direct naar inhoud van Artikel 5 Bedrijventerrein
Plan: Vossenberg West II
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2011020-e001

Artikel 5 Bedrijventerrein

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Functie

De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven behorende tot de categorieën 3.1 tot en met 4.2 van de in Bijlage 1 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de categorie bedrijfsactiviteiten die maximaal voor de gronden is toegestaan per bestemmings(deel)vlak is weergegeven op de planverbeelding, met uitzondering van:
      • inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 41 Wet geluidhinder, en;
      • inrichtingen vallende onder artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
  • b. bedrijven behorende tot categorie 2 van de in Bijlage 1 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, voor zover het groothandelsbedrijven of bedrijven in een bedrijfsverzamelgebouw betreffen met uitzondering van:
      • inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 41 Wet geluidhinder, en;
      • inrichtingen vallende onder artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
  • c. opslagen en installaties behorende tot de in Bijlage 2 opgenomen Lijst opslagen en installaties zijn toegestaan, voor zover passend binnen de toegestane milieucategorie zoals bepaald in sub a van dit artikel;
  • d. bouwwerken van algemeen nut.
5.1.2 Aanduidingen

Ter plaatse van de aanduiding:

a. specifieke vorm van bedrijventerrein - containeroverslag (sbt-cov), zijn de voor ´Bedrijventerrein´ aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor de daarbij weergegeven functie.

Ter plaatse van de aanduiding:

b. horeca van categorie 1 (h1);

c. water-waterstaatkundige functie (wr-ws).

zijn de voor ´Bedrijventerrein´ aangewezen gronden mede bestemd voor de daarbij weergegeven functie(s).

5.1.3 Bijbehorende voorzieningen

De voor ´Bedrijventerrein´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:

  • a. kantines en restauratieve voorzieningen, voor zover ondersteunend en ondergeschikt aan de bedrijfsvoering;
  • b. kantoorruimten, zijnde maximaal 20% van de bedrijfsvloeroppervlakte per bouwperceel en voor zover ondersteunend en ondergeschikt aan de bedrijfsvoering;
  • c. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen zijnde maximaal 10% van de bedrijfsvloeroppervlakte per bouwperceel met een maximum van 100 m²;
  • d. parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • g. tuinen en erven;
  • h. objecten voor beeldende kunst;
  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
  • j. bedrijfspompen, alleen voor zover deze ten dienste staan van een transportbedrijf, geplaatst worden/zijn op het eigen bouwperceel en dienen ten behoeve van het eigen gebruik;

voor zover deze behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 5.1.1 en 5.1.2 genoemde functies.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Specifieke bouwaanduidingen

Bedrijven behorende tot categorie 4.2 van de in Bijlage 1 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteitenmogen - met uitzondering van het bedrijf ter plaatse van de functieaanduiding specifieke vorm van bedrijventerrein-containeroverslag - niet eerder worden gerealiseerd en in gebruik genomen dan nadat de bouwpercelen ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'eerstelijns bebouwing' dusdanig zijn bebouwd dat op maximaal 20 meter gemeten vanaf de noord-westelijke perceelsgrens een eerstelijns-bebouwing ontstaat over de totale breedte van het bouwperceel, gelegen evenwijdig aan de Burgemeester Letschertweg, en met een minimale bouwhoogte van 12 meter.

5.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. bedrijfsgebouwen mogen niet eerder worden opgericht dan nadat de geluidswallen zoals opgenomen in de bestemming groen zijn aangelegd;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ondergeschikte delen van een bouwwerk, voor zover gelegen binnen het bestemmingsvlak, het bouwvlak overschrijden;
  • d. de afstand van de bedrijfsgebouwen tot aan de perceelgrens dient tenminste 5 meter te bedragen met dien verstande dat de minimale afstand van de bedrijfsgebouwen niet zijnde de representatieve delen van die gebouwen, zoals kantoren/kantoorruimte, showroom, receptie, ontvangstruimte etc., tot aan de openbare weg 20 meter dient te bedragen;
  • e. de afstand tussen gebouwen op twee belendende percelen mag niet minder dan 10 meter bedragen;
  • f. het bebouwingspercentage per bouwperceel mag niet meer bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • g. het bebouwingspercentage per bouwperceel mag niet minder bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven minimum;
  • h. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • i. de bouwhoogte mag niet minder bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven minimum;
  • j. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'eerstelijns bebouwing' wordt de bebouwing uitgevoerd als eerstelijns bebouwing, waarbij op maximaal 20 meter gemeten vanaf de noord-westelijke perceelsgrens een gevel van een bedrijfsgebouw of een ander bouwwerk dat fungeert als bebouwingsfront aanwezig is over de totale breedte van het bouwperceel, gelegen evenwijdig aan de Burgemeester Letschertweg. Het bepaalde onder e voor wat betreft de afstand ten opzichte van de perceelsgrens is in dat geval niet van toepassing.
5.2.3 Bouwwerken van algemeen nut

Voor het bouwen van bouwwerken van algemeen nut gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht;
  • b. de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5 m;
  • c. de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50 m².
5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het bouwvlak mag niet meer dan 3 m bedragen, en de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het onbebouwd erf niet meer dan 2 m;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag in het bouwvlak niet meer dan 15 m en in het onbebouwd erf niet meer dan 2 m bedragen.
5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van:
  • 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • 2. de verkeersveiligheid;
  • 3. de sociale veiligheid;
  • 4. de brandveiligheid;
  • 5. de milieusituatie, in het bijzonder ten aanzien van de doelmatigheid van bebouwing ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding - eerstelijns bebouwing;
  • 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen.
5.4 Afwijken van de bouwregels
5.4.1 Binnenplans afwijken

Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 5.4.2, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van:

  • a. het bepaalde in 5.2.2 met betrekking tot de maximale bouwhoogte:
    • 1. voor ten hoogste 25% van het bouwperceel tot 20 m;
    • 2. voor ten hoogste 20% van het bouwperceel tot 25 m;
    • 3. voor ten hoogste 15% van het bouwperceel tot 30 m.
  • b. het bepaalde in 5.2.2 met betrekking tot de genoemde afstand tot de perceelsgrens en de afstand tussen tussen bedrijfsgebouwen op twee belendende percelen indien de bebouwing zowel op het betreffende perceel als het naastgelegen perceel in de perceelsgrens wordt gebouwd volgens het principe "twee onder een kap". Dit geldt alleen voor bouwpercelen tot 4000 m²;
  • c. het bepaalde in 5.2.2 met betrekking tot het minimale bebouwingspercentage;
  • d. het bepaalde in 5.2.4 voor de hoogte van erfafscheidingen in het onbebouwd erf, zulks tot een hoogte van maximaal 3 m;
  • e. het bepaalde in 5.2.4 onder b. voor de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zulks tot een hoogte van maximaal 30 m.
5.4.2 Voorwaarden

Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan slechts worden verleend indien:

  • a. dit vanuit het oogpunt van de bedrijfsvoering, de bedrijfspresentatie, de constructie of verschijning van het gebouw of de aard van het bedrijf noodzakelijk is;
  • b. de bebouwingskarakteristiek van de straat niet onevenredig wordt geschaad;
  • c. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt;
  • d. er zoveel mogelijk sprake is van zuinig ruimtegebruik;
  • e. de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • f. de milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast;
  • g. de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • h. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • i. de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond.
5.5 Specifieke gebruiksregels
5.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ´Bedrijventerrein´, wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidshinderlijke inrichting op grond van de Wgh of risicovolle inrichting op grond van Bevi;
  • b. het gebruik van gronden gelegen vóór het opgerichte bebouwingsfront als omschreven in 5.2.1voor geluidsproducerende bedrijfsactiviteiten die hinderlijk zijn voor de omgeving, zoals laden en lossen;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning;
  • d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten, anders dan bedoeld in 5.1.3 sub b;
  • e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan bedoeld in 5.1.3;
  • f. het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
  • g. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
  • h. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
  • i. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.
5.5.2 Gebruik gronden specifieke vorm van bedrijventerrein - containeroverslag

De gronden met de functieaanduiding specifieke vorm van bedrijventerrein - containerterminal mogen niet eerder in gebruik worden genomen dan nadat de geluidswal zoals opgenomen in de bestemmingen Agrarisch en Natuur is aangelegd.

5.5.3 Binnenplans afwijken t.b.v. milieucategorie

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 5.1.1 voor de uitoefening van een bedrijf of activiteit die/dat in de bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten is vermeld in de categorie 2 en die/dat niet is toegestaan op het betreffende perceel, mits door of namens de aanvrager of andere betrokkenen gemotiveerd wordt onderbouwd dat het bedrijf/de activiteit naar aard en omvang passend is op het logistieke bedrijventerrein Vossenberg West II.

5.5.4 Binnenplans afwijken t.b.v. bevi inrichtingen

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 5.1.1 sub a ten behoeve van de uitoefening van een bevi-inrichting of een activiteit behorende bij een bevi-inrichting, mits:

  • a. de bevi-inrichting of de activiteit behorende bij een bevi-inrichting niet is gelegen op gronden met de gebiedsaanduiding Bevi-inrichting - uitgesloten;
  • b. de 10-6 contour voor het PR is gelegen binnen het bouwperceel van de risicovolle inrichting. De contour mag eveneens liggen op aangrenzende gronden met de bestemming Verkeer, Groen of Water-Waterstaatkundige doeleinden;
  • c. er een verantwoording wordt gegeven van het groepsrisico in het invloedsgebied als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en die verantwoording door het bevoegd gezag aanvaardbaar wordt geacht.
5.5.5 Binnenplans afwijken t.b.v. vuurwerk

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het plan ten aanzien van de toelaatbaarheid van activiteiten ten behoeve van:

  • a. nieuwbouw van een bewaarplaats of een bufferbewaarplaats c.a. en de daaraan verbonden opslag en verkoop van consumentenvuurwerk;
  • b. de verbouwing, uitbreiding en/of verplaatsing van een bestaande bewaarplaats of een bufferbewaarplaats c.a. ten behoeve van opslag voor de verkoop van consumentenvuurwerk daar waar de aanduiding ´verkoop en opslag vuurwerk toegestaan´ voorkomt.

Het bevoegd gezag stelt voorwaarden aan de omgevingsvergunning ter voorkoming van onaanvaardbare overlast en onveiligheid voor de (woon)omgeving onder meer voor wat betreft parkeren, verkeersaantrekkende werking, geluidhinder e.d. en veiligheidsafstanden zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit. Bij nieuwvestiging van verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk wordt daarnaast te allen tijde aan de omgevingsvergunning de voorwaarde verbonden dat de veiligheidscontour zoals is opgenomen in het Vuurwerkbesluit (besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002)) op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over groenvoorzieningen in openbaar gebied waarbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten.