direct naar inhoud van Regels

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

Status: ontwerp
Identificatie: NL.IMRO.0855.TAM2024001-c001
Plantype: bestemmingsplan

Motivering

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding wijziging omgevingsplan

 

Aan de IJpelareweg 44 – 46, een kavel van circa 3,5 hectare, te Tilburg wordt beoogd een bedrijf in de handel en lease van vracht- en bestelauto’s te realiseren. Hiertoe is een verzoek om wijziging van het omgevingsplan ingediend.

 

Garagebedrijf Kuijpers wil ter plaatse een kantoor, werkplaats en showroom met daarbij een truckparking realiseren. Het bedrijf is nu gevestigd aan de Minosstraat op bedrijventerrein Vossenberg in Tilburg. Op de huidige locatie is onvoldoende ruimte om de niet verhuurde trailers te parkeren. Het plan verplaatst de sales en rental afdelingen van het bedrijf naar de nieuwe locatie. De reparatieafdeling blijft op de huidige locatie. Vanwege de ligging van nabij gerelateerde bedrijven op Kraaiven is deze locatie het meest geschikt. Met het ontwikkelen van de locatie wordt de bestaande autoboulevard verder afgerond.

 

[image] 

De voorgenomen ontwikkeling is niet passend binnen het tijdelijk deel van het omgevingsplan (hierna: omgevingsplan). Dit wordt nader uitgewerkt in paragraaf 2.2.4 van deze ruimtelijke motivering. Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt een TAM-omgevingsplan in procedure gebracht. Met deze motivering wordt een basis gegeven voor de wijziging van het omgevingsplan waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief.

 

De motivering geeft aan waarom er met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat de ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord.

1.2 Leeswijzer

 

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en een kaart (inclusief bijlagen). De onderhavige motivering dient als onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan.

 

Na dit inleidende hoofdstuk omvat hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het participatietraject, de richtlijn omgevingsdialoog en de resultaten van de omgevingstafel. In hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan de voor dit plan geldende algemene beleidskaders. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.

Hoofdstuk 2 Plan en projectgebied

 

2.1 Projectgebied

 

Het projectgebied omvat de percelen kadastraal bekend gemeente Tilburg sectie F, nummers 4587, 4588, 4792 (ged.) en 7121 en wordt globaal begrensd door landelijk gebied in het noorden, de Midden-Brabantweg die overgaat in de Ring van Tilburg in het oosten, Bedrijventerrein Kraaiven in het zuiden en de snelfietsroute Tilburg-Waalwijk (loopt via de IJpelareweg) in het westen. Figuur 2.1 geeft de een overzicht van de huidige situatie van het projectgebied weer. De locatie heeft een omvang van circa 3,5 hectare.

 [image]

 

2.2 Huidige situatie

 

2.2.1 Huidige ruimtelijke en functionele structuur

 

Het projectgebied bestaat momenteel uit een verhard gedeelte waar een bedrijfswoning en naastgelegen loods gesitueerd zijn. Het overgrote gedeelte van het projectgebied is in gebruik als agrarische grond. Figuur 2.2 toont een overzicht van de huidige situatie.

 [image]

Het projectgebied is gelegen aan de Midden-Brabantweg. De Midden-Brabantweg vormt een belangrijke entreefunctie voor verkeer vanuit het noorden richting Tilburg. De autoboulevard is de eerste bebouwing van de kom van Tilburg die de bezoeker tegenkomt. De stadsentree van Tilburg wordt op deze plek gevormd door een geluidswal aan de oostzijde, een deel van de autoboulevard aan de westzijde en onderhavig perceel.

2.2.2 Technische infrastructuur

 

Binnen of aan de rand van het projectgebied bevinden zich enkele belangrijke technische infrastructurele voorzieningen, namelijk een ondergrondse hoogspanningsleiding en een transportriool.

 

Hoogspanningsleiding

Binnen de grenzen van het projectgebied bevindt zich een hoogspanningsverbinding of –kabel. De hoogspanningskabel die zich langs de rand van de sloot bevindt, betreft een gasdrukpijpkabel. De dubbelbestemming die opgenomen in het vigerende bestemmingsplan "Lobelia-Spinder-Rugdijk" met een belemmerde strookbreedte van 26 meter aan weerszijde van de leiding is te breed. Voor deze ondergrondse gasdrukpijpkabel geldt een belemmerde strookbreedte van 3 meter aan weerszijden van de buitenste kabels bij een open ontgraving en bij een boring is dit 5 meter aan weerszijden. Deze afstand is globaal tot de linkeroever van de sloot. Binnen deze zone zullen geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Gasdrukpijpkabels zijn storingsgevoelig door bijvoorbeeld trillingen in de grond. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden vindt overleg plaats met TenneT.

 

Verder loopt door het projectgebied een transportriool. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de planinvulling.

2.2.3 Grondeigendom

 

Het projectgebied omvat de percelen kadastraal bekend gemeente Tilburg sectie F, nummers 4587, 4588, 4792 (ged.) en 7121. Een groot deel van de percelen binnen het projectgebied is aangekocht. Het gaat dat om een totale oppervlakte van circa 31.870 m2:

2.2.4 Planologische situatie

 

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden alle huidige bestemmingsplannen van rechtswege als het tijdelijke deel van het omgevingsplan van iedere gemeente (art. 22.1, onder a Omgevingswet; artikel 4.6, lid 1 Invoeringswet). Op 10 september 2013 heeft de gemeente Tilburg het bestemmingsplan ‘Lobelia-Spinder-Rugdijk’ vastgesteld. Het bestemmingsplan ‘Lobelia-Spinder-Rugdijk’ wordt een ‘omgevingsplan van rechtswege’ genoemd en is onderdeel van het tijdelijke deel van het ‘Omgevingsplan gemeente Tilburg (hierna: ‘omgevingsplan’).

 

Binnen dit bestemmingsplan wordt het projectgebied aangeduid als ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’, ‘Sport’, ‘Verkeer-Verblijf’, ‘Waarde – Archeologie’, ‘Leiding – Hoogspanning’ en ‘Leiding – riool’, met als nadere functieaanduidingen:

 

Er is geen bouwvlak opgenomen ter plaatse het projectgebied. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven met een bedrijfswoning en ondergeschikte functies toegestaan. Bedrijfsactiviteiten zijn niet toegestaan.

2.3 Toekomstige situatie

 

2.3.1 Het plan en de inrichting van het perceel

 

Naast de realisatie van de showroom, werkplaats en een kantoor wordt het projectgebied ingericht als parkeervoorziening voor vrachtwagens en personenauto’s. De randen van het projectgebied wordt groen ingericht. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie hiervoor ook de bijlage). In het landschappelijk inpassingplan zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld die op basis van het planvoornemen, de beleidskaders en kennis van het landschap en locatie zijn vormgegeven. De aan de noordzijde gelegen bomen kunnen voor een deel worden gewaarborgd door deze op te nemen in de aan te planten struweelrand. Het inpassingsplan draagt bij aan de versterking van het Natuurnetwerk Nederland en de overgang van stad naar land middels een laanstructuur aan de oostzijde van het projectgebied. Daarnaast wordt het functionele terrein ingericht op basis van een hoogwaardige beeldkwaliteit met aan de flanken struwelen ter versterking van de kamerstructuur. Knip- en scheerhagen bieden een strakke begrenzing van het perceel en zorgen voor een goede erfafscheiding. Daarnaast wordt het terrein voorzien van twee grote buffers (wadi’s), welke het hemelwater bij piekbuien goed kunnen opvangen en afvoeren.

 

In figuur 2.3 wordt de landschappelijke inpassing weergegeven.

 

 [image]

 

2.3.2 Beoogde functie(s)

 

De initiatiefnemer is voornemens op de locatie een werkplaats, showroom, kantoor en parkeerplaatsen voor vrachtwagens en personenauto’s te realiseren. Het bedrijf richt zich op en in- en verkoop en lease van vrachtwagens, trucks, opleggers en bestelwagens. De totale ontwikkeling heeft een omvang van circa 3,5 hectare netto. De kantoren binnen het initiatief zijn nadrukkelijk ondergeschikt aan de bedrijfsactiviteiten en maken daar deel vanuit. Het programma hierbinnen is als volgt:

 

Werkplaats gebouw bestaat uit:

Gebouw 1: totaal 3.550 m²

 

2A: Combinatie van showroom / kantoor en werkplaats/afleverruimte (3350) bestaat uit:

2B Toevoeging kantoortoren (3.000 m²)

 

 

[image]Op figuur 2.4 is een impressie opgenomen van de toekomstige situatie. De bebouwing sluit aan bij de bestaande strook bebouwing en automotive functies aan de zuidzijde van het projectgebied. Door deze ontwikkeling wordt de bebouwingslijn doorgetrokken naar het noorden (viaduct). De initiatiefnemer wil in het verlengde van de Kraaivenstraat aan de Midden Brabantweg twee gebouwen te realiseren. De bebouwing wordt zorgvuldig ingepast, waarbij rekening wordt gehouden met de stedenbouwkundige context. De detailhandelszone/autoboulevard tussen de Midden Brabantweg en de Kraaivenstraat wordt gekarakteriseerd door bebouwing die georiënteerd is op de Midden Brabantweg. De Midden Brabantweg is een belangrijk stadsentree van Tilburg. Het gebied vormt de overgang tussen bedrijventerrein Kraaiven en Noord. Vanuit ruimtelijk kwalitatief oogpunt is het van belang dat de nieuwbouw parallel aan de hoofdweg gepositioneerd wordt en de beëindiging van de autoboulevard vormt. Vanuit de openbare wegen en bebouwing in Noord is de beoogde bebouwing goed zichtbaar. Omdat het plangebied in het groen ligt en onderdeel uitmaakt van het landschap staat de bebouwing los van elkaar. De gebouwen worden in twee vrijstaande volumes gebouwd met een onderlinge afstand van gevel tot gevel van minimaal 25 meter. Deze minimale afstand zorgt voor voldoende doorzicht en daarmee zicht op het landschap.

 

Hoofdstuk 3 Participatie

 

3.1 Behandeling principeverzoek en omgevingstafel

 

Door initiatiefnemer is het initiatief schriftelijk ingediend. Op 15 juni 2020 heeft de gemeente (afdelingshoofd Ruimte) laten weten dat zij over de voorwaarden, onzekerheden en kosten graag in gesprek gaat om te bepalen of en op welke wijze een haalbaarheidsonderzoek wordt uitgevoerd.

