direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0840.1000P0002-DEF1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Doel en aanleiding

Doelstelling 

Dit paraplubestemmingsplan heeft als doel het behoud en de bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden binnen de gemeente Rucphen. Het vormt een aanvullend juridisch kader bovenop de bestaande bestemmingsplannen, zonder deze te wijzigen. Door het bundelen van erfgoedinformatie uit gemeentelijk, provinciaal en landelijk beleid, ontstaat een samenhangend en transparant beschermingsregime. Dit biedt initiatiefnemers duidelijkheid bij ruimtelijke ontwikkelingen en draagt bij aan een zorgvuldige, duurzame en toekomstbestendige inrichting van de fysieke leefomgeving.

Aanleiding 

Het plan is oorspronkelijk opgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan blijft ook onder het regiem van de Wro vallen en wordt op grond van die Wet afgerond. Zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is, gaat het onderdeel uitmaken van het tijdleijke omgevingsplan. In het kader van een zorgvuldige planvorming is aandacht besteed aan de bescherming van cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. In 2019 heeft de gemeente Rucphen een actualisatie uitgevoerd van cultuurhistorische objecten, voortbouwend op een quickscan uit 2009. Hierbij is vastgesteld welke objecten nog aanwezig en beschermenswaardig zijn. Objecten die niet langer als beschermenswaardig gelden, buiten de gemeentegrenzen vallen door grenscorrecties, of inmiddels als rijksmonument zijn aangewezen, zijn van de gemeentelijke lijst verwijderd.

De reikwijdte van het plan is verbreed: naast archeologie en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing zijn nu ook rijksmonumenten, provinciaal vastgestelde cultuurhistorische vlakken, landgoederen, landbouwenclaves en toegangslaan met veldkapel opgenomen. Deze integrale benadering zorgt voor een eenduidige en overzichtelijke bescherming van erfgoedwaarden binnen de gemeente. De genoemde elementen zijn vastgelegd op de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierbij geldt dat de planregels geen wijzigingen aanbrengen in de beschermingsregimes die reeds van toepassing zijn op grond van rijks- of provinciale regelgeving .

1.2 Plangebied en begrenzing

Het plangebied omvat het volledige grondgebied van de gemeente Rucphen. Dit paraplubestemmingsplan vormt een aanvulling op alle vigerende bestemmingsplannen, waarbij de onderliggende bestemmingen behouden blijven. De locaties van beschermde objecten en gebieden zijn opgenomen in de bij dit plan behorende verbeelding.

Voor zover het betreft de bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden, geldt dat de regels van dit paraplubestemmingsplan prevaleren boven de regels van de onderliggende bestemmingsplannen. Daarmee wordt geborgd dat de in dit plan opgenomen waarden zwaarder wegen en voorrang hebben bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen.

Voor handelingen die al op rijks- of provinciaal niveau zijn geregeld, zoals het wijzigen of slopen van rijksmonumenten, geldt geen extra gemeentelijk vergunningstelsel. In die gevallen heeft de gemeentelijke regeling een signalerende functie. Lokaal waardevolle objecten en structuren zijn binnen de gemeentelijke bevoegdheid planologisch beschermd .

1.3 Juridische structuur en bestemmingsvlakken

Binnen dit paraplubestemmingsplan zijn twee overkoepelende bestemmingsvlakken opgenomen:

“Waarde – Archeologie”: ter bescherming van archeologische waarden en verwachtingszones. Hieraan zijn vijf dubbelbestemmingen gekoppeld (Archeologie 1 t/m 5), gebaseerd op de gemeentelijke Nota Archeologie. In de verbeelding van dit plan komen op dit moment uitsluitend Archeologie 2, Archeologie 3 en Archeologie 4 voor. De overige categorieën zijn opgenomen voor volledigheid en toekomstige toepassing.

“Waarde – Cultuurhistorie”: gericht op de bescherming van cultuurhistorische waarden. Hieraan zijn, afhankelijk van de aard van de waarde, de volgende gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen gekoppeld:

  • a. "Overige zone–Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing”;
  • b. "Overige zone–Rijksmonument”;
  • c. “Overige zone–Cultureel vlak”: provinciaal vastgestelde cultuurhistorische vlakken;
  • d. “Overige zone–Landgoed”: landgoederen en historische buitenplaatsen;
  • e. “Overige zone–Landbouwenclave”: kleinschalige historische landbouwstructuren;
  • f. “Overige zone–Toegangslaan met veldkapel”: religieus-historische landschapselementen.

