TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, Uitbreiding transformatorstation 150kV Technopol 5-7
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.TAM2024004-c001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Regels
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Toepassingsbereik
De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Technopol 5-7, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0855.TAM2024004-c001 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l, of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2 Begripsbepalingen
De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in dit artikel daarvan is afgeweken.
2.1 TAM-omgevingsplan
Het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Uitbreiding transformatorstation 150kV Technopol 5-7 met betrekking tot de locatie Technopol 5-7 met identificatienummer NL.IMRO.0855.TAM2024004-c001 van de gemeente Tilburg.
2.2 omgevingsplan
Omgevingsplan gemeente Tilburg.
2.3 aanduiding
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
2.4 bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
2.5 belemmeringenstrook
Een strook grond of water waaraan beperkingen kunnen worden opgelegd in verband met de veiligheid van ondergrondse kabels en leidingen.
2.6 bestaand
Bij bouwwerken:
Bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een omgevingsvergunning.
2.7 bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan.
2.8 calamiteit
Gehele of gedeeltelijke vernieling van een bouwwerk door overmacht: brand, overstroming, terroristische en/ of oorlogshandelingen, aardbeving e.d.
2.9 groenvoorzieningen
Het geheel van voorzieningen en activiteiten t.b.v. groenaanleg zoals buurt-, wijk- en stadsparken met bijbehorende voorzieningen zoals verhardingen, waterpartijen, waterberging en sloten, speelplaatsen, speel- en trapveldjes waaronder Cruyff-courts, bruggen en andere kunstwerken, straatmeubilair, e.d., alsmede voorzieningen ter ondersteuning van de verkeersregulering en de verkeersveiligheid.
2.10 Hoogspanningsstation
Een installatie voor het schakelen van hoogspanningsverbindingen en/of het transformeren van elektrische energie en/ of het regelen en meten ten behoeve van het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het hoogspanningsnet.
2.11 nutsvoorzieningen
Eén ondergrondse verbinding met een nominale spanning van maximaal 150.000 Volt, die één circuit vormt.
2.12 ondergeschikte delen van een bouwwerk
Bouwdelen die ondergeschikt zijn aan de hoofdmassa van het desbetreffende bouwwerk, zoals overstekende daken, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, trappen en trappenhuizen, liftkappen en lifthuizen, luchtbehandelings-/ ventilatie-installatie, bordessen, funderingen, goten, hijsinrichtingen, gevelreclames, gevelisolatie (al dan niet met bijbehorende ommanteling), draagconstructies e.d. Hieronder worden in elk geval niet verstaan entrees, erkers en ondergrondse bouwwerken.
2.13 onderkomen
Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun oorspronkelijke doel onttrokken voer- of vaartuigen, kampeermiddelen, loodsen, keten en andere soortgelijke verblijfsmiddelen.
2.14 peil (straatpeil)
Hieronder wordt verstaan:
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de straat grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
3.1 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.2 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.4 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
3.5 Afstand tot de zijdelingse perceelsgrens
Tussen de zijdelingse grenzen van een perceel en enig punt van het op dat perceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
Hoofdstuk 2 Algemene regels
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locaties toegedeelde activiteiten.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 6 Maatwerk- en/of vergunningvoorschriften
Het bevoegd gezag kan maatwerk- en vergunningvoorschriften stellen ten aanzien van:
de bereikbaarheid van gebouwen vanuit en de situering van de hoofdentree van gebouwen ten opzichte van de openbare ruimte;
de situering en afmetingen van groenvoorzieningen;
de situering en afmetingen van parkeergelegenheid, ook op eigen terrein;
de situering van toegangswegen en -paden tot gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en open erven.
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, en afwijkt van de regels in dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
Het bepaalde onder lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dit gold voor de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen het overgangsrecht van het omgevingsplan zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 9 Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder lid 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld onder lid 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het bepaalde onder lid 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan zoals dit gold voor de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen het overgangsrecht van het omgevingsplan zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
Hoofdstuk 3 Functies en activiteiten
Artikel 10 Bedrijf - Nutsvoorziening
10.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel van het TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties aangewezen als 'Bedrijf - Nutsvoorziening'.
10.2 Regels over gebruiksactiviteiten binnen locatie(s) 'Bedrijf - Nutsvoorziening'
10.2.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten
Uitsluitend de volgende activiteiten zijn toegestaan op de locatie(s) aangewezen als 'Bedrijf – Nutsvoorziening':
bedrijfsactiviteiten behorend bij een hoogspanningsstation met de daarbij behorende voorzieningen;
(Infrastructuur)activiteiten behorend bij het transport, de verdeling en transformatie van elektrische energie met een nominale spanning van 150 kV;
hoogspanningsverbindingen;
verkeersvoorzieningen;
parkeren;
behoud, herstel en ontwikkeling van groen;
behoud, herstel en ontwikkeling van waterberging;
werken en werkzaamheden ten behoeve van de bovenstaand toegelaten activiteiten.
10.3 Regels over bouwactiviteiten binnen locatie(s) 'Bedrijf - Nutsvoorziening'
10.3.1 Bouwactiviteit - gebouw(en)
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden;
in afwijking van het bepaalde onder a mogen ondergeschikte delen van een gebouw, voor zover gelegen binnen de locatie 'Bedrijf - Nutsvoorziening', het bouwvlak overschrijden;
de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een locatie 'Bedrijf - Nutsvoorziening' mag niet meer dan 2.500 m2 bedragen;
de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan 7 m bedragen.
10.3.2 Bouwactiviteit - bouwwerk(en), geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:
de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 3 m bedragen;
de hoogte van bliksemafleiders mag niet meer dan 25 m bedragen;
de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 15 m bedragen.
Artikel 11 Leiding - Hoogspanning
11.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel van het TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties aangewezen als 'Leiding - Hoogspanning'.
11.2 Regels over gebruiksactiviteiten binnen locatie(s) 'Leiding - Hoogspanning'
11.2.1 Toegelaten gebruiksactiviteiten
Uitsluitend de volgende activiteiten zijn toegestaan op de locatie(s) aangewezen als 'Leiding - Hoogspanning':
(infrastructuur)activiteiten behorend bij het transport van elektrische energie met een nominale spanning van 150 kV;
werken en werkzaamheden ten behoeve van het vervoer van elektrische energie.
11.3 Aanvullende beoordelingsregels over bouwactiviteiten binnen locatie(s) 'Leiding - Hoogspanning
11.3.1 Aanvullende beoordelingsregels - bouwactiviteit - gebouw(en)
In aanvulling op beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen binnen 'Bedrijf - Nutsvoorziening' geldt dat op de locaties 'Leiding - Hoogspanning' uitsluitend gebouwen mogen worden opgericht voor zover geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig gebruik van de hoogspanningsverbinding.
11.3.1 Aanvullende beoordelingsregels - bouwactiviteit - gebouw(en)
In aanvulling op beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen binnen 'Bedrijf - Nutsvoorziening' geldt dat op de locaties 'Leiding - Hoogspanning' uitsluitend gebouwen mogen worden opgericht voor zover geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig gebruik van de hoogspanningsverbinding.
11.3.2 Aanvullende beoordelingsregels - bouwactiviteit - bouwwerk(en), geen gebouw zijnde
In aanvulling op beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt dat op de locaties 'Leiding - Hoogspanning' uitsluitend bouwwerken mogen worden opgericht voor zover geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig gebruik van de hoogspanningsverbinding.
11.4 Regels over het uitvoeren van werken en werkzaamheden
11.4.1 Toegelaten werken en werkzaamheden
Het is zonder vergunning toegestaan werken en werkzaamheden uit te voeren indien:
deze verband houden met de aanleg of het onderhoud van de hoogspanningsverbinding en daarbij horende voorzieningen;
deze verband houden met de aanleg of het onderhoud van voorzieningen ten behoeve van middenspanning en/of aansluiting op de hoogspanningsverbinding.
11.4.2 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting of bomen, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting;
het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
het ophogen en egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld of weghoogte;
het in de grond brengen van voorwerpen;
het aanbrengen van gesloten verhardingen;
het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
diepploegen;
het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.
11.4.3 Beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden wordt verleend indien:
door de werken en/of werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan; en
de hoogspanningsverbinding niet wordt aangetast.
Artikel 12 Waarde - Archeologie
12.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel van het TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties aangewezen als 'Waarde - Archeologie'.
12.2 Regels over bouwen binnen locatie(s) 'Waarde - Archeologie'
12.2.1 Aanvullende beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwactiviteit
In aanvulling op de beoordelingsregels elders in dit TAM-omgevingsplan geldt dat uitsluitend op en in de grond mag worden gebouwd, indien het bouwplan betreft:
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot;
een bouwwerk dat wordt gebouwd zonder graaf- of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,5 m onder peil; of
een bouwwerk met een oppervlakte van niet meer dan 30 m2.
In aanvulling op de beoordelingsregels elders in dit TAM-omgevingsplan geldt dat een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 30 m2 en waarbij sprake is van graaf- en/of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,5 m onder peil uitsluitend mogen worden gebouwd indien:
de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; en
de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder a bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk aangetast worden.
Ter voorkoming van mogelijke schade kan 1 of meer van de volgende voorschriften aan een vergunning worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
12.3 Regels over het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen locatie(s) 'Waarde - Archeologie'
12.3.1 Toegelaten werken en werkzaamheden
Met inachtneming van het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan is het toegestaan de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren met een oppervlakte van 30m² of kleiner:
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend het (af)graven, woelen, mengen, diep- ploegen, egaliseren, ontginnen, heiwerkzaamheden en aanleggen van drainage dieper dan 0,6m onder peil;
het aanleggen, vergraven, verruimen van sloten, vijvers en andere wateren;
het aanleggen of rooien van diepwortelende beplantingen/bomen of bos/boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
In aanvulling op het bepaalde onder lid 1 is het tevens toegestaan de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
werken en werkzaamheden ten behoeve van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan dan wel werken en werkzaamheden die reeds vergund zijn; en
werken en werkzaamheden die het normale beheer en onderhoud betreffen.
12.3.2 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren met een oppervlakte van 30m² of groter:
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe wordt gerekend (af)graven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, heiwerkzaamheden en aanleggen van drainage dieper dan 0,5 m onder peil;
het aanleggen, vergraven, verruimen van sloten, vijvers en andere wateren;
het aanleggen of rooien van diepwortelende beplantingen/bomen of bos/boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
12.3.3 Beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden
De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 12.3.2, wordt verleend indien:
de aanvrager van de vergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegde gezag in voldoende mate is vastgesteld, en;
de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder a bedoelde rapport, door het verrichten van die werken en werkzaamheden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
Ter voorkoming van mogelijke schade kan het bevoegd gezag 1 of meer van de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden kunnen worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de aanwezige archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen, en/of;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 13 Begrenzing industrieterrein
De locatie 'Bedrijf - Nutsvoorziening' is aangewezen als industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden gelden.
Artikel 14 Geluidproductieplafonds
14.1 Omgevingswaarden
Als omgevingswaarde geluidproductieplafond hoogspanningsstation gelden de geluidwaarden afkomstig van het in artikel 13 bedoelde industrieterrein, uitgedrukt in Lden en Lnight, ter plaatse van het geluidreferentiepunt.
14.2 Geluidreferentiepunten
De geluidreferentiepunten zoals bedoeld in 14.1 zijn vastgelegd op de coördinaten zoals opgenomen in de hierna weergegeven tabel.
Tabel 1 geluidreferentiepunten
|
Geluidreferentiepunt |
X |
Y |
|
GPP-01 |
131930,97 |
394214,84 |
|
GPP-02 |
131949,31 |
394306,12 |
|
GPP-03 |
131963,39 |
394398,66 |
|
GPP-04 |
131964,57 |
394490,49 |
|
GPP-05 |
131895,12 |
394547,72 |
|
GPP-06 |
131802,38 |
394559,33 |
|
GPP-07 |
131709,15 |
394563,57 |
|
GPP-08 |
131621,73 |
394532,86 |
|
GPP-09 |
131559,58 |
394463,97 |
|
GPP-10 |
131530,70 |
394377,21 |
|
GPP-11 |
131545,86 |
394286,25 |
|
GPP-12 |
131587,35 |
394206,77 |
|
GPP-13 |
131675,77 |
394179,68 |
|
GPP-14 |
131768,37 |
394166,02 |
|
GPP-15 |
131861,12 |
394159,00 |
14.3 Omgevingswaarden
Ter plaatse van de geluidreferentiepunten zoals bedoeld in 14.2 gelden de omgevingswaarden in Lden en Lnight zoals opgenomen in de hierna weergegeven tabel als geluidproductieplafond.
Tabel 2 geluidproductieplafonds ter plaatse van geluidreferentiepunten
|
Geluidreferentiepunt |
Omgevingswaarde in Lden |
Omgevingswaarde in Lnight |
|
GPP-01 |
40,8 |
30,2 |
|
GPP-02 |
42,8 |
32,0 |
|
GPP-03 |
37,9 |
28,1 |
|
GPP-04 |
35,4 |
25,6 |
|
GPP-05 |
35,4 |
25,7 |
|
GPP-06 |
36,2 |
26,9 |
|
GPP-07 |
35,5 |
26,4 |
|
GPP-08 |
38,8 |
26,0 |
|
GPP-09 |
34,4 |
25,4 |
|
GPP-10 |
39,7 |
28,7 |
|
GPP-11 |
39,4 |
29,1 |
|
GPP-12 |
39,4 |
29,3 |
|
GPP-13 |
41,1 |
30,9 |
|
GPP-14 |
41,9 |
31,6 |
|
GPP-15 |
40,7 |
30,2 |
Artikel 15 vrijwaringszone weg
15.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel van het TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties aangewezen als 'vrijwaringszone weg'
15.2 Bouwverbod
Ongeacht het bepaalde elders in dit TAM-omgevingsplan is het verboden op locaties 'vrijwaringszone weg' gebouwen en/of nieuwe bouwwerken geen gebouwen zijnde te realiseren dan wel deze uit te breiden.
Artikel 16 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied
16.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel van het TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties aangewezen als 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'.
16.2 Aanvullende beoordelingsregels
In aanvulling op de beoordelingsregels elders in dit hoofdstuk geldt dat de verticale diepte van een bouwwerk niet meer dan 3 m onder maaiveld bedraagt.
In aanvulling op de beoordelingsregels elders in dit hoofdstuk geldt dat de verticale diepte van een bouwwerk meer dan 3 m mag bedragen indien:
het bouwwerk of de bouwwerkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening; en
voor de afweging over het verlenen van de omgevingsvergunning advies van gedeputeerde staten wordt gevraagd.