inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van de horecagelegenheid.
Voor de nieuwe ruimten voor commerciële en/of maatschappelijke functies geldt dat deze een richtafstand van 10 meter hebben vanwege het aspect geluid, die binnen gemengd gebied naar 0 meter mag worden teruggebracht. Dat maakt dat deze functies en de woningen direct boven elkaar aanvaardbaar zijn.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.3 Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De ontwikkeling bestaat uit de sloop van de bestaande bebouwing en nieuwbouw van woningen in meerdere woongebouwen met een herinrichting van het openbaar gebied op de beoogde projectlocatie. Tevens wordt voorzien in publieksfuncties in de plint(en) van de gebouwen. Een gedeelte van de woningen is bedoeld voor senioren, het gaat echter niet om zorgwoningen. Een woning is een kwetsbaar gebouw.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het 'Plaatsgebonden Risico (PR)' ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met
4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Toetsing
Met behulp van de kaart 'Externe veiligheid' van de Atlas Leefomgeving is beoordeeld of het plangebied zich bevindt in de nabijheid van een risicovolle inrichting, een transportroute over land waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd of een buisleiding voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied bevindt zich niet in een PR-contour of aandachtsgebied van een risicobron. Het aspect externe veiligheid (omgevingsveiligheid) vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.![i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402030.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024012-c001_402030.jpg)
Figuur : Uitsnede kaart 'Externe veiligheid' met het plangebied rood omcirkeld (Bron: Register Externe Veiligheid (2024), Ministerie IenW, ontsloten via Atlas Leefomgeving)
4.2.4 Geluid
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
De beoogde appartementen zijn geluidgevoelige gebouwen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw langs een (spoor)weg of nabij een industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp) moet de gemeente rekening houden met het geluid door de bron. De overige instructieregels uit paragraaf 5.1.4.2a Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (artikel 5.78, lid 2, Bkl) en geluid door de bron (artikel 5.78s, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gelden niet. Een woning is immers geen geluid producerende functie.
In dit geval is het plangebied niet gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein of spoorweg, maar wel van rijksweg A58/A65 en enkele gemeentewegen in de directe nabijheid van het plangebied. Om de geluidbelasting op de gevels van de beoogde woningen te bepalen, is een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai uitgevoerd. Deze is opgenomen als Bijlage 8 bij deze motivering.
Toetsing
Uit het akoestisch onderzoek (bijlage 13) volgt dat het berekende geluid van gemeentelijke wegen maximaal 58 dB en voor rijkswegen maximaal 52 dB bedraagt. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB (gemeentelijk) en 50 dB (rijkswegen) overschreden maar de grenswaarde van 70 dB (gemeentelijk) en 60 dB (rijkswegen) niet.
Omdat er niet wordt voldaan aan de standaardwaarden voor gemeente- en rijkswegen zijn in het akoestisch rapport maatregelen beschouwd. Bron- en overdrachtsmaatregelen (bijv. toepassen stiller wegdek, vergroten afstand tot wegen, realisatie van een geluidsscherm) ontmoeten bezwaren van cultuurhistorische, stedenbouwkundige of financiële aard. Dit geldt niet voor maatregelen in of aan de nieuwe woongebouwen.
Gemeente Tilburg heeft een eigen hogerewaardebeleid “Hogere waarde beleid Gemeente Tilburg” – 2015” waarin de eisen voor een geluidluwe gevel en buitenruimte zijn opgenomen voor elke nieuwbouwwoning. Hierbij wordt ‘geluidluw’ gesteld als een gevel met ten hoogste een gecumuleerde geluidsbelasting van 55 dB. Het gemeentelijk beleid vermeldt ook dat bij appartementencomplexen vaak een geluidluwe gevel en buitenruimte wordt gecreëerd door het maken van een "verglaasde buitenruimte", zoals loggia's en serres.
Bij het ontwerp van de woningen wordt, waar nodig, rekening gehouden met de extra benodigde geluidwering van de desbetreffende geveldelen. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen zal dit nader worden uitgewerkt en onderzocht. Met toepassing van de juiste maatregelen kan worden voldaan aan het gemeentelijke hogere waardenbeleid en de instructieregels voor geluid uit het Bkl.
Vanuit het aspect geluid vanwege wegverkeerslawaai zijn er geen belemmeringen voor dit project. In dit omgevingsplan zijn beoordelingsregels voor de geluidbelaste woningen opgenomen.
4.2.5 Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden.
