direct naar inhoud van Regels
Plan: Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0840.1000P0002-DEF1

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie” met identificatienummer NL.IMRO.0840.1000P0002-DEF1 van de gemeente Rucphen;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regelsen de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten;

1.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.7 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen;

1.8 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die dient voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht;

1.9 bestaand
  • 1. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, mits dat bouwwerk legaal tot stand is gekomen, dan wel nadien kan worden gebouwd, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het plan is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • 2. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat, mits dat gebruik legaal tot stand is gekomen, tenzij in de regels anders is bepaald;

1.10 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een dak;

1.11 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.12 bouwperceel

aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;

1.13 bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel;

1.14 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.15 cultuurhistorische waarden

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;

1.16 drevenstructuur

Een samenhangend geheel van lanen en paden, vaak met begeleidende beplanting, dat kenmerkend is voor de landschappelijke opbouw van een landgoed en cultuurhistorisch van waarde is;

1.17 omgevingsvergunning

vergunning als bedoeld in artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

1.18 eigen terrein

ruimte in, op of onder een gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort;

1.19 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.20 KNA - conform archeologisch onderzoeksrapport

een rapport dat verslag doet van het archeologisch onderzoek en voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;

1.21 kunstwerken

bouwwerken geen gebouwen zijnde van weg- en waterbouwkundige aard, zoals bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, beschoeiingen, kademuren en dergelijke;

1.22 laanbeplanting

Beplanting langs wegen of paden die bijdraagt aan het karakter en de herkenbaarheid van een gebied, en waarvan het behoud essentieel is voor de cultuurhistorische en landschappelijke waarden;

1.23 landbouwenclave

Een historisch waardevol agrarisch gebied dat zich onderscheidt door zijn gebruiksstructuur, beplanting en inrichting, en dat beschermd wordt vanwege zijn cultuurhistorische betekenis;

1.24 landgoed

ruimtelijk-functionele eenheid bestaande uit bos of overige natuur, al dan niet in combinatie met agrarische gronden, met daarin een geconcentreerde vorm van karakteristieke (woon)bebouwing;

1.25 landschappelijke waarden en kenmerken

gebruikswaarde, natuurwaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten;

1.26 normaal onderhoud en beheer

Werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het in stand houden van bestaande functies en structuren, zonder dat sprake is van ingrijpende wijziging of aantasting van cultuurhistorische of landschappelijke waarden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

2.1 Reikwijdte

Dit paraplubestemmingsplan is van toepassing op alle vigerende bestemmingsplannen binnen de gemeente Rucphen, voor zover deze betrekking hebben op de onderwerpen die in dit plan zijn geregeld. Het plan vormt een aanvullend juridisch kader en wijzigt de onderliggende bestemmingsplannen niet.

2.2 Herziening verbeelding

De regels van de plannen zoals bedoeld in lid 2.1 worden gewijzigd in die zin, dat de regels die betrekking hebben op archeologie en cultuurhistorie worden vervangen met de regels zoals opgenomen in artikel 3 en artikel 4 van het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie'.

2.3 Onderwerpen

Dit plan stelt aanvullende regels vast ter bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden, waaronder:

  • archeologische vindplaatsen;
  • cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;

Het bestemmingsplan voegt geen afzonderlijke regels toe voor handelingen die reeds op rijks- of provinciaal niveau zijn geregeld, maar in die gevallen een signalerend karakter, waaronder:

  • rijksmonumenten;
  • provinciaal aangewezen cultuurhistorische vlakken;
  • landgoed;
  • landbouw­enclave;
  • toegangslaan met veldkapel.

2.4 Voorrangsbepaling

In geval van strijdigheid tussen de regels van dit paraplubestemmingsplan en die van onderliggende bestemmingsplannen, prevaleren de regels van dit paraplubestemmingsplan.

2.5 Dynamische verwijzing

Verwijzingen in dit artikel naar beleidsdocumenten, verordeningen of regelgeving dienen te worden gelezen als verwijzingen naar de ten tijde van de toepassing geldende, door het daartoe bevoegde bestuursorgaan vastgestelde versie daarvan.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Waarde - Archeologie

3.1 Bestemmingsomschrijving
  • 1. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding, bescherming en het behoud van archeologische waarden of verwachtingswaarden;
  • 2. in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

3.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van:

  • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde, waarbij de verstoorde oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en/of gebruik wordt gemaakt van de diepte van de bestaande fundering zonder daarbij de bestaande fundering dieper uit te graven;
  • 2. gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet leiden tot een verstoring dieper dan 0,50 meter ten opzichte van het maaiveld en:
    • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 2' met een oppervlakte kleiner dan 100 m2;
    • b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 3' met een oppervlakte kleiner dan 500 m2;
    • c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 4' met een oppervlakte kleiner dan 1.000 m2.
  • 3. 3.2 1. en 2. zijn niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - archeologisch monument'.