3.2 Participatie omgeving

 

Participatie is een belangrijke pijler van de Omgevingswet. De richtlijn geeft aan in welke mate u de omgeving betrekt bij uw initiatief c.q. ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente vindt het namelijk belangrijk dat inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners op tijd door u betrokken worden bij initiatieven of ruimtelijke ontwikkelingen in hun omgeving. Daardoor komen belangen, ideeën, zorgen en kansen eerder op tafel en worden initiatieven beter.

 

In de richtlijn omgevingsdialoog worden de verschillende stappen omschreven, die ten aanzien van participatie moeten worden gezet. Als eerste wordt met de impactscan de impact van de ontwikkeling op de omgeving beoordeeld. De scan bestaat uit zes thema’s waarop het initiatief mogelijk impact heeft: het soort initiatief, verkeer, groen, beleving, hinder en het (ruimtelijke) proces. De optelsom van de thema’s bepaalt de impactscore en daarmee de categorie van het initiatief.

 

Voor deze ontwikkeling is een impactscan uitgevoerd, waaruit een categorie B is gekomen. Dit betekent dat er sprake is van raadplegen. Er is een participatieplan en -verslag opgesteld. Het plan en verslag zijn opgenomen in bijlage 13 en bijlage 17.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan algemene beleidskaders

 

4.1 Rijk

 

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

 

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

 

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

 

De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. We maken ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. We bevorderen duurzaam economisch groeipotentieel. We zorgen voor sterke en gezonde steden en regio’s. En we stimuleren een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

 

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

  2. Duurzaam economisch groeipotentieel;

  3. Sterke en gezonde steden en regio’s;

  4. Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied.

 

Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:

  1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.

  2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.

  3. Afwentelen wordt voorkomen.

 

Doorwerking projectgebied

Onderhavig plan is niet strijdig met de nationale belangen als geformuleerd in de NOVI.

4.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

 

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De opgenomen regels en omgevingswaarden zijn gesteld ter bescherming van nationale belangen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

 

In het Bkl is onder meer geregeld welk bestuursorgaan bevoegd gezag is bij het verlenen van een omgevingsvergunning, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en procedures.

 

In het Bkl staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Hoofdstuk 5 bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:

 

Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:

 

Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.

 

Ondanks het ingekaderde karakter van de afwegingsruimte die door de instructieregels ontstaat, biedt het Bkl veel ruimte aan de gemeente om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te sturen. Als de gemeente gebruik wil maken van deze afwegingsruimte, zal zij dit goed moeten motiveren. Daarnaast zullen deze deugdelijk onderbouwde, op het specifieke deelgebied afgestemde kaders ook moeten worden uitgewerkt in juridische planregels.

 

Doorwerking projectgebied

In deze motivering wordt in hoofdstuk 5 gedetailleerd ingegaan op de doorwerking van de instructieregels over de verschillende relevantie ruimtelijke- en milieuaspecten binnen het projectgebied. Hierbij wordt aangegeven hoe wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl. Hierdoor wordt een helder inzicht geboden in de naleving van deze regels binnen het projectgebied.

4.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

 

Op basis van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling niet toegestaan. Om de ontwikkeling formeel mogelijk te maken, is het noodzakelijk het omgevingsplan te wijzigen. Daarbij is het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) verplicht voor iedere 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', op grond van artikel 5.129g lid 1 van het Bkl. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening, of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

 

In artikel 5.129g Bkl staat geen ondergrens genoemd. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij woningbouw een plan vanaf 12 woningen een nieuw stedelijke ontwikkeling is. Voor alle andere stedelijke functies wordt een oppervlakte van 500 m² BVO aangehouden als ondergrens.

 

Daarnaast is een vereiste dat het moet gaan om een stedelijke ontwikkeling die nieuw is. Dit wordt beoordeeld aan de hand van het nieuwe beslag op de ruimte die met de stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt of wanneer wordt voorzien in een functiewijziging.

 

Doorwerking projectgebied

Met onderhavige ontwikkeling wordt circa 3,5 hectare bedrijventerrein mogelijk gemaakt ten behoeve van een bedrijf dat actief is in de handel en lease van vracht- en bestelauto’s in Tilburg. Dit betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder is doorlopen en toegevoegd als bijlage 16 bij onderhavige motivering. De belangrijkste conclusies worden nader samengevat.

 

Kwantitatieve behoefte

Er is naar verwachting sprake van een kwantitatieve behoefte aan bedrijventerrein in het ruimtelijk verzorgingsgebied t/m 2030. De verwachte ruimtevraag (in hectare) is in 2030 naar verwachting groter dan het huidige harde planaanbod (in hectare). Hierbij is het volgende van belang:

 

Kwalitatieve behoefte

 

Ruimtelijke effecten

 

Ligging buiten bestaand stedelijk gebied

De beoogde projectlocatie aan de IJpelareweg ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Gemotiveerd kan worden dat niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de beoogde ontwikkeling. Hiervoor zijn de volgende argumenten te geven:

 

Het programma wordt passend geacht binnen de Ladder, omdat er wordt voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied.

 

De kantoren binnen het initiatief zijn nadrukkelijk ondergeschikt aan de bedrijfsactiviteiten en maken daar deel vanuit. Een aparte ladderonderbouwing voor de kantoormeters is daarom niet nodig.

4.2 Provincie

 

4.2.1 De Brabantse omgevingsvisie

 

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen:

4.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

 

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 5 december 2023 de 'TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant' vastgesteld. Deze is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze omgevingsverordening bevat rechtstreeks werkende regels voor activiteiten en stelt regels voor ruimtegebruik en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die gemeenten in acht moeten nemen bij het maken of wijzigingen van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

 

[image] 

 

Figuur 4.1 toont een uitsnede van de omgevingsverordening ter plaatse van het projectgebied. De relevante artikelen voor de ontwikkeling op de projectlocatie zijn nader uitgewerkt. Uit de kaart ‘Landelijk gebied – Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant’ blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het Landelijk gebied.

 

Daarbij zijn de volgende artikelen relevant: artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik, artikel 5.9 Toepassing lagenbenadering, artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap, artikel 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant en artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling. Daarnaast gelden onderstaande aanduidingen. Deze aanduidingen hebben geen relevantie voor onderhavige ontwikkeling of betreffen instructieregels voor waterschappen:

 

Doorwerking projectgebied
In deze paragraaf wordt aangetoond dat er wordt voldaan aan de provinciale instructieregels. De ontwikkeling tot uitgifte van een nieuw bedrijventerrein van 3,5 hectare ten behoeve van een bedrijf in de handel en lease van vrachtwagens en bestelauto’s, met een kantoor, werkplaats, showroom en truckparking, is op 2 juni 2021 besproken in het regionale en provinciale economische afstemmingsoverleg. Hierbij is geconcludeerd dat de ontwikkeling past binnen de regionale afsprakenkaders en op groen gezet.

 

Bedrijventerreinen kunnen vraaggericht worden ontwikkeld mits ze ruimtelijk passend en er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit wordt met onderhavige motivering aangetoond. De locatie is georiënteerd met de representatieve delen van het bedrijf naar de Midden-Brabantweg en heeft zijn entree aan de westzijde van de Kraaivenstraat-Grootvenstraat. Voor de ontsluiting van het terrein is rekening gehouden met de snelfietsroute en opstelplaatsen voor vrachtauto’s op het terrein. De beoogde ontwikkeling biedt een wenselijke aanvulling op de bestaande structuur van bedrijvigheid, waarbij de nadruk ligt op automotive. De functies die op de projectlocatie worden beoogd, versterken dit cluster.

 

Het bedrijf past binnen het logistieke en maintenance ecosysteem van de regio en specifiek Tilburg, waar een groot deel van de afnemers van de aangeboden producten en diensten gevestigd zijn. Gezien het logistieke profiel van Tilburg is het van belang om dergelijke dienstverleners te behouden. Door de situering van de gebouwen en de inrichting van de kavel past het bij de ruimtelijke opzet van de autoboulevard. Het voegt zich naar de rooilijn en houdt rekening met de continuïteit van de bomenrij. Het bedrijf is goed ontsloten via de bestaande ontsluiting van het industrieterrein Kraaiven en de autoboulevard.

 

Korte termijn

Voor de korte termijn betreft het de afwegingen in het gebiedje tussen de IJpelareweg en de Midden-Brabantweg. In dit gebied wordt nu onderhavige ontwikkeling voorgesteld en is nog sprake van een ander perceel. Te weten het nu nog aanwezige agrarische perceel. De IJpelareweg is in de korte termijn een duidelijke scheiding tussen de mogelijke verstedelijking en het landelijke gebied. Ten noorden van het plangebied en het naastgelegen perceel is voornamelijk sprake van NNB gebieden waarbij alleen bestaande wegen en agrarische gebieden aangeduid zijn als “landelijk gebied”. Het nu nog aanwezige agrarische bedrijf ten westen van de ontwikkeling is en blijft voorlopig agrarisch in gebruik. Wanneer eigenaar hier ontwikkelingen die recht doen aan de ambities verdichten, vergroenen, verduurzamen en vernieuwen mogelijk wil maken zien wij daar wel mogelijkheden toe. Waarbij expliciet moet worden gekeken naar de gevolgen voor de omliggende NNB gebieden. Gelijk aan de afwegingen en specifieke flora en fauna ontheffingen die er zijn verleend inzake de ontwikkeling van onderhavig plangebied. Waar de onderhavige ontwikkeling een afronding is van de bebouwingslijn langs de Midden-Brabantweg zien wij voor de ontwikkeling van het andere agrarische perceel een kleinschaligere ontwikkeling die zich meer richt op de Grootvenstraat en landschappelijke inpassing richting de IJpelareweg. Met de begrenzing van de IJpelareweg is de afronding van het stedelijk gebied op de korte termijn inzichtelijk en duidelijk afgebakend.

