Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen
| Type plan: |
bestemmingsplan |
| Naam van het plan: |
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen" |
| Status: |
vastgesteld |
| Plan identificatie: |
NL.IMRO.0840.7001V0010-DEF1 |
Preambule
Dit TAM-IMRO omgevingsplan beoogt de herbestemming van de woonwagenstandplaats op de locatie Helakkerstraat 22-48 te Rucphen.
Dit TAM-IMRO omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22g) van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22g' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22g' gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereik
- De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie ‘Helakkerstraat 22-48 te Rucphen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0840.7001V0010-DEF1.
- De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 2 Begripsbepalingen
2.1 Begripsbepalingen uit AMvB’s
De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsbesluit, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving en bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in 2.2 een afwijkende begripsomschrijving is opgenomen.
2.2 Aanvullende en afwijkende begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in 2.1, de volgende begripsbepalingen;
2.3 Het plan
Het TAM-IMRO omgevingsplan met identificatienummer NL.IMRO.0840.7001V0010-DEF1 van de gemeente Rucphen;
2.4 Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
2.5 Aaneengebouwd
Blokken van meer dan twee aaneengebouwde hoofdgebouwen.
2.6 Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
2.7 Bedrijf
Een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten daaronder niet begrepen.
2.8 Bedrijfsmatige activiteit
De in bijlage 1 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten (ontleend aan de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte hinder en omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.
2.9 Begane grond
De bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau.
2.10 Bestaand
- Bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, mits dat bouwwerk legaal tot stand is gekomen, dan wel nadien kan worden gebouwd, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
- Bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat, mits dat gebruik legaal tot stand is gekomen, tenzij in de regels anders is bepaald.
2.11 Bijgebouw
Een al dan niet vrijstaand gebouw, dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
2.12 Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
2.13 Bouwvlak
Aaneengesloten terrein, waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van eenzelfde functie worden geconcentreerd.
2.14 Dak
Iedere boven beëindiging van een gebouw, c.q. bouwwerk.
2.15 Dakhelling
De hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak.
2.16 Detailhandel
Het mede ter plaatse bedrijfsmatig te koop aanbieden aan particulieren, waaronder de uitstalling ten behoeve van verkoop, verkopen, en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen of volumineuze goederen zijnde, aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; hieronder vallen tevens afhaalzaken en traiteurs.
2.17 Erf
Al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover het bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt.
2.18 Functie
Een functie geeft aan voor welk doel of welke doeleinden de als zodanig op de kaart aangegeven gronden mogen worden gebruikt.
2.19 Functievlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
2.20 Gestapeld
En hoofdgebouw waarin meerdere woningen zijn ondergebracht, zodanig dat deze boven dan wel beneden elkaar zijn gesitueerd, waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid gewaarborgd is.
2.21 Huishouden
Een samenlevingsvorm van een of meer personen, waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan.
2.22 Nevenactiviteit
Een ondergeschikte activiteit waarvan de omvang zodanig is dat deze, met behoud van de hoofdfunctie, naast de hoofdfunctie kan worden uitgeoefend.
2.23 Overkapping
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak
2.24 Seksinrichting
De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
2.25 Twee-aaneen
Blokken van twee-aaneen gebouwde woningen, waarbij de hoofdgebouwen met elkaar zijn verbonden.
2.26 Vrijstaande woning
Een woning waarvan het hoofdgebouw losstaat van de zijdelingse bouwperceelgrenzen.
2.27 Waterberging
Gebieden die integraal onderdeel uitmaken van het watersysteem en die periodiek vanuit het oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen.
2.28 Wonen
Het voeren van een huishouden in een woning.
2.29 Woning
Een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
2.30 Woonruimte
Besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, de volgende meet- en rekenbepalingen:
3.1 Afstanden
Van gebouwen onderling, alsmede afstanden van gebouwen tot de bouwperceelsgrens worden gemeten vanaf de zijgevel van een gebouw.
3.2 Het bebouwde oppervlak van een bouwperceel of een ander terrein
Door de oppervlakten van alle op een bouwperceel/terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in deze regels anders is bepaald.
3.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.4 De breedte en diepte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat.
3.5 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen, zoals goten van dakkapellen niet meegerekend.
3.6 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte ter plaatse van het bouwwerk.
3.7 Het bewoonbaar vloeroppervlak
Binnen de afgewerkte omtrekwanden (in voorkomende gevallen binnen de balustrade) onder aftrek van de in de ruimte inspringende onderdelen van het gebouw als schoorsteenstoelen, kanalen en kasten, maar zonder aftrek van plinten en vast meubilair als aanrechten en verwarmingslinten. Vloeroppervlak waarboven minder dan 1,50 meter hoogte aanwezig is wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
3.8 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.9 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
3.10 De verticale diepte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het diepste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals funderingen, rioleringen, kabels en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.11 Ondergeschikte bouwdelen
Bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, portalen, balkons en overstekende daken, worden bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.
Artikel 4 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
2 Regels over functies en activiteiten
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in Hoofdstuk 2 aan een locatie toegedeelde functies.
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.
6.2 Functieomschrijving
De als 'Wonen' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- wonen, met per woning de huisvesting van één huishouden;
- wegen, paden, pleinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen;
- andere tot de functie behorende voorzieningen.
6.3.1 Beoordelingsregels hoofdgebouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor hoofdgebouwen:
- hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht;
- woonwagens mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘woonwagenstandplaats’
- de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedragen maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte, maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte;
- de dakhelling bedraagt bij toepassing van hellende dakvlakken maximaal 65º;
- het uiterlijk van hoofdgebouwen mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.
6.3.2 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken:
bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd:
- binnen het bouwvlak van de hoofdgebouwen, waarbij het bouwvlak volledig mag worden bebouwd;
- in het achtererfgebied;
in afwijking van het bepaalde onder a mogen erkers, balkons of luifels ten behoeve van aangrenzende hoofdgebouwen worden gebouwd, mits:
- de horizontale diepte van de uitbreiding niet meer bedraagt dan 1,50 meter;
- de afstand tot de bestemmingsgrens niet minder bedraagt dan 2,00 meter;
- de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 meter;
- de oppervlakte van de erker niet meer bedraagt dan 6,00 m2.
- de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt, overkappingen meegerekend, per bouwperceel maximaal 100 m2, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken maximaal 50% van het oppervlak van het bouwperceel bedraagt;
- in afwijking van het bepaalde onder c bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, overkappingen meegerekend, buiten het bouwvlak op percelen met een achtererfgebied dat kleiner is dan 50% van het totale perceel, per bouwperceel maximaal 100 m2, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken maximaal 70% van het oppervlak van het bouwperceel bedraagt;
de breedte van een met de zijgevel van een hoofdgebouw verbonden bijbehorend bouwwerk bedraagt op gronden met de aanduiding:
- aaneengebouwd: maximaal 4 meter;
- gestapeld: maximaal 4 meter;
- twee-aaneen: maximaal 4 meter;
- vrijstaand: maximaal 6 meter;
- de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3,50 meter;
- de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 6,00 meter;
- de dakhelling bedraagt bij toepassing van hellende dakvlakken maximaal 65º;
- de bijbehorende bouwwerken dienen minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de gevellijn te worden opgericht;
- in afwijking van het bepaalde onder i dient een met de zijgevel van een hoofdgebouw verbonden bijbehorend bouwwerk grenzend aan openbaar gebied minimaal 6 meter achter (het verlengde van) de gevellijn te worden opgericht;
- de diepte van een woning en een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bedraagt, te meten vanaf (het verlengde van de) gevellijn, maximaal 15 meter.
in afwijking van het bepaalde onder k is de diepte van een woning en een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet gemaximaliseerd, indien:
- het bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst tegen een hoofdgebouw, waardoor de bijbehorende bouwwerken worden verbonden met de achtergevel dan wel zijgevel van het hoofdgebouw;
- het bijbehorend bouwwerk past in de stedenbouwkundige opzet van het gebied;
- door de bouw van het bijbehorend bouwwerk geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dit betekent onder andere dat de bezonning en het uitzicht van de naastliggende percelen niet onevenredig mogen worden geschaad;
- het maximale bebouwde oppervlak niet wordt overschreden.
6.3.3 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
- de bouwhoogte van pergola's en tuinmeubilair bedraagt maximaal 2,5 meter:
- de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 2,5 meter;
- de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 6 meter, waarbij maximaal één vlaggenmast per erf is toegestaan;
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de gevellijn maximaal 1 meter;
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt in het achtererfgebied maximaal 2 meter;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 meter.
6.3.4 Beoordelingsregel waterberging
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken.
