| Plan: | Leijsenakkers, herziening 1 (Veerseweg 54e) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0826.BSPhz1leijsnak2020-VA01 |
Voor het perceel Veerseweg 54E, kadstraal bekend als sectie R, perceelsnummer 9182, gemeente Oosterhout is het voornemen om het perceel te splitsen in twee delen én op elk deel een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. De gronden hebben in het vigerende bestemmingsplan Leijsenakkers de bestemming “Wonen”. Op grond van deze bestemming is het niet mogelijk om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren.
Het doel van het onderhavige bestemmingsplan is het planologisch-juridisch mogelijk te maken twee vrijstaande woningen te realiseren. De onderhavige toelichting omvat de verantwoording, dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat het plan past binnen de wet- en regelgeving.
Het gebied dat centraal staat in voorliggend bestemmingsplan is gelegen in de wijk Leijsenakkers in het oosten van Oosterhout. Het plangebied heeft betrekking op het perceel gelegen aan de Veerseweg 54E. Het plangebied is gesitueerd tussen twee woonpercelen. In figuur 1.1 is het plangebied weergegeven.
De direct omliggende bebouwing ten noorden, oosten en westen betreft woningen. Ten zuiden en zuidoosten liggen agrarische gronden zonder bouwvlak. Ten zuidwesten is een maatschappelijke functie aanwezig in de vorm van een begraafplaats. Het plangebied is momenteel onbebouwd en bestaat uit een grasveld met bomen aan de noordkant en een haag op de zuidelijke en oostelijke perceelsgrens. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 2.200 m2.
Figuur 1.1 - Luchtfoto met plangebied (rode contour)
Voor het plangebied vigeert één bestemmingsplan die in onderstaande tabel is aangegeven, met de datum van vaststelling door de gemeenteraad en de datum van onherroepelijk worden.
| bestemmingsplan | vaststelling | onherroepelijk |
| Leijsenakkers 2020 | 15 december 2020 | 24 februari 2021 |
In hoofdstuk 2 wordt het plangebied en zijn omgeving nader omschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het geldende beleid. Tevens worden hierin eventuele nieuwe ontwikkelingen beschreven, die worden meegenomen in dit plan. In hoofdstuk 4 wordt de planuitgangspunten beschreven en getoetst aan de diverse milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 6 over de handhaafbaarheid. In hoofdstuk 7 wordt tenslotte de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
De kern Oosterhout is ontstaan op de grens van zand- en kleigronden, op een kruising van landwegen. De kern Oosterhout heeft zich in eerste instantie ontwikkeld langs een aantal linten, die in een uitwaaierend patroon richting de kernen in de omgeving liepen. Op de kruising van de bebouwingslinten ontstond een groot dorp met van oorsprong een open ruimtelijke structuur. In de 19e eeuw vond rond de pleinen Markt en Heuvel verdichting van deze structuur plaats. Hier ontstond een centrumgebied waar handel en nijverheid zich vestigden.
Figuur 2.1 - Oosterhout rond 1900
Naast deze belangrijkste dorpskern ontwikkelden zich in het buitengebied verschillende buurtschappen en kleinere dorpen, die voornamelijk een agrarische functie hadden. Kenmerkend voor Oosterhout waren de wegen die in een sterpatroon samenkwamen op de Markt en de kern Oosterhout verbonden met de omliggende plaatsen zoals Breda, Geertruidenberg en Dongen. Het Wilhelminakanaal, dat werd voltooid in 1924, maakte verdere industrialisatie mogelijk. In 1919 werd reeds een haven in gebruik genomen. Deze lag ten westen van het centrum en hier kwamen enkele betonfabrieken. Door de verbeterde infrastructuur en de opkomende industrie en handel in de tweede helft van de 19e eeuw groeide de woningbehoefte in Oosterhout. Het bestaande centrumgebied werd verdicht en langs de voornaamste doorgaande wegen breidde de kern uit. De groei van Oosterhout vond in deze periode ongepland en zonder sturing plaats, waarbij de gronden tussen Markt en Heuvel verder werden bebouwd.
In de 20e eeuw zijn rondom het centrumgebied de eerste woonwijken aangelegd. Na de tweede wereldoorlog groeide Oosterhout explosief. In de jaren 50 van de vorige eeuw werden ten zuiden van de kern de wijken Slotjes Oost, Slotjes Midden en Slotjes West gerealiseerd. Deze nieuwe woonbuurten waren de eerste grootschalige planmatige uitbreidingen van Oosterhout, dat tot die tijd voornamelijk kleinschalige, incidentele groei had doorgemaakt. Het Slotjesveld, ten zuiden van de Ridderstraat, bleef vrij van woningbouwontwikkelingen, waardoor een groene plek in het stedelijk gebied ontstond.
In de jaren 60 van de vorige eeuw werd aan de zuidzijde van het Wilhelminakanaal de woonwijk Oosterheide gebouwd. Ook werd in deze periode de A27 aangelegd, in de jaren '70 gevolgd door de A59. In de periode 1970-2000 vond de groei van Oosterhout met name plaats richting het noorden, waar de wijken Strijen en Dommelbergen werden ontwikkeld. De meest recente uitbreiding van de kern wordt gevormd door de wijk Vrachelen, gelegen aan de westzijde van het Wilhelminakanaal, welke met de realisering van de buurt De Contreie zijn voltooiing nadert. Oosterhout heeft zich ontwikkeld tot een kern die met name gekenmerkt wordt door de woongebieden uit verschillende tijdsperioden.
De huidige ruimtelijke structuur van Oosterhout wordt gedragen door ontsluitingswegen, die de kern opdelen in verschillende wijken en gebieden. Het centrumgebied, met de oorspronkelijke kenmerkende uitwaaierende wegenstructuur, wordt omsloten door verkeerswegen. Buiten het centrum zijn de historische routes in veel gevallen doorsneden ten behoeve van de aanleg van nieuwe woonwijken. Hierdoor zijn ze vaak niet meer herkenbaar aanwezig. De oorspronkelijke verkeersfunctie van deze routes is overgenomen door de recentere ontsluitingswegen. Het plangebied is gelegen in een beschermd doprsgezicht. In paragraaf 4.4 wordt verder ingegaan op de cultuurhistorische en archeologische waarden binnen het plangebied.
Structuur van de wijk
Het plangebied ligt in het noorden van de wijk Leijsenakkers. Leijsenakkers kan gekarakteriseerd worden als een historische groene stadsrand. Deze kwaliteiten zijn altijd gewaarborgd gebleven door de aanwezigheid van de drie kloostercomplexen. De aanleg van de Rijksweg A27 heeft een aantal historische routes die oost-west door het gebied lopen afgesneden, maar dit heeft geen invloed gehad op het karakter van deze structuren in het plangebied. De Hoogstraat, één van deze historische lijnen, heeft door de aanleg van het viaduct over de A27 een grotere stroomfunctie gekregen.
Van oorsprong is het wijk agrarisch gebied. Historische lijnen als de Veerseweg, Leijsenstraat, Hoogstraat en Kloosterdreef zijn in het plangebied nog herkenbaar aanwezig. Met name de Leijsenstraat is, dankzij de typerende lintbebouwing en de karakteristieke bestrating, nog voelbaar als historische lijn. De verkaveling van het agrarisch gebied is in de huidige situatie nog relatief kleinschalig.
Typerend voor Leijsenakkers is de combinatie van bebouwde en groene gebieden. Het oostelijk deel van het plangebied bestaat uit een vrij open, kleinschalig agrarisch landschap, waarbinnen de drie kloostercomplexen als gesloten eenheden zijn opgenomen. Richting het stedelijk gebied van Oosterhout, langs de ontsluitingsweg Pasteurlaan-Tilburgseweg heeft ontwikkeling van stedelijke functies plaatsgevonden. Hier zijn de drie woonbuurten, het ziekenhuis en het bedrijventerrein gesitueerd.
Het plangebied is gelegen in een gebied dat bekend staat als de Heilige driehoek. De kern
van de Heilige driehoek wordt gevormd door een drietal aan elkaar grenzende kloosters: Sint Catharinadal, de onze lieve Vrouweabdij en de Sint Paulusabdij. De Heilige Driehoek is een van rijkswege beschermd stadsgezicht. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht voorziet in de bescherming van de karakteristieke waarden van de Heilige Driehoek. Het doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen in dit gebied. Ter effectuering van de aanwijzing is in 2009 het bestemmingsplan ‘Leijsenakkers’ opgesteld, dat voorziet in een beschermende regeling voor de gronden in het beschermd stadsgezicht. Deze beschermende regeling is ook in dit bestemmingsplan uitgangspunt.
Ruimtelijke en functionele stuctuur plangebied
Het plangebied heeft betrekking op het perceel gelegen aan de Veerseweg 54E (zie figuur 2.3) en ligt ten zuiden van de Veerseweg. De wijk Leijsenakkers kan gekarakteriseerd worden als een historische groene stadsrand. Deze kwaliteiten zijn altijd gewaarborgd gebleven door de aanwezigheid van de drie kloostercomplexen. De aanleg van de Rijksweg A27 heeft een aantal historische routes die oost-west door het gebied lopen afgesneden, maar dit heeft geen invloed gehad op het karakter van deze structuren in het plangebied. Van oorsprong is het plangebied agrarisch gebied. Historische lijnen als de Veerseweg, Leijsenstraat, Hoogstraat en Kloosterdreef zijn in het plangebied nog herkenbaar aanwezig. Met name de Leijsenstraat is, dankzij de typerende lintbebouwing, nog voelbaar als historische lijn. De verkaveling van het agrarisch gebied is in de huidige situatie nog relatief kleinschalig. Typerend voor Leijsenakkers is de combinatie van bebouwde en groene gebieden.
In het noorden van de wijk Leijsenakkers zijn, aan weerszijden van de Veerseweg, twee woonbuurten aanwezig (zie figuur 2.2). Tussen de Veerseweg en de Leijsenstraat bevindt zich een woongebied uit de tweede helft van de 20e eeuw. Ten noorden van de Veerseweg ligt de Molenbuurt, het meest recent gerealiseerde woongebied dat dateert uit de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw
Figuur 2.2 - Woonbuuurt zuidelijk van de Veerseweg (links) en Molenbuurt (rechts), plangebied globaal aangeduid met oranje contour
De woonbuurt ten zuiden van de Veerseweg bestaat uit enkele straten in een rechthoekig patroon. De woningen zijn halfvrijstaand of aaneengebouwd en de straten hebben een relatief smal profiel, waarin geparkeerde auto’s het beeld domineren. Het straatbeeld langs de Veerseweg wordt mede bepaald door de bomenrijen langs de rijbaan. Het pand ten westen van het plangebied aan de Veerseweg 54/54A is een gemeentelijk monument.
Het plangebied, dat in het vigerende bestemmingsplan een woonbestemmig heeft dat de bouw van één vrijstaande woning mogelijk maakt met een maximale goot- en bouwhoogte van 6,5 meter is momenteel onbebouwd. Direct ten noorden van het plangebied is de Veerseweg gelegen. Daar aanliggend bevinden zich woningen inclusief tuinen. Ten westen van het plangebied ligt een erftoegangsweg van de Veerseweg. Aan deze erftoegangsweg liggen eveneens woningen. Direct ten oosten van het plangebied is een woning aanwezig. De percelen ten oosten en zuiden van het plangebied zijn agrarische gronden. Ten zuidwesten is een maatschappelijke functie in de vorm van begraafplaats Leijsenakkers gelegen.
Figuur 2.3 - Luchtfoto met plangebied
Na de splitsing van het perceel worden er twee vrijstaande woningen gerealiseerd. De toekomstige situatie is globaal in figuur 2.4 weergegeven. Het bouwvlak op het noordelijke perceel komt dichter bij de Veerseweg te liggen dan in de huidige situatie. Hierdoor wordt aangesloten op het bestaande bebouwingslint van de Veerseweg. Het zuidelijke perceel heeft een bouwvlak dat is afgestemd op het noordelijke perceel. Daarnaast is het bouwvlak afgestemd op de naastgelegen percelen ten westen van de locatie.
Figuur 2.4 - plangebied na splitsing inclusief bouwvlakken
Bebouwing / bouwmassa
Binnen het plangebied worden twee woningen met twee bouwlagen gebouwd. Het bestemmingsplan voorziet in een specifieke regeling die toeziet op een goede stedenbouwkundige inpassing, waaronder geen toename in massa ten opzichte van de vergunde situatie. De bouwvlakken liggem op 5 meter vanaf de perceelsgrens. Hierbinnen wordt het hoofdgebouw opgericht
Het noordelijke bouwvlak is 15 meter diep en 10 meter breed. Het zuidelijke bouwvlak is 15 meter diep en 8,3 meter breed.
De voorgevels van de woningen zijn gesitueerd met de smallere gevel naar de Veerseweg. De maximale hoogte van de woningen sluiten aan bij de drie percelen ten westen van het plangebied (ten zuiden van de Veerseweg 54). De aan te houden maximale bouwhoogte van het nooordelijke bouwvlak bedraagt 8 meter en de maximale goothoogte bedraagt 4 meter. Voor het zuidelijke bouwvlak is dat respectievelijk 7,5 en 3,5 meter.
Per woonbestemming mag niet meer dan 100m2 aan bijgebouwen of overkappingen buiten het bouwvlak worden geplaatst.
Aangezien geen grootschalige inhoudelijke wijzigingen worden doorgevoerd, is een hernieuwde weergave en toetsing aan recent vastgesteld beleid in principe niet noodzakelijk. Desondanks wordt onderstaand kort ingegaan op het recente Rijks- en provinciaal beleid.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.
Figuur 3.1 - Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De structuurvisie schetst ontwikkelingen en legt de ambities tot 2040 vast. De ambities zijn:
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
De structuurvisie regelt geen specifieke zaken op provinciaal of lokaal niveau. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies.
Conclusie
Door het nationale karakter van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de kleine schaal van onderhavig project, heeft dit nauwelijks raakvlak met dit nationaal beleid. De beoogde ontwikkeling past volledig in het streven naar het benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. De SVIR staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn de 13 nationale belangen uit de SVIR opgenomen, die juridische borging vereisen. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het Barro komen de volgende dertien nationale belangen terug:
Indien een ontwikkeling voldoet aan het provinciaal beleid op dit vlak zoals verwoord in een provinciale verordening, dan voldoet men ook aan de Barro.
Conclusie
Indien een ontwikkeling voldoet aan het provinciaal beleid op dit vlak zoals verwoord in een provinciale verordening, dan voldoet men ook aan de Barro. .
Per 1 oktober 2012 is in het Bro in artikel 3.1.6 een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van de "ladder duurzame verstedelijking" (de ladder). Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. De nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt.
De ontwikkeling betreft de realisatie van twee woningen. Bij de ladder voor duurzame verstedelijking wordt als eerste bepaald of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Hierbij geldt voor woningbouw dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (zie overzichtsuitspraak ABRvS d.d. 28 juni 2017, R.O. 6.3, ECLI:NL:RVS:2017:1724 ).
In onderhavige situatie worden 2 woningen gerealiseerd, waarvan er 1 planologisch al is toegestaan. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
De conclusie is dat voorliggend bestemmingsplan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toets aan de ladder is derhalve niet aan de orde.
Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant 'De kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving' vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt de voorheen geldende structuurvisie ruimtelijke ordening 2010 en de partiële herziening 2014. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.
Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.
De betreffende ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied en voldoet daarmee aan de provinciale omgevingsvisie van zorgvuldig ruimte gebruik. Nadere regels van de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke projecten zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Hierna wordt ingegaan op deze verordening
De Verordening ruimte is één van de instrumenten die de provincie kan inzetten om de doelen uit de Structuurvisie RO (SVRO) te realiseren. De gemeenteraad moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan de regels uit de Verordening toepassen. De Verordening onderscheidt vier structuren (gekoppeld aan de Structuurvisie RO) die Brabant dekkend zijn. Ieder ruimtelijk oppervlak in Brabant valt onder één van deze structuren en kan niet onder meerdere structuren tegelijk vallen. Per structuur is uitgewerkt welke functies, en onder welke voorwaarden, ontwikkeld kunnen worden. Aanvullend zijn er 25 aanduidingen in de Verordening ruimte opgenomen. Deze aanduidingen kunnen over één of meer structuren heen liggen. In de volgende alinea's wordt ingegaan op de belangrijkste kaders die vanuit de Verordening ruimte aan voorliggend bestemmingsplan worden gesteld.
Figuur 3.3 Uitsnede Verordening ruimte met aanduiding van het plangebied (blauwe pijl)
Sinds de vaststelling op 10 juli 2015 van de Verordening ruimte 2014 zijn er diverse besluiten tot kaartaanpassing genomen en zijn er wijzigingen in de regels en de naamgeving van de verordening doorgevoerd. Deze wijzigingen zijn verwerkt in de geconsolideerde versie van 1 januari 2019.
In deze geconsolideerde versie van de Verordening ruimte is het plangebied aangeduid als bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied. De Verordening ruimte stelt regels ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen. Het beleid van de provincie is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkelingen in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. De realisatie van een appartementengebouw is, op grond van de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking, een stedelijke ontwikkeling. Deze kan in beginsel alleen worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Omdat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied is gelegen, wordt voldaan aan de gestelde kaders in de Verordening ruimte.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen om twee woningen in bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied te realiseren voldoet aan het provinciaal beleid.
Het waterschap werkt aan een beter watersysteem, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Deze thema's pakt het waterschap in samenhang aan, omdat een integrale aanpak meerwaarde oplevert voor het resultaat.
De belangrijkste uitgangspunten en randvoorwaarden die het waterschap hanteert bij planontwikkeling en in bestaand stedelijk gebied zijn:
Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. De watertoets krijgt vorm via het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 4.2). Met de watertoets wordt ook beoordeeld of aan het beleid van het waterschap wordt voldaan. Paragraaf 4.2 gaat hier nader op in.
De gemeente heeft 23 november 2021 de Omgevingsvisie Oosterhout vastgesteld. In deze visie zijn in samenspraak met inwoners de belangrijkste opgaven voor Oosterhout benoemd. Opgaven waar de gemeente Oosterhout samen met de dorpen, wijken en buurten verder invulling aan gaat geven.