 

Middellange en lange termijn

Op de middelange termijn zijn wij aan het kijken naar een visie voor het gehele gebied tussen bedrijventerrein Kraaiven, Midden-Brabantweg en de Burgemeester Letschertweg (N260). Hierbij komt ook aandacht voor het voormalige MOB complex en kijken we vanuit natuur/waterberging/infrastructuur en bereikbaarheid naar deze zone. Gezien de vele gronden met een NNB aanduiding zal de provincie ook worden betrokken in de invulling van deze visie. Op de lange termijn zal de visie ook doorlopen naar de zone ten oosten van de Midden-Brabantweg. Het gebied ingeklemd tussen Tilburg-Noord/Midden-Brabantweg en de Burgemeester Bechtweg (N261). Vanuit het gebiedsperspectief noord is hier reeds een eerste aanzet toe gedaan. En In samenhang zal ook de visie Kraaijven hierop aangesloten moeten worden tot een coherente gebiedsvisie.

 

Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

Er is sprake van een uitbreiding van het areaal bedrijventerreinen. Dit doordat bestaand landelijk gebied wordt omgezet in stedelijk gebied. Er is dus geen sprake van een ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag. Zoals hiervoor aangegeven in de ladderonderbouwing en de ontwikkelingsrichten van het gebied betreft het hier de ontwikkeling van een bedrijf waarvoor is het bestaand stedelijk gebied onvoldoende ruimte is. Ook betreft het een locatie waar afronding van de bestaande autoboulevard en een overgang naar het landelijke gebied, middels de landschappelijke inpassing, worden gerealiseerd. Het is zodoende een duidelijke afronding van het stedelijk gebied.

Het type bedrijf (automotive) zorgt voor een realtief lage intensiteit van de bebouwing. Dit door de noodzakelijke buitenruimte voor stalling en manouvreren. Door het mogelijk maken van hoge bebouwing en de ligging van deze bebouwing te beperken tot gericht op bde Mideen-Brabantweg wordt het perceel zo efficient mogelijk ingedeeld en ingepast in de omgeving. Met vorenstaande wordt voldoende mate voldaan aan de regels van artikel 5.8.

Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

 

Er is geen sprake van wijziging van water- en bodemsystemen en van aardkundige waarden. De archeologische waarden zijn met deze wijziging van het omgevingsplan geborgd. Wat betreft de netwerklaag wordt verwezen naar de paragraaf Verkeer en vervoer. De nieuwe bebouwing wordt landschappelijk ingepast, zie paragraaf 2.3.1.

Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap

Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering

Verder moet worden voldaan aan de artikelen 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap, artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting, Artikel 5.13 Maatwerk voor verplaatsing van functies en activiteiten en artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit.

 

Zie paragraaf 2.3.1.Beoogde functies voor de landschappelijke inpassing. In het kader van de kwaliteitsverbetering landschap dient er voor deze ontwikkeling een kwaliteitsbijdrage te worden geleverd conform de werkafspraken 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant'. Deze bijdrage wordt berekend aan de hand van de planologische waardevermeerdering als gevolg van de herbestemming en bedraagt daarvan 20%. Voor deze ontwikkeling betekent dit een bijdrage van € 324.804,70 voor compensatie. Met de nodige inrichtingsmaatregelen wordt een bedrag van € 135.339,58 gecompenseerd. Het resterende bedrag wordt in een groenfonds gestort ter realisatie van natuur elders in de gemeente (stadregionaal park Noord). Met de initiatiefnemer is een overeenkomst kwaliteitsverbetering landschap gesloten. Tevens is in het TAM-omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het aanbrengen en in stand houden van de landschappelijke inpassing. En het afdragen van het resterende bedrag,

Artikel 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant

 

Er heeft een ecologisch onderzoek plaatsgevonden waar ingegaan wordt op het aspect externe werking Natuur Netwerk Brabant. Zie paragraaf 5.1.5.

Artikel 5.56 lid 1 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling

 

In paragraaf 4.1.3 (ladder voor duurzame verstedelijking) en 4.2.2. is verder onderbouwd dat de locatie passend is en wordt invulling wordt gegeven aan artikel 5.56 Duurzame stedelijke ontwikkeling.

4.3 Beleid waterschap

 

Waterbeheerplan Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving

Het projectgebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode 2022-2027 staan beschreven in het waterbeheerplan “water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben.

 

Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024

Voor het beheer van de diverse wateraspecten en het watersysteem is een waterschapsverordening opgesteld. Deze vervangt de voormalige Keur en bijbehorende algemene regels en heeft een andere opzet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De regels zijn nu specifiek gekoppeld aan bepaalde gebieden waar ze gelden en toegespitst op activiteiten die iemand kan doen. Activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de waterschapsverordening.

 

Doorwerking projectgebied

Voor onderhavige ontwikkeling is een watertoets opgesteld. Zie hiervoor paragraaf 5.1.2. Er wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling in lijn is met het beleid van het waterschap.

4.4 Gemeente

 

4.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2024

 

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

Doorwerking projectgebied

In de Omgevingsvisie wordt aangegeven dat zorgvuldig ruimtegebruik en vraaggericht ontwikkelen leidend zijn voor bestaand en nieuw te ontwikkelen terreinen. De ontwikkeling sluit aan op het bestaande bedrijventerrein Kraaiven. De ontwikkeling is vraaggericht, de initiatiefnemer heeft een concreet plan voor het te ontwikkelen projectgebied.

4.4.2 Bestuursakkoord 'Meer voor elkaar'

 

Het Akkoord ‘Meer voor elkaar betreft het bestuursakkoord voor de raadsperiode 2022 tot 2026. In dit akkoord staan doelen, koers en aanpak beschreven met betrekking op gezondheid, jeugd, kansengelijkheid, energietransitie, verduurzaming van de bestaande woon- en werkomgeving, groen in de stad, mobiliteit, openbare ruimte, nieuwe woningen, werkgelegenheid, kunst cultuur, evenementen en sport.

 

Deze ontwikkeling is niet specifiek benoemd in het bestuursakkoord. Wel is in het bestuursakkoord opgenomen dat door de flinke groei van Tilburg ruimte nodig is voor (Tilburgse) bedrijven en de huidige en toekomstige inwoners van de stad als werknemers van deze bedrijven.

4.4.3 Beleid bedrijvigheid

 

Nota toekomstbestendige bedrijventerreinen

De Nota toekomstbestendige bedrijventerreinen 2020 – 2025 is in maart 2020 vastgesteld. Met deze nota wordt een meer kwalitatieve visie op de Tilburgse werklocaties gegeven. Enerzijds omdat de beschikbare ruimte veel beperkter is en meer onder druk staat. Anderzijds omdat de vestigingscriteria veranderen onder invloed van de verduurzamingsopgaven, de transitie naar een circulaire economie, verslimming door digitalisering en robotisering en de ontwikkeling van nieuwe sectoren zoals smart industries, smart logistics en smart services (Next Economy).

 

In de beleidsnota 'Toekomstbestendige werklocaties 2020-2025' worden de volgende ambities benoemd:

 

  1. De bedrijventerreinen voor moderne industrie en logistiek behouden en versterken.

  2. Kritisch kijken naar nieuwe uitgifte en dit afwegen aan de hand van de maatschappelijke en economische toegevoegde waarde voor Tilburg. Dat vertaalt zich bijvoorbeeld in het aantal banen, maar ook in de wijze waarop een bedrijf een versterkend effect kan hebben voor al in Tilburg of de regio aanwezige bedrijven.

  3. Ruimte houden voor het lokale midden- en kleinbedrijf (MKB) om zich te vestigen en door te groeien en waar nodig en kansrijk daarvoor ruimte creëren, met aandacht voor bedrijvigheid met een specifiek profiel (zoals smart logistics en smart services, starters en bedrijven met hogere milieucategorieën).

  4. Langs havens en Wilhelminakanaal watergebonden bedrijvigheid stimuleren.

  5. Ruimte die binnenwijkse terreinen bieden voor bedrijvigheid, per saldo behouden.

 

De kwalitatieve benadering betekent dat we inzetten op versterking van het (regionale) economische ecosysteem en inzetten op versterking van de verschillende typen werklocaties zelf. Zo is het in sommige gevallen wenselijk om ondersteunende faciliteiten op bedrijventerreinen toe te staan. Hierbij kan worden gedacht aan functies zoals opleidingsvoorzieningen en truckparkings, maar ook aan ondersteunende zaken zoals wandelpaden en fietsroutes. Er moet dan wel blijken uit overleg met de vitaalverenigingen (de parkmanagementverenigingen op de Tilburgse bedrijventerreinen) dat hier een collectieve behoefte voor is.

 

Voor de binnenwijkse terreinen streven we ernaar om per saldo de bedrijfsruimte te behouden, door uitplaatsing van bedrijven naar geschiktere locaties te faciliteren of door wonen met werken te mengen. Ook kijken we nadrukkelijk naar kansen om verbinding te leggen met de wijk, om zo de terreinen vitaler te maken.

 

Voor wat betreft de kantoorlocaties stimuleren en faciliteren we ontwikkeling en renovatie van kantoorruimte – al dan niet in combinatie met andere functies - op kansrijke locaties in en rond de Kennis as zoals de Spoorzone, binnenstad en noordelijk deel van Ringbaan West, terwijl we locaties elders in het stedelijk gebied die minder goed presteren faciliteren om te transformeren. Solitaire kantoren op bedrijventerreinen vinden we onwenselijk en onttrekking, sloop dan wel transformatie naar een bij het bedrijventerrein passende ondersteunende functie heeft de voorkeur en kan op medewerking rekenen.

  

Tot slot hechten we belang aan nieuwe ontwikkelingen zoals proeftuinen en experimenteerruimte waar onderwijs en ondernemers samenkomen, om de onderlinge interactie te versterken.

 

‘Afsprakenkader bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025 – 2030’

De lokale programmering van bedrijventerreinen wordt vanwege de provinciale verordening Ruimte vanaf 2012 op regionaal niveau afgestemd met de Hart van Brabant gemeenten. In december zijn de regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld in het POHO Fysiek van de regio Hart van Brabant en op de Ontwikkeldag SRBT met de provincie Noord-Brabant. De regionale afspraken bedrijventerreinen zijn gebaseerd op een prognose voor de ruimtevraag naar nieuwe bedrijventerreinen die tenminste keer per bestuursperiode door de provincie wordt opgesteld.

In het afsprakenkader liggen afspraken vast over:

  1. Het gezamenlijke economisch toekomstbeeld van de regio dat mede als basis dient voor de afspraken over de bedrijventerreinen.