3.3 Afwijken van de bouwregels
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afwijken van het bepaalde in artikel 3.2 en toestaan dat ten behoeve van de andere bestemming gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits de indiener bij de aanvraag een archeologisch rapport overlegt van een ter zake deskundige, gecertificeerd conform de Erfgoedwet, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
    • a. indien het een gravend archeologisch onderzoek betreft, een Programma van Eisen conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag;
    • b. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd, of;
    • c. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad, of;
    • d. geen archeologische waarden te verwachten zijn of kunnen worden geschaad.
  • 2. In de situatie als bedoeld in lid Afwijken van de bouwregels sub 1, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden:
    • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • b. het doen van opgravingen, waarvoor een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht is, of;
    • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg conform de vigerende KNA, namelijk een archeologische instantie met een opgravingsbevoegdheid. Deze vorm van onderzoek kan alleen in uitzonderlijke situaties worden toegepast zoals verwoord in de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht;
  • 3. Bij de beoordeling van archeologische rapporten laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg conform de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA, zoals vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het ontgronden, ontginnen, vergraven, afgraven, verwijderen van bestaande funderingen, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen van gronden;
    • b. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage;
    • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen; het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen van gronden en het vellen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd;
    • e. het doen van opgravingen in het kader van archeologisch onderzoek, tenzij verricht door een ter zake deskundige, namelijk een hiertoe gecertificeerde archeologische instantie conform de Erfgoedwet, die in het bezit is van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
  • 2. Het verbod als bedoeld in sub a geldt niet voor werken en/of werkzaamheden, die:
    • a. niet leiden tot een verstoring dieper dan 0,50 meter ten opzichte van het maaiveld en:
      • ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 2' met een oppervlakte kleiner dan 100 m2;
      • ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 3' met een oppervlakte kleiner dan 500 m2;
      • ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 4' met een oppervlakte kleiner dan 1.000 m2;
    • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
    • d. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop lid 28.2 van toepassing is;
    • e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
    • f. worden uitgevoerd op de plaats van een verwijderde of nog te verwijderen fundering waarbij geen diepere verstoringen worden veroorzaakt;
  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub 1 mits de indiener bij de omgevingsvergunningaanvraag een archeologisch rapport overlegt van een ter zake deskundige, namelijk een hiertoe gecertificeerde archeologische instantie conform de Erfgoedwet waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
    • a. indien dit een gravend archeologisch onderzoek betreft, het verplicht is om een Programma van Eisen conform de vigerende KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag, en;
    • b. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd, of;
    • c. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad, of;
    • d. geen archeologische waarden te verwachten zijn of kunnen worden geschaad;
  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbinden, waaronder:
    • a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • b. het doen van opgravingen, waarvoor een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht is;
    • c. het laten begeleiden van de werkzaamheden door een deskundige, namelijk een gecertificeerde archeologische instantie conform de Erfgoedwet, met een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
  • 5. Bij de beoordeling van archeologische rapporten laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg conform de vigerende KNA, zoals vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen.

Artikel 4 Waarde - Cultuurhistorie

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Bestemming

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.2 Bouwregels

Op of in de gronden als bedoeld in lid 4.1.1 is uitsluitend de bestaande bebouwing toegestaan conform de daar voorkomende bestemmingen.

4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor het oprichten of verbouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
4.4.1 Omgevingsvergunningvereiste

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen.

4.4.2 Uitzonderingsregel

Het in lid 4.4.1 vervatte verbod geldt niet:

  • 1. voor zover het sloopwerkzaamheden betreft waarvoor ten tijde van het kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning is verleend;
    • a. indien de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn in het kader van het gewone onderhoud en beheer van de bebouwing.
4.4.3 Voorwaarden
  • 1. de in lid 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de cultuurhistorische waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet worden verkleind;
  • 2. in afwijking van het bepaalde onder 1 kan een omgevingsvergunning worden verleend als op basis van technische en/of economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd;
  • 3. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een algemeen erkende organisatie op het gebied van cultuurhistorie, zoals stichting Brabantse Heem.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Algemene aanduidingsregels

6.1 Overige zone - Cultuurhistorisch waardevolle bebouiwng
6.1.1 Aanduidingsomschrijving

De “Overige zone - Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden.

6.1.2 Bouwregels

Op of in de gronden als bedoeld in lid Aanduidingsomschrijving is uitsluitend de bestaande bebouwing toegestaan conform de daar voorkomende bestemmingen.

6.1.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid Bouwregels voor het oprichten of verbouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige cultuurhistorische waarden.

6.1.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen.
  • 2. Het in lid 1 vervatte verbod geldt niet:
    • a. Voor zover het sloopwerkzaamheden betreft waarvoor ten tijden van het van het kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning is verleend;
    • b. Indien de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn in het kader van het gewone onderhoud en beheer van de bebouwing.
  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbinden, waaronder:
    • a. De in lid 1 genoemde omgevingsvergunning slechts verleend kan worden indien de cultuurhistorische waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet worden verkleind;
    • b. in afwijking van het bepaalde onder a kan een omgevingsvergunning worden verleend als op basis van technische en/of economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd;
    • c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een algemeen erkende organisatie op het gebied van cultuurhistorie, zoals stichting Brabantse Heem.

6.2 Overige zone - Rijksmonument
6.2.1 Aanduidingsomschrijving

De voor “Overige zone – Rijksmonument” aangewezen gronden zijn, naast de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van rijksmonumenten. Dit gebeurt conform de bepalingen uit de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen omgevingswet(Wabo).

6.2.2 Advies en toetsing

Bescherming en vergunningverlening verlopen volledig via landelijke regelgeving en zijn van toepassing ongeacht de bepalingen in dit bestemmingsplan.

6.3 Overige zone - Cultureel vlak
6.3.1 Aanduidingsomschrijving

De voor “Overige zone – Cultureel vlak” aangewezen gronden zijn, naast de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van provinciaal aangewezen cultuurhistorische vlakken en cultuurlandschappen. Dit gebeurt conform het provinciaal beleid zoals vastgelegd in de provinciale verordening ruimtelijke ordening van Noord-Brabant. Deze regels zijn van toepassing ongeacht de bepalingen in dit bestemmingsplan.

6.3.2 Advies en toetsing

Bij aanvragen voor omgevingsvergunningen binnen deze zone:

  • 1. wordt het provinciaal beleid betrokken bij de beoordeling;
  • 2. kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij de provincie Noord-Brabant;
  • 3. wordt getoetst aan de relevante bepalingen uit de provinciale omgevingsverordening.

6.4 Overige zone - landgoed
6.4.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding “Overige zone - landgoed” zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor het behoud en de bescherming van:

  • 1. de cultuurhistorische waarden;
  • 2. de landschappelijke waarden en structuren van het landgoed, waaronder in ieder geval begrepen de drevenstructuren.

6.4.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen kunstwerken met een maximale hoogte van 4 m worden opgericht.

6.4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
  • 1. Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming 'Overige zone - Landgoed' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het verleggen en/of verharden van wegen en paden die tot de drevenstructuur behoren.
  • 2. Het in lid 1 vervatte verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die:
    • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
    • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
  • 3. De in lid 1 benoemde omgevingsvergunning wordt door het bevoegd gezag niet eerder verleend dan nadat is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden.

6.5 Overige zone - toegangslaan met veldkapel
6.5.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding “Overige zone - toegangslaan met veldkapel” zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor het behoud en de bescherming van de toegangslaan met veldkapel.

6.5.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden
  • 1. Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming 'Overige zone - toegangslaan met veldkapel' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het verwijderen van laanbeplanting.
  • 2. Het in lid 1 vervatte verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die:
    • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
    • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
  • 3. De in lid 1 benoemde omgevingsvergunning wordt door het bevoegd gezag niet eerder verleend dan nadat is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, wat in ieder geval inhoudt dat de laanbeplanting als geheel niet onevenredig wordt of kan worden aangetast, dan wel aangetoond wordt dat na afloop van de werkzaamheden bomen opnieuw worden aangeplant, zodanig dat het karakter van de laan als geheel hersteld wordt.
6.6 Overige zone - landbouwenclave
6.6.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding “Overige zone – landbouwenclave” zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor het behoud en de bescherming van de cultuurhistorische waardevolle landbouwenclave.

6.6.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden
  • 1. Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming 'Overige zone - toegangslaan met veldkapel' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het aanbrengen van hoogopgaand en/of diepwortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld houtgewas, welke niet overeenkomstig is met landbouwkundige doeleinden;
    • b. het vellen van houtgewas, welke niet overeenkomstig is met landbouwkundige doeleinden.
  • 2. Het in lid 1 vervatte verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die:
    • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
    • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
  • 3. De in lid 1 benoemde omgevingsvergunning wordt door het bevoegd gezag niet eerder verleend dan nadat is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de cultuurhistorische waarden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 7 Overgangsrecht

7.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen van het bepaalde onder a. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
  • 3. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

7.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • 2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 8 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie"