direct naar inhoud van Regels

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Uitbreiding transformatorstation 150kV Technopol 5-7

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.TAM2024004-c001
Plantype: bestemmingsplan

Motivering

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding

TenneT TSO b.v. (hierna: TenneT) en Enexis Netbeheer B.V. (hierna: Enexis) hebben als respectievelijk landelijk netbeheerder van het hoogspanningsnet en regionale netbeheerder de verantwoordelijkheid voor de leveringszekerheid van elektriciteit. Om dit te bewerkstelligen, zijn aanpassingen en uitbreidingen van het hoogspanningsnetwerk en de bijbehorende stations noodzakelijk. TenneT en Enexis werken samen aan het versterken van het elektriciteitsnet in Noord-Brabant. Dit is noodzakelijk om de energietransitie mogelijk te maken en het sterk stijgende aanbod van duurzame elektriciteitsproductie, zoals zonne- en windenergie op het netwerk aan te kunnen sluiten en op termijn ook de verwachte groei van de vraag naar elektriciteit te kunnen ondervangen. De versterking van het netwerk vindt onder meer plaats door nieuwe hoogspanningsstations te bouwen en bestaande hoogspanningsstations uit te breiden.

 [image]Figuur 1-1: ligging en begrenzing van het plangebied (bron: google.com/maps en streetsmart.cyclomedia.com)

 
TenneT en Enexis zijn voornemens om het 150-kV-station in Tilburg-Zuid uit te breiden (Figuur 1-1). Het betreft een uitbreiding met twee modulaire gebouwen met 18 velden, een SSI gebouw (Secundaire Separate Installatie; een gebouw voor de beveiliging van het 150-kV-station) en drie trafoboxen. De uitbreiding van het hoogspanningsstation leidt tot een opgesteld vermogen van meer dan 200 MVA. Dit is in strijd met het omgevingsplan, welke mede bestaat uit het bestemmingsplan 'Tilburg, Herziening 150kV trace'. Om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken, wordt het omgevingsplan gewijzigd.

1.2 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling.

 
In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan de voor dit plan geldende algemene beleidskaders.

 
In hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en het milieu.

 
In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het participatietraject, de richtlijn omgevingsdialoog en de resultaten van de omgevingstafel.

 
In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.

 
In hoofdstuk 7 wordt een samenvatting gegeven en antwoord op de vraag of de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige functietoedeling.

Hoofdstuk 2 Plan en plangebied

 

2.1 Plangebied

Het plangebied omvat het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Tilburg, sectie Z, nummer 1423, plaatselijk bekend te Technopol 5-7, 5026 SB Tilburg. Het plangebied wordt globaal begrensd door de A58 in het noorden, de Kalundborg in het oosten, de Technopol in het zuiden en N630 in het westen. Figuur 2-1 geeft de ligging van het plangebied in de gemeente Tilburg weer.

 

 [image]

Figuur 2-1: ligging van het plangebied in Tilburg (bron: google.com/maps en streetsmart.cyclomedia.com)

 

2.2 Huidige situatie

 

2.2.1 Huidige ruimtelijke en functionele structuur

Ter plaatse van het plangebied bevindt zich momenteel reeds een hoogspanningsstation (Figuur 2-2). Het hoogspanningsstation Tilburg-Zuid is door middel van een hoogspanningsverbinding verbonden met de hoogspanningsstations Tilburg-Noord en Tilburg-West (Figuur 2-3). Het 150-kV-station bestaat uit een dubbelhoofdrailsysteem, een koppelveld, drie kabelvelden, drie transformatoren en één reserveveld. Dit zijn voorzieningen die nodig zijn om de hoogspanning om te zetten naar lagere spanningen ten behoeve van de stroomvoorziening aan huishoudens en organisaties.

 

Op de gronden is het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg (hierna: het omgevingsplan) van toepassing, waarvan het bestemmingsplan ‘Tilburg, Herziening 150kV trace’ onderdeel uitmaakt. De gronden van het plangebied hebben de functies (voorheen bestemmingen) ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’, ‘Leiding – Hoogspanning’ en ‘Waarde – Archeologie’.

 

 [image]

Figuur 2-2: feitelijke situatie (bron: streetsmart.cyclomedia.com)

 

 [image]

Figuur 2-3: weergave hoogspanningsverbindingen Tilburg (bron: TenneT, 2020)

 

Het plangebied wordt omringd door het bedrijventerrein Tradepark en het bedrijventerrein Katsbogten (Figuur 2-4). Het tijdelijk deel van het omgevingsplan, welke mede bestaat uit de bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Tradepark 58 2012’ en ‘Bedrijventerrein ‘Katsbogten 2008’, staat ter plaatse van de bedrijventerrein verschillende bedrijven toe. Ten zuiden van het bedrijventerrein Tradepark bevindt zich de gemeente Goirle.

 

 [image]

Figuur 2-4: structuur van de omgeving rondom het plangebied

 

2.2.2 Technische infrastructuur

In het plangebied is reeds conform de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’een hoogspanningsstation aanwezig. Er bevindt zich dan ook de functie ‘Leiding – Hoogspanning’ voor een hoogspanningsverbinding ter plaatse van het plangebied (Figuur 2-5).

 

 [image]

Figuur 2-5: uitsnede bestemmingsplan ‘Tilburg, Herziening 150kV trace’, welke onderdeel is van het omgevingsplan (omgevingswet.overheid.nl)

 

De hoogspanningsverbinding bevindt zich zowel aan de noordzijde als de westzijde van het plangebied (Figuur 2-6). De westelijke hoogspanningsverbinding is verbonden met het hoogspanningsstation Tilburg-West. De noordelijke hoogspanningsverbinding is verbonden met het hoogspanningsstation Tilburg-Noord (Figuur 2-7).

 

 [image]

Figuur 2-6: hoogspanningsverbindingen ter plaatse van het plangebied (bron: HoogspanningsNet Netkaart)

 

 [image]

Figuur 2-7: hoogspanningsstations Tilburg (bron: HoogspanningsNet Netkaart)

2.2.3 Planologische situatie

Dat in het plangebied het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg van toepassing is betekentdat in het plangebied onder meer de regels van het bestemmingsplan ‘Tilburg, Herziening 150kV trace’, dat is vastgesteld door de gemeenteraad op 19 september 2017, gelden.

 

In dat plan heeft het perceel de enkelbestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ en ‘Leiding – Hoogspanning’.

 

Het bouwen van de nieuw te bouwen bouwwerken is wel al toegestaan op grond van het huidige planologische regime. Het plan is echter in strijd met het huidige omgevingsplan wat betreft:

  1. 1. artikel 3.1.1, welk artikel de op de gronden toegestane nutsvoorzieningen bepaalt. Door de uitbreiding van het aantal trafoboxen wordt het hoogspanningsstation een geluidgezoneerde inrichting (thans een activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan maken als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Dergelijke geluidproducerende activiteiten zijn zonder wijziging van het omgevingsplan niet toegelaten in het plangebied.

 

De raad heeft de mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen om de ontwikkeling mogelijk te maken

2.3 Toekomstige situatie

 

2.3.1 Het plan en de inrichting van het perceel

Om te kunnen blijven voldoen aan de leveringszekerheid van elektriciteit is het noodzakelijk voor TenneT en Enexis om aanpassingen en uitbreidingen van het hoogspanningsnetwerk en bijbehorende stations te doen. De energietransitie leidt tot een toename van het aanbod in duurzame elektriciteitsproductie. De stijgende vraag naar elektriciteit vergt de aansluiting van deze duurzame elektriciteitsproductie op het netwerk. Het elektriciteitsnet zit op veel plekken in Nederland bijna vol waardoor de uitbreiding van het net noodzakelijk is voor het gebruik van energie in de toekomst. Om hieraan gehoor te geven dienen de bestaande hoogspanningsstations uitgebreid te worden. Hiermee staat vast dat de beoogde ontwikkeling noodzakelijk is voor de gezonde fysieke leefomgeving en dat deze een bijdrage levert aan maatschappelijke doelen.

 
Het plan voorziet in de uitbreiding van het hoogspanningsstation met twee modulaire gebouwen met 18 velden, een SSI-gebouw en drie trafoboxen. Verder wordt de toegangsweg verbreed. De nieuwe bouwwerken zijn reeds toegestaan door het huidige omgevingsplan. De wijziging van het omgevingsplan ziet op het toelaten van een nutsvoorziening met een hoger vermogen dan 200 MVA.

2.3.2 Beoogde functie(s)

Het initiatief betreft de uitbreiding van het hoogspanningsstation aan de Technopol 5-7 te Tilburg. De gronden hebben dan ook reeds een bedrijfsfunctie ten behoeve van het bestaande hoogspanningsstation (een nutsvoorziening). De ontwikkeling zal een aantal bouwwerken mogelijk maken. In totaal zal er 1.289 m2 verhard oppervlak worden toegevoegd. Figuur 2-8 toont de toekomstige situatie.

 [image]

Figuur 2-8: beoogde uitbreiding van het hoogspanningsstation

 
De uitbreiding van het hoogspanningsstation vindt plaats aan de oostzijde van het terrein. Het terrein wordt niet vergroot zodat functies van omliggende percelen niet hoeven te wijzigen.

 

 

Hoofdstuk 3 Toetsing aan algemene beleidskaders

 

3.1 Rijk

 

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

 

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen de Rijksoverheid (en daarmee de rest van Nederland) staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes door het Rijk gemaakt worden en welke richting meegegeven wordt aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om gezamenlijk het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

 

De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. De NVOI legt de nadruk op ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, het bevorderen van duurzaam economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en het stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Deze vier integrale prioriteiten gebruikt het Rijk voor het formuleren van een langetermijnvisie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving (gericht op 2050) en nationale belangen.

 

Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:

 

Toetsing aan NOVI

De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen uit de NOVI. Er wordt namelijk ruimte voor de energietransitie gerealiseerd. De uitbreiding van het hoogspanningsstation zorgt ervoor dat duurzaam opgewekte energie aangesloten kan worden op het net. Hiermee is het mogelijk om te blijven verduurzamen op het gebied van energie. Daarnaast is uitbreiding van het energienet noodzakelijk voor het kunnen blijven gebruiken van energie in de toekomst.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De opgenomen regels en omgevingswaarden zijn gesteld ter bescherming van nationale belangen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

 
In het Bkl is onder meer geregeld welk bestuursorgaan bevoegd gezag is bij het verlenen van een omgevingsvergunning, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en procedures.

 
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Hoofdstuk 5 bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:

 

In afdeling 5.1 worden in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels gesteld ten aanzien geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. Omgevingswaarden zijn waarden die worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen zoals Lden en Lnight voor geluid of ouE/m3 voor luchtkwaliteit. Deze waarden bepalen de gewenste staat of kwaliteit, de toelaatbare belasting door activiteiten of de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen voor de fysieke leefomgeving of een deel daarvan (artikel 2.9 Ow). Artikel 2.11a Ow bepaalt dat in het omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds worden vastgesteld wanneer er sprake is van een industrieterrein dat aanzienlijke mate van geluid kan veroorzaken. Artikel 5.78b van het Bkl bepaalt vervolgens wanneer sprake is van activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken. Dit artikel geeft invulling aan artikel 2.11a Ow. Op basis van artikel 5.78b Bkl kan worden vastgesteld of er sprake is van een industrieterrein dat aanzienlijke mate van geluid kan veroorzaken, waarvoor vervolgens op grond van artikel 2.11a Ow een verplichting geldt tot het vaststellen van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden.

 
Artikel 5.78e regelt daarnaast dat het omgevingsplan de begrenzing van het industrieterrein vastlegt. Bovendien bepaalt artikel 5.78d dat paragraaf 3.5.4 van het Bkl ook van toepassing is op het vaststellen van geluidproductieplafonds als omgevingswaarde voor industrieterrein. Deze paragraaf bepaalt dat de geluidreferentiepunten, de geluidbrongegevens en het geluidaandachtsgebied worden vastgelegd bij het vastleggen van een geluidproductieplafond. Daarnaast worden er nog regels gesteld over de wijze waarop geluidreferentiepunten en het geluidproductieplafond worden bepaald.

 
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:

 
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.

Ondanks het ingekaderde karakter van de afwegingsruimte die door de instructieregels ontstaat, biedt het Bkl veel ruimte aan de gemeente om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te sturen. Als de gemeente gebruik wil maken van deze afwegingsruimte, zal zij dit goed moeten motiveren. Daarnaast zullen deze deugdelijk onderbouwde, op het specifieke deelgebied afgestemde kaders ook moeten worden uitgewerkt in juridische planregels.

 
Toetsing aan het Bkl

Het Bkl geeft in artikel 5.159 een aantal regels als het gaat om waarborging van hoogspanningsverbindingen. Dit gaat echter over hoogspanningsverbindingen van ten minste 220 kV. Voor zover het gaat om verbindingen van 220kV geeft het Bkl verdere instructieregels. Deze regels zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling.

 
De instructieregels uit paragraaf 5.1.4.2a zijn wel van toepassing op de onderhavige ontwikkeling. Het hoogspanningsstation valt namelijk onder artikel 5.78b lid 1 onder c Bkl. Hierdoor is er sprake activiteiten die aanzienlijke mate van geluid veroorzaken als bedoeld in artikel 2.11a Ow. Om te voldoen aan de verplichting van artikel 2.11a Ow zijn in het omgevingsplan geluidproductieplafonds vastgesteld als omgevingswaarden. Hierbij is tevens rekening gehouden met de overige instructieregels uit het Bkl zoals het vastleggen van de begrenzing van het industrieterrein en paragraaf 3.5.4 van het Bkl. De omgevingswaarden bepalen dat het hoogspanningsstation niet meer geluid mag produceren dan de waarden die gelden op de geluidreferentiepunten. Dit is een inspanningsverplichting (artikel 3.44 Bkl).

3.1.3 Maatschappelijke behoefte

Er is een grote maatschappelijke behoefte aan onderhavige ontwikkeling. De vraag naar energie stijgt, maar daartegenover staat dat er ook een krapte op het energienet is. De uitbreiding van het hoogspanningsstation is voor TenneT en Enexis noodzakelijk om te kunnen blijven voorzien in de energie, maar daarnaast is het voor burgers en bedrijven ook van belang om gebruik te kunnen blijven maken van energie. Uitbreiden van het huidige energienet is noodzakelijk voor nieuwe ontwikkelingen. Met het tekort op de woningmarkt is bijvoorbeeld het bouwen van nieuwe woningen noodzakelijk, wat dan weer de nodige netcapaciteit vereist. De toekomst vraagt om duurzame manieren voor het opwekken van energie, zoals via windturbines en zonnepanelen. Om deze energie te kunnen verwerken is een uitbreiding van het hoogspanningsstation Tilburg Zuid noodzakelijk.

