| Plan: | TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Fazantendonk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0840.2584K0045-DEF1 |
De gemeente Rucphen is voornemens om op de braakliggende gronden tussen de Fazantendonk en de Kozijnenhoek te St. Willebrord 15 woningen te realiseren, waarvan 9 grondgebonden woningen en 6 beneden-bovenwoningen. Hiermee wordt voorzien in de actuele behoefte aan betaalbare woningen in St. Willebrord. De nieuwe woningen worden ontsloten voor het gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer met niewe wegen en paden. Tevens wordt er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd in de openbare ruimte en op eigen terrein.
Het plangebied heeft in de huidige situatie een verkeers- en sportfunctie, waardoor de beoogde woningbouw niet binnen het geldende omgevingsplan past. Om deze herontwikkeling planologisch mogelijk te maken, wordt gekozen voor een TAM-IMRO-procedure.
Op grond van het vigerende bestemmingsplan "Kom St. Willebrord" en "Kom St. Willebrord, Verlengde Vosdonkseweg", sinds 1 januari 2024 onderdeel van het tijdelijke gedeelte van "Omgevingsplan gemeente Rucphen", is het niet mogelijk om het planvoornemen te realiseren. Het bouwplan is strijdig met de vigerende functies, bouwvlakken, gevellijnen en de bouwhoogtes. Dit "TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Fazantendonk" voorziet in de juridisch-planologische basis voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van St. Willebrord, tussen de Kozijnenhoek en de Fazantendonk, ter hoogte van de rotonde met de Noorderstraat en Vosdonkseweg (zie onderstaande figuur).
|
| Ligging plangebied. Aangegeven met rode ster. Bron: Topotijdreis.nl |
Het plangebied staat kadastraal bekend als de gemeente Rucphen, sectie D, gedeeltelijk de percelen 9272, 8817, 8816 en 7988. Aan de noord- en westzijde wordt het plangebied begrensd door woningbouw. De woningen die direct aan het plangebied grenzen betreffen twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Het plangebied wordt aan de zuidzijde afgeschermd door geluidswerende schanskorven aan de Kozijnenhoek. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan een rotonde waarbij de Noorderstraat, Kozijnenhoek en Vosdonkseweg samenkomen. De begrenzing van het plangebied is globaal weergegeven in de onderstaande afbeelding.
|
| Begrenzing plangebied. Rood omlijnd. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2025. |
Toetsingskader
Ter plaatse van het plangebied vigeert per 1 januari 2024 het "Omgevingsplan gemeente Rucphen”. De gronden van het plangebied zijn bestemd als 'Verkeer' en 'Sport' (zie onderstaande figuur). Tussen de Vosdonkseweg en het plangebied is een geluidscherm aanwezig, aangeduid met de functieaanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidscherm'.
Het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met gedeeltelijk de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 2' en 'overige zone - waarde archeologie 4'. Over het plangebied liggen daarnaast de gebiedsaanduidingen 'luchtvaartverkeerzone – 4' en 'vrijwaringszone – obstakelbeheerzone'.
|
| Uitsnede bestemmingsplan "Kom St. Willebrord", als onderdeel van het van rechtswege verkregen omgevingsplan. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2023. |
Beoordeling
De situering en functie van de toekomstige bebouwing is niet in overeenstemming met de functie Sport en Verkeer. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is dit "TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Fazantendonk" opgesteld.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende planvoornemen niet direct mogelijk is op basis van het omgevingsplan. Door middel van onderhavig TAM-IMRO plan wordt de beoogde ontwikkeling van 15 woningen mogelijk gemaakt.
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied en de omgeving gegeven. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan de vigerende ruimtelijke beleidskaders. Hoofdstuk 4 gaat in op de planologisch relevante (milieu)aspecten voor het plan, waarna in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de toelichting van de omgevingsplanregels en de verbeelding. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk gemaakt en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Voor het formuleren van het beleid en het opstellen van het omgevingsplan is het van belang dat de uitgangspunten van de huidige situatie en gewenste situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. Daarbij wordt mede ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren.
Het plangebied is gelegen in de gemeente Rucphen, een grote landelijke gemeente in het westen van de provincie Noord-Brabant. De gemeente telt 23.995 inwoners (CBS, 1 januari 2025). De gemeente bestaat uit de kernen Rucphen, Sprundel, Schrijf, St. Willebrord en Zegge. Binnen de gemeente Rucphen zijn veel verschillen in het ruimtelijk structuurbeeld aanwezig; iedere dorpskern heeft zijn eigen karakter.
Ontstaansgeschiedenis
De geschiedenis van de dorpen in de gemeente Rucphen gaat terug tot 1125. Het gebied tussen de Rucphense Achterhoek, de Sprundelse Luienhoek, de Ettense Hoge Donk en de Hoevense Heul werd aangeduid als 't Heike. In 1292 werd het oostelijk deel van het gebied door de Heer van Breda uitgegeven ter vervening. Na de beëindiging van de turfwinning omstreeks 1500 werden de vrijkomende gronden benut voor de landbouw. De slechtere gronden raakten begroeid met gagelstruweel en heide. Pas in 1636 werd melding gemaakt van een zekere bewoonde kern op 't Heike, waar geleidelijk meer mensen kwamen te wonen. In 1841 werd de nederzetting met circa 500 inwoners een zelfstandige parochie met de naam St. Willebrord en werd deze afgesplitst van Sprundel. Toen vervolgens de kerk werd gebouwd, trad er verdichting van de bebouwing op tot een echt dorp. Na 1940 is St. Willebrord uitgegroeid tot het grootste kerkdorp in de gemeente Rucphen.
Bebouwingsstructuur
Kenmerkend voor de kern St. Willebrord is dat de huidige stedenbouwkundige structuur gedeeltelijk de oude verkavelingsstructuur van het agrarisch cultuurlandschap weerspiegelt. Bij de naoorlogse uitbreiding van het dorp is de bebouwing langs bestaande (land)wegen geplaatst en heeft uitbreiding voor een belangrijk deel kavelsgewijs plaatsgevonden. Het Processiepark van de Onze Lieve Vrouwekerk vormt het ruimtelijke centrum van het dorp.
Voorafgaand de verlenging van de Vosdonkseweg stond in het plangebied een sportcentrum. Dit sportcentrum is intussen geamoveerd. In de bestaande situatie betreft het plangebied een veld met diverse groene elementen, zoals weide, ruigtevegetatie, bomen, hagen, gazon en opgaand struweel. Binnen het plangebied zijn enkele wandelpaden aanwezig. Het terrein is niet in gebruik voor specifieke activiteiten. Het plangebied wordt omsloten door groene structuren en hekwerk. Er is geen bebouwing en verharding aanwezig binnen het plangebied, afgezien van de schanskorf (geluidswal) aan de zuidzijde en wat bestrating aan de noordzijde. Hieronder zijn een luchtfoto afgebeeld met daarop het plangebied en de huidige inrichting van het plangebied, bekeken vanaf het maaiveld.
|
| Huidige situatie. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl |
|
| Huidige inrichting plangebied. Bron: Quickscan Flora & Fauna De Roever Omgevingsadvies, 2025 |
De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt als een rustige woonwijk, bestaande uit grondgebonde nwoningen. De bebouwing bestaat uit één of twee bouwlagen met een kap. Ten zuiden van het plangebied ligt de Vosdonkseweg. Het gebied kan worden ontsloten door de Fazantendonk en de Nachtegaalstraat, via de Noorderstraat naar de Vosdonkseweg.
In de beoogde situatie worden maximaal 15 koopwoningen gerealiseerd. De mogelijke invulling van de zuidelijke afronding van het dorp bestaat uit een mix van verschillende woningtypen, waaronder één vrijstaande woning, vier twee-onder-een-kap woningen en vier rijwoningen, allen bestaande uit één bouwlaag met een kap. In het noordwestelijk deel van het plangebied worden er drie beneden-boven woningen gerealiseerd van twee bouwlagen met een kap. De nadere (architectonische) uitwerking wordt door een martkpartij gedaan. De gekozen bouwhoogtes sluiten aan bij de woningbouw in de omliggende wijk. Achterzijdes van de nieuwe woningen grenzen aan bestaande achterzijdes. De Fazantendonk wordt doorgetrokken voor de ontsluiting van de nieuwe woningen. Zie op de afbeelding hieronder het inrichtingsplan.
Binnen de koop hanteert de gemeente drie prijssegmenten (prijspeil 2025):
Drie van de woningen vallen in de prijscategorie 'goedkope koop', zeven in de categorie 'betaalbaar' en 5 in de categorie 'dure koop'.
Stedenbouwkundig plan. Bron: Gemeente Rucphen, 2025. |
Toetsingskader
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisie van provincie Noord Brabant en Nota Parkeernormen Rucphen 2017 gaan wel op deze aspecten in. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid bieden de CROW-richtlijnen een belangrijk kader voor de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangetoond dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet.
Door de gemeente Rucphen zijn in de 'Nota Parkeernormen 2017 Rucphen' (d.d. 31-5-2017) parkeernormen gesteld waarbij zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij de parkeer- en verkeersgeneratienormen zoals die zijn gesteld in de destijds geldende publicaties van het CROW. De Nota Parkeernormen Rucphen 2017 onderscheidt parkeernormen voor het gebied 'Centrum', 'Overige bebouwde kom' en 'Buitengebied'. Blijkens de nota behoort het plangebied tot de 'Overige bebouwde kom' van St. Willebrord. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende parkeernormen en verkeersgeneratie van toepassing:
|
|
|
|
|
| Parkeernormen en verkeersgeneratie voor wonen, koop etage duur/midden/goedkoop (per woning). Bron: Nota Parkeernormen 2017 van de gemeente Rucphen. |
Beoordeling
Op basis van het programma geldt de volgende parkeerbalans en verkeersgeneratie:
| Woning | Parkeernorm | Parkeerbehoefte | Verkeersnorm | Verkeers- generatie |
| 1 vrijstaand | 2,3 | 2,3 | 8,2 | 8,2 |
| 4 twee-onder-een kap | 2,2 | 8,8 | 7,8 | 31,2 |
| 4 aaneengebouwd | 2,0 | 8,0 | 7,4 | 29,6 |
| 3 koop, etage midden | 1,9 | 5,7 | 6,0 | 18,0 |
| 3 koop, etage goedkoop | 1,6 | 4,8 | 5,6 | 16,8 |
| Totaal | 29,6 | 103,8 | ||
In het stedenbouwkundig ontwerp zijn 30 parkeerplaatsen opgenomen, deels op eigen terrein en deels in de openbare ruimte. Binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd conform de 'Nota Parkeernormen 2017 Rucphen'.
De verkeersgeneratie is in bovenstaande tabel bepaald aan de hand van de 'Nota Parkeernormen 2017'). De nieuwbouw genereert 103,8 voertuigen per etmaal. De onderstaande afbeelding geeft de verkeersintensiteit van omliggende wegen aan.
|
| Verkeersintensiteiten in de directe omgeving. Bron: De Roever Omgevingsadvies, oktober 2025 |
De woningen worden ontsloten op de Fazantendonk en de Nachtegaalstraat. De gemeten verkeersintensiteit aan de Fazantendonk bedraagt 257 mvt/etmaal en aan de Nachtegaalstraat circa 2.271 mvt/etmaal. Deze intensiteiten nemen met inbegrip van het onderhavige plan toe met 104 mvt/etmaal.
Het CROW hanteert voor erftoegangswegen als Fazantendonk en de Nachtegaalstraat 2.000 tot 5.000 mvt/etmaal. Deze wegen zijn geschikt voor de verwerking van die intensiteiten.
De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat.
Toetsingskader
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050
Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:
De voor deze plannen relevante nationale belangen zijn:
De belangrijkste keuzes zijn:
Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de fysieke leefomgeving. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.
Beoordeling
Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van in maximaal 15 woningen wordt dan ook neergelegd bij decentrale overheden. De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoge abstractie- en schaal niveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied en de beoogde ontwikkeling.
Conclusie
Het planvoornemen is in lijn met de Nationale Omgevingsvisie van het Rijk.
Toetsingskader
In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
Bij het zoeken naar oplossingen voor maatschappelijke opgaven vindt de provincie Noord-Brabant het belangrijk om vanuit meerdere richtingen naar een ontwikkeling te kijken:
Beoordeling
Het voorliggend initiatief is passend in de omgeving en zorgt voor een kwalitatieve verbetering van het bestaand stedelijk gebied van St. Willebrord. Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant aandacht voor de nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur. Dit draagt bij aan de gezondheid, nodigt uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De basisopgave van de POVI is "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden accenten gelegd:
Conclusie
Het voornemen past binnen de kernwaarden zoals door de provincie Noord-Brabant zijn geformuleerd in haar Omgevingsvisie.
Toetsingskader
De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant is op 1 januari 2024 in werking getreden. Hier wordt getoetst aan de meest recente versie van 16 september 2025. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening zijn zogenoemde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun omgevingsplannen. De instructieregels richten zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving. Tevens is een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
Beoordeling
Het voorliggende plangebied is binnen de Omgevingsverordening gelegen in het 'Stedelijk gebied'. Voor het onderhavige initiatief gelden meerdere toetsingscriteria binnen deze verordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels die gelden voor ontwikkelingen binnen het 'Stedelijk gebied'. Daarnaast dient het initiatief te voldoen aan de basisprincipes voor een goede omgevingskwaliteit. De toetsing aan deze criteria wordt in de onderstaande paragraaf uitgewerkt.
Toetsingskader
Beoordeling
Lid 1
Uit de regionale "Woondeal West-Brabant" (maart 2023, actualisatie 2025) blijkt een behoefte van 475 woningen voor Rucphen van 2022-2030. Dat zijn gemiddeld 55 woningen per jaar. De 15 woningen dragen bij aan de kwantitatieve behoefte. De gemeente wil tot en met 2039 minimaal 695 woningen toevoegen om in te spelen op demografische ontwikkelingen, waarvan er al 55 gerealiseerd zijn in 2024. Daarbij ligt de nadruk op betaalbaarheid (70% betaalbaar), doorstroming en toekomstbestendigheid.
Met het initiatief wordt voorzien in maximaal 15 woningen, passend binnen de kwantitatieve woningbehoefte van St. Willebrord. Het plan wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en betreft een inbreidingslocatie. Het woningbouwplan is met de regio West-Brabant afgestemd
Lid 2
Onderhavige ontwikkeling betreft een 'duurzame stedelijke ontwikkeling': de ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door gebruikmaking van een inbreidingslocatie, alwaar voorzieningen te voet en per fiets te bereiken zijn. Tot slot wordt de mogelijkheid tot productie en gebruik van duurzame energie niet belemmerd. De woningen zullen daarbij voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De openbare ruimte wordt klimaatbestendig ingericht, met diverse groenvoorzieningen en er is rekening gehouden met voldoende waterberging.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 5.55 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Toetsingskader
Beoordeling
Voorwaarden artikel 5.8:
Voorwaarden artikel 5.9:
Voorwaarden artikel 5.10:
Het initiatief creëert meer waarde zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Door benutting van braakliggende gronden in bestaand stedelijk gebied wordt zorgvuldig ruimtegebruik bevorderd.
Het plan draagt bij aan de leefbaarheid van de omgeving door toevoeging van stedelijk groen en het oplossen van de parkeerbehoefte. De woningen zijn grotendeels levensloopbestendig en speelt in op de demografische ontwikkelingen en de verandere woningvraag door vergrijzing. Daarmee levert het initiatief aantoonbare meerwaarde op het vlak van People, Planet en Profit, zoals door de provincie benoemd in de toelichting op artikel 5.10.
Conclusie
Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit.
Toetsingskader
De Omgevingsvisie 2.0 geeft richting aan de toekomst van de gemeente Rucphen tot 2040. De Omgevingsvisie 2.0 is gebaseerd op drie ambities: Prettig Samenleven, Duurzaam Samenleven en Ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding. Deze ambities en de bijbehorende doelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie 1.0 en verder verrijkt in de Omgevingsvisie 2.0. Initiatieven dienen aantoonbaar bij te dragen aan één of meer van de volgende ambities:
De algemene uitgangspunten voor het programma 'prettig samenleven' zijn:
De gemeente richt zich op het flexibeler maken van de woningvoorraad om sneller te kunnen reageren op de veranderende behoefte en het versterken van de kwaliteit van de woonomgeving.
Thema’s binnen de ambitie ‘duurzaam samenleven’ zijn:
De gemeente richt zich op een gezonde en veilige leefomgeving, zowel boven als onder de grond, die aangepast is op de veranderende weersomstandigheden en de energietransitie.
Beoordeling
De nieuw te realiseren woningen sluiten aan bij een groot aantal doelen van de gemeente Rucphen. Wat betreft duurzaamheid wordt een watertoets uitgevoerd (zie paragraaf 4.6) om te bepalen of waterretentie benodigd is. Dit met betrekking tot de veranderende weersomstandigheden. Op de planlocatie worden maatregelen getroffen wat betreft wateropvang en duurzaam bouwen. De woningen worden namelijk gasloos gebouwd.
Wat betreft prettig samenleven zorgt de toevoeging van de woningen voor een grotere woningvoorraad. Het geeft ook kansen om mensen door te laten stromen naar een ander soort woning. Vanwege leefbaarheid en duurzaamheid is het belangrijk om bij de ruimtelijke opzet te gaan voor kwaliteit.
Toetsingskader
De gemeente Rucphen staat voor een belangrijke opgave: het creëren van voldoende passende en betaalbare woningen voor al haar inwoners. Dat is niet vanzelfsprekend, want de woningmarkt staat onder druk. De prijzen zijn gestegen, het woningtekort is voelbaar en veel bestaande woningen sluiten niet meer aan op wat inwoners nodig hebben. Vooral de dominantie van grote gezinswoningen past niet meer bij de toenemende vraag van kleinere huishoudens, zoals alleenstaanden, jonge stellen en senioren. Ook de doorstroming stagneert, waardoor de gehele woonketen onder druk komt te staan.
In het volkshuisvestingsprogramma beschrijft de gemeente hoe zij deze uitdagingen wil aanpakken. De noodzaak is duidelijk: vergrijzing, een toenemende zorgvraag en de groei van kwetsbare doelgroepen vragen om meer sturing en een integrale aanpak. Hoewel de gemeente al veel doet, is dat niet genoeg om de veranderende woonbehoefte op te vangen. Daarom vormt dit programma een nieuwe, operationele basis. Het sluit aan op de Omgevingsvisie en op landelijke en provinciale ontwikkelingen, met name de Wet versterking regie volkshuisvesting, die gemeenten meer verantwoordelijkheid geeft om te sturen op woningbouw en zorgopgaven.
Het programma werkt met drie hoofdthema’s: nieuwbouw, wonen en zorg, en toekomstbestendige wijken. In hoofdstuk 5 worden deze thema’s samengebracht in een overzicht dat de koers voor de komende jaren in één oogopslag laat zien. Het gaat niet alleen om bouwen, maar om het versterken van de sociale basis, het behouden van voorzieningen en het verbeteren van leefbaarheid en duurzaamheid. Daarbij kijkt de gemeente nadrukkelijk naar de relatie tussen wonen, zorg, welzijn en de fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 6 zoomt in op de eerste pijler: nieuwbouw als kwalitatieve aanvulling. De gemeente ziet dat het aantal inwoners de afgelopen jaren groeit, vooral door instroom van dertigers die van buitenaf naar Rucphen verhuizen. Deze groei vergroot de vraag naar woningen die aansluiten op hun wensen, maar ook op die van oudere inwoners die vaker kleiner of levensloopbestendig willen gaan wonen. Tegelijkertijd is de bestaande woningvoorraad verouderd; veel huizen hebben nog een laag energielabel, waardoor verduurzaming noodzakelijk is. Leefbaarheid staat over het algemeen op een goed niveau, maar voorzieningen komen onder druk te staan als de groei niet zorgvuldig wordt begeleid.
|
| Opgave uit de Woondeal en al gerealiseerde woningen. Bron: Stedelijke regio West-Brabant West (2024) & CBS (2025). Bewerking Stec Groep (2025). |
De gemeente wil tot en met 2039 minimaal 695 woningen toevoegen om in te spelen op demografische ontwikkelingen, waarvan er al 55 gerealiseerd zijn in 2024. Daarbij ligt de nadruk op betaalbaarheid (70% betaalbaar), doorstroming en toekomstbestendigheid.
Binnen de koop hanteert de gemeente drie prijssegmenten (prijspeil 2025):
Naast betaalbaarheid en doorstroming spelen ook locatie en ruimtelijke kwaliteit een rol. De voorkeur gaat uit naar inbreiding en transformatie binnen bestaand stedelijk gebied. Verder wordt gekeken naar bereikbaarheid, parkeervoorzieningen en nabijheid van (zorg)voorzieningen, vooral voor ouderen.
De visie op nieuwbouw gaat dan ook verder dan het simpelweg toevoegen van woningen. De gemeente wil bouwen in alle kernen, op locaties die zorgvuldig worden beoordeeld op hun geschiktheid en in lijn zijn met de identiteit en schaal van elk dorp. Nieuwbouw moet passen bij de lokale behoeften en rekening houden met waterveiligheid, klimaatadaptatie en een duurzame toekomstige inrichting. Daarnaast wordt niet alleen ingezet op nieuwbouw, maar ook op een beter gebruik van bestaande woningen. Grote woningen kunnen vaker worden gesplitst of gedeeld. De gemeente wil dit faciliteren met nieuw beleid en afspraken met corporatie Thuisvester, bijvoorbeeld via friendscontracten voor jongeren of alleenstaanden. Ook worden nieuwe woonvormen gestimuleerd, zoals tiny houses, geclusterde woonvormen en prémantelzorgwoningen, die families de mogelijkheid bieden om vroegtijdig dichter bij elkaar te wonen.
De gemeente ondersteunt inwoners voor het verduurzamen van woningen via onder meer het Regionaal Energieloket, stimuleert isolatie en energiezuinige maatregelen, en richt zich eerst op woningen met de slechtste labels. Zo wordt niet alleen het wooncomfort verbeterd, maar ook de betaalbaarheid en toekomstige bestendigheid van de woonomgeving.
Beoordeling
Met het initiatief wordt voorzien in maximaal 15 woningen, passend binnen de kwantitatieve woningbehoefte van St. Willebrord. Het plan wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en betreft een inbreidingslocatie. Het voorziet in de bouw van 3 woningen in het goedkope segment, 7 in het betaalbare segment en 5 in het dure segment. Daarmee sluit het initiatief aan bij het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Rucphen. Het levensloopbestendige programma sluit aan bij de behoefte van de ouder wordende bevolking. Daarnaast wordt het plan gerealiseerd in de kern van St. Willebrord, binnen 500 meter van de centrumvoorzieningen als een supermarkt en overige detailhandel en zorgvoorzieningen. Het plan sluit aan op de bestaande infrastructuur van St. Willebrord, dit is nader uitgewerkt in paragraaf 2.6.
Conclusie
Onderhavig initiatief is passend binnen het volkshuisvestingsprogramma van gemeente Rucphen.
Toetsingskader
De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de 'Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019' vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit).
Beoordeling en conclusie
Voor voorliggend initiatief zijn geen welstandsregels van toepassing.
Toetsingskader
De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019–2030 vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng van inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en diverse afdelingen binnen de gemeentelijke organisatie. De achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet als een geïsoleerd beleidsterrein te benaderen, maar als een integrale opgave binnen zowel de gemeentelijke organisatie als de samenleving.
De Visie Duurzaamheid vormt de basis voor de Duurzaamheidsagenda, waarin een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan zijn opgenomen.
Ruimtelijke Ontwikkeling
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast draagt meer groen bij aan een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water, wordt deze ambitie concreet vormgegeven.
Klimaatadaptatie en Leefomgeving
De gemeente erkent de toenemende impact van klimaatverandering, zoals hevige neerslag, hitte en stormen. Hoewel de directe invloed op klimaatverandering beperkt is, kan via inrichting van de openbare ruimte wel degelijk worden bijgedragen aan een verbeterd leefklimaat. In stedelijke gebieden is de temperatuur gemiddeld 1 à 2 graden hoger dan op het platteland. Door vergroening van de openbare ruimte en het stimuleren van minder verharding in particuliere tuinen, wordt de leefbaarheid vergroot en wateroverlast verminderd.
Isolatie en Energiebesparing
Het beperken van de energievraag is een prioriteit. Investeringen in isolatie en ventilatie worden gezien als 'no regret'-maatregelen. Bij nieuwbouw wordt gestreefd naar woningen met Energielabel A, terwijl voor de bestaande woningvoorraad het doel is om in 2030 een gemiddeld Energielabel B te realiseren.
Energietransitie
De gemeenteraad heeft in 2019 een bod gedaan op hernieuwbare energie richting Regio West-Brabant en in 2021 het Warmteplan vastgesteld. Hierin staat welke vormen van hernieuwbare energie worden ingezet richting een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050.
Duurzaam Bouwen
Sinds 2014 is Rucphen aangesloten bij het Convenant Duurzaam Bouwen West-Brabant. Voor de verduurzaming van nieuwbouw, bestaande woningen, utiliteitsbouw en gemeentelijk vastgoed worden uitvoeringsprogramma's en kaders opgesteld. Naast energie en isolatie zijn ook het gebruik van duurzame materialen en het bevorderen van de circulaire economie belangrijke aandachtspunten.
Beoordeling
In de buitenruimte van de voorgenomen ontwikkeling wordt het terrein met natuurlijke elementen ingericht. Natuurlijke elementen omvatten de aanplant van inheemse bomen en parkeerplaatsen met waterdoorlatende verharding. Hierdoor ontstaat er een koele buitenruimte bestand tegen wateroverlast en het stedelijk hitte-eiland effect. Daarmee wordt bijgedragen aan een klimaatbestendige omgeving. In het ontwerp van de buitenruimte wordt rekening gehouden met duurzaamheid, onderhoud- en schoonmaakvriendelijkheid.
Conclusie
Gezien het voorgaande voldoet de ontwikkeling aan de Visie Duurzaamheid van de gemeente Rucphen.
Toetsingskader
De provincie Noord-Brabant en het Rijk hebben op 30 juni 2022 een handtekening gezet onder een totaal van 130.600 woningen in de periode t/m 2030. Hiervan dienen 8.630 (netto) woningen te worden gerealiseerd in de Stedelijke Regio West-Brabant West. Deze opgave is gebaseerd op de taakstelling van het Rijk waarbij een uitsplitsing is gemaakt op basis van de (provinciale) bevolkingsprognose.
De Provincie Noord-Brabant bestaat uit 4 woonregio's met elk een woondeal. In de woondeal West-Brabant-West wordt een minimum woningbouwopgave gepresenteerd. De regio WestBrabant-West zet zich, in samenwerking met woningcorporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van de woningbouwopgave.
Uitgangspunt is om per project 2/3 betaalbare woningen (maximum huur €1.000 per maand en maximum koopprijs €355.000) te realiseren waarvan 30% sociale huurwoningen. In 2025 is de Woondeal West-Brabant West geactualiseerd waarbij er nog eens 1800 extra woningen bovenop de eerdere prognose benodigd zijn.
Beoordeling en conclusie
In de Woondeal West-Brabant West is aangegeven dat toetsing aan de Woondeal niet noodzakelijk is bij woningbouwprojecten onder de 20 woningen. De betaalbaarheidsverdeling zoals opgenomen in de Woondeal is hiermee niet van toepassing. Met het toevoegen van 15 woningen voorziet het plan in een concrete behoefte, waarvan 10 van de 15 woningen in het betaalbare segment worden gerealiseerd. Verder betreft de locatie een inbreidingslocatie waarmee gehoor wordt gegeven aan de prioritering van de provincie Noord-Brabant.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten van de fysieke leefomgeving zoals deze relevant zijn voor het initiatief dat voorligt. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen.
Toetsingskader
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
Bij het wijzigen van het omgevingsplan kan het plan kaderstellend zijn voor ontwikkelingen die milieueffecten kunnen hebben. Projecten die in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Obl) staan zijn plan-mer-plichtig. Projecten die niet opgenomen zijn in bijlage V Omgevingsbesluit zijn plan-mer-beoordelingsplichtig. Indien projecten wel voorkomen in bijlage V Obl maar onder de drempelwaarden vallen van kolom 2 uit bijlage V Obl dan is een plan-mer-beoordeling toelaatbaar indien:
In alle overige gevallen dient een plan-mer procedure gevolgd te worden.
Beoordeling
Het initiatief betreft de nieuwbouw van maximaal 15 woningen. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van St. Willebrord. Daarmee valt het project onder de categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J11) zoals opgenomen in Bijlage V van het omgevingsbesluit. Voor deze categorie is geen drempelwaarde vastgesteld in kolom 2 van de bijlage. Dat betekent dat het project niet direct mer-plichtig is. Het initiatief valt wel onder kolom 3 'Aanleg', wat inhoudt dat een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Deze beoordeling is bedoeld om te bepalen of het project mogelijk aanzienlijke milieugevolgen heeft.
Een m.e.r.-beoordeling is in november 2025 door Aveco de Bondt uitgevoerd (Bijlage 1). Deze beoordeling toont aan dat het planvoornemen geen significante negatieve effecten op het milieu heeft. Door het ontbreken van significante milieu effecten is het beoogde plan niet mer-plichtig.
Conclusie
De uitgevoerde m.e.r.-beoordeling toont aan dat het onderhavige plan geen significante milieu impact heeft en dus niet mer-plichtig is.
Toetsingskader
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een stedelijke ontwikkeling bij plannen voor meer dan 11 woningen of een functiewijziging vanaf 500 m2 bvo. Het geldende bestemmingplan is vertrekpunt in de beoordeling of iets een stedelijke ontwikkeling is.
Beoordeling
Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de 'ladder' verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de 'ladder' niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' worden voldaan.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Een woonfunctie zoals realisatie van 15 woningen wordt aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.
Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. In beginsel is dus de onderhavige ontwikkeling aan de Fazantendonk te St. Willebrord, gelet op de omvang, als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' te classificeren.
Kwantitatieve behoefte
Uit de regionale "Woondeal West-Brabant" (maart 2023, actualisatie 2025) blijkt een behoefte van 475 woningen voor Rucphen van 2022-2030. Dat zijn gemiddeld 55 woningen per jaar. De 15 woningen dragen bij aan de kwantitatieve behoefte. De gemeente wil tot en met 2039 minimaal 695 woningen toevoegen om in te spelen op demografische ontwikkelingen, waarvan er al 55 gerealiseerd zijn in 2024. Daarbij ligt de nadruk op betaalbaarheid (70% betaalbaar), doorstroming en toekomstbestendigheid.
|
| Opgave uit de Woondeal en al gerealiseerde woningen. Bron: Stedelijke regio West-Brabant West (2024) & CBS (2025). Bewerking Stec Groep (2025). |
Met het intiatief wordt voorzien in maximaal 15 woningen, passend binnen de kwantitatieve
woningbehoefte van St. Willebrord. Het plan wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en betreft een inbreidingslocatie. Het voorziet in de bouw van 3 woningen in het goedkope segment, 7 in het betaalbare segment en 5 in het dure segment.
Kwalitatieve behoefte
De uitkomsten uit het woonwensenonderzoek laten zien dat de bewoners van St. Willebrord behoefte hebben aan doorstroming van ouderen in de kern (Thuis in gemeente Rucphen, Volkshuisvestingprogramma gemeent Rucphen, 9 mei 2025). De gemeente focust zich op relatief kleinschalige inbreidingsplekken, waarbij kleinere woningen worden toegevoegd in hogere dichtheden. Zo wordt de betaalbaarheid geborgd.
De gemeente zet zich in op woningen in het betaalbare koop- en het middenhuursegment om doorstroming uit sociale huur mogelijk te maken. Om dit mogelijk te maken focust de gemeente zich op het toevoegen van kleinere woningen op inbreidingsplekken in de kern. Het initiatief voorziet in beneden-bovenwoningen bestaande uit twee bouwlagen met kap. Daarnaast komen er grondgebonden woningen voor senioren, bestaande uit één bouwlaag met een kap. Daarmee voldoet het kwalitatieve programma aan de woonwensen van de bewoners van St. Willebrord.
Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied?
Het plangebied is gelegen binnen de kern St. Willebrord. De locatie maakt onderdeel uit van bebouwing met stedelijke functies, aldus is de ontwikkeling gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.
Conclusie
De voorgenomen woningbouwontwikkeling met maximaal 15 woningen, voornamelijk in het goedkope en betaalbare segment, voorziet zowel in de kwantitatieve als in de kwalitatieve behoefte. Het plan voldoet hiermee aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Toetsingskader
Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening moet worden gehouden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. In Rucphen zijn de omgevingsvisie 2.0 en de Visie Duurzaamheid 2019-2030 de richting gevende beleidskaders voor het aspect duurzaamheid.
Beoordeling
Openbare ruimte
De nieuw aan te leggen openbare ruimte, waaronder parkeerplaatsen, voetpaden en de te planten bomen worden aangelegd in groen. Dit is groen wat bijdraagt aan de gezondheid van de nieuwe bewoners door er naar te kijken, maar ook door er doorheen te kunnen wandelen en elkaar te kunnen ontmoeten. Het nieuw aan te leggen groen zal de biodiversiteit in het gebied verbeteren.
Daarnaast levert een versterking van groen een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Door de aanleg van dit groen en het watersysteem kan daarnaast hemelwater infiltreren bij natte periodes (piekbuien), maar ook vastgehouden worden bij drogere periodes. Het plan geeft hiermee invulling aan meerdere klimaatvraagstukken en is daarmee klimaatadaptief.
Bij de aanbesteding zal de gemeente aan marktpartijen aanvullende eisen stellen ten aanzien van klimaatadaptieve maatregelen en de inrichting van groen binnen het nieuwbouwplan. Daarnaast zal de gemeente het omliggende openbaar gebied, waaronder het parkeerterrein en de fiets- en voetpaden, kwalitatief groen uitwerken. In het kader van maatwerk wordt daarbij, op basis van de groenladder uit de groennorm, beoordeeld op welke wijze de groene kwaliteit door deze ontwikkeling kan worden verbeterd.
Bouw
Voor wat betreft de ambitie klimaat, energie en wonen wordt de nieuw te bouwen woningen worden gerealiseerd volgens de eisen van Bijna Energieneutraal Gebouw (BENG), die sinds 2021 als norm gelden.
Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen moet met verschillende energiebehoeftes rekening gehouden worden. Het betreft energie ten behoeve van het verwarmen en koelen van de woningen als ook voor het bereiden van warm water. Verder is er behoefte aan elektriciteit voor huishoudelijk gebruik en in toenemende mate ook voor mobiliteit. Om te bepalen welk energieconcept in het plan het meest passende is, zullen verschillende opties worden overwogen. Hierbij zal aansluiting worden gezocht bij de ambities van de gemeente Rucphen.
Conclusie
Het aspect duurzaamheid is voldoende meegenomen in de planvorming.
Toetsingskader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
Beoordeling
Door MILON bv is in oktober 2025 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het veldwerk is op 26 augustus uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd in (Bijlage 2) bij deze toelichting. Onderstaand worden de resultaten behandeld.
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan geconcludeerd worden dat geen verontreinigingen op de locatie zijn aangetoond. Zowel in de grond als in het grondwater zijn geen verhoogde waarden aangetoond. Tevens zijn geen asbestgehalten boven de grenswaarde voor een nader asbestonderzoek aangetoond. Voor de voorgenomen realisatie van woningen op de onderzoekslocatie bestaan op basis van het uitgevoerde onderzoek geen belemmeringen.
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Toetsingskader
In de Omgevingswet staat, net als voorheen in de Waterwet, een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal, onder andere in het besluit kwaliteit leefomgeving. De wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn water.
In de omgevingswet is ook het Nationaal Waterprogramma opgenomen, zodat het Rijksplan voor het waterbeleid van Nederland geïntegreerd is in de nieuwe wetgeving. Dit programma is opgesteld als vervolg op 22 december 2015 vastgestelde Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Nationaal Waterplan gaf de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. In het Nationaal Water Programma 2022-2027 wordt het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan integraal opgepakt, zodat het Rijk zich voor kon bereiden op de komst van de Omgevingswet. De Omgevingswet geldt sinds 1 januari 2024.
Waterschap Brabantse Delta
Het plangebied ligt in het beheergebied van waterschap Brabantse Delta en het vigerend beleid is de Waterschapsverordening. In beginsel is het verboden om zonder omgevingsvergunning neerslag door toename van verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:
Minimale bergingscapaciteit (m3) = toename verhard oppervlak (m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (m)
De gevoeligheidsfactor is gebaseerd op de plaatselijke geohydrologische situatie en deze waarde varieert tussen 0,25 en 1. In dit gebied bedraagt deze factor 1. Indien een infiltratievoorziening wordt toegepast, dient deze te voldoen aan de volgende eisen:
Beoordeling
Uit de kaarten behorend bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een beschermd gebied dat volgt uit de Keur. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied.
Oppervlaktewater
Uit de kaarten van het waterschap Brabantse Delta volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een beschermd gebied. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied. Nabij het plangebied bevinden zich geen vastgestelde oppervlaktewaterlichamen.
Hemelwater
Voor de herontwikkeling van de locatie Fazantendonk te St. Willebrord is een weging van het waterbelang onderzoek uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies B.V in 2025 (Bijlage 3). De ontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak met circa 2.870 m2, waardoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om wateroverlast te voorkomen. De vereiste bergingscapaciteit is berekend op 172 m3. Deze berging wordt gerealiseerd door een combinatie van een wadi in de groenstrook en een ondergronds infiltratiesysteem (bijvoorbeeld krattenveld of lavastenenpakket) onder de toekomstige parkeerplaatsen. De lokale grondwaterstand is voldoende laag om deze systemen effectief toe te passen. In de openbare ruimte is ruim 1.000 m2 ruimte aanwezig voor wadi's in groen en 750 m2 voor kratten onder de straten en parkeerplaatsen. De waterbergingsopgave is aldus uitvoerbaar binnen het plangebied.
De buitenruimte wordt ingericht met klimaatadaptieve maatregelen, zoals infiltriatievoorzieningen en groenstructuren. Hiermee wordt afstroming richting gebouwen en aangrenzende percelen voorkomen. Daarnaast wordt geadviseerd om drempels bij bebouwing te realiseren om instroom van water tijdens piekbuien te vermijden. Indien wenselijk kan overstortvoorzieningen naar het riool worden opgenomen om overlast bij extreme neerslag te beperken.
Voor de infiltratievoorzieningen is het noodzakelijk om verstoppingen te voorkomen. Het gebruik van strooizout wordt afgeraden, milieuvriendelijke alternatieven zoals zand zijn aanbevolen. Op afgekoppelde verharding mogen geen activiteiten plaatsvinden die tot vervuiling leiden, zoals autowassen, tenzij bodembeschermende maatregelen worden getroffen conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming.
Om de infiltratie en berging van hemelwater op een verantwoorde wijze te laten plaatsvinden, zijn specifieke milieuhygiënische voorwaarden van toepassing. Zo is het essentieel dat uitsluitend gebruik wordt gemaakt van bouwmaterialen die geen schadelijke stoffen afgeven aan het milieu. Materialen zoals zink, lood, koper en asfalt zijn vanwege hun uitlogende eigenschappen uitgesloten van toepassing op oppervlakken waarvan het regenwater wordt geïnfiltreerd. Alternatieven zoals kunststoffen, gecoat staal of aluminium zijn wel toegestaan, mits voorzien van een duurzame coating die voorkomt dat verontreinigende stoffen in het milieu terechtkomen. Deze keuze draagt bij aan het realiseren van een duurzame en milieuvriendelijke inrichting van het plangebied.
Daarnaast is het van belang dat het hemelwater afkomstig van afgekoppelde verhardingen, zoals opritten en terrassen, vrij blijft van verontreinigingen. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, olie of agressieve reinigingsmiddelen op deze oppervlakken dient daarom te worden vermeden. In de communicatie met toekomstige gebruikers van het gebied zal expliciet aandacht worden besteed aan het belang van zorgvuldig gebruik van dergelijke stoffen, om negatieve effecten op de bodem- en waterkwaliteit te voorkomen. Het lozen van afvalwater via infiltratievoorzieningen is in geen geval toegestaan.
Om de werking van de infiltratie- en bergingsvoorzieningen op lange termijn te waarborgen, is regelmatig onderhoud noodzakelijk. Dit betreft met name het schoonhouden van de aan- en afvoerstructuren, zodat verstoppingen worden voorkomen en de doorstroming gewaarborgd blijft. Verder wordt het afgeraden om chemische middelen of strooizout te gebruiken op verhardingen binnen het plangebied. In plaats daarvan wordt het gebruik van milieuvriendelijke alternatieven, zoals zand, aanbevolen. Tot slot mogen op afgekoppelde buitenverhardingen geen activiteiten plaatsvinden die kunnen leiden tot vervuiling van het oppervlak, zoals het wassen van voertuigen of het gebruik van schadelijke stoffen. Indien dergelijke activiteiten toch plaatsvinden, dienen passende bodembeschermende maatregelen te worden getroffen conform de Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming.
Afvalwater
Als gevolg van de ontwikkeling zal nieuwe riolering aangelegd moeten worden. Het afvoeren, scheiden en verwerken van afvalwater vindt plaats conform het gemeentelijke rioleringsplan (GRP). Huishoudelijk afvalwater (vuilwater) wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool en afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap.
Drinkwater
De drinkwatervoorziening zal worden gerealiseerd door aansluiten op het bestaande leidingnet van de regionale drinkwatermaatschappij van Brabant Water.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd.
Toetsingskader
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen Waterschap Brabantse Delta
Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Beleid Waterschap Brabantse Delta
Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5)
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel/Brabantse Delta/Aa en Maas met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO)
Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater:
Waterschapsverordening
In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij:
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:
Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.
Beoordeling
Hemelwater
Voor de herontwikkeling van de locatie Fazantendonk te St. Willebrord is een weging van het waterbelang onderzoek uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies B.V in 2025 (Bijlage 3). De ontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak met circa 2.870m2, waardoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om wateroverlast te voorkomen. De vereiste bergingscapaciteit is berekend op 172m3. Deze berging wordt gerealiseerd door een combinatie van een wadi in de groenstrook en een ondergronds infiltratiesysteem (bijvoorbeeld krattenveld of lavastenenpakket) onder de toekomstige parkeerplaatsen. De lokale grondwaterstand is voldoende laag om deze systemen effectief toe te passen. De waterbergingsopgave is aldus uitvoerbaar binnen het plangebied. In de nadere uitwerking dient middels een klimaatstresstest nog inzicht te worden gegeven in de hemelwaterafvoer.
Afvalwater
Als gevolg van de ontwikkeling zal nieuwe riolering aangelegd moeten worden. Het afvoeren, scheiden en verwerken van afvalwater vindt plaats conform het gemeentelijke rioleringsplan (GRP). Huishoudelijk afvalwater (vuilwater) wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool en afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap.
Drinkwater
De drinkwatervoorziening zal worden gerealiseerd door aansluiten op het bestaande leidingnet van de regionale drinkwatermaatschappij van Brabant Water.
Conclusie
Op grond van de uitgevoerde beoordeling kan worden vastgesteld dat vanuit het aspect water sprake is van een evenwichtige en verantwoorde toedeling van functies.
Toetsingskader
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan / archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan
Beoordeling archeologie
Uit de beoordeling van de Archeologische Beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een Archeologisch Beleidsadviesgebied 2 en gedeeltelijk 4. In een Archeologisch Beleidsadviesgebied 2 geldt een onderzoeksplicht bij een minimale bodemverstoring vanaf 100 m2 en dieper dan 50cm. In geval van een Archeologisch Beleidsadviesgebied 4 geldt een onderzoeksplicht bij een minimale bodemverstoring van 1000 m2 en dieper dan 50cm. Aangezien deze mate van bodemverstoring bij de voorgenomen werkzaamheden niet kan worden uitgesloten, is opdracht verstrekt om archeologisch bodemonderzoek te verrichten.
ADC ArcheoProjecten heeft een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd op de locatie (zie Bijlage 4).
Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt op een terrasafzettingswelving en is door de enigszins hogere ligging relatief laat, waarschijnlijk vanaf omstreeks de jaartelling, met veen bedekt geraakt. Rekening houdend met deze situatie en het ontbreken van een duidelijke gradiëntzone geldt een middelhoge verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum t/m IJzertijd en een lage verwachting voor resten uit de periode Romeinse tijd t/m Vroege Middeleeuwen. Voor de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd geldt onder meer op basis van archeologische waarnemingen in de directe omgeving een hoge verwachting.
Om de archeologische verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De middelhoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum t/m IJzertijd en hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd dient op basis van het veldonderzoek naar een lage verwachting te worden bijgesteld. De lage verwachting voor de overige perioden dient te worden gehandhaafd.
ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De regioarcheoloog heeft op basis van dit rapport een selectiebesluit genomen.
Conclusie
Er is geen sprake van een bedreiging van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden. Het plangebied wordt als voldoende onderzocht beschouwd en is vrijgegeven.
Beoordeling cultuurhistorie
Het plangebied is gelegen in de regio 'West-Brabantse Venen', zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. In de 'West- Brabantse Venen' heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio.
|
| Uitsnede van de cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen. Plangebied is aangeduid met de rode ster. |
Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied met een historische waarde. De Noorderstraat grenzend aan het plangebied heeft een historische geografie met een 'Redelijk hoge' waarde.
Binnen de cultuurhistoriekaart (erfgoedkaart) van de gemeente Rucphen is het plangebied aangeduid als 'zone cultuurgronden (1840)'. Deze categorie wordt gevormd door de verdeling van percelen, wegen- en bebouwingspatronen. In de toelichting van de erfgoedkaart staat beschreven dat de cultuurhistorische waarden beschermd kunnen worden doormiddel van een aanduiding binnen de bestemmingsplannen. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan kent echter geen aanduiding voor de bescherming van cultuurhistorische waarden. Daarnaast doen de voorgenomen plannen geen afbraak aan deze waarde.
Conclusie
Het planvoornemen doet geen afbreuk aan archeologische en cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied.
Toetsingskader
Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur.
De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura-2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.
Natura 2000-gebieden
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening (Natuur netwerk Brabant, NNB). In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Beoordeling en conclusie
Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het 'Ulvenhoutse Bos', dat is gelegen op een afstand van circa 14 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Aangezien het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake.
Binnen het plangebied is geen Natuur Netwerk Brabant (NNB) aanwezig. Ook in de directe omgeving is geen NNB-gebied gelegen. Het plangebied bevindt zich in een stedelijke omgeving. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied ligt op circa 1,25 km afstand, buiten de bebouwde kom van St. Willebrord. Gezien de afstand tussen het NNB en plangebied met het tussenliggend stedelijke gebied, is er geen sprake van directe of indirecte ruimtelijke of ecologische aantasting van het NNB. Het planvoornemen veroorzaakt geen verslechtering van de natuurwaarden. Hiermee voldoet het plan aan de uitgangspunten van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Toetsingskader
Stikstof is als onderdeel van de gebiedsbescherming van Natura-2000 gebieden opgenomen in de Omgevingswet. Met het programma AERIUS dient de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald.
Beoordeling
De Roever Omgevingsadvies heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie Bijlage 5). In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.
Conlcusie
Uit een AERIUS-berekening is gebleken dat als gevolg van de (aanleg- en) gebruiksfase er ten aanzien van stikstofdepositie geen negatieve effecten optreden als gevolg van het plan op Natura 2000-gebieden.
Toetsingskader
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid daarvan. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig.
De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning).
Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Beoordeling
Door de Roever Omgevingsadvies is in oktober 2025 een Natuuronderzoek afgerond. De rapportage is bijgevoegd in (Bijlage 6) van deze toelichting. Vanwege het plan worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk.
Conclusie
Op basis van het natuuronderzoek kan worden geconcludeerd dat het onderhavige plan geen significante hinder veroorzaakt voor beschermde flora en fauna, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd conform de geldende zorgplicht en de geadviseerde maatregelen. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning is niet noodzakelijk. Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Toetsingskader
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken.
De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
Beoordeling
De Roever Omgevingsadvies heeft in 2026 een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd voor het plan aan de Fazantendonk te St. Willebrord (Bijlage 7). In dit onderzoek is het geluid vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen aan de Fazantendonk in Sint Willebrord berekend.
Toetsing standaardwaarden en grenswaarden
Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 61 dB ter plaatse van de bouwvlakken en 60 dB ter plaatse van de fictieve woningen. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden maar de grenswaarde van 70 dB niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht.
Gevelwering en woon- en leefklimaat
Benodigde gevelwering
Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 61 dB ter plaatse van de zuidzijde van het meest zuidelijke bouwvlak op een hoogte van 8,0 meter. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 61 – 33 = 28 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de geluidwering van de gevels.
Woon- en leefklimaat
De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘slecht’ tot ‘zeer goed’ ter plaatse van de bouwvlakken en ‘matig’ tot ‘zeer goed’ ter plaatse van de fictieve woningen. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.4.1 en 3.4.2 kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Toetsing 60 km/u Vosdonkseweg
Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 62 dB ter plaatse van de bouwvlakken en de fictieve woningen, waarbij worst-case is uitgegaan van 60 km/u voor de Vosdonkseweg. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden maar de
grenswaarde van 70 dB niet.
De aangepaste snelheid van de Vosdonkseweg van 50 km/u naar 60 km/u zorgt voor een
toename van ongeveer 1 á 2 dB ter plaatse van de bouwvlakken en fictieve woningen.
Conclusie
Op de verbeelding is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen- overschrijding standaardwaarde' het gezamenlijk geluid maximaal 62 Lden mag bedragen.
Het initiatief is niet onuitvoerbaar in het kader van wegverkeerslawaai. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de woonfunctie.
Toetsingskader
De juridische basis voor activiteiten en milieuzonering is sinds 1 januari 2024 vastgelegd in de Omgevingswet. Deze wet richt zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) om hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten te voorkomen. Dit wordt bereikt door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, en gevoelige functies, zoals woningen.
In 2009 stelde de VNG, in samenwerking met de Ministeries van VROM en Economische Zaken, de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" op. Deze handreiking bevat richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Bedrijven zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij hogere categorieën zwaardere milieubelasting betekenen en grotere richtafstanden vereisen. De richtafstanden zijn indicatief en kunnen worden aangepast mits zorgvuldig onderbouwd.
De handreiking onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijken/buitengebieden en gemengde gebieden. In rustige woonwijken wordt functiescheiding nagestreefd, terwijl in gemengde gebieden kortere richtafstanden acceptabel zijn.
Bij bedrijven en milieuzonering wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe werking. Interne werking betreft de vraag of de omgeving de nieuwe functie toelaat, terwijl externe werking gaat over de vraag of de nieuwe functie in de omgeving past. Bij zonering moet rekening worden gehouden met planologische rechten en daadwerkelijk gebruik van bestemmingen.
De Omgevingswet introduceert ook het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de zogenaamde bruidsschat, die beoordelingsregels voor bedrijven bevatten. In het Bal worden bedrijven gezien als verzamelingen van milieubelastende activiteiten, met algemene regels voor toelaatbare milieuhinder en specifieke milieuvergunningsplichten.
In oktober 2024 publiceerde de VNG een nieuwe versie van de handreiking "Activiteiten en milieuzonering". Deze nieuwe systematiek integreert het ruimtelijk- en milieuspoor en richt zich op geluid en geurhinder door bedrijvigheid. De handreiking werkt met zones met milieuwaarden in plaats van milieucategorieën, waarbij grotere afstanden tot woonomgevingen meer gebruiksruimte voor geluid en geur bieden.
De nieuwe systematiek biedt ruimte voor aanvullende regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, gericht op efficiënt ruimtegebruik en het voorkomen van onaanvaardbare cumulatie van geur- en geluidbelasting bij woonomgevingen. De zones voor geluid en geur zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van milieugevoelige activiteiten, met specifieke geluid- en geurbelastingen per activiteit op vaste afstanden van de locatie.
Beoordeling
Gezien het ontbreken van bedrijfsfuncties en maatschappelijke voorzieningen in de directe omgeving van het plangebied, kan deze omgeving worden aangemerkt als een rustig woongebied.
In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied bestemd voor sport- en verkeersfunctie. In de toekomstige situatie wordt een woon-, verkeer- en groenfunctie gerealiseerd. In de omgeving van het plangebied bevindt zich op circa 120 meter een nutsvoorziening en op circa 160 meter een natuursteenbewerkingsbedrijf. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 3.2, waarvoor een richtafstand van 100 meter geldt. Met een afstand van circa 160 meter tussen de bouwperceelgrens en de bedrijfslocatie is er geen sprake van hinder of strijdigheid met de uitgangspunten van milieuzonering.
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is in het kader van bedrijven en milieuzonering.'
Conclusie
Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd.
Toetsingskader
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
|
| Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode ster. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2024. |
|
| Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode ster. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2024 |
Beoordeling
Inrichtingen en externe veiligheid
Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen welke negatieve invloed kunnen hebben op de externe veiligheid, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de dichtsbijzijnde inrichtingen zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden en groepsrisico. Het plangebied is echter gelegen in een gifwolksaandachtsgebied van Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Het veroorzakende bedrijf is gelegen op meer dan 1.500 meter afstand en heeft geen consequenties voor dit plan.
Transport en externe veiligheid
Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de REV geen sprake is van een risicocontour. Voor het groepsrisico gelden geen veiligheidsafstanden. Gelet op de ruime afstand van de weg tot het plangebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Buisleidingen en externe veiligheid
Om te beoordelen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de dichtsbijzijnde hogedruk aardgasleiding is gelegen op een afstand van circa 150 meter tot het plangebied. Het plangebied ligt niet in het aandachtsgebied van deze leiding. Daarnaast ligt het plangebied ook niet in een risico contour. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Bereikbaarheid bluswatervoorzieningen
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is er een toereikende bluswatervoorziening en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen nodig. Ook zal de bereikbaarheid van de nieuwe woningen moeten zijn gewaarborgd. De bereikbaarheid dient getoetst te worden aan het Besluit bouwwerken leefomgeving § 4.6.3 (Bereikbaarheid van een bouwwerk). Tevens dient er rekening gehouden te worden met de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening, vastgesteld door de Interregionale Adviesleidraad Bluswatervoorzieningen Bereikbaarheid 2022.
Conclusie
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Toetsingskader
Het aspect luchtkwaliteit is om meerdere redenen relevant. In de eerste plaats omdat woningen worden gerealiseerd en luchtkwaliteit een gezondheidsaspect is voor de toekomstige bewoners. In de tweede plaats omdat de een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op wegen die van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit.
Voor luchtkwaliteit zijn de instructieregels in § 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving relevant. Deze zijn met name relevant als het projectgebied is gelegen in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, locaties met hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is voor de gewenste ontwikkeling.
Beoordeling
Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van het projectgebied. Maatgevend is het toetspunt aan de Noorderstraat , direct ten oosten van het projectgebied. Uit de kaart blijkt dat in 2025 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2025; 15,8 µg/m³ voor NO2, 14,8 µg/m³ voor PM10 en voor 8,2 PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.
Het plangebied bevindt zich niet in de in artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Het initiatief valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Om deze reden is nader onderzoek niet noodzakelijk.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
Toetsingskader
De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant in verband met onderhoud, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.
Beoordeling
Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium een KLIC-melding worden uitgevoerd.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
Toetsingskader
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
Beoordeling
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de gezondheid heeft.
Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid en de maatregelen die worden genomen om de hinder zoveel mogelijk te beperken.
De beoogde ontwikkeling heeft ook positieve effecten op de gezondheid. In het projectgebied wordt een nieuw fiets- en wandelpad aangelegd. Deze stimuleren net als de veiligheid óók de gezondheid.
In het projectgebied komt voldoende waterberging. Daarnaast heeft het belendende groen aan de Pastoor Bastiaansensingel een waterbergende functie. Dit gebied zal het meeste water opvangen. Deze waterberging draagt positief bij aan aan de opvang van overtollig regenwater.
Er worden nieuwe groenvoorzieningen en bomen aangelegd. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen. Door het vele groen kan het water makkelijker worden geïnfiltreerd. Ook zorgen bestaande bomen en nieuwe bomen voor schaduw en koele plekken.
Nieuwbouwwoningen kunnen daarnaast bijdragen aan de groei van de gemeenschap door het aantrekken van nieuwe bewoners, maar zorgen ook voor de doorstroming van doelgroepen. Dit kan leiden tot een toename van de economische activiteit, nieuwe banen en een grotere diversiteit binnen de gemeenschap.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid.
Dit TAM-omgevingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de locatie Fazantendonk te St. Willebrord. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen. De planopzet kent een beperkt aantal functies. Aan de verschillende regelingen zijn locaties gekoppeld die terug te zien zijn op de kaart.
De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), regels voor functies en activiteiten (hoofdstuk 2) en algemene regels (hoofdstuk 3).
Artikel 1. Toepassingsbereik
sub a
Hierin is bepaald op welke locatie dit hoofdstuk van toepassing is en koppelt de kaart aan het TAM-omgevingsplan.
Sub b
Hierin is bepaald dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (niet van toepassing zijn op de locatie zoals bedoeld in lid 1. Het TAM-omgevingsplan kan er niet voor zorgen dat de onderliggende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervallen. Daarom worden deze regels niet van toepassing verklaard.
Sub c
Hierin is bepaald dat een groot deel van de regels uit de bruidsschat niet van toepassing is als de regels in strijd zijn met de regels uit dit hoofdstuk. Hiervan zijn de regels over vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat uitgezonderd.
Artikel 2. Begripsbepalingen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het TAM-omgevingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Er is ook aangegeven dat de begrippen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving overeenkomstige van toepassing zijn op dit omgevingsplan.
Artikel 3. Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden.
Artikel 4. Aanvraagvereisten
Door dit artikel worden de aanvraagvereisten uit de bruidsschat ook van toepassing verklaard op een omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 5. Algemeen gebruiksverbod
In dit artikel is vastgelegd dat het verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies zoals vastgelegd in dit hoofdstuk.
Artikel 6. Groen
Ter plaatse van de functie 'Groen' zijn grotere en structurele groenvoorzieningen opgenomen, maar ook structuren zoals groenstroken, bermen, fiets- en wandelpaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair en overige tot de functie behorende voorzieningen zijn binnen deze functie gelegen. Wijziging, aantasting en compensatie van het groen en bomen dient getoetst te worden aan het gemeentelijk groenbeleid. Op de gronden mogen kleine gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Door gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toe te staan wordt het mogelijk om bijvoorbeeld een gebouw toe te staan ten behoeve van speeltoestellen.
Artikel 7. Verkeer
De wegen en bijbehorende verblijfsgebieden zijn aangeduid als 'Verkeer'. Deze functie geldt voor alle straten, erven en wegen, er is dus geen onderscheid noodzakelijk naar de wegencategorisering. Onder deze functiezijn tevens begrepen groenstroken, bermen en bomen langs wegen.
Artikel 8. Wonen
Woningen bestemd voor de huisvesting van één huishouden zijn in het plan bestemd tot 'Wonen'. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak, met inachtneming van een eventueel aangegeven maximaal aantal wooneenheden en de woningtypologie. Met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - overschrijding standaardwaarde' is geborgd dat er een gevelweringsonderzoek wordt uitgevoerd ter waarborging van een goed binnenklimaat, omdat aldaar de standaardwaarde van 53dB(A) wordt overschreden.
Artikel 9. Anti-dubbeltelregel
In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven.
Artikel 10. Aanvullende beoordelingsregels bouwen
In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de nokrichting en de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouw zijnde. Deze eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
Daarnaast is in de algemene bouwregels een bestaande afstanden en ander maten regeling opgenomen.
Artikel 11. Aanvullende beoordelingsregels gebiedsaanwijzingen
IIn dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de geometrie opgenomen gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - 4'. Hierin is aangegeven wat de maximale bouwhoogte van bouwwerken mag bedragen ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak ten aanzien van Breda International Airport. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen voor het bouwen binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone'. Binnen deze aanduiding mogen geen windturbines en gebouwen worden opgericht met een hoogte van 90 meter of meer.
Artikel 12. Aanvullende beoordelingsregels afwijkingen
In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Daarnaast is er een afwijking opgenomen voor het oprichten van antennes en masten tot 15 meter.
Artikel 13. Overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht bepaald. Dit artikel bevat standaard overgangsrecht voor bouwen en gebruik.
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van woningen in de kern St. Willebrord door de gemeente Rucphen. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. Daarbij zorgt de gemeente voor het bouw en woonrijp maken van het openbare gebied. Het bouwperceel c.q. functievlak "Wonen", waarop de woningen worden gerealiseerd, wordt aan marktpartijen aangeboden.
De gemeente heeft middelen beschikbaar om de ontwikkeling te realiseren. De concept grondexploitatie laat een positieve balans zien. Omdat de opbrengsten naar verwachting hoger zijn dan de kosten, is er geen verdere dekking nodig. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit is aangegeven dat bij de wijziging van een omgevingsplan moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En ook wat er met de resultaten is gedaan. Wie bij de participatie worden betrokken, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden.
Op 20 november 2025 is het plan besproken aan de Omgevingstafel, waarbij externe partijen zoals de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant zijn uitgenodigd. De reacties van de veiligheidsregio Midden- en het waterschap zijn in het plan verwerkt.
In het kader van participatie zijn omwonenden geïnformeerd over de plannen. Op maandag 24 november 2025 vond er van 18:30 - 19:15 uur een inloopavond plaats. Tijdens deze bijeenkomst zijn direct omwonenden en andere belangstellende geïnformeerd, over de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor de realisatie van woningbouw aan de Fazantendonk, ter hoogte van de Kozijnenhoek te te St. Willebrord.
De inloopavond vond plaats in het gemeentehuis van Rucphen (Binnentuin 1). In de 'burgerzaal' zijn een drietal tekeningen en schetsen gepresenteerd, waarmee bewoners en andere belanghebbenden een beeld kregen van de wijziging van het omgevingsplan en de beoogde inpassing van het nieuwbouwplan in de omgeving. Deze tekeningen en schetsen zijn onder Bijlage 8 bij dit verslag opgenomen.
De inloopavond is aangekondigd via de Rucphense Bode, de gemeentewebsite en het Gemeenteblad. Daarnaast ontvingen circa 60 directe omwonenden per post een persoonlijke uitnodiging. Belangstellenden die verhinderd waren, konden de stukken digitaal per e-mail opvragen. Op de avond zelf waren weinig bezoekers aanwezig.
Gezien het beperkte aantal bezoekers konden de projectmedewerkers één-op-één gesprekken voeren met de aanwezigen. De bezoekers waren vooral geïnteresseerd in de beoogde bouwhoogte/aantal bouwlagen en de situering van de parkeerplaatsen en routing van de wegen. De sfeer tijdens de bijeenkomst was overwegend positief. Uit de gesprekken bleek dat de meeste aanwezigen zich kunnen vinden in het doel van het plan. Er waren bij enkele bewoners wel wat vragen en zorgen over de verkeersafwikkeling en de ontsluiting van het verkeer. Meerdere bezoekers hebben aangegeven graag geïnformeerd te willen blijven over het verdere planproces. De vijf ingekomen reactieformulieren zijn (anoniem) beantwoord en in het verslag opgenomen.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft voor zes weken, van 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens de periode van terinzagelegging kon iedereen binnen de gestelde termijn, schriftelijk of mondeling, een zienswijze indienen. Tijdens de periode van de terinzagelegging van het TAM-omgevingsplan, zijn er vier schriftelijke zienswijzen naar voren gebracht, waarbij 1 zienswijze (later) is ingetrokken.
De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de nota van zienswijzen, die als Bijlage 9
bij de toelichting is opgenomen. De zienswijzen hebben tot aanpassingen geleid van het TAM-omgevingsplan. Alle aanpassingen zijn opgesomd in Bijlage 9.
Het gewijzigd vastgestelde plan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan treedt vier weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit in werking. Wanneer geen beroep wordt ingesteld, wordt het besluit na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de beoogde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de beoogde activiteit) zorgvuldig onderzocht en afgewogen in hoofdstuk 4. Om te waarborgen dat het project niet in strijd is met de beleidsdoelen, is het planvoornemen in hoofdstuk 3 getoetst aan het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. In de hoofdstukken 5 en 6 is daarnaast ingegaan op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid.
Op basis van deze toetsing wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met de beleidsdoelen en geen onaanvaardbare effecten heeft op de fysieke leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.