| Plan: | Vossenberg West II |
|---|---|
| Status: | onherroepelijk |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0855.BSP2011020-e001 |
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Voor het onderdeel Bodem is zoveel mogelijk aangesloten bij de informatie die reeds beschikbaar is op basis van het eerdere MER en bestemmingsplan. De onderzoekslocatie betreft een locatie waar voornamelijk agrarisch activiteiten hebben plaatsgevonden. De aanwezige agrarische gebouwen zijn gesloopt. De locatie zal worden ontwikkeld tot bedrijventerrein Vossenberg West II. Momenteel is het bouwrijp maken van het terrein afgerond en heeft ophoging plaatsgevonden (verhoging van het maaiveld). In de tussentijd zijn geen activiteiten in het gebied ontplooid die invloed kunnen hebben op de bodemkwaliteit, zodat de informatie uit het voorgaande MER nog immer actueel is. Dit betekent ook dat uitgegaan is van de referentiesituatie conform het vigerende bestemmingsplan
De bodem van Tilburg is over grote delen zandig van opbouw. Uit het bodemkundig/hydrologisch onderzoek van 2003 en 2005, blijkt de bodemopbouw ter plaatse van Vossenberg West II, te bestaan uit een bovengrond van hoofdzakelijk matig tot zeer fijn zand, dat matig humeus en matig siltig is. De teeltlaag is gemiddeld 0,3 à 0,5 m dik. Onder de toplaag bevindt zich veelal zwak siltig matig fijn zand.
De zandgrofheid neemt in hoofdzaak toe met de diepte, het siltgehalte neemt veelal af met de diepte. Bijmengingen met grind komen veelvuldig voor in het gebied. Ook zijn storende bodemlagen aangetroffen in de vorm van klei- en leemlagen en sporadisch is in de ondergrond een veenlaag gevonden. Storende bodemlagen zijn “storend” op de neerwaartse grondwaterstromingen door de geringe doorlatendheden. Deze lagen vormen een belemmering voor wegzijgend hemelwater. De dikte van de klei/leemlagen varieert van 0,05 m tot 1,7 m. De lagen zijn aangetroffen vanaf een diepte van circa 0,6 tot 3,0 m-mv. De klei/leemlagen zijn ruimtelijk op een aantal plaatsen gecentreerd. Namelijk in het noorden van fase 1, in het oosten nabij de Groenvenseweg, direct ten noorden van de Rouwveldenseweg, nabij de Voldijk en in het zuidwesten van fase 2. De sporadisch aangetroffen veenlagen hebben een dikte van 0,1 à 0,4 m en zijn aangetroffen vanaf een diepte van 1,3 m-mv. Ook zijn plaatselijk leembandjes aangetroffen, doorgaans tussen 0,5 en 1,5 m-mv. De grondwatertrap is overwegend IV (GHG >40 cm-mv, GLG 80-120 cm-mv). Het gedeelte waar de bodem bestaat uit moerige gronden is de grondwatertrap II / III (GHG <40 cm-mv, GLG 50-80 cm-mv (II), GLG 80-120 cm-mv (III)). Het gedeelte met lemig zand langs het Wilhelminakanaal heeft een GWT van III* (GHG 25-40 cm-mv, GLG 80-120 cm-mv.)
De hoogteligging van het plangebied is 5-6 m + NAP. In het centrum van het plangebied is de hoogte 6-7 m + NAP. Ook de zuidoost hoek van het plangebied heeft een hoogte van 6-7 m + NAP. Het peil van het Wilhelminakanaal is ten westen van Sluis II (stroomafwaarts) 5,15 m + NAP, ten oosten van Sluis II is het peil 7,70 m +NAP.
De gemeente Tilburg heeft in 2004 een inventarisatie uitgevoerd voor alle potentieel verdachte locaties. Uit deze inventarisatie blijken voor het plangebied geen bijzonderheden. De informatie van deze locaties tezamen met de in de loop der tijd opgebouwde bodeminformatie is beschikbaar in een actueel digitaal bodembestand.
Voor het gehele plangebied moet bodemonderzoek uitgevoerd worden voor met de bouw gestart kan worden. De gemeente Tilburg heeft in 2004 een inventarisatie uitgevoerd voor alle potentieel verdachte locaties. Uit deze inventarisatie blijken voor het plangebied geen bijzonderheden. De informatie van deze locaties tezamen met de in de loop der tijd opgebouwde bodeminformatie is beschikbaar in een actueel digitaal bodembestand. Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen dient dit bodembestand geraadpleegd te worden om te bekijken of de beschikbare informatie onvoldoende is of dat aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd moet worden.