Deze gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen gelden als aanvullende bescherming bovenop de regels van de onderliggende bestemmingsplannen. Voor de betreffende cultuurhistorische en archeologische aspecten prevaleren de regels van dit parapluplan boven die van de onderliggende plannen.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de inhoud en opzet van het paraplubestemmingsplan. Daarbij wordt uiteengezet hoe gemeentelijke, provinciale en landelijke erfgoedgegevens zijn samengebracht binnen de bestemmingsvlakken “Waarde–Archeologie” en “Waarde–Cultuurhistorie”, met gekoppelde gebiedsaanduidingen en/of dubbelbestemmingen. Hoofdstuk 3 toetst het plan aan het relevante ruimtelijke beleid en aan de planologisch relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 4 licht de juridische opzet toe, inclusief de relatie tussen het bestemmingsvlak, de gebiedsaanduidingen/ dubbelbestemmingen en de onderliggende bestemmingsplannen. Hoofdstuk 5 behandelt de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 6 gaat in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid, inclusief participatie en inspraak .

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de inhoud en opzet van het paraplubestemmingsplan. Daarbij wordt uiteengezet op welke wijze de verschillende beschermingscategorieën planologisch zijn vastgelegd en hoe deze zich verhouden tot de onderliggende bestemmingsplannen.

Het plan onderscheidt twee overkoepelende bestemmingsvlakken:

  • 1. “Waarde–Archeologie”, met daaraan gekoppeld de dubbelbestemmingen Archeologie 1 t/m 5;
  • 2. “Waarde–Cultuurhistorie”, met daaraan gekoppeld diverse gebiedsaanduidingen en/of dubbelbestemmingen, waaronder:
    • a. “Overige zone–Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing”;
    • b. “Overige zone–Rijksmonument”;
    • c. “Overige zone–Cultureel vlak”;
    • d. “Overige zone–Landgoed”;
    • e. “Overige zone–Landbouwenclave”;
    • f. “Overige zone–Toegangslaan met veldkapel”.

Het opnemen van deze waarden in één paraplubestemmingsplan dient meerdere algemene doelen:

  • Integratie: het samenbrengen van gegevens en beschermingsregimes van verschillende bestuurslagen (gemeente, provincie en rijk) in één samenhangend planbeeld;
  • Overzichtelijkheid: initiatiefnemers, ontwerpers en vergunningverleners krijgen in één oogopslag inzicht in de relevante archeologische en cultuurhistorische waarden;
  • Voorrang en rechtszekerheid: de regels van dit paraplubestemmingsplan gelden aanvullend en gaan voor op die van de onderliggende bestemmingsplannen, zodat de bescherming van erfgoedwaarden ten allen tijde is geborgd;
  • Aansluiting op de Omgevingswet: het plan voorziet in een toereikend beschermingsregime voor cultureel erfgoed, conform artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving(Bkl).

Hoewel het plan juridisch is opgesteld op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt in de toelichting en planopzet zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek en terminologie van de Omgevingswet. Hiermee wordt beoogd om de informatievoorziening richting initiatiefnemers te verbeteren en de overgang naar het toekomstige omgevingsplan te versoepelen.

In de volgende paragrafen wordt per beschermingscategorie afzonderlijk ingegaan op de achtergrond, de herkomst van de gegevens en de planologische vertaling binnen dit paraplubestemmingsplan .

2.2 Archeologie

De gemeente Rucphen heeft op 27 september 2012 haar archeologiebeleid vastgesteld. Dit beleid bestond uit een gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart, een toelichting en een beleidskaart. In de jaren daarna zijn diverse nieuwe inhoudelijke bronnen en onderzoeken beschikbaar gekomen, die een scherper inzicht bieden in de bodemopbouw en in de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied.

Deze actuele informatie, in combinatie met het bestaande beleid, maakte het mogelijk om het kaartbeeld van archeologische waarden en verwachtingen verder te verfijnen en specifieker te maken. Daarnaast heeft de invoering van de Erfgoedwet en de Omgevingswet geleid tot een nieuw juridisch kader voor het omgaan met erfgoed.

Op basis van deze ontwikkelingen heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden- en verwachtingskaarten, de archeologische beleidskaart en het archeologiebeleid herzien. In maart 2019 is de Nota Archeologie met bijbehorende beleidskaart vastgesteld. De archeologische beleidskaart vormt een vertaling van de waarden- en verwachtingskaart. Deze geeft informatie over de ligging en omvang van alle bekende archeologische terreinen, evenals de verwachte aanwezigheid van nog onbekende archeologische objecten en locaties.

De verschillende zones uit de waarden- en verwachtingskaart zijn samengevoegd tot vijf beleidscategorieën. In de verbeelding van dit plan komen uitsluitend de categorieën Archeologie 2, Archeologie 3 en Archeologie 4 voor. De overige categorieën zijn opgenomen voor volledigheid en toekomstige toepassing. Aan elke categorie zijn specifieke beleidsmaatregelen en vrijstellingsgrenzen gekoppeld. Deze vrijstellingsgrenzen zijn gebaseerd op:

  • de toegestane verstoringdiepte;
  • de oppervlakte van de geplande ingreep;
  • de omvang en aard van de verwachte of bekende archeologische fenomenen;
  • de mate van archeologische waarde of verwachting;
  • eventuele specifieke beleidswensen.

Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling zowel de oppervlakte- als de dieptegrens overschrijdt, ontstaat een verplichting tot archeologisch onderzoek.


Beleidscategorie
 

Waarde of verwachting  

Vrijstellingsgrenzen oppervlakte en diepte
 

Waarde -archeologie 1
 

Archeologisch monument  

Altijd onderzoek  

Waarde -archeologie 2
 

Bekende vindplaatsen, historische kernen, hoge verwachtings- jagers en verzamelaars)
 

100m2 en 50cm-Mv  

Waarde -archeologie 3
 

Hoge verwachting en kans op resten gerelateerd aan de natte context
 

500 m2 en 50 cm -Mv  
Waarde -archeologie 4  
Middelhoge verwachting  

1000 m2 en 50 cm -Mv  

Waarde -archeologie 5
 

Lage verwachting  

n.v.t  
 
Geen verwachting
 

n.v.t  

Binnen dit paraplubestemmingsplan zijn de archeologische waarden en verwachtingszones planologisch vastgelegd als gebiedsaanduidingen “Archeologie 1” tot en met “Archeologie 5” gekoppeld aan het overkoepelende bestemmingsvlak “Waarde–Archeologie”.

Per categorie gelden de bijbehorende vrijstellingsgrenzen en onderzoeksplichten, zoals hierboven beschreven.

Door deze systematiek wordt archeologische bescherming integraal onderdeel van het bredere cultuurhistorische beschermingskader van de gemeente. Dit zorgt voor een eenduidige toepassing bij vergunningverlening en geeft initiatiefnemers vooraf duidelijkheid over de onderzoeksplicht bij bodemverstorende activiteiten

2.3 Cultuurhistorie

Het bestemmingsvlak “Waarde – Cultuurhistorie” is in dit paraplubestemmingsplan opgenomen om de verschillende cultuurhistorische waarden binnen de gemeente Rucphen te beschermen en zichtbaar te maken.

Deze dubbelbestemming en bijbehorende gebiedsaanduidingen zijn gericht op het behoud en de bescherming van cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Afhankelijk van de aard van de waarde zijn de volgende zones onderscheiden:

A. “Overige zone – Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing”;

B. “Overige zone – Rijksmonumenten”;

C. “Overige zone – Cultureel vlak”;

D. “Overige zone - Landgoed”;

E. “Overige zone – Landbouwenclave”;

F. “Overige zone – Toegangslaan met veldkapel”.

Het bestemmingsplan is opgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De bescherming van cultuurhistorische waarden is daarom planologisch verankerd via bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen. Voor zover sprake is van objecten of gebieden die reeds onder rijks- of provinciale regelgeving vallen, zoals rijksmonumenten of provinciale cultuurhistorische structuren, vloeit de bescherming rechtstreeks voort uit die hogere regelgeving.

Het bestemmingsplan voegt geen afzonderlijk vergunningstelsel toe voor handelingen die reeds op rijks- of provinciaal niveau zijn geregeld, zoals het wijzigen of slopen van rijksmonumenten. De gemeentelijke regeling heeft in die gevallen een signalerend karakter. Waar het gaat om lokaal waardevolle objecten of structuren, is de bescherming binnen de gemeentelijke bevoegdheid planologisch vastgelegd.

Door deze waarden gezamenlijk in één bestemmingsvlak te bundelen, ontstaat een integraal en overzichtelijk beschermingskader. Dit maakt het voor initiatiefnemers, ontwerpers en vergunningverleners direct inzichtelijk welke cultuurhistorische waarden in een gebied aanwezig zijn en welke regels daarvoor gelden.

2.3.1 Planologische verankering per onderdeel

A. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

Op 1 oktober 2019 heeft de gemeente Rucphen de Erfgoedverordening vastgesteld. Doel hiervan is het in kaart brengen van het cultureel erfgoed en het formuleren van een visie op de cultuurhistorische waarde van bebouwing binnen de gemeente. Onder cultureel erfgoed wordt in dit verband met name cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verstaan: panden, objecten of andere bouwwerken die zijn opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister en bescherming genieten.

Inventarisatie en beoordeling

De lijst met cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is opgesteld door het college van burgemeester en wethouders en maakt onderdeel uit van het erfgoedregister. Deze lijst bevat gebouwen die van bijzonder belang zijn vanwege hun schoonheid, wetenschappelijke betekenis of cultuurhistorische waarde.

De huidige lijst is een geactualiseerde versie van een quickscan uit 2009, die voortbouwde op het Monumenten Inventarisatie Programma (MIP) uit 1993 van de provincie Noord-Brabant. In 2019 is een nieuwe quickscan uitgevoerd met als doel de cultuurhistorische waarde van objecten opnieuw te beoordelen. Daarbij is gekeken naar:

  • architectuurhistorische waarde;
  • ruimtelijke samenhang en landschappelijke waarde;
  • cultuurhistorische betekenis;
  • gaafheid van het object.

Op basis van deze criteria zijn punten toegekend. Objecten die een vastgesteld minimumaantal punten behalen, zijn opgenomen op de lijst en genieten gemeentelijke bescherming.

Aanpassingen bij actualisatie

Bij de actualisatie van 2019 zijn panden verwijderd die:

  • zijn afgebroken;
  • niet langer als beschermenswaardig worden beschouwd;
  • door grenscorrecties buiten de gemeente zijn komen te liggen;
  • inmiddels zijn aangewezen als rijksmonument.

Planologische verankering

Binnen de gemeente Rucphen bevindt zich een divers aanbod aan cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Een deel van deze objecten was reeds opgenomen in bestaande bestemmingsplannen. Om tot één volledig en overzichtelijk beeld te komen, worden alle relevante panden opnieuw in dit paraplubestemmingsplan opgenomen.

De objecten zijn op de verbeelding aangeduid met de gebiedsaanduiding “Overige zone–Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing”, gekoppeld aan het bestemmingsvlak “Waarde– Cultuurhistorie”. Bijlage Rapport Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gemeente Rucphen bevat een overzicht van de oorspronkelijk beoordeelde objecten.

Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing binnen de gemeente Rucphen is opgenomen in bijlage Definitieve lijst Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gemeente Rucphen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen bebouwing die nog niet eerder planologisch is vastgelegd en het volledige overzicht van de objecten.

B. Rijksmonumenten

Rijksmonumenten zijn objecten van nationaal belang die worden beschermd op grond van de Erfgoedwet. De aanwijzing vindt plaats door de rijksoverheid, op advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Bescherming en vergunningverlening verlopen via landelijke regelgeving. Gemeentelijke regels hebben hier geen zelfstandige beschermende werking.

Binnen de gemeente Rucphen bevinden zich diverse rijksmonumenten, waaronder historische boerderijen, kerken, bijzondere woonhuizen en andere waardevolle bouwwerken.

Planologische verankering

De objecten zijn op de verbeelding aangeduid met de gebiedsaanduiding “Overige zone–Rijksmonument”, gekoppeld aan het bestemmingsvlak “Waarde–Cultuurhistorie”. Deze aanduiding verandert niets aan de bestaande rijksbescherming. Bijlage Lijst Rijksmonumenten binnen de gemeente Rucphen bevat een overzicht van de rijksmonumenten in de gemeente Rucphen.

C. Cultureel vlak

De aanduiding cultureel vlak is afkomstig uit provinciaal beleid. Deze kaart geeft gebieden aan die van bijzondere cultuurhistorische betekenis zijn. De provincie Noord-Brabant heeft deze gebieden vastgesteld. De gemeente Rucphen neemt deze aanduidingen over in dit paraplubestemmingsplan, zodat zij ook binnen het gemeentelijk omgevingsplan zichtbaar en herkenbaar zijn.

Planologische verankering

Op de verbeelding zijn de vlakken aangeduid met de gebiedsaanduiding “Overige zone–Cultureel vlak”, gekoppeld aan het bestemmingsvlak “Waarde–Cultuurhistorie”.

D. Landgoed

Binnen de gemeente Rucphen bevinden zich enkele landgoederen die van bijzondere cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn. Deze complexen onderscheiden zich door hun historische aanleg, de samenhang tussen bebouwing en groenstructuren.

Planologische verankering

Op de verbeelding zijn landgoederen en historische buitenplaatsen aangeduid met de gebiedsaanduiding “Overige zone–Landgoed”, gekoppeld aan het bestemmingsvlak “Waarde–Cultuurhistorie”.

E. Landbouwenclave

Binnen de gemeente Rucphen bevinden zich enkele landbouwenclaves: kleinschalige historische landbouwgebieden die zich onderscheiden door hun traditionele verkavelingsstructuur, gebruik en landschappelijke inpassing. Deze enclaves zijn waardevol omdat zij een tastbare herinnering vormen aan de agrarische ontginningsgeschiedenis van de streek en bijdragen aan de herkenbaarheid van het cultuurlandschap.

Planologische verankering

Op de verbeelding zijn landbouwenclaves aangeduid met de gebiedsaanduiding “Overige zone– Landbouwenclave”, gekoppeld aan het bestemmingsvlak “Waarde–Cultuurhistorie”. Deze aanduiding heeft primair een signalerende functie en ondersteunt een zorgvuldige afweging bij toekomstige ontwikkelingen.

F. Toegangslaan met veldkapel

Een bijzonder cultuurhistorisch element binnen de gemeente Rucphen is de toegangslaan met veldkapel. Dit type landschapselement heeft zowel een religieuze als een cultuurhistorische betekenis. De kapel en de bijbehorende laanstructuur vormen samen een herkenbaar ensemble dat van belang is voor de identiteit en beleving van het landschap.

Planologische verankering

Op de verbeelding zijn deze elementen aangeduid met de gebiedsaanduiding “Overige zone–Toegangslaan met veldkapel”, gekoppeld aan het bestemmingsvlak “Waarde–Cultuurhistorie”. Deze aanduiding heeft een signalerende en beschermende functie en draagt bij aan het behoud van de religieus-historische en landschappelijke betekenis van dit ensemble.

Hoofdstuk 3 Planologisch relevante aspecten

3.1 Inleiding

De gemeente Rucphen heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient het parapluplan zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit project relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of de voorgenomen thematische wijzigingen van het planologisch regime passend is binnen het beleid.

3.2 Planologische aspecten

3.2.1 Nationaal beleid

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze visie vormde destijds de uitwerking van de rijksambities op het gebied van ruimtelijke ordening en mobiliteit. De juridische doorwerking van nationale belangen vond plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), dat op 30 december 2011 in werking trad, en de bijbehorende regeling (Rarro).

Een specifiek nationaal belang, de 'ladder voor duurzame verstedelijking', is opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze ladder was bedoeld als motiveringseis bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, om zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand te bevorderen. In 2025 is echter besloten om de ladder voor woningbouwprojecten te schrappen, conform het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Gemeenten hoeven sindsdien niet langer te motiveren of binnenstedelijke alternatieven beschikbaar zijn bij uitbreidingslocaties.

Het onderhavige bestemmingsplan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk, maar richt zich op de bescherming van bestaande archeologische en cultuurhistorische waarden. Er is daarom geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1 Bro, en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde.

3.2.2 Provinciaal beleid

Op 1 oktober 2009 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) vastgesteld, met een partiële herziening op 7 februari 2014. Deze visie bevatte de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid. Ter voorbereiding op de Omgevingswet is op 14 december 2018 de Omgevingsvisie De Kwaliteit van Brabant – Visie op de Brabantse leefomgeving vastgesteld. Hierin zijn de ambities voor de fysieke leefomgeving op lange termijn verwoord. De Omgevingsvisie vervangt de strategische onderdelen van eerdere provinciale plannen, zoals de SVRO, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie. Sectorale beleidsdoelen zijn waar nodig geïntegreerd in de nieuwe visie en verordening.

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Tegelijk is de definitieve Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld, waarmee de eerdere Interim omgevingsverordening uit 2019 is komen te vervallen. Deze verordening bevat regels en instructies voor gemeenten, waterschappen en initiatiefnemers, gericht op het realiseren van provinciale doelen voor de leefomgeving. Aangezien het onderhavige bestemmingsplan geen nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten mogelijk maakt, is er geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling. Toetsing aan de Omgevingsverordening is daarom niet vereist.

Ten aanzien van cultuurhistorie heeft de provincie waardevolle elementen vastgelegd op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010, herzien in 2016. Hierop staan bepalende structuren en objecten. De overige historische bouwkunstobjecten die via dit bestemmingsplan worden beschermd, zijn eveneens op de kaart beschreven, maar vallen niet langer onder provinciaal belang. De verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van deze objecten ligt bij de gemeenten. De gemeente Rucphen heeft hieraan invulling gegeven via de Nota Archeologie en de Erfgoedverordening, en heeft deze vertaald naar het bestemmingsplan.

3.2.3 Gemeentelijk beleid

De gemeente Rucphen heeft haar lokale erfgoedbeleid vastgelegd in de Nota Archeologie 2019 en de Erfgoedverordening 2019. De uitgangspunten uit het gemeentelijk erfgoedbeleid zijn, waar relevant, vertaald naar juridisch-planologische regels binnen dit paraplubestemmingsplan. Daarmee wordt geborgd dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden.

3.3 Milieuhygiënische aspecten

Art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Op grond van art. 3.1.6, eerste lid, onder b en f Bro betreft dit onder meer inzichten over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding en inzichten over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan zijn feiten en belangen ten aanzien van de aspecten water, bodem, geluid, ecologie, luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid en ecologie (soortenbescherming en gebiedsbescherming) nader beschouwd. Hieruit is gebleken dat géén van deze aspecten van invloed is op de uitvoerbaarheid van het paraplubestemmingsplan. Tevens is het Besluit m.e.r. betrokken in de beschouwing. Het onderhavige paraplubestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk als opgenomen in Kolom 1 van onderdeel C of D van het Besluit m.e.r.

Hoofdstuk 4 Juridische planopzet

Het Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie biedt een juridisch-planologische bescherming aan cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen de gemeente Rucphen. Centraal in de regeling staan de bestemmingsvlakken “Waarde–Cultuurhistorie” en “Waarde–Archeologie”, die gericht zijn op het behoud en de instandhouding van bestaande erfgoedelementen.

Ter nadere duiding van de aard en herkomst van deze waarden zijn binnen de bestemmingsvlakken aanvullende gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Deze geven inzicht in het type waarde en het beleidsniveau waaruit deze voortkomt.

Door deze aanduidingen te combineren met de bestemmingsvlakken ontstaat een gelaagde en gebiedsgerichte beschermingssystematiek, die recht doet aan de ruimtelijke en beleidsmatige context van de aanwezige waarden.

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft hoe de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden binnen het plangebied juridisch zijn geborgd. De regeling is gebaseerd op informatie uit gemeentelijke-, provinciale- en rijksdocumenten, en vertaalt deze naar bindende regels binnen het bestemmingsplan.

De bescherming omvat onder andere:

  • Archeologische zones op basis van de archeologische beleidskaart;
  • Gemeentelijk vastgestelde cultuurhistorische objecten;
  • Rijksmonumenten zoals aangewezen door het Rijk;
  • Culturele vlakken afkomstig uit provinciale bronnen;
  • Bijzondere landschappelijke structuren zoals landgoederen, landbouwenclaves en religieus-historische elementen zoals opgenomen in eerdere bestemmingsplannen.

Deze elementen zijn opgenomen binnen de bestemmingsvlakken “Waarde–Cultuurhistorie” en “Waarde–Archeologie”, en waar nodig voorzien van gebiedsaanduidingen die de specifieke waarde en herkomst verduidelijken.

4.2 Opbouw van de regels

Het Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie bestaat uit drie onderdelen: regels, verbeelding en toelichting. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende deel van het plan. De toelichting dient als interpretatiekader bij de toepassing van het plan.

De verbeelding, opgesteld conform de SVBP 2012, bevat bestemmingen en aanduidingen. Binnen het bestemmingsvlak 'Waarde–Cultuurhistorie' zijn diverse gebiedsaanduidingen opgenomen, waaronder cultuurhistorische bebouwing, rijksmonumenten, culturele vlakken, landgoederen en andere waardevolle structuren.

De regels regelen de bescherming van de cultuurhistorische waarde van de betreffende objecten en gronden. Bovendien geldt ter plaatse van de dubbelbestemming "Waarde – Cultuurhistorie" een omgevingsvergunningstelsel. Volgens artikel 13 van de Erfgoedverordening gemeente Rucphen is het verboden zonder omgevingsvergunning van Burgemeester en wethouders cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen. Ook mag het niet hersteld worden, gebruikt worden of gebruikt laten worden op een wijze waardoor het ontsierd of in gevaar wordt gebracht.
Via de regels wordt de initiatiefnemer bij een omgevingsvergunning of bij een buitenplanse afwijking (in het kader van de Omgevingswet een Bopa of afwijking omgevingsplan) in archeologische zones bepaalde beleidscategorie verplicht om rekening te houden met de aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten in de bodem.

Als wordt gekozen voor een archeologisch gevoelige locatie en behoud niet mogelijk is, of wanneer de maatschappelijke afweging anders uitvalt, moet rekening worden gehouden met de uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek. De vrijstellingsgrenzen geven aan wanneer men rekening moet houden met archeologie, namelijk bij bodemingrepen die qua oppervlakte en diepte groter zijn dan de genoemde vrijstellingsgrenzen. Indien er op de planlocatie meerdere archeologische waarden- of verwachtingen zijn, dan geldt de hoogste categorie. Bij de gemeentelijke afweging of als een ruimtelijk plan onderzoeksplichtig is, wordt het hele plangebied in de afweging meegenomen. Bij de beoordeling of een ruimtelijk plan onderzoeksplichtig is, wordt het volledige plangebied meegenomen.

Bij de beoordeling van bodemingrepen wordt uitgegaan van de totale omvang van de ingreep. Het opsplitsen van werkzaamheden om onder de onderzoeksplicht uit te komen is niet toegestaan.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels
  • 2. Bestemmingsregels
  • 3. Aanduidingsregels
  • 4. Algemene regels
  • 5. Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 1 'Inleidende regels'

Artikel 1 'Begrippen'

In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het paraplubestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 'Toepassingsgebied'

Dit plan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen of functiewijzigingen mogelijk, maar richt zich op het behoud en de bescherming van bestaande cultuurhistorische waarden. Voor de betreffende cultuurhistorische aspecten prevaleren de regels van dit parapluplan boven die van de onderliggende plannen.

Hoofdstuk 2 – Bestemmingsregels

Bevat de regels voor de bestemmingsvlakken “Waarde – Cultuurhistorie” en “Waarde–Archeologie”, gericht op het behoud en de bescherming van erfgoedelementen.

Hoofdstuk 3 Aanduidingsregels

In dit hoofdstuk zijn de dubbelbestemmingen opgenomen die binnen het bestemmingsvlak

“Waarde – Cultuurhistorie gelden”.

“Overige zone - Cultuurhistorische bebouwing” Door de gemeente aangewezen gebouwen met lokale erfgoedwaarde.

“Overige zone – Rijksmonument” Verwijst naar objecten of gebouwen die door de Rijksoverheid zijn aangewezen als monument van nationale betekenis. De status is gebaseerd op de Erfgoedwet en biedt juridische bescherming vanwege de bijzondere historische, architectonische of landschappelijke waarde.

“Overige zone – Cultuurhistorisch vlak” Gronden die voortkomen uit provinciaal beleid en die ruimtelijke en landschappelijke structuren beschermen die cultuurhistorisch van belang zijn, zoals historische verkavelingspatronen, dorpslinten of agrarische cultuurlandschappen.

“Overige zone – Landgoed” Gronden die deel uitmaken van een historisch landgoed of buitenplaats met bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden.

“Overige zone - Landbouwenclave” kleinschalige landbouwstructuren met historische karakteristiek.

“Overige zone - Toegangslaan met veldkapel“ religieus-historische landschapselementen met herkenbare structuur.

Daarnaast zijn er binnen het bestemmingsvlak “Waarde – Archeologie” voor het behoud, bescherming en/of herstel van de voorkomende archeologische (verwachtings)waarden de dubbelbestemming “overige zone–Archeologie(2 t/m 4)” opgenomen. Binnen deze bestemming gelden gebiedsaanduidingen die aangeven bij welke oppervlakte- en dieptematen archeologisch onderzoek verplicht is.

Hoofdstuk 3 – Algemene regels

Artikel Anti-dubbeltelregel

Voorkomt dat gronden die eenmaal zijn meegenomen bij het toestaan van een bouwplan opnieuw worden gebruikt voor de beoordeling van latere bouwplannen.

Hoofdstuk 4 – Overgangs- en slotregels

Artikel Overgangsrecht

Regelt het gebruik en bouwen op gronden en bouwwerken die afwijken van het bestemmingsplan op het moment dat het plan in werking treedt. In zulke gevallen mag het

bestaand gebruik worden voortgezet, mits wijzigingen leiden tot een vermindering van de afwijking. Bouwwerken die niet voldoen aan de nieuwe bouwregels mogen gedeeltelijk worden aangepast of, bij calamiteit, volledig worden vernieuwd. Eenmalig kan via een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk.

Het overgangsrecht geldt niet voor bouwwerken die al in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan.

Artikel Slotregel

De regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie”.

Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk behandelt de economische uitvoerbaarheid van het Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie. Indien een plan werkzaamheden door de gemeente omvat, moet worden aangetoond dat deze financieel en economisch haalbaar zijn. Daarbij wordt, indien relevant, ingegaan op de grondexploitatie en de relatie met het kostenverhaal.

5.2 Toepassing kostenverhaal onder de Wro

Dit paraplubestemmingsplan is opgesteld en wordt vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Binnen dit stelsel geldt dat kostenverhaal verplicht is wanneer een bestemmingsplan bouwactiviteiten mogelijk maakt waarvoor publieke voorzieningen nodig zijn, zoals infrastructuur, groen of waterbeheer. Deze verplichting is geregeld via de Grondexploitatiewet en kan worden vormgegeven door het opstellen van een exploitatieplan of het sluiten van een anterieure overeenkomst. Voor dit paraplubestemmingsplan geldt dat er geen nieuwe bouwactiviteiten worden toegestaan die kostenverhaal verplicht stellen. Er worden geen publieke voorzieningen gerealiseerd. Er zijn geen locatie-eisen opgenomen en fasering is niet aan de orde. Bovendien is het kostenverhaal op andere wijze verzekerd. Daarmee is het treffen van een regeling voor kostenverhaal op grond van de Wro niet noodzakelijk.

5.3 Economische uitvoerbaarheid

Onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen richt zich doorgaans op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de gemeente als initiatiefnemer optreedt. Dit paraplubestemmingsplan heeft echter een ander karakter: het richt zich op de bescherming van bestaande cultuurhistorische en archeologische waarden binnen reeds vigerende bestemmingsplannen.

De kosten die de gemeente in dit kader maakt, beperken zich tot de plankosten en de kosten van het benodigde onderzoek ter voorbereiding van het plan. Daarnaast is rekening gehouden met eventuele planschade die kan voortvloeien uit het aanpassen van de planregels.

Deze uitgaven worden gedekt uit de algemene middelen van de gemeente. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd.

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding

Het Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie betreft een juridisch-technische aanpassing van bestaande planregels. Het plan maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar kan wel ruimtelijk-economische effecten hebben. Daarom is het ontwerp voorafgaand aan de formele procedure voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant.

De procedure is gestart onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en wordt doorlopen conform artikel 3.8 van de WRO en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Omdat het ontwerpplan voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd, blijft de wet ruimtelijke ordening van toepassing op deze procedure (artikel 4.6 invoeringswet omgevingswet). Het ontwerpplan heeft 12 weken ter inzage gelegen, waarbij belanghebbenden zienswijzen konden indienen. Deze zienswijzen zijn beoordeeld, samengevat in een zienswijzenota en (waar relevant) verwerkt in het plan. Het aangepaste plan wordt nu ter vaststelling aan de gemeenteraad voorgelegd

6.2 Vooroverleg

In de voorbereidingsfase is overleg gevoerd met betrokken waterschappen, conform artikel 3.1.1 Bro. Waar nodig is ook afgestemd met andere gemeenten, de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en overige diensten van Rijk en provincie met belangen die door het plan worden geraakt.

Hoewel het plan onder de Wro in procedure is gebracht, is bij het overleg aandacht besteed aan toekomstige beleidsontwikkelingen, waaronder de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024. De afstemming is vormgegeven conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, met oog voor samenwerking en belangenafweging.

Ter bevordering van participatie is het voorontwerp 12 weken ter inzage gelegd. Deze inspraakronde maakte formeel geen deel uit van de wettelijke Wro-procedure. De ontvangen reacties en de uitkomsten van het vooroverleg zijn verwerkt in deze toelichting en hebben op onderdelen geleid tot aanpassing van het ontwerpplan.

6.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende twaalf weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon een ieder zienswijzen indienen. De ingediende zienswijzen zijn beoordeeld en samengevat in een zienswijzenota. Waar relevant zijn aanpassingen doorgevoerd, die in de zienswijzenota (bijlage Nota van Zienswijzen) zijn toegelicht. De procedure is gestart en wordt afgerond onder het regime van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

6.4 Vaststelling

Na afloop van de inzagetermijn wordt het plan ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. Door personele wisselingen en organisatorische omstandigheden heeft enige tijd gezeten tussen de ontwerpfase en de definitieve vaststelling. Dit heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke zorgvuldigheid; relevante ontwikkelingen zijn waar nodig verwerkt.

Na vaststelling ligt het bestemmingsplan opnieuw zes weken ter inzage. In deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, of het beroep niet tot vernietiging leidt, wordt het bestemmingsplan onherroepelijk en treedt het in werking conform de geldende wettelijke bepalingen.