"Niet in betekenende mate"(nibm)
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10) van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Het gaat onder andere om het toelaten van:
gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen;
kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van:
ten hoogste 100.000 m² bij één ontsluitingsweg; en
ten hoogste 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling voorziet in maximaal 272 appartementen en ongeveer 1.000 m² bvo ten behoeven van commerciele en/of maatschappelijke functies. Gelet op de omvang van deze functies kan worden gesteld dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Gemeente Tilburg is niet aangewezen als een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven.
Figuur: Uitsnede CIMLK met plangebied blauw omlijnd en de twee meest nabijgelegen toetspunten weergegeven.
CIMLK
Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Tilburg heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst.
Hierboven is een uitsnede opgenomen van de CIMLK-viewer waarop te zien is waar de meest relevante toetspunten zich bevinden ten opzichte van het projectgebied. De figuur geeft de NO2-concentratie weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden, monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een figuur op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen.
|
Toetspunt 1 |
Piushaven, Tilburg (x: 134595.215352804 ; y: 395974.814525715) |
|
Monitoringsronde |
2024 |
|
Monitoringsjaar |
NO2-concentratie in µg/m³ |
PM10-concentratie in µg/m³ |
PM10-overschrijdings dagen |
PM2,5-concentratiein µg/m³ |
|
2025 |
13,78 |
15,80 |
6 |
8,97 |
|
2030 |
11,13 |
14,75 |
6 |
8,01 |
|
Maximaal toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl) |
40 µg/m³ kalenderjaargemi ddelde |
40 µg/m³ kalenderjaargemidde lde |
35 dagen per kalenderjaar |
25 µg/m³ kalenderjaargemidde lde |
|
Toetspunt 2 |
Piushaven, Tilburg (x: 134692.059651628 ; y: 395984.634269294) |
|
Monitoringsronde |
2024 |
|
Monitoringsjaar |
NO2-concentratie in µg/m³ |
PM10-concentratie in µg/m³ |
PM10-overschrijding sdagen |
PM2,5-concentratie in µg/m³ |
|
2025 |
14,04 |
15,83 |
6 |
8,98 |
|
2030 |
11,21 |
14,78 |
6 |
8,01 |
|
Maximaal toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl) |
40 µg/m³ kalenderjaargemid delde |
40 µg/m³ kalenderjaargemidd elde |
35 dagen per kalenderjaar |
25 µg/m³ kalenderjaargemidde lde |
Toetsing
Uit voorgaande tabellen blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen en commerciële en maatschappelijke functies aan de projectlocatie toe te delen.
4.2.6 Geur
Industriële geur
Er is geen sprake van industriële bedrijvigheid nabij het plangebied en het wijzigingsbesluit maakt geen nieuwe geurbron mogelijk. Voor wat betreft geur vanwege omliggende niet-woonfuncties zoals de horecagelegenheid direct ten oosten van het plangebied, wordt verwezen naar paragraaf 5.2.2.
Agrarische geur
Er is geen sprake van (intensieve) agrarische bedrijvigheid nabij het plangebied. Ook wordt er met dit project geen nieuwe geurbron mogelijk gemaakt. Met behulp van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant kan de kwaliteit van de leefomgeving gelet op geur worden beoordeeld. Volgens die digitale kaart kan de kwaliteit van de leefomgeving als 'Zeer goed' worden beoordeeld.
Figuur 5.13: Achtergrondbelasting geur ter plaatse van de projectlocatie (Bron: OZDOB)
Toetsing
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.7 Magneetvelden
De dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningslijn ligt op circa 2,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Zodoende kan worden geconcludeerd dat dit een dermate grote afstand is dat dit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.8 Trillingen
Trillingen worden veroorzaakt door bronnen als spoorwegen of bouwplaatsen. Het plangebied ligt niet nabij een spoorlijn of een bouwplaats, hiermee kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een gezond leefklimaat.
Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.9 Gezondheid
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een eilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. In het Bkl zijn een aantal instructieregels opgenomen, die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, trillingen luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorliggende paragrafen reeds gemotiveerd.
Hieruit blijkt dat de ontwikkeling een bijdrage levert aan de gezonde fysieke leefomgeving.
Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.
