TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Louis Bouwmeesterplein
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Motivatie
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
De gemeente Tilburg en BPD|Bouwfonds gebiedsontwikkeling willen in samenwerking komen tot een integrale gebiedsontwikkeling van het Louis Bouwmeesterplein, waarbij een parkeergarage met circa 700 parkeerplaatsen en maximaal 480 woningen, een groen binnenhof en commerciële en maatschappelijke functies in de plint mogelijk wordt gemaakt.
Afbeelding: plangebied
De ontwikkeling kan niet gerealiseerd worden binnen de regels van het omgevingsplan Tilburg. Er kan een besluit worden genomen om het omgevingsplan te wijzigen. In dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn regels en motivering opgenomen. In het document wordt gemotiveerd waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie in dit gebied. Er wordt nader ingegaan op welke wijze de ontwikkeling aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden verwoord die aan de basis hebben gestaan van de planontwikkeling.
De motivering geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer. Gemotiveerd wordt dat het plan past binnen de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale omgevingsverordening en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1.2 Leeswijzer
In de volgende hoofdstukken wordt een beschrijving en motivering gegeven van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie, waarbij zowel de ruimtelijke als functionele aspecten aan bod komen.
Hoofdstuk 3 beschrijft de toetsing aan de algemene beleidskaders van Rijk, Provincie, Waterschap en gemeente.
Hoofdstuk 4 betreft de toetsing aan de fysieke leefomgeving en milieu.
Hoofdstuk 5 beschrijft de economische uitvoerbaarheid en het kostenverhaal.
Hoofdstuk 6 omvat een omschrijving van de participatie en zienswijzen.
In hoofdstuk 7 wordt de belangenafweging beschreven en is een conclusie opgenomen.
Hoofdstuk 2 Het plangebied
Het plangebied is gelegen aan het Louis Bouwmeesterplein en het Zomerpark in Tilburg en omvat de percelen TBG01 M 12591, TBG01 M 8477 en TBG01 M 11704. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Schouwburgring in het noorden, de Kloosterstraat in het zuiden, het Louis Bouwmeesterplein met de schouwburg in het oosten en de Zomerstraat in het in de noordwesthoek.
Afbeelding: ligging plangebied in Tilburg
2.1 Huidige situatie
In de huidige situatie is in het plangebied een openbare parkeergarage in 3 bouwlagen en parkeerplaatsen op maaiveldniveau gelegen. Aan de Schouwburgring is een winkelplint met daarboven woningen gesitueerd. In dit gebouw zit een corridor, een doorgang naar de achterzijde van het gebouw. Daar vindt het laden en lossen voor de winkels plaats. Tussen de parkeergarage, de Zomerstraat en de Kloosterstraat is een klein park gesitueerd.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402002.png)
Afbeelding: vogelvlucht huidige situatie
2.1.1 Huidige ruimtelijke en functionele structuur
Een belangrijke intentie van het plan is het herstellen van de historische lintenstructuur. In de huidige situatie is een groot 'gat' geslagen in de straatwand en loopt het historische lint niet meer door. In het verleden liep de Zomerstraat door en was het Zomerpark een tuin achter een villa gelegen. In deze situatie was de bebouwing langs de Korvelseweg/Zomerstraat één van de lange linten met een continue straatwand. Met het nieuwe bouwblok wordt de straatwand hersteld en daarmee de herkenbaarheid van het historische lint vergroot. Het Zomerpark wordt weer ingekaders waardoor het een heldere, groene ruimte wordt.
Uit de historische analyse is naar voren gekomen dat het wenselijk is om de Zomerstraat ruimtelijke weer te verbinden met de Nieuwlandstraat. Deze route kruist de Schouwburgring en mogelijk kan de route in de toekomst, met een doorbraak in het bouwblok aan de noordzijde van de Schouwburgring, worden doorgezet. Dit herstel is één van de leidende principes voor de ontwikkeling, waarbij een aantrekkelijk stedelijk bouwblok en een groene omgeving worden gerealiseerd.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402003.png)
Afbeelding: Vogvlucht met aanduiding oorspronkelijk verloop lint
2.1.2 strijdigheden met het omgevingsplan
Het plangebied is gelegen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan 'Centrum zuid 2008'.
Daarnaast gelden binnen het plangebied:
het parapluplan Tilburg, Appartementen 2019
het parapluplan Tilburg, Terrasregels 2019
het parapluplan Tilburg, Parkeerregeling 2017
het parapluplan waterberging & grondwaterbescherming
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j, regeling flitsbezorgingsbedrijven
Binnen het omgevingsplan 'Centrum zuid 2008' heeft het plangebied de bestemmingen 'Groen', 'Centrum-Zuid', 'Verkeer-Verblijf' en 'Wonen-gestapeld'. De ontwikkeling is gedeeltelijk in strijd met de bestemmingen omdat er sprake is van een andere situering van de gebouwen in het plangebied. Daarnaast is de ontwikkeling in strijd met de bouwhoogte en wordt gedeeltelijk buiten het bouwvlak gebouwd.
Eventuele strijdigheden met de binnen het plangebied vigerende parapluplannen zijn minder van belang, nu voor het gehele plangebied het omgevingsplan wordt gewijzigd, en daarmee deze parapluplannen niet meer gelden voor het plangebied. Voor zover van toepassing zijn deze regels opgenomen in het gewijzigde omgevingsplan.
2.2 Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie wordt het plan onderdeel van een groter geheel van het geherstructureerde kernwinkelgebied en centrumgebied. Daarbij wordt een betere verbinding gemaakt van het kernwinkelgebied naar de Zomerstraat-Korvelseweg. De bestaande bebouwing van appartementen, winkels en parkeergarage wordt afgebroken en er komt een alzijdig stedelijk bouwblok met een gemengd programma, een mobiliteitshub en een gevarieerde volumeopbouw rond een groen dek voor in de plaats.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402004.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402004.jpg)
2.2.1 Het plan en inrichting plangebied
Op de locatie wordt een alzijdig stedelijk bouwblok ontwikkeld met een mix van functies.
Het parkeren zit samen met deelmobiliteit en fietsparkeren in het hart van het blok en daarnaast ook verdiept ondergronds in nog 2 lagen. Eromheen liggen op de eerste 2 lagen woningen en commerciele functies, woningtoegangen en de toegangen tot parkeer- en fietsparkeergelegenheid en trappen naar het verhoogde dek met de binnentuin. Daarboven wordt gewoond. Er komen verschillende woningtypes voor diverse doelgroepen in een hoogstedelijke dichtheid rond een openbaar toegankelijke binnentuin die met trappen vanaf tenminste 3 zijden bereikbaar is. ![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402005.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402005.jpg)
Afbeelding: het bouwblok in de omgeving
2.2.2 beoogde functies
De beoogde functies zijn wonen, commerciele en/of maatschappelijke voorzieningen en een mobiliteitshub met parkeren en stallingsruimte voor diverse voertuigen. bovenop de parkeervoorziening komt een groene openbaar toegankelijke binnentuin.
Hoofdstuk 3 Toetsing aan algemene beleidskaders
3.1 Rijk
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. We maken ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. We bevorderen duurzaam economisch groeipotentieel. We zorgen voor sterke en gezonde steden en regio’s. En we stimuleren een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio’s;
Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied.
Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
Afwentelen wordt voorkomen.
Toetsing aan NOVI
De ontwikkeling draagt bij aan het beleid vanuit de NOVI. Er wordt met deze compacte gemengde ontwikkeling en de vergroening invulling gegeven aan een sterke en gezonde stad. Door te bouwen nabij voorzieningen en OV met vergroening en waterberging is er ook ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
De drie afwegingsprincipes zijn van kracht: een combinatie van functies gaat hier voor enkelvoudige functies:
Het bouwblok combineert maatschappelijke voorzieningen en/of commerciële ruimten, wonen, parkeren en groen binnen de contouren van het plangebied in een gecombineerde compacte gemengde ontwikkeling.
De opzet van het bouwblok is nauwkeurig afgestemd op de kenmerken en identiteit van het gebied. Het leesbaar maken van het verhaal van de plek is nadrukkelijk onderwerp van de verdere uitwerking en architectuuropgave.
Door de bestaande parkeerplaatsen uit de parkeergarage op te nemen in en onder het blok en deze aan te vullen met extra plaatsen, wordt afwentelen van ruimtevraag op de omgeving voorkomen. Door dit te omzomen met levendige functies wordt een positieve bijdrage aan de verblijfskwaliteit en de omgevingskwaliteit gecreëerd.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
De opgenomen regels en omgevingswaarden zijn gesteld ter bescherming van nationale belangen en het voldoen aan internationale verplichtingen.
In het Bkl is onder meer geregeld welk bestuursorgaan bevoegd gezag is bij het verlenen van een omgevingsvergunning, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en procedures.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Hoofdstuk 5 bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1)
waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2)
beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4)
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5)
behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6)
behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7)
bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8)
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:
voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen
lokale spoorwegen binnen vervoerregio's
lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool
bebouwingscontour jacht
bebouwingscontour houtkap
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Ondanks het ingekaderde karakter van de afwegingsruimte die door de instructieregels ontstaat, biedt het Bkl veel ruimte aan de gemeente om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te sturen. Als de gemeente gebruik wil maken van deze afwegingsruimte, zal zij dit goed moeten motiveren. Daarnaast zullen deze deugdelijk onderbouwde, op het specifieke deelgebied afgestemde kaders ook moeten worden uitgewerkt in juridische planregels.
Toetsing aan Bkl
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het plangebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Dit wijzigingsbesluit voorziet niet in windturbines. Voor zover thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een toets aan deze instructieregels plaats in Hoofdstuk 4 van deze motivering.
3.1.2 Maatschappelijke behoefte
Met deze gebiedsontwikkeling wordt een impuls gegeven aan het centrumgebied. Er worden maximaal 444 woningen toegevoegd. In de plint worden functies toegevoegd die van meerwaarde zijn voor de buurt. In het openbaar gebied wordt ruimte gegeven aan de voetganger en als bijdrage aan de klimaatopgave wordt er meer ruimte gemaakt voor groen en waterberging.
3.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en
tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toe-
passing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor
een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met dit plan wordt de bouw van 450 woningen mogelijk gemaakt. Uit artikel 5.129g blijkt dat dit artikel alleen van toepassing is wanneer sprake is van een voldoende substantiële ontwikkeling. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeven dat een omgevingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen of niet meer dan 500m2 aan uitbreiding of nieuwbouw van overige functies in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Deze ontwikkeling betreft dus een stedelijke ontwikkeling waarbij de ladder van toepassing is.
Wonen en duurzame verstedelijking
De gemeente Tilburg maakt samen met tien andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose.Uit de prognose uit 2020 is er een 25.000 extra woningen vastgesteld voor de periode 2020-2040. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De sterkste groei vindt plaats in de jaren tot 2030. In de update stedelijke ontwikkelingsstrategie 2021 is aangegeven dat de Tilburgse netto bouwopgave tot 2030 gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar bedraagt.
In 2023 is de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose bijgesteld. Hoewel er in de periode tussen 2020 en 2025 duizenden woningen zijn toegevoegd, blijft de opgave zo’n 25.000 woningen tot 2040, met een stevig accent op uitbreiding in de periode tot 2030 met 10.000 woningen. In het nieuwe Woonbeleid 2025-2030 is daarmee de behoefte opgenomen om 2.000 woningen per jaar tot 2030 toe te voegen.
Toets van andere functies aan duurzame verstedelijking
Binnen het plangebied wordt circa 2070 m2 bvo aan winkelruimte gesloopt. De gemeente en initiatiefnemer hebben daarnaast afspraken gemaakt over de levering van circa 820m2 winkelruimte aan de gemeente. De gemeente gaat deze winkelunits in 2026 slopen als onderdeel van de vergroening van de Schouwburgring (Parkring). Het nieuwe plan staat maximaal 700m2 aan commerciële en/of maatschappelijke en horecafuncties. Detailhandel wordt niet toegelaten.Per saldo vermindert hiermee het bvo aan commerciële functies, waarmee een verdere laddertoets niet van toepassing is.
3.2 Provincie
3.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2022) echt klaar te zijn, is er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.
Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.
De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden;
De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.
3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant
verordening is tegelijk met de Omgevingswet van kracht geworden. In de omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels.
De instructieregels uit hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een omgevingsplan. De regels zijn van toepassing op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De wet biedt de mogelijkheid dat Gedeputeerde Staten voor de vergunningverlening voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gevallen aanwijst waarvoor verplicht advies (met instemming) bij hen gevraagd moet worden. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft bij besluit van 7 november 2023 de volgende activiteiten aangewezen waarover advies moet worden aangevraagd. Een activiteit zoals de beoogde ontwikkeling komt niet op die lijst voor. Er is dan ook geen advies van GS nodig.
Specifiek voor het plangebied gelden de volgende werkingsgebieden:
Stedelijk gebied (instructieregels gemeente)
Beperking grootschalige logistiek (instructieregels gemeente
Stalderingsgebied (instructieregels gemeente)
Daarnaast gelden voor iedere ontwikkeling de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Stedelijk gebied
Artikel 5.31 (Externe werking Natuur Netwerk Nederland) bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling die binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en die aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant geeft, de negatieve effecten waar mogelijk moet beperken en de overblijvende, negatieve effecten moet compenseren. Deze bepaling is niet van toepassing op aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In paragraaf 5.1.5 is gemotiveerd dat dit project gelet op de aard en omvang in verhouding tot de ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant geen negatieve effecten tot gevolg zal hebben. Compensatie is dan ook niet aan de orde.
Artikel 5.55 (Duurzame stedelijke ontwikkeling) bepaalt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals wonen, werken of voorzieningen in beginsel binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en dat daarbij gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling past binnen regionale afspraken en dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Bij de beoogde ontwikkeling is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In paragraaf 4.1.4 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Kortheidshalve volstaat hier de conclusie dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Er is immers sprake van een herontwikkeling van een bestaand bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Daarbij vindt op een verantwoorde wijze (zie hoofdstuk 5) verdichting plaats, waarbij voldoende oog is voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. De locatie is gelegen dicht tegen het centrum van Tilburg met al haar voorzieningen en op 300 meter van een bushalte, wat uitnodigt om gebruik te maken van duurzame vervoersmiddelen.
De overige regels binnen dit werkingsgebied (veehouderij in Stedelijk gebied en Toedeling beheer vaarwegen) zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.
Beperking grootschalige logistiek
Artikel 5.56 (Grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
In paragraaf 5.1.2 van de provinciale Omgevingsverordening is bepaald dat bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling moet worden gegeven aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie.
Van zorgvuldig ruimtegebruik is in dit geval duidelijk sprake. De ontwikkeling betreft het opnieuw benutten van een bebouwd bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Er is dus sprake van een herbestemming binnen bestaand bebouwd gebied.
Bij de lagenbenadering komen de volgende lagen en thema's aan de orde:
de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige en archeologische waarden;
de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer
de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.
Al deze aspecten komen terug in deze motivering. In het kort kan voor al deze aspecten geconcludeerd worden dat het project voorziet in een duurzame ontwikkeling, waarbij voldoende rekening is gehouden met de verschillende thema's binnen de lagen (zie Hoofdstuk 4 Toetsing aan de aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu).
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Daaronder wordt in ieder geval verstaan de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren. Ook de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn wordt als meerwaarde gezien. Ten slotte kan ook de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit (Kwaliteitsverbetering landschap) in het buitengebied deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
In dit geval zit de meerwaarde met name in het feit dat er met de nieuwe woningen wordt bijgedragen aan de gemeentelijke opgave om in de periode 2022-2026 circa 8.000 woningen te realiseren. De benodigde extra parkeerplaatsen zijn voorzien in een parkeergarage. De openbare ruimte rondom de bebouwing is groen ingevuld. Dit nodigt bewoners en omwonenden uit om door het gebied te bewegen en te ontmoeten.
3.3 Waterschap
Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van Waterschap De Dommel. Het relevante beleid van dit waterschap is opgenomen in het waterbeheerprogramma. Daarnaast heeft het waterschap een waterschapsverordening vastgesteld.
3.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Waterschap De Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.
Wat schoon is moet schoon blijven.
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:
van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;
van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied;
van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
3.3.2 Waterschapsverordening
Net als de provincie heeft het waterschap een omgevingsverordening vastgesteld. In de Waterschapsverordening Waterschap de Dommel 2024 staan de regels voor bewoners, bedrijven en andere overheden met betrekking tot activiteiten in of nabij rivieren, beken, sloten, gemalen, en dijken (waterkeringen) en activiteiten met betrekking tot het grondwater.
Binnen het plangebied of direct daarbuiten liggen geen provinciale vaarwegen, A- of B-watergangen, waterkeringen, of beschermingszones daarvan. Ook ligt er geen rioolwatertransportleiding binnen of nabij het plangebied. Binnen de projectlocatie zijn in zowel de huidige als toekomstige situatie geen activiteiten voorzien waarbij systematisch grondwater wordt onttrokken of ontwatering plaatsvindt door middel van drainage. Bepalingen hierover uit de Waterschapsverordening zijn dan ook niet van toepassing op het plangebied.
Ten slotte geldt bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak het uitgangspunt dat ruimtelijke (her)ontwikkelingen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Om aan dit uitgangspunt te kunnen voldoen wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren. In de Waterschapsverordening is daarom bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam:
Een omgevingsvergunning voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak is niet nodig als:
het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 500 m²; of
de toename van verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak
de toename meer dan 500 m² maar maximaal 10.000 m² bedraagt, en er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m).
Een omgevingsvergunning is wel nodig voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door afkoppeling als er minimaal10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.
3.4 Gemeente
34.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Toets van het plan aan de omgevingsvisie
Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk, bereikbaar en concurrerend zijn. We werken aan een optimale regionale bereikbaarheid voor de auto, trein, bus en (e-) fiets. In lijn met die opgaven zijn een openbare parkeergarage en mobiliteitshub met deelauto's en -fietsen onderdeel van het plan.
Ecologische verbindingen met en tussen de regionale natuurgebieden zijn van belang voor het goed functioneren van het ecologisch systeem. Het Zomerpark en de daktuin binnen het plan vormen ecologische stapstenen voor de uitbreiding en versterken van groene routes in de stad.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Woonmilieus beter laten aansluiten bij de behoeften van de bewoners is ons streven. We spreken initiatiefnemers erop aan dat ze rekening houden met verschillende leefstijlen, differentiatie in woonmilieus. Ook streeft de gemeente naar voldoende betaalbare woningen voor de diverse inkomens en doelgroepen. Prettig leven in de eigen wijk is ook een kwestie van voldoende (zorg)voorzieningen in de buurt, een aangename inrichting van de openbare ruimte, een veilige woonomgeving en aanwezigheid en toegankelijkheid van groen in de buurt. Voorzieningen en openbaar vervoer moeten aanwezig en toegankelijk zijn.
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal.
Tilburg is een jonge, dynamische stad met een unieke ontstaansgeschiedenis en een eigenaardig stratenpatroon vol verrassingen en kansen. Monumenten, historische structuren, karakteristieke linten en pleinen geven identiteit aan de stad en de dorpen. Ons erfgoed geeft eigenheid aan een plek en vergroot daardoor de herkenbaarheid. We zetten in op het behoud van waardevol erfgoed. Dat betekent niet dat er een stolp over het erfgoed staat, maar dat we het verleden gebruiken als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen. Het erfgoed geven we daarin nadrukkelijk een plek.
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Groen en water dragen bij aan een aangename omgeving om in te verblijven, maar ze zorgen ook voor lokale verkoeling. Daarmee dragen groen en water bij aan de gezondheid en welzijn van de inwoners. Groene routes in de stad zorgen voor verbinding van de groene ruimtes, meer zichtbaarheid van het groen in de stad en een grotere toegankelijkheid. Door burgers te betrekken bij de (her)inrichting van de openbare ruimte en het onderhoud, worden groen én water meer verbonden met bewoners en gebruikers in de buurt.
Door te verdichten in het centrum en een differentiatie aan woonvormen en voorzieningen toe te voegen boven een mobiliteitshub, krijgt dit in het plan vorm.
Door het zomerpark te versterken als groene stapsteen en een daktuin te maken wordt het systeem versterkt met een groene schakel en worden groene routes uitgebreid en versterkt.
Water krijgt ook een prominente rol in het gebouw en buitenruimteontwerp.
3.4.2 bestuursakkoord 'meer voor elkaar''
Het Akkoord ‘Meer voor elkaar betreft het bestuursakkoord voor de raadsperiode 2022 tot 2026. In dit akkoord staan doelen, koers en aanpak beschreven met betrekking op gezondheid, jeugd, kansengelijkheid, energietransitie, verduurzaming van de bestaande woon- en werkomgeving, groen in de stad, mobiliteit, openbare ruimte, nieuwe woningen, werkgelegenheid, kunst cultuur, evenementen en sport.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaand wooncomplex gesloopt om plaats te maken voor een nieuw woongebouw met ruimte voor commerciële en/of maatschappelijke functies in de plint. In totaal worden maximaal 480 woningen gerealiseerd en er is sprake van verdichting ten opzichte van de huidige situatie. Het woonprogramma voorziet in huur- en koopwoningen in het betaalbare en vrije segment. Bij de herontwikkeling worden de woningen volgens hedendaagse duurzaamheidsstandaarden gerealiseerd. In de ontwikkeling is voldoende oog voor vergroening, klimaatadaptatie en biodiversiteit, zowel op gebouwniveau als in de openbare ruimte.
3.4.3 Woonbeleid en volkshuisvesting
Woonvisie en Woonagenda 2020-2025
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema’s en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie.
Centraal in de Woonagenda staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen.
Woonbeleid 2025-2030
In het nieuwe Woonbeleid 2025-2030 wordt de Woonvisie Tilburg 2015 en Woonagenda 2020-2025 vervangen. In dit nieuwe gemeentelijk woonbeleid zijn een viertal speerpunten opgenomen die gebaseerd zijn op onze woonopgave en de ambities die de gemeente wil verwezenlijken. Dit zijn
Meer betaalbare woningen. De gemeente zet in op het toevoegen van 10.000 woningen tussen 2025 en 2030. Dit sluit aan op de afspraken gemaakt binnen de SRBT-woondeal. Daarbij wordt gemeentebreed inzetten op een verdeling in de nieuwbouw van 30% sociale huur, 40% betaalbare koop en middenhuur en 30% vrije keuze. Daarnaast wordt meer ingezet op het beter benutten van de huidige voorraad en de betaalbaarheid van de woningen op langere termijn.
De juiste woning op de juiste plek. Er wordt gebiedsgericht gewerkt aan het versterken van de ongedeelde stad en de gemeenschap, met een divers aanbod van woningen. Daarbij stuurt de gemeente op geschikte en passende woningen en (collectieve) woonvormen in nabijheid van voorzieningen. Zo kunnen we (nieuwe) Tilburgers boeien, binden en laten blijven. Daarbij wordt een basiskwaliteit gehanteerd voor woningen. Woningen dienen een oppervlakte van minimaal 50m2 GBO (gebruiksoppervlakte) te hebben. Voor aandachtsgroepen en bijzondere woonvormen zijn onder voorwaarden woningen kleiner dan 50m2 mogelijk.
Voor iedereen een passende woonvorm. Onder dit speerpunt valt het beleid om voldoende en passende huisvesting met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding te bieden voor aandachtsgroepen, waaronder ouderen. Daarbij wordt aangesloten op de Woonzorgvisie Regio Hart van Brabant en de Lokale Paragraaf Woonzorgvisie Tilburg.
Een sterkere positie op de woningmarkt. Dit speerpunt richt zich op een toegankelijke en inclusieve woningmarkt voor alle (nieuwe) Tilburgers.
Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie wonen 2021
Om het tekort aan woningen op te vangen zijn meer woningen nodig. De update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen van september 2021 geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd in aansluiting op de uitgangspunten van de NOVI. De strategie bevat richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien. Hieronder deze verdichtingsprincipes.
Bouwen met een menselijke maat
Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:
Een stedelijk leven op ooghoogte; actieve en levendige plinten van gebouwen.
Een menging en een synergie van functies voor een levendige openbare ruimte.
Interactie tussen gebouwen en openbare ruimte, die ontmoeting stimuleert.
Oogcontact vanuit bovenliggende verdiepingen op de aangrenzende openbare ruimte.
Een maximale openbaarheid van de openbare ruimte en opheffen sociale, fysieke barrières en anonimiteit.
Een fijnmazig netwerk van openbare ruimte en doorwaadbaarheid van de stad.
Voor iedereen eenvoudig bereikbare van voorzieningen en groen en koelteplekken, in de nabijheid van de woonomgeving; de zogenaamde 15 minutenstad.
Duurzaam en toekomstgericht
Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:
Een robuust groen-, water- en biodiversnetwerk.
Een klimaatadaptieve omgeving en bebouwing.
Een schone, sociale en gezonde omgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
We streven naar groen en biodiversiteit voor iedereen dichtbij door een aaneenschakeling van ‘stepping stones’ van substantieel groen of blauw (water) in de stad met een onderlinge afstand van maximaal 400 meter. Deze groene of blauwe plekken worden niet alleen verbonden door groenstructuren in combinatie met hoogwaardige loop- en fietsroutes, maar ook door bijzonder groen zoals geveltuinen en groene daken.
Alle inwoners hebben binnen 300 meter van hun woning toegang tot een koelteplek of groene of blauwe plek die via een groene of blauwe structuur verbonden is met een natuurgebied in de omgeving.
Er wordt natuurinclusief gebouwd en hanteren om dat te toetsten het ‘puntensysteem natuurinclusief bouwen’.
Een veranderende slimme stedelijke mobiliteit.
Verplaatsingen te voet, te fiets (Bicycle Oriënted Development) en Openbaar Vervoer als norm.
Een aantoonbare bijdrage aan inclusieve buurten, wijken en stad.
Multifunctionele gebouwen en stedelijke blokken.
Energieneutraal bouwen is uitgangspunt voor nieuwbouw.
Bij nieuwbouw en herontwikkeling van vastgoed stimuleren we dat zoveel mogelijk hergebruikte of herbruikbare materialen en grondstoffen worden gebruikt.
We faciliteren een stadsbrede intelligente ondergrondse infrastructuur (energietransitie, watersysteem en data).
voortbouwen op het Tilburgs weefsel
Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:
Afleesbaarheid van de cultuurhistorische tijdslagen en het DNA van de stad.
onderscheidende wijken: Binnenstad, Oude stad binnen de Ringbanen, na-oorlogse wijken, Reeshof en dorpen, waarbij op een passende wijze en mate verdicht, ingeweven en gemengd wordt.
Voortbouwen en verdichten binnen de bestaande Tilburgse laag en karakteristiek van het stedelijk blok.
Hoogbouw is mogelijk als er sprake is van een waardevolle en betekenisvolle toevoeging aan de omgeving.
We stimuleren vroegtijdige betrokkenheid van bewoners, eindgebruikers en ondernemers bij planvorming.
Benutten van kansen om in stedelijke blokken ruimte en voorzieningen te delen (mobiliteit, energie, keuken).
We stimuleren het gebruik van een 2e maaiveld voor vergroening, klimaatadaptatie, en verblijven en het toepassen van groene gevels en het opwekken van (zonne)energie op daken.
maatschappelijk rendement en betrokkenheid
Dit leidt tot de volgende uitgangspunten:
participatie van bewoners, ondernemers, instanties als integraal onderdeel van het beleids-, ontwikkel- en ontwerpproces op diverse schaalniveaus zoals stad, wijk, buurt, straat en gebouw.
actief creëren van een proces van draagvlak, meedenken en waar mogelijk het creëren van toegevoegde waarde voor de buurt of wijk.
vooraf heldere kaders voor het speelveld en spelregels van participatie, zodat voor deelnemers duidelijk is welke rol ze hebben.
heldere informatie en terugkoppeling over dilemma’s, afweging en besluitvorming tijdens het proces over ingebrachte bijdragen.
De ontwikkeling voor het Louis Bouwmeesterplein sluit hierbij aan en geeft aan deze principes nader invulling, vorm en uitwerking.
De menselijke maat is leidend voor het vormgeven aan een levendige stad op ooghoogte met het plan en interactie tussen gebouw en buitenruimte.
Er wordt voortgebouwd op het Tilburgs weefsel, waarbij het plan structuren verbindt.
Het tweede maaiveld wordt ingezet voor vergroening en klimaatadaptatie. De versterking van groen in en rond het plan en het bijdragen aan een structuur van groene stepping stones is een belangrijke pijler.
De buurt wordt met een participatieaanpak en een planteam actief betrokken bij de ontwikkeling. Er wordt ingezet op meerwaarde voor de buurt en de stad.
Toetsing van het plan aan het woonbeleid
Het plan vormt een belangrijke bijdrage aan de woningbouwopgave: er worden maximaal 480 woningen mogelijk gemaakt en er worden 36 appartementen gesloopt. Van de bouw wordt minimaal 20% in de sociale huur, 10% in de middeldure huur en 20% in de betaalbare koop gerealiseerd. De ontwikkeling draagt bij aan het perspectief ‘boeien-binden-blijven’ uit de agenda Binnenstad en het Woonbeleid 2025-2030. De nieuwbouw richt zich primair op het langdurig behouden van inwoners voor de binnenstad met kwalitatief hoogstaande woningen. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan de behoefte aan geschikte woningen voor gezinnen in dit gebied en de mogelijkheden voor doorstroming van ouderen.
Op gemeenteniveau wordt bij nieuwbouw ingezet op 30% sociale huur en 40% betaalbare koop en middenhuur, met als uitgangspunt 10% middenhuur, en 30% zonder voorgeschreven prijsniveau. Deze doelstelling is bewust op stedelijk niveau bepaald, waarbij gebiedsgericht wordt afgewogen en op projectniveau maatwerk mogelijk is. In de woningbouwprogrammering zijn voldoende plannen bekend waarbij de stedelijke doelstelling wordt gehaald. Ook op gebiedsniveau, in dit geval op het kruispunt van de drie wijken waarin en langs het Louis Bouwmeesterplein ligt, zijnde Binnenstad, Oerle en de Trouwlaan-Uitvindersbuurt, voldoet de optelsom van alle plannen aan de opgenomen verdeling. Op projectniveau is daarom maatwerk mogelijk.
In de agenda Binnenstad is geconcludeerd dat er de laatste jaren veel woningen zijn toegevoegd voor starters om hen te binden aan de stad. Nieuwbouw moet zich op basis van deze agenda vanaf nu bij voorkeur richten op het langduriger behouden van inwoners voor de binnenstad. Met ruime en kwalitatief hoogstaande appartementen in (middel)dure huur of koopsegment is dit mogelijk. Daarnaast is er in de binnenstad behoefte aan geschikte woningen voor gezinnen. De nabijheid van voorzieningen biedt ook mogelijkheden voor doorstroming van ouderen.
In de SRBT-woondeal 2022-2030 zijn afspraken opgenomen over de woningbouwopgave en benodigde realisatie voor de regio en Tilburg specifiek tot en met 2030. Waarbij de bouw in deze periode start, zal de oplevering hierna plaatsvinden. Bij de herijking van de Woondeal zal de start bouw als uitgangspunt worden meegenomen tot en met 2035. De ontwikkeling Louis Bouwmeesterplein zal daarmee nog in de start bouw afspraken tot en met 2030 vallen en bijdragen aan de dan vastgestelde opgave voor Tilburg. In aansluiting op de huidige Woondeal zal 30% van de woningbouwprogrammering sociaal worden gerealiseerd en 40% als betaalbare koop en middenhuur. Dit is een gemeentebrede opgave, waar de ontwikkeling Louis Bouwmeesterplein aan bijdraagt met een programma van minimaal 20% sociale huur en 30% betaalbare koop en middenhuur. Met de bijdrage van het Louis Bouwmeesterplein blijven we op koers met de gemeentebrede opgave zoals opgenomen in de Woondeal, zowel in aantallen als betaalbaarheid. Daarbij worden de woningen nultreden opgeleverd waarmee ze geschikt voor ouderen. Hiermee draagt het project bij aan de benoemde kwalitatieve opgave voor het huisvesten van ouderen, zoals opgenomen in de SRBT-Woondeal.
3.4.4 Toekomstbestendige werklocaties
Het toevoegen van werkfuncties sluit aan op de visie in de “Nota Toekomstbestendige Werklocaties” (2020). Hierbij wordt ingezet op functiemenging, werken in de wijk en het faciliteren van kleinschalige werkplekken in gemengde woon-werkomgevingen. Buurtgerichte dienstverlening en kleinschalig ondernemerschap (werkplekken, recreatieve en kleinschalige sportvoorzieningen) dragen bij aan de economische diversiteit van de stad. De binnenstad is een stedelijk gemixt milieu. Hierbinnen wordt gestreefd naar een mix van wonen, horeca, werken, maatschappelijke voorzieningen, kleinschalige leisure, en detailhandel (voor zover in overeenstemming met horeca-, leisure- en detailhandelsbeleid).
Toetsing
Met dit plan worden commerciële ruimten gerealiseerd in de plint van de nieuwe gebouwen. Het gaat om een maximale oppervlakte van 700m2. Dit draagt bij aan de functiemenging in het gebied.
3.4.5 Horecabeleid
Het Horecabeleid ”Beleidsnota gebiedsgerichte horecavisie” is in 2023 vastgesteld. Voor dit gebied geldt dat ondersteunende of additionele horeca bij een andere functie, alsmede een daghoreca (horeca categorie 1) wordt toegestaan. Voor de openingstijden van de daghoreca wordt aangesloten bij de openingstijden van winkels. Hiermee wordt ook voorkomen dat er voor de toekomstige bewoners overlast ontstaat in de avond en nacht. Door maatschappelijke en economische ontwikkelingen ontstaat er immers bij consumenten steeds meer een behoefte aan onderscheidende concepten in zowel winkels als horeca. Bijvoorbeeld een kapsalon met een koffiebar of een lunchroom waar het gehele interieur te koop is. Maar ook bij een dienstverlenende bedrijven, zoals een gebouw met een maatschappelijke functie, is een bijbehorend horecaconcept denkbaar.]
Toetsing
In het plan wordt maximaal horeca 1 (daghoreca) toegelaten, waarbij de openingstijden worden beperkt tot maximaal de openingstijden van de winkels.
3.4.6 Structuurvisie linten
Structuurvisie Linten in de Oude Stad is aangegeven dat de Binnenstad een bijzondere plek inneemt binnen de structuurvisie. Dit omdat er voor de Tilburgse Binnenstad al specifiek diverse nota's van toepassing zijn en die bovendien in het bestemmingsplan 'Binnenstad 2010' duidelijk en helder zijn vastgelegd. Daarnaast is aangegeven dat er specifiek voor de Binnenstad diverse processen spelen die in dit deel van de stad dominanter en belangrijker zijn dan de Structuurvisie Linten in de Oude Stad. Het gaat dan om bijvoorbeeld de keuze van de winkelstructuur, de keuze voor dwaalgebied en de keuze voor de Cityring voor een betere ontsluiting van de stad.
Hoofdstuk 4 Toetsing aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1 Aspecten fysieke leefomgeving
4.1.1 Stedenbouwkundige inpassing
Aanhechting, activering en contour
Het project Louis Bouwmeesterplein bestaat uit een alzijdig bouwblok dat de omliggende openbare ruimten een duidelijke begrenzing geeft en activeert met levendige functies in de plint, zoals grondgebonden woningen, appartementen en commerciële ruimten met verblijfsfunctie.
De nieuwbouw sluit aan op bestaande straten en herstelde historische lijnen. Rondom het project ontstaan aantrekkelijke routes en verblijfsplekken, met entrees naar de fietsenstallingen, de parkeergarage en de bovenliggende woningen en binnentuin. Via trappen en routes naar en over het verhoogde dek met een tuin worden nieuwe verbindingen gecreëerd tussen het Zomerpark, Park Oude Dijk, het Stadsforum en het winkelhart.]
Volume
Het bouwblok heeft een basisbouwhoogte van vijf à zes bouwlagen. Op enkele plekken worden accenten toegevoegd die hoger zijn, waardoor het bouwblok aansluiting vindt bij de grotere schaal van de stad. Deze accenten markeren de verschillende richtingen uit de omgeving die in dit blok samenkomen. De volumeopbouw wordt in paragraaf 4.1.3 nader toegelicht in het kader van het Hoogbouwbeleid.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402006.png)
Afbeelding: planopzet
Programma
Het blok omvat circa 450 tot 480 woningen, ongeveer 700 m² BVO aan commerciële en maatschappelijke ruimte, goed toegankelijke fietsenstallingen en een parkeergarage/mobiliteitshub met een capaciteit van circa 700 plaatsen. Daarnaast komen er trappen naar een binnentuin op het verhoogde dek, in het hart van het bouwblok. Rondom het blok wordt in de openbare ruimte maximaal ingezet op vergroening en klimaatadaptatie.
4.1.2 omgevingskwaliteit (welstand)
In 2024 is het Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit vastgesteld. Met het Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit wordt richting gegeven aan de manier waarop er in Tilburg met ambitie, optimisme, lef én historisch besef aan de verdere ontwikkeling van de stad en dorpen gewerkt gaat worden.
De Tilburgse Omgevingscommissie adviseert conform de Omgevingswet over bouwplannen. Zij doet dit op basis van de welstandsnota Tilburg 2017 die op 21 april 2020 is aangevuld.
Voor dit plan heeft overleg plaatsgevonden met de Omgevingscommissie en het Kwaliteitsteam. Het Kwaliteitsteam is een het college aangewezen team van adviseurs c.q. deskundigen dat de nagestreefde ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling bewaakt. Het stedenbouwkundig model en het Omgevingsplan zijn ter beoordeling voorgelegd aan het Kwaliteitsteam en welstand en zijn akkoord bevonden. Tot en met de schetsontwerpfase adviseert het Kwaliteitsteam over de omgevingskwaliteit van het plan. Daarna zal het definitieve ontwerp worden voorgelegd aan de Omgevingscommissie.
4.1.3 Handreiking hoogbouw
Het gemeentelijke hoogbouwbeleid is opgenomen in de Handreiking Hoogbouw die op 11 september 2017 is vastgesteld door de gemeenteraad. Op 3 oktober 2023 heeft de Raad de reparatie "Handreiking Hoogbouw 2017 - reparatie juni 2023 vastgesteld. Met deze reparatie is het hoogbouwbeleid in overeenstemming gebracht met ons beleidsdoel en werkwijze, namelijk dat we ten aanzien van het bepalen van voldoende bezonning de Haagse bezonningsnorm hanteren, in plaats van de eerder genoemde Haagse bezonningsregel.
Onder hoogbouw worden gebouwen hoger dan 15 meter verstaan. Gemeente Tilburg wil hoogbouw realiseren op die locaties waar het een meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Hoogbouw kan bijdragen aan de verbetering van de openbare ruimte en zorgt voor het zuinig omgaan met ruimte. Met hoogbouw kan namelijk verdichting worden mogelijk gemaakt, waardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeterd kan worden. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is. De dynamiek van deze ontwikkelingen vraagt om maatwerk. Daar wil gemeente Tilburg op inspelen met een flexibeler en tegelijkertijd stringenter hoogbouwbeleid dan het voorgaande beleid.
De Handreiking Hoogbouw (2017) voorziet in een algehele actualisering van het hoogbouwbeleid uit 2007. Het hoogbouwbeleid van 2007 ging nog uit van een kaartbeeld van de stad waarop was aangegeven waar hoogbouw 'gewenst', 'af te wegen' respectievelijk 'ongewenst' was. Het kaartbeeld leidde in de praktijk tot een aantal neveneffecten, zoals speculatie en overaanbod, beperkte sturingsmogelijkheden binnen de gebieden waar hoogbouw 'gewenst' was, weinig mogelijkheden om in te spelen op nieuwe gewenste ontwikkelingen. Daarom is in de Handreiking Hoogbouw (2017) geen vast kaartbeeld opgenomen, maar de plicht om bij elk hoogbouwinitiatief een stedenbouwkundige analyse uit te voeren (dynamisch kaartbeeld), de programmatische behoefte aan te tonen en een belangenafweging te maken.
Het huidige beleid laat de vaste blauwdruk van hoogtes en locaties los en vereist in plaats daarvan een gedegen stedenbouwkundige analyse van het betreffende stadsdeel waar de hoogbouwbehoefte speelt. Deze analyse – het hoogbouwlandschap – wordt verderop toegelicht.
Het plan voldoet aan zowel het Stedenbouwkundig Plan en het Hoogbouwbeleid (stedenbouwkundige analyse). In de onderstaande paragrafen gebiedsprofiel en projectprofiel wordt een motivering van het hoogbouwinitiatief gegeven vanuit de in de Handreiking Hoogbouw (2017) en de actualisatie Handreiking Hoogbouw (2023) genoemde stedelijke en gebiedsgerichte criteria.
4.1.3.1 Gebiedsprofiel
Het gebiedsprofiel beschrijft hoe het project, stedenbouwkundig wordt ingepast in haar context. Dit gebeurt aan de hand van een stedenbouwkundig model dat opgesteld is op basis van de voor dit plan gestelde stedenbouwkundige en programmatisch uitgangspunten. Het Omgevingsplan biedt ruimte om hier binnen de verdere stedenbouwkundige en architectonische uitwerking, enigszins in te variëren.
Ruimtelijke oriëntatie
Hoogbouw markeert plekken, versterkt de ruimtelijke oriëntatie en draagt bij aan de leesbaarheid van de stad.
De hoogbouw van het bouwblok Louis Bouwmeesterplein fungeert als scharnierpunt bij de entree van het stadscentrum en het Stadsforum, vanuit het zuidoosten van Tilburg. Als markant punt aan het einde van de Korvelseweg/Zomerstraat en de Bredaseweg biedt het herkenbaarheid en oriëntatie aan de rand van het centrum. De overgang van het Stadsforum naar de vernieuwde cityring (Parkring) wordt aan de oostzijde door deze bebouwing gemarkeerd.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402007.png)
Afbeelding: orientatie hoogbouw
Vanuit het Stadspark Oude Dijk vormt het bouwblok een schakel in een groene verbindingsroute en markeert het vanuit die richting een nieuwe entree tot het centrum.
Het bouwblok bestaat uit:
Plint (stadse laag): circa 17 tot 20 meter hoog (5 of 6 bouwlagen)
Binnentuin (dek parkeergarage): circa 4 meter boven maaiveld (één bouwlaag)
Accenten: maximaal 4 met variërende hoogtes van 29, 32, 51 en 70 meter (circa 9, 10, 16 respectievelijk 22 bouwlagen).
De hogere accenten markeren verschillende richtingen in de omgeving, waardoor het bouwblok een ankerpunt wordt in de verbinding met de stedelijke context.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402008.png)
Afbeelding: bouwblok in relatie tot de omgeving
Silhouet en skyline
In het stedenbouwkundig model is te zien dat het bouwblok met zijn accenten bijdraagt aan een evenwichtige skyline en de markering van belangrijke stadsentrees rond het centrum. Alleen de hoogste accenten reiken boven de 50 meter.
Deze hoogtepunten zijn nadrukkelijk geen solitaire gebouwen, maar integraal onderdeel van het bouwblok. Het hoogste accent, gelegen aan de zijde van het Zomerpark, ligt terug ten opzichte van de straat. Deze positionering volgt de Tilburgse traditie waarbij grotere schaalelementen – zoals historische fabriekspanden – niet direct aan de straat worden geplaatst, maar dieper in het bouwveld liggen. Daarmee sluiten zij aan op de fijnmazige lintstructuur van lagere bebouwing aan de randen.
Ook in het actuele hoogbouwstructuurbeeld van het centrum is dit principe zichtbaar: hogere volumes worden niet formeel of symmetrisch in de eerste lijn gepositioneerd, maar teruggelegd, waardoor de straatprofielen hun menselijke maat behouden. Zo ontstaat een geleidelijke overgang naar de omgeving, terwijl de hoogte toch duidelijk zichtbaar blijft. Het bouwblok fungeert hierdoor als een samenhangend stedelijk ensemble dat de openbare ruimte vormt en de omgeving bindt.
Inpassing in de omgeving
De opzet van het project sluit zorgvuldig aan op de bebouwing in de directe omgeving. Daarbij is onderscheid gemaakt in verschillende onderdelen van de geleding:
Plint – De eerste twee lagen verbinden de schaal van het blok met de menselijke maat op ooghoogte. Met een gemengd programma en levendige functies draagt de plint bij aan een aantrekkelijke openbare ruimte rondom het blok.
Stadse laag – Deze bouwhoogte sluit aan op de maat en schaal van de directe omgeving, waardoor het blok harmonieus opgaat in het stedelijk weefsel.
Accenten – De hogere bouwdelen markeren de richtingen van grotere stedelijke structuren en verankeren het blok in het bredere stadsbeeld.
Doorwaadbaarheid – Trappen en doorgangen zorgen voor een aantrekkelijk, openbaar toegankelijke route door de binnentuin, die de buitenruimte en het interieur van het blok verbindt.
Bij het vormen van de contouren is nadrukkelijk ingezet op herstel van de oorspronkelijke zichtlijn en verbinding tussen de Korvelseweg/Zomerstraat en het oude stadscentrum. Deze verbinding, die verdween bij de aanleg van de Schouwburgring, wordt voor zover mogelijk binnen dit plangebied stapsgewijs teruggebracht.
Daarnaast vormt het bouwblok een nieuwe schakel in de routing tussen het Stadsforum en het Stadspark Oude Dijk, waarmee zowel functionele verbindingen als ruimtelijke samenhang worden versterkt.
Draagvlak en functiemenging
De ligging van het Louis Bouwmeesterplein – dicht bij het centrum van Tilburg, het station en de toekomstige mobiliteitshub – maakt het mogelijk om in hoge dichtheid te bouwen. Hierdoor wonen veel mensen op loop- en fietsafstand van voorzieningen, wat deze beter benut en onderling versterkt.
Door woningen, voorzieningen en mobiliteit verticaal te stapelen ontstaat een alzijdig aantrekkelijk bouwblok dat op een onderscheidende plek in de stad veel programma kan opnemen. De hogere bouw maakt het bovendien mogelijk om de huidige, beeldbepalende centrumparkeervoorziening ondergronds en inpandig te brengen. Deze wordt omgevormd tot een moderne mobiliteitshub, omzoomd door stedelijk programma in de plint en deels overbouwd met woningen.
Met maximaal 480 woningen levert het project direct draagvlak voor de voorzieningen in de plint én voor de centrumvoorzieningen in de omgeving. Het plan draagt zo bij aan de compacte, gemengde stad, waarin de verdichtingsopgave wordt gecombineerd met verbeterde bereikbaarheid, vergroening en nieuwe verbindingen.
De onderste bouwlagen bieden ruimte aan functies die zowel de buurt als de stad versterken, zoals maatschappelijke voorzieningen, commerciële functies en ontmoetingsplekken. Daarnaast is er volop gelegenheid tot sociale interactie, zowel in de centrale binnentuin als aan de randen van het bouwblok.
Door deze geconcentreerde aanpak ontstaat een veelzijdig bouwblok met een onderscheidende woonkwaliteit, een mix van woningtypen en voorzieningen en een levendig programma. Deze ontwikkeling geeft een impuls aan de positionering van Tilburg als aantrekkelijke vestigingslocatie en versterkt de ruimtelijke én programmatische verbindingen in de stad.
4.1.3.2 Projectprofiel
Het projectprofiel beschrijft puntsgewijs hoe het plan is getoetst op haar effecten voor de directe omgeving. Enkele aspecten zijn elders in deze toelichting of in aparte bijlagen nader uitgewerkt.
Windhinder
Hogere bebouwing kan windstromen beïnvloeden en daarmee hinder veroorzaken in de openbare ruimte. Om de effecten hiervan in beeld te brengen is een Kwalitatief Windhinderonderzoek (Quickscan Windanalyse Louis Bouwmeesterplein Tilburg (bijlage 1) uitgevoerd. In de huidige situatie lopen de windstromen voor een groot deel langs en over het plangebied. In de toekomstige situatie zal de wind tegen de nieuwe accenten aan stromen, waarna de wind aan de zijde van de Zomerstraat nadrukkelijker zal gaan stromen. Aan de oostzijde van het nieuwe blok zal onder meer door de beperkte aanwezigheid van grote bomen en wandvorming van het nieuw blok de wind het binnenhof in vallen.
Uit de windanalyse vallen drie locaties op waar bij de uitwerking van het plan extra aandacht wenselijk is ter verbetering van het windcomfort.
Locatie Schouwburgring – Kloosterstraat: windsnelheid komt nu al voor. Mogelijk kan er bij herinrichting Schouwburgring worden gekeken naar het extra breken van de wind.
Locatie Zomerstraat: extra aandacht is wenselijk bij de inrichting openbare ruimte om wind door aanwezige windcorridor en windval te beperken. Toevoegen van bomen kan hier een dempend effect hebben.
Locatie Kloosterstraat: extra aandacht gewenst bij de inrichting van de openbare ruimte.
De gemiddelde windsnelheid op is op deze locaties is 5 m/s. Deze windsnelheid wordt beschreven als een merkbare, maar niet hinderlijke wind. Dit is ook de hoogst gemeten windsnelheid op maaiveld- en dekniveau, en daarmee het meest relevant ten aanzien van een mogelijk nadelig windcomfort. De windsnelheid op het dak van de hoogteaccenten is 5 m/s of meer, maar vallen buiten de onderzoeksscope.
Toevoegen van bomen kan een positieve bijdrage leveren aan het breken van de wind, waardoor er comfortabelere windluwe gebieden kunnen worden gecreëerd. In de eerste studies voor de inrichting van de openbare ruimte wordt ook al rekening gehouden met nieuwe bomen. Aandachtspunt is de positionering van nieuwe bomen in relatie tot de bebouwing. Daarbij zal ook naar soort, omvang bij aanplant en geschiktheid gekeken moeten worden zodat bomen ook aanslaan en overleven. Naast toevoeging van bomen in het openbaar gebied kan ook met de uitwerking van de bouwvolumes een positieve bijdrage aan het windklimaat worden gerealiseerd door nadere positionering en vormgeving van bouwvolumes en toevoegen van bouwkundige elementen.
Schaduwwerking
Het plan heeft invloed op de zonlichttoetreding en de schaduwwerking in de omgeving. Hiervoor is een bezonningonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze motivering.
Op enkele locaties wordt de norm overschreden. Van de bezonningsnorm kan worden afgeweken wanneer dit goed wordt onderbouwd. In dit geval is aanpassing van het bouwblok ongewenst om de volgende redenen:
Zorgvuldige hoogte en opbouw – De hoogte, het silhouet en de opbouw van het gebouw zijn zorgvuldig gekozen op basis van stedelijke en omgevingsuitgangspunten.
Inpassing in het hoogbouwsilhouet – De hoogbouw markeert de stadsentree en het Stadsforum aan de zuidwestzijde van het centrum.
Opbouw in plint, stadslaag en accenten – Deze gelaagde opbouw zorgt voor een goede aansluiting op de schaal van de omgeving en maakt een samenhangend silhouet vanuit meerdere richtingen zichtbaar.
Bijdrage aan woningbouwopgave – Het plan voegt circa 480 woningen toe aan de stad, een substantiële bijdrage aan de gemeentelijke doelstellingen.
Beperkte aanpassingsmogelijkheden – Eventuele aanpassingen zouden slechts een minimaal effect hebben op de bezonning, ook al is die aanpassing substantieel.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van het nieuwbouwplan: er blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aanpassing van het gebouw is onwenselijk en de ontwikkeling levert in kwalitatieve en kwantitatieve zin een bijdrage aan de verdichtingsopgave. Bezonning is geen wettelijke randvoorwaarde voor een goed woon- en leefklimaat, waardoor afwijken van de norm hier gerechtvaardigd is.
Uitzicht
Uitzicht betreft het effect van het nieuwe gebouw op de zichtlijnen vanuit omliggende bebouwing en hoe eventuele negatieve effecten worden beperkt.
De huidige situatie wordt gekenmerkt door een appartementencomplex met een representatieve voorzijde en een gesloten, logistieke achterzijde, inclusief parkeergarage en geparkeerde auto’s. Na realisatie van het plan kijkt men uit op een alzijdig, levendig en gemengd bouwblok met gevarieerde hoogtes en een mix van woon-, werk- en verblijfsfuncties aan het openbaar gebied.
Het nieuwe blok heeft een leesbare stedelijke laag die aansluit op de schaal van de omliggende bebouwing, met daarboven diverse hoogteaccenten en setbacks. Op basis van massa- en volumestudies zijn de posities van deze accenten zorgvuldig bepaald, zodat ze de structuurrichtingen in het plan begeleiden en het uitzicht vanaf elke zijde van het blok goed is afgestemd op de omgeving.
Door de aangepaste bebouwingscontour wordt bovendien de cultuurhistorische zichtlijn en route van de Korvelseweg/Zomerstraat naar het centrumgebied tot aan de Schouwburgring hersteld.
Privacy
Privacy gaat over de mate van inkijk vanuit de nieuwbouw naar bestaande woningen en buitenruimtes. De Handreiking Hoogbouw noemt een afstand van 25 meter tussen gevels als acceptabel voor privacy. In binnenstedelijke situaties is dit niet altijd haalbaar, maar kan met ontwerpmaatregelen toch voldoende privacy worden geborgd.
In dit plan is de afstand tussen gevels in de meeste gevallen groter dan 25 meter. Op drie locaties wordt deze afstand beperkt overschreden:
Zomerstraat: De kleinste onderlinge gevelafstand ligt hier net onder de 25 meter. Gezien de minimale afwijking, de binnenstedelijke ligging en het feit dat er openbare ruimte tussen beide gevels ligt, wordt deze situatie als aanvaardbaar beschouwd.
Kloosterstraat: De afstand varieert tussen circa 23 en 24 meter, voor het grootste deel ligt de gevel buiten de 25-meterlijn. Bestaande muren (semi-open), hoge hagen en volwassen bomen zorgen bovendien voor extra privacy. Gezien de beperkte impact en de binnenstedelijke context zijn deze afwijkingen acceptabel.
Achterzijde Schouwburg: Afstand op maaiveldniveau ca. 12,5 meter (kantoren in plint), vanaf de derde laag ca. 20 meter. De gevel is grotendeels gesloten, eventuele inkijk betreft werkruimtes, wat in deze context aanvaardbaar is.
Afbeelding: bouwblok met 25 meter contour
Schaalsprong
De schaalsprong betreft het schaalverschil, zowel verticaal als horizontaal, tussen hoogbouw en omliggende bebouwing.
Het bouwblok bestaat uit meerdere stedelijke volumes rond een verhoogd groen binnenhof, met verschillende hoogteaccenten en een parkeergarage met drie lagen (waarvan twee ondergronds).
Stedelijke laag – Vier tot zes bouwlagen met setbacks, afgestemd met het volume op de directe omgeving.
Hoogteaccenten – Vier accenten variërend in hoogte en positie:
Kloosterstraat
Het laagste hoogteaccent begeleidt de richting van de Kloosterstraat en sluit in maat en schaal aan op het huidige podiumhuis van de Schouwburg en de Concertzaal. Hiermee wordt de overgang gemaakt van de nieuwbouw naar de kleinere schaal van de woningbouw aan de overzijde van de straat.
Schouwburgring
Het hoogteaccent aan de Schouwburgring staat haaks op de ring en reageert op de wederopbouwarchitectuur in dit deel van de stad. Op straatniveau begeleidt het de looproute naar de historische Pauluskerk en sluit het aan bij de smalle straten en stegen die kenmerkend zijn voor het omliggende Dwaalgebied. Dit accent draagt bij aan de stedelijke ambities die passen bij de Schouwburgring en vormt onderdeel van de reeks oude en nieuwe bouwvolumes en hoogteaccenten langs de cityring. Een deel van de stedelijke laag loopt vóór dit accent door, waardoor een gelaagde opbouw ontstaat die aansluit bij de compositie van de Schouwburg. Het Omgevingsplan biedt ruimte om dit accent in de uitwerking nauwkeurig af te stemmen op het volume en de maatvoering van de Schouwburg.
Zomerstraat
Het accent aan de Zomerstraat markeert de aansluiting van het historische lint op de Schouwburgring en begeleidt ruimtelijk de richting en structuur van het Zomerpark. Tegelijkertijd bevindt het zich aan een deel van de ring met een grotere schaal van bebouwing. Hierdoor vervult het accent een schakelfunctie: het sluit in maat en schaal aan bij de toren Elegance aan de overzijde van de Schouwburgring en bij de bestaande hoogteaccenten langs de cityring.
Zomerpark
Dit accent staat haaks op het Zomerpark en is het hoogste van het plan. Het markeert het bouwblok op stadsniveau en sluit aan op de richting en structuur van het historische lint. Door zijn hoogte is het vanuit meerdere plekken in de stad goed zichtbaar en maakt het het tot nu toe verborgen Zomerpark herkenbaar in het stedelijk beeld. Door de positie heeft dit accent, ondanks zijn hoogte, slechts een beperkte invloed op de directe stedelijke ruimte.
Alle accenten worden in de architectonische uitwerking nader verfijnd om richting, rankheid en buitenruimtes optimaal te realiseren.
Plint, openbare ruimte en groen
De plint vormt de verbinding tussen het bouwblok en de stad op ooghoogte. Levende functies zoals woningen, commerciële en maatschappelijke ruimten liggen aan de randen van het blok, terwijl logistieke functies zoals bergingen, fietsenstallingen en parkeergarage inpandig in het hart zijn gesitueerd.
Het ontwerp van de plint en gevels volgt de uitgangspunten uit het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitskader, en wordt verder uitgewerkt door de architect en beoordeeld door het Kwaliteitsteam.
Het Zomerpark, de openbare ruimte rond het plan en het binnenhof maken deel uit van het programma 013 Parken van de gemeente Tilburg. Dit programma versterkt de groene structuur van de stad, maakt deze klimaatbestendig en aantrekkelijk, en legt nadruk op strategische sleutelplekken, zoals deze projectlocatie.
4.1.3.3 Hoogbouwbeleid
Binnenkort wordt een nieuw ‘Hoogbouwbeleid’ vastgesteld. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het hierboven genoemde hoogbouwbeleid ‘Handreiking hoogbouw 2017, reparatie 2023’ zijn:
Aanduiding van de grootschalige verdichtingsgebieden in de stad en hun maximale bouwhoogte op
kaartbeelden;
Aanpassing van de definitie van hoogbouw;
Toevoeging van het ‘gebouwprofiel’ aan het gebieds- en projectprofiel;
Toevoeging van functionele uitgangspunten voor hoogbouw;
Uitgangspunten ten aanzien van ontwerpersselectie/architectenkeuze.
Binnen de gewijzigde definitie van hoogbouw wordt in het nieuwe hoogbouwbeleid gebouwen waarvan de hoogte meer is dan 25 meter verstaan. Het Louis Bouwmeesterplein is gelegen binnen de verdichtingslocatie ‘Stedelijke verdichting’ met een maximale bouwhoogte van 70 meter. De ontwikkeling met een maximale accenthoogte van 70 meter past hierin.
Het ‘gebouwprofiel’ is nieuw binnen het gewijzigde hoogbouwbeleid. Het gebouwprofiel richt zich op de
architectonische uitwerking en het functioneren van het gebouw. Voor Louis Bouwmeesterplein geldt dat er nog een architectenselectie moet worden gemaakt. Bij de architect keuze zal rekening worden gehouden met de uitgangspunten van ontwerpersselectie zoals benoemd in het hoogbouwbeleid.
Als functionele uitgangspunten voor het ontwerp worden in het beleid genoemd: Meerwaarde verplicht, ontmoeting stimuleren, een eigen of gezamenlijke buitenruimte van voldoende omvang, inzet van daken voor daktuin, klimaatadaptatie of energieopwekking, positionering van bergingen en stallingen en installaties en techniek moeten integraal onderdeel zijn van het gebouwontwerp. Bij het opstellen van het ontwerp zal hier rekening mee worden gehouden. In de regels is een toets aan het actuele hoogbouwbeleid geborgd.
4.1.4 Verkeer en parkeren
4.1.4.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
4-sporen beleid parkeren 2021
Op 18 november 2021 heeft de raad met betrekking tot parkeren in de binnenstad het 4-Sporenbeleid Parkeren en Deelmobiliteit vastgesteld. Dit houdt onder andere in dat bij een nieuwe ontwikkeling de ontwikkelaar in de basis nog steeds geacht wordt het parkeren op de eigen ontwikkelplot op te lossen, maar dat er meer handvatten komen waarmee de gemeente een helpende hand kan bieden. De vier sporen zijn:
Het beter benutten van restcapaciteit in openbare parkeergarages Hiervoor zijn nieuwe abonnementsvormen ingevoerd waarbij de garages op rustige momenten beter worden gebruikt en op drukke momenten voornamelijk ruimte bieden voor bezoekersparkeren. Voor bezoekers van bewoners wordt een bezoekersregeling in de garages ontwikkeld.
Met een hoogwaardig en betaalbaar aanbod deelmobiliteit een goed alternatief bieden voor de eigen auto. Met behulp van een vergunningenstelsel voor deelscooters en deelfietsen wordt actief gestuurd op een hoogwaardig aanbod. Ook voor deelauto’s is een dergelijk vergunningenstelsel volgens planning eind 2023 beschikbaar. In de nota parkeernormen zijn de voorwaarden voor deelmobiliteit opgenomen.
Gebiedsgericht aan de rand van de binnenstad openbare parkeercapaciteit toevoegen
Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat er aan de oostkant van het centrum een aantal van 500 á 600 extra parkeerplaatsen in openbare gebouwde voorziening wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt aan de westzijde van de binnenstad een tijdelijke garage van ca. 350 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Transferia bij de toegangspoorten van de stad
Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat een tweetal transferia, bij de Kempenbaan en in Noord, worden uitgewerkt. Deze worden voorzien van hoogwaardig natransport, waaronder snelle en frequente buslijnen.
4.1.4.2 Nota Parkeernormen Tilburg 2023
Op 1 januari 2024 is de nota Parkeernormen Tilburg 2023 in werking getreden. In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Het doel van nota parkeernormen is om ervoor te zorgen dat de mobiliteit voor (toekomstige) bewoners, gebruikers, en bezoekers bij bouwontwikkelingen gefaciliteerd wordt, zodat de locatie toegankelijk is en ook in de toekomst bereikbaar blijft, zonder dat de extra mobiliteitsbehoefte wordt afgewenteld op de omgeving. Tegelijkertijd voorkomen we met de nota parkeernormen dat er te veel parkeerplaatsen worden aangelegd en er meer auto’s in de stad komen dan nodig is.
Omdat we het aantal toe te voegen autoparkeerplaatsen bij bouwontwikkelingen willen begrenzen, maar individuele initiatiefnemers niet altijd de mogelijkheid hebben om alternatieven voor parkeren goed en efficiënt te regelen, introduceren we naast het Parkeerfonds een Mobiliteitsfonds. Met dit fonds kunnen we bijvoorbeeld bijdragen aan het organiseren van een stadsbreed hoogwaardig én betaalbaar aanbod aan alternatieve vormen van mobiliteit, zoals deelmobiliteit of het inrichten van een gebiedsgerichte mobiliteitshubs met deelvoertuigen (zoals auto’s, fietsen en scooters).
Om te voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen tot overlast leiden in de omgeving, plaatsen we deze ontwikkelingen op de BROP-lijst (Beperkt Recht Op Parkeerproduct). Hierin staan de afspraken over parkeervergunningen en -abonnementen. Het uitgangspunt is dat gebruikers (en bezoekers) van de nieuwe ontwikkeling niet in aanmerking komen voor een gemeentelijk product.
Bij iedere ontwikkeling bepalen we de normatieve parkeerbehoefte. Per functie wordt het normatieve aantal parkeerplaatsen van de ontwikkeling berekend. Dit gebeurt op basis van de parkeernorm per functie. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik en de regeling 'oud voor nieuw'. Het uitgangspunt is dat deze parkeerbehoefte op eigen terrein wordt opgelost. In sommige gevallen is het wenselijk om minder parkeerplaatsen te maken. Met name binnenstedelijk, waar voldoende vervoersalternatieven zijn, kunnen we de parkeerbehoefte beïnvloeden. Daar hebben we ook de mogelijkheid in de vorm van betaald parkeren om de omgeving te beschermen tegen mogelijke parkeeroverlast. Een andere vorm om de parkeerbehoefte te beïnvloeden is het inzetten van deelmobiliteit. Het inzetten van deelauto’s en andere vormen van deelvervoer bij woonfuncties heeft alleen invloed op de parkeerbehoefte van bewoners.
In sommige gevallen is parkeren op eigen terrein niet mogelijk of niet wenselijk. In de nota parkeernormen 2023 zijn hiervoor verschillende vrijstellingsregels opgenomen.
Tenslotte is de richtlijn laadpunten bij nieuwbouw opgenomen. Deze richtlijn heeft als doel om in de pas te blijven met de opgave die voor ons ligt, namelijk het realiseren van afdoende laadvoorzieningen in de stad om elektrisch vervoer mogelijk te maken en houden.
4.1.4.3 Fietsparkeren
In de basis geldt dat fietsparkeervoorzieningen op eigen terrein worden gerealiseerd. Normen hiervoor zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen 2023. Daarbij maken we onderscheid in de fietsparkeervoorziening voor vaste gebruikers en de fietsparkeervoorziening voor bezoekers. Vaste gebruikers parkeren hun fiets in een overdekte voorziening die afgesloten dan wel bewaakt is. Bezoekers parkeren hun fiets in een openbaar toegankelijke voorziening. De invulling van deze fietsparkeervoorzieningen is verschillend voor grondgebonden woningen en appartementen. Bij grondgebonden woningen is het uitgangspunt dat bezoekers hun fiets zonder hinder van het overige verkeer (voetgangers) nabij de woning kunnen stallen, bijvoorbeeld in de voor- of achtertuin of tegen de voorgevel. Bij appartementen stallen meerdere bezoekers op kleiner oppervlak, waardoor fietsparkeervoorzieningen als nietjes of rekken benodigd zijn.
Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020
Het Tilburgs beleid voor de fiets is vastgelegd in “Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020”, welke door het college is vastgesteld op 8 december 2020.
De fietsagenda is één van de vijf uitwerkingen van de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 (MAT2040) en de MobiliteitsAgenda 013. Hierin is de doelstelling opgenomen dat tweederde van de verplaatsingen binnen de stad in 2040 op actieve wijze plaatsvindt (lopen en fietsen) en een groei van 20% van het aantal gereden fietskilometers in 2027 ten opzichte van 2017. Fietsen is inclusief, draagt bij aan een duurzame stad en is cruciaal in gezondheidspreventie. Daarom kiest de gemeente Tilburg voor de fiets en doet dit consequent. Hierbij wordt ingezet op drie pijlers: fietsinfrastructuur, fietsparkeren en fietsstimulering. De fietsagenda verbindt het Tilburgs fietsbeleid met het Regionaal Fietsbeleidsplan 2016-2020 (regio Hart van Brabant), met de Samenwerkingsagenda BrabantStad Fiets 2019-2022 (de vijf Brabantse steden, de provincie NoordBrabant en BUas) en met het landelijke Tour de Force 2e etappe Schaalsprong Fiets (samenwerking tussen het Ministerie van I&W, IPO, VNG/F10, vervoerregio’s en diverse organisaties waaronder de ANWB en de RAI Vereniging).
4.1.4.4 Agenda voor het stedelijk openbaar vervoer in Tilburg
De Tilburgse OV-agenda vormt een uitwerking van actuele kaders, waaronder de Mobiliteitsaanpak Tilburg (2016), Verstedelijkingsstrategie (2022), Parkeerstrategie (2022) en de Actualisatie Netwerkanalyse 2040 (2025). In het bestuursakkoord ‘Meer voor Elkaar’ (2022) is opgenomen dat voor het realiseren van de woningbouwopgave en voor een prettig en gezond verblijfsklimaat een mobiliteitstransitie noodzakelijk is met inzet op hoogwaardig openbaar vervoer voor de lange termijn.
Om Tilburg leefbaar en bereikbaar te houden, dient het aantal reizigers in 2040 met een factor 3-4 te zijn gegroeid ten opzichte van 2019. Om dat te bereiken, zet Tilburg op hoofdcorridors in op Bus Rapid Transit (BRT). Hier reizen inwoners en bezoekers snel en comfortabel over busbanen naar hun bestemming. Aanvullend op BRT worden sterke ontsluitende stads- en streeklijnen gehandhaafd. Een hoogfrequente stadslijn door de oude stad van noord naar zuid verbindt de Parkring, het Museumkwartier, Wagnerplein en mogelijk het ziekenhuis en te ontwikkelen transferia in Noord en Zuid. Tenslotte gaan reizigers voor de kleine vervoersbehoeften gebruik maken van flexibele, ondersteunende, toegankelijke diensten.
4.1.4.5 Netwerkanalyse, de auto-agenda Tilburg
De Omgevingsvisie uit 2015, de Mobiliteitsaanpak uit 2016 en TilburgNext uit 2017, sturen in combinatie met een mobiliteitstransitie en een toename van een fors aantal inwoners aan op stedelijke ontwikkeling die bijdraagt aan een vitale, economische sterke, inclusieve en mooie stad om in te wonen en werken. Dit geldt ook voor de binnenstad, dat als nieuw centrum toe moet naar meer bezoekers, meer inwoners en meer verblijfskwaliteit. Dit vergt echter ruimte en die is slechts beperkt beschikbaar.
Ten behoeve hiervan is de netwerkanalyse uitgevoerd en vastgesteld door de raad op 1 februari 2021. Op 30 juni 2025 heeft de raad de Actualisatie Netwerkanalyse 2040 en samenhangende mobiliteitsmaatregelen vastgesteld. In de netwerkanalyse is een betere benutting van de buitenring van de stad, voor vracht en doorgaand verkeer, door een optimalisering van deze routes, opgenomen. Daarnaast is vastgesteld dat de gehele cityring in een kwalitatieve en leefbare openbare ruimte geïntegreerd moet worden, met gegarandeerde bereikbaarheid van de binnenstad voor bewoners, bezoekers en bevoorrading. Hiervoor is op 4 oktober 2021 door de raad een aantal concrete, aanvullende, maatregelen vastgesteld die de hoeveelheid verkeer op de cityring in voldoende mate terugbrengt. Met deze aanpassingen wordt ook de naam “cityring” vervangen door een naam die de lading beter dekt en verwijst naar de parkeerroute en het gewenste groene karakter van de ring. De huidige werknaam hiervoor is “Parkring”.
4.1.4.6 Tilburg loopt!, de loopagenda Tilburg 2020-2023
Lopen draagt bij aan de doelen in het bestuursakkoord. Lopen maakt, zoals wetenschappelijk is bewezen, gezond en gelukkig. Lopen is inclusief, duurzaam en draagt bij aan de vitaliteit van onze inwoners.
Met dit doel is op 12 mei 2020 de loopagenda vastgesteld. Deze agenda geeft invulling aan het handvest voor lopen, het partnerschap van het platform ruimte voor lopen, de mobiliteitsaanpak 2040 en de mobiliteitsagenda 013. Bij de mobiliteitsaanpak 2040 horen uitvoeringsagenda's. In de loopagenda is het uitvoeringsprogramma voor de voetganger opgenomen.
De uitgangspunten die zijn vastgesteld gaan uit van volledige toegankelijkheid voor iedereen. Lopen maakt deel uit van elke verplaatsing ook die waarbij andere vervoerswijzen betrokken zijn. Het kan ook alleen een ommetje zijn. Er moet voor voetgangers een basiskwaliteit zijn, maar op plaatsen waar veel voetgangers komen moet dat een extra kwaliteitsimpuls krijgen.
4.1.4.7 Toetsing van het plan
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de rand van de zuidelijke binnenstad van Tilburg, tussen de Schouwburgring, het Louis Bouwmeesterplein en de Zomerstraat. Aan de oostzijde ligt de Stadsschouwburg en aan de zuidzijde staat woonbebouwing.
Fietsroutes
Het Louis Bouwmeesterplein is aan de westzijde en aan de noordzijde ontsloten door middel van hoofdfietsroutes. Aan de westzijde loopt deze over de Zomerstraat en aan de noordzijde via de Schouwburgring.
Omliggende wegenstructuur en ontsluiting
Het Louis Bouwmeesterplein ligt aan de zuidzijde van de Schouwburgring, onderdeel van de Parkring. Op de Schouwburgring geldt eenrichtingsverkeer van oost naar west. De Schouwburgring wordt in de periode 2026-2028 heringericht tot een 30 km-gebied met een smalle rijbaan en een vrijliggend fietspad aan de zuidzijde. Aan de westzijde ligt de Zomerstraat, hier geldt eenrichtingsverkeer van zuid naar noord. De Zomerstraat wordt eveneens heringericht en ook daar gaat een maximaal toegestane snelheid van 30 km/h gelden. De Zomerstraat wordt voorzien van fietsvoorzieningen die passen bij de status van hoofdfietsroute. De ontsluiting van de planontwikkeling voor fietsverkeer vindt op maaiveld plaats op de fietsinfrastructuur in openbaar gebied.
Onder de planontwikkeling komt een parkeergarage. Deze faciliteert al het autoverkeer van en naar de ontwikkeling. De functie van openbare parkeergarage is voornamelijk gericht op bezoekers uit zuidwestelijke richting. De voornaamste aanrijdroute en route om de garage te verlaten is vanuit en naar westelijke richting. De entree van de parkeergarage komt aan de westzijde in de Zomerstraat. Hiervoor wordt in het openbaar gebied een hellingbaan aangebracht naar de eerste etage onder maaiveld. De garage is vanuit zuidwestelijke richting rechtstreeks te benaderen. Vanuit oostelijke richting is de garage indirect te bereiken door eerst de garage voorbij te rijden en vervolgens alsnog naar de westzijde van het plangebied te rijden. De uitrit van de garage komt aan de zuidoostzijde van het plangebied, op de Kloosterstraat en Louis Bouwmeesterplein. Het Louis Bouwmeesterpleine sluit direct aan op de Schouwburgring.
Om de afwikkeling van het uitrijdend verkeer te borgen zijn op de kruising van het Louis Bouwmeesterplein met de Schouwburgring verkeerslichten voorzien.
De ontsluiting van/naar de openbare parkeergarage is in onderstaande afbeelding schematisch weergegeven.
Afbeelding: ontsluiting nieuwe parkeergarage Louis Bouwmeesterplein
In de memo “Verkeersonderzoek Louis Bouwmeesterplein Tilburg” (bijlage 3) is aangetoond dat de extra verkeersproductie als gevolg van de planontwikkeling door de bestaande en toekomstige infrastructuur op de Parkring kan worden afgewikkeld als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan:
Op de kruising Louis Bouwmeesterplein – Schouwburgring worden verkeerslichten geplaatst.
De kruising Lange Schijfstraat – Bredaseweg – Noordhoekring wordt volgens het nog vast te stellen ontwerp van de Parkring gerealiseerd.
De kruising Lange Schijfstraat – Lieve Vrouweplein vraagt een extra aanpassing bovenop de reeds voorziene aanpassing in het kader van de herinrichting van de Korvelseweg. In het verkeersonderzoek zijn drie (technisch uitvoerbare) varianten uitgewerkt. De variant waarbij het kruispunt Lieve Vrouweplein wordt opgesplitst in twee deelkruispunten (kruispunt Lange Schijfstraat – Capucijnenstraat – Zomerstraat en kruispunt Langeschijfstraat Lieve Vrouweplein) is de voorkeursvariant. Deze variant is weergegeven in onderstaande afbeelding. Deze extra aanpassing wordt meegenomen in het definitieve ontwerp en uitvoering van de herinrichting van de Korvelseweg en noodzakelijke aanpassing van de openbare ruimte in het kader van de herontwikkeling Louis Bouwmeesterplein.
De kruising van fietsverkeer in noordelijke richting op de Zomerstraat kruist verkeer wat de parkeergarage inrijdt ongelijkvloers. Dit uitgangspunt wordt meegenomen in het ontwerp van de openbare ruimte in het kader van de herontwikkeling Louis Bouwmeesterplein.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402011.png)
Afbeelding: inrichtingsvoorstel voorkeursvariant 3 twee deelkruispunten
De ontwikkeling is op basis van bovenstaande uitgangspunten verkeerskundig inpasbaar.
Openbaar vervoer
Het gebied is goed met openbaar vervoer bereikbaar. Aan de noordzijde ligt een bushalte aan de Schouwburgring en aan de Noordhoekring. Aan de zuidwestzijde ligt een bushalte aan de Korvelseweg.
Het NS-station ligt op een loopafstand van ongeveer 800m van het plangebied.
Parkeren
Autoparkeren:
Op de locatie van de planontwikkeling ligt een bestaande openbare parkeergarage en een parkeerterrein voor vergunninghouders. Onderdeel van het plan is een nieuwe, openbare parkeergarage met circa 700 parkeerplaatsen. De Nota Parkeernormen 2023 is het toetsingskader en daar voldoet het plan aan. De parkeerbalans van de ontwikkeling bestaat uit twee delen: (i) de parkeerbehoefte vanuit de ontwikkeling en (ii) de bestaande parkeerbehoefte in de huidige parkeervoorziening.
De parkeernormen uit de nota bepalen parkeerbehoefte vanuit de ontwikkeling. De regeling ‘oud’ voor ‘nieuw’ wordt toegepast: behoefte van de huidige, te verdwijnen, functies wordt in mindering gebracht op de behoefte van de nieuwe ontwikkeling. De nieuwe woningen krijgen, net als in de huidige situatie, geen toegewezen parkeerplaatsen. Er worden abonnementen uitgegeven. Op basis van het meest recente programma van 480 woningen is de parkeereis circa 200 parkeerplaatsen. Deze komen in de vorm van abonnementen beschikbaar. Omdat er geen sprake is van toegewezen parkeerplaatsen kan dubbelgebruik optimaal worden toegepast. Bewoners en gebruikers van de nieuwe ontwikkeling komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning en/of bezoekersregeling op straat. De toekomstige adressen worden op de BROP-lijst (Beperkt Recht op Parkeerproduct) geplaatst. Het plan zet maximaal in op het stimuleren van deelmobiliteit. Bij een programma van 480 woningen worden er 19 parkeerplaatsen voor deelauto’s en 38 stalplaatsen voor deelfietsen en/of -scooters ingericht.
Voor de parkeerbehoefte vanuit de bestaande parkeergarage is gekeken naar het daadwerkelijke, huidige gebruik van de deze garage. De 10e drukste dag wordt als piekmoment gebruikt, omdat ruimte geven aan het absolute piekmoment (zoals de kermis of een feestdag) zorgt voor veel leegstand op alle andere dagen en dus een weinig efficiënt gebruik van de ruimte.
Als gevolg van het plan komen er 60 parkeerplaatsen in de openbare ruimte te vervallen. Deze worden gecompenseerd in de nieuwe parkeergarage.
Een maximaal woonprogramma van 480 woningen, de behoefte vanuit de bestaande parkeergarage, deelmobiliteit en compensatie parkeerplaatsen resulteert in een parkeerbehoefte van circa 735 parkeerplaatsen op het maatgevend moment (de werkdag avond).
|
|
Werkdag ochtend |
Werkdag middag |
Werkdag avond |
Koop avond |
Werkdag nacht |
Zaterdag middag |
Zaterdag avond |
Zondag middag |
|
Parkeerbehoefte nieuwbouw |
101 pp |
89 pp |
217 pp |
173 pp |
205 pp |
104 pp |
175 pp |
127 pp |
|
Parkeerbehoefte deelmobiliteit |
19 pp |
19 pp |
19 pp |
19 pp |
19 pp |
19 pp |
19 pp |
19 pp |
|
Parkeerbehoefte parkeergarage |
267 pp |
407 pp |
458 pp |
430 pp |
136 pp |
468 pp |
437 pp |
450 pp |
|
Parkeerbehoefte openbaar gebied |
60 pp |
60 pp |
60 pp |
60 pp |
60 pp |
60 pp |
60 pp |
60 pp |
|
Totale parkeerbehoefte |
428 pp |
556 pp |
735 pp |
663 pp |
401 pp |
632 pp |
672 pp |
637 pp |
De definitieve parkeerbehoefte wordt bij vergunningsaanvraag berekend op basis van het definitieve woonprogramma. Toetsingskader is de Nota Parkeernormen 2023 en het Mobiliteitsplan Parkeren Louis Bouwmeesterplein (bijlage 4). Omdat de definitieve parkeerbehoefte nog niet bekend is, wordt er in het omgevingsplan gesproken over een parkeergarage van ‘circa 700 parkeerplaatsen’.
Fietsparkeren:
Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Het stallen van fietsen voor bezoekers kan worden gefaciliteerd in de gemeentelijke openbare fietsstallingen welke op loopafstand aanwezig zijn. Daarnaast moet op maaiveld, openbaar toegankelijk, worden voorzien in stallingsvoorzieningen voor fietsen. Voor bewoners en ander vaste gebruikers dient voldoende capaciteit inpandig te worden voorzien. Daarbij moet ook capaciteit voor buitenmaat fietsen en scooters en bromfietsen worden voorzien. De Nota parkeernormen Tilburg 2023 is van toepassing.
In de bestaande openbare parkeergarage zit een fietsenstalling voor studentenvereniging Plato. Deze komt niet terug in de nieuwe parkeergarage. In overleg met de studentenvereniging wordt voorzien in fietsstalplaatsen in de openbare ruimte en gebruik gemaakt van bestaande openbare fietsenstallingen.
Afvalinzameling
Afvalinzameling vindt plaats aan de rand van het plangebied. Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld.
Noodhulpdiensten
Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.
4.1.5 Water en watersystemen
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg
Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom willen we dat de stad leefbaar blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een Koel Tilburg.
De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragen aan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet.
Het klimaat verandert sneller dan gedacht. Daarom vinden we dat ieder initiatief moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld. De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2024 - 2027. De beleidsregels worden vertaald in het Handboek Openbare Ruimte en in het omgevingsplan.
De zes doelstellingen:
Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied;
Robuuste groen- blauwe structuren;
Een koele woonomgeving;
Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld;
Klimaatbestendige bedrijventerreinen;
Klimaatbewustwording en Koel gedrag.
Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp:
Zorg voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen;
Zorg voor ‘koelte-eilanden’ en koele looproutes;
Zorg dat regenwater infiltreert op de plek waar het valt, dan droogt de bodem niet uit;
Zorg voor waterbergingsruimte om extreme buien op te vangen;
Gebruik groen als basis en verharding waar nodig.
Programma Water en Riolering
Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing.
Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
Als gevolg van het veranderende klimaat is de bestaande situatie vaak niet bestand tegen hevige buien en langdurige droogte. Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een regenwateropgave. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. De volgende criteria bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden:
|
Regenwateropgave |
|
Opgave bij A < 50 m² |
Opgave bij 50 m² ≤ A < 200 m² |
Opgave bij A ≥ 200 m² |
|
Ruimtelijke ontwikkeling |
|
||||||||
|
Openbare ruimte |
|
Tabel regenwateropgave per type en schaal van ontwikkeling
*De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niets mee gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave.
**Er geldt altijd een minimale opgave van 10 mm voor bergen en infiltreren.
***Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar).
De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad met het oog op de toenemende verdroging.
Locatiekenmerken en check waterbelangen
Gegevens planlocatie en checklist wateraspecten
|
Planontwikkeling |
Louis Bouwmeesterplein |
|
Oppervlak planlocatie |
ca. 12.000m2 |
|
Maaiveldhoogte |
Tussen 14 – 14,5 m+NAP |
|
GHG |
Ca 12 m+NAP (brond: grondwatermeetnet Gemeente Tilburg) |
|
Bodem |
Overwegend zeer fijn zand met plaatselijk een leemlaag |
|
Waterschap |
De Dommel |
|
Oppervlaktewater in omgeving? |
nee |
|
Drinkwaterbeschermingsgebied? |
nee |
|
Waterbergingsgebied? |
nee |
|
Attentiegebied waterhuishouding? |
nee |
|
Beekdal/flank/kop |
Hoge kop |
|
Rioolwatertransportleiding vanwaterschap in omgeving? |
nee |
|
Natuurnetwerk Brabant in omgeving? |
nee |
|
Omgeving plangebied gerioleerd |
Nu nog gemengd maar wordt op korte termijn gescheiden |
|
Regenwateroverlast in huidige situatie? |
Zeer beperkt |
Huidige situatie
Het plangebied bestaat nu uit een versteend plein met fontein aan de noordkant, het zomerpark aan de zuidwestkant, een appartementencomplex met op de begane grond winkels aan de noordkant en een parkeergarage en parkeerplaats aan de oostkant van het terrein. Het gebied is grotendeels verhard.
Het plangebied is gelegen in het centrum van Tilburg. Het gebied is zeer sterk verstedelijkt. Ten zuiden van het gebied ligt een wat groenere band met onder andere het Zomerpark, Stadspark Oude Dijk en het Muzenpark. Dit is het oude beekdal van de Korvelse Waterloop dat van oudsher minder geschikt was om te bouwen en dus relatief groen is gebleven. Dat het gebied bij een beekdal ligt is in de winters van 2023 en 2024 nog goed te merken geweest. Toen is er sprake geweest van langdurige wateroverlast in onder andere het Stadspark Oude Dijk.
Op de planlocatie wordt geen water op straat berekend bij een T=2 bui. Bij een T=100 wordt en aan de overkant van de Zomerstraat en voor het pand ten zuidwesten van de locatie (de Jumbo-winkel) water tegen de gevel berekend. In het zomerpark en rondom de fontein wordt bij een T=100 bui beperkt water op straat berekend.
Toekomstige situatie
Op de locatie worden maximaal 480 woningen gebouwd. Een klein deel hiervan is gepland als grondgebonden woningen, het overgrote deel komt in hoogbouw. Bij de woningen komt een ondergrondse parkeergarage. Het deel van de parkeergarage dat niet bebouwd wordt krijgt een een groendak. Een deel van de locatie wordt openbare ruimte.
Wateraspecten
Regenwater
De regenwateropgave voor de ontwikkeling geldt, conform het Tilburgse beleid, niet alleen voor de toename van verhard oppervlak maar ook voor vervanging van verhard oppervlak (hydrologisch positief ontwikkelen). In de planontwikkeling wordt al het verhard oppervlak vervangen, de wateropgave geld dus voor al het toekomstige verhard oppervlak. De regenwateropgave voor de nieuwe ontwikkeling is 60 mm, de regenwateropgave voor de herinrichting van de openbare ruimte is 50 mm.
Het regenwater moet worden opgevangen in een regenwatervoorziening. Hierbij geldt de volgende voorkeursvolgorde:
Gebruik regenwater (gebruik voor toiletdoorspoeling, beregening van groen)
Infiltratie regenwater voor aanvulling grondwater. In Tilburg geldt dat ten minste de eerste 10 mm binnen de wateropgave moet kunnen infiltreren maar meer is beter
Vertraagde afvoer naar regenwaterriool
Vertraagde afvoer naar gemengd riool
Verder gaat voor een infiltratie- en bergingsvoorziening de voorkeur uit naar een natuurlijke, bovengrondse voorziening. Alleen als dat niet kan, mag gekozen worden voor een ondergrondse technische oplossing. Deze moet boven de grondwaterstand liggen zodat het regenwater onder vrij verval naar de bodem of het rioolstelsel kan worden afgevoerd.
Volgens het beleid van waterschap De Dommel ligt het gebied op een ‘hoge flank’. Daar ligt de nadruk op het vasthouden en laten infiltreren van regenwater. Door ten minste 10 mm regenwater te laten infiltreren wordt daaraan voldaan.
Het plan Louis Bouwmeester gaat uit van waterberging op daken. Een deel van het regenwater van de hoge daken wordt gebruikt voor de groenvoorziening op de lager gelegen daktuin(en). Overtollig water van de daken en daktuin wordt opgevangen in een ondergrondse berging met infiltratiemogelijkheid en vertraagde afvoer. Deze bergingsvoorziening komt tussen de nieuwbouw en het zomerpark te liggen. Het infiltrerende water komt daarmee ook ten goede aan het groen in het zomerpark. In de toekomst krijgt de bergingsvoorziening een aansluiting op een nog aan te leggen blauwe ader. Tot die tijd wordt de noodoverloop met terugslagklep aangesloten op het gemengd riool in de Kloosterstraat.
Riolering (DWA)
Het vuilwater moet, gescheiden van de overloop vanuit de regenwatervoorziening, worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.
Pilot Circulair water
Binnen het plan wordt de mogelijkheid van een pilot circulair water onderzocht. Dit houdt in dat er wordt gekeken naar de mogelijkheden voor circulair gebruik van water met als doel het verminderen van drinkwatergebruik. Circulair water houdt in dat regenwater of licht verontreinigd water (bijvoorbeeld uit douches als grijswater) wordt ingezet als alternatief voor het gebruik van drinkwater. Dit gebeurt voornamelijk bij activiteiten waarbij een lagere kwaliteit van water geen probleem vormt, zoals bij het doorspoelen van toiletten of het beregenen van een groen dek. Er is nog geen concreet concept met betrekking tot circulair water uitgewerkt, maar het onderzoek hiernaar is onderdeel van de uitwerking van ontwerp.
4.1.6 Natuur en ecologie
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet en is grotendeels bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen.
Natura 2000
Het natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de grenzen van een natura 2000-gebied of die significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied vallen onder een ‘Natura 2000-activiteit’ en zijn vergunningsplichtig. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse vennen en ligt op ruim 4,3km van de projectlocatie. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Er is een Stikstofdepositieonderzoek (bijlage 5) met AERIUS-berekeningen (zie bijlage 6, 7, 8 en 9) uitgevoerd en de stikstofnorm wordt niet overschrede.
Soortenbescherming
In het wild levende planten en dieren zijn beschermd onder de wet. Bij handelingen of werkzaamheden die effect hebben op deze soorten zal vergunning voor een ‘flora en fauna-activiteit’ aangevraagd moeten worden. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats.
Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn.
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern.
Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn.
Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Specifieke zorgplicht
Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij flora- en fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt. Wanneer de zorgplicht aan de orde is dient de gemeente hiervan te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezorgd worden naar een oplossing.
Er is een quickscan naar flora en fauna, Quickscan natuur Louis Bouwmeesterplein Tilburg, 2025 (bijlage 10) uitgevoerd door idverde Advies. Daaruit is gebleken dat er in de te slopen bebouwing mogelijk kraam-, zomer- en/of paarverblijven van vleermuizen aanwezig zijn. Om verstoring te voorkomen wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen en bijbehorend soortenmanagementplan (SMP). In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. Daarnaast is de aanwezigheid van beschermde algemene vogels en zoogdieren niet uit te sluiten. Voor deze soorten en voor vleermuizen dienen extra voorzorgsmaatregelen genomen te worden om schadelijk handelen te voorkomen.
Omgevingsverordening Brabant
Naast genoemde wettelijke kaders vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de Omgevingsverordening en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.
Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe waarden streeft de provincie naar een samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Binnen Groenblauwe waarden geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem.
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ruim 2000m van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.
Conclusie
Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura2000-gebied Kampina en Oisterwijkse vennen. Negatieve effecten kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de stikstofnorm niet wordt overschreden.
Het plangebied ligt op ruime afstand van het Natuurnetwerk Brabant. Negatieve effecten zijn hierdoor uit te sluiten.
Het plangebied ligt binnen het gebied waarin het soortenmanagementplan van kracht is. Hier wordt gebruik van gemaakt om te voldoen aan de natuurwetgeving.
Uit de quickscan flora en fauna komt naar voren dat beschermde algemene vogelsoorten en zoogdiersoorten verstoord kunnen raken. Door voorzorgsmaatregelen te treffen, worden negatieve effecten weggenomen.
4.1.7 bomenverordening en beleidsregels bomen 2024
Bomen staan steeds meer onder druk. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van stedelijke druk. Dat is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van nadrukkelijk belang voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken door o.. stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Deze documenten samen zorgen ervoor dat er een juiste balans is tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de leefbaarheid van de stad.
Bomenverordening 2024 en beleidsregels Bomen 2024
De Bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 bieden het particuliere en gemeentelijke bomenbestand bescherming met een velverbod met bijbehorende regels (vellen = rooien, kappen, verplanten of snoeien van meer dan 20% van de kroon of wortels). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime (zie BWZ-kaart en de KMBT). Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van de Bomenverordening en beleidsregels.
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Deze kaart geeft alle huidige openbare en particuliere houtopstanden in de gemeente Tilburg een waarde; er zijn zones met houtopstanden met een klimaat- , eco- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor bomen in deze zones zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria opgesteld o.a. over het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), compensatieverplichting en straatbeeld.
Hoog beschermingsregime: monumentale bomen en bomen met een klimaat- of ecowaarde. Het is in principe verboden deze bomen te vellen. Een vergunning wordt alleen afgegeven als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan het duurzaam behoud van de boom.
Normaal beschermingsregime: dit zijn bomen met een basiswaarde of in de buiten-zone. Een omgevingsvergunning voor het vellen van deze bomen wordt verleend, tenzij er weigeringsgronden zijn op basis van natuur- en milieuwaarde, landschappelijke waarde, waarde voor straat- of stadsbeeld cultuurhistorische waarde, waarde voor recreatie of klimaatadaptieve waarde.
Kaart Monumentale Bomen (KMBT)
Op de KMBT staan alle monumentale bomen in de gemeente Tilburg (particulier en gemeentelijk). Voor deze bomen zijn in de Bomenverordening en de beleidsregels Bomen criteria en regels opgesteld, waardoor ze voldoende juridische bescherming krijgen. Monumentale bomen vallen onder het eerder genoemde hoge beschermingsregime. Daarnaast hebben gemeentelijke monumentale bomen een hoge prioriteit bij het gemeentelijk beheer en onderhoud.
Omgevingswet: bescherming houtopstanden buiten de bebouwde kom
Naast de bomenverordening en de beleidsregels Bomen 2024 kunnen de rijksregels volgens de Omgevingswet over vellen van bomen gelden. Deze rijksregels zijn van kracht in het buitengebied van Tilburg. Wat er precies onder buitengebied valt, is vastgelegd met de bebouwingscontour kap (deze wordt vastgesteld door de gemeenteraad). Waar deze contour/grens precies ligt, is op de boomwaarde zoneringskaart terug te vinden. In de buiten-zone (van de BWZ-kaart) kunnen naast de rijksregels ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen in de buiten-zone dus naast elkaar van toepassing zijn.
Het plangebied ligt niet in het buitengebied, waarmee deze regels voor dit plan niet van toepassing zijn.
Toets van de ontwikkeling aan de bomenverordening
In totaal zijn middels een Bomen Effect Analyse (zie bijlage 11 en 12) 64 bomen onderzocht in het Zomerpark, op het Louis Bouwmeesterplein en langs de Schouwburgring. Deze bomen binnen de gele markering, staan binnen de potentiële invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling. Zie onderstaande figuur voor de huidige situatie. ![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402012.png)
Afbeelding: huidige situatie
De realisatie van het plan heeft gevolgen voor het bestaande bomenbestand. Er zijn 28 bomen die niet duurzaam behouden kunnen blijven binnen de nieuwe ontwikkeling. Dit betreft de bomen zoals aangegeven in onderstaande afbeelding. Deze bomen kunnen niet worden behouden omdat op de locatie van deze bomen de nieuwbouw is voorzien. In de eerdere ontwerpfase is de gevel van de nieuwbouw aan de zijde van het Zomerpark zodanig opgeschoven dat nagenoeg alle bomen in het Zomerpark behouden blijven.
Afbeelding: te verwijderen bomen op basis van het plan
De kap betreft bomen met een klimaatwaarde welke gecompenseerd moeten worden door de aanplant van nieuwe bomen. De herplant moet, conform de bomenverordening, plaatsvinden in dezelfde omgeving met dezelfde gebruiker. Er wordt 12070 m3 aan kroonvolume verwijderd, dit dient in 15 jaar tijd gecompenseerd te worden. Daarbovenop moeten de bomen in hun volwassen vorm 30% extra kroonvolume hebben, ten opzichte van het verwijderde kroonvolume in de huidige situatie.
Het streven is om zo veel mogelijk bomen in de volle grond terug te planten. In de volle grond hebben de bomen het beste uitgangspunt om tot hun volwassen vorm uit te groeien en het kroonvolume dat benodigd is voor de compensatie te halen. Tevens is het belangrijk om de overgang van gevel naar maaiveld te verzachten door aanplant van nieuwe bomen rond de geplande bouwmassa. De nieuwe bomen dragen bij aan menselijke maat rondom het nieuwe gebouw zodat de nieuwe buitenruimte als prettig ervaren zal worden. Om succesvol nieuwe bomen duurzaam uit te kunnen laten groeien zijn grote boomvakken in de Kloosterstraat, Zomerstraat en aan de Parkring, met een goede ondergrondse groeiruimte, van groot belang.
Ook op de daktuin zal compensatie in de vorm van bomen plaatsvinden. Echter is het kroonvolume dat de bomen op deze locatie zullen halen beperkt ten opzichte van de bomen in volle grond rondom het gebouw. Dit omdat de groeiplaatsomstandigheden de bomen beperkt om tot de volledige potentie uit te kunnen groeien.
Er ligt nog geen definitief herplantplan. Op basis van het meest recente ontwerp is een voorlopig herplantplan gemaakt (zie onderstaande tabel en afbeelding).
Afbeelding: voorlopig herplantplan
Op basis van dit voorlopige plan is getoetst of de compensatieopgave realistisch en uitvoerbaar is. Het voorlopige herplantplan bevat 12.425 m³ aan kroonvolume na 15 jaar en voldoet daarmee aan de compensatieopgave. Het voorlopige herplantplan is als volgt opgebouwd:
|
Type boom |
Aantal |
m3 na 15 jaar |
Totaal m3 |
Kleuraanduiding op voorlopig herplantplan |
|
1e grootteklasse met zeer grote aanplantmaat (70-80) in volle grond |
13 |
750 |
9.750 |
Paars |
|
2e grootteklasse met zeer grote aanplantmaat (70-80) in volle grond |
3 |
400 |
1.200 |
Geel |
|
Boom op daktuin groot |
3 |
225 |
675 |
Blauw |
|
Boom op daktuin klein |
8 |
100 |
800 |
Rood |
|
Totaal |
12.425 m3 kroonvolume na 15 jaar |
Het definitieve herplantplan wordt als onderdeel van het inrichtingsplan openbare ruimte opgesteld en ingediend bij de kapvergunning. Het definitieve plan kan een andere combinatie aan boomtypen bevatten, mits de compensatieopgave wordt behaald.
Eén boom is niet meegenomen in de BEA. Dit betreft de Davidia Involucrata, ofwel de zakdoekenboom. Dit is een herinneringsboom, specifiek een dialoogboom, die staat voor de ontmoeting en dialoog tussen joden en christenen. Inmiddels is de dialoog verbreed en nemen ook moslims deel aan deze ontmoetingen. Het is van groot belang dat deze boom behouden blijft, mogelijk wordt hij op enkele meters van zijn huidige locatie verplant.
4.1.8 Groen, klimaat en duurzaamheid
Agenda groen in de stad
De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit.
Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad).
Nota biodiversiteit 2024
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010 en geactualiseerd op 1 juli 2024 is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
Voor de diversiteit van de flora en fauna zet de gemeente zich in aan de hand van vijf thema's. Er wordt ingezet op het (A) realiseren en borgen van leefgebieden en verbindingen, (B) het ecologisch beheren voor betere leefgebieden, (C) basiskwaliteit natuur als uitgangspunt in de gemeente Tilburg (in de nota inrichtingsbouwstenen genoemd). De ecologie wordt gemonitord om (D) zicht te houden en krijgen op hoe het gaat met de natuur. Als laatste zet de gemeente zich in op (E) kennisdeling en -vergaring.
De stadsnatuurkaart 2040 maakt onderdeel uit van de beleidsnota biodiversiteit 2024 en is naast de inrichtingsbouwstenen van belang om de biodiversiteit op orde te krijgen. Door de inrichting van gebieden en/of structuren aan te sluiten bij de inrichtingsbouwstenen, kunnen soorten behouden worden en/of hun leefgebieden worden verbeterd. Hierbij kan worden gedacht aan het toepassen van bomen, struiken, water, gazon, bloemrijk grasland en/of faunavoorzieningen. Om deze goed te kunnen toepassen is de gemeente in zes verschillende ecotopen opgedeeld: oude stad, bedrijventerreinen, wijken en dorpen, agrarisch gebied, natuurgebied en de ecologische structuur (stadsnatuurkaart 2040). Voor elke ecotoop wordt aangegeven welke inrichtingsbouwstenen er nodig zijn om de biodiversiteit te vergroten. Dit is afgestemd op de dier- en plantsoorten die in deze ecotopen (moeten) voorkomen.
Stadsnatuurkaart 2040
De laatste versie van de Stadsnatuurkaart 2040 is vastgesteld als onderdeel van de beleidsnota biodiversiteit
Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en omgevingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en wordt versterkt.
Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren en plekken benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie noodzakelijk. Dit alles moet ertoe leiden dat ecologische plekken en structuren ecologisch functioneren.
Afwegingskader 'mag het licht uit'
Openbare verlichting is van groot belang voor de veiligheid en daarmee ook voor het gebruik en de beleving van de openbare ruimte. Het wordt vaak als vanzelfsprekend beschouwd dat wegen en paden verlicht worden. Maar op sommige plekken is verlichting juist niet gewenst. Veel kunstlicht is verstorend voor mensen en dieren. Met name nachtdieren worden onder andere bedreigd door te veel kunstlicht.
In het afwegingskader ‘mag het licht uit?’ wordt aangegeven waar vanuit ecologie de duisternis gewenst is en waar deze behouden of teruggebracht zal worden. Dat geldt in eerste instantie voor openbare verlichting. Het afwegingskader wordt ingezet bij projecten om een integrale afweging te maken voor wel of geen verlichting of zo nodig aangepaste verlichting. Bij een voorgenomen (nieuwbouw)project zal in een gebied dat aangeduid is op de donkertekaart, een integrale afweging van de belangen plaatsvinden.
Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen
Er worden in onze gemeente veel nieuwe woningen en bedrijven gebouwd. Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moeten de natuur (en ook klimaatadaptatie) een volwaardige plaats krijgen in deze gebiedsontwikkelingen. Het instrument duurzaamheid (klimaatscores en puntensysteem natuurinclusief bouwen) helpt ontwikkelaars en archtitecten om natuur- en klimaatinclusief te bouwen en toetsing daarop mogelijk te maken. Op termijn gaat dit instrumentarium verankerd worden in het omgevingsplan (en krijgt daarmee een verplichtend karakter).
Gebiedsontheffing gebouwbewoonde soorten
De gemeente werkt sinds 2016 met een gebiedsontheffing voor gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels. Hiermee worden noodzakelijke procedures vanuit de Omgevingswet vereenvoudigd. Doe van het soortenmanagementplan (SMP) en bijbehorende gebiedsontheffing is de gunstige staat van instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Het SMP kan ook gebruikt worden bij de verduurzaming van woningen, waarbij aandacht ligt op de leefgebieden van gebouwbewonende soorten. Met name bij de isolatie van spouwmuren en daken.
Toets aan Groen, klimaat en duurzaamheid
Het zomerpark van ongeveer 3200 m2 dat grenst aan het Louis Bouwmeesterplein is een ecologische stapsteen. Het park staat aan de zuidwestzijde in verbinding met Stadspark Oude Dijk en aan de noordoostzijde loopt het uit in de Schouwburgring/Stadsforum. Flora en fauna moeten zich dan ook langs de zuidwest – noordoost verbinding kunnen voortbewegen, zonder onnodige obstakels. Het park is onderdeel van de totale ontwikkeling en wordt ge(her)waardeerd. De oppervlakte van het zomerpark mag bij de nieuwe ontwikkeling niet kleiner worden en het ecologisch functioneren moet erop vooruitgaan. Het zomerpark moet ecologisch functioneren voor kleine zoogdieren, vogels en insecten, dit zijn voornamelijk terrestrische soorten (dieren die op het land leven). Als er water wordt opgevangen dan dient dit buiten het zomerpark gerealiseerd te worden of dient het bij te dragen aan de ecologische functionaliteit.
Het zomerpark is naast een ecologische stapsteen ook een park. Het kader stelt dat parken in principe niet verlicht hoeven te worden, uitzonderingen daargelaten. Alleen als aangetoond kan worden dat het park dient als belangrijke route (er is niet makkelijk omheen te lopen), de sociale veiligheid in het geding is of als verlichting de belevingswaarde verhoogt, kan gekeken worden naar verlichting op maat. Dit geldt voor verlichting in het park alsmede voor verlichting dat vanuit het projectgebied uitstraalt naar het park.
Er dient zorgvuldig met verlichting te worden omgegaan. Zorg zoveel mogelijk voor gerichte verlichting en voorkom het bewust belichten van de bebouwing. De bebouwing wordt natuurinclusief gebouwd met vleermuisverblijven in de bebouwing.
Bij de ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met ruimte voor groen en faunaverblijven. Voor gebouwgroen geldt een combinatie tussen groene daken, geveltuinen, gevelgroen en vermindering lichtuitstraling. In het kader van het puntensysteem Natuurinclusief bouwen moeten minimaal 30 punten worden behaald voor gebouwgroen, verblijven en omgevingsgroen.
4.1.9 energie en warmte
Transitievisie warmte
In het gebied binnen de Ringbanen voorziet de gemeente voorlopig geen grote ingrepen richting aardgasvrij. Het gebied is erg divers. Er staan veel verschillende gebouwen, zowel oude monumenten als nieuwbouw. Voor het gebied zijn tijdelijke, individuele oplossingen interessant. Ook zullen we proberen kansen te benutten. Bijvoorbeeld als een woningcorporatie haar huurwoningen gaat renoveren en de omliggende koopwoningen kunnen worden meegenomen.
Voor deze ontwikkeling geldt dat deze gasvrij wordt opgeleverd. Er wordt onderzocht een bodemwarmtesysteem uitvoerbaar is voor deze locatie. Dit heeft de voorkeur boven een luchtwarmtesysteem, maar moet wel (zowel technisch gezien als bodemgesteldheid als economisch) haalbaar zijn in het plan.
Energie
Hoewel in de nota Duurzaamheidsbeleid voor nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw, energieneutraal bouwen het uitgangspunt is, is dit voor gestapelde bouw in meer dan 5 bouwlagen momenteel niet haalbaar. Daarbij kunnen in dit omgevingsplan geen extra eisen bovenop de eisen uit het Bbl worden gesteld. Het project beoogt voor alle woningen BENG < 25 kWh/m2/jr en stuurt waar mogelijk op BENG = 0 kWh/m2/jr.
4.1.10 archeologie, cultuurhistorie en landschap
Toetsingskader archeologie
In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op
verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot uitdrukking in de Erfgoedwet.
Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken.
In opdracht van de Gemeente Tilburg is door BAAC b.v. een bureauonderzoek uitgevoerd (Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek BAAC-rapport V-25.0083, bijlage 13) waarmee de aanwezige cultuurhistorische waarden en archeologische verwachting van het plangebied in kaart is gebracht en een advies voor het vervolgtraject is geformuleerd (Van den Blink 2025).
Op het vigerende bestemmingsplan (Centrum Zuid 2008) heeft het westen en zuidwesten van het plangebied een dubbelbestemming waarde archeologie. Bij het opstellen van een actuele archeologische verwachting is gebruik gemaakt van de concept gemeentelijke verwachtingskaart (in voorbereiding door BAAC b.v.). Het gehele plangebied heeft daarop een middelhoge tot hoge verwachting op resten van jager-verzamelaars en een middelhoge tot hoge verwachting op resten van boeren- en staatse samenlevingen. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging op de flank van een dekzandplateau naar een beekdal (periglaciaal dal) en de situering in de historische kern van Kerk.
Het plangebied ligt op de flank van het Tilburg dekzandplateau. Ten zuiden van het plangebied was een periglaciaal dal aanwezig. De natuurlijke ondergrond bestaat naar verwachting uit dekzandafzettingen die boven fluvioperiglaciale afzettingen liggen. Binnen de dekzandafzettingen kan onderscheid worden gemaakt tussen Oud en Jong dekzand. Deze grens ligt in het plangebied op een onbekende diepte. In de top van het dekzandpakket kan een podzolbodem hebben gevormd. In de loop van de late middeleeuwen en nieuwe tijd is er naar verwachting een esdek opgebracht die de natuurlijke ondergrond heeft afgedekt. Het esdek kan zijn afgedekt door stedelijke ophooglagen. In het plangebied worden hoge zwarte enkeerdgronden verwacht. In het zuiden van het plangebied kunnen mogelijk nog gooreerdgronden voorkomen.
Vanwege de bodemverstorende activiteiten in jongere perioden is de verwachting dat de kwetsbare vindplaatsen van jager-verzamelaars (laat-paleolithicum tot neolithicum) grotendeels zijn aangetast. De aanwezigheid van deze vindplaatsen kan niet geheel worden uitgesloten waardoor de archeologische verwachting op deze vindplaatsen middelhoog. Voor de vindplaatsen van landbouwende samenlevingen krijgt het plangebied een hoge verwachting toegekend. In het noordwesten van het plangebied is de verwachting hoog voor het aantreffen van funderingen en erfstructuren uit de late middeleeuwen tot nieuwe tijd en voor het aantreffen van oude wegniveaus uit dezelfde periode van de Zomerstraat. Ter hoogte van de bestaande bebouwing (o.a. appartementencomplex en parkeergarage) is vanwege bekende diepe bodemverstoringen de archeologische verwachting laag, met uitzondering van dieper gelegen paleosolen. Er kunnen op onbekende diepte nog oude bodems voorkomen die informatie verschaffen over de landschappelijke ontwikkeling van Tilburg. Het betreft hier met name de overgang tussen het Oud en Jong dekzand. In deze bodemlagen kunnen ook nog vroege vuursteenvindplaatsen tot het laat-paleolithicum worden verwacht.
Vervolgtraject archeologie
Op basis van het bureauonderzoek zijn verschillende zones aan te wijzen waarin potentieel archeologische resten aanwezig zijn (zie kaart archeologische verwachting). In het omgevingsplan is voor het hele plangebied een zone waarde-archeologie opgenomen opgenomen.
Bij de geplande ontwikkeling dient hiermee als volgt om te worden gegaan:
Potentiële archeologische resten zullen door de geplande bodemverstorende werkzaamheden met zekerheid worden aangetast. Vanwege de middelhoge tot hoge verwachting en de specifieke verwachting van historische structuren in het plangebied dient na de sloop van de huidige bebouwing en voorafgaand aan de nieuwbouw een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven te worden uitgevoerd in de zones met een (middel)hoge archeologische verwachting. Tijdens het proefsleuvenonderzoek dient door middel van profielgaten en aanvullende boringen ook onderzocht te worden of en op welke diepte dieper gelegen paleosolen aanwezig zijn. Op basis van het proefsleuvenonderzoek wordt bepaald of er in het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn en of aanvullende eisen aan de vergunning gesteld worden (zoals het doen van een archeologische opgraving om bedreigde archeologische vindplaatsen te documenteren).
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402015.png [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402015.png)
Afbeelding Plangebied Louis Bouwmeesterplein te Tilburg. Bron: Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek BAAC-rapport V-25.0083
Toetsingskader cultuurhistorie
Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen.
Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen.
In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op of de het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota.
Het plangebied ligt aan de zuidwestzijde van de historische kern van Kerk, het latere religieuze en bestuurlijke hart van Tilburg. De noordwestzijde van het plangebied was begin 19e eeuw bebouwd, de rest van het plangebied bestond uit wei- en hooilandpercelen.
Op de wei- en hooilanden is in 1881 een stoomfabriek gesticht die later is omgevormd tot wollenstoffenfabriek.
Nog aanwezige waarden
De Zomerstraat tot en met de moderne afbuiging: De Zomerstraat is een doorgaande route geweest tussen de
herdgangen Korvel, Haringseind en Kerk en kent een middeleeuwse oorsprong. In de loop van de 19e eeuw groeiden de bewoningskernen van Haringseind en Kerk via de Zomerstraat aan elkaar.
In de jaren ’60 van de 20e eeuw werd de Zomerstraat door de aanleg van de Schouwburgring die naar het westen toe aansloot op de Bredaseweg doorsneden. De Schouwburgring werd geflankeerd door flatgebouwen waardoor dit de ruimtelijk dominante structuur in het gebied werd. Aan de noordzijde van de Zomerstraat is nog een relict van de oude bewoningslinten aanwezig: Zomerstraat 49. Het herenhuis dateert uit 1907 en is een door de Tilburgse architect Jan van der Valk ontworpen rijksmonument.
In het noorden van het plangebied was langs beide zijden van de Zomerstraat bebouwing aanwezig. De bebouwing langs de Zomerstraat vormde een aaneengesloten bewoningslint van kleinschalige bebouwing. Vanaf 1853 werd achter dit bebouwingslint in het plangebied een stoomfabriek gebouwd. Deze werd later omgevormd tot wollenstoffenfabriek. De fabrieksbebouwing breidde zich langzaam uit tot een grootschalig fabrieksterrein. Tot aan de verkoop aan de gemeente in 1961 is de fabriek meermaals verbouwd en uitgebreid. Aan de Zomerstraat stond het herenhuis van de eigenaren (de familie Straeter of Sträter). In de achtertuin werd een langgerekte stadstuin aangelegd welke tot aan de achterzijde van het perceel heeft gereikt. Na de verkoop van de fabriek en de bijbehorende woning is het gehele complex afgebroken. Van deze historische bebouwing is in het plangebied niets meer aanwezig. Het vrijgekomen terrein kreeg een invulling als parkeerterrein met aan de westzijde een parkeergarage.
De Kloosterstraat is een cultuurhistorische lijn die aansluit op de Oude Dijk in het oosten. Ten zuidoosten van het plangebied ligt hier en aan de Oude Dijk het klooster van de Zusters van Liefde met een oorsprong in 1834. Tegenwoordig bestaat het kloostercomplex uit meerdere gebouwen uit de 19e, 20ste en 21ste eeuw. Een groot deel van het kloostercomplex heeft de rijksmonumentenstatus.
Het Zomerpark: in het zuidwesten van het plangebied ligt het Zomerpark. Op deze locatie was voorheen de stadstuin van de familie Straeter. Na de verkoop van de afbraak van het bewoningslint en het fabrieksterrein is de stadstuin omgevormd tot stadspark. In het Zomerpark zijn enkele bomen uit de voormalige tuin behouden. Aan de noordwestelijke zijde van de parkeergarage staat in het Zomerpark een uit 1973 daterende ronde fontein met gestapelde natuurstenen blokken in de vijver. Deze is een geschenk van IFF aan de stad Tilburg. De maker is onbekend. De fontein is kenmerkend voor de omgevingskunst uit de jaren zeventig van de 20ste eeuw.
Op basis van de huidige plannen zal de oude ligging van de Zomerstraat terugkeren in het straatbeeld als doorgang voor voetgangers en zal de Kloosterstraat gehandhaafd blijven. In de historische situatie lag het plangebied op een overgang van kleinschalige bebouwing (woningen) in het noordwesten van het plangebied (Zomerstraat) naar grootschalige bebouwing (fabrieksterrein en kloosterterrein) richting het zuidoosten.
De ligging van het Zomerpark wordt in de huidige plannen al gehandhaafd en behoudt het gevoel van een hierin besloten stadstuin.
Aan de randen van het plangebied bevinden zich nog enkele beschermde monumenten.
Aan de oostzijde werd tussen 1959 en 1961 de schouwburg gebouwd naar ontwerp van de architecten Bijvoet en Holt. Een samengesteld bouwvolume in gele baksteen, glas en staal dat in 2014 werd aangewezen als rijksmonument.
Op de hoek van de Zomerstraat en de Schouwburgring werd in 1962-1963 naar ontwerp van architect Jan Mulders een markant winkelpand met 12 luxe flats daarboven gebouwd. Dit pand werd in 2018 aangewezen als gemeentelijk monument.
4.2 milieu en gezondheid
4.2.1 Milieueffectrapportage
Wettelijk kader
Bij een m.e.r.-beoordeling moet de gemeente toetsen of er bij een plan of programma aanzienlijke milieueffecten op kunnen treden (art. 16.36 lid 3 en 4 Ow).
In 2 situaties is er een m.e.r.-beoordeling nodig:
Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit staan. Een m.e.r.-beoordeling moet uitgevoerd worden.
Het plan is kaderstellend voor projecten en komt terug in kolom 1 van bijlage V uit het Omgevingsbesluit. De drempel in kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit wordt niet overschreden. Een m.e.r.-beoordeling is nodig als het plan een kleine wijziging van een plan of programma is, of het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als de gemeente bevoegd gezag is over het plan.
Motivering/Uitkomst onderzoek
De woningbouw ontwikkeling Louis Bouwmeesterplein kan geschaard worden onder categorie J11 (‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’) zoals beschreven in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het altijd om een fysieke uitbreiding van het te bebouwen oppervlak en aantal wooneenheden. Een renovatie van een bestaand gebouw is geen stedelijk ontwikkelingsproject.
Voor deze categorie (J11) geldt geen directe m.e.r.-plicht, maar geldt in geval van aanleg, wijziging of uitbreiding een m.e.r. beoordelingsplicht (kolom 3 uit Bijlage V Omgevingsbesluit). Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling opgesteld (bijlage 14). Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of een gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. De activiteiten die mogelijk worden gemaakt zijn, gelet op de plaats van de activiteiten en de kenmerken van potentiele effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld en een volledige MER-procedure moet worden doorlopen.
4.2.2 Bedrijven en milieuzonering
Wettelijk kader
Bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van nieuwe ontwikkelingen wordt getoetst aan de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Deze handreiking geeft richtafstanden weer tussen milieubelastende functies (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Deze richtafstanden zijn bepaald op basis van hinderaspecten als geluid en geur. De richtafstanden zijn zodanig bepaald om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen en tevens bedrijfsactiviteiten niet onnodig te belemmeren. De richtafstanden zijn tevens afhankelijk van het type omgeving. Het kan hier gaan om een gemengd gebied of een gebied met alleen woonfunctie aanwezig.
In 2024 heeft de VNG een nieuwe publicatie gemaakt. Dit is de handreiking milieuzonering nieuwe stijl (oktober 2024). Hierbij wordt gekeken naar functiemenging waar het kan (én gewenst is) en functiescheiding waar dat moet. De basisprincipes van milieuzonering blijven hetzelfde maar de systematiek is wezenlijk anders. De gemeente Tilburg hanteert de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) vanwege de nog beperkte gebruikspraktijk van deze nieuwe handreiking.
Hierbij wordt opgemerkt dat milieu-aspecten zoals externe veiligheid, trillingen, stofhinder en luchtverontreiniging, lichthinder, spuitzones, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied en hinder door verkeersaantrekkende werking zich vaak niet lenen om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. Daarom gaat de milieuzonering onder de Omgevingswet enkel over geluid- en geurhinder. Daarom zal voor het onderdeel Bedrijven en milieuzonering alleen worden ingegaan op geluid en geur. Voor de overige milieu-aspecten moet aan de hand van specifieke regelgeving worden bepaald of de activiteit op een locatie inpasbaar is. Het gaat dan zowel om rijksregels als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 1.9 voor externe veiligheid, 1.4 voor luchtkwaliteit en 1.8 voor trillingen.
De wettelijke basis hiervoor is terug te vinden in artikel 5.69 voor geluid en 5.93 voor geur uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarnaast dienen de waarden en regels voor geluid- en geurgevoelige gebouwen uit het Bkl in acht genomen te worden. Er moet rekening gehouden worden met de maximale planologische mogelijkheden van de milieubelastende activiteiten.
Deze ‘ruimtelijke’ milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. Voor specifieke activiteiten of voor het projecteren van woningen en andere gevoelige functies nabij bestaande milieubelastende activiteiten kan een geluid- of geuronderzoek verplicht zijn, dit is te achterhalen via het Bal en de bruidsschat.
Motivering/Uitkomst onderzoek
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal bedrijven welke vallen binnen verschillende voormalige bestemmingsplannen.
Ten noorden van de planlocatie is een brandweerkazerne gevestigd. Deze valt onder milieucategorie 3.2 met als grootste richtafstand 50 meter. De planlocatie ligt op ongeveer 400 meter afstand van de brandweerkazerne. De richtafstand wordt daarmee ruimschoots in stand gehouden.
200 meter ten westen van de planlocatie is een fietsenmaker gevestigd. Dit type bedrijf veroorzaakt geen milieuhinder en is niet gecategoriseerd als milieucategorie 1 met een maximale richtafstand van 10 meter.
Verder zijn er in de omgeving geen bedrijven aanwezig die in het kader van milieuzonering invloed kunnen hebben op de geplande ontwikkeling.
Conclusie
Bedrijven en Milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.2.3 Omgevingsveiligheid
Wettelijk kader
Een van de doelen van de Omgevingswet is dat de gemeente bij plannen zo vroeg mogelijk kijkt naar veiligheid. Er staat dat het omgevingsplan rekening moet houden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden (art. 5.2 Bkl). Ook staan er instructieregels (§ 5.1.2 Bkl) in over de manier waarop bij de inrichting van een gebied omgevingsveiligheid meegenomen moet worden.
Samenvattend gaan de instructieregels uit het Bkl over de volgende onderwerpen risicobronnen, het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftgebieden. In de bruidsschat (HF 22 uit omgevingsplan gemeente Tilburg) zijn regels te vinden met betrekking tot propaan/propeen, LPG, traditioneel schieten, vergunningsvrij bouwen en brandbestrijding. Ook staan er verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal: het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines.
Aandachtsgebieden & groepsrisico
Nieuw onder de Omgevingswet zijn aandachtsgebieden, hier zijn drie soorten van:
Brand (warmtestraling);
Explosie (warmtestraling en/of overdruk);
Gifwolk (concentratie gevaarlijke stoffen in de lucht).
Deze aandachtsgebieden zijn van belang in het kader van het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Onder de Omgevingswet is het niet meer verplicht om het groepsrisico te berekenen. Er is sprake van een kwalitatieve benadering, waarbij het bevoegd gezag afweegt waar (binnen aandachtsgebieden) extra maatregelen nodig zijn om aanwezigen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet dus optioneel. Een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) wordt de informatie over aandachtsgebieden zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.
Gebouwen en locaties
Gebouwen en locaties zijn ingedeeld in 3 categorieën:
1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);
2. kwetsbaar (gebouwen en locaties);
3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
In bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de onderverdeling welke gebouwen en locaties onder welke categorieën vallen. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Voorheen ging het om de bescherming van het gehele gebouw, ook indien maar een deel van het gebouw werd gebruikt voor een kwetsbare functie. Onder de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar de delen van het gebouw met kwetsbare gebruiksfuncties. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) worden (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.
Voorschriftengebieden
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. In de voorschriftengebieden gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). In het omgevingsplan wordt een brandaandachtsgebied standaard aangewezen als brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Plaatsgebonden risico
De belangrijkste norm voor externe veiligheid uit het Bkl is het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie van de risicobron als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die risicobron. In het Bkl (art. 5.7, 5.10 en 5.11) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Motivering/Uitkomst onderzoek
De locatie bevindt zich niet binnen een brand-, explosie- of explosieaandachtsgebied. Er is geen sprake van de bouw van zeer kwetsbare gebouwen en daarmee is er geen sprake van een voorschriftengebied. De nieuw te bouwen woningen worden gecategoriseerd als kwetsbare gebouwen. De locatie bevindt zich tevens niet in een vastgesteld contour voor plaatsgebonden risico. Er is daarom geen onderzoek Omgevingsveiligheid noodzakelijk.
Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid
Uit het volumemodel voor het plan (Wissing, 21-08-2025) blijkt dat er op de locatie woningen, een groene binnenhof en commerciële en maatschappelijke functies aanwezig zullen zijn. De doelgroep van de bewoners wordt niet gekenmerkt door lage zelfredzaamheid zoals bijvoorbeeld ouderen of mensen met een beperking.
Aanvullend is er door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant geadviseerd op de onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (VRMWB, DVR2025-147685, 11-06-2025). Voor het plangebied is sprake van een doodlopende weg. Geadviseerd wordt om de maatvoering van de weg te verduidelijken zodat gekeken kan worden of er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een doodlopende weg. Verder dient er nog een situatietekening te worden gemaakt waar onder meer bluswatervoorzieningen, wegbreedtes, wegverharding en opstelplaatsen worden weergegeven.
Conclusie
Indien aan bovenstaande aanbevelingen wordt voldaan, vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.4 Geluid
Wettelijk kader
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De instructieregels voor geluid zijn terug te vinden in §5.1.4.2 van het Bkl en gaan over aanvaardbaarheid van geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp, artikel 2.11a Ow) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Ook via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid zijn regels toegevoegd aan de Omgevingswet. In de bruidsschat is het onderdeel geluid voor een aantal activiteiten geregeld in paragraaf 22.3.4. In de omgevingsverordening van de provincie kunnen ook instructies staan voor geluid. Ook wanneer er geen (instructie)regels zijn voor geluid moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
De gemeente Tilburg hanteert een eigen Hogere Waardenbeleid. In dit beleid zijn randvoorwaarden opgenomen voor het bouwen van woningen op locatie waar niet aan de streefwaarde voor geluid kan worden voldaan.
Motivering/Uitkomst onderzoek
In het kader van de realisatie van het appartementencomplex is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd (Kragten, 202507107-BPD032-RAP-AKO-VL 2.0, 7 juli 2025, (bijlage 15).
Industrielawaai
Voor de resultaten ten aanzien van industrielawaai zie paragraaf 4.2.2 Bedrijven en Milieuzonering.
Wegverkeerslawaai
Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid aan de noordkant van het plangebied maximaal 58 dB bedraagt. Deze waarde overschrijdt de standaardwaarde voor gemeentewegen (53 dB, Bkl 5.78t) maar voldoet aan de grenswaarde van 70 dB voor gemeentewegen. De gemeente Tilburg hanteert het eigen Hogere Waarde beleid. Hierin wordt 55 dB gesteld als maximaal geluidsniveau voor een geluidluwe gevel. Deze wordt ook overschreden. De standaardwaarde ten aanzien van het railverkeer wordt niet overschreden.
De hoogste cumulatieve geluidbelasting bedraagt 58 dB vanwege wegverkeer. Gezien de overschrijding van de standaardwaarde en de waarde uit het Hogere Waarde beleid dient er gemotiveerd te worden afgeweken. In eerste instantie wordt gekeken naar bronmaatregelen. Terugdringen van verkeersintensiteit, vervangen van het wegdek en afscherming tussen het appartementengebouw en wegdek worden als niet redelijkerwijs toepasbaar geacht.
Woningen dienen te voldoen aan het hogere waardebeleid van de gemeente Tilburg. Dit is geborgd in de regels van dit omgevingsplan. Aanvullend wordt een onderzoek gevelgeluidwering uitgevoerd, om het maximale binnenniveau van 33 dB te kunnen borgen. Dit geluidniveau garandeert een aanvaardbaar en gezond akoestisch binnenklimaat.
Conclusie
Uit voorgaand akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai blijkt dat de standaardwaarde uit het Bkl en de waarde uit het Hogere waarde beleid wordt overschreden. De grenswaarde wordt niet overschreden. Om gemotiveerd af te kunnen wijken van de standaardwaarde en het binnenniveau van 33 dB te borgen is aanvullend akoestisch onderzoek gevelbelasting uitgevoerd.
4.2.5 Luchtkwaliteit
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 uit het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen gemeentelijke omgevingswaarden opgenomen in het omgevingsplan en er zijn ook geen provinciale omgevingswaarden, waardoor de rijksomgevingswaarden gelden (paragraaf 2.2.1 van het Bkl). De rijksomgevingswaarden van zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide en ozon, fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn terug te vinden in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Bkl. Met uitzondering van fijnstof en stikstofdioxide, zijn de achtergrondconcentraties van de overige stoffen binnen de gemeente dusdanig laag dat er geen overschrijding van de luchtkwaliteit te verwachten is. Vandaar dat fijnstof en stikstofdioxide de kritische stoffen zijn die getoetst dienen te worden.
Tabel 4.2.5.1. grenswaarden (concentraties in de buitenlucht, zoals die gelden op basis van het Bkl)
|
Stof |
Jaargemiddelde concentratie (µg/m3) |
Jaargemiddelde blootstellings- concentratie (µg/m3) |
24-uurgemiddelde concentratie (µg/m3) |
Uurgemiddelde concentratie (µg/m3) |
|
PM10 |
40 |
-- |
50* |
-- |
|
PM2,5 |
25 |
20 |
-- |
-- |
|
NO2 |
40 |
-- |
-- |
200** |
*Mag 35 keer per jaar overschreden worden
** Mag 18 keer per jaar overschreden worden
Aandachtgebieden
Voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn er landelijk aandachtsgebieden aangewezen. Een gemeente is verplicht de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit (NO2 en/of PM10) binnen een landelijk aandachtsgebied te beoordelen. De gemeente Tilburg bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied.
Luchtkwaliteit buiten aandachtgebieden
Voor enkele activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden, ook buiten aandachtgebieden (artikel 5.50 Bkl). Dit geldt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en bij het toelaten in het omgevingsplan van de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt of de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
De regel is dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt op plekken die niet openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Daarom zijn deze plaatsen uitgezonderd van toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Het toepasbaarheidsbeginsel komt op meerdere plekken voor in het Bkl: artikel 5.52, 8.17 en 11.19.
Het blootstellingscriterium staat op verschillende plekken in de Omgevingsregeling, bijvoorbeeld in artikel 8.11 (toetsing van wegen) en artikel 8.17 (toetsen van milieubelastende activiteiten). De eisen van een luchtkwaliteitsonderzoek staan in § 8.2.3.1.2. van de Omgevingsregeling.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
• er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
• het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
• het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.
Motivering/Uitkomst onderzoek
De planlocatie bevindt zich niet binnen een landelijk aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Op de planlocatie wordt voldaan aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit op basis van de gegevens uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
In Bkl artikel 5.54 staat dat gebouwen met een woonfunctie met één ontsluitingsweg en ten hoogste 1500 woningen per definitie niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er zullen 450-480 woningen worden gebouwd. Daarom voldoet het plan zelf ruimschoots aan de criteria voor projecten die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit.
Conclusie
Luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.2.6 Geur
4.2.6.1 Agrarische geur
Toetsingskader
De Omgevingswet beschermt geurgevoelige objecten zoals woningen tegen geurhinder van veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan instructieregels voor het opstellen van geurregels in het omgevingsplan met als doel het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, Omgevingswet). Bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu) wordt getoetst aan de geurregels uit het omgevingsplan.
Het Bkl maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren (zoals varkens en pluimvee) gelden normen voor geurbelasting, die wordt uitgedrukt in aantal odour units in kubieke meter lucht (ouE/m3). Daarnaast gelden voor dieren met geuremissiefactoren minimumafstanden tot (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen.
Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkrundvee) gelden alleen minimumafstanden, die moeten worden aangehouden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object.
Als een ruimtelijk plan de realisatie van geurgevoelige objecten mogelijk maakt, moet vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet worden gemotiveerd dat ter plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat (aanvaardbeidsbeginsel, artikel 5.92, Bkl). Er is in ieder geval sprake van aanvaardbaarheid als voldaan wordt aan de standaardwaarden en de vaste afstanden uit het Bkl/omgevingsplan (of bruidsschat). Ten tweede is van belang dat omliggende veehouderijen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Dit wordt ook wel de omgekeerde werking genoemd.
De gemeente Tilburg bevindt zich binnen een concentratiegebied van de Meststoffenwet. Een belangrijk uitgangspunt is dat in gebieden met veel veehouderijen (de concentratiegebieden) mensen minder snel geur als hinderlijk ervaren dan mensen in de niet-concentratiegebieden. De standaard wettelijke geurnormen voor intensieve veehouderijen zijn daarom in het niet- concentratiegebied strenger dan in de concentratiegebieden. Ook zijn er verschillen met betrekking tot de bandbreedte waarbinnen gemeenten aangepaste normen mogen vaststellen.
Het Bkl geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd afwijkende normen of afstanden op te nemen in het omgevingsplan. De gemeente Tilburg heeft geen afwijkende normen of afstanden vastgesteld. Dit betekent dat de geurnormen en -afstanden uit het Bkl van toepassing zijn.
Motivering/uitkomst onderzoek
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom ten zuidwesten van het centrum in gemengd stedelijk gebied. Verder ligt de gemeente Tilburg in een concentratiegebied zoals gedefinieerd in de Meststoffenwet. De Meststoffenwet levert geen directe beperkingen op voor de bouw van woningen. De ODZOB voorziet in een kaart met contouren van veehouderijen en bijbehorende geurbelasting. Hieronder een uitsnede van de kaart inclusief een legenda met de waarden van de achtergrondbelasting.
![i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402016.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.TAM2024007-c001_402016.jpg)
Afbeelding: Achtergrondbelasting voor geur in ouE/m3
Uit de kaart van de ODZOB blijken de volgende gegevens. De planlocatie bevindt zich qua leefklimaat in de categorie ‘’Zeer goed’’ met een achtergrondbelasting van <3 ouE/m3. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op ongeveer 2,5 kilometer ten zuidoosten van de planlocatie. Deze afstand voldoet ruim aan de aan de richtafstanden die voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde komt worden gehanteerd (100 meter, Bruidsschat artikel 22.3.6.2).
Conclusie
Het aspect agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van het omgevingsplan.
4.2.6.2 Industriële geur
Toetsingskader
De Omgevingswet beschermt geurgevoelige objecten zoals woningen tegen geurhinder afkomstig van industriële activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving ( Bkl) staan instructieregels voor het opstellen van geurregels in het omgevingsplan met als doel het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, Omgevingswet).
In het Bkl zijn slechts beperkt instructieregels opgenomen om geurhinder als gevolg van industriële activiteiten tegen te gaan. Deze instructieregels hebben betrekking op waterzuiveringsinstallaties. Voor alle overige activiteiten geldt dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar geurniveau (artikel 5.92, Bkl). De gemeenteraad moet beslissen of het geurniveau aanvaardbaar is. De gemeente Tilburg heeft geen eigen geurbeleid.
Motivering
Binnen een straal van 500 meter zijn geen bedrijfsactiviteiten aanwezig die veroorzaker zijn van geurhinder voor de geplande woningbouw. Er is ten aanzien van geur industrieel geen sprake van een onaanvaardbaar geurniveau.
Conclusie
Het aspect industriële geurhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van het wijzigingsplan.
4.2.7 Trillingen
Wettelijk kader
De gemeente Tilburg heeft in het nieuwe deel van het omgevingsplan vooralsnog geen normen opgenomen voor continue en herhaald voorkomende trillingen conform artikelen 5.87 en 5.87a uit het Bkl. Tot deze normen opgenomen zijn wordt verwezen naar de bruidsschat (art. 22.88) waar normen opgenomen zijn voor het totaal aan trillingen, zowel continu als herhaald voorkomend. Verder staan in de bruidsschat staan regels die toezien op de trillingen in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen, veroorzaakt door activiteiten (paragraaf 22.3.5, art. 22.83 t/m 22.89 bruidsschat).
Het wettelijk kader voor trillingen geldt niet voor (art. 22.83 lid 2 bruidsschat): gebouwen die geheel of gedeeltelijk liggen op een industrieterrein met geluidproductieplafonds of gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Ook een bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen trillingen vanwege een eigen bedrijf (art. 22.86 bruidsschat) net als een voormalige bedrijfswoning niet beschermd wordt tegen een agrarische activiteit (art. 22.87 bruidsschat).
Spoorwegen
Voor woningen langs het spoor gelden geen instructieregels van het Rijk. De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet). Hierbij wordt meestal de Meet- en beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) toegepast.
In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het zelfs nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. De redenen om uit te breiden van 100 naar 250 meter voor onderzoek zijn (cf. Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, ministerie van infrastructuur en waterstaat, mei 2019):
Wanneer er al sprake is van klachten door het spoor op een grotere afstand van 100 meter;
De plaatselijke bodemopbouw en/of het treinbeeld kunnen leiden tot trillingshinder.
In de gemeente Tilburg wordt enkel bij ontwikkelingen binnen 100 meter van het spoor een onderzoek trillingshinder gevraagd.
Motivering/Uitkomst onderzoek
De planlocatie ligt ongeveer 700 meter ten zuiden van de spoorlijn. Daarom is geen aanvullend trillingsonderzoek uitgevoerd.
Conclusie
Trillingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.2.8 Gezondheid
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. In het Bkl zijn een aantal instructieregels opgenomen, die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, trillingen luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorliggende paragrafen reeds gemotiveerd.
Hieruit blijkt dat de ontwikkeling een bijdrage levert aan de gezonde fysieke leefomgeving.
Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. omgevingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.
Dit houdt in dat:
Wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan.
Kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen.
Met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's.
Nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij.
De overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten leiden over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
De planlocatie ligt in het stedelijk gebied en niet binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij. Het geitenmoratorum vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
Magneetvelden en lichthinder
De planlocatie bevindt zich buiten de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Qua lichthinder wordt gekeken naar de gegevens uit de BrabantScan van de GGD2. De locatie bevindt zich ter plaatse van een gebied van 400 E-10 Watt/cm2/steradiaal wat relatief hoog is vergeleken met andere gebieden binnen de gemeente Tilburg. Uit de data wordt verwacht dat 40% van de volwassenen 18-64 jaar mogelijk wordt gehinderd door licht (één of meer bronnen). Het gemiddelde in de regio West-Brabant is 30%. De impact van lichthinder dient op deze locatie daarom extra aandacht te krijgen. De impact op de gezondheid is afhankelijk van verschillende factoren zoals blootstellingsduur, tijdstip en individuele gevoeligheid. Passende afscherming of de realisatie van een prikkelarme omgeving bij de realisatie van de woningen is op zijn plaats en dient nadrukkelijk worden meegenomen in bouwkundige afwegingen.
Sociaal netwerk en voorzieningen
De geplande woningen zijn sterk centraal gelegen ten zuidwesten van het centrum. Voldoende maatschappelijke voorzieningen in de nabije omgeving resulteren in volop mogelijkheden voor een sociaal netwerk in de omgeving. Ook zal er een gemeenschappelijke tuin gerealiseerd worden met verdere mogelijkheden voor ontmoeting. De bereikbaarheid van voorzieningen is in dit gebied meer dan voldoende aanwezig.
Cumulatie
De afzonderlijke milieuaspecten zijn in separate paragrafen getoetst en beoordeeld. Geconcludeerd is dat de afzonderlijke milieuaspecten geen belemmeringen opleveren voor dit plan. Daarnaast zien we ook geen cumulatie van de afzonderlijke milieuaspecten die op deze locatie aanleiding zouden kunnen geven voor een mogelijk effect op de gezondheid. Zie paragraaf 1.7. geluid voor een nadere toelichting over de cumulatie van geluid op deze locatie.
4.2.9 Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Bkl bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen.
Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem.
Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
In beginsel dient een (wijziging op) omgevingsplan vergezeld te worden van een bodemonderzoek conform NEN 5740. Een bodemonderzoek is in ieder geval 2 jaar geldig. In overleg met het bevoegd gezag kan deze termijn worden verlengd.
Een deel van het toekomstige gebruik is gevoeliger ten opzichte van het huidige gebruik.
In het archief van de gemeente Tilburg zijn voor de locatie geen actuele relevante bodemonderzoeken bekend. Wel is recentelijk een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 uitgevoerd (bijlage 16). Ter plaatse worden geen sterke verontreinigingen verwacht, maar in de omgeving is wel sprake van potentiële sterke verontreinigingen. Bovendien is op basis van het toekomstig gevoeliger gebruik het noodzakelijk om op basis van een bodemonderzoek eventuele risico's voor het toekomstig gebruik definitief uit te kunnen sluiten.
Dit onderzoek wordt in opdracht van de gemeente TiIburg uitgevoerd en zit momenteel in de voorbereidende fase.
Conclusie
Gezien de resultaten uit het historisch onderzoek, waarbij geen belemmeringen voor de bestemmingswijziging worden verwacht, kan de TAM-IMRO procedure wat bodem betreft worden afgerond. Dit onder voorwaarde dat het bodemonderzoek in afzienbare tijd wordt afgerond en eventuele ontoelaatbare risico's voor het toekomstig gebruik die uit dat onderzoek naar voren komen, worden weggenomen.
Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid
5.1 Financieel economische uitvoerbaarheid
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is.
De gemeente Tilburg realiseert en exploiteert de ondergrondse parkeergarage voor eigen rekening en risico
om de gehele ruimtelijke ontwikkeling door te laten gaan. Deze parkeergarage is onderdeel van de gemeentelijke financiële strategie parkeren, waarover de gemeenteraad op 31 maart 2025 positief besloten heeft.
5.2 Kostenverhaal en nadeelcompensatie
Indien met de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in woningen, commerciële ruimte en een parkeergarage. De bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn vastgelegd omtrent de nadeelcompensatie en waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van regels kostenverhaal aan het omgevingsplan is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
Hoofdstuk 6 Participatie
6.1 publicatie voornemen wijziging omgevingsplan
Het voornemen tot wijziging van het omgevingsplan is op 17 juli 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
6.2 Behandeling omgevingstafel
Provincie Noord-Brabant
Het plan tot de bouw van 480 woningen en openbare parkeergarage is besproken in het planteamoverleg met de provincie Noord-Brabant. De provincie had geen opmerkingen op het plan.
Waterschap De Dommel
Met het waterschap is afgesproken dat ontwikkeling die geen waterbelang hebben niet op voorhand hoeven te worden besproken met het waterschap, maar dat de toets van het waterschap rechtstreeks bij de ter inzage legging van het ontwerp omgevingsplan plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling is gekwalaficeerd als 'geen waterbelang'.
6.3 Participatie omgeving
Participatie is een belangrijke pijler van de Omgevingswet. De richtlijn geeft aan in welke mate u de omgeving betrekt bij uw initiatief c.q. ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente vindt het namelijk belangrijk dat inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners op tijd door u betrokken worden bij initiatieven of ruimtelijke ontwikkelingen in hun omgeving. Daardoor komen belangen, ideeën, zorgen en kansen eerder op tafel en worden initiatieven beter.
In de richtlijn omgevingsdialoog worden de verschillende stappen omschreven, die ten aanzien van participatie moeten worden gezet. Als eerste wordt met de impactscan de impact van de ontwikkeling op de omgeving beoordeeld. De scan bestaat uit zes thema’s waarop het initiatief mogelijk impact heeft: het soort initiatief, verkeer, groen, beleving, hinder en het (ruimtelijke) proces. De optelsom van de thema’s bepaalt de impactscore en daarmee de categorie van het initiatief.
Participatietraject
In augustus 2023 is er brede een informatiebijeenkomst voor de omgeving georganiseerd waarop de plannen tot dusver zijn toegelicht en men zich kon aanmelden voor het planteam Louis Bouwmeesterplein.
Daarna is vanaf september 2023 tot en met februari 2024 een traject met het planteam Louis Bouwmeesterplein doorlopen. Het planteam bestaat uit 13 bewoners en ondernemers uit de directe omgeving die in vier bijeenkomsten zijn meegenomen in de planvorming. Daarna heeft het planteam een advies gegeven over de volumestudie en het ontwerp. Het college heeft op op 24 augustus 2024 puntsgewijs op dit advies gereageerd. Voor een aantal punten is aangegeven dat het advies wordt meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Het planteam wordt over deze punten geïnformeerd wanneer het schetsontwerp (SO) gereed is, naar verwachting voorjaar 2026
In december is er opnieuw een brede informatiebijeenkomst voor de omgeving georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomst werden het laatste ontwerp en het vervolgproces toegelicht, waaronder het traject voor het omgevingsplan. Daarnaast konden belangstellenden input leveren bij drie meedenktafels voor de thema’s Mobiliteit & parkeren, Groen in de omgeving en Wonen in de binnenstad. In december 2024 heeft was een ook een online enquête waarbij mensen op deze thema’s mochten meedenken over de plannen.
De presentaties, informatieborden, verslagen, het planteamadvies en de gemeentelijke reactie zijn te zien op www.tilburg.nl/louisbouwmeesterplein onder het kopje 'Downloads'.
6.4 Zienswijzen
Het ontwerpbesluit om het omgevingsplan te wijzigen heeft van 13 oktober 2025 tot en met 24 november 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Er zijn 3 zienswijzen ingediend, waarvan 1 door de provincie Noord-Brabant. Met de indiener van 1 zienswijze heeft een gesprek plaatsgevonden. Hierin is afgesproken dat het bouwvlak op de hoek van het Louis Bouwmeesterplein en de Kloosterstraat wordt verkleind en dat zij betrokken zal worden bij het participatietraject van de inrichting van de openbare ruimte. De zienswijze van de provincie Noord-Brabant leidt tot een tekstuele aanpassing in de toelichting in die zin dat nader in wordt gegaan op de regionale behoefte aan woningen en de SRBT-woondeal. 1 zienswijze leidt tot het borgen van verblijfplaatsen voor beschermde soorten conform het Soortenmanagementplan in de regels.
Voor het overige leiden de zienswijzen niet tot aanpassingen aan de wijziging van het omgevingsplan. Zie voor de volledige beantwoording van de zienswijzen bijlage 17 ‘Nota van zienswijzen omgevingsplan ‘TAM-
omgevingsplan hoofdstuk 22g Louis Bouwmeesterplein’.
Hoofdstuk 7 Belangenafweging en conclusie
In deze motivering is getoetst of de betreffende ontwikkeling past binnen het relevante beleid en de instructieregels van het rijk en de provincie. Hieruit is gebleken dat het project in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving. Er kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Er heeft participatie plaatsgevonden en de uitkomsten hiervan zijn meegenomen in de planvorming.
Het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan ten behoeve van de realisatie van de woningen en parkeergarage kan worden genomen.