In deze visie worden de opgaven geconcretiseerd en uitgewerkt, zowel naar thema's als naar de verschillende wijken en gebieden binnen de gemeente. Hierdoor ontstaat een overzicht en een samenhangend beeld over welke opgaven er liggen om te komen tot het in de Oosterhoutse ''Toekomstvisie 2030'' geschetste toekomstperspectief. Naast de Toekomstvisie liggen ook het gemeentelijk beleid, opgaven voortvloeiend uit (nieuwe) wet- en regelgeving en nieuwe maatschappelijke opgaven (zoals de energietransitie) aan de basis van deze Omgevingsvisie.
De Omgevingsvisie nodigt uit, inspireert en geeft de kaders om ontwikkelingen op een Oosterhoutse wijze plaats te laten vinden. De Omgevingsvisie wordt gebruikt om te 'toetsen' of ontwikkelingen die op de gemeente afkomen, bijdragen aan de Oosterhoutse ambities.
Voor de gemeente Oosterhout zijn de volgende koepelthema's van belang:
Bij het voorliggende bestemmingsplan is rekening gehouden met de Omgevingsvisie Oosterhout. Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het deelgebied 'Leijsenakkers', weergegeven in figuur 3.4.
Figuur 3.4: Plankaart Omgevingsvisie Leijsenakkers inclusief aanduiding planlocatie (rode contour)
De wijk Leijsenakkers is gebouwd in de 2e helft van de jaren 80 met een gevarieerd, maar zorgvuldig ontworpen bebouwingspatroon, waaronder lintbebouwing en grotere woningen. In de wijk ligt een groot groengebied waarbinnen de cultuurhistorisch waardevolle Heilige Driehoek is gelegen: de drie kloosters van Oosterhout en hun bijbehorende landerijen. De landbouw speelt in dit gebied, al vanaf de ontstaansgeschiedenis, een belangrijke rol. De Heilige Driehoek is aangewezen als beschermd stads-en dorpsgezicht. De wijk wordt van het buitengebied gescheiden door de rijksweg A27.
Leijsenakkers omvat 2 buurten met ieder een eigen karakter en bevolkingsopbouw:
Daarnaast zijn er in de wijk diverse voorzieningen zoals de kinderboerderij/educatief centrum en een school voor speciaal onderwijs.
De visie beschrijft voor het gehele gebied de volgende opgaven:
Toetsing
Leefbaar, gezond en aantrekkelijk wonen
Het plangebied is gelegen in de buurt Leijsenakkers op gronden die zijn aangeduid als 'aantrekkelijk woongebied'. Door de directe nabijheid van het centrum, maar vooral de groene- en cultuurhistorisch waardevolle gebieden en gebouwen is dit gebied aantrekkelijk voor alle doelgroepen: starters en gezinnen, maar ook voor bedrijvigheid/dienstverlening aan huis en jonge- en oudere 1- en 2 persoonshuishoudens. De buurt heeft een relatief oudere bevolking, wat vraagt om een toegesneden voorzieningenpakket in het gebied of een goede bereikbaarheid van de voorzieningen elders. Hier kan aangehaakt worden bij de herontwikkeling van het Amphia-terrein. Als gemeente zetten we ons in voor het behoud van een aantal functies van het ziekenhuis voor Oosterhout. Mocht Amphia toch besluiten om het ziekenhuis verder af te bouwen, dan biedt dit gebied door haar gunstige ligging kansen voor de ontwikkeling van voorzieningen en andere functies met een betekenis op stedelijk niveau (denk ook aan mobiliteit) in combinatie met een zorgfunctie/zorgboulevard.
Op termijn is het gezien de leeftijdsopbouw te verwachten dat er veel verhuizingen en daardoor dynamiek in het gebied op gang gaat komen, met kansen voor verjonging. De school voor speciaal onderwijs heeft in de huidige situatie ruimtetekort. Aandachtspunt voor de leefbaarheid in deze buurten vormt de hinder van verkeer op de A27. De verwachting is dat de ervaren geluidsoverlast van de Bovensteweg, door de reconstructie van de tunnelbak en het vervangen van betonplaten als onderdeel van de nieuwe N629, weggenomen zal worden. Een ander algemeen aandachtspunt is ‘schoon, heel & veilig’. Als gemeente monitoren we deze aspecten en daar waar dat nodig is wordt gehandeld. Op de kenschetskaart is de top 3 van buurtindicatoren aangegeven waar de inwoners zich het meeste aan ergeren, i.c. zwerfvuil, te hard rijden en parkeeroverlast.
Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van twee vrijstaande woningen op een perceel waar het geldende bestemmingsplan één grote vrijstaande woning toestaat. In het kader van de leefbaarheid is onderzoek gedaan naar het geluid vanwege onder meer de Bovensteweg en de A27 (zie paragraaf 4.1.2). Voor wat betreft de buurtindicatoren geldt dat er voor wat betreft parkeren wordt voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein.
Economische vitaliteit
Gezien de ligging is deze wijk aantrekkelijk voor startups en kleinschalige (dienstverlenende, zakelijke en ambachtelijke) bedrijfjes aan huis. Dit is reeds mogelijk binnen (de kaders van) het geldende bestemmingsplan en is ook mogelijk gemaakt in voorliggend plan. Deze mogen geen hinder voor het woon- en leefklimaat bezorgen. Onderdeel van het gebied is de (beschermde) Heilige Driehoek, een aantrekkelijk historisch gebied welke ook recreatief gebruikt wordt. Het behoud van de cultuurhistorische identiteit staat voor ons als gemeente voorop. Andere functies, zoals recreatie, mogen geen afbreuk doen aan deze waarde.
Identiteit & ruimtelijke kwaliteit
Het plangebied ligt in cultuurhistorisch waardevol gebied. Dit betreft het beschermde stadsgezicht 'De Heilige Driehoek'. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht voorziet in de bescherming van de karakteristieke waarden van de Heilige Driehoek. Het doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen in dit gebied. Ter effectuering van de aanwijzing is in het geldende bestemmingsplan voorzien in een beschermende regeling voor de gronden in het beschermd stadsgezicht. Deze beschermende regeling is ook in dit bestemmingsplan uitgangspunt.
Conclusie:
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de gemeentelijke omgevingsvsie van Oosterhout. De eisen die het beschermde stadsgezicht met zich meebrengt zijn verwerkt in dit bestemmingsplan.
De Woonvisie 2016 – 2021 is op 24 mei 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Binnen het wonen en aangrenzende beleidsvelden hebben zich sinds 2011 vele veranderingen voorgedaan die hun weerslag hebben op het wonen. De invoering van de gewijzigde Woningwet op 1 juli 2015 is bepalend voor de corporatiesector en hiermee het te voeren woonbeleid. Corporaties dienen volgens de wet terug te keren naar hun kerntaak, namelijk het bouwen, verhuren en beheren van sociale huurwoningen. Daarnaast heeft de transitie in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) door de scheiding van wonen en zorg directe gevolgen voor het wonen. De richting van de Woonvisie is onderbouwd op basis van demografische ontwikkelingen en (lokale) onderzoeken. De regionale ontwikkelingen en de rol die Oosterhout daarin heeft en neemt, zijn daarbij tevens van invloed op het Oosterhoutse woonbeleid. De volgende hoofdthema's zijn door de gemeenteraad en de externe partners van belang geacht voor het woonbeleid in Oosterhout:
Toetsing
Met voorliggend plan wordt de bouw van 2 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Op de locatie is momenteel reeds woningbouw (1 vrijstaande woning) mogelijk en het is gelegen in bestaand woongebied. Hiermee is het geschikt voor woningbouw. Door het tekort aan woningen en de opgave van gemeente om meer woningen te bouwen sluit voorliggend plan aan bij de behoeften vanuit de woningmark naar nieuwe woningen.
Conclusie
Door de ontwikkeling van woningbouw in het plangebied wordt invulling gegeven aan de wensen en vraag vanuit de Woonvisie.
Op 21 mei 2019 is de mobiliteitsvisie vastgesteld door de gemeenteraad. In de visie “Oosterhout Vooruit” zijn de ambities van en de opgaven voor Oosterhout doorvertaald naar het verkeers- en vervoerbeleid voor de periode tot en met 2030. Dit resulteert in een aantal doelstellingen op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid en duurzaamheid én gezondheid en een aantal bijbehorende mobiliteitsopgaven waar de gemeente, gezamenlijk met andere overheden, onze maatschappelijke partners, ondernemers en onze inwoners, mee aan de slag willen.
Het mobiliteitsplan uit 2007 had bereikbaarheid en leefbaarheid als belangrijkste pijlers. Bij het besluit tot actualisatie van het mobiliteitsplan is besloten dat het nieuwe plan breder van opzet dient te zijn en dat er nog twee pijlers worden toegevoegd, te weten verkeersveiligheid én duurzaamheid en gezondheid. Deze vier thema’s vormen gezamenlijk de pijlers van de visie.
Tevens is besloten om, in lijn met de nieuwe Omgevingswet, een gebiedsgewijze benadering toe te passen, die er op neer komt dat niet alleen op het niveau van de hele gemeente, inclusief de kerkdorpen, wordt gekeken, maar dat binnen de gemeente ook een aantal typen gebieden wordt onderscheiden met hun eigen profiel, doelstellingen en opgaves. Immers voor een bedrijventerrein zijn andere zaken van belang dan voor de schoolomgeving.