Dit houdt in dat:
wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;
kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;
met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;
nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;
de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten leiden over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
Toetsing
De dichtstbijzijnde geitenhouderij ligt op een afstand van 2,1 kilometer ten zuidoosten (Torentjeshoeve, Tilburg) van het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 2 kilometer. Bovendien gaat het om een woningbouwinitiatief binnen stedelijk gebied en deze worden zonder meer toegestaan conform het gemeentelijk beleid. Het is niet nodig om het plan vanwege dit aspect voor te leggen aan de GGD. Het aspect gezondheid vormt hierdoor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Overige gezondheidsaspecten
Het thema gezondheid heeft niet alleen betrekking op de bescherming van de gezondheid, maar ook op de bevordering van de gezondheid. In dat kader kan worden benoemd dat het plan om een ontwikkeling vlak bij het centrum van Tilburg plaatsvindt. Belangrijke voorzieningen zoals een supermarkt, detailhandel, onderwijs, medische dienstverlening zijn op loop- of fietsafstand te vinden. De centrale ligging kan eraan bijdragen dat bewoners wat vaker te voet gaan of de fiets pakken. In de herinrichting van het openbaar gebied is ermee rekening gehouden dat het plangebied doorwaadbaar wordt. Dit nodigt mensen uit het gebied te betreden en er te verblijven, wat bijdraagt aan ontmoeting en zodoende aan het welzijn van bewoners. De aanplant of het behouden van bomen zorgt voor schaduwwerking binnen en rondom het gebied, wat belangrijk is in het tegengaan van hittestress.
De locatie is, gelet op gezondheidsbescherming als gezondheidsbevordering, een geschikte locatie om te wonen en te werken.
4.2.10 Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Bkl bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
• beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
• evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
• duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
In beginsel dient een (wijziging op) omgevingsplan vergezeld te worden van een bodemonderzoek conform NEN 5740. Een bodemonderzoek is in ieder geval 2 jaar geldig. In overleg met het bevoegd gezag kan deze termijn worden verlengd.
Toetsing
Het toekomstige gebruik is niet gevoeliger ten opzichte van het huidige gebruik.
In het archief van de gemeente Tilburg zijn voor de locatie een aantal bodemonderzoeken bekend, waarbij het meest actuele bodemonderzoek als meest relevant is getoetst, "Verkennend en nader bodemonderzoek residentie puishaven Tilburg, TAUW BV, kenmerk R002-1292860LEM-V03-evm-NL, 18 maart 2024."
In het bodemonderzoek zijn meerdere verontreinigingen geconstateerd en in beeld gebracht. Ter plaatse is sprake van sterke verontreiniging met minerale olie, zink en PAK's. De verontreinigingen bevinden zich overwegend in de (diepere) ondergrond vanaf 0,8 m-mv.
De aangetroffen bodemverontreiniging vormt geen direct risico voor de ntoekomstige bestemming; de verontreiniging is voornamelijk in de ondergrond gesitueerd waarbij er sprake is van een isolerende laag erboven van tenminste 80 cm. Hoewel de verontreinigingen geen belemmering vormt voor de beoogde gebruik, dient men tijdens de werkzaamheden rekening te houden met graven in verontreinigde grond. Daarbij dient na afronding geen sprake te zijn van eventuele contactmogelijkheden met verontreinigde grond in de nieuwe situatie. Dit geldt in het bijzonder voor toekomstig gebruik als tuin/park.
Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en
als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn.
5.1 Financieel economische uitvoerbaarheid
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling
financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op
langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer
heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is.
De gemeente Tilburg realiseert en exploiteert de ondergrondse parkeergarage voor eigen rekening en risico
om de gehele ruimtelijke ontwikkeling door te laten gaan. Deze parkeergarage is onderdeel van de gemeentelijke financiële strategie parkeren, waarover de gemeenteraad op 31 maart 2025 positief besloten heeft. De gemeente Tilburg is voornemens om de exploitatie van gemeentelijke parkeergarages aan te merken als dienst van algemeen economisch belang op basis een DAEB-vrijstellingsbesluit, waarbij overcompensatie uitgesloten wordt.
5.2 Kostenverhaal en nadeelcompensatie
Indien met de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in vijf woongebouwen met in totaal maximaal 272 woningen en ongeveer 1.000 m² bvo ten behoeven van commerciële en maatschappelijke functies. De bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van regels kostenverhaal aan het omgevingsplan is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
Hoofdstuk 6 Participatie
6.1 publicatie voornemen wijziging omgevingsplan
Artikel 16.29 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeente kennis geeft van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen. In de kennisgeving staat onder andere hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Voor onderhavige wijziging is het voornemen op 17 juli 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
6.2 Behandeling omgevingstafel
Provincie Noord-Brabant
Het plan tot de bouw van maximaal 272 woningen is besproken in het planteamoverleg met de provincie Noord-Brabant. De provincie had geen opmerkingen op het plan.
Waterschap De Dommel
Met het waterschap is afgesproken dat ontwikkeling die geen waterbelang hebben niet op voorhand hoeven te worden besproken met het waterschap, maar dat de toets van het waterschap rechtstreeks bij de ter inzage legging van het ontwerp omgevingsplan plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling is gekwalaficeerd als 'geen waterbelang'.
Rijkswaterstaat
De ontwikkeling is in juni 2025 per mail besproken met de afdeling Water, Wegen, Werken van Rijkswaterstaat Zuid Nederland, vanwege het voornemen om een klein gedeelte van de Piushaven te voorzien van een natuurlijke oever. Zij hebben positief gereageerd, in die zin dat geen vergunning voor deze wijziging nodig is, maar dat dit wel in het kader van het BAL moet worden gemeld. Daarnaast hebben zij aangegeven aan dat dit qua waterberging niet hoeft te worden gecompenseerd.
6.3 Participatie omgeving
Participatie is een belangrijke pijler van de Omgevingswet. De richtlijn Omgevingsdialoog van de gemeente Tilburg geeft aan in welke mate de omgevingbetrokken wordt bij een ontwikkeling. De gemeente vindt het namelijk belangrijk dat inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners betrokken worden bij initiatieven of ruimtelijke ontwikkelingen in hun omgeving. Daardoor komen belangen, ideeën, zorgen en kansen eerder op tafel en worden initiatieven beter.
In de Richtlijn Omgevingsdialoog worden de verschillende stappen omschreven, die ten aanzien van participatie moeten worden gezet. Als eerste wordt met de impactscan de impact van de ontwikkeling op de omgeving beoordeeld. De scan bestaat uit zes thema's waarop het initiatief mogelijk impact heeft: het soort initiatief, verkeer, groen, beleving, hinder en het (ruimtelijke) proces. De optelsom van de thema's bepaalt de impactscore en daarmee de categorie van het initiatief.
Indien de impact op de omgeving groot is, verwacht de gemeente Tilburg dat de initiatiefnemer de omgeving laat adviseren over het plan, zodat mensen hun mening, tips, suggesties, zorgen, belangen of kansen kunnen meegeven. De input dient betrokken te worden in de uitwerking van het plan, door aan te geven wat er met de reacties van de omgeving is gedaan en dit terug te koppelen aan de omwonenden. In de richtlijn wordt aangegeven dat met een vertegenwoordiging van de belanghebbenden, een planteam, op een aantal momenten een goede inhoudelijke afstemming over een plan kan plaatsvinden. Een planteam adviseert het college schriftelijk over het uiteindelijke plan. Dit advies is niet bindend. Dat betekent dat het advies óf (op onderdelen) wordt overgenomen óf (op onderdelen) ter zijde wordt gelegd. Als het advies (op onderdelen) terzijde wordt gelegd, zal uitgelegd worden waarom.
Impactscan
Voor deze ontwikkeling is een impactscan uitgevoerd, waaruit categorie D is gekomen. Categorie D is van toepassing als de planlocatie gelegen is binnen een gebied waar de gemeente Tilburg een actieve rol in gebiedsontwikkeling neemt (waaronder Piushaven en omgeving) en de impactscore naar boven afgerond 4 tot 5 bedraagt. Bij categorie D heeft het initiatief grote impact op de omgeving.
Participatie en communicatieplan
Voordat het planteamtraject is opgestart is een participatie- en communicatieplan opgesteld. Daarin zijn de belanghebbenden inzichtelijk gemaakt, de taken en verantwoordelijkheden van de gemeente Tilburg en Woonzorg Nederland en is een communicatie planning met communicatiemiddelen opgesteld.
Planteam
Op 4 mei 2023 is een bewonersbrief verzonden waarin a. de voorgenomen herontwikkeling van de Residentie is beschreven, b. belanghebbenden worden uitgenodigd voor een inloopbijeenkomst op 17 mei 2023 en c. belanghebbenden worden uitgenodigd om zich aan te melden voor het planteam.
Het planteam is vervolgens eind 2023 gevormd door 14 personen. Het planteam bestaat uit huurders van de Residentie, omwonenden en ondernemers van de Piushaven. De samenstelling van het planteam is daarmee een goede afspiegeling van de omgeving. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een onafhankelijk voorzitter ingeschakeld. De planteamleden is vooraf gevraagd om in te stemmen met deze voorzitter. Er is geen bezwaar gemaakt door de planteamleden.
Planteambijeenkomsten
Op 18 januari 2024 heeft de eerste planteambijeenkomst plaatsgevonden. Deze bijeenkomst stond in het teken van kennismaken en informeren. Er is onder andere besproken welke rol het planteam heeft. LEVS architecten heeft een presentatie gegeven over de kaders die al vastliggen (waaronder de stedenbouwkundige opzet met vijf gebouwen) en thema’s die nog onderwerp van gesprek zijn en waarover het planteam input kan geven (waaronder uitstraling van de gebouwen en openbare ruimte). Ook is uitleg gegeven over het gekwalificeerd advies dat het planteam zal uitbrengen.
Vervolgens hebben er nog vijf bijeenkomsten plaatsgevonden ieder met een eigen thema. Het planteam heeft zich tijdens de sessie uitgesproken over de architectuur en invulling van de gebouwen. Het planteam heeft o.a. aangegeven dat een mix van koop en huur goed is voor de wijk. Daghoreca vond het planteam goed voorspelbaar. Ook hebben zij meegedacht over de invulling van de openbare ruimte. Zo pleitte het planteam voor een rustige leefomgeving aan de zuidzijde. Al met al heeft de input van het planteam bijgedragen aan een beter plan. Zie bijlage 19 met alle planteamverslagen.
Gekwalificeerd advies planteam
Het planteam heeft op 12 juni 2024 haar gekwalificeerd advies aan het college aangeboden (bijlage 14). Daarop heeft het college het regiedocument op enkele punten aangepast en een reactie op het gekwalificeerd advies gestuurd (bijlage 15). Het planteam is het niet eens met de stedenbouwkundige opzet bestaande uit 5 gebouwen. De gemeente heeft in haar reactie betoogd dat deze opzet resultaat is van het haalbaarheidsonderzoek en daar geen aanpassing op volgt. Wel is het college het met het planteam eens dat de geleding, hoogte en inpassing van de vijf ‘blokken’ goed moet worden doordacht. Dat heeft het college ook verwerkt in het regiedocument. Overigens kunnen de meeste adviespunten van het planteam wél worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de ontwerpen van zowel de gebouwen als van de openbare ruimte. Zo vraagt de tijdelijke situatie tussen de bouw van fase 1 tot aan de sloop en nieuwbouw van fase 2 nog aandacht. De planteamleden pleiten voor een zorgvuldige inrichting van bouwplaats en parkeren. Bovendien moet deze periode zo kort mogelijk zijn. Zie bijlage met collegebesluit d.d. 8 oktober 2024, inclusief bijlagen.
Inloopbijeenkomst 28 oktober 2024
Na collegebesluit zijn de huurders en omwonenden van De Residentie middels een bewonersbrief geïnformeerd over de vaststelling van het regiedocument. Ook is men uitgenodigd voor een inloopbijeenkomst op 28 oktober 2024.
Tijdens de inloopbijeenkomst waren circa 60 mensen aanwezig. Er is een korte plenaire toelichting gegeven over het proces. Vervolgens zijn er met de aanwezigen gesprekken gevoerd over de plannen. Ook zijn er veel vragen gesteld over mobiliteit, bouwwerkzaamheden en de planning. De vragen en antwoorden zijn op de website van de gemeente Tilburg geplaatst.
Vervolg Omgevingsdialoog
Voor het vervolg is er niet meer voorzien in een planteam. Overwogen is om een planteam op te richten voor de inrichting van de openbare ruimte. Echter, in het planteam zijn al veel suggesties gegeven. Daarnaast moet de (beperkte) openbare ruimte aan dermate veel eisen voldoen dat er weinig tot geen ruimte is tot inspraak van belanghebbenden. De omgevingsdialoog is met bovenstaande dus afgerond. Dat neemt niet weg dat we belanghebbenden en in het bijzonder het planteam, regelmatig blijven informeren. Dit doen we op verschillende manieren, waaronder via de projectpagina, bewonersbrieven en bijeenkomsten. Vanaf oktober 2024 is de projectpagina De Residentie aangevuld met het collegebesluit inzake het regiedocument en is een Q&A lijst opgenomen. De Q&A lijst wordt regelmatig geactualiseerd en aangevuld.
6.4 Zienswijzen
Het ontwerpbesluit wijziging van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l, Hopliedenkade heeft met ingang van maandag 27 oktober 2025 tot en met maandag 8 december 2025 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Gedurende deze terinzagelegging bestond de gelegenheid om schriftelijke of mondelinge zienswijzen in te dienen. De terinzagelegging heeft geleid tot vijf zienswijzen tegen het omgevingsplan en het gecoördineerde ontwerpbesluit omgevingsvergunning Hopliedenkade fase 1. De zienswijzen komen van omwonenden van het plangebied en gaan met name over aantasting van privacy en uitzicht, toename van verkeer, parkeerdruk en windhinder.
De ingediende zienswijzen zijn in bijlage 18 ‘nota van zienswijzen wijzigingsbesluit TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22l, Hopliedenkade’ samengevat en voorzien van een reactie. De zienswijzen zijn gedeeltelijk gegrond en leiden tot aanpassing van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 7 Belangenafweging en conclusie
In deze motivering is getoetst of de betreffende ontwikkeling past binnen het relevante beleid en de instructieregels van het rijk en de provincie. Hieruit is gebleken dat het project in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving.
Het plan is getoetst aan de aspecten fysieke leefomgeving in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is de ontwikkeling gewenst, omdat aan wordt gesloten op de Stedenbouwkundige principes van de Piushaven. De nieuwe bebouwing is in hoogte afgestemd op de reeds bestaande en geplande hoogbouwaccenten. Er is sprake van een aanvaardbaar windklimaat. Uit het bezonningsonderzoek blijkt dat bij een beperkt aantal omliggende woningen de Haagse Norm niet wordt gehaald, maar dat alle woningen twee weken na 17 februari wel voldoen aan de Haagse bezonningsnorm. Door de verschaling van de bouwvolumes aan de kant van de omliggende woningen is er rekening gehouden met de privacy voor de huidige bewoners en het uitzicht vanuit de bestaande woningen.
Het plan voldoet aan de nota parkeernormen 2026. Het parkeren wordt grotendeel ondergronds gefaciliteerd. In het openbaar gebied wordt het restant voor bezoekersparkeren gerealiseerd. De toename van verkeer in de omliggende straten is beperkt. Nieuwe bewoners krijgen geen vergunning voor parkeren op straat.
In het plan ligt de ambitie voor wat betreft groen en klimaatadaptatie hoog. Er wordt met de inrichting van de openbare ruimte geanticipeerd op het extremer wordende weer. Het maaiveld wordt zo groen mogelijk ingericht. Daar waar mogelijk worden bomen toegevoegd. Daar waar bebouwing komt worden de gevels en daken zo groen mogelijk. Op de platte daken en terrassen worden (gemeenschappelijke) groene tuinen gerealiseerd. Er worden een aantal bomen gekapt, maar er worden voldoende bomen in het plangebied teruggeplant, zodat het verwijderde boomvolume na 15 jaar is hersteld en er 30% extra kroonvolume ter opzichte van de huidige situatie is.
Uit de m.e.r. beoordeling blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een kwetsbaar gebied en/of een gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten.
In het kader van de participatie is op 17 mei 2023 een bewonersbijeenkomst geweest, waaruit een planteam is gevormd. Het planteam is verschillende keren bij elkaar gekomen en heeft uiteindelijk op 12 juni 2024 haar gekwalificeerd advies geschreven, waarna nog een inloopbijeenkomst is gehouden. De uitkomsten van de participatie zijn meegenomen in de planvorming.
Naar aanleiding van de ter inzage legging van het ontwerp omgevingsplan zijn 5 zienswijzen ingediend, waarbij een aantal zienswijzen over de gecoördineerde aanvraag omgevingsvergunning voor fase 1 gingen. Naar aanleiding van de zienswijzen is het windklimaat op het water onderzocht en zijn in de regels voorwaarden opgenomen voor klimaatadaptatie, compensatie bomen en natuurinclusief bouwen.
In het kader van de zienswijzen zijn de belangen van de omwonenden afgewogen tegen het belang van de grote behoefte aan woningen. Het belang van omwonenden op eenzelfde uitzicht en privacy is daarbij minder groot dan de bijdrage aan de woningbehoefte. Hierbij is de afweging gemaakt dat de reclamanten in een dynamisch stedelijk gebied wonen en er volgens vaste jurisprudentie geen recht op eenzelfde uitzicht is. De verkeerstoename vanwege het plan is beperkt en de ontwikkeling leidt niet tot extra parkeerdruk, omdat nieuwe bewoners geen vergunning krijgen voor het parkeren op straat.
Er kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan ten behoeve van de realisatie van de appartementen kan worden genomen.