3.1.4 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel over zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

 
Toetsing duurzame verstedelijking

De wijziging van het omgevingsplan voorziet in de uitbreiding van een hoogspanningsstation. Uit jurisprudentie volgt dat een hoogspanningsstation niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden beschouwd (zie: ECLI:NL:RVS:2016:465, zie ook; ECLI:NL:RVS:2017:1123). Een toetsing aan de ladder is derhalve niet nodig. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand hoogspanningsstation. De ruimte op die locatie wordt intensiever benut zodat er geen nieuw ruimtebeslag buiten het bestaande hoogspanningsstation plaatsvindt. Dit sluit aan bij het doel van de laddertoets (zorgvuldig ruimtegebruik).

3.2 Provincie

 

3.2.1 De Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: "Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Noord-Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Noord-Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten er minder energie gebruikt worden en meer duurzame energie opgewekt worden.

  3. Slimme netwerkstad: verkeersbewegingen veranderen en dat stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering ontstaan meer extremen in temperatuur en neerslag. Deze hoofdopgave gaat over de aanpak van deze gevolgen?

  5. Concurrerende, duurzame economie: De provincie wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. De vertaling van de opgaven uit de omgevingsvisie naar de omgevingsverordening wordt in de volgende paragraaf toegelicht, voor zover die opgaven relevant zijn voor het voornemen.

 

Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.

 
Toetsing aan de Brabantse omgevingsvisie

De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de Brabantse omgevingsvisie. Om Brabant energieneutraal te maken is het noodzakelijk dat meer duurzame energie wordt opgewekt. Om deze duurzame energie via het energienet uiteindelijk bij burgers en bedrijven te krijgen, is uitbreiding van het energienetwerk noodzakelijk. Zonder de uitbreiding is het verduurzamen van energie niet mogelijk althans dan kan de duurzame energie niet bij de gebruiker komen.

3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Na de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft iedere provincie een omgevingsverordening en een omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. Waar nodig zijn deze regels aangevuld met nieuwe bepalingen waarmee de provincie kaders kan stellen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op gemeentelijk niveau.

 
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels.

 
De instructieregels uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een omgevingsplan.

 
Op het plangebied zijn de volgende werkingsgebieden, welke instructieregels bevatten, gelegen:

 
Waterwinning voor menselijke consumptie

Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied "Waterwinning voor menselijke consumptie" en het werkingsgebied "Boringsvrije zone". Artikel 5.18 van de Omgevingsverordening stelt dat een omgevingsplan mede strekt tot het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen. Het omgevingsplan dient tevens regels te stellen die het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen. Om de bodem te beschermen is een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden vergunningplichtig gesteld in het omgevingsplan. Zo is het zonder omgevingsvergunning niet toegestaan om grondroeractiviteiten te verrichten, voorwerpen in de grond te brengen of te diepploegen.

 
Grondwaterbeschermingsgebied

Ter plaatse van het "Grondwaterbeschermingsgebied" gelden de rechtstreeks werkende regels uit paragraaf 3.3.3 van de Omgevingsverordening (Figuur 3-1). Deze rechtstreeks werkende regels behoeven niet opgenomen te worden in het omgevingsplan, aangezien deze reeds voor een ieder gelden. Artikel 5.17 van de Omgevingsverordening bepaalt verder dat het omgevingsplan ter plaatse van het grondwaterbeschermingsgebied mede strekt tot de bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. Ten behoeve van de bescherming van het grondwaterbeschermingsgebied is een aanduiding opgenomen in de planregels waaraan regels zijn gekoppeld ten aanzien van het bouwen van bouwwerken met een verticale diepte van meer dan 3 m onder maaiveld.

 

 [image]

Figuur 3-1 uitsnede Omgevingsverordening, Kaart 1 Grondwaterbeschermingsgebied

 

Diep grondwaterlichaam

Ter plaatse van het werkingsgebied "Diep grondwaterlichaam" is het op grond van artikel 3.12 van de Omgevingsverordening verboden om milieubelastende activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3.11, te verrichten (Figuur 3-2). Artikel 3.11 van de Omgevingsverordening wijst de onconventionele winning van koolwaterstoffen aan als milieubelastende activiteit. Binnen het plangebied worden geen koolwaterstoffen op onconventionele manier gewonnen. Daarnaast betreft dit een direct werkende regel, welke voor een ieder reeds geldt.

 
 [image]

Figuur 3-2 uitsnede Omgevingsverordening, Kaart 1 Diep grondwaterlichaam

 
Beperking grootschalige logistiek

Artikel 5.56a van de Omgevingsverordening bepaalt dat grootschalige logistiek alleen mogelijk is binnen het werkingsgebied als dit een aantoonbare regionale meerwaarde heeft. Er is sprake van grootschalige logistiek bij het gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 3 hectare of groter, waarop grootschalige bebouwing staat en dat in hoofdzaak in gebruik is voor logistieke- of distributieactiviteiten, met een door de aard en schaal van de activiteiten hoge verkeersaantrekkende werking en impact op de omgevingskwaliteit.

  

[image]
Figuur 3-3 uitsnede Omgevingsverordening, Kaart 5 Beperking grootschalige logistiek

 
Stalderingsgebied
Artikel 5.66 van de Omgevingsverordening stelt regels ten aanzien van de toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor hokdieren binnen het Stalderingsgebied. De ontwikkeling bevat geen dierenverblijven en gaat deze ook niet mogelijk maken. De instructieregel is daarmee niet relevant voor de voorgenomen ontwikkeling.

 
 [image]

Figuur 3-4 uitsnede Omgevingsverordening, Kaart 6 Stalderingsgebied

Norm wateroverlast stedelijk gebied

Artikel 2.2 van de Omgevingsverordening stelt een omgevingswaarde in de vorm van een overstromingskans. Dit is met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht. Aan deze omgevingswaarde moet simpelweg worden voldaan. Dit betreft derhalve geen instructieregel. Deze inspanningsverplichting is ex artikel 6.7 van de Omgevingsverordening de taak van het waterschap.

 

 [image]

Figuur 3-5 uitsnede Omgevingsverordening, Kaart 9 Norm wateroverlast stedelijk gebied

 
Geen attentiezone waterhuishouding

Voor de attentiezone geldt een extra vergunningplicht voor een open bodemenergiesysteem. Het plangebied bevindt zich buiten deze attentiezone. Als de voorgenomen ontwikkeling een open bodemenergiesysteem behoeft is er geen sprake van een vergunningplicht zoals bedoeld in artikel 3.15 van de Omgevingsverordening.

 [image]

Figuur 3-6 uitsnede Omgevingsverordening, Kaart 1 Geen attentiezone waterhuishouding

 
Stedelijk gebied

Binnen het Stedelijk gebied gelden regels ten aanzien van:

 
De ontwikkeling maakt geen gebruik van de ruimte-voor-ruimteregeling. Ook zullen er geen windturbines mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling betreft ook geen stedelijke ontwikkeling, aangezien een stedelijke ontwikkeling wordt omschreven als een ontwikkelingen die ziet op wonen, werken of voorzieningen. Onder voorzieningen valt een faciliteit op het gebied van onderwijs, medische zorg, winkel, sport en ontspanning. Hier valt de onderhavige ontwikkeling dus niet onder, zie verder in paragraad 3.1.2 van deze motivering.

 
Verder is er geen sprake van vaarwegen en veehouderijen. Er zal ook geen negatief effect zijn op het Natuur Netwerk Brabant, aangezien het plangebied niet in of direct aangrenzend aan het NNN-gebied is gelegen zoals tevens blijkt uit de ecologische quickscan. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de instructieregels.

 

[image]
Figuur 3-7 uitsnede Omgevingsverordening, Kaart 5 Stedelijk gebied

 

3.3 Beleid waterschap

In de hierna volgende paragrafen wordt het beleid van het Waterschap De Dommel beschreven. Een verdere toetsing van dit beleid volgt in paragraaf 4.1.4 “Weging van het waterbelang”.

3.3.1 Waterschapsverordening De Dommel

Door de ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vervangt de Waterschapsverordening Waterschap de Dommel de Brabant Keur. De Waterschapsverordening is een verordening met de wettelijke regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van oppervlaktewaterlichamen (beken, sloten en rivieren), waterkeringen, bergingsgebieden, grondwater en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen, etc.). In de waterschapsverordening wordt specifieker gekeken naar de regelgeving voor verschillende soorten gebieden en activiteiten.

 
De Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024 verbiedt het zonder vergunning afvoeren van hemelwater ontstaan door een toename aan verhard oppervlak naar oppervlaktewater. Dit staat vermeld in Afdeling 2.1, artikel 2.2, vijfde lid behorend tot Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewater. Volgens Afdeling 2.6, artikel 2.31, tweede lid, geldt er echter vrijstelling voor het genoemde verbod uit artikel 2.2, onder voorwaarde dat de waterparagraaf van het omgevingsplan na 1 januari 2019 schriftelijke goedkeuring heeft gekregen van het waterschap en de maatregelen daarvan zijn uitgevoerd. Daarnaast benoemt artikel 2.31, derde lid, dat vrijstelling op artikel 2.2, vijfde lid, wordt gegeven indien de toename aan verhard oppervlak een maximale hoeveelheid van 500 m2 bedraagt of de toename aan verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak.

 
Wanneer de toename aan verhard oppervlak tussen 500 m2 en maximaal 10.000 m2 ligt en compenserende maatregelen zijn getroffen conform de rekenregel van artikel 2.31, lid 4 van Hoofdstuk 2 'Activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen' geldt ook een vrijstelling van het verbod uit artikel 2.2 van de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024.

 
De rekenregel voor minimale compensatie luidt:

Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor (uitgaand van 1) x 0,06 (in m).

 
De compensatie dient dan wel aan de volgende eisen te voldoen:

3.3.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterschap heeft daarnaast het waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld waarin de visie en ambities van het waterschap opgenomen zijn. De visie op 2050 van waterschap De Dommel is dat de leefomgeving en het watersysteem toekomstbestendig zijn. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.

 
De drie doelen waaraan gewerkt wordt zijn:

  1. Droge voeten: voorkomen van wateroverlast.

  2. Schoon water: waterkwaliteit moet voldoen aan de KRW-eisen.

  3. Voldoende water: voldoende water beschikbaar houden voor periodes waarin weinig tot geen neerslag valt, dit door middel van:

  1. Meer water vasthouden om het grondwater aan te vullen.

  2. Minder grondwater onttrekken.

  3. Het watersysteem slimmer sturen.

3.4 Gemeente

 

3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

 

Op 21 september 2015 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op de ontwikkeling van Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

 
Planet: De gemeente richt zich op het ontwikkeling van een gezonde en leefbare stad, en het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

 
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 
Om antwoord te geven op de vraag hoe dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar gerealiseerd wordt, volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

  1. de Brabantstrategie.

  2. de Regiostrategie.

  3. de Stadsstrategie.

 
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving alsmede religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, spoor én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 
De vier stedelijke knooppunten:

  1. Binnenstad van de 21e eeuw.

  2. Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing.

  3. Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven.

  4. Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant.

 
De drie stadsregionale parken zijn:

 
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. Net als de Brabantstrategie bevat de regiostrategie ook stedelijke knooppunten waarmee concreet wordt gemaakt hoe de strategie moet worden ingezet. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 
De drie stedelijke knooppunten zijn:

  1. Bedrijvenpark Zuid.

  2. Zorgcluster Leijpark.

  3. Duurzaam energielandschap Noord.

 
De twee ecologische verbindingszones:

  1. Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.

  2. Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.

 
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 
Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 
Specifiek voor dit plan geeft de Omgevingsvisie aan:

In de Omgevingsvisie is opgenomen dat Tilburg gezonder, schoner er groener wordt. Tilburg wil in 2045 klimaatneutraal en energieneutraal zijn. Uit de Omgevingsvisie volgt: 'We maken werk van de benodigde energietransitie: we faciliteren de productie van duurzame energie op lokaal en regionaal niveau door lokale duurzame energieopwekking ruimtelijk mogelijk te maken'. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan deze visie. Door de uitbreiding van het hoogspanningsstation kan deze duurzame energie worden verwerkt en terechtkomen bij de gebruikers. Het gebruik van duurzame energie is daarmee dan ook afhankelijk van de uitbreiding van het energienet door middel van uitbreidingen van hoogspanningsstations. De ontwikkeling draagt derhalve bij aan de realisatie van de Omgevingsvisie.

3.4.2 Bestuursakkoord 'Meer voor elkaar'

Kader

Het Akkoord 'Meer voor elkaar betreft het bestuursakkoord voor de raadsperiode 2022 tot 2026. In dit akkoord staan doelen, koers en aanpak beschreven met betrekking op gezondheid, jeugd, kansengelijkheid, energietransitie, verduurzaming van de bestaande woon- en werkomgeving, groen in de stad, mobiliteit, openbare ruimte, nieuwe woningen, werkgelegenheid, kunst cultuur, evenementen en sport.

 
Specifiek voor dit plan geeft het bestuursakkoord aan:

De opgave 'Tilburg Groen en Duurzaam' heeft tot doel de kwaliteit van de bestaande stad te verbeteren. Het richt zich op energietransitie, klimaatadaptatie, de kwaliteit van bestaande woningen, groen in en om de stad, de mobiliteitstransitie en de openbare ruimte. De verduurzaming van de bestaande woon- en werkomgeving wordt mede gerealiseerd door de Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS). Zo wordt ingezet op zonne- en windenergie, opgewekt in energiehubs in en rond de stad. In het bestuursakkoord wordt ook de congestie op het energienet geconstateerd en de belemmeringen die dat oplevert voor de energietransitie. Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan de opgave tot verduurzaming van de bestaande woon en werkomgeving. Door de uitbreiding van het hoogspanningsstation ontstaat er meer capaciteit op het energienet, waardoor duurzaam opgewekte energie naar de gebruikers kan worden getransporteerd. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarom aan op de doelstellingen uit het bestuursakkoord.

3.4.3 Bedrijvigheid

 

Nota toekomstbestendige bedrijventerreinen

Met deze nota wordt een meer kwalitatieve visie op de Tilburgse werklocaties gegeven. Enerzijds omdat de beschikbare ruimte veel beperkter is en meer onder druk staat. Anderzijds omdat de vestigingscriteria veranderen onder invloed van de verduurzamingsopgaven, de transitie naar een circulaire economie, verslimming door digitalisering en robotisering en de ontwikkeling van nieuwe sectoren zoals smart industries, smart logistics en smart services (Next Economy).

 
In de beleidsnota 'Toekomstbestendige werklocaties 2020-2025' worden de volgende ambities benoemd:

 
De kwalitatieve benadering betekent dat ingezet wordt op versterking van het (regionale) economische ecosysteem en inzetten op versterking van de verschillende typen werklocaties zelf. Zo is het in sommige gevallen wenselijk om ondersteunende faciliteiten op bedrijventerreinen toe te staan. Hierbij kan worden gedacht aan functies zoals opleidingsvoorzieningen en truckparkings, maar ook aan ondersteunende zaken zoals wandelpaden en fietsroutes. Er moet dan wel blijken uit overleg met de vitaalverenigingen (de parkmanagementverenigingen op de Tilburgse bedrijventerreinen) dat hier een collectieve behoefte voor is.

 
Voor de binnenwijkse terreinen streeft Tilburg ernaar om per saldo de bedrijfsruimte te behouden, door uitplaatsing van bedrijven naar geschiktere locaties te faciliteren of door wonen met werken te mengen. Ook de gemeente nadrukkelijk naar kansen om verbinding te leggen met de wijk, om zo de terreinen vitaler te maken.

 

Regionale agenda werken

De lokale programmering van bedrijventerreinen wordt vanwege de provinciale Verordening Ruimte (gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet) vanaf 2012 op regionaal niveau afgestemd met de Hart-van-Brabantgemeenten. In december 2019 zijn de regionale afspraken over bedrijventerreinen vastgesteld in het bestuurlijke Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van de regio Hart van Brabant met de provincie Noord-Brabant. De regionale afspraken bedrijventerreinen bevatten de programmering van nieuwe bedrijventerreinen in de regio Hart van Brabant en wordt periodiek herbevestigd of herijkt.

 
De regionale afspraken over bedrijventerreinen zijn gebaseerd op een prognose voor de ruimtevraag naar nieuwe bedrijventerreinen die tenminste 1 keer per bestuursperiode door de provincie wordt opgesteld. Die prognose wordt aangevuld met gegevens over reeds bouwrijpe beschikbare kavels, restlocaties, strategische reserves, transformatie- en herstructureringsplannen.

 
Op 18 december 2019 zijn nieuwe afspraken gemaakt in het Bedrijventerreinenafspraken Regio Hart van Brabant 2020-2024. In deze afspraken wordt uitgegaan van het 'vraaggericht ontwikkelen'.

 
Dit houdt in dat er pas mag worden ontwikkeld bij concrete vragen van bekende eindgebruikers. Vanzelfsprekend kijkt de gemeente eerst, samen met de initiatiefnemer, of die vraag niet net zo goed op een bestaand of bouwrijp bedrijventerrein kan worden geaccommodeerd. Dat gebeurt de gemeente Tilburg, maar stemmen we ook af met gemeenten binnen de regio Hart van Brabant. Dit is conform de ladder voor duurzame verstedelijking. Pas als dat niet kan gaat de gemeente Tilburg over tot ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein. Het huidige aanbod van (bouwrijpe) bedrijventerreinen zetten we optimaal in. Dit houdt dus ook in dat bestaande bedrijventerreinen geherstructureerd worden om de concrete vraag te laten landen. In de regionale afspraken is er het volgende over geschreven:

 
De ontwikkeling van nieuwe terreinen kan bijdragen aan de herstructurering van bestaande terreinen. Voordat we overwegen een nieuwe bedrijfslocatie te creëren, garanderen wij dat deze niet concurreert met bouwrijpe en bestaande bedrijventerreinen. Maar de bouwrijpe bedrijventerreinen mogen ook geen blokkade vormen voor het accommoderen van vraag die daar niet past, bijvoorbeeld vanwege de schaalgrootte van een bedrijf, de verwachte milieubelasting, de gevraagde ontsluiting of de sterke lokale binding van een te vestigen of verhuizen bedrijf.

 
Als een gemeente geen oplossing kan vinden in het bestaande lokale en regionale aanbod mag deze gemeente ruimte creëren voor lokaal gevestigde bedrijven: Dit dient wel te worden afgestemd met de overige gemeenten in de regio door het voor te leggen aan het regionale portefeuillehoudersoverleg (POHO) Fysiek. Het gaat dan primair om reeds ter plaatse gevestigde bedrijven, of bedrijven die aantoonbaar een belang hebben bij vestiging in de betreffende gemeente. Doet zich een concrete vraag voor uitbreiding/vestiging van zo'n bedrijf voor, dan mag de gemeente ten behoeve van die vraag haar bedrijventerreinareaal uitbreiden. Hiervoor moet er wel unanieme instemming zijn vanuit het POHO Fysiek.

 
Nota verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen

Het college heeft op 17 mei 2016 definitief de Aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen vastgesteld. Voorafgaand hieraan heeft de Raadscommissie Vestigingsklimaat op 14 maart 2016 de aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen besproken en haar wensen en bedenkingen gegeven.

 
Het college heeft daarom een aantal uitgangspunten over het al dan niet toestaan van nieuwe soorten gebruik op bestaande bedrijventerreinen vastgesteld:

 
Op de verschillende Tilburgse bedrijventerreinen spelen verschillende vormen van verkleuring. De gemeente maakt een driedeling in typen terreinen:

 
Type 1: Terreinen voor Moderne Industrie en Logistiek

De gemeente werkt mee aan de ontwikkelingen en vragen van bedrijven (verbreding en verdieping van bedrijfsactiviteiten) die passen bij de economische speerpunten van modern industrieel en logistiek cluster en kennisintensieve activiteiten. De gemeente werkt dus mee aan de verkleuring en menging als onderdeel van de transitie van bedrijfsprocessen. Daarbij denkt de gemeente vooralsnog aan shared services met opleidingscentra, laboratoria, een restaurant of informele werkplek met vergaderfaciliteiten etc.

Deze terreinen zijn niet bedoeld voor wonen en stedelijke functies als (perifere) detailhandel, studio's en ateliers, feestzalen, et cetera.

 
Type 2: Terreinen voor gemengde bedrijven in stedelijk gebied

Op de terreinen voor gemengde bedrijven in stads- of dorpsgebied is sprake van een toenemde vermenging van functies. De gemeente werkt mee aan ontwikkelingen die passen bij het aantrekken van hoogwaardige productie- en kennisintensieve werkgelegenheid. Hiertoe staat de gemeente een grotere mate van 'kantoorachtige' werkgelegenheid toe, mocht dit gewenst zijn. Denk hierbij aan installatiebedrijven, die ook het ontwerp en de voorbereiding doen. Nieuwe solitaire kantoren en detailhandelsfuncties worden op dergelijke locaties echter niet toegestaan. De gemeente zet op sommige deelgebieden in op een grotere mate van stedelijke functies dan bij andere. Hoe dichter in en op de woonomgeving, hoe minder er sprake mag zijn van (verkeers- en geluids)hinder.

 
Type 3: Detailhandelslocaties: GDV/ PDV

De gemeente wil per saldo geen toevoeging van vierkante meters detailhandel. De gemeente staat geen brancheverruiming toe op de PDV-locaties. Leijpark/AaBé terrein is het de enige woonboulevard waar nieuwe woninginrichting en GDV-branches worden toegestaan.

 
Toetsing

De ontwikkeling past in het beleid ten aanzien van de vestiging van bedrijven, omdat ten eerste wordt bijgedragen aan het voorbereiden van werklocaties op de toekomst. Met de uitbreiding van het hoogspanningsstation wordt ingespeeld op de energietransitie en wordt voor andere bedrijven in de regio ook het gebruik van duurzame energie op den duur mogelijk gemaakt. Ten tweede wordt de beschikbare ruimte voor bedrijven versterkt en slim benut. Het hoogspanningsstation is reeds aanwezig. Een uitbreiding zorgt ervoor dat geen nieuwe gronden gebruikt hoeven te worden. De oppervlakte die voor bedrijven beschikbaar is wijzigt niet als gevolg van het voornemen. Tevens versterkt de uitbreiding het huidige gebruik van de gronden, aangezien er meer ruimte komt op het energienet. De nood naar verruiming van het energienet toont tevens concrete vraag van eindgebruikers zoals burgers en bedrijven aan. Zowel binnen de gemeente Tilburg als binnen de regio Hart van Brabant als landelijk is deze vraag bekend.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu

 

4.1 Aspecten fysieke leefomgeving

 

4.1.1 Stedenbouwkundige inpassing van bouwwerken

 

Inpassing in de omgeving

De gronden binnen het plangebied zijn reeds in gebruik als hoogspanningsstation. Het realiseren van de nodige nieuwe bebouwing op het hoogspanningsstation is onder vigeur van het tijdelijk deel van het omgevingsplan reeds mogelijk. De wijziging van het omgevingsplan ziet op het mogelijk maken van het gebruik van het hoogspanningsstation, aangezien datgene in strijd is met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De wijziging van het omgevingsplan leidt derhalve niet tot een wijziging van de functie op de gronden en wijzigt ook niet de activiteiten die op de gronden plaatsvinden.

 
De schaal van het hoogspanningsstation sluit aan bij de schaal van overige bebouwing op de bedrijventerreinen die het hoogspanningsstation omringen. De schaal van het hoogspanningsstation zelf wordt door het voornemen niet gewijzigd. De afmetingen en vormgeving van de nieuwe bebouwing op het hoogspanningsstation sluiten aan bij de afmetingen en vormgeving van de bestaande bebouwing.

 
Vanaf de A58 is het zicht op het hoogspanningsstation beperkt door de bomen en bosschages binnen het plangebied. De eerste woningen bevinden zich op een afstand van circa 200 meter. De inpassing van de uitbreiding van het hoogspanningsstation leidt niet tot een stedenbouwkundige bezwaren, aangezien woningen op een grote afstand zijn gelegen en het plangebied aan alle zijdes omringd is door bedrijventerreinen en er derhalve weinig zicht is op het hoogspanningsstation. Op dat station zelf wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd die sterk lijkt op de bestaande bebouwing. Gelet op het voorstaande is de ruimtelijke impact van de uitbreiding beperkt en vindt er geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie plaats.

 

 [image]

Figuur 4-1 omliggende functies

 

Uitzicht en privacy

Qua uitzicht en privacy zal er geen verslechtering plaatsvinden ten opzichte van de bouwmogelijkheden uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De uitbreiding bestaat uit een beperkt aantal gebouwen en een aantal bouwwerken. De gebouwen hebben een maximale bouwhoogte van 7 meter. Overige bouwwerken mogen een maximale bouwhoogte van 12 meter hebben, maar deze hebben een minder groot effect op het uitzicht door de beperkte bouwmassa.

  

[image]
Figuur 4-2 Beoogde ontwikkeling

 
Op het hoogspanningsstation zullen niet 24/7 en jaarlang werknemers aanwezig zijn. Dit is alleen noodzakelijk voor het onderhoud en de reparatie van voorzieningen op het hoogspanningsstation. Het plangebied wordt, buiten de uitbreiding van de transformatorcapaciteit, als gevolg van het voornemen derhalve niet intensiever gebruikt. De wijziging van het omgevingsplan zal derhalve niet leiden tot een aantasting van de omgeving.

 
Licht en schaduw

De uitbreiding van het hoogspanningsstation zal niet leiden tot een lichttoename. Daarnaast zal het ook niet leiden tot een lichtafname voor omliggende objecten. Eventuele schaduw als gevolg van de uitbreiding is beperkt gelet op grote afstand tussen het hoogspanningsstation en de omliggende objecten en de beperkte hoogte van bouwwerken binnen het plangebied.

 
Conclusie

Het aspect 'stedenbouwkundige inpassing van bouwwerken' levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.

4.1.2 Verkeer en parkeren

 

4-sporen beleid parkeren 2021

Op 18 november 2021 heeft de gemeenteraad met betrekking tot parkeren in de binnenstad het 4-Sporenbeleid Parkeren en Deelmobiliteit vastgesteld. Dit houdt onder andere in dat bij een nieuwe ontwikkeling de ontwikkelaar in de basis net als onder het oude beleid geacht wordt het parkeren op de eigen ontwikkelplot op te lossen, maar dat er meer handvatten komen waarmee de gemeente een helpende hand kan bieden. De vier sporen zijn:

  1. Het beter benutten van restcapaciteit in openbare parkeergarages

Hiervoor zijn nieuwe abonnementsvormen ingevoerd waarbij de garages op rustige momenten beter worden gebruikt en op drukke momenten voornamelijk ruimte bieden voor bezoekersparkeren. Voor bezoekers van bewoners wordt een bezoekersregeling in de garages ontwikkeld.`

  1. Met een hoogwaardig en betaalbaar aanbod deelmobiliteit een goed alternatief bieden voor de eigen auto

Met behulp van een vergunningenstelsel voor deelscooters en deelfietsen wordt actief gestuurd op een hoogwaardig aanbod. Ook voor deelauto's is een dergelijk vergunningenstelsel volgens planning eind 2023 beschikbaar. In de nota parkeernormen zijn de voorwaarden voor deelmobiliteit opgenomen.

  1. Gebiedsgericht aan de rand van de binnenstad openbare parkeercapaciteit toevoegen

Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat er aan de oostkant van het centrum een aantal van 500 á 600 extra parkeerplaatsen in openbare gebouwde voorziening wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt aan de westzijde van de binnenstad een tijdelijke garage van ca. 350 parkeerplaatsen gerealiseerd.

  1. Transferia bij de toegangspoorten van de stad

Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat een tweetal transferia, bij de Kempenbaan en in Noord, worden uitgewerkt. Deze worden voorzien van hoogwaardig natransport, waaronder snelle en frequente buslijnen.

 
Nota 'Parkeernormen Tilburg 2023', parkeernormen voor de auto en voor de fiets

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen.

 
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum- en meteen ook maximumnorm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen.

 
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 
De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen.

 
Beschrijving verkeerssituatie en toets aan de nota parkeernormen

De beoogde ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het hoogspaningsstation Tilburg Zuid. Er zal alleen verkeer ten behoeve van onderhoud en werk (realisatie van nieuwe voorzieningen) aan het hoogspanningsstation zijn. Met het huidige gebruik van de gronden is dit reeds het geval. De uitbreiding van het hoogspanningsstation zal derhalve niet leiden tot een wijziging in de verkeerssituatie dan wel in de parkeerbehoefte. Op het hoogspanningsstation is voldoende ruimte aanwezig om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te vangen.

 
Conclusie

Het aspect 'verkeer en parkeren' levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.

4.1.3 Water en watersystemen

 

Kader

Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024

Door de ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vervangt de Waterschapsverordening Waterschap de Dommel de Brabant Keur. De Waterschapsverordening is een verordening met de wettelijke regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van oppervlaktewaterlichamen (beken, sloten en rivieren), waterkeringen, bergingsgebieden, grondwater en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen, etc.). In de Waterschapsverordening wordt specifieker gekeken naar de regelgeving voor verschillende soorten gebieden en activiteiten.

 

De Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024 verbiedt het zonder vergunning afvoeren van hemelwater ontstaan door een toename aan verhard oppervlak naar oppervlaktewater. Dit staat vermeld in Afdeling 2.1, artikel 2.2, vijfde lid behorend tot Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewater. Volgens Afdeling 2.6, artikel 2.31, tweede lid, geldt er echter vrijstelling voor het genoemde verbod uit artikel 2.2, onder voorwaarde dat de waterparagraaf van het omgevingsplan na 1 januari 2019 schriftelijke goedkeuring heeft gekregen van het waterschap en de maatregelen daarvan zijn uitgevoerd. Daarnaast benoemd artikel 2.31, derde lid, dat vrijstelling op artikel 2.2, vijfde lid, wordt gegeven indien de toename aan verhard oppervlak een maximale hoeveelheid van 500 m2 bedraagt of de toename aan verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak.

 

Wanneer de toename aan verhard oppervlak tussen 500 m2 en maximaal 10.000 m2 ligt en compenserende maatregelen zijn getroffen conform de rekenregel van artikel 2.31 lid 4 van Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen geldt ook een vrijstelling van het verbod uit artikel 2.2 van de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024. De rekenregel voor minimale compensatie luidt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor (uitgaand van 1) x 0,06 (in m)

 

De compensatie dient dan wel aan de volgende eisen te voldoen:

 

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterschap heeft daarnaast het waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld waarin de visie en ambities van het waterschap in opgenomen zijn. De visie voor 2050 vanuit waterschap De Dommel is dat de leefomgeving en het watersysteem toekomstbestendig zijn. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.

 
De drie doelen waaraan gewerkt kan worden zijn:

  1. Droge voeten: voorkomen van wateroverlast.

  2. Schoon water: waterkwaliteit moet voldoen aan de KRW-eisen.

  3. Voldoende water: voldoende water beschikbaar houden voor periodes waar weinig tot geen neerslag valt, dit door middel van:

  4. meer water vasthouden om het grondwater te vullen;

  5. minder grondwater onttrekken;

  6. het watersysteem slimmer sturen.

 

Programma Water en Riolering 2024-2027

Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan van de gemeente Tilburg dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het PWR was tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing.

 
Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering ontstaan zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als men droge voeten en een leefbare omgeving wil houden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.

 

Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een regenwateropgave. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. De volgende criteria bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden:

 

Figuur 4-1: regenwateropgave per type en schaal van ontwikkeling

 [image]

*De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niet meer gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave.

** Er geldt altijd een minimale opgave van 10 mm voor bergen en infiltreren.

*** Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar).

 

Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg

We krijgen in Nederland en dus ook in Tilburg te maken met steeds extremer weer. Het gaat vaker en harder regenen, er komen meer en langere hittegolven en de bodem droogt steeds verder uit. De veranderingen gaan gepaard met overlast en schade voor mens en natuur en zetten de leefbaarheid van de stad onder druk. Doel van de uitvoeringsagenda (vastgesteld door het college op 30 juni 2020) is bewustwording, gedeeld eigenaarschap en het realiseren van projecten. De gemeente heeft daarnaast een zelfstandige opgave op het gebied van klimaatadaptatie bij eigen projecten, bij het meegeven van randvoorwaarden bij stedelijke ontwikkeling en een rol in het verankeren van klimaatadaptatie in andere beleidsvelden en organisaties. Er zijn zes doelstellingen geformuleerd om klimaatbestendiger te worden:

 
Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp:

 

Duurzaam watersysteem

Het vastgestelde beleid is te vinden bij onderstaande documenten.

 

Randvoorwaarden watersysteem:

 

Toetsing (weging van het waterbelang)

Op grond van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een weging van het waterbelang verplicht bij de wijziging van het omgevingsplan. In Bijlage 1 is de weging van het waterbelang opgenomen.

 

Huidige situatie

De maaiveldligging varieert van circa NAP +14,5 meter en NAP +16,5 meter. De ondergrond bestaat ter plaatse van het plangebied voornamelijk uit goed doorlatende lagen. Tot een diepte van circa NAP -19 m bestaat de bodem uit goed doorlatende lagen behorende tot de Formaties van Boxtel en Sterksel, met doorlatendheden van 5 m/d tot 100 m/d. Daaronder is tot een diepte van circa NAP -24 meter een slecht doorlatende laag behorende tot de Formatie van Stramproy aanwezig, met een weerstand van 100 tot 500 dagen. Dit blijkt ook uit lokale diepe en ondiepe boringen.

 
Er is niet met zekerheid te zeggen wat de grondwaterstanden zijn ter plaatse van het plangebied. Het plaatsen van een peilbuis wordt daarom aanbevolen. Op basis van de aanwezige peilbuizen is wel te concluderen dat er een duidelijke seizoen fluctuatie zit in het grondwater, met 's-winters hogere grondwaterstanden dan 's zomers. De fluctuatie bedraagt zo'n 1 à 1,5 m. De grondwaterstanden in het eerste watervoerende pakket liggen dieper dan de freatische waterstand, er is zodoende geen sprake van kwel. De stroomrichting van het freatisch water is richting het noorden.

 
In het plangebied zijn geen oppervlaktewateren of waterkeringen aanwezig.

 

Toekomstige situatie

Er zullen een dubbele SSI, twee modulaire gebouwen van 10 kV en drie transformatoren gerealiseerd gaan worden. Om deze installaties zal 1 meter niet waterdoorlatende tegels aangelegd gaan worden. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken zal de toegangsweg verbreed worden.

 
Waterberging

De toename aan verharding bestaat uit de dubbele SSI, de modulaire gebouwen en de transformatoren inclusief 1 meter niet waterdoorlatende verharding daaromheen; en verbreding van de toegangsweg. De totale toename aan verharding bedraagt 1.289 m2. Conform het beleid van het waterschap is een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit (voorheen watervergunning) benodigd voor het aanbrengen van deze hoeveelheid verharding. De rekenregel voor minimale compensatie vanuit het waterschap betreft 77 m3 (1.289 m2 x 1 x 0,06 m). De regenwateropgave vanuit het gemeentelijk beleid is nul, omdat er geen water afgevoerd wordt op het watersysteem.

 
Het verhard oppervlak betreft echter geen aaneengesloten oppervlak. Ook vindt er geen puntlozing plaats vanaf het verhard oppervlak. Het afstromende hemelwater van de nieuwe verharding stroomt namelijk oppervlakkig af via de bermen naar de naastgelegen onverharde zone, waar het in de bodem kan zakken. Gelet op de afstand van de verharding tot de perceelsgrens/ de breedte van de onverharde zone dan biedt deze voldoende oppervlak om het afstromend hemelwater van het verhard oppervlak te kunnen laten infiltreren zonder dat het water tot (voorbij) de perceelsgrens stroomt. Bij een hevige bui is het mogelijk dat er tijdelijk water op het terrein blijft staan, maar de verwachting is dat de bedrijfsvoering daar niet meer last van zal hebben dan in de huidige situatie. de bodem bestaat uit goed doorlatende zandgrond en het plangebied ligt iets hoger dan de omgeving. De kans op wateroverlast door water op het maaiveld wordt echter klein geachte.

 
De aanleg van een waterbergende voorziening waar het afstromende water wordt verzameld, wordt daarom niet nodig geacht.

 
Riolering

Onderstaande werkwijze is afkomstig van Stedin. Aangezien deze werkwijze meestal gehanteerd wordt, is deze ook aangenomen voor Enexis.

 
Zowel de huidige als de nieuwe vermogenstransformatoren zijn/worden opgesteld in transformatorcellen. Deze cellen zijn niet altijd volledige ommuurd of voorzien van een dak en daarmee worden deze gezien als zijnde buiten opgesteld. De transformatoren staan boven calamiteitenkelders. Deze zijn bedoeld voor het opvangen van olie in geval van calamiteiten. De omvang van deze kelders is zodanig dat deze ruim de aanwezige olie kan opvangen. In de huidige inrichting en in de nieuwbouw zijn geen sanitaire voorzieningen of andere bronnen van afvalwater voorzien. Er wordt daarom geen riolering aangelegd. Het afstromend hemelwater zal, vanwege de zandgrond, infiltreren in de bodem. Indien de bergingsruimte volledig in gebruik is, komt de hemelwatervoer via de daken van meerdere gesloten gebouwen (regenpijpen) en de 'open' trafocellen (Olie Benzine Afscheider (OBAS) systeem) in de hoofdriolering van het terrein terecht.

 
Bij de open transformatorcellen komt hemelwater in eerste instantie terecht in de vloeistofdichte kelderbak van de transformatorcel. Deze kelderbak is ontworpen om de volledige hoeveelheid aan aanwezige olie in de transformator (met een extra marge) op te vangen, zonder dat er olie uit lekt. De kans dat er olie zal lekken en hierdoor in het hemelwater zal komen bij het beoogde functioneren van de transformatoren is zeer gering, daar de transformatoren luchtdicht gesloten zijn. Indien er toch olie zal lekken, wordt de olie opgevangen in de vloeistofdichte kelderbak. Doordat de transformator cel een open opstelling zonder dicht dak betreft, is/wordt er ten behoeve van afvloeiing van hemelwater een olie- en benzineafscheider (OBAS) geplaatst tussen de transformator cel en het afvloeiende hemelwaterafvoer, voorzien van keerkleppen om potentieel lekkende olie naar het oppervlaktewater te voorkomen.

 
Tussen de afvoer vanuit de kelderbakken naar de hoofdriolering van het terrein, staat altijd een OBAS en een controleput. Deze OBAS betreft een klasse I afscheider en is gedimensioneerd volgens de NEN-EN-858. De effluent testwaarde van een klasse I afscheider is < 5 mg/l. Bij mogelijke ongevallen met betrekking tot de transformator cellen zal deze worden uitgeschakeld, waardoor er een zeer beperkte kans is dat er olie in het hemelwater terecht zal komen. Indien er alsnog een grote hoeveelheid olie zou wegvloeien uit de transformator cel, zal de vlotter van de OBAS dichtslaan, waarbij het oliehoudende water in de vloeistofdichte kelderbak zal blijven en niet zal afvloeien naar het oppervlaktewater.

 
Grondwater

Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied, dat door de provincie Noord-Brabant is aangewezen in de omgevingsverordening (ov).

 
In het grondwaterbeschermingsgebied geldt een maximale boordiepte van 30 meter. Bij het aanleggen van nieuwe kabels wordt de bodem verstoord tot ca. 1,2 tot 1,7 m -mv; voor het plaatsen van de modulaire gebouwen wordt de bodem verstoord tot ca. 2 m -mv; en voor het plaatsen van de transformatoren wordt de bodem verstoord tot ca. 2,5 m -mv. Er wordt dus niet dieper dan de maximale boordiepte van 30 m geboord.

 
De GHG ten westen en zuiden van het plangebied varieert tussen 1,60 m -mv en 0,5 m -mv. Er is niet met zekerheid te zeggen of de GHG ter plaatse van het plangebied ook deze dieptes bedraagt. Naar verwachting zorgt de ontwatering niet voor problemen voor de ontwikkeling, enkel voor de uitvoering ervan. Indien de GHG ondieper ligt dan de werkdiepte, is bemaling nodig voor de werkzaamheden.

 
Er wordt aanbevolen om een peilbuis te plaatsen voor bepaling van de grondwaterstand ter plaatse van het plangebied.

 
Op grond van de ov gelden regels voor het infiltreren van hemelwater. De regels gelden zowel voor infiltratievoorzieningen in de openbare ruimte als voor infiltratievoorzieningen op particulier terrein. Infiltratie van hemelwater afkomstig van gebouwen, verharde wegen en parkeerterreinen mag alleen plaatsvinden als sprake is van gecontroleerd infiltreren met een voldoende zuiverende werking en nadat een melding bij Gedeputeerde Staten is gedaan (artikel 2.12, 2.13 en 2.14 ov). Met een bepaalde bodemsamenstelling wordt vaak al voldaan aan de benodigde zuiverende werking. Als geen uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt, hoeven voor de afvoer van hemelwater afkomstig van gebouwen geen zuiverende voorzieningen te worden toegepast en kan worden volstaan met een startmelding. Overigens is te allen tijde de zorgplicht van toepassing, ook tijdens bouwwerkzaamheden.

 
Zoals hiervoor beschreven, komt er een OBAS onder de transformator, waarmee het water gezuiverd wordt alvorens het in de bodem infiltreert.

 
Watersysteem

In het plangebied zijn geen oppervlaktewateren of waterkeringen aanwezig.

 
Conclusie

Het aspect 'weging van het waterbelang' levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.

4.1.4 Natuur en ecologie

 

Kader

In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt instructieregels over het Natuurnetwerk Nederland. Voorheen werd dit alles geregeld in de Wet natuurbescherming.

 
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

 
Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling.

 

Toetsing

Door Brabant Eco is een ecologische quickscan uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling (Bijlage 2).

 
Soortenbescherming

 
Flora

Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die als beschermde houtopstanden aangemerkt worden. Er worden geen bomen gekapt als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. De bomen binnen de omheining blijven behouden. Er is geen geschikte habitat aangetroffen voor beschermde flora. Het te bebouwen terrein is braakliggend met beginnende vegetatie van gras en vooral Kluwenhoornsbloem.

 
Zoogdieren

Volgens de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn er de laatste vijf jaar 15 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van 2 kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 10 vleermuissoorten, 2 marterachtigen en 3 overige soorten.

 
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied staande bomen zijn onderzocht op het voorkomen van holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. De 6 bomen op het terrein blijven behouden. Alle gebouwen binnen het plangebied blijven ook behouden. De meeste bestaan uit muren zonder openingen waar vleermuizen potentiële invliegopeningen zouden kunnen vinden. In het te bebouwen deel aan de oostkant van het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. De enige mogelijkheid is het eenlaags transformatorhuisje in het noordwesten van het omheinde terrein. Dit gebouw wordt niet aangepast, het gebouw is op een afstand van 100 meter gelegen van het te bebouwen terrein en de uitvliegroute van de stootvoegen blijft vrij. Nader onderzoek is derhalve niet nodig. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap. In het plangebied zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaats naar foerageergebieden.

 
Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor marterachtigen ontbreken geheel. Het plangebied is te opgeruimd. Daardoor zijn er voor marterachtigen geen ruigtehoekjes aanwezig om te schuilen. De aanwezigheid van marterachtigen verraadt zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens zijn er geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen. Zodoende is uitgesloten dat het plangebied een leefgebied voor marterachtigen vormt.

 
Volgens de NDFF zijn de laatste vijf jaar binnen een straal van 2 kilometer de bever, de eekhoorn en de wolf waargenomen. In het plangebied valt weinig te foerageren voor de eekhoorn door het ontbreken van geschikte voedselbomen en bosrijk biotoop. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen. Het is daardoor uit te sluiten dat plangebied essentieel onderdeel is van het leefgebied van de eekhoorn. Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever of de wolf. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie aangetroffen kan worden, maar deze soorten beperken zich tot soorten die vrijgesteld zijn binnen de provincie Noord-Brabant. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.

 
Vogels

Volgens de NDFF zijn in de laatste vijf jaar 14 vogelsoorten waargenomen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen bomen met nesten waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. Er zullen geen vaste rustplaatsen verloren gaan van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels als gevolg van de voorgenomen bouwwerkzaamheden en gebruikswijziging want de te bebouwen gronden bestaan uit grasland en het gebruik van het gebied als hoogspanningsstation wijzigt niet.

 
Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen

In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan worden uitgesloten. Ook voor overige soorten ongewervelden vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Door het ontbreken aan oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten uit te sluiten.

 
Gebiedsbescherming

 
Natura 2000

Het plangebied ligt op minimaal 1,9 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Regte Heide & Riels Laag'. Op ongeveer 6,4 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Kampina & Oisterwijkse vennen' en op 7,2 kilometer het Natura 2000-gebied 'Kempenland-West'. Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied is gelegen, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient zekerheid te worden geboden over het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten als gevolg van geluid, licht, trillingen en betreding van een dergelijk gebied op voorhand uit te sluiten. Op de kans op het optreden van verstoringseffecten als gevolg van stikstofdepositie wordt hieronder ingegaan.

 
Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt op minimaal 230 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de 'wezenlijke kenmerken of waarden' aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.

 
Stikstofonderzoek

Met een AERIUS-berekening kan worden uitgesloten dat er een mogelijke verslechtering plaatsvindt van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase is geen sprake van een ander of intensiever gebruik, aangezien het in gebruik nemen van enkele extra transformatoren geen effecten heeft op beschermde gebieden. In de bouwfase kan mogelijk wel extra stikstof worden uitgestoten. Ten behoeve van de ontwikkeling is een stikstofonderzoek verricht om uit te sluiten dat er een verslechtering plaatsvindt van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden (Bijlage 3). Uit de berekening met AERIUS Calculator blijkt dat er in realisatiefase geen sprake is van een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar.

 
Conclusie

Het aspect 'natuur en ecologie' levert geen belemmering op voor de ontwikkeling.

4.1.5 Bomenverordening

 

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen hebben juist een toegevoegde waarde bij stedelijke ontwikkelingen. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

 
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 
Bomenverordening 2021

De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.

 
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld , onder andere met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.

 
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

 
Omgevingswet

Het vellen van houtopstanden en herbeplanten is een flora-en fauna-activiteit. Het Rijk stelt hier regels aan om zo bossen te beschermen. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt in Afdeling 11.3 ingegaan op activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Bij het vellen van houtopstanden gaat het om 'het rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben', waarbij houtopstand wordt gedefinieerd als 'zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend'. In artikel 11.111 Bal wordt de reikwijdte hiervan verder toegelicht, waarbij bijvoorbeeld houtopstanden op erven of in tuinen niet onder deze reikwijdte vallen. Indien het vellen van de houtopstand onder de reikwijdte valt van Afdeling 11.3, dan geldt op grond van artikel 11.113 of artikel 11.114 een meldplicht bij de gedeputeerde staten dan wel bij de Minister voor Natuur en Stikstof. Hierbij kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld. Er dient onderzocht te worden of er bij de ontwikkeling houtopstanden worden geveld die onder deze reikwijdte vallen en die dan verplichten tot het maken van een melding. Tot slot geldt er een plicht tot herbeplanting ex artikel 11.129 Bal bij het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand.

 
Toetsing van de ontwikkeling aan de bomenverordening

Het plangebied bevindt zich in de "Basiswaarde". De bomenverordening stelt binnen deze zone een vergunningplicht voor het vellen van bomen met een omvang van 40 cm dan wel 65 cm. Voor de realisatie van de ontwikkeling zullen er geen bomen gekapt worden. Daarom past het voornemen in het beleid en de regels over de bescherming van bomen.

 
[image]

Figuur 4-3 boomwaarde zoneringskaart 2024, plangebied in rood

 
In het plangebied bevinden zich verder geen gemeentelijke monumentale bomen (Figuur 4-4).

 

[image]
Figuur 4-4 uitsnede kaart van de Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen

 
Conclusie

De ontwikkeling voldoet aan de bomenverordening.

4.1.6 Groen, klimaat en duurzaamheid

 

4.1.6.1 Groen

 

Kader

Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen.

 
Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

 
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen onder andere aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn.

 
Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

 
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora en fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

 
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

 
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 
Doelstellingen nota biodiversiteit

De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

 
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

De doelstelling betekent het zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van het bieden van bijvoorbeeld. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

 
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).

 
Agenda groen in de stad
De agenda groen in de gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota's over groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit.

 
Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Deze is op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de gemeenteraad).

 
Stadsnatuurkaart 2040

De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld.
Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor de inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen formuleert de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt.

 
Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk.

 
Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen

Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.

 
Toetsing

In het plangebied is een aantal bomen aanwezig. Voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation is het vellen van deze bomen niet noodzakelijk. Het plangebied bevat voornamelijk grasland. Gelet op de beperkte ecologische waarde van het plangebied, de bouwingreep die klein is in relatie tot de oppervlakte van het plangebied en het feit dat het gebruik van de gronden als hoogspanningsstation niet wijzigt, leidt het voornemen niet tot negatieve veranderingen voor de biodiversiteit.

 
Conclusie

Er zijn vanuit groen gezien geen belemmeringen om de voorgnomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.1.6.2 Klimaat

Kader

Klimaatadaptatie is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen aan stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Het thema klimaatadaptatie heeft met name betrekking op ruimtelijke maatregelen waarmee gebieden en gebouwen zo ingericht kunnen worden dat ze bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. Om heel Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten, is het nodig dat klimaatadaptatie op alle overheidsniveaus onderdeel is van beleid en uitvoering. Daarvoor is in de eerste plaats een landelijke aanpak nodig. Die landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma's: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS).

 
Nationaal Deltaprogramma

In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema's:

  1. Deltaprogramma Waterveiligheid: Hierin staan alle onderzoeken, maatregelen en voorzieningen om Nederland te beschermen tegen overstromingen.

  2. Deltaprogramma Zoetwater: Hierin staat hoe we zorgen voor genoeg zoetwater, nu en in de toekomst. Zoetwater is onmisbaar: niet alleen voor de drinkwater- en elektriciteitsvoorziening, maar ook voor de natuur en voor de stabiliteit van dijken.

  3. Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie: hierin staat hoe we ons land willen inrichten om de gevolgen van de toenemende hitte, droogte, hevige neerslag en overstromingen te kunnen opvangen.

 
Alle 3 de onderdelen bevatten een deltaplan en een deltabeslissing. In het Deltaplan staan concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In de Deltabeslissing staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden.

 
Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS)

De nationale klimaatadaptatiestrategie is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico's voor Nederland en zet de koers uit om deze risico's aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema's en klimaatrisico's die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie voorkomen en vult een aantal thema's hieruit aan.

 
Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Het document laat daarmee zien hoe de uitvoering van de NAS wordt aangepakt en wat nodig is om te versnellen. Er staat bijvoorbeeld dat vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moet worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag.

 

Toetsing

Overstroming

De kans op een overstroming verschilt per gebied. Een groot deel van Nederland kan bij een overstroming onder water komen te staan. De kans op een overstroming wordt groter door klimaatverandering. Rivieren hebben meer piekafvoer en de zeespiegel stijgt. Of een gebied gevoelig is voor overstroming is afhankelijk van de hoogte en inrichting van het gebied. De Atlas Leefomgeving laat de kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier zien (zie onderstaande figuur). Voor de projectlocatie (in blauwe contour) geldt geen overstromingskans.

 

[image]
Figuur 4-5 kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier (bron: Atlas Leefomgeving)

 
Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Wateroverlast is bij deze extreme buien niet te voorkomen. Het is daarom niet de vraag of, maar vooral waar de wateroverlast zal optreden, en welke gevolgen te verwachten zijn. Onderstaande kaart (Atlas Leefomgeving, 2024) geeft inzicht in waar water op straat blijft staan na een extreme bui. De kaart is gemaakt met een rekenmodel (Rainfall overlay). Voor het model is een regenbui gebruikt die in het huidige klimaat eens per 100 jaar voorkomt.

 
Uit de kaart blijkt dat binnen het plangebied weinig tot geen wateroverlast zal ontstaan bij een hevige bui. Op de wegen Kalundborg en op de Technopol zal wel wateroverlast kunnen ontstaan door een hevige regenbui. In de toekomst zal verharding worden toegevoegd binnen het plangebied. Hierdoor kan mogelijk wateroverlast ontstaan. De nieuwe verharding wordt echter niet aaneengesloten aangebracht. Zoals ook uit de weging van het waterbelang blijkt zal er voldoende grond aanwezig zijn waarbinnen water in de grond kan zakken en is de kans op wateroverlast als gevolg van het voornemen minimaal.

 

[image]
Figuur 4-6 water op straat bij extreme regenbui, plangebied in blauw omlijnd (bron: Atlas Leefomgeving)

 
Hittestress

Klimaatverandering leidt niet alleen tot extremere buien, maar ook tot meer hittegolven. Vanwege het hitte-eilandeffect is de hittestress in stedelijk gebied gemiddeld hoger dan in het omliggende landelijk gebied. In de onderstaande figuur is de mate van mogelijke hittestress weergegeven. Hierin is duidelijk te zien dat bebouwing en bestrating de omgevingstemperatuur verhoogt tijdens een warme zomerdag. In het plangebied kan de temperatuur hoog oplopen op de plekken waar reeds bebouwing en verharding aanwezig is. Op plekken waar meer groen of water is, is de gevoelstemperatuur lager. Door de beoogde ontwikkeling neemt de verharding binnen het plangebied toe. Dit zal echter op de plekken zijn waar de temperatuur op warme dagen niet zo hoog oploopt. Van belang is verder dat ter plaatse van het plangebied zelden werknemers aanwezig zullen zijn. De verhoging van de temperatuur op deze plaatsen heeft hierdoor minder effect heeft op de gezondheid van de werknemers doordat deze slechts sporadisch en kortdurend binnen het plangebied aanwezig zullen zijn. Tot slot zal het groen binnen het plangebied aanwezig blijven waardoor een deel van de hittestress wordt weggenomen.

 
[image]

Figuur 4-7 gevoelstemperatuur op een zomerse dag (bron: Atlas Leefomgeving)

 
Droogte

Bij droogteschade is sprake van een tekort aan grondwater. De toename van het totale verharde oppervlak door de ontwikkeling is niet groot, waardoor de droogtestress in het plangebied niet significant toeneemt. Volgens de klimaatatlas is de infiltratiekans ter plaatse van het plangebied groot tot zelfs zeer groot en dit blijft ongewijzigd.

 

 [image]

 [image]

Figuur 4-8 Infiltratiekansen (bron: Klimaateffectatlas)

 
Conclusie

Er zijn vanuit klimaatadaptatie gezien geen belemmeringen om de voorgnomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.1.6.3 Duurzaamheid

 

Kader

Onder huidig recht stellen de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving geen eisen aan duurzaamheid die bij de procedure voor de wijziging van het omgevingsplan in acht genomen moeten worden. Als er sprake is van dergelijke eisen vloeien die meestal voort uit gemeentelijk beleid. Wel stelt artikel 1.3 van de Omgevingswet dat de doelen van de wet gesteld zijn met het oog op duurzame ontwikkeling. Een duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Deze bepaling kan duurzaamheid een prominente positie in planvorming geven.

 
Regionale Klimaat- en Energiestrategie (REKS)

In dertig regio's in Nederland werken gemeentes en andere partijen samen om alle doelen van het Klimaatakkoord te behalen. Tilburg werkt samen in de regio Hart van Brabant. Het bod Regionale Energie- en Klimaatstrategie 1.0 (REKS 1.0) is in maart 2021 vastgesteld. De REKS is een samenwerking tussen negen gemeenten van Hart van Brabant, drie waterschappen en de provincie Noord- Brabant. Hierin laten zij zien welke ambities zij hebben voor de regio Hart van Brabant op het gebied van energiebesparing, opwek van duurzame energie en aanpassingen als gevolg van de klimaatveranderingen.

 
Het bod REKS 1.0 beschrijft onder andere de mogelijkheden voor duurzame energie en de impact op het elektriciteitsnetwerk. De regio heeft besloten om als één entiteit op te trekken als het gaat om het zoeken naar locaties voor de grootschalige opwek van duurzame energie. Hiervoor zoekt de regio naar gebieden voor de opwekking van windenergie en energiehubs. De ring van Tilburg is een van de locaties waar windmolens ontwikkeld zullen gaan worden. Ook wordt in de REKS een strategie beschreven voor de duurzame opwekking van energie door middel van zonnepanelen. De REKS onderschrijft echter wel dat het uitbreiding van het energienet noodzakelijk is voordat duurzame opwekking gestart kan worden.