Op 22 mei 2019 heeft de gemeenteraad de Nota parkeernormen 2019 vastgesteld. In de nota zijn parkeernormen opgenomen, waaraan bij de ontwikkeling van nieuwe functies dient te worden voldaan. Uitgangspunt hierbij is dat het parkeren zoveel mogelijk op eigen terrein, bij voorkeur inpandig, wordt opgelost.
Conclusie
Voldaan kan worden aan de parkeernormen uit het gemeentelijk parkeerbeleid. Het parkeren vind plaats op eigen terrein. Voor het onderhavig plan wordt het aspect verkeer en parkeren verder behandeld in paragraaf 4.5 .
In de beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie, die op 20 januari 2009 is vastgesteld, is het gemeentelijk beleid voor de periode 2008 - 2018 op het gebied van cultuurhistorie vastgelegd. Het doel van de beleidsnota is het betrekken van cultuurhistorie bij planvorming, zodat archeologische vindplaatsen en cultuurhistorisch waardevolle structuren niet langer verloren gaan. Centraal in de beleidsnota staat, in lijn met de Nota Belvedere, de opvatting dat bescherming van cultuurhistorisch erfgoed en dynamiek in de ruimtelijke inrichting prima samen kunnen gaan ('behoud door ontwikkeling').
De nota geeft daarnaast een eerste aanzet om te komen tot een gemeentelijk archeologiebeleid. In de nota is vastgelegd hoe de monumenten, archeologie en cultuurhistorische waarden kunnen worden beschermd, ontwikkeld en zichtbaar gemaakt. Cultuurhistorie dient als volwaardig belang te worden meegenomen bij ruimtelijke inrichtingsplannen. Cultuurhistorische waarden hoeven hierbij niet altijd doorslaggevend te zijn, maar de kansen die cultuurhistorie biedt, moeten reeds in een vroeg stadium worden meegewogen in de planvorming.
Om de aanwezige cultuurhistorische waarden (monumentale gebouwen, archeologische terreinen, cultuurhistorische landschapselementen en historische stedenbouwkundige structuren en infrastructuur) in beeld te brengen, is een gemeentelijke erfgoedkaart vervaardigd, die met name een signalerende functie heeft. Hierdoor wordt een integrale afweging mogelijk. Op basis van de erfgoedkaart, kunnen cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle gebieden in bestemmingsplannen een passende regeling krijgen. Er dient tevens omschreven te worden dat op basis van de Erfgoedkaart een vigerend gemeentelijk archeologiebeleid is vastgesteld (Erfgoedverordening met archeologische beleidskaart).
Conclusie
In paragraaf 4.4 worden de aspecten archeologie en cultuurhistorie nader beschreven. Deze aspecten vormen geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. In het onderhavige bestemmingsplan zijn dubbelbestemmingen opgenomen voor het aspect archeologie en voor het beschermde stadsgezicht.
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Hierin zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water). Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een verantwoordelijkheid voor het inzamelen en verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. De gemeente heeft hierbij een zorgplicht.
De gemeenteraad heeft een water- en rioleringsplan (2017-2021) vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente omgaat met alle waterstromen binnen de gemeente en de zorgplichten vanuit de Waterwet. De belangrijkste uitgangspunten in het water- en rioleringsplan voor het water in Oosterhout zijn: schoon water schoon houden, handhaving van de waterkwaliteit en waar noodzakelijk verbeteren, voldoen aan de normen voor volksgezondheid en veiligheid en ontwikkeling van natuur in en om het water waar mogelijk.
Bovenstaande betekent dat de verschillende vormen van grondgebruik afgestemd moeten worden op de aanwezige watersystemen. Dit met een toekomstgerichte aanpak/doorkijk met name op het gebied van het klimaat. Intensievere regenbuien kunnen enorme wateroverlast veroorzaken en de in het gemeentelijk grondgebied aanwezige grondwaterwinning voor de drinkwaterproductie kunnen vervuild raken door lozingen van schadelijke stoffen. Ook hiervoor is aandacht binnen het water- en rioleringsplan.
Conclusie
Voor het onderhavig plan is een waterparagraaf opgesteld waarvan de resultaten zijn opgenomen in paragraaf 4.2 .
In Oosterhout is in de woonbuurten per woning gemiddeld 115 m² openbaar groen aanwezig. Op basis van dit gemiddelde kan worden gesteld dat Oosterhout een groene gemeente is.
In het politiek akkoord is het groene karakter van Oosterhout ook benoemd als kernwaarde van de stad. Het is een kenmerk waarmee Oosterhout zich onderscheidt van andere gemeenten. Doel van groenbeleid in algemene zin is daarom de instandhouding en verbetering van deze groene kwaliteit. De bijbehorende uitvoeringssporen zijn bescherming en ontwikkeling.
Het groene karakter van de stad wordt zowel door het groen in de openbare ruimte als in de particuliere tuinen gevormd. De tuinen zijn groene ruimten in de stad, waarbij vooral voortuinen van grote invloed zijn op de sfeer van de stedelijke buitenruimte.
Bescherming van het aanwezige groen in de stad gaat vooraf aan compensatie. Compensatie is immers het herstellen van of goedmaken voor iets dat verloren is gegaan.
Met betrekking tot het particuliere groen heeft de gemeente beperkte beschermings- en sturingsmogelijkheden. In het openbaar gebied heeft de gemeente daarentegen maximale mogelijkheden tot instandhouding en ontwikkeling. Grotere bomen (dikker dan Ø 0,20m) in het openbare gebied worden beschermd op basis van de vergunningsprocedure in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Monumentale bomen genieten een zwaardere bescherming en krijgen in bestemmingsplannen tevens een beschermende dubbelbestemming op basis van de monumentale-bomen-lijst, ook als deze op particulier terrein staan. In de openbare ruimte heeft de gemeente dus voldoende mogelijkheden tot instandhouding en uitbouw van het groene karakter van Oosterhout, op particulier terrein zijn alleen monumentale bomen beschermd.
Conclusie
Het plangebied is in de huidige situatie een braakliggend terrein waarop geen noemenswaardig openbaar groen aanwezig is. Voor de enkele bomen die op het particuliere perceel staan geldt geen vel- of kapvergunning. Het zijn geen beschermde bomen (ze staan niet vermeld op de gemeentelijke bomenlijst). Met het planvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan het groene karakter van Oosterhout. De ontwikkeling voldoet daarmee aan het beleid van de gemeente Oosterhout.
De zorg voor het milieu en duurzaamheid zijn belangrijke speerpunten voor de gemeente. De zorgen omtrent milieuverontreiniging en met name de klimaatverandering staan hoog op de internationale agenda en de oplossing voor dit probleem moet voor een belangrijk deel op lokaal niveau worden gezocht.
Bij iedere ontwikkeling dient te worden beoordeeld in hoeverre deze ontwikkeling zich verhoudt tot de problemen die er zijn. Ontwikkelingen die niet bijdragen aan de gewenste duurzame ontwikkeling of zelfs in negatieve mate bijdragen aan de gewenste milieukwaliteit, zijn ongewenst en andersom geldt dat ontwikkelingen die wel bijdragen aan de gewenste ontwikkeling van Oosterhout, door de gemeente met alle beschikbare middelen ondersteund dienen te worden. Uiteraard vindt hierbij altijd een afweging tussen mogelijkheden, middelen en resultaat plaats. De absolute ondergrens hierbij wordt gevormd door het wettelijk instrumentarium.
Naast het feit dat de gemeente een belangrijke voorbeeldrol en eigen verantwoordelijkheid heeft bij ruimtelijke ontwikkelingen, willen we vooral ook meer ruimte geven aan de eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en belangengroeperingen.
Bij iedere ontwikkeling is het noodzakelijk om het juiste gereedschap te gebruiken om het betreffende idee te realiseren. Het bestemmingsplan (en zeker ook het toekomstig omgevingsplan, dat op grond van een nieuwe Omgevingswet in de plaats komt voor het bestemmingsplan) kan daarvoor dienst doen. Dit omdat in een bestemmingsplan een concreet toetsingskader kan worden opgenomen voor toekomstige grote, maar ook kleine ontwikkelingen.
Het bestemmingsplan mag duurzaamheid regelen als dit een direct verband houdt met de bestemming die aan het bestemmingsplangebied wordt toegekend. De regels van het plan moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van deze gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden. Net als bij andere onderwerpen in de ruimtelijke ordening kunnen deze regels uitgaan van de volgende vier thema's:
Het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium kan, en soms moet het zelfs, de deur openen voor duurzame ontwikkelingen.
Het belangrijkst afwegingskader voor milieukwaliteit en duurzaamheid is, naast wet- en regelgeving, het in 2010 door de gemeenteraad vastgestelde milieubeleidsplan 2010 - 2016. Dit beleidsplan vormt de basis voor het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Oosterhout. De ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid gaan echter snel en daarom is besloten een geactualiseerde duurzaamheidsagenda op te stellen. Deze agenda beschrijft de doelstellingen en activiteiten op het gebied van duurzaamheid voor de periode 2016 - 2018.
Conclusie
In de huidige situatie is het volledige terrein onverhard. De ontwikkeling voorziet in het realiseren van een tweetal woningen. Daarnaast is er genoeg ruimte op de percelen voor groen in de vorm van tuinen.
Per 1 oktober 2015 geldt er in Oosterhout bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen welstandstoets meer. Wel kan er achteraf, via een zogenaamde excessenregeling, worden opgetreden tegen bouwwerken die in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. De afschaffing van welstandsbeoordeling van bouwplannen geldt niet voor beschermde monumenten en voor bebouwing binnen de beschermde stads- en dorpsgezichten, omdat hier van rechtswege en/of uit oogpunt van cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit, extra eisen worden gesteld aan de op te richten bebouwing.
Toetsing en conclusie
Op de Welstandkaart, behorende bij de Welstandsnota, is te zien dat het plangebied in het beschermd doprsgezicht de Heilige Driehoek ligt. Dit terrein met religieuze functie is zeer waardevol. Behoud van de gebiedskenmerken staat voorop. De Monumentencommissie dient bouwplannen te toetsen aan welstandscriteria. De Welstandsnota staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Figuur 3.5 Uitsnede welstandkaart gemeente Oosterhout (gele cirkel geeft ligging van het plangebied weer)
Dit hoofdstuk gaat in op de realiserings- en uitvoeringsaspecten die van invloed kunnen zijn op de voorgenomen herontwikkeling.
Wettelijk kader
De regelgeving voor externe veiligheid is vastgelegd in verschillende besluiten/circulaires:
Beleid
Naast het wettelijk kader geldt het door de raad vastgestelde Beleid externe veiligheid van Oosterhout 2017. De gemeente Oosterhout heeft in haar beleid vastgelegd dat externe veiligheid erop is gericht om de risico’s voor haar burgers en de bedrijven te voorkomen. Indien er risico’s zijn toegelaten worden die zoveel mogelijk beperkt en moeten die beheersbaar zijn. Tenslotte moeten de mogelijkheden voor de evacuatie van personen en de voorbereiding op de bestrijding van een ramp voldoende zijn. Risicobronnen zijn niet toegelaten buiten aangewezen risicogebieden zoals een industrieterrein. Echter kunnen op bestaande (spoor) wegen en vaarwegen risico’s niet worden uitgesloten. Het beleid houdt ook in dat minder zelfredzame personen binnen het invloedsgebied van een risicobron beter moet worden beschermd.
Kwetsbare objecten worden liever niet in de buurt van risicobronnen gebouwd. Kwetsbare objecten zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar niet zelfredzame mensen aanwezig zijn.
Plaatsgebonden risico
Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.
Plasbrandaandachtsgebied
Het plasbrandaandachtsgebied is een gebied als bedoeld in het Besluit transportroutes externe veiligheid. Dit is een gebied van 30 m parallel aan weerszijden van bepaalde transportroutes waarover grote hoeveelheden zeer brandbare vloeistoffen worden vervoerd. Indien een gemeente bebouwing in een dergelijk gebied mogelijk maakt dan moeten in de toelichting bij het bestemmingsplan de redenen worden vermeld die er toe hebben geleid om die ontwikkeling binnen dat gebied mogelijk te maken, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met zeer brandbare vloeistoffen (plasbrand).
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het projectgebied.
Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt voor het transport van gevaarlijke stoffen en buisleidingen echter een factor 10 lager dan voor inrichtingen.
In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding (zie ook Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico voor inrichtingen).
Onderzoek
Voor het aspect externe veiligheid is een onderzoek gedaan, dat is opgenomen in Bijlage 1. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder samengevat.
Het plangebied
Binnen het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen toegestaan. Het blijkt dat de Rijksweg A27 en ELD B.V. de relevante risicobronnen zijn in relatie tot het plangebied. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. De voorgenomen ontwikkeling is niet van invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobronnen. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van de A27 (30 meter) reikt niet tot het plangebied.
Verantwoording groepsrisico
Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A27 en ELD B.V. is een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico conform het Bevt verplicht. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en het Bevi en zijn tevens beschreven in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (VROM, 2007) en in algemene zin beschreven in hoofdstuk twee. In dit hoofdstuk worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. In Bijlage 1 zijn in hoofdstuk 4 alle elementen beschouwd. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd:
Ten aanzien van de groepsrisicoverantwoording is het standaardadvies 2019 van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant van toepassing (zie bijlage 2). De in dit standaardadvies omschreven kernwaarden zijn in het plan in acht genomen.
Conclusie
Uit de analyse ten aanzien van het aspect externe veiligheid blijkt dat de Rijksweg A27 en ELD B.V. de relevante risicobronnen zijn in relatie tot het plangebied. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van de A27 (30 meter) reikt niet tot het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling is niet van invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobronnen.
Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A27 en ELD B.V. zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Deze elementen kan het bevoegd gezag (de gemeente Oosterhout) betrekken bij de besluitvorming in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de veiligheidssituatie aanvaardbaar is.
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting vanwege een weg bij geluidsgevoelige bestemmingen, waaronder woningen. De Wet geluidhinder heeft betrekking op wegen met een zone (met uitzondering van wegen met 30 km/uur regime).
De hoogst toelaatbare geluidsbelasting (voorkeursgrenswaarde) voor de geluidsbelasting afkomstig van het wegverkeer voor nieuwe woningen bedraagt 48 dB. In bepaalde gevallen kunnen door het bevoegd gezag hogere waarden vastgesteld worden. De maximaal toegestane hogere waarde bedraagt 53 dB vanwege de Rijksweg A27 en 63 dB voor andere gezoneerde wegen.
Onderzoek
Het plangebied ligt ten oosten van Oosterhout. Het is gelegen binnen de geluidzone van de wegen Veerseweg, de Bovensteweg en de rijksweg A27. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen Leijsenstraat en Helleke in het onderzoek betrokken.
Gelet op de ligging van het plangebied is door Antea Group een akoestisch onderzoek (Bijlage 3) uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woningen. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat:
Vanwege de gezoneerde wegen Veerseweg en de rijksweg A27 wordt op de nieuwbouwwoningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. In het akoestisch onderzoek is onderzocht in hoeverre door het treffen van maatregelen de geluidbelasting gereduceerd kan worden. Daaruit blijkt dat:
Conclusie
In het kader van de Wet Geluidhinder dient aantoonbaar te zijn of ter plaatse van het nieuwbouwplan wordt voldaan aan de geluidnormen uit de Wet geluidhinder en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de omliggende wegen.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de grenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting terug te brengen, zijn om verschillende redenen (o.a. stedenbouwkundig en financieel) niet doelmatig.
Het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout kan daarom hogere waarden ten gevolge van wegverkeerslawaai vaststellen. In onderstaande tabel zijn de te verlenen waarden opgenomen.
Voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt een besluit hogere waarden verleend.
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
Wet bodembescherming
De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen:
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken.
Onderzoek
Door Antea Group is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is de bodemkwaliteit vast te leggen in het kader van de voorgenomen realisatie. Het complete onderzoek is als Bijlage 4 bij de toelichting gevoegd.
In het mengmonster van de puinhoudende bovengrond zijn een sterk verhoogd gehalte aan PAK en licht verhoogde gehalten aan lood, minerale olie, PCB en kobalt aangetoond. Naar aanleiding van het sterk verhoogd gehalte aan PAK is het mengmonster uitgesplitst. In de uitgesplitste monster zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. Deze waarden komen overeen met tijdens eerder onderzoek gemeten waarden.
In de resten betonhoudende bovengrond is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. De zintuiglijk schone ondergrond bevat geen verhoogde gehalten. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan lood en kwik aangetoond.
De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit, als ontvangende bodem. Hieruit blijkt dat de puinhoudende bovengrond aan de klasse Industrie voldoet. De overige monsters voldoen aan de klasse Wonen of beter.
Op het maaiveld en in de opgegraven/opgeboorde grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de geanalyseerde asbestmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.
In het grondwater zijn een sterk verhoogde concentratie aan nikkel en licht verhoogde gehalten aan barium en kobalt aangetoond. De sterk verhoogde concentratie aan nikkel wordt beoordeeld als een verhoogde achtergrondwaarde waardoor aanvullend onderzoek achterwege is gelaten.
De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen geen milieuhygiënische belemmering voor het gebruik van de locatie als woongebied.
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dan het aspect bodemkwaliteit geen belemmering is voor het realiseren van het plan.
Wettelijk kader
Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden (Stb. 414, 2008 en Stb. 434, 2008). Daarmee is de zogenoemde Wet luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Op grond van deze Wet luchtkwaliteit worden wettelijke grenswaarden gesteld aan de concentratie van verschillende verontreinigende stoffen in de lucht. Van deze diverse verontreinigende stoffen zijn over het algemeen stikstofdioxide (NO2) en zogenoemd fijnstof (PM10) maatgevend. De Wet luchtkwaliteit stelt dat bestuursorganen hun bevoegdheden kunnen uitoefenen indien (art.5.16):
Projecten die de luchtkwaliteit niet in betekenende mate (NIBM) verslechteren worden niet meer getoetst aan de grenswaarden en kunnen zondermeer doorgang vinden. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in het Besluit en de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen). Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd. De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Onderzoek
Binnen het plangebied worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (kantoor- en woningbouwlocaties, specifieke inrichtingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het aantal woningen bedraagt minder dan 1.500 woningen. Het plan kan zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort is een toetsing van de luchtkwaliteit gedaan voor de jaren 2017, 2020 en 2030, beoordeeld op de meest nabij de weg gelegen rekenpunten. In de onderstaande tabel zijn de resultaten van de toetsing weergegeven
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden en er dus sprake is vaneen goed- en leefklimaat.