  2. Het efficiënt en effectief benutten van bestaande bedrijventerreinen (onder meer door ruimte-intensivering) en het uitvoeren van een procesafspraak over de herijking van de programmering van nieuwe bedrijventerreinen, in de periode tussen december 2024 en juni 2025. Doel hiervan is om het planaanbod van bedrijventerreinen kwalitatief meer in lijn te brengen met het economisch toekomstbeeld. Voldoende ruimte voor werken op locaties met de juiste kwaliteiten is immers een belangrijke randvoorwaarde voor het economisch toekomstbeeld.

  3. De toekomstbestendigheid van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen, en het vergroten van de bijdrage van bedrijventerreinen en hun gebruikers aan de brede welvaart in de regio. Immers is ook de kwaliteit en toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen een belangrijke randvoorwaarde voor het aantrekken en vasthouden van bedrijven die passen binnen het economisch toekomstbeeld.

  4. De uitvoering, governance en monitoring van de afspraken. Uitgangspunten zijn adaptief beleid, dat de regio wendbaar maakt en in staat stelt snel op veranderingen in de werklocatiemarkt in te spelen, en een zorgvuldige borging van de uitvoering van afspraken.

 

De ontwikkeling van nieuwe terreinen kan bijdragen aan de herstructurering van bestaande terreinen. Voordat we overwegen een nieuwe bedrijfslocatie te creëren, garanderen wij dat deze niet concurreert met bouwrijpe en bestaande bedrijventerreinen. Maar de bouwrijpe bedrijventerreinen mogen ook geen blokkade vormen voor het accommoderen van vraag die daar niet past, bijvoorbeeld vanwege de schaalgrootte van een bedrijf, de verwachte milieubelasting, de gevraagde ontsluiting of de sterke lokale binding van een te vestigen of verhuizen bedrijf.

 

Als een gemeente geen oplossing kan vinden in het bestaande lokale en regionale aanbod mag deze gemeente ruimte creëren voor lokaal gevestigde bedrijven: dit dient wel te worden afgestemd met de overige gemeenten in de regio door het voor te leggen aan het regionale portefeuillhoudersoverleg (POHO) Fysiek. Het gaat dan primair om reeds ter plaatse gevestigde bedrijven, of bedrijven die aantoonbaar een belang hebben bij vestiging in de betreffende gemeente. Doet zich een concrete vraag voor uitbreiding/vestiging van zo’n bedrijf voor, dan mag de gemeente ten behoeve van die vraag haar bedrijventerreinareaal uitbreiden. Hiervoor moet er wel unanieme instemming zijn vanuit het POHO Fysiek.

 

Nota verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen

Het college heeft op 17 mei 2016 definitief de Aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen vastgesteld. Voorafgaande hieraan heeft de Raadscommissie Vestigingsklimaat op 14 maart 2016 de aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen besproken en haar wensen en bedenkingen gegeven.

  

Verkleuring is kort gezegd het fenomeen waarbij (toekomstige) eigenaren en gebruikers op bedrijventerreinen activiteiten willen ontplooien of zodanig willen veranderen dat het gebruik daardoor anders wordt dan oorspronkelijk beoogd. De gemeente wil enerzijds ruimte bieden aan de economische dynamiek die de economische kracht van de stad en de regio versterkt. Maar de gemeente wil ook zorgen voor 'de juiste functies op de juiste plek'. De stad wil duurzaam verstedelijken en leegstand en verdringing tegengaan. Ook wil de gemeente onderlinge hinder van bedrijven en functies en kwaliteitsverlies op andere locaties in de stad voorkomen.

 

De Nota verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen is niet van toepassing op deze ontwikkeling.

4.4.4 Kantoren

 

Er wordt met dit plan geen zelfstandig kantoor mogelijk gemaakt. Het beleid met betrekking tot kantoren is niet van toepassing op dit plan.

4.4.5 Detailhandel

 

Uitgangspunten

Met de Detailhandelsvisie 2020 is een helder beleidskader vastgesteld met een onderbouwd en afgestemd toekomstbeeld voor de gewenste Tilburgse detailhandelsstructuur en welke inspanningen nodig zijn om deze gewenste structuur te realiseren. Dit beleid is op te vatten als een thematisch ‘programma’ binnen de omgevingswet, dat zoveel mogelijk gebiedsgericht is opgezet.

 

[image] 

Grootschalige en perifere detailhandelsvestigingen

Naast winkels met het accent op dagelijkse boodschappen of meer recreatief en vergelijkend winkelen zijn er ook verschillende, verspreid gelegen, locaties voor grootschalige en perifere detailhandelsvestigingen die meer doelgericht worden bezocht. Deze bieden ruimte aan winkels die vanwege hun omvang of branche veelal niet passend zijn in andere winkelgebieden. Het gaat hierbij onder andere om bouwmarkten, autobedrijven en woonwinkels.

 

Winkels op perifere detailhandelslocatie moeten voldoen aan een aantal eisen om zich daar te kunnen vestigen, hiermee willen we voorkomen dat trekkers die voor winkelgebieden als de Binnenstad belangrijk zijn voor het functioneren zoals grote sportzaken of electronicawinkels zich overal kunnen vestigen. Daarom staan we winkels in bepaalde branches niet overal toe en worden er (voor een aantal branches) eisen gesteld aan de minimale oppervlakte van winkels op een perifere detailhandelsconcentratie.

 

Voor alle binnen de bestemming perifere detailhandel toegestane branches geldt een minimale maat van 1.000 m2 wvo voor zover de winkel niet gelegen is binnen een van de perifere concentraties zoals is weergeven in fig. 4.2. Voor winkels wel gevestigd op perifere concentraties blijft de minimale 1.000 m2 gehandhaafd voor de branches Sport- en Speelgoed en Wit- en Bruingoed/electronica. Voor Woninginrichting geldt daar een minimale omvang van 500 m2 wvo. Voor de branches, keukens, sanitair, doe-het-zelf/bouwmarkten wordt geen minimale eis gesteld aan de omvang.

 

Voor de in het beleid opgenomen perifere concentraties gelden de volgende toegestane branches:

 

Nieuwe ontwikkelingen

Trends, ontwikkelingen, consumentengedrag en de behoefte van retailers krijgen een prominente plek in de Tilburgse detailhandelsstructuur. Met dat in het achterhoofd stimuleren we het behoud en versterking van de bestaande winkelgebieden. Als we de huidige markt willen volgen zullen we incidenteel zeker ook ruimte moeten kunnen bieden aan ontwikkelingen buiten de bestaande locaties. Onze doelstelling is daarmee de kwaliteit en vitaliteit van de bestaande structuur te versterken en te voldoen aan de wens van de consument. Op trafficlocaties (zoals stations, bedrijventerreinen, ziekenhuizen of andere drukbezochte locaties waar veel mensen om andere redenen dan winkelen komen) blijft een beperkte mogelijkheid voor detailhandel aanwezig. In bijzondere gevallen kan de gemeente detailhandel buiten winkelcentra toestaan.

 

Met het plan wordt aangesloten bij het toestaan van de branches op Kraaiven, namelijk automotive. Dit past in het detailhandelsbeleid.

4.4.6 Gebiedsperspectief Tilburg Noord

 

Het gebiedsperspectief Tilburg Noord is vastgesteld op 16 december 2024. Dit gebiedsperspectief bevat een veelheid aan ambities en doelen die zich laten vertalen in projecten en programma’s. Het streven is om voor 2030 concreet met de realisatie van deze projecten en programma’s bezig te zijn en, waar mogelijk, deze afgerond te hebben. Om dat realistisch en haalbaar te maken is het essentieel om tot een heldere prioritering te komen. Tijdens het maken van dit gebiedsperspectief is er al een aantal hoofdkeuzes gemaakt. Eén van de hoofdkeuzes die gemaakt is, is dat de gemeente voornemens is om woningen en bedrijven toe te voegen aan de oostzijde van de Midden-Brabantweg.

Hoofdstuk 5 Toetsing aan de aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu

 

5.1 Aspecten fysieke leefomgeving

 

5.1.1 Verkeer & parkeren

 

Mobiliteitsaanpak Tilburg

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

 

4-sporen beleid parkeren 2021

Op 18 november 2021 heeft de raad met betrekking tot parkeren in de binnenstad het 4-Sporenbeleid Parkeren en Deelmobiliteit vastgesteld. Dit houdt onder andere in dat bij een nieuwe ontwikkeling de ontwikkelaar in de basis nog steeds geacht wordt het parkeren op de eigen ontwikkelplot op te lossen, maar dat er meer handvatten komen waarmee de gemeente een helpende hand kan bieden. De vier sporen zijn:

 

1. Het beter benutten van restcapaciteit in openbare parkeergarages

Hiervoor zijn nieuwe abonnementsvormen ingevoerd waarbij de garages op rustige momenten beter worden gebruikt en op drukke momenten voornamelijk ruimte bieden voor bezoekersparkeren. Voor bezoekers van bewoners wordt een bezoekersregeling in de garages ontwikkeld.

 

2. Met een hoogwaardig en betaalbaar aanbod deelmobiliteit een goed alternatief bieden voor de eigen auto

Met behulp van een vergunningenstelsel voor deelscooters en deelfietsen wordt actief gestuurd op een hoogwaardig aanbod. Ook voor deelauto’s is een dergelijk vergunningenstelsel volgens planning eind 2023 beschikbaar. In de nota parkeernormen zijn de voorwaarden voor deelmobiliteit opgenomen.

 

3. Gebiedsgericht aan de rand van de binnenstad openbare parkeercapaciteit toevoegen

Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat er aan de oostkant van het centrum een aantal van 500 á 600 extra parkeerplaatsen in openbare gebouwde voorziening wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt aan de westzijde van de binnenstad een tijdelijke garage van ca. 350 parkeerplaatsen gerealiseerd.

 

4. Transferia bij de toegangspoorten van de stad

Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat een tweetal transferia, bij de Kempenbaan en in Noord, worden uitgewerkt. Deze worden voorzien van hoogwaardig natransport, waaronder snelle en frequente buslijnen.

 

Agenda voor het stedelijk openbaar vervoer in Tilburg

De Tilburgse OV-agenda vormt een uitwerking van actuele kaders, waaronder de Mobiliteitsaanpak Tilburg (2016), Verstedelijkingsstrategie (2022), Parkeerstrategie (2022) en de Netwerkanalyse (2020). In het bestuursakkoord ‘Meer voor Elkaar’ (2022) is opgenomen dat voor het realiseren van de woningbouwopgave en voor een prettig en gezond verblijfsklimaat een mobiliteitstransitie noodzakelijk is met inzet op hoogwaardig openbaar vervoer voor de lange termijn.

 

Om Tilburg leefbaar en bereikbaar te houden, dient het aantal reizigers in 2040 met een factor 3-4 te zijn gegroeid ten opzichte van 2019. Om dat te bereiken, zet Tilburg op hoofdcorridors in op Bus Rapid Transit (BRT). Hier reizen inwoners en bezoekers snel en comfortabel over busbanen naar hun bestemming. Aanvullend op BRT worden sterke ontsluitende stads- en streeklijnen gehandhaafd. Een hoogfrequente stadslijn door de oude stad van noord naar zuid verbindt de Parkring, het Museumkwartier, Wagnerplein en mogelijk het ziekenhuis en te ontwikkelen transferia in Noord en Zuid. Tenslotte gaan reizigers voor de kleine vervoersbehoeften gebruik maken van flexibele, ondersteunende, toegankelijke diensten.

 

Nota 'Parkeernormen Tilburg 2026', parkeernormen voor de auto en voor de fiets

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2026' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen.

 

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen.

 

Beschrijving verkeerssituatie en toets aan de Nota parkeernormen

 

Parkeren

Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de Nota parkeernormen van de gemeente Tilburg (april 2026 in werking getreden). Het projectgebied is gelegen in zone ‘C’.

 

Uit de parkeerberekening blijkt dat voor de toekomstige ontwikkeling in totaal 123 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit aantal is gebaseerd op de parkeerbehoefte van de nieuwe functies in het projectgebied, zonder rekening te houden met de huidige (planologische) parkeerbehoefte, deze is buiten beschouwing gelaten. Het parkeren voor de werknemers en bezoekers van de locatie zal plaats gaan vinden op het nieuwe te realiseren eigen parkeerterrein rondom de nieuwe gebouwen. De nieuwe parkeerplaats biedt ruimte aan minimaal 170 parkeerplaatsen (waarvan 131 parkeerplaatsen voor personenauto’s en 39 voor vrachtwagens, zie inrichtingsschets in de bijlage). Uit deze parkeerbalans blijkt dat ruim voorzien wordt in parkeergelegenheid voor de ontwikkeling.

 

 

 

[image] 

 

Verkeer

De herontwikkeling van de bestaande situatie naar de realisatie van een bedrijventerrein zorgt voor een verandering in de parkeersituatie en de verkeersstromen. In de huidige situatie staat een bedrijfswoning en een schuur op het perceel. Alhoewel deze functie ook verkeer genereert, wordt dit beschouwd als verwaarloosbaar in relatie tot de nieuwe functies en zal buiten beschouwing worden gelaten.

De nieuwe functies zorgen voor extra verkeersbewegingen. Op basis van de CROW 2024 kengetallen is de verkeersproductie van de toekomstige functies: kantoor (ondergeschikt en showroom) in beeld gebracht. Hierbij is uitgegaan van ligging rest bebouwde kom en sterk stedelijk (overeenkomstig met zone C en D).

 

 

[image] 

 

Voor de verkeersbewegingen van de werkplaats is de verkeersgeneratie bepaald op basis van ervaringsgegevens van initiatiefnemer.

 

[image] 

 

De herontwikkeling van het projectgebied geneert dan afgerond 196 personenautobewegingen per etmaal en 17 vrachtwagenbewegingen per etmaal (4350 / 250 werdagen). De verkeersgeneratie van de huidige bestemming is buiten beschouwing gelaten.

 

Effecten op de omgeving

Op eigen terrein wordt een voorterrein gerealiseerd met parkeerplaatsen. Het voorterrein heeft een directe ontsluiting op de Grootvenstraat, juist ten westen van de bocht naar de Kraaivenstraat. Beide straten zijn recent gereconstrueerde en er geldt een maximum snelheid van 50 km/u. Naast de hoofdrijbaan ligt een vrijliggend fietspad, wat onderdeel is van de hoofdfietsroute tussen Tilburg en Waalwijk. Bij het ontsluiten van het perceel moet dit fietspad worden gekruist. De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer verloopt via de Kraaivenstraat naar de Zevenheuvelenweg welke weer aansluit op de Midden-Brabantweg welke directe aansluiting geeft op het hoofdwegennet van Tilburg (N261) en de ring rond Tilburg (N260 en A58). De nieuwe functies genereren gemiddeld afgerond 108 aankomende ritten en 108 vertrekkende ritten per etmaal. Deze toename kan verkeerskundig gezien door de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld.

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

5.1.2 Water & watersystemen

 

Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg

Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom willen we dat de stad leefbaar blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een Koel Tilburg.

 

De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragen aan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet.

 

Het klimaat verandert sneller dan gedacht. Daarom vinden we dat ieder initiatief moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld. De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2024 - 2027. De beleidsregels worden vertaald in het Handboek Openbare Ruimte en in het omgevingsplan.

 

De zes doelstellingen:

  

Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp:

 

Programma Water en Riolering 2024-2027

Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.

 

Als gevolg van het veranderende klimaat is de bestaande situatie vaak niet bestand tegen hevige buien en langdurige droogte. Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een regenwateropgave. Voor nieuwe of vervangende verharde oppervlaktes is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. De volgende criteria bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden:

 

 

 

[image] 

 

*De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niets mee gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave.

**Er geldt altijd een minimale opgave van 10 mm voor bergen en infiltreren.

***Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar).

 

De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad met het oog op de toenemende verdroging.

 

Weging van het waterbelang

Er is een waterparagraaf opgesteld en een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 14. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten samengevat.

 

Oppervlaktewater

Binnen het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook is in de omgeving van het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig met een leggerstatus. Wel is zuidelijk een aangelegde droogvallende waterberging aanwezig en bevindt zich parallel oostelijk van het projectgebied een droogvallende watergang/greppel waarop het maaiveld van het projectgebied en de Midden-Brabantweg afwateren. De verdere afstroming van deze watergangen is globaal in zuidwestelijke richting.

 

Afvalwater

De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel. Verder loopt door het projectgebied een transportriool. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de planinvulling. De ligging is tevens in het bestemmingsplan opgenomen middels een dubbelbestemming. In het Programma Water en Riolering van de gemeente Tilburg is aangegeven dat hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld dient te worden van het gemengd rioolstelsel en zoveel mogelijk lokaal verwerkt. Het is noodzakelijk om op eigen terrein een gescheiden rioolstelsel aan te leggen, waarbij het vuilwater 100 % gescheiden blijft van het hemelwater.

 

Verharding

Ter plaatse is huidig reeds enig verhard oppervlak aanwezig. Door het planvoornemen zal het verhard oppervlak binnen het projectgebied fors veranderen. Nieuw verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden conform de gemeentelijke afkoppelen infiltratieverplichting van de gemeente Tilburg. Deze eis is strenger dan het Waterschap De Dommel waar men uitgaat van een toename aan verhard oppervlak. Tabel 5.4 geeft een overzicht weer van de verwachte toekomstige verharding binnen het projectgebied.

 

 

[image] 

 

Uit de tabel is af te leiden dat het toekomstig verhard oppervlak binnen het projectgebied circa 23.400 m2 zal bedragen. Ter compensatie dient ter plaatse minimaal een bui van 60 mm per m2 verharding verwerkt te kunnen worden zodat geen verhoogd risico op wateroverlast binnen of buiten het projectgebied ontstaat.

 

Op de toekomstige bebouwing wordt groendak aangelegd, waardoor dit oppervlak in principe niet bijkomend gecompenseerd dient te worden. In het gemeentelijk klimaatbeleid Klimaatscores nieuwbouwontwikkeling is opgenomen dat afhankelijk van het type dak en waterbergend vermogen, een groen dak voor een deel mee telt. Bij een waterbergend vermogen tussen 15 en 29mm telt het dak voor 50% als verharding. Als het dak meer dan 30mm water kan bergen, telt het niet mee als verharding. maar mag het ‘zijn eigen water vasthouden’ wat op dat oppervlakte valt. Dat is dus minder dan de 60mm die elders geldt, dat is de zogenoemde ‘bonusregeling van groene daken’. Als het een simpel groendak is met minder dan 15mm waterbergend vermogen, telt het dak alsnog als 100% verhard oppervlakte mee. Er is nog geen rekening gehouden met de toepassing van halfverharding. De te compenseren nieuwe verharding voor het planvoornemen bedraagt derhalve 13.500 m² + ( 9.900 m² x 0,3) = 16.470 m². De benodigde hemelwaterberging bedraagt hiervoor circa 988,2 m³.

 

Bij voorkeur wordt het hemelwater verwerkt door middel van infiltratie. Uit het infiltratieonderzoek blijkt echter dat ter plaatse over het algemeen een slechte infiltratiesnelheid aanwezig is met plaatselijk een matige horizontale verspreiding. Ter plaatse wordt dus bij voorkeur een bovengrondse waterbergende voorziening aangelegd. Naast de benodigde waterberging in bijvoorbeeld een wadi wordt een bevordering van de leegloop geadviseerd.

 

In het planvoornemen zijn oostelijk drie grote infiltratiegreppels/wadi’s opgenomen. Met een talud van 1:1 en diepte van maximaal 80 cm (i.v.m. de GHG ter plaatse op 80-100cm-mv) wordt hier in totaal circa 1.268 m³ hemelwater geborgen worden. Dit is meer dan de benodigde waterberging voor een bui van 60 mm.

 

Door het planvoornemen wordt het lokale maaiveld aangepast (zuidelijke opgehoogd), waarbij het water niet mag afstromen naar naastgelegen percelen (afwentelen is verboden). Het terrein dient zo aangelegd te worden dat hemelwater van de bebouwing wegstroomt en bij voorkeur naar de hemelwatervoorziening of een laagte op eigen terrein stroomt waar deze geen overlast veroorzaakt. Door de geadviseerde bouwpeilen is instroom in het pand niet te verwachten. Middels een op te stellen peilenplan bij de verdere planuitwerking kunnen de stromingsrichtingen concreter duidelijk gemaakt worden.

 

Door de aanleg van minimaal 60 mm waterberging en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten zoals een ruimer infiltratie oppervlak, de lokale ophoging van het perceel eventueel een noodoverloop en een goede maaiveldprofilering is bij het planvoornemen geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten en wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Bij het definitieve bouwplan dienen de uiteindelijke hemel- en afvalwaterstelsels opgenomen te zijn samen met een toekomstig maaiveldprofiel. Er is sprake van een autowasplaats. Dat waswater wordt op de riolering aangesloten en mag niet in de wadi terecht komen.

