| Plan: | Vossenberg West II |
|---|---|
| Status: | onherroepelijk |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0855.BSP2011020-e001 |
De vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan voor de ontwikkeling van bedrijventerrein Vossenberg West II is m.e.r.-plichtig voor het onderdeel van de zwaaikom en de containerterminal en m.e.r.-beoordelingsplichtig voor het bedrijventerrein zelf. Hierdoor moet voor de planologische ontwikkeling van het bedrijventerrein een Milieueffectrapport worden opgesteld (MER). Voor het project moet de uitgebreide m.e.r.-procedure worden doorlopen. Daar het ontwikkelen van bedrijventerrein Vossenberg West II een gemeentelijk initiatief is, volgt uit de m.e.r.-wetgeving dat gemeente zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag is. De gemeenteraad is bevoegd tot het vaststellen van het bestemmingsplan. Dit betekent dat de gemeenteraad bevoegd gezag is in de m.e.r.-procedure.
De concept notitie reikwijdte en detailniveau voor het op te stellen MER is ter inzage gelegd van 25 maart tot en met 5 mei 2011. De terinzagelegging is gepubliceerd in de Tilburgse Koerier en Staatscourant van donderdag 24 maart 2011. Op 23 maart 2011 is een bewonersbrief verspreid in de omgeving van het bedrijventerrein en op 7 april 2011 is een inloopavond georganiseerd.
Iedereen is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen op de conceptnotitie. De wettelijke adviseurs en andere mogelijk belanghebbende organisaties zijn in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen. De commissie m.e.r is op vrijwillige basis verzocht om een advies uit te brengen. De zienswijzen konden in deze fase van de procedure alleen betrekking hebben op wat moet worden onderzocht in het MER.
Na raadpleging van de gemeenteraad heeft het college van burgemeester en wethouders op 18 juli 2011, mede op basis van de ingekomen zienswijzen en adviezen, de notitie Reikwijdte en detailniveau definitief vastgesteld. Deze notitie heeft als basis gediend voor het op te stellen MER.
Het Milieueffectrapport (Milieueffectrapport) is opgesteld om de milieueffecten in beeld te brengen van het realiseren van bedrijventerrein Vossenberg West II, dat is gelegen in de gemeente Tilburg en een oppervlakte heeft van circa 100 ha. Op Vossenberg West II wordt (onder andere) een langshaven met containerterminal en zwaaikom aangelegd. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken is het doorlopen van een m.e.r.-procedure verplicht. Een m.e.r.-procedure heeft tot doel het milieubelang op een juiste wijze in ruimtelijke plannen en projecten mee te nemen en de (potentiële) milieueffecten in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld te brengen. Hierbij worden vaak verschillende varianten en alternatieven in beschouwing genomen. Terzijde wordt opgemerkt dat indien Vossenberg West II definitief is opgenomen in bijlage II van de Crisis- en herstelwet, een alternatievenonderzoek niet noodzakelijk zou zijn geweest.
Plangebied, studiegebied en referentiesituatie
In een MER wordt onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het studiegebied. het plangebied is het gebied waar de voorgenomen activiteiten betrekking op hebben (aanleg bedrijventerrein inclusief langshaven en zwaaikom). Dit is het gebied dat is vastgelegd in het bestemmingsplan. Het studiegebied betreft het gebied tot waar de voorgenomen activiteiten nog belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben. De effecten van het aanleggen van het bedrijventerrein en de rest van het plan heeft niet alleen binnen het plangebied gevolgen, maar ook daarbuiten. Denk daarbij aan bijvoorbeeld geluid of verkeersaantrekkende werking. De effecten op zowel het plangebied als het studiegebied worden in het MER beschouwd.
De milieugevolgen van de voorgenomen activiteit worden in het MER vergeleken met de referentiesituatie. Dit is de situatie die in 2020 zal zijn ontstaan op basis van de huidige situatie en het realiseren van vastgestelde ruimtelijke plannen, de zogenaamde 'autonome ontwikkelingen'.
Vossenberg West II is in zekere zin bijzonder omdat hier sprake is van een dubbele referentie. Gebruikelijk is om de feitelijke juridische situatie als referentiesituatie te nemen, echter dit zou betekenen dat het bestemmingsplan Buitengebied 1954 als juridische basis zou moeten dienen. De oorspronkelijke agrarische bestemmingen en het agrarische karakter, zoals kassenbouw zijn thans verdwenen, doordat het bedrijventerrein inmiddels bouwrijp is gemaakt. Op basis van de onderzoeken van het vernietigde bestemmingsplan en MER is de situatie voor het bouwrijp maken reeds beschreven. Maar om volledig te zijn wordt in het MER ook ingegaan op de situatie met het bouwrijp opgeleverde plangebied voor Vossenberg West II. In zekere zin is er dus sprake van een dubbele referentie die gehanteerd wordt in het MER. Met name voor de onderzoeken in de ondergrond (bodem, archeologie) en op het maaiveld (water, ecologie) is het gebruik van een dubbele referentie relevant.
Autonome ontwikkelingen waarmee in het MER rekening wordt gehouden zijn de opwaardering van het Wilhelminakanaal en de aanleg van de Burgemeester Letschertweg, Het kanaal zal verbreed en verdiept worden om ook grotere schepen door het kanaal te kunnen laten varen. De Burgemeester Letschertweg is een circa 15 kilometer lange dubbelbaans (2x2 strooks) weg aan de noord- en westrand van Tilburg. Samen met de A58 en de Burgemeester Bechtweg maakt de noordwestelijke tangent de ring rond Tilburg compleet.
De beschrijving en de beoordeling van de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen in het MER vindt plaats aan de hand van een aantal criteria voor uiteenlopende milieuaspecten. De gehanteerde beoordelingsschaal gaat uit van gradaties variërend van zeer positief tot zeer negatief.
Beoordelingskader MER Vossenberg West II
| Thema | Aspect |
| Verkeer | Mobiliteit, bereikbaarheid, verkeersveiligheid |
| Geluid | Geluidbelast oppervlak / geluidgehinderden / effecten op EHS |
| Luchtkwaliteit | Luchtkwaliteit: stikstofdioxide en fijn stof |
| Externe veiligheid | Externe veiligheid: plaatsgebonden risico en groepsrisico |
| Ruimtelijke kwaliteit | Gebruikswaarde, belevingswaarde, toekomstwaarde en barrièrewerking |
| Bodem en water | Bodemopbouw, bodemkwaliteit, waterstructuur, grondwater en waterkwaliteit |
| Ecologie | Beschermde gebieden, beschermde soorten, ecologische relaties, Natura2000 |
| Landschap, cultuurhistorie en archeologie |
Archeologische waarden, verwachtingswaarden, cultuurhistorische waarden, stedelijk landschap en barrièrewerking |
| Overige hinderaspecten | Lichthinder en kabels en leidingen |
| Hinder tijdens aanleg | Trillingen |
| Duurzaamheid | Grondstoffen, energie en toekomstwaarde |
| Gezondheid | Gecumuleerde impact (kwalitatief) van diverse milieuaspecten |
Twee varianten
In het MER is uitgegaan van één alternatief. In de vorige m.e.r.-en zijn reeds uitgebreide studies verricht, waaruit het voorliggende alternatief is gekozen, zodat de keuze voor één alternatief deugdelijk is onderbouwd. Tevens geldt dat de ontwikkeling van Vossenberg West II in 1993 ingezet is en dat in vergelijking met de eerdere plannen er gesproken kan worden van het verkleinen van de milieueffecten van de voorgenomen activiteiten: Vossenberg West II wordt zo optimaal mogelijk ingepast naast de voormalige VINEX-woonwijk de Reeshof, de woningen aan de noordzijde en de Ecologische Verbindingszone en verderop de Burgemeester Letschertweg aan de westzijde.
Binnen het ene alternatief voor Vossenberg West II zijn in het MER twee varianten onderzocht. De twee varianten hebben betrekking op de toe te laten milieucategorieen op het bedrijventerrein. Variant A maakt categorie 3.1, 3.2, 4.1, 4.2 en 5.1-bedrijven mogelijk en Variant B 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2-bedrijven. Hierna volgt een illustratie van de beide varianten. Voor een uitgebreide beschrijving en beschouwing van de varianten wordt verwezen naar het MER.
Variant A: maximale invulling bedrijventerrein inclusief milieucategorie 5.1
Variant B: maximale invulling van het bedrijventerrein, zonder milieucategorie 5.1
Beoordeling van de milieueffecten
Hieronder volgt een overzicht van de beoordeelde milieueffecten van beide varianten. Op diverse aspecten scoort Variant B beter dan Variant A. Voor wat betreft de keuze tussen de beide varianten wordt verwezen naar paragraaf 5.4.3.1 van dit hoofdstuk.