| Plan: | Vossenberg West II |
|---|---|
| Status: | onherroepelijk |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0855.BSP2011020-e001 |
Een beschrijving van de autonome situatie voor Vossenberg West II was reeds gegeven in het MER uit 2007.In de natuurtoets is ten behoeve van het MER in februari 2007 een beschrijving van de autonome situatie opgenomen. Bij deze ecologische beschouwing in dit MER 2007 is ook gebruik gemaakt van diverse uitgevoerde onderzoeken naar de ecologische situatie in en rond Vossenberg West II. Dit betreft de onderzoeken van het Ecologisch Adviesbureau Cools (2002, 2004 en 2007). Uit deze onderzoeken bleek dat er in het plangebied geen belangrijke en ontheffingsplichtige natuurwaarden hebben gezeten, waarvoor mitigatie en compensatie verplicht is gesteld. Aanvullend op deze onderzoeken heeft in maart 2011 een actualisatie plaatsgevonden opvan deze uitgevoerde natuurtoetsen. Het betreft hier met name een actualisatie om te kunnen bepalen welke ecologische waarden er na en tijdens het bouwrijp maken van het plangebied nog aanwezig zijn.
De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen.
De soortbescherming is opgenomen in de Flora- en faunawet. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden welke zijn vermeld in het MER. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied.
Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied.
Vanuit de kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet.
De Flora- en faunawet (2002) regelt de wettelijke bescherming van inheemse plantensoorten die daarvoor in aanmerking komen. De beschermde planten worden per soort aangewezen. In principe zijn alle zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen die in Nederland voorkomen beschermd. Er is een uitzondering gemaakt voor schadelijke dieren als de zwarte en bruine rat, de huismuis en een aantal vissoorten. Deze zijn dus niet beschermd. De zogenaamde lagere diersoorten (zoals vlinders, libellen en kevers) worden per soort voor bescherming aangewezen.
In de Flora- en faunawet is de zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk beperkt moeten worden bij het uitvoeren van plannen en projecten. Dit geldt voor zowel beschermde als onbeschermde soorten.
Volgens de Flora- en faunawet mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust- of verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen op geen enkele wijze van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. Per februari 2005 zijn het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en de gelijknamige regeling aangepast om de vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheden te verruimen.
Het nieuwe regime maakt onderscheid tussen bepaalde soorten en bepaalde categorieën van werkzaamheden. Er zijn algemene soorten (tabel 1), minder algemene soorten (tabel 2) en strikt beschermde soorten (tabel 3). De werkzaamheden, waarvoor vrijstellingen mogelijk zijn, zijn bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik of ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Afhankelijk van de getroffen soort en de uit te voeren activiteit geldt algemene vrijstelling, vrijstelling als de uitvoerder over een gedragscode beschikt, of is een ontheffing nodig. Voor vogels is altijd een ontheffing nodig.
Voor strikt beschermde soorten is ontheffing nodig, waarbij wordt getoetst aan de criteria van de Habitatrichtlijn die in de Flora- en faunawet zijn overgenomen. Het project kan alleen doorgang vinden als er aantoonbaar geen andere bevredigende oplossing is, de instandhouding van het soort niet bedreigd wordt en als het draait om redenen van groot openbaar belang.
Rode Lijsten
Behalve de verbodsbepalingen, waarvoor vrijstelling dan wel ontheffing mogelijk is, opent de Flora- en faunawet de mogelijkheid soorten op een zogenaamde Rode Lijst te zetten. Voor deze soorten worden beschermingsplannen vast gesteld. Uit deze beschermingsplannen kunnen beperkingen/regels voortvloeien waarmee tijdens de planvorming rekening moet worden gehouden.
Het ruimtelijk beleid voor de EHS is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. De begrenzing en planologische bescherming is vastgelegd in de verordening Ruimte en het gemeentelijke bestemmingsplan. De EHS wordt beschermd volgens het 'nee, tenzij'- beginsel. Dit houdt in dat nieuwe plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang.
Het plangebied van Vossenberg West II maakt geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Westelijk en zuidelijk van het plangebied zijn Ecologische verbindingszones aangewezen langs het Wilhelminakanaal en in noord-zuidrichting gekoppeld aan de groenzones langs de Burgemeester Letschertweg.
Samen met een aantal partners heeft de gemeente Tilburg in 2002 de Kadernota Groene Mal opgesteld.
De kadernota heeft als doel een ruimtelijk kader vast te leggen voor een robuuste en duurzame ecologische structuur die sturing geeft aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Groene Mal moet verstedelijking mogelijk maken in balans met de groene omgeving. Belangrijke delen van de Groene Mal behoren tot de provinciale Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en zijn vastgelegd in de verordening Ruimte. Zij vallen dan ook onder het beschermingsregime van het EHS. Naast bescherming op provinciaal niveau, vindt ook bescherming plaats op gemeentelijk niveau, doordat de Groene Mal is opgenomen in bestemmingsplannen. Daarin worden de exacte grenzen aangegeven van de groenstructuur en in de voorschriften worden de ongewenste ontwikkelingen beschreven.
In deze paragraaf zijn de effecten als gevolg van de ontwikkeling van Vossenberg West II op de aanwezige flora en fauna weergegeven. Hierbij wordt als referentiesituatie het reeds bouwrijp opgeleverde plangebied gehanteerd. De effecten op de flora en fauna, zoals deze aanwezig was voor het bouwrijp maken, zijn reeds beschreven in de vorige paragraaf.
Bij de effectbeschrijving in het MER zijn de volgende toetsingscriteria in beschouwing genomen:
Het plangebied is in de huidige situatie ingericht ten behoeve van de productiegerichte landbouw en glastuinbouw. De waarde van de flora is daardoor ook beperkt.
Door de voorgenomen ontwikkeling treden geen negatieve effecten op voor algemene beschermde soorten als de bosmuis, aardmuis, huisspitsmuis, mol, egel, konijn, gewone pad en bruine kikker. Door een zorgvuldige werkwijze en het nemen van mitigerende maatregelen (o.a. ongeschikt maken van het leefgebied) kan schade worden voorkómen en blijven negatieve effecten beperkt.
In het plangebied worden enkele strikt beschermde vleermuissoorten verwacht. Aangezien de bestaande groenstructuren worden gehandhaafd worden geen effecten op vleermuizen verwacht.
Het plangebied zal zijn functie voor weidevogels verliezen, maar door het handhaven van het broekbos en de uitbreiding van de lanenstructuur zal het gebied een functie voor broedvogels van opgaande laanbeplanting blijven houden. Gezien de geringe ecologische waarde van het plangebied in de huidige situatie, wordt het verlies van de functie voor weidevogels als matig negatief beoordeeld. De broedmogelijkheden voor vogels van lanen nemen toe gezien de uitbreiding van de lanenstructuur. Aangezien het vooral zal gaan om algemene soorten, wordt dit als matig positief beoordeeld.
Er zijn geen effecten te verwachten op beschermde planten, omdat ze niet zijn aangetroffen tijdens de terreinbezoeken en de aangetroffen voedselrijke biotopen niet geschikt zijn.
Tijdens de bouw- en aanlegwerkzaamheden van een bedrijventerrein zullen over een periode van meerdere jaren zware machines ingezet moeten worden die geluid-, trillings- en lichthinder voor de aanwezige fauna kunnen veroorzaken. Door de ingrijpende grondwerkzaamheden en (tijdelijke) veranderingen in het waterregime raken bestaande biotopen ontregeld. Het werkverkeer van en naar de locatie heeft tevens een verstorende invloed in de directe omgeving ervan. Dit betreft een tijdelijk effect dat te mitigeren is door bouwactiviteiten niet in het broedseizoen te plannen en dat door een weloverwogen inzet van het materieel zo veel mogelijk kan worden beperkt.
Vogels
De braakliggende gebieden (verruigd grasland en akker) in het plangebied zijn een geschikte broedplaats voor weidevogels, akkersvogels en pioniersoorten. Indien de bouwwerkzaamheden voor Vossenberg West II plaatsvinden tijdens het broedseizoen (in de periode 15 maart - eind juli) dan kan worden gesteld dat ingrepen in het plangebied sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedterritoria en verstoring van de reproductie.
Tijdens de terreinbezoeken in maart 2011 zijn broedterritoria van weidevogels als kievit en veldleeuwerik waargenomen. Weidevogels broeden globaal vanaf half maart tot eind juni. Buiten het broedseizoen treedt enige verstoring op, dit resulteert slechts in het opvliegen van betreffende vogels en is niet in strijd met de Flora- en faunawet.
De werkzaamheden zullen zich beperken tot het plangebied, waar de bestaande waarde van fauna gering is. De beperkte functie als leefgebied voor weidevogels en vogels van opgaande beplanting zal in dit stadium reeds verloren gaan. De effecten specifiek van de inzet van materieel tijdens de aanlegfase zijn beperkt, aangezien het verlies van leefgebied tijdens de aanleg nauwelijks groter is dan in de definitieve fase.
Zoogdieren
Effecten op kleine zoogdieren zoals muizen kunnen worden beperkt door gefaseerd te werk te gaan. Dit houdt in dat eerst de vegetatie op de verruigde graslanden en akkers worden verwijderd, alvorens in een later stadium gebouwd gaat worden. Het hierdoor eerst minder geschikt gemaakte leefgebied kan dan tijdig door de aanwezige zoogdieren worden verlaten. Ten aanzien van deze soorten geldt dat ze in principe niet tijdens de winterslaap mogen worden verstoord door het verwijderen van vegetatie. Dat betekent dat vegetatie bij voorkeur in de periode van eind september tot half november moet worden verwijderd.
Grotere zoogdieren, als de mol en konijn, hebben grote leefgebieden en zullen tijdens de werkzaamheden het plangebied mijden. In de omgeving is voldoende geschikt leef- en rustgebied aanwezig voor deze soorten. Effecten op populatieniveau van deze soorten worden niet verwacht.
Amfibieën
Schade aan amfibieën is het grootst als de werkzaamheden in het voortplantingsseizoen plaatsvindt (half maart t/m juni). Indien de werkzaamheden buiten de voortplantingstijd en overwintering worden uitgevoerd is de schade beperkt. De ingreep heeft geen effecten op populatieniveau.
Voor de rugstreeppad is het van belang dat het bouwrijp gemaakte bedrijventerrein ongeschikt blijft als voortplantingsgebied. In de praktijk betekent dit dat er geen tijdelijke waterplassen mogen ontstaan die deze soort snel als voortplantingswater in gebruik kan nemen. Wanneer hier voldoende op wordt toegezien is de kans klein dat de soort zich op het werkterrein zal vestigen. Als de soort wel wordt aangetroffen dan moet op die locaties worden gewacht met voortzetting van de werkzaamheden tot einde voortplantingsperiode, en moeten de aanwezige dieren worden weggevangen. Voor een dergelijke verplaatsingsactie is een Ontheffing Flora- en faunawet nodig.
De gunstige staat van instandhouding van algemene en strikt beschermde amfibieënsoorten zal niet worden aangetast als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden.
Overig beschermde soorten
Er zijn geen effecten te verwachten op andere beschermde soorten, zoals dagvlinders, libellen en andere ongewervelden in het plangebied, omdat ze niet zijn aangetroffen tijdens de terreinbezoeken en de aangetroffen biotopen niet of nauwelijks geschikt zijn.
De aanleg van het nieuwe bedrijventerrein, inclusief haven, heeft onder andere door het verkeer dat wordt aangetrokken en door de bijbehorende geluidsemmisie een verstorend effect op natuurwaarden in de directe omgeving. Ook hierdoor kan leef- of fourageergebied van bepaalde soorten verloren gaan. Verstoringsgevoelige diersoorten zullen dan plaatsmaken voor minder verstoringsgevoelige soorten. In de omgeving van het plangebied liggen diverse bos- en natuurgebieden. De meeste natuurgebieden liggen ten zuidwesten van het gebied, nog onder het Wilhelminakanaal. Ten noorden van het plangebied ligt het plangebied 'Lobelia'.
De invloed van Vossenberg West II zal gering zijn op de natuurgebieden in het zuidwesten. In de eerste plaats omdat het Wilhelminakanaal hier nog als barrière tussen ligt en op de tweede plaats omdat de aanleg van de Burgemeester Letschertweg (Noordwesttangent) die bijna gerealiseerd is en langs het plangebied zal lopen, een veel grotere invloed zal hebben. De aanleg van Vossenberg West II wordt dan ook niet negatief beoordeeld ten opzichte van de zuidwestelijk gelegen natuurgebieden.
Voor het beoordelen van het effect op plan Lobelia geldt min of meer hetzelfde. Het industrieterrein zal een barrière vormen tussen de bos- en natuurgebieden te zuidwesten van het Wilhelminakanaal en plan 'Lobelia'. De ecologische verbinding tussen deze twee gebieden wordt verminderd. In het nieuwe watersysteem is ruimte gecreëerd voor een groenblauwe wig. Deze kunnen fungeren als ecologische verbindingszone. Het beschikbare areaal aan ecologische verbindingszones neemt echter wel af ten opzichte van de huidige situatie. Dit maakt dat de ingreep uiteindelijk als matig negatief beoordeeld wordt. Verder zal de locatie een toename in geluidsbelasting veroorzaken in de omgeving (zuidwestelijk deel plan Lobelia). Dit heeft een negatief effect op zoogdieren en vogels.
Aangezien ook de Burgemeester Letschertweg (Noordwesttangent) langs dit deel van plan Lobelia zal lopen, wordt de overlast als matig negatief beoordeeld.
Ook op een bedrijventerrein is door een gepaste inrichting en beheer de ontwikkeling van ecologisch interessante biotopen mogelijk. Het verlies van ecologische waarden door aanleg van het terrein kan hierdoor deels gecompenseerd worden. Via dit 'ecologisch' groen kunnen tevens verbindingen gecreëerd worden met ecologisch waardevolle biotopen in de directe omgeving van de locatie.
Binnen het plangebied zijn diverse watergangen voorzien. Deze watergangen zullen langs een groot aantal wegen lopen. De waterlopen kunnen ook een bijdrage leveren als ecologische verbindingszones. Deze natuurvriendelijk ingerichte waterlopen leveren nieuwe vestigingsplaatsen op voor planten en dieren. Gezien de aanwezige verstorende activiteiten in de directe omgeving, zal het gaan om algemene soorten. Aan de binnenzijde van de Burgemeester Letschertweg (Noordwesttangent) zal de waterberging van het gebied plaatsvinden. Na het moerasbosje begint de zone waar de Heibloemsloot loopt. Deze zone zal een natuurlijke en moerasachtige inrichting krijgen, waardoorheen de Heibloemsloot stroomt. De ontwikkeling van deze aquatische biotopen kan een positief gevolg hebben voor de vestiging van amfibieën en reptielen op de locatie. Ook hier zal het gaan om algemene soorten.
De ecologische verbindingszones langs en in het plangebied maken het verder mogelijk dat de natuurgebieden ten zuidwesten van het plangebied en het Wilheminakanaal verbonden worden.
Aangezien verstoring ten gevolge van Vossenberg West II buiten het plangebied alleen ten gevolge van geluidbelasting plaatsvindt, wordt alleen de verstoring van fauna bekeken, aangezien flora zelf niet beïnvloed wordt door geluid. Verandering in de fauna in een gebied heeft uiteraard zijn weerslag op de flora, maar de gevolgen op de fauna zijn niet dusdanig ingrijpend dat het nodig is deze indirecte effecten op flora te beschouwen.
Aanleiding en probleemschets
De nieuwe inrichting en gebruik van het Bedrijventerrein Vossenberg West II heeft, naast directe effecten op actuele natuurwaarden in het gebied zelf, mogelijk ook indirecte effecten op natuurgebieden in de omgeving. De oorzaak van dergelijke indirecte effecten is gelegen in de uitstoot van stoffen vanaf het bedrijventerrein die vanwege hun verzurende en vermestende werking negatieve effecten kunnen hebben op kwetsbare natuurwaarden. Soms kan die indirecte werking op ruime afstand liggen van het beschouwde project, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van verkeersaantrekkende werking op bepaalde wegen die op grote afstand door een kwetsbaar natuurgebied lopen.
Momenteel is stikstofdepositie van toekomstige projecten in potentie een probleem wanneer de verwachte depositietoename plaatsvindt in Natura 2000-gebieden. Voor deze categorie natuurgebieden zijn concrete doelen voor habitats geformuleerd, en is tevens de gevoeligheid van die habitats voor stikstof voorzien van een drempelwaarde, de Kritische DepositieWaarde (KDW) voor stikstof. Momenteel vraagt de provincie als Bevoegd Gezag voor de Natuurbeschermingswet / Natura 2000-gebieden om te analyseren of een project leidt tot negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en of sprake is van vergunningplicht vanwege de Natuurbeschermingswet.
Analyse
De vestiging van bedrijven op het bedrijventerrein leidt tot een toename van de stikstofemissie vanaf dat bedrijventerrein en, na verspreiding en neerslaan (depositie) in de omgeving, tot een toename van de stikstofdepositie in natuurgebieden. Daarnaast leidt beëindiging van stikstofuitstotende (agrarische) bedrijvigheid in het plangebied tot een daling van de emissie en depositie van stikstof.
Natura 2000-gebied Loonse & Drunense Duinen
Het dichtstbij zijnde Natura 2000-gebied vanuit Vossenberg / Tilburg is het gebied Loonse & Drunense Duinen, en ligt op circa 6 km afstand. Voor dit gebied zijn de doelen geformuleerd.
Van de habitats in dit gebied zijn vooral de zandverstuivingen, heiden, vennen en oude eikenbossen gevoelig voor stikstofdepositie. De huidige totale stikstofdepositie (1500-2000 mol N per ha per jaar) is hoger dan de KDW van de genoemde habitattypen (400, 1100 mol N per ha per jaar).
Beleid: daling van achtergronddepositie
Het rijk en de provincies streven naar een daling van de totale depositie, opdat op termijn deze lager is dan de kritische waarde per habitattype.
De beoogde daling zal worden bereikt door middel van reguliere maatregelen in onder meer de veehouderij en andere economische sectoren, maar daarnaast ook door gerichte ruimtelijke maatregelen zoals bijvoorbeeld verplaatsing van grote bronnen ('piekbelasters') die op korte afstand van de natuurgebieden staan. De 'ruimte' die door deze maatregelen ontstaat komt deels ten goede aan de genoemde natuurdoelen, maar kan ook worden aangewend voor verdere economische ontwikkeling ('ontwikkelruimte').
In het najaar van 2011 ontstaat duidelijkheid over de omvang van de verwachte ontwikkelruimte voor natuurdoelen en economische ontwikkelingen tot aan 2020 (en doorkijk naar 2030).
Planinitiatieven worden intussen getoetst op hun bijdrage aan de beoogde beleidsdoelen, en de eventuele plicht tot beperking van de uitstoot of eventuele andere mitigerende maatregelen. Zo nodig worden dergelijke maatregelen onderdeel van een vergunningtraject Natuurbeschermingswet.
Toetsing Vossenberg West II
Voor Vossenberg west II is op basis van enkele aannamen en een sterk vereenvoudigde modellering een berekening uitgevoerd van de depositie aan de rand van het Natura 2000-gebied. Deze berekening laat zien dat bij ontwikkeling van het bedrijventerrein omstreeks 2020 er een beperkte toename van de stikstofdepositie aan de rand van de Loonse & Drunense Duinen ontstaat. Deze beperkte toename met een grootteorde van 1,5 à 2 mol N per ha per jaar is vastgesteld voor een vereenvoudigde situatie waarin met een gemiddelde emissie per categorie mogelijk gemaakte bedrijvigheid is gerekend. In een situatie waarin sprake is van een overschrijding van de achtergronddepositie van stikstof, is een dergelijke toename niet op voorhand te verwaarlozen.
Hierbij wordt opgemerkt dat verlaging van de stikstofemissie en -depositie als gevolg van beëindiging van agrarische bedrijvigheid ter plaatse (en ten gunste) van het bedrijventerrein, niet is meegenomen in de berekeningen.
De provincie als bevoegd gezag voor Natura 2000 heeft bij toetsing van plannen (in tegenstelling tot toetsing van projecten) geen rol in de beoordeling van een vermeend effect. De formele toetsing vindt plaats in het kader van de vergunningverlening Natuurbeschermingswet voor de te vestigen afzonderlijke bedrijven. Pas dan zal blijken of afzonderlijke bedrijven werkelijk leiden tot stikstofdepositie, of dat de bedrijven kunnen worden beschouwd als bedrijven met verwaarloosbare stikstofemissie.
Concreet leidt de toetsing van Vossenberg West II tot de conclusie dat op basis van een modelmatige benadering van het bedrijventerrein er sprake is van een beperkte toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen. De depositie ligt in orde van grootte van 1,5 à 2 mol N per ha per jaar. Deze depositie is formeel niet op voorhand verwaarloosbaar, maar staat de realiseerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. De feitelijke toetsing van stikstofdepositie vindt plaats bij realisatie van het bedrijventerrein per individueel bedrijf. Voor stikstofemissie-arme bedrijven zal stikstof geen belemmering zijn voor vestiging. Voor bedrijven met stikstofemissie zal de toetsing te zijner tijd plaatsvinden door de provincie op basis van de dan geldende wetgeving en toetscriteria voor dit onderwerp.
Naast de uitstoot van de bedrijven leidt de ontwikkeling van het bedrijventerrein tot een toename van verkeersbewegingen van personen- en vrachtverkeer op wegen die op korte afstand liggen van Natura 2000-gebieden. De berekende verkeerstoename voor 2020 op de A261 langs de Loonse & Drunense Duinen als gevolg van bedrijventerrein Vossenberg West bedraagt op een gemiddelde werkdag 490 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm).
Deze verkeerstoename zal leiden tot een beperkte toename van de stikstofdepositie in het aangrenzende natuurgebied. Deze depositie vindt echter plaats in een deel van het gebied waar vanuit bestaand gebruik en autonome groei (tot 60.000 mvt/etm in 2020) reeds sprake is van een relatief hoge depositie langs de bestaande weg. De verkeerstoename als gevolg van het project bedraagt 0,8% van de verwachte intensiteit in 2020. Deze beperkte toename is te verwaarlozen in relatie tot het belang van de depositie vanaf het bestaand gebruik en autonome ontwikkeling. Door bronmaatregelen in de vorm van schonere verbrandingsmotoren is het beleid volgens het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit erop gericht dat de verkeersector zelf de bijdrage levert aan verlaging van de stikstofdepositie.
Door de ingrijpende grondwerkzaamheden en (tijdelijke) veranderingen in het waterregime tijdens het bouwrijp maken van Vossenberg West II raken bestaande biotopen ontregeld. Tevens zal het werkverkeer van en naar de locatie een verstorende invloed in de directe omgeving ervan geven.
Aangezien de aanwezige flora en fauna in de huidige situatie niet van uitzonderlijke waarde is, zal er weinig aantasting hiervan optreden.
In de omgeving van het plangebied liggen enkele bos- en natuurgebieden. De aanleg van Vossenberg West II zal enige verstorende effecten op fauna in de omgeving van het plangebied ten gevolg hebben.
Het verlies van ecologische waarden door aanleg van het terrein kan deels gecompenseerd worden doordat door een gepaste inrichting en beheer de ontwikkeling van ecologisch interessante biotopen mogelijk blijft.