direct naar inhoud van 4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
Plan: Zorgvlied 2008, 2e herziening (Burg. Damsstraat 15)
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2010001-e001

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

4.3.1 Archeologie

Op de Archeologische Waarschuwingskaart van Tilburg heeft de wijk Zorgvlied deels een onbekende archeologische verwachting (westelijke deel) en deels een hoge verwachting (oostelijke deel). Om deze verwachting nader te kunnen specificeren is in 2006 door Bilan in opdracht van de gemeente Tilburg onderzocht. Dit onderzoek "Van Doden Hoek tot Den Langenberg. Tilburg – De Reit - Zorgvlied. Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek" ISSN 1572-3194-2006/concept, had onder meer als doel om vanuit de reconstructie van het prestedelijke landschap, dat in nauwe relatie staat tot de bewoningsgeschiedenis, door middel van een lagenbenadering te komen tot een realistisch verwachtingsmodel voor wat betreft de archeologische waarden. De verschillende landschappelijke lagen zijn reliëf, water, bodem en wegenpatroon. Deze aspecten werden aangevuld met onder andere archeologische waarnemingen, bekende historische bebouwing en toponymisch onderzoek om een overzicht te krijgen van de historische bewoning en het type landschapsgebruik. De landschapsreconstructie werd gekoppeld aan bekende nederzettingspatronen uit diverse perioden. Op deze manier werd uitspraak gedaan over locaties die gunstig kunnen zijn geweest voor (pre)historische bewoning.

Net als andere stadsdelen van Tilburg voldoet Zorgvlied aan een aantal historisch-landschappelijke criteria dat kansen biedt aan vroege bewoning of deze althans doet vermoeden. Het gaat hierbij om elementen zoals de nabijheid van water, de afwisseling van het reliëf (met name het voorkomen van hoger gelegen locaties), de bodemgesteldheid en de voormalige aanwezigheid van oude structuren die een aanduiding kunnen zijn van oude bewoningspatronen.

De archeologische verwachting, zoals aangeduid op de ArWaTi, is op basis van het uitgevoerde cultuurhistorisch en archeologisch onderzoek per periode nader toegespitst. In het rapport is per periode (onderverdeeld in steentijd, bronstijd-ijzertijd-Romeinse tijd en Middeleeuwen-Nieuwe tijd) een verwachtingskaart toegevoegd. Deze verwachting per periode geeft echter een historische situatie weer, waarbij geen rekening is gehouden met urbanisatie die gepaard is gegaan met de moderne en submoderne verstoringen van het plangebied in de twintigste eeuw. Voor de aanleg van de uitbreidingswijken is het gebied waarschijnlijk geëgaliseerd en ook voor de aanleg van de hoogbouw en andere woningen was een forse ingreep in de bodem noodzakelijk. Deze delen van de wijk hebben daardoor een lagere archeologische verwachting.

Het binnenterrein van het complex Mariëngaarde heeft op de bestemmingsplankaart een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Deze verwachting stoelt op het nog onverstoorde karakter van de bodem aldaar.

Planrealisatie zal het archeologische bodemarchief ter plekke niet of nauwelijks aantasten omdat het een beperkte uitbreiding van de bestaande bouw betreft en nieuwbouw op dezelfde locatie als een te slopen bouwdeel.

Omdat de bodem van het binnenterrein van het plangebied vermoedelijk ongestoord is, kan daaraan een middelhoge tot hoge archeologische verwachting worden toegekend. Het ter plekke onverstoorde bodemarchief zal nauwelijks worden aangetast.

Bij eventuele archeologische vondsten is de meldingsplicht, vervat in de monumentenwet van 1988, van kracht. Deze stelt in artikel 47 dat de vondst van (roerende en onroerende) archeologische resten binnen drie dagen gemeld dient te worden aan de burgemeester.

4.3.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg

Het plangebied is gelegen in een structuur die in cultuurhistorisch opzicht als waardevol aan te merken valt. De wijk scoort hoog zowel als kwalitatief hoogwaardige representant van zowel de vooroorlogse als de naoorlogse architectuur. Het stedenbouwkundig plan van de wijkinvulling is een ontwerp uit 1919 van stedenbouwkundige Jos. Th. J. Cuypers. In aangepaste vorm werd het in 1953 opgenomen in het Uitbreidingsplan in Hoofdzaak waarin de Tilburgse stadsuitleg geregeld werd. In de wijk is hoogwaardige architectuur van tal van belangrijke architecten aan te treffen; onder meer W. M. Dudok, Jos. Schijvens, A.J. Kropholler en Jos. Bedaux. Meestal betreft het hier woonhuizen en villa's voor de welgestelden.

Het gebouwencomplex Mariëngaarde, Burgemeester Damsstraat 15/15A te Tilburg, waarop de planontwikkeling betrekking heeft, is in 2001 aangewezen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988 (registernummer 521157). Het werd in 1935 naar plannen van architect A.J. Kropholler (1881-1973) opgetrokken als onderdeel van het aan de Ringbaan West gelegen parochiecomplex van de H. Margarita Alacoque en diende als verzorgingspension voor welgestelde ouderen. Sinds 2007 is deze functie vervallen.

Iets ten zuidoosten van het plangebied is één gemeentelijk monument gelegen: het uit 1933 daterende woonhuis Burgemeester Damsstraat 50. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich het gemeentelijke monument Bredaseweg 442, een villa uit 1937.

Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant staan in de directe nabijheid van het plangebied veel panden vermeld als opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Dit betreft villa's en rijtjeshuizen aan onder meer de Bredaseweg (nrs. 310-320, 384, 392, 402-416, 430-436, 442 en 452) Burgemeester Damsstraat (nrs. 2, 21, 23, 27, 29, 46, 48 en 50), de Burgemeester Rauppstraat (nrs. 2-14), de Burgemeester Suijsstraat (nrs. 36-42, 41-49 en 52-70), de Burgemeester Van Meursstraat (nrs. 24-30 en 35-43) en de Ringbaan West (nrs. 171-193).

In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele gebouwen en structuren die vanuit het opzicht van de architectuur en stedenbouw 1940-1970 als waardevol aan te merken zijn. Dit zijn onder meer het gebouw van de GGD aan de Ringbaan West 227 en een school aan de Burgemeester Rauppstraat 30. Aan en om het Burgemeester van de Mortelplein werden in het midden van de jaren vijftig van de twintigste eeuw rondom een nieuwe pleinaanleg enkele waardevolle woningbouwcomplexen opgetrokken.

Monumentenzorg

Het ontwerp is voorgelegd aan de monumentencommissie. Deze heeft positief geadviseerd met uitzondering van de voorgestelde ventilatievoorzieningen op het dak. Zij stelde ook voor onderzoek naar de historische kleuren te doen en de nieuwe noordvleugel qua materiaal en kleur ondergeschikt aan het monument uit te voeren.

De rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft positief geadviseerd op het project met uitzondering van de voorgestelde sloop van de noordvleugel en de aanbouw tegen de zuidvleugel. Volgens de dienst maakt de eerste vleugel wezenlijk deel uit van het monument en betekent de aanbouw tegen de zuidvleugel dat deze aan het zicht wordt onttrokken. Het voorgaande advies is voorgelegd aan de monumentencommissie. De commissie respecteert de zienswijze van de rijksdienst maat ziet hierin geen aanleiding haar eigen advies over dit plan te herzien, temeer omdat dit tot stand is gekomen na intensief overleg met betrokkenen en gemeente.

Hergebruik van de noordvleugel is moeilijk realiseerbaar. De bestaande noordvleugel heeft een indeling met niveauverschillen, die gebruik voor bewoning door ouderen of zorgfuncties bemoeilijkt. De sloop en nieuwbouw van de vleugel is noodzakelijk om het rijksmonument in stand te houden. De renovatie van de oudbouw wordt mede gefinancierd uit de opbrengst van de nieuwbouw.

Na uitvoering van het plan zal het monumentale complex gerestaureerd en weer geschikt zijn voor de oorspronkelijke funcite: huisvesting van ouderen. Omdat op de plaats van de te slopen noordvleugel een nieuwe vleugel zal worden opgetrokken zullen de compositie van de bouwmassa's en de omsloten tuin op hoofdlijnen behouden blijven. Omdat de gevels die zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijke gebied, niet zullen worden gewijzigd, zal ook de betekenis van het complex voor de buurt behouden blijven.

Gezien het bovenstaande heeft het college in haar vergadering van 5 oktober 2010 besloten om, in afwijking van het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en conform het advies van de monumentencommissie, vergunning op grond van artikel 11 van de Monumentenwet 1988 te verlenen voor het wijzigen van het onderhavige rijksmonument. Dit ontwerpbesluit is ter inzage gelegd, waartegen aan aantal zienswijzen zijn ingekomen. Op 8 februari 2011 heeft het college besloten de zienswijzen ongegrond te verklaren en de gevraagde vergunning te verlenen.