 
Toetsing

In het kader van duurzaamheid is het van belang dat de regio inzet op de ontwikkeling van gebieden voor windmolens en zonnepanelen. Er moet echter wel voldoende netcapaciteit zijn om gebruik te kunnen maken van de duurzaam opgewekte energie. De ontwikkeling draagt bij aan de uitbreiding van het energienet en daarmee indirect aan de realisatie van de mogelijkheden tot opwekking van duurzame energie. De realisatie van het voornemen is daarmee randvoorwaardelijk voor het behalen van de doelstellingen uit de REKS.

 
Conclusie

Er zijn vanuit duurzaamheid gezien geen belemmeringen om de voorgnomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.1.7 energie en warmte

  

Kader

Regionale Klimaat- en Energiestrategie (REKS)

De REKS beschrijft daarnaast dat het vroegtijdig starten met de benodigde planprocedure voor de energie-infrastructuur nodig is. Met de REKS wordt tevens richting gegeven aan het Investeringsplan van Enexis. De REKS onderschrijft dat er op 8 stations knelpunten worden verwacht, waarvan op 6 van de stations de knelpunten al vóór 2025 zullen ontstaan. De knelpunten zijn het gevolg van beperkte capaciteit op de HS/MS-stations van Enexis en/of op het hoogspanningsnet van TenneT. Onderdeel van de oplossing is dan ook de investering van Enexis voor de uitbreiding van het hoogspanningsnet.

 
Figuur 4-9 toont de hoogspanningsstations binnen de regio en geeft de verwachte knelpunten aan. Zoals blijkt uit de figuur worden voor het hoogspanningsstation in Tilburg Zuid in 2025 of eerder knelpunten verwacht.

  

[image]
Figuur 4-9 uitsnede REKS, verwachte knelpunten in HS/MS-stations

 
Toetsing

Uit de bod van de REKS vloeit voort dat op station in Tilburg Zuid in 2025 of wellicht zelfs eerder knelpunten kunnen gaan ontstaan. Om te kunnen starten met de realisatie van voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie is netcapaciteit noodzakelijk. De onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de plannen van de regio voor duurzame opwek van energie. De noodzaak tot uitbreiding van het hoogspanningsstation Tilburg Zuid wordt dan ook expliciet benoemd in het bod van de REKS.

 
De ontwikkeling is verder niet afhankelijk van het warmtenet en draagt ook niet bij aan het warmtenet.

 
Conclusie

Er zijn vanuit energie en warmte gezien geen belemmeringen om de voorgnomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.1.8 archeologie, cultuurhistorie en landschap

 

Kader

Toetsingskader archeologie

In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot uitdrukking in de Erfgoedwet.

 
Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken.

 
Toetsingskader cultuurhistorie

Het cultureel erfgoed van Nederland wordt deels beschermd met de Erfgoedwet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen.

 
Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen.

 
Cultuurhistorische waardevolle bebouwing en geografie worden ook deels beschermd door de Omgevingswet. In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is de definitie van cultureel erfgoed opgenomen. Dit omvat monumenten, archeologische vindplaatsen, historische stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, en ander cultureel erfgoed zoals beschreven in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is verplicht om bij de belangenafweging de aspecten van historische (steden)bouwkunde en historische geografie te betrekken, zowel voor beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De bescherming van erfgoed wordt verder geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130 lid 1). Dit geldt ook voor het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed (artikel 5.131 Bkl).

 
De gemeente kan lokale regels stellen over archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of om ze deskundig te laten opgraven. Het archeologisch onderzoek kan verschillende vormen aannemen. Voor de bescherming van het landschap geldt in Nederland het Europees landschapsverdrag, dat erkent dat landschappen een integraal onderdeel vormen van de fysieke leefomgeving. Artikel 1.2 lid 1 sub g van de Omgevingswet classificeert 'landschappen' als een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan worden vastgelegd in een omgevingsvisie door het Rijk, provincie of gemeente.

 

Toetsing

Archeologie

Op basis van meerdere onderzoeken is geadviseerd tot het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Bij een eerder uitgevoerd proefsleuvenonderzoek is geconstateerd dat binnen het plangebied een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. Door Antea Group is een Programma van Eisen opgesteld voor een definitieve opgraving.

 
De opgraving door Antea Group ziet op het noordoostelijke deel van het plangebied (Figuur 4-10). In het zuidoostelijke deel van het plangebied hebben eerder al opgravingen plaatsgevonden.

 
[image]

Figuur 4-10 in geel zijn de werkputten aangegeven die zijn aangelegd bij de archeologische opgraving

 
In Figuur 4-10 zijn in lichtgeel de werkputten aangegeven die zijn aangelegd bij de archeologische opgraving. De gronden waar opgravingen hebben plaatsgevonden zijn vrij van archeologische waarde. Deze gronden kunnen worden vrijgegeven. Op de overige gronden in het plangebied zal de archeologische waarde gehandhaafd blijven.

 

Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

In Figuur 4-11 is een uitsnede opgenomen van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant. Op de figuur is te zien dat er geen cultuurhistorische waarden in dan wel rondom het plangebied zijn gelegen. Figuur 4-12 toont de cultureel erfgoed zoals monumenten in de omgeving van het plangebied. In het plangebied is geen cultureel erfgoed aanwezig. Figuur 4-11 laat ook zien dat er in het plangebied en omgeving geen sprake is van behoudenswaardige historische geografie.

 
[image]

Figuur 4-11 uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024 Provincie Noord-Brabant, plangebied globaal in rood omlijnd

 

  [image]

Figuur 4-12 cultureel erfgoed in de omgeving van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)

 
Conclusie

Er zijn vanuit archeologie, cultuurhistorie en landschap gezien geen belemmeringen om de voorgnomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.2 Milieu & gezondheid

 

4.2.1 Milieueffectrapportage/mer-beoordeling

 

Kader

Het instrument milieueffectrapportage (mer) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in aangewezen plan- en besluitvormingsprocessen te geven. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een ontwikkeling voor alle relevante milieuaspecten systematisch in beeld gebracht. Tevens wordt nagegaan of er alternatieven of maatregelen zijn waarmee eventuele negatieve effecten kunnen worden verminderd of voorkomen. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken.

 
De verplichting een MER op te stellen is van kracht sinds 1 september 1987 en is verankerd in de Omgevingswet (en voorheen Wet Milieubeheer). Voor sommige plannen of projecten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken. In het Omgevingsbesluit is opgenomen voor welke activiteiten de mer-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten kunnen hebben op het milieu.

 
Bijlage V van het Omgevingsbesluit bepaalt dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning m.e.r.-(beoordelings)plichtig kan zijn. Hiermee wordt de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage voor projecten en de verplichting tot het opstellen van een milieueffectbeoordeling geregeld. Bijlage V wijst concrete activiteiten aan waar deze plichten voor gelden. Bijlage V bepaalt welke activiteiten project-m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn door middel van drempelwaarden. Activiteiten onder de drempelwaarden vereisen een mer-beoordeling (dit zijn de activiteiten in kolom 3 van Bijlage V). Activiteiten boven de drempelwaarde vereisen een project-MER (de activiteiten in kolom 2 van Bijlage V). In Bijlage V vervalt het voorheen bestaande onderscheid onderscheid tussen de vormvrije m.e.r.-beoordeling en de formele m.e.r.-beoordeling.

 
Toetsing

De beoogde ontwikkeling wordt in bijlage V van het Omgevingsbesluit aangemerkt als industrieterrein (categorie J10). Voor dit project geldt, op basis van kolom 2, geen mer-plicht. Op basis van kolom 3 geldt echter wel een mer-beoordelingsplicht. In de mer-beoordeling dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Indien dat het geval is, dan dient ook een milieueffectrapportage te worden gemaakt.

 
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een mer-beoordeling uitgevoerd. Deze mer-beoordeling is opgenomen als Bijlage 4 bij deze motivering.

 

Conclusie

Uit de mer-beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden.

4.2.2 Bedrijven en milieuzonering

 

Kader

Het begrip "milieubelastende activiteit" (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. Het Bal wijst in hoofdstuk 3 een aantal mba's aan waarvoor het Rijk algemene regels stelt. Deze subgroep mba's wordt verder aangeduid als 'Bal-mba's'. In deze paragraaf worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 22.3 van de bruidsschat (thans hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg), die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan is opgenomen. Deze afdeling 22.3 is getiteld "Milieubelastende activiteiten" en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van "activiteiten". Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee "milieubelastende activiteiten" worden bedoeld.

 
Onder de Omgevingswet is een nieuwe werkwijze geïntroduceerd, waarbij het werken met milieucategorieën voor bedrijven komt te vervallen en de regeling daarvoor wordt vervangen door direct milieuregels in het omgevingsplan op te nemen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'. Ook onder deze nieuwe regeling blijven de doelen van milieuzonering, zoals deze onder de Wro golden, gelden. Deze doelen betreffen de volgende: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen en het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Het toepassen van de 'milieuzonering nieuwe stijl' is echter vrijwillig. Er kan op een andere wijze getoetst worden aan de milieunormen. Er dient in ieder geval te worden onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden bereikt wanneer er voldoende afstand wordt gehouden tussen de milieubelastende activiteiten en de woonactiviteiten. Wat voldoende is, hangt af van de aard en omvang van de milieubelastende activiteiten. De VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' biedt hierbij nog steeds een basis voor een indicatie voor de inpasbaarheid van de activiteit en kan nog steeds worden gebruikt. De VNG-brochure bevat maakt een onderscheid tussen "gemengde gebieden" en "rustige woonwijk". Bij gemengde gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. Tabel 4-2 toont de milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand.

 

 [image]

Tabel 4-2 Milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand

 

Toetsing

Het gebied rondom het plangebied bestaat uit voornamelijk andere bedrijventerreinen, namelijk 'Katsbogten', 'Tradepark' en 'Het Laar'. De eerste woonwijken bevinden zich in de gemeente Goirle. Aan de Tilburgseweg, welke ten oosten van het plangebied is gelegen, bevinden zich tevens woningen en gebouwen met een maatschappelijke functie. Gelet op de menging van de voorgaande functies kan het gebied gezien worden als 'gemengd gebied' in de zin van de VNG-brochure.

 
Vanuit het plangebied naar de omgeving

De gebruikswijziging (het vergroten van het opgesteld vermogen aan transformatoren) in plangebied kan mogelijk effect hebben op (bedrijfs)woningen die mogelijk in de buurt zijn gelegen. Op het dichtstbijzijnde industrieterrein 'Tradepark 58' zijn geen bedrijfswoningen toegestaan. Vanuit het plangebied zijn de dichtstbijzijnde woningen gelegen in de gemeente Goirle, welke ten zuiden is gelegen van het plangebied. Deze bijgebouwen van deze woningen zijn gelegen op een afstand van circa 300 meter van de transformatoren. Met de wijziging van het omgevingsplan wordt het mogelijk om in het plangebied een activiteit uit te oefenen die in aanzienlijke mate geluid kan maken. Dit is gelijk te stellen aan een bedrijf uit milieucategorie 4.2 uit de oude systematiek van milieuzonering. Dit betekent weer dat, gelet op het omgevingstype 'gemengd gebied' uit die systematiek uitgegaan moet worden van een afstand van 200 meter tussen het plangebied en gevoelige functies. De afstand tussen de milieubelastende activiteit en de gevoelige functie is daarmee afdoende.

 
Vanuit de omgeving op het plangebied

In de omgeving van het plangebied zijn verschillende bedrijventerreinen aanwezig (Katsbogten, Tradepark en Het Laar). De richtafstanden van de VNG zijn bedoeld om de afstand te meten tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De ontwikkeling maakt geen gevoelige functies zoals een bedrijfswoning mogelijk. Hierdoor behoeft er niet getoetst te worden aan de richtafstanden vanuit de omgeving op het plangebied.

 

Conclusie

Er zijn vanuit bedrijven en milieuzonering gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.2.3 Omgevingsveiligheid

 

Kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De subparagrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externeveiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

 

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

 

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

 

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

 

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

 

Toetsing

Figuur 4-13 toont de ligging van diverse bronnen in de buurt van het plangebied. Met de ontwikkeling wordt geen kwetsbaar gebouw of kwetsbare locatie mogelijk gemaakt. Hierdoor wijzigt de ontwikkeling de situatie niet voor wat betreft de omgevingsveiligheid. Voor het huidige hoogspanningsstation is reeds een milieubelastende activiteit met een extern veiligheidsrisico in het plangebied toegelaten, namelijk de opslag van gas. Hiervoor geldt een brand- en explosieaandachtsgebied. Dit als het gevolg van de propaanopslagtank. Voor deze tank geldt ook een plaatsgebonden risico. Door de uitbreiding van het bestaande station wordt het mogelijk om meer elektriciteit om te zetten. Hierdoor ontstaan er geen nieuwe aandachtsgebieden of plaatsgebonden risicocontouren. Ook veranderen hierdoor bestaande aandachtsgebieden of plaatsgebonden risicocontouren niet. Binnen het huidig brand- en explosieaandachtsgebied is geen kwetsbaar gebouw of kwetsbare locatie aanwezig.

 [image]

Figuur 4-13 ligging diverse bronnen t.o.v. het plangebied (bron: ev-signaleringskaart)

 

Conclusie

Er zijn vanuit omgevingsveiligheid gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.2.4 Geluid

 

Kader

Omgevingswet (geluid (spoor)wegverkeer en industrieterreinen)
Onder de Omgevingswet is de Wet geluidhinder vervallen. De geluidsnormen zijn onder de Omgevingswet neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een omgevingsplan dient bij de toevoeging van een nieuw geluidgevoelig gebouw ervoor te zorgen dat het geluid op dat gebouw aanvaardbaar is, waarbij in beginsel wordt voldaan aan de standaardwaarde voor geluid (artikelen 5.78s, 5.78t en 5.78u Bkl). De waardes die gelden worden weergegeven in tabel 1. Echter, in het omgevingsplan kan van deze standaardwaarden onder voorwaarden worden afgeweken. Indien afwijking mogelijk is, dan gelden de grenswaarden uit artikel 5.78u Bkl. Afwijking van de standaardwaarde is mogelijk indien geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen, de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde zoals bedoeld in artikel 5.78u Bkl.

 

Tabel 4-3 standaardwaarde geluidgevoelige gebouwen (5.78t Bkl)

 [image]

Tabel 4-4 grenswaarde geluidgevoelige gebouwen (5.78u Bkl)
[image]

Geluidgevoelige gebouwen

Een geluidgevoelig gebouw is conform artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

Dit geldt niet voor het gedeelte van het gebouw waar het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimte toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is. Onder een geluidgevoelig object wordt ook een geluidgevoelig gebouw verstaan, wat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.

 

Met deze omgevingsplanwijziging wordt een activiteit toegestaan die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken. Deze activiteit is het gebruik van het transformatorstation na de realisatie van de nieuwe transformatoren. Een dergelijke activiteit kan gevolgen hebben voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen in de omgeving en daarom is een geluidonderzoek uitgevoerd.

 

Toetsing

Aanvaardbaar geluidsniveau

Door Peutz is een akoestisch onderzoek verricht ten behoeve van de uitbreiding van het hoogspanningsstation (Bijlage 5). In het onderzoek is allereerst bepaald of de geluidniveaus bij de woningen in de omgeving aanvaardbaar blijven na de uitbreiding van het hoogspanningsstation. Hiervoor wordt het stappenplan doorlopen zoals omschreven in de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'.

 

De afstand tot de dichtstbij gelegen grens van een perceel van een geluidgevoelige object is circa 200 meter. Deze afstand is gelijk aan de richtafstand voor omgevingstype 'gemengd gebied'. Daarnaast zijn de berekende geluidniveaus bij woningen getoetst aan de richtwaarde voor een 'gemengd gebied', te weten 50 dB(A) etmaalwaarde (dit komt overeen met een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) overdag, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht).

 

Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting bij geluidgevoelige gebouwen in de omgeving beperkt zal blijven tot maximaal 39 dB(A) etmaalwaarde, inclusief toeslag voor het tonale karakter van het geluid. Vastgesteld wordt dat sprake is van een uit akoestisch oogpunt planologisch inpasbare situatie.

 

Geluidaandachtsgebied

Het gebruiken van “niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer” wordt door eerdergenoemd artikel 5.78b van het Bkl aangemerkt als een “activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken”. Voor dergelijke activiteiten moeten in het omgevingsplan expliciet bepalingen worden opgenomen over: de begrenzing van het industrieterrein, de geluidreferentiepunten en de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden.

 

Een geluidaandachtsgebied is de vervanger voor de geluidzone uit de Wet geluidhinder. Binnen het geluidaandachtsgebied is het geluid hoger dan de standaardwaarden zoals opgenomen in bijlage I bij artikel 1.1 Bkl. De omvang van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de bron en dient te worden berekend. Het geluidaandachtsgebied wordt niet vastgelegd in het omgevingsplan, maar moet worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). De CVGG vervult onder meer de rol als Geluidregister onder de Omgevingswet. Het geluidregister is een digitaal systeem waarin geluidgegevens worden verzameld en beschikbaar worden gesteld. Het geluidregister wordt beheerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en is raadpleegbaar via www.geluidgegevens.nl. Het geluidregister kan worden geraadpleegd op een kaart. Op deze kaart zijn onder andere het geluidaandachtsgebied, de geluidsbron en de referentiepunten te zien.

Figuur 4-14 toont het geluidaandachtsgebied voor het hoogspanningsstation. Figuur 4-15 toont de geluidreferentiepunten. Deze geluidreferentiepunten zijn gekoppeld aan waarden. Het geluid vanuit het hoogspanningsstation dient te voldoen aan deze waarden.

 [image]

Figuur 4-14 ligging geluidaandachtsgebied hoogspanningsstation

 [image]

Figuur 4-15 ligging geluidreferentiepunten hoogspanningsstation

 

Conclusie

Er zijn vanuit geluid gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan. De geluidproductieplafonds worden met deze omgevingsplanwijziging planologisch verankerd.

4.2.5 Luchtkwaliteit

 

Kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

 

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden.

 

Toetsing

De uitbreiding van het hoogspanningsstation zal niet leiden tot een verkeerstoename. Alleen voor onderhoud en reparatie aan het hoogspanningsstation zullen medewerkers het station moeten bezoeken. Dit is in de huidige situatie ook reeds het geval. Er zullen dan ook niet meer verkeersbewegingen zijn door de uitbreiding. Derhalve wordt niet in betekende mate bijgedragen aan de luchtverontreiniging. Het gebruik van de nieuwe transformatoren is daarnaast een activiteit die niet leidt tot een toename van luchtverontreinigende emissies.

 

Conclusie

Er zijn vanuit luchtkwaliteit gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.2.6 Geur

 

Kader

Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl bevat instructieregels voor omgevingsplannen met betrekking tot geur bij geurgevoelige gebouwen.

In het omgevingsplan stelt de gemeente regels over geur (artikel 5.92 lid 1 Bkl). Uiteindelijk moet geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Wanneer geur aanvaardbaar is, dient het bevoegd gezag zelf te beoordelen. Hierbij dient tevens rekening te worden gehouden met achtergrondbelasting, welke de geurbelasting van alle geurveroorzakende activiteiten samen inhoudt.

 

Toetsing

Het hoogspanningsstation zal niet leiden tot een toename van de geurbelasting, aangezien er geen geurveroorzakende activiteiten plaatsvinden. Het hoogspanningsstation kan daarnaast niet worden gezien als een geurgevoelig gebouw waardoor de aanvaarbaarheid van een eventuele aanwezige geurbelasting op het hoogspanningsstation niet onderzocht hoeft te worden.

 

Conclusie

Er zijn vanuit geur gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.2.7 Magneetvelden

 

Kader

Overal waar elektriciteit doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Op basis van wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden (Europese Richtlijn 1999/519/EC).

 

Sinds 2005 geldt een voorzorgbeleid vanuit het Rijk voor magnetische velden bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Het voorzorgbeleid is door het rijk in 2008 verduidelijkt. Bij brief van 21 april 2023 (kenmerk DGKE-DRE / 26746813) heeft het rijk het beleid uit 2005, inclusief de verduidelijking in 2008, herijkt. De brief van 21 april 2023 met het herijkte voorzorgbeleid vervangt het voorzorgbeleid uit 2005/2008.

 

Het herijkte beleid is van toepassing op alle netcomponenten van het hoogspanningsnet (bovengrondse hoogspanningsverbindingen, ondergrondse hoogspanningskabels en hoogspanningsstations). In het herijkte voorzorgbeleid adviseert de Minister van Klimaat en Energie (Economische Zaken en Klimaat) in samenspraak met de staatssecretaris van VWS en op aanbeveling van de Gezondheidsraad om de blootstelling aan magneetvelden van alle netcomponenten, waar mogelijk en proportioneel, beperkt te houden. Dit moet bereikt worden door het nemen van proportionele bronmaatregelen bij de aanleg van nieuwe netcomponenten of het wijzigen van bestaande netcomponenten, waardoor de magneetvelden van deze netcomponenten zo klein mogelijk worden gehouden dan wel worden verminderd.

 

In het voorzorgbeleid is het advies gegeven om (alleen) bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen een bepaalde afstand te houden. De magneetveldzone, met een grenswaarde van 0,4 microtesla bepaald deze afstand. De afstandsmaatregel uit het voorzorgbeleid is niet van toepassing op hoogspanningsstation.

 

Voor bovengrondse verbindingen geldt daarnaast het advies om afstand te houden. Voor ondergrondse hoogspanningskabels en -stations geldt dit advies om afstand te houden niet en acht de minister het voldoende om enkel de proportionele bronmaatregelen te treffen. Deze bronmaatregelen zijn opgenomen in bijlage 2 behorend bij het herijkte voorzorgbeleid (https://www.rivm.nl/documenten/bijlage-2-overzicht-proportionele-bronmaatregelen).

 

Het (herijkte) voorzorgbeleid van het Rijk ziet op langdurige blootstelling. Voor alle netcomponenten geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd.

 

Toetsing

Gevoelige bestemmingen, zoals woningen, kinderdagverblijven, etc., liggen op een zeer ruime afstand van de uitbreiding van het hoogspanningsstation. De dichtstbijzijnde gevoelige bestemming is een woning en ligt op een afstand van meer dan 200 meter ten opzichte van de perceelgrens. Zo is ook te zien op onderstaande afbeelding.

 

Door het RIVM is in het verleden onderzoek gedaan naar hoe ver magneetvelden rijken bij componenten van het elektriciteitsnetwerk, zoals een hoogspanningsstation (G. Kelfkens & M. Pruppers (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), 'Magneetvelden bij hoogspanningsstations en opstijgpunten', 2022-006). Uit dit onderzoek blijkt dat het magneetveld van 0,4 microtesla bij een 150 kV station in geen enkel geval verder rijkt dan 100 meter, maar vaak een veel kleinere afstand hebben. Gelet op het voorstaande is niet aannemelijk dat de magneetveldzone voor het onderhavige hoogspanningsstation gevoelige bestemmingen op een afstand van 200 meter raakt. De uitbreiding van het hoogspanningsstation zal dan ook geen magneetvelden veroorzaken op een korte afstand van woningen of andere gevoelige bestemmingen. Het aspect 'magneetvelden' speelt zodoende bij de uitbreiding van het hoogspanningsstation geen rol en heeft geen gevolgen voor het aspect gezondheid.

 

Enexis volgt verder het beleidsadvies van de Minister en zal waar mogelijk in dit project de in het advies opgenomen bronmaatregelen treffen. Deze bronmaatregel betreft het aanleggen van de kabels in een driehoekformatie. Vanwege de grote afstand tot gevoelige bestemmingen wordt het nemen van andere bronmaatregelen niet proportioneel geacht.

 

 [image]

Figuur 4-16 omgeving hoogspanningsstation met op 200 meter afstand de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming

 

Conclusie

Er zijn vanuit het aspect magneetvelden gezien geen belemmeringen voor het toestaan van het voornemen op de locatie.

4.2.8 Trillingen

 

Kader

Kader

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen.. Gemeenten mogen zelf regels stellen over trillingen door milieubelastende activiteiten.

De regels voor trillingen zijn op verschillende plaatsen terug te vinden. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Het Bkl stelt instructieregels voor continue en herhaald voorkomende trillingen.

 

In paragraaf 22.3.5 van de bruidsschat (thans hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg) zijn eveneens regels voor trillingen opgenomen. Deze regels gelden voor trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden op grond van paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan maximale waarden voor continue trillingen.

 

De maximale waarden voor trillingen zijn opgenomen in artikel 22.88 van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg (continue trillingen) en tabellen 5.87 en 5.87a (continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen) van het Bkl.

 

Onder de Omgevingswet zijn de regels van trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen van activiteiten. Daarbij moeten de instructieregels over trillingen uit het Bkl in acht genomen worden.

 

Toetsing

De instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimte in trillinggevoelige gebouwen.

 
Artikel 5.80 van het Bkl bepaalt wat een trillinggevoelig gebouw is. Dit is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Het hoogspanningsstation valt niet onder een trillinggevoelig gebouw zoals bedoeld in het Bkl.

 
Voor niet trillinggevoelige gebouwen bepaalt de gemeente de mate van bescherming. Op het hoogspanningsstation zullen alleen mensen aanwezig zijn voor onderhoud. Dit zal dan ook sporadisch zijn. Hierdoor zal er geen hinder bestaan als gevolg van eventueel aanwezige trillingen. In de omgeving van het hoogspanningsstation zijn op circa 200 meter trillinggevoelge gebouwen aanwezig in de vorm van woningen. Gelet op de afstand valt er geen trillinghinder te verwachten voor deze woningen.

 

Conclusie

Er zijn vanuit trillingen gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.2.9 Gezondheid

 

Kader

Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen.

 

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken.

 

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet zijn het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. In het Bkl is een aantal instructieregels opgenomen, die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorliggende paragrafen reeds gemotiveerd. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling een bijdrage levert aan de gezonde fysieke leefomgeving en in ieder geval niet leidt tot een verslechtering van de gezondheidssituatie als gevolg van wijzigingen in de fysieke leefomgeving.

 

Verder stelt de Omgevingswet nog de volgende regels met betrekking tot een gezonde fysieke leefomgeving:

 

De GGD geeft een praktische invulling aan dit kader door middel van verschillende kernwaarden met bijbehorende gezondheidsadviezen. De GGD heeft de volgende kernwaarden opgesteld:

  1. rookvrije omgeving;

  2. aantrekkelijke plekken;

  3. gezond gewicht;

  4. wonen en druk verkeer;

  5. voorzieningen dichtbij;

  6. actief vervoer;

  7. fiets- en ov-verbindingen;

  8. gezond binnenklimaat;

  9. prettig wonen;

  10. geschikte woningen.

 

Verder stelt de GGD dat het voldoen aan de wettelijke normen niet automatisch betekent dat er geen gezondheidseffecten kunnen optreden. In het GGD omgevingsadvies zijn daarom gezondheidskundige advieswaarden opgenomen. De GGD heeft gezondheidskundige advieswaarden voor de thema's luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem, elektromagnetische velden (straling), veehouderijen en akkerbouw.

 

Toetsing

Het beoogde ontwerp van voorliggende motivering zorgt in de bouwfase mogelijk voor een verslechtering van de situatie ten aanzien van luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem.

 

Tijdens de gebruiksfase zal er geen negatieve invloed op de gezondheid van burgers zijn. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot een wijziging van de geurbelasting. Wat betreft geluid zal er een toename zijn van de belasting. Uit het akoestisch onderzoek van Peutz is gebleken dat er in de toekomst een geluidbelasting van 39dB(A) op de meest nabij gesitueerde woning zal zijn. Hiermee wordt binnen de advieswaarden van de GGD gebleven, namelijk 50 dB Lden en 40 dB Lnight. Gelet hierop zal de ontwikkeling weinig tot geen geluidhinder veroorzaken op omliggende woningen. Bij hoogspanningslijnen- en kabels, transformatorhuisjes en dergelijke geeft de GGD als advies om rekening te houden met een zone van 0.4 µT (microtesla)jaargemiddeld waarbinnen geen woningen, scholen en kinderdagverblijven worden gebouwd. De dichtstbijzijnde gevoelige bestemming is een woning en ligt op een afstand van meer dan 200 meter ten opzichte van de perceelgrens. Zoals in paragraaf 4.2.7 is onderbouwd ligt de ontwikkeling op een dermate grote afstand gelegen van dit soort functies dat deze buiten de magneetveldzone zijn gelegen.