5.1.3 Natuur en ecologie

 

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet en is grotendeels bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen.

 

Natura 2000

Het natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de grenzen van een natura 2000-gebied of die significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied vallen onder een ‘Natura 2000-activiteit’ en zijn vergunningplichtig. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. 

 

Soortenbescherming

In het wild levende planten en dieren zijn beschermd onder de wet. Bij handelingen of werkzaamheden die effect hebben op deze soorten zal vergunning voor een ‘flora en fauna-activiteit’ aangevraagd moeten worden. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: 

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. 

  

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant. 

 

Specifieke zorgplicht 

Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij flora- en fauna-activiteiten die niet vergunningplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt. Wanneer de zorgplicht aan de orde is dient de gemeente hiervan te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezorgd worden naar een oplossing.

 

Omgevingsverordening Brabant

Naast genoemde wettelijke kaders vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de Omgevingsverordening en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.

 

Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe waarden streeft de provincie naar een samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Binnen Groenblauwe waarden geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem.

 

Doorwerking projectgebied

Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij onderhavige motivering. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies samengevat.

 

Gebiedsbescherming

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten noordoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

 

Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een showroom met kantoor en werkplaats betreft, is een verandering aan stikstofuitstoot gedurende de aanleg- en gebruiksfase op voorhand niet met zekerheid uit te sluiten. Er is daarom voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase van onderhavige ontwikkeling een stikstof berekening uitgevoerd. Het volledige stikstofonderzoek is als bijlage 4 toegevoegd aan de bijlagen van deze motivering.

 

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de gebruiks- en de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

 

Het projectgebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant ligt ongeveer 5 meter ten noorden van het projectgebied. Interne effecten zijn daarmee op voorhand uitgesloten. Externe effecten zoals licht en geluid dienen in de provincie Noord-Brabant ook te worden beoordeeld. Door de beperkte afstand zijn deze niet op voorhand uitgesloten. Uit de beoordeling volgt dat verslechtering van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in de directe omgeving van het projectgebied is redelijkerwijs op voorhand uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Brabant wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

 

Houtopstanden

Aangezien het projectgebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Omgevingswet bij dit plan niet aan de orde.

 

Soortenbescherming

Vogels

Met het bouwrijp maken van het projectgebied bestaat de kans dat er essentieel leefgebied verloren gaat van de steenuil. Door het verdwijnen van essentieel leefgebied kan een nestplaats mogelijk zijn functionaliteit verliezen. Nesten van de steenuil zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of het projectgebied deel uit maakt van een territorium van steenuil. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij het bouwrijp maken van het projectgebied sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gewerkt.

 

Bij sloop van de gebouwen bestaat de kans dat er één of meerdere nesten van de huismus verloren gaan. Nesten van de huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich onder de daken van de gebouwen nesten van de huismus bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt. Daarnaast kan het groen in de tuin gezien worden als essentieel leefgebied voor huismussen gezien de beperkte hoeveelheid groenblijvend groen in de omgeving van het projectgebied.

 

Bij de werkzaamheden kunnen tevens nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden.

 

Vleermuizen

De gebouwen binnen het projectgebied bevatten geen geschikte doorgangen naar potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust-of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen.

 

Grondgebonden zoogdieren

Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het projectgebied ook de niet vrijgestelde soorten bunzing, wezel, steenmarter, boommarter, eekhoorn en das voor. Gezien de ligging, de beperkte omvang waar groen aanwezig is en het relatief kale habitat, betreft het hier geen essentieel habitat voor de betreffende kleine marterachtigen. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze steenmarter en boommarter. Binnen het projectgebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het projectgebied door de das. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Ondanks het feit dat uit de quickscan flora fauna blijkt dat het projectgebied niet duidt op aanwezigheid van de das is er wel vervolgonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de das.

 

Reptielen

Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het projectgebied waarnemingen bekend van de ringslang, muurhagedis en levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het projectgebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het projectgebied is daarmee dan ook uitgesloten.

 

Amfibieën

In de omgeving van het projectgebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het projectgebied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde rugstreeppad, knoflookpad, poelkikker, heikikker, vinpootsalamander, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het projectgebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het projectgebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing.

 

De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding Omgevingswet is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.

 

Vissen

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het projectgebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

 

Ongewervelde diersoorten

In de ruime omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van vermiljoenkever, bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het projectgebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het projectgebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig.

 

Vaatplanten

In de directe omgeving van het projectgebied zijn beschermde soorten bekend als drijvende waterweegbree e kartuizer anjer. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop van het projectgebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde

 

Vervolgonderzoek

Op basis van de Quickscan flora fauna is er een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de steenuil, huismus, vleermuizen en das. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij onderhavige motivering. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies samengevat. Tabel 5.5 weergeeft een overzicht van de uitgevoerde veldonderzoeken.

 

 

[image] 

 

Steenuil

Tijdens geen van de veldbezoeken zijn waarnemingen van de steenuil gedaan. De aanwezigheid van een nestplaats binnen of in de omgeving van het projectgebied van steenuil kan worden uitgesloten.

 

Steenuilen hebben relatief kleine territoria, waarbij gebruik gemaakt wordt van functioneel leefgebied binnen circa 300 meter van de nestplaats (BIJ12, kennisdocument Steenuil). Binnen het projectgebied zijn geen waarnemingen van steenuil gedaan, waardoor de aanwezigheid van belangrijk foerageergebied kan worden uitgesloten. Ook in de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van steenuil gedaan.

 

Conclusie

Met de voorgenomen werkzaamheden gaat geen nestlocaties van steenuil verloren. Gezien de steenuil niet binnen of in de directe omgeving het projectgebied is waargenomen kan worden gesteld dat het projectgebied geen onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een steenuil.

 

Huismussen

Tijdens de veldbezoeken zijn veel huismussen waargenomen rond de woning. In totaal hebben 10 paartjes een nestplaats binnen de woning (zie figuur 5.2). De nestplaatsen zijn toegankelijk via de dakgoot, en bevonden zich onder de dakpannen.

 

Het groen in de siertuinen heeft een foerageer- en schuilfunctie voor de huismus. Het groen rondom de woning zal verdwijnen binnen de voorgenomen plannen. Hierdoor zal de ingreep ook leiden tot het verloren gaan van leefgebied van de huismus.

 

[image] 

De huismus is een soort die zowel voorkomt in de stadcentra als op het platteland, maar een voorkeur heeft voor bebouwde gebieden. Hierbij heeft huismus als vaste rust- en verblijfplaats en nestlocatie een voorkeur voor woningen die openingen hebben die toegang verlenen tot geschikte nestlocatie tussen het dak en het dakbeschot met tevens voldoende groen in de omgeving van de woningen. Ten oosten van de Midden-Brabantweg, aan de Puccinihof, zijn meer woningen beschikbaar waar huismussen onder kunnen nestelen doordat de meeste panden in de omgeving een pannendak hebben.

 

Conclusie

Binnen het projectgebied zijn in totaal 10 nesten van de huismus aangetroffen. Bij het slopen van de woning worden deze nesten vernietigt. Dit betekent dat er een overtreding is van een verbodsbepaling van artikel 11.37, lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving met betrekking tot het vernietigen van nesten van de huismus. Er is een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd en ontvangen voor het verwijderen van de huidige nestplaatsen en leefgebied.

 

Vleermuizen

Ondanks de conclusie dat de gebouwen binnen het projectgebied geen geschikte doorgangen bevatten naar potentiële verblijfplaatsen is er vervolgonderzoek uitgevoerd. Gedurende de onderzoeksrondes in het voorjaar is één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. De toegang tot de verblijfplaats bevindt zich bij de schoorsteen, tussen het lood en de gevelpannen. Bij de eerste avond in het najaar zijn een enkele keer incidenteel sociale roepjes gehoord binnen het projectgebied. Gezien deze roepjes niet met regelmatige vluchten werden waargenomen betreft het waarschijnlijk geen baltsterritorium. Ook is er geen zwermgedrag waargenomen.

 

Tijdens vrijwel ieder veldbezoek is er een enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen rondom het groen in de tuinen waargenomen. Later in de avond trokken deze weg en vloog er slechts incidenteel een individu over. Gezien de vleermuizen hier niet de hele avond aanwezig waren en regelmatig een kwartier of langer verdwenen is het niet de verwachting dat het projectgebied essentieel foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis betreft. Daarnaast is er in de directe omgeving genoeg groen aanwezig dat kan dienen als foerageermogelijkheid.

 

De voorgenomen plannen zullen niet leiden tot een afname in essentieel foerageergebied. Tijdens de veldbezoeken zijn in de directe omgeving geen eenduidig vliegpatronen aangetroffen welke door meerdere individuen werd gevolgd.

 

Conclusie

Binnen de woning is een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Bij het slopen van de woning wordt deze verblijfplaats vernietigd. Dit betreft een overtreding een overtreding van artikel 11.46, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het opzettelijk verstoren en artikel 11.46, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het vernielen van rustplaatsen met betrekking tot de vleermuis. Er is een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd en ontvangen voor het verwijderen van de huidige nestplaatsen en leefgebied.

 

Das

In het noorden van het projectgebied waren lichte wroetsporen aangetroffen bij het plaatsen van de camera’s. Uit camerabeelden blijkt dat er minimaal één das gebruik maakt van het projectgebied. Deze foerageert vrijwel iedere avond binnen het projectgebied, in het noordoosten. Langs de IJpelareweg zijn geen eenduidige wissels zichtbaar. Gezien de aanwezigheid van dassen binnen en in de directe omgeving van het projectgebied, betreft het projectgebied essentieel foerageergebied. Het projectgebied betreft grotendeels uitloopweide voor koeien. Hierdoor betreft de ondergrond bemest grasland en primair foerageergebied voor de das. Het meest zuidelijke deel van het projectgebied is momenteel in ontwikkeling en in de huidige staat niet geschikt als leefgebied voor de das.

 

Conclusie

Met de voorgenomen ontwikkelingen gaat er foerageergebied van de das verloren. Het gaat hierbij om primair foerageergebied in de vorm van bemest grasland. Er is een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd en ontvangen. Er is een activiteitenplan opgesteld, waarin de te nemen mitigerende maatregelen zijn uitgewerkt. Het gaat hier om het realiseren van voldoende alternatief foerageergebied voor de das in de directe omgeving. Er gaan geen burcht, vluchtpijpen of belangrijke wissels verloren.

 

Activiteitenplan

Er is een activiteitenplan opgesteld die als bijlage 19 bij de omgevingsvergunningsaanvraag is gevoegd. In het activiteitenplan zijn maatregelen om negatieve effecten te voorkomen dan wel te minimaliseren opgenomen. De maatregelen bestaan achtereenvolgens uit het tijdig aanbrengen van mitigatie, in de vorm van verblijfvoorzieningen en leefgebied, ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen, een controleronde, zorgvuldig handelen (doden en verwonden voorkomen) en het realiseren van permanente verblijfvoorzieningen in de nieuwe situatie. In dit geval gaat het om het treffen van maatregelen ten behoeve van het verwijderen van nest- en verblijfplaatsen van huismus en gewone dwergvleermuis, en het verwijderen van leefgebied van de das.

 

Op figuur 5.3 zijn de te nemen maatregelen op kaart samengevat.

 

[image] 

 

 

Omgevingsvergunning flora- en faunactiviteit

Op 2 januari 2025 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit ( huismus, gewone dwergvleermuis en das) verleend. Het besluit is als bijlage 18 bijgevoegd.

5.1.4 Bomenverordening

 

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er te veel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 

Bomenverordening 2021

De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.

  

Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht enstraatbeeld.

  

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

  

Wet natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)

In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Omgevingswet een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Omgevingswet de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Omgevingswet) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.

 

Toets van de ontwikkeling aan de bomenverordening

Om te voorkomen dat houtopstanden beschadigen of andere negatieve gevolgen ondervinden van voorgenomen werkzaamheden in de nabijheid van de boom, worden er regelmatig Bomen Effect Analyses (BEA’s) uitgevoerd. Met een BEA wordt bekeken wat het effect van de voorgenomen werkzaamheden op de houtopstand zijn en of deze negatieve effecten weggenomen kunnen worden. De BEA is een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan voorgenomen bouw of aanleg. De BEA waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven.

Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.

 

Er is een BEA uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij onderhavige motivering. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies samengevat.

 

In totaal zijn 103 bomen geïnventariseerd. Door het nemen van maatregelen kunnen 2 bomen duurzaam gehandhaafd blijven. 63 bomen kunnen zonder maatregelen blijven staan. Op de overige bomen wordt ruimtelijk beslag gelegd. Er worden nieuw bodem aangeplant in en rond het projectgebied, zie de landschappelijke inpassing paragraaf 2.3.

5.1.5 Groen, klimaat en duurzaamheid

 

Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

 

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn.

 

Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

 

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

 

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

 

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

  

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).

5.1.6 energie en warmte

 

De nieuwe bedrijfsgebouwen zullen zeer goed geïsoleerd worden en energielabel A++ krijgen. Er worden geen installaties gebruikt die op gas werken. Het rendement van de luchtbehandeling is 95% en er worden luchtwarmtepompen i.c.m. zonnepanelen geïnstalleerd.

5.1.7 archeologie, cultuurhistorie en landschap

 

Toetsingskader archeologie

In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Dit verdrag bepaalt, dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot middels artikel 5.130 lid 1 Bkl.

 

Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken.

 

Toetsingskader cultuurhistorie

Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen.

 

Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen.

 

In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op of de het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota.

 

Archeologie

Het noordelijke deel van het projectgebied ligt volgens de Archeologische Waarschuwingskaart van de gemeente Tilburg (2003) in een zone met een hoge archeologische verwachting. Het zuidelijke deel ligt in een zone die staat aangemerkt als verstoord. Binnen het bestemmingsplan Lobelia-Spinder-Rugdijk (2013) geldt (abusievelijk) voor alleen het zuidelijke deel de dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Er geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 60 centimeter onder peil. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. De archeoloog van de gemeente Tilburg, heeft aangegeven dat een gecombineerd bureauonderzoek en verkennend booronderzoek dient te worden uitgevoerd voor het hele projectgebied.

 

Derhalve heeft er een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 12 van onderhavige motivering. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies samengevat.

 

Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen een groot deel van het projectgebied bestaat uit (deels) intacte hoge zwarte enkeerdgronden. De aangetroffen (deels) intacte podzolbodems zijn gevormd in de top van het pakket Jong Dekzand I /Oud Dekzand. Hierdoor zijn dit naar verwachting oude podzolbodems, mogelijk prehistorisch. Op basis van de (deels) intacte bodem ter plaatse van Type I-boringen geldt er een hoge verwachting voor jager-verzamelaars. Archeologische resten kunnen aanwezig zijn vanaf een diepte van circa 0-60 centimeter onder maaiveld (dikte Ap- en Aa-horizont).

 

Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat, met name ter plaatse van de Type II-boringen, de bodem in meer of mindere mate verstoord is. Ter plaatse van de Type II-boringen is er sprake van een AC-profiel. Aangenomen wordt dat het eventueel aanwezige archeologische niveau ter hoogte van Type II-boringen door de zandwinning is verdwenen. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw reikt de verstoring tot in de top van het Jong Dekzand I /Oud Dekzand. De kans op het aantreffen van intacte archeologische waarden wordt daarom zeer klein geacht. Om deze redenen blijft de lage verwachting voor de periode laat-paleolithicum – nieuwe tijd gehandhaafd.

 

De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen ter plaatse van Type I-boringen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid blijft de (middel)hoge archeologische verwachting ter plaatse van Type I-boringen voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode laatpaleolithicum – vroege middeleeuwen gehandhaafd. Archeologische resten kunnen onder de humushoudende bovengrond (0- 60 centimeter beneden maaiveld) aanwezig zijn. Wanneer in dit deel van het projectgebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor dit deel van het projectgebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Zie hiervoor figuur 5.4.

 

Voor dit plandeel is de functie ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen ter waarborging. Voor het overige projectgebied wordt geen verder archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.[image][image]

 

 

5.2 Milieu & gezondheid

 

5.2.1 Milieueffectrapportage

 

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is een wijziging van het omgevingsplan.

 

Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

 

 

[image][image] 

 

Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:

  1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn;

  2. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

 

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.

 

Doorwerking projectgebied

Met dit omgevingsplan wordt een uitbreiding van een bedrijventerrein (industrieterrein) mogelijk gemaakt. Voor een industrieterrein is een mer-plicht niet van toepassing (zie tabel 4.1, kolom 2). ). Er is sprake van aanleg, wijziging of uitbreiding, waarvoor bij een omgevingsplan een mer-beoordelingsplicht geldt (zie tabel 4.1, kolom 3. Er is op dit moment geen sprake van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit zal op basis van het feit dat er sprake is van installaties voor het vervaardigen van motorvoertuigen of motoren voor motorvoertuigen of het assembleren van motorvoertuigen een mer-beoordeling moeten worden, waarbij gebruik gemaakt kan worden van de reeds uitgevoerde mer-beoordeling aangevuld met ander informatie m.b.t. de effecten van de milieubelastende activiteit.

 

Onderzocht is of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Hiertoe is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 15. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie en de kenmerken van de potentiele effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het projectgebied en de directe omgeving ervan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een mer-procedure.

5.2.2 Bedrijven en milieuzonering

 

Invloed omliggende bedrijven op het projectgebied

Bij het beoordelen van (binnen het projectgebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het projectgebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Er is een onderzoek Bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 3. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten samengevat.

 

Ter plaatse van het industrieterrein zijn, binnen het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kraaiven 2008”, afhankelijk van het perceel, bedrijven in de milieucategorieën 4.1 t/m 5.2 toegelaten. Vlak ten zuiden van de planlocatie is een tankstation (zonder LPG) gelegen, waarvoor milieucategorie 2 geldt. In het bestemmingsplan is geen nadere verbijzondering voor de toegelaten bedrijfscategorieën opgenomen. Figuur 5.5 geeft de richtafstanden voor de genoemde categorieën, uitgaande van een gemengd gebied.

 

[image][image] 

 

Uit figuur 5.5 volgt dat slechts een beperkt deel van het projectgebied binnen de richtafstanden ligt. Binnen dit

deel zijn geen gebouwen en daarmee geen verblijfsgebieden voorzien. De omliggende bedrijven, waaronder

het genoemde bedrijf Van Geloven, leggen daardoor geen beperkingen op aan planrealisatie. Bovendien

worden de omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering door planrealisatie.

 

Traditioneel schieten - Grootvenstraat 7

Het bepalende aspect hierbij is gevaar (richtafstand voor een gemengd gebied: 300 m). Het gilde heeft aangegeven dat hun schietactiviteiten vallen onder het “traditioneel schieten”, waarbij zij gebruik maken van een .22 kaliber in de discipline “wip- en vogelschieten”. Bij deze vorm van schieten wordt een onveilige zone in acht genomen waar projectielen direct of indirect terecht kunnen komen. In dit geval omvat deze zone een gebied van twee meter een weerszijden van de kogelvanger bij acht meter. In dit geval zijn beide schietbomen met kogelvangers op meer dan 8 meter van de perceelsgrens met het projectgebied gelegen, waardoor het projectgebied dus buiten de onveilige zone is gelegen. Met deze onderbouwing kan gemotiveerd worden afgeweken van de (indicatieve) richtafstand.

 

Veehouderij – IJpelareweg 54

Het projectgebied ligt binnen de richtafstand geur van een Veehouderij – IJpelareweg 54. . De belangen van de veehouderijen worden door deze ontwikkeling niet geschaad. Een deel van het projectgebied ligt binnen de afstandscontour van 50 meter rondom het bouwvlak van de veehouderij aan IJpelareweg 54. Het bouwvlak voor de garage ligt binnen de afstandscontour. In de is een verbodsregel opgenomen dat het nieuw oprichten of nieuw gebruiken van een gebouw als geurgevoelig gebouw verboden is binnen de locaties die zijn aangewezen als ‘Geurzone'. Het nieuw oprichten of nieuw gebruiken van een gebouw als geurgevoelig gebouw is mogelijk mits de onder artikel 16.2 genoemde geurzone door het duurzaam verdwijnen van de geurbron niet meer van toepassing is.

 

Invloed projectgebied op omgeving

Binnen het projectgebied wordt een kantoor, werkplaats en showroom met daarbij een truckparking gerealiseerd. Volgens de VNG-richtlijn ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt een dergelijk bedrijf onder milieucategorie 3.2 (SBI 501 en 451): “Handel in vrachtauto's (incl. import en reparatie)”met een richtstand van 50 meter voor een gemengd gebied. Op basis van het genoemde onderzoek en bovenstaande onderbouwing wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot een belemmering van de bedrijfsvoering van bedrijven in de omgeving. Tevens leidt de aanwezigheid van de nieuwe bedrijven niet tot een verminderd verblijfsklimaat ter plaatse van omliggende percelen.

5.2.3 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid)

 

Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl.

 

Kwetsbare gebouwen en locaties

In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden:

  1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);

  2. kwetsbaar (gebouwen en locaties);

  3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).

 

Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën 'gebouwen en locaties' staat in bijlage VI van het Bkl.

 

Risicobronnen

Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico's. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:

 

Naast de eerder genoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructies voor de volgende risicobronnen:

 

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen.

 

Groepsrisico en aandachtsgebieden

Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl):

  1. brandaandachtsgebied;

  2. explosieaandachtsgebied;

  3. gifwolkaandachtsgebied.

 

Voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden.

 

Transport

De spoorlijn Breda – Tilburg ligt op een afstand van circa 3 km van het projectgebied. De spoorlijn Breda – Tilburg heeft een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Het projectgebied ligt niet binnen deze twee aandachtsgebieden. Uit bijlage II Tabel Basisnet spoor van de regeling Basisnet volgt dat over deze spoorlijn, ter hoogte van het projectgebied A, B2, C3, D3 en D4-stoffen worden getransporteerd. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (toxisch scenario) moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De verantwoording is opgenomen in de bijlage.

 

Het projectgebied ligt niet binnen het brand- of explosieaandachtsgebied van een weg waarop gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

 

Inrichtingen

Met behulp van de Atlas leefomgeving is bepaald of het projectgebied binnen aandachtgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in navolgende afbeelding is de ligging van relevante inrichtingen in de directe omgeving van het projectgebied weergegeven.

 

Garagebedrijf Kuijpers is geen risicovolle inrichting en er wordt met deze ontwikkeling geen nieuwe milieubelastende activiteiten (in het kader van omgevingsveiligheid) toegevoegd.

[image] 

[image] 

 

Het projectgebied ligt ten noorden van het bedrijf Ad van Geloven B.V. met ammoniak opslag. De nieuwe bebouwing komt niet binnen een aandachtgebied te liggen van dit bedrijf.

 

Advies brandweer Midden- en West-Brabant

De brandweer Midden- en West-Brabant heeft d.d. 19 april 2022 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Dit is bevestigd op 13 maart 2025. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

 

Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het projectgebied ligt aangemerkt als een “toekomstig industriegebied”. Deze gebiedstypering is in de beleidsvisie verder niet uitgewerkt. Er is voor de verantwoording aansluiting gezocht bij de gebiedstypering “intensieve gebieden”. Binnen een intensief gebied gelden de volgende voorwaarden:

 

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

5.2.4 Geluid

 

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels in het Bkl over geluid gaan onder andere over het beheersen van geluid door wegen en spoorwegen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit worden geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven.

 

Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

 

[image][image] 

 

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft.

 

Wegverkeerlawaai

Het plan bestaat uit het herbestemmen van de huidige agrarische bestemming naar kantoren en verkoop en reparatie van motorvoertuigen, zijnde niet geluidgevoelige bestemmingen. De bestaande (bedrijfs)woning met bijgebouw komt te vervallen. Omdat er geen sprake is van de oprichting van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen hoeft er niet getoetst te worden aan (de normen van) het Bkl.

Railverkeerlawaai

Het projectgebied ligt buiten het aandachtsgebied van het spoortraject Tilburg-Breda. Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van het Bkl.

 

Industrielawaai

In het projectgebied zijn activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken op grond van artikel 5.78b uitgesloten. Het projectgebied is gelegen buiten het gezoneerd deel van industrieterrein Kraaiven, maar binnen de 50 dB(A) contour. Echter, er is geen sprake is van de oprichting van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. Industrielawaai vormt daarom geen belemmering.

 

Luchtvaartlawaai

Het projectgebied ligt niet binnen zones van het militaire vliegveld Gilze-Rijen.

5.2.5 Luchtkwaliteit

 

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden.

 

Er is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 2. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten samengevat.

 

Uit de uitgevoerde onderzoek blijkt dat in alle immissiepunten ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden zoals deze gelden overeenkomstig het Bkl. Dit geldt voor zowel de jaargemiddelde concentraties als het aantal overschrijdingen van de (24-/8-)uurgemiddelde concentratie.

5.2.6 Geur

 

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. De gemeente Tilburg heeft geen geurverordening. Daarom wordt uitgegaan van wettelijke geurnormen.

 

Agrarisch geur

Er is een geuronderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 1. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten samengevat.

 

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter plaatse van het projectgebied. Hierbij is rekening gehouden met de afstandseisen, de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. De belangen van de veehouderijen worden door deze ontwikkeling niet geschaad. Een deel van het projectgebied ligt binnen de afstandscontour van 50 meter rondom het bouwvlak van de veehouderij aan IJpelareweg 54. Het bouwvlak voor de garage ligt binnen de afstandscontour. In de is een verbodsregel opgenomen dat het nieuw oprichten of nieuw gebruiken van een gebouw als geurgevoelig gebouw verboden is binnen de locaties die zijn aangewezen als ‘Geurzone'. Het nieuw oprichten of nieuw gebruiken van een gebouw als geurgevoelig gebouw is mogelijk mits de onder artikel 16.2 genoemde geurzone door het duurzaam verdwijnen van de geurbron niet meer van toepassing is.

 

Industriële geur

Het projectgebied ligt voor slechts beperkt deel binnen de richtafstanden (o.b.v. wat maximaal planologisch mogelijk is) van omliggende bedrijven. Dit betekent dat er voldoende afstand is tussen de aanwezige bedrijven en verblijfsgebieden in het projectgebied. De omliggende bedrijven, waaronder het bedrijf Van Geloven, leggen daardoor geen beperkingen op aan planrealisatie. Bovendien worden de omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering door planrealisatie, zie paragraaf 5.2.2.

 

Garagebedrijf Kuijpers met kantoor, werkplaats en showroom veroorzaakt geen geur richting de omgeving.

5.2.7 Magneetvelden

 

Ten oosten van het projectgebied ligt een ondergrondse 150 KV hoogspanningsleiding. Vanuit het RIVM geldt enkel voorzorgsbeleid voor bovengrondse hoogspanningsleidingen en voor gevoelige functies (gebouwen in de magneetveldzone waarin mensen langdurig kunnen verblijven). Er is geen sprake van een bovengrondse hoogspanningsleiding en van een gevoelige functie.

5.2.8 Trillingen

 

Het projectgebied ligt buiten het aandachtsgebied van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder redelijkerwijs gezien niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.

5.2.9 Gezondheid

 

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysiek leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. In het Bkl zijn een aantal instructieregels opgenomen, die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, trillingen luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorliggende paragrafen reeds gemotiveerd. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling een bijdrage levert aan de gezonde fysieke leefomgeving.

 

Geitenmoratorium

In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.

 

De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. omgevingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.

 

Dit houdt in dat:

  1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;

  2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;

  3. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;

  4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;

  5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.

 

Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten leiden over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.

 

Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe woonvoorzieningen of planologische functies als een kinderdagverblijf, verpleeghuis of woonzorg mogelijk gemaakt. Daarnaast ligt het projectgebied niet binnen 2 km van een geitenhouderij. Het geitenmoratorium is niet van toepassing.

5.2.10 Bodem

 

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

 

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

 

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

 

Het uitgangspunt is dat bij elke ruimtelijke ontwikkeling middels een bodemonderzoek wordt aangetoond dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de te realiseren activiteit en dat sprake is van een uitvoerbaar plan. Bodemonderzoeken worden uitgevoerd conform de NEN 5725 en/of NEN 5740 (eventueel aangevuld met een verkennend bodemonderzoek asbest conform de NEN 5707). Bij het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt getoetst aan achtergrondwaarden, interventiewaarden en tussenwaarden. Verder zijn ook in het Bkl regels opgenomen met betrekking tot het aspect bodem, bijvoorbeeld over de te hanteren richtlijnen voor het bodemonderzoek.

 

Er zijn vier bodemonderzoeken uitgevoerd:

 

In deze onderzoeken zijn in de grond plaatselijk sterk verhoogde gehalten aan PAK en minerale olie gemeten binnen de onderzoeklocatie. Waarschijnlijk is op basis van de geringe omvang van de verontreinigingen geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Tevens is plaatselijk de aanwezigheid van asbest geconstateerd. In het aanvullend onderzoek is een gehalte hoger dan 100 mg/kg ds gemeten. Hierdoor is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, welke voorafgaand aan werkzaamheden in de grond, gesaneerd moet worden. In het grondwater is sprake van sterk verhoogde gehalten aan zink. Wat de fase van het TAM-Omgevingsplan betreft zijn er geen belemmeringen op dit moment. Voorafgaand aan de herinrichting van de percelen, waaronder sloopwerkzaamheden en grondwerkzaamheden vallen, zal een saneringsplan of plan van aanpak door het bevoegd gezag moeten worden goedgekeurd.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

 

Ten behoeve van de gemeentelijke plan- en apparaatskosten heeft de initiatiefnemer leges betaald. Voor het verhalen van een bijdrage aan de reserve bovenwijkse voorzieningen en het aanpassen van de openbare ruimte is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin zijn eveneens afspraken gemaakt over het kostenverhaal van eventueel voortvloeiende nadeelcompensatie. De kosten zijn daarmee anderszins verzekerd en er zijn geen redenen om kostenverhaal mee te nemen in de wijziging van het omgevingsplan. Gelet op het voorgaande zijn hierdoor de gemeentelijke kosten gedekt en is het project economisch uitvoerbaar.  

Hoofdstuk 7 procedure

 

Het ontwerpplan heeft voor een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 4 zienswijzen ingediend. Zie bijlagen voor een overzicht van de zienswijzen en de gemeentelijke reactie hierop.

 

De zienswijzen leiden tot een aanpassing van de toelichting en regels. Het plan wordt hierdoor dan ook