- Er voldoende waterberging is gerealiseerd waarbij is uitgegaan van de rekenregel: benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
6.4 Verboden activiteiten
Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend:
- het gebruik van gronden voor andere vormen van wonen dan de huisvesting van één afzonderlijk huishouden per woning, zoals bedrijfsmatige kamerverhuur of de huisvesting van (groepen) personen die geen huishouden vormen;
- het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning of als afhankelijke woonruimte.
6.5 Omgevingsvergunning beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis
6.5.1 Omgevingsvergunning beroeps- en of bedrijfsmatige activiteiten aan huis
Het is verboden zonder omgevingsvergunning beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bijbehorende bouwwerken uit te oefenen.
6.5.2 Beoordelingsregels beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis
De omgevingsvergunning als bedoeld in 6.5.1 wordt alleen verleend als:
- het gebruik een kleinschalig karakter heeft en behoudt;
- door de uitoefening van de activiteiten het uiterlijk van de woning niet zodanig wijzigt dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest;
- de vloeroppervlakte van de activiteiten in de woning en bijbehorende bouwwerken gezamenlijk maximaal 50 m² bedraagt;
- de activiteiten niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn op grond van milieuwetgeving;
- degene die de activiteiten in de woning en/of bijbehorende bouwwerken uitvoert tevens de bewoner van de woning is;
- de activiteit(en) niet leid(en) tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking en/of verkeersonveilige situaties dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
- de uitoefening van detailhandel niet is toegestaan, uitgezonderd als ondergeschikte nevenactiviteit gerelateerd aan de desbetreffende activiteit(en);
- er geen buitenopslag plaatsvindt;
- gebruik niet leidt tot afbreuk en belemmering van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bebouwing;
- de uitoefening van seksinrichtingen niet zijn toegestaan;
- de uitoefening van horeca-activiteiten niet zijn toegestaan;
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Leiding – Gas’.
7.2.1 Functie
De voor ‘Leiding – Gas’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor:
- een ondergrondse gasleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas';
- het beheer en onderhoud van de leiding;
- de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding;
met de bij a tot en met c behorende:
a. beschermingszones aan weerszijden van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas'
b. voorzieningen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
c. (on)bebouwde gronden.
met inachtneming van het volgende:
d. in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
7.2.2 Toelaatbare bebouwing
Op deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in lid 7.2.1 genoemde functies, worden opgericht:
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
7.3.1 Algemeen
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd.
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:
- de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,00 meter.
7.4 Vergunning voor omgevingsplanactiviteit
7.4.1 Omgevingsvergunningvereiste
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
- het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
- het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen en parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
- het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
- het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend het aanleggen van drainage;
- het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het vellen en/of kappen van bos of andere houtgewassen.
7.4.2 Uitzonderingsregel
Het in lid 7.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die:
- behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
- reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
- mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
7.4.3 Voorwaarden
Een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 7.4.1 wordt door het bevoegd gezag niet eerder verleend, nadat:
- is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de leiding;
- schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen
9.1 Aanvullende beoordelingsregels bouwen – afwijkingen
Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 afwijken van de bouwregels uit hoofdstuk 2 als het gaat om:
de in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10%, met dien verstande dat deze afwijking niet is toegestaan voor de vergroting van de inhoud van woningen en bedrijfswoningen en vergroting van de oppervlakte van recreatiewoningen en enkel in de onderstaande gevallen waarbij aangetoond is dat afwijking noodzakelijk is:
- ten gevolge van de technische eisen als opgenomen in het Besluit bouwen leefomgeving;
- ten gevolge van een woningaanpassing in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
- ter optimalisering van de bedrijfsvoering.
- de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, met dien verstande dat de overschrijding maximaal 2,5 m bedraagt en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
- de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-/ontvangstinstallaties en/of sirenemasten wordt verhoogd tot maximaal 40 m;
de afwijkingen als bedoeld onder a, b, en c kunnen worden toegestaan als:
- de belangen van de eigenaren en gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet aantoonbaar onevenredig worden geschaad;
- het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad;
- de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt geschaad.
9.2 Aanvullende beoordelingsregels bouwen - parkeren
Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor gelden de volgende aanvullende beoordelingsregels:
- Bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient tenminste te worden voldaan aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017 ' d.d. 31 mei 2017.
- Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder a indien wordt voorzien in parkeervoorziening, die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is als bedoeld onder a.
- Indien de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' als bedoeld onder a gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning getoetst aan deze wijziging.
- Parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden.
Artikel 10 Overgangsrecht
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
- Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.