 

Bij het hoogspanningsstation zullen er sporadisch medewerkers aan het werk zijn. Dit zal slechts nodig zijn voor de reparatie dan wel voor het onderhoud van het hoogspanningsstation. De ontwikkeling bevindt zich op een bedrijventerrein waardoor omliggende objecten voornamelijk bedrijven betreffen. De uitbreiding zal leiden tot een verdere verstening van de omgeving. De totale toename aan verharding bedraagt echter slechts 1.289 m2. Het aanwezige groen binnen het plangebied wordt behouden. Zoals toegelicht in paragraaf 4.1 zijn er geen negatieve effecten en daarmee ook geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van ingrepen in het plangebied of het uitbreiden van de transformatorcapaciteit. Verder is er geen sprake van cumulatie van verschillende effecten.

 

Conclusie

Er zijn vanuit gezondheid gezien geen belemmeringen bij het toestaan van de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.

4.2.10 Bodem

 

Kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Bkl bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

 
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

 
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).

 

Toetsing

Door Aelmans Milieu is een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van asbest uitgevoerd (Bijlage 6).

 

Boven- en ondergrond

Uit de analyseresultaten blijkt dat geen van de onderzochte concentraties de achtergrondwaarden overschrijden. Op basis van indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de boven- en ondergrond van de klasse Achtergrondwaarden 2000 (AW2000).

 

PFAS

Uit de resultaten van het PFAS-onderzoek blijkt dat diverse licht verhoogde concentraties PFAS boven de detectielimiet zijn aangetroffen, maar deze gehaltes overschrijden niet de maximale waarde voor klasse landbouw/natuur.

 

Grondwater

In het grondwater zijn lichte overschrijding met barium, xylenen, naftaleen en benzeen aangetroffen. De aangetroffen concentraties overschrijden enkel de streefwaarden en vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

 

Asbest

Ten behoeve van het verkennend asbestonderzoek is een maaiveldinspectie gedaan. Hier is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Van de fijne fractie van de verdachte lagen is een monster gemaakt en deze is getest op het gehalte aan asbest.

 

Met het onderzoek komt Aelmans tot de conclusie dat er geen restricties aan de ontwikkeling hoeven te worden gesteld.

 

Conclusie

Er zijn vanuit bodem gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

4.2.11 Ontplofbare oorlogsresten

 

Kader

De omvang met explosieven is geregeld in de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling). De eisen aangaande explosievenopsporing zijn vastgesteld in het Certificatieschema Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO).

 

De term OO is per 2021 van kracht geworden en vervangt de term conventionele explosieven (CE). In de praktijk worden OO en CE soms ook wel niet gesprongen explosieven (NGE) genoemd. NGE is een overkoepelende term waarmee bijvoorbeeld ook explosieven voor terroristische doeleinden kunnen worden aangeduid.

 

In artikel 4.10 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is ten aanzien van OO vastgelegd dat in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van OO, alvorens werkzaamheden worden aangevangen, hier een oriënterend onderzoek naar moet worden ingesteld. Het oriënterend onderzoek kan leiden tot inzicht dat er 1) geen sprake, 2) mogelijk sprake of 3) met zekerheid sprake is van de aanwezigheid van OO die gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid van werknemers en derden. Indien noodzakelijk dient na het uitvoeren van het oriënterend onderzoek een ander onderzoek te worden ingesteld. In een later gepubliceerde Nota van toelichting wordt ten aanzien van het nader onderzoek vermeld dat dit dient te worden uitgevoerd wanneer het 'niet aannemelijk is geworden dat er geen ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn'. Indien uit het oriënterend onderzoek blijkt dat het risico op het aantreffen van OO al voldoende vaststaat, dan kan meteen tot de opsporing van OO worden overgegaan.

 

Toetsing

Door Arcadis is een oriënterend onderzoek verricht (Bijlage 7). Het onderzoek heeft uitsluitend betrekking op OO, ofwel (fabrieksmatig geproduceerde) explosieven die zijn achtergebleven als gevolg van oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarop de richtlijnen van het vigerende CS-OOO van toepassing zijn. Het onderzoek bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft een controle of de betreffende te onderzoeken locatie in het verleden al is onderzocht in een bureaustudie die als voldoende basis voor de voorgenomen bedemingrepen of aanvullende OO-maatregelen beschouwd kan worden. Indien er geen (bruikbare) bureaustudie beschikbaar is, wordt het tweede deel van het oriënterend onderzoek uitgevoerd. Dit betreft een bureaustudie waarin op basis van een groot aantal bronnen wordt onderzocht of er in het te onderzoeken gebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor mogelijk OO in de bodem zijn achtergebleven.

 

Uit het onderzoek van Arcadis blijkt dat er reeds een vooronderzoek OO volgens het WSCS-OCE is verricht door Bombs Away. Uit de OO-Bodembelastingkaart blijkt dat het plangebied volledig onverdacht is op de aanwezigheid van OO in de (water)bodem. Door Bombs Away is op 23 mei 2023 bevestigd dat de resultaten ten aanzien van het huidige plangebied actueel zijn. Aangezien uit het eerder verricht vooronderzoek blijkt dat het plangebied volledig onverdacht is, is aanvullend vooronderzoek OO niet benodigd.

 

Conclusie

Er zijn vanuit ontplofbare oorlogsresten gezien geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie toe te staan.

Hoofdstuk 5 Participatie en vooroverleg

 

5.1 Participatie proces

Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Binnen de gemeente Tilburg geldt de Richtlijn Omgevingsdialoog. De impact van de ontwikkeling op de omgeving bepaalt de wijze waarop een initiatiefnemer het participatieproces kan vormgeven. Enexis en de gemeente Tilburg zijn in overleg tot een voorstel gekomen voor het omgevingsdialoog, hetgeen door Enexis is uitgevoerd.

5.1.1 Participatie omgeving

In de omgeving zijn pas woningen aanwezig op een afstand van meer dan 200 meter van het 150-kV-station. De omgeving bestaat verder uit een aantal bedrijven. De huidige functie van de gronden is reeds een hoogspanningsstation, waardoor de effecten van het voornemen op de fysieke leefomgeving beperkt zijn. De omgeving is derhalve schriftelijk geïnformeerd over de uitbreiding van het hoogspanningsstation. Door Enexis is aan bedrijven in de omgeving een brief gestuurd met daarin het verzoek om een reactie te geven op de brief.

 

Van twee bedrijven is een reactie ontvangen op de brief. De eerste reactie betreft het verzoek om een persoonlijk gesprek. Door Enexis is gepoogd contact op te nemen met het bedrijf, maar er is geen reactie meer ontvangen. Het onderwerp van dit gewenste gesprek is onbekend.

 

De tweede reactie betrof de vraag of er tijdens de werkzaamheden stroom geleverd zou worden. Enexis heeft hem verzekerd van de levering van stroom.

 

Verder heeft de omgevingsmanager van Enexis telefonisch contact gehad met de parkmanager. Er zijn door Enexis en de parkmanager geen vragen of opmerkingen ontvangen.

 

Van deze gesprekken is een verslag gemaakt. Het verslag is opgenomen als Bijlage 8. De reacties hebben niet geleid tot een aanpassing van het TAM-omgevingsplan.

5.1.2 Zienswijzen

Het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan heeft ter visie gelegen van 10 november 2025 tot en met 22 december 2025. Er zijn géén zienswijzen ingediend tegen het plan. Daarmee is het plan ongewijzigd vastgesteld door het college op dinsdag 24 februari 2026.

 

5.2 Vooroverleg

Het concept van het TAM-omgevingsplan is aan diverse instanties gestuurd in het kader van het vooroverleg. Onderhavig TAM-omgevingsplan is toegezonden aan de volgende instanties:

 
Provincie Noord - Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft aangegeven dat de bescherming van het grondwater afdoende is geregeld als in het plan wordt verwezen naar de direct werkende regels voor de bescherming van grondwater zoals deze in de Omgevingsverordening zijn opgenomen.

Gelet op de reactie van de provincie heeft geen verdere uitwerking plaatsgevonden van regels ten aanzien van de bescherming van grondwater zoals door Waterschap de Dommel is verzocht.

 
Verder heeft de provincie aangegeven dat er geen bezwaar is vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid. De provincie geeft aan akkoord te gaan met het planvoornemen.

 
De reactie van de provincie Noord-Brabant heeft derhalve niet geleid tot een aanpassing van het TAM-omgevingsplan.

 
Waterschap de Dommel
Door het waterschap is aangegeven dat de beschrijving van het voornemen duidelijker en meer specifiek moet worden beschreven in de motivering.

Het TAM-omgevingsplan is slechts kaderstellend en bepaalt niet waar kabels specifiek binnen het plan worden neergelegd. Hierdoor is een verdere detaillering op dit moment nog niet mogelijk en ook niet relevant. Bij de beschrijving van de toekomstige situatie is opgenomen dat de toegangsweg zal worden verbreed. bij de verdere uitwerking dienen de kaders van het waterschap ertoe dat er bijvoorbeeld geen regenwater met olie in het grondwater terecht komt. Initiatiefnemer houdt zich bij de verdere uitwerking aan deze regels zoals zij op dit moment bij de huidige bedrijfsvoering ook voldoen.

 
Verder geeft het waterschap aan dat het aspect waterkwaliteit mist in de weging van het waterbelang.

In de weging van het waterbelang is ingegaan op de waterkwaliteit.

 
Het waterschap adviseert daarnaast om een regenwaterbergingsvoorziening aan te leggen.
Dit stuk beleid is niet van toepassing, want het gaat over lozing van water in oppervlaktewater. Het water wordt niet geloosd in oppervlaktewater, maar zal infiltreren in de bodem. Vanwege de zandige bodem heeft de bodem voldoende infiltratiecapaciteit. Bovendien is de watergang Katsbogte te ver weg voor oppervlakkige afstroom en lozing in de watergang (> 100 meter). Eventueel kan een kleine maaiveldverhoging aangelegd worden aan de rand van het plangebied, zodat het water niet van het terrein af kan stromen onder natuurlijk verhang.

Verder wijst het waterschap op de algemene regels die gelden voor aanlegwerkzaamheden waarbij bemaling nodig is.
Dit is de standaardwerkwijze bij een bemalingsadvies en behoeft verder niet in de weging van het waterbelang benoemd te worden.

 
Ten aanzien van de planregels is het waterschap van mening dat de regels een te smalle vertaling zijn van de instructieregels uit de provinciale verordening.
Gelet op de reactie van de provincie Noord-Brabant zijn de regels niet verder uitgebreid.

 
Een aantal opmerkingen van Waterschap de Dommel heeft geleid tot een aanpassing van het TAM-omgevingsplan.

 
Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
De omgevingsdienst heeft het akoestisch onderzoek beoordeeld en akkoord bevonden. Verder is er een tekstuele opmerking op de geluidregels gekomen.
De tekstuele aanpassing is doorgevoerd. De reactie van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft geleid tot een tekstuele aanpassing van het TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

 

6.1 Financieel economische haalbaarheid

Het toetsen van de financieel-economische uitvoerbaarheid vindt plaats om te bepalen of het voornemen leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor belanghebbenden doordat het voornemen op financieel-economisch gebied evident onuitvoerbaar blijkt. Onder het systeem van de Omgevingswet gaat het bij het toetsen van dit aspect vooral om een toets aan het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, lid 2) uit de Algemene wet bestuursrecht.

 

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van de Omgevingswet over de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan staat: 'Alleen als evident is dat een functie onuitvoerbaar is, moet het toedelen daarvan achterwege blijven.' (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 148 en 153). Het gaat vooral om een onuitvoerbaarheid die aan het licht komt bij het beoordelen van de omgevingsplanwijziging en om belemmeringen die zich niet op redelijke termijn op laten lossen (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 153). Een omgevingsplanwijziging moet zekerheid geven over de toegestane ontwikkelingen. De omgevingsplanwijziging hoeft echter geen zekerheid te bieden over het moment waarop de ontwikkelingen plaats gaan vinden (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 153). Dit benadrukt de toets op de niet evidente onuitvoerbaarheid van ontwikkelingen die de Omgevingswet vraagt. Deze toets geldt voor zowel de financieel-economische aspecten, als milieuaspecten als ruimtelijke aspecten van een ontwikkeling.

 

De aanleg en instandhouding van het hoogspanningsstation en de hoogspanningsverbinding wordt gedaan door TenneT TSO B.V. en Enexis Netbeheer B.V. Voor de beoogde uitbreiding worden de kosten volledig gedragen door deze partijen. Voor deze kosten zijn middelen gereserveerd. Gelet op het bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar. De kosten die de gemeente Tilburg moet maken voor het plan- en besluitvormingsproces worden door de gemeente op de voornoemde partijen verhaald. Hiertoe worden privaatrechtelijke afspraken gemaakt.

6.2 Kostenverhaal

Bouwactiviteiten waarvan kosten worden verhaald staan in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De beoogde ontwikkeling valt niet onder een van de kostenverhaalspichtige activiteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Kostenverhaal is derhalve niet van toepassing.

6.3 Nadeelcompensatie

Er wordt tussen de gemeente Tilburg en Enexis een nadeelcompensatieovereenkomst gesloten. De eventuele schade die wordt toegekend in het kader van nadeelcompensatie zullen daarmee worden verhaald op de initiatiefnemer.

 

Hoofdstuk 7 Belangenafweging en conclusie

 

7.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van het hoogspanningsstation aan de Technopol 5-7 te Tilburg. De ontwikkeling is noodzakelijk voor de uitbreiding van het huidige energienet om daarmee te zorgen dat huishoudens en bedrijven in de toekomst van energie gebruik kunnen blijven maken. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt het omgevingsplan gewijzigd. Ten behoeve van deze wijziging dient te worden onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervoor zijn in de voorgaande hoofdstukken (in het bijzonder hoofdstuk 4) de voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen.

 
Op basis van voorliggende motivering kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voornemen heeft geen negatieve effecten op milieu- en/of omgevingsaspecten.