Het Besluit gevoelige bestemmingen die beperkingen stelt aan de vestiging van 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen is niet van toepassing omdat woingen geen gevoelige bestemmingen zijn. vVOlgens het Besluit zijn dat de volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.
Wettelijk kader
Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. De Wet natuurbescherming is gericht op zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming.
Toets
Door Antea Group is een natuurtoets uitgevoerd (Bijlage 5). Het onderzoek is opgedeeld in gebiedsbescherming en soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Uit de bureaustudie blijkt dat binnen drie kilometer afstand van het plangebied geen Natura 2000-gebied ligt. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied (Langstraat) ligt buiten het invloedsgebied van het plan wat betreft verdroging of geluid- en lichtverstoring. Vanwege de afstand, de geringe omvang van de ontwikkeling in het plangebied en daardoor de afscherming worden geen effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen in het Natura 2000-gebied verwacht. Effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen, gezien de beperkte omvang van het project in combinatie met de afstand, worden uitgesloten. Er is geen effect op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en daarom is er geen aanleiding om te verwachten dat er op Natura 2000-gebieden op grotere afstand nog effecten zullen optreden. Een vervolgonderzoek vanuit de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. De gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Natuurnetwerk Nederland
Voor wat betreft de NNN is bij directe en indirecte aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevindt zich geen NNN binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNN dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel NNN-gebieden. Ook significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN in de nabijheid van het plan kunnen worden uitgesloten. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied heeft geen effect op de directe omgeving. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Vanwege de ligging van het plangebied in de Provincie Noord-Brabant moet rekening gehouden worden met de groenblauwe mantel. Het plangebied ligt buiten de groenblauwe mantel
Soortenbescherming
Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied:
In onderstaande tabel is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is.
Uitvoerbaarheid (ontheffing Wet natuurbescherming)
De activiteiten behorend bij het voornemen (mogelijk verwijderen vegetatie en haag) kunnen doorgang vinden als de initiatiefnemer in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming – soortbescherming en de bijbehorende maatregelen opgevolgd worden.
Deze ontheffing kan verkregen worden indien onder meer onderbouwd wordt, dat bij de activiteiten afdoende rekening gehouden wordt met de aanwezige beschermde soorten (een belangrijk criterium voor het verlenen van een ontheffing). Met deze maatregelen wordt de gunstige staat van instandhouding van de soort gegarandeerd. Daarnaast dienen de activiteiten te voldoen aan de twee overige criteria: 1) er zijn geen andere alternatieven voor het voornemen en 2) er is een wettelijk belang.
Een ontheffing wordt verleend als voldaan is aan drie toetscriteria van de ontheffingsprocedure. In de ontheffingsaanvraagprocedure zal onderbouwd moeten worden:
Om na te gaan of redelijkerwijs verwacht kan worden of een Wnb-ontheffing soortbescherming verleend wordt (en daarmee het bestemmingsplan uitvoerbaar is), zijn voor de activiteiten de voorgenoemde drie belangrijkste toetscriteria hieronder nader beschouwd.
Gunstige staat van instandhouding
Indien verblijfplaatsen van marterachtigen aanwezig blijken te zijn, wordt hier zorgvuldig mee omgegaan. Er zal voor worden gezorgd, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Dit gebeurt door te allen tijde (alternatieve) voorzieningen beschikbaar te stellen. Een leefgebied moet de soort(en) namelijk continu blijvend voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Om deze reden zullen dan zowel voorafgaand aan de herinrichting van het terrein als na de herinrichting, alternatieve verblijfplaatsen en leefgebied aangeboden worden. Dit zal neerkomen op het aanbieden van vergelijkbare structuurelementen zoals de heg langs de oostkant en zuidkant van het plangebied. In het geval dat deze wordt verwijderd zal deze gecompenseerd moeten worden, bijvoorbeeld langs de zuidrand van de nieuwbouwwoningen ten westen van het plangebied in het verlengde van de heg aan de zuidrand. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn om de bestaande heg in oostelijke richting te verplaatsen na aankoop van grond van de eigenaar ernaast. Compensatie zou het liefst in het plangebied plaats moeten vinden en als dat niet gaat zo dicht mogelijk in de buurt. De heg kan ook gecompenseerd worden door middel van de aanleg van struiken in het plangebied. Daarnaast moeten alternatieve verblijfplaatsen aangeboden worden, zoals bijvoorbeeld marterhopen (Bouwens, 2017). De verwijdering van de heg langs de oostkant en zuidkant van het plangebied is geen zekerheid. Deze wordt bij voorkeur behouden.
Alternatieven
Er zijn voor de initiatiefnemer geen alternatieven. Ten eerste betreft het de realisatie van twee woningen op een perceel dat eigendom is van de inititiefnemer. Hij heeft geen alternatieve locties in eigendom. Daarnaast is de locatie van de twee bouwvlakken in het plangebied afgestemd op de ligging in een beschermd stadsgezicht en op de ligging van de bouwvlakken van de woonpercelen aan de westtzijde van het plangebied. Een alternatieve locatie van de bouwvlakken is stedenbouwkundig niet verantwoord.
Wettelijk belang
Het voornemen van woningbouw kan worden aangemerkt als 'ruimtelijke inrichting', en kan zodoende worden aangemerkt als geldig wettelijk belang.
Op basis van deze punten wordt voldaan worden aan de criteria van het bevoegd gezag bij beoordeling van een ontheffingsaanvraag. Onder deze voorwaarden is, mede door het voorzien van effectieve soortgerichte maatregelen, de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in het geding en zal een ontheffing naar verwachting worden verleend.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, wanneer de genoemde maatregelen worden genomen (werken buiten het broedseizoen / werken volgens goedgekeurde gedragscode . Nader onderzoek naar kleine marterachtigen is uitsluitend nodig indien de hagen aan de oost- en zuidkant worden verwijderd en/of de begroeiing aan de noordkant wordt verwijderd. Indien kleine marterachtigen dan bij nader onderzoek blijken voor te komen zal een ontheffing worden gevraagd van de Wet natuurbescherming en eventuele maatregelen worden genomen. Voor het verwijderen van de haag en de begroeiing is ter bescherming van verblijfplaatsenvan kleine marterachtigen een omgevingsvergunning nodig (zie Artikel 3 van de regels).
Wettelijk kader
Woningen zijn 'milieugevoelig objecten' en 'kwetsbaar objecten'. Hiervoor gelden milieu- en veiligheidsafstanden ten opzichte van installaties, voorzieningen en / of inrichtingen, die onder de Wet milieubeheer vallen. Voor het oprichten van woningen dient bepaald te worden of deze in een milieuzone liggen van omliggende bedrijven. De VNG heeft de Handreiking:“Bedrijven en milieuzonering, Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk” (2009) opgesteld. Deze handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van diverse bedrijfsactiviteiten. Tevens geeft het een richtafstand voor het ontwikkelen van bedrijfsactiviteiten in relatie tot het omgevingstype en voor het inpassen van gevoelige functies nabij bedrijven. Deze afstanden gelden in principe tussen enerzijds de perceelgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van een woning.
De twee omgevingstypes die de VNG hanteert zijn:
Het omgevingstype wordt bepaald door het (soort) gebied waarin de locatie zich bevindt en niet door de locatie zelf. Het plangebied wordt beschouwd als een rustige woonwijk. In Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) worden de volgende richtafstanden per bedrijfstype geadviseerd voor nieuwe bestemmingsplannen.
Onderzoek
Rondom de locaties wordt één milieubelastende activiteit uitgeoefend die is opgenomen in de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering. Dit betreft de begraafplaats ten zuidwesten van het plangebied. In de onderstaande tabel is de richtafstand voor de genoemde functie opgenomen aan de hand van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering.
Bij het bepalen of wordt voldaan aan de richtafstand is uitgegaan van de bestemmingsgrenzen van de begraafplaats uit het vigerende bestemmingsplan en de bouwvlakken de woningen uit voorliggend plan. De afstand tussen het dichtstbijzijnde bouwvlak (dus dichtstbijzijnde gevel van de woningen) en de begraafplaats is 28 meter. Het blijkt dat er geen overlap is tussen de richtafstand (10 meter) van de begraafplaats en het de bouwvlakken van de nieuwbouwwoningen. Ook niet wanneer rrekening wordt gehouden met de mogelijkheden van vergunningvrij bouwen van bijhhorende bouwweren zoals bepaald in artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Conclusie
Er zijn vanuit het aspect bedrijven en miliezonering geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Wettelijk kader
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor
gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen met tuinen.
Ten zuiden en oosten van het plangebied is een agrarisch perceel aanwezig. Binnen de bestemming is het mogelijk op die gronden boomteeltbedrijven en sierteeltbedrijven op te richten. Deze zijn weliswaar niet aanwezig, maar er dient te worden gekeken naar wat het bestemmingsplan in juridische zin maximaal toelaat. Hierdoor dient er rekening gehouden te worden met spuitzones (gebruik gewasbeschermingsmiddelen).
Onderzoek
Bij het bepalen van een verantwoorde afstand wordt uitgegaan van de afstand tussen de grens van de woonperccelen inclusief tuin en de grens van de agrarische percelen waarop de boomteeltbedrijven en sierteeltbedrijven in planologisch opzicht is toegestaan. In de bestaande situatie heeft het plangebied reeds een woonbestemming. Een wijizging van he bestaande gebruik naar boom- en sierteelt levert geen extra belemmering op voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op die agrarische gronden; dat is immers in de bestaande situatie al niet mogelijk.
Conclusie
Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat het agrarische bedrijf door voorliggend plan niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd en er bij de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Wettelijk kader
In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voor elke ruimtelijke ontwikkeling die genoemd wordt in de C- of D-lijst een motivering moet worden gegeven waarin wordt beoordeeld of een m.e.r.-procedure doorlopen dient te worden. Deze motivering dient op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. De diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd.
In bijlage D is als categorie D11.2 de volgende activiteit opgenomen. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Als je het project beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject dan zou de m.e.r.-regelgeving van toepassing zijn.
Om te achterhalen of een m.e.r.-beoordeling nodig is, dient beoordeeld te worden of het plan moet worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het Besluit m.e.r. kent echter geen definitie van een stedelijk ontwikkelingsproject. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dient te worden gekeken naar de volgende zaken:
Dit volgt uit de volgende uitspraken van de ABRvS:
Uiteindelijk gaat het om een afweging van bovenstaande punten 1 tot en met 4 of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Ad 1 en 3: Aard en omvang - relatie met bestemmingsplan
De aard van de bebouwing (2 vrijstaande woningen) wijkt in zeer beperkte mate af van wat hetgeen er planologisch al op het perceel is toegestaan, namelijk 1 vrijstaande woning. De ontsluiting van het plangebied voor autoverkeer vindt plaats, zoals in het bestemmingsplan is voorzien, namelijk aan de noordkant van het perceel. Dit heeft nauwelijks extra gevolgen voor de omgeving; de toename van het aantal verkeersbeweging ten opzichte van de planologisch reeds toegestane situatie is beperkt (circa 8 verkeersbewegingen per dag extra. Er is derhalve sprake van een zeer beperkte wijziging van het toegestane gebruik, die geen significant effect heeft om de omgeving (zie ook ad 4 hieronder).
Ad 2: Het gebied waarin de ontwikkeling plaats zal vinden
Het plangebied ligt in een omgeving met bestaande woningen langs de Veerseweg. Woningen zijn in dit gebied op voorliggende locatie planologisch al acceptabel geacht, aangezien het vigerende bestemmingsplan deze functies toestaat.
Ad 4: De milieugevolgen
Zoals hierboven onder ad 1 en 3 is aangeven omvat het bouwplan slechts 1 woning meer dan dat het bestemmingsplan toestaat. Gesteld kan worden dat dat geen milieugevolgen heeft.
Conclusie
Op basis van de punten 1-4 wordt geconcludeerd, dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling; de m.e.r.-regelgeving is niet van toepassing.
Wettelijke kader
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.
Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn veiligheid, droge voeten, voldoende water, gezonde natuur, schoon water, genieten van water en het waterschap als calamiteitenorganisatie. Het waterschap heeft een eigen verordening; De Keur en de Legger.
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak, via een afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing, tenzij:
Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen.
Toetsing bestemmingsplan
Er worden geen uitlogende (bouw)materialen toegepast. De watertoets is doorlopen. De opmerkingen van het waterschap zijn verwerkt in de watertoets (zie bijlage 6 en hieronder)
Gemeentelijk beleid
Water- en rioleringsplan
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Hierin zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit, dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water). Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een verantwoordelijkheid voor het inzamelen en verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. De gemeente heeft hierbij een zorgplicht.
De gemeenteraad heeft een water- en rioleringsplan vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente omgaat met alle waterstromen binnen de gemeente en de zorgplichten vanuit de Waterwet. De belangrijke uitgangspunten in het water- en rioleringsplan voor het water in Oosterhout zijn: schoon water schoon houden, handhaving van de waterkwaliteit en waar noodzakelijk verbeteren, voldoen aan de normen voor volksgezondheid en veiligheid en ontwikkeling van natuur in en om het water waar mogelijk.
Bovenstaande betekent dat de verschillende vormen van grondgebruik afgestemd moeten worden op de aanwezige watersystemen. Dit met een toekomstgerichte aanpak/doorkijk met name op het gebied van het klimaat. Intensievere regenbuien kunnen enorme wateroverlast veroorzaken en de in het gemeentelijk grondgebied aanwezige grondwaterwinning voor de drinkwaterproductie kunnen vervuild raken door lozingen van schadelijke stoffen. Ook hiervoor is aandacht binnen het water- en rioleringsplan.
Voor de hemelwaterafvoer gelden met name de volgende voorwaarden:
Bij nieuwbouw geldt dat alle afvoerend verhard oppervlak (inclusief oppervlak van een open voorziening) meetelt in de te verwerken hoeveelheid regenwater. Dit ongeacht de hoeveelheid bestaand verhard oppervlak.
Om structurele grondwateroverlast te voorkomen wordt er een streefwaarde voor de maximale grondwaterstand (ontwateringsdiepte) gehanteerd. Hierbij wordt uitgegaan dat de hoogst toelaatbare grondwaterstand ten opzichte van aanlegniveau ontwateringsdiepte tenminste 70 cm onder het maaiveld moet bedragen.
Afvalwaterverordening
Om aan de beleidsdoelstellingen te voldoen zijn er uitgangspunten, normen en regels nodig. In de afvalwaterverordening staat welke regels en normen er gelden voor het lozen van afvalwater en het aansluiten op een vuilwaterriool. Alle percelen waarop afvalwater vrijkomt worden aangesloten op het openbaar riool. Per woning of bedrijfspand wordt er in principe één perceelaansluiting voor afvalwater aangelegd. In de Wet milieubeheer staat dat de gemeente een inzamelplicht heeft van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsmatig afvalwater valt hier niet onder. De gemeente wil bedrijven echter wel faciliteren, mits het voldoet aan enkele voorwaarden. Bedrijfsmatig afvalwater mag worden afgevoerd naar het openbaar riool mits de samenstelling van het te lozen water overeenkomt met huishoudelijk afvalwater en de afvoercapaciteit van het gemeentelijk riool voldoende is. In het geval van nieuwbouw of bij toename van de afvoercapaciteit kan een bergingsvoorziening voorgeschreven worden.
Ook is in de afvalwaterverordening de procedure voor het aanvragen van een aansluiting op het gemeentelijk riool vastgelegd. Hierbij zal ook een toets plaatsvinden op de vastgelegde normen en regels, alvorens door de gemeente (maar op kosten van aanvrager) wordt aangesloten op het gemeentelijk riool. Relevante eisen zijn:
Toetsing bestemmingsplan
De woningen worden inzake het afvalwater aangesloten op het openbaar riool. Hierbij zal aan de genoemde eisen worden voldaan en is de procedure voor het aanvragen van een aansluiting op het gemeentelijk riool van toepassing.
Watertoets
In het kader van de ontwikkeling is door Antea Group een watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 6). Het huidige perceel wordt opgesplitst in twee percelen, ten behoeve van twee woningen. Het perceel bedraagt in totaal 2.201 m2. Uit het opmeten van de ingetekende percelen blijkt het oppervlak van het noordelijk perceel circa 1.075 m2 bedraagt en het zuidelijk perceel circa 1.125 m2. De exacte verhardingstoename is nog niet bekend, echter kan op basis van een inschatting worden gezegd dat per perceel 300 m2 wordt bebouwd of verhard. Dit betekent een verhardingstoename van maximaal 600 m2.
Rekening houdend met het beleid van het waterschap kan binnen het plangebied 500m2 verharding worden gerealiseerd zonder dat er retentie wordt geëist door het waterschap.
Individuele perceeleigenaren hebben een verantwoordelijkheid voor het inzamelen en verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. Daarom wordt geadviseerd om bij de bouw geen milieuvervuilende of uitlogende materialen of stoffen te gebruiken, zodat het hemelwater niet wordt verontreinigd. Gezien de gunstige bodemconditie en de grondwaterstand kan het water via een wadi in de bodem infiltreren. Er wordt daarom geadviseerd afvloeiend hemelwater te laten infiltreren, boven andere afvoeropties. De hoeveelheid benodigde berging is afhankelijk van de hoeveelheid verharding.
De gemeente stelt als eis dat er moet worden voorzien in een berging van 40mm. Indien de grootte van de huizen met oprijlaan circa 300m2 betreft, is er tweemaal minimaal 12m³ aan berging benodigd op beide percelen.
De gemeente stelt, dat er bij een bui van ca. 70 mm in één uur geen inundatie vanuit open waterberging (o.a. wadi) mag plaatsvinden. In dat geval dient er bij een verharding van 300m3 per perceel een waterberging te worden aangelegd van tweemaal 21m3. Dit is vooral van toepassing indien het water niet alleen het eigen perceel inundeert, maar ook de naastgelegen percelen
Conclusie
Indien de grond ter plaatse doorlatend genoeg is, of doorlatend wordt gemaakt (grondverbetering) en de voorgestelde infiltratievoorzieningen (twee wadi's van 70 m2 met diepte van 0,3 meter) worden aangelegd, wordt aan alle uitgangspunten en criteria van het waterschap en de gemeente voldaan. Een alternatief is de ontwerprichtlijn voor de meest voorkomende buien te hanteren (tot 40 mm). Dan heb je een kleinere wadi, in deze casus ongeveer 40 tot 45 m2. Deze moet dan dieper worden gemaakt, zodat de 70 mm geborgen kan worden. Bij de "normale" buien zal een vulling tot 30 cm aanwezig zijn. Vanuit het oogpunt van water zorgt de bebouwing van de twee percelen op de Veerseweg 54E op manier niet tot een verslechtering van de huidige situatie binnen het plangebied en binnen de omgeving van het plangebied. De hoeveelheid benodigde berging is afhankelijk van de hoeveelheid verharding. Bij een toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is een vergunning nodig van het waterschap tenzij compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 . Dit is geregeld in de Keur vanhet waterschap.
Kabels, leidingen en straalpaden dienen te worden beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Uit inventarisatie is gebleken dat er zich binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen relevante kabels, leidingen of straalpaden bevinden.
Op 25 januari 2012 heeft de gemeenteraad de Erfgoedkaart Oosterhout vastgesteld. Deze kaart geeft de archeologische verwachtingen en archeologische en cultuurhistorische waarden in Oosterhout weer waardoor deze als volwaardig belang in ruimtelijke planvorming mee kunnen worden gewogen. Tevens worden op deze kaart de voorschriften vastgesteld voor de omgang met archeologische bodemschatten in de ruimtelijke inrichting en in bouwprojecten.
Op basis van deze kaart geldt voor het plangebied de volgende archeologische waarden:
Ingevolge het gemeentelijk archeologie beleid uit de Erfgoedverordening geldt dat voor gebieden met een hoge archeologische verwachting bodemingrepen die het bodemarchief zouden kunnen aantasten, niet zijn toegestaan. Indien een ingreep dieper gaat dan 0,5 meter onder maaiveld en de ingreep een oppervlak heeft van 100 m² of meer, dan moet ingevolge deze verordening middels een archeologisch onderzoek worden aangetoond of er waarden zijn te verwachten en zo ja, hoe daar mee bij het realiseren van het plan rekening wordt gehouden.
Onderzoek
Voor het planvoornemen worden ingrepen uitgevoerd dieper dan 0,5 meter onder maaiveld en ingrepen met een groter oppervlak dan 100 m², waardoor een archeologisch onderzoek nodig is. In een later stadium wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd. Om de aanwezige archeologische waarden te beschermen wordt de reeds aanwezige dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn aangetroffen voor de realisatie van voorliggend bestemmingsplan. De archeologische waarden zijn beschermd via de opgenomen dubbelbestemming.
Op 3 april 2006 is het gebied De Heilige Driehoek door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen als beschermd stadsgezicht. Het gebied dat valt onder de aanwijzing bestaat uit de drie kloostercomplexen Sint-Catharinadal, Onze-Lieve-Vrouweabdij en Paulusabdij, met de omliggende gronden van de Leijsenakkers. In het gebied bevindt zich naast de kloosters en agrarische gronden een aantal historische wegen, structuren en gebouwen.
De Heilige Driehoek is van groot architectuurhistorisch, historisch geografisch, stedenbouwkundig, archeologisch en sociaal-ruimtelijk belang. De concentratie van drie kloostergemeenschappen met hun gebouwen en omliggende terreinen is uniek voor Nederland. In hun agrarische setting vormen de kloosters, samen met het aangrenzende gebied van De Leijsenakkers, een groene wig tussen de stedelijke bebouwing en grote verkeerswegen, met een uitgesproken eigen karakter, dat tot uiting komt in beeld, sfeer en belevingswaarde. Voor het plangebied is de relatie tussen de aanwezige kloostercomplexen en de omliggende agrarische gronden, waar de historische structuur van het gebied nog ervaarbaar is van belang.
Voorliggend plan is gelegen in het beschermde stadsgezicht. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht voorziet in de bescherming van de karakteristieke waarden van De Heilige Driehoek. Het doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen in dit gebied.
De drie kloostercomplexen in de Heilige Driehoek zijn op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant aangeduid als historische stedenbouwkundige structuur met een zeer hoge waarde. Met een paarse contour is het Rijksbeschermd stadsgezicht aangegeven. Voor het Rijksbeschermd stadsgezicht is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen, die de waardevolle karakteristieken van het gebied beschermt. Voor het Rijksbeschermd stadsgezicht is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen, die de waardevolle karakteristieken van het gebied beschermt.
Met de waardevolle karakteristieken is rekening gehouden in voorliggend plan door een bouwvlak van 10 meter breed en 15 meter diep. Daarnaast is een bouwhoogte en goothoogte aangehouden van respectievelijk 8 en 4 meter.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is een dubbelbestemming opgenomen voor het beschermd stadsgezicht.
Verkeer
De woning op het noordelijk perceel is vanaf de Veerseweg of de Koppelpaardenhof bereikbaar. De zuidelijke woning sluit aan op de Koppelpaardenhof (30 km/u). De betreffende wegen zijn geschikt om de (beperkte) verkeersbewegingen van en naar het de woningen op te vangen. Door het planvoornemen zal de verkeersgeneratie op de omliggende wegen toenemen. De mate van stedelijkheid van Leijsenakkers is 2 (sterk stedelijk). Voor een vrijstaande woning (koop) geldt een verkeersgeneratie van 7,3 tot 8,1 per woning per etmaal. In totaal bedraagt het aantal verkeersbewegingen per etmaal maximaal 16,2 (8,1*2). Deze verkeersgeneratie kan binnen de capaciteit van de omliggende wegen worden opgevangen.
Parkeren
Ten behoeve van de realisatie van twee nieuwbouwwoningen worden de parkeerplaatsen aangelegd op eigen terrein. Op basis van het gemeentelijke Nota parkeernormen 2019 dienen 2,1 parkeerplaatsen per woning gerealiseerd te worden (aandeel bezoek 0,3). Door de parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid.
Conclusie
De bouw van de twee woningen en de ontsluiting daarvan zijn in verkeerskundig opzicht mogelijk. De benodigde parkeerplaatsen worden aangelegd op eigen terrein en daarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.
Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied.
Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke 'Handboek (digitale) bestemmingsplannen'. Voor onderhavig bestemmingsplan is de versie van PM gehanteerd. Het handboek bevat een set regels die voor alle nieuwe bestemmingsplannen binnen de gemeente Oosterhout wordt gehanteerd, waardoor sprake is van uniforme regelingen in de diverse plannen. In het Handboek is gestreefd naar standaardisering van bestemmingen en regels zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Het onderhavige bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, doch treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad.
De planopzet is gericht op beheer en instandhouding van de bestaande situatie. Behoud van de bestaande functies is het primaire doel van het bestemmingsplan. Eén en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. In de volgende paragraaf wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.
Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Hierdoor is het omgevingsrecht drastisch gewijzigd. Veel toestemmingen en vergunningen die voorheen apart geregeld waren, zijn nu opgenomen in de Wabo. In de regels is de terminologie aangepast aan de Wabo. De ontheffing heet nu 'omgevingsvergunning voor het afwijken'. De bouwvergunning heet 'omgevingsvergunning voor het bouwen'. De sloop- en aanlegvergunning zijn gewijzigd in 'omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk' respectievelijk 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden'. De terminologie van voorliggend bestemmingsplan is hierop afgestemd.
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.
De opbouw is als volgt:
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd:
Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door regels op te nemen over de bevoegdheid tot het verlenen van een (binnenplanse) omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid.
Voor het opnemen van flexibiliteitsregels geldt als uitgangspunt dat flexibiliteitregels alleen worden gebruikt als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn. Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure.
Er is wel eens sprake van misverstanden over de wijze waarop de goothoogte of bouw- c.q. nokhoogte van een gebouw moet worden geïnterpreteerd. De goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, lichtkoepels, dakkapellen, lucht- en liftkokers, zonnepanelen, andere technische ruimten en/of technische constructies, hekwerken en antennes. Voor de meest voorkomende gevallen is hieronder aangegeven hoe de goothoogte wordt bepaald:
Figuur: dakvormen met bijhorende maatgevende goothoogte
Figuur: toelaatbare uitbreidingen in het dakvlak
Hieronder worden de voorkomende bestemmingen kort toegelicht.
De tot ‘Tuin’ bestemde gronden zijn bedoeld voor tuinen en groenvoorzieningen bij woningen, inritten en parkeren. Er zijn regels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Parkeren is niet toegestaan voor de voorgevel van de woning. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van dit verbod.
De tot ‘Wonen’ bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen, aan huis verbonden beroepen of aan huis verbonden bedrijven en gastouderschap, tuinen, erven en verhardingen, groen- en nutsvoorzieningen, ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf, en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Per bouwperceel is één vrijstaande woning toegestaan. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen die binnen het bouwvlak worden gebouwd, en gebouwen die buiten het bouwvlak worden gebouwd. Buiten het bouwvlak is per woonbestemming maximaal 100 m2 aan bijgebouwen en overkappingen togestaan.
Op de verbeelding is de toegestane bebouwingstypologie (vrijstaand), de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van een aantal gebruiksregels. Er zijn gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf. Voor het verwijderen van de aawezige hagen en vegetatie is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig.
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd tot meer dan 0,50 cm onder maaiveld en dit over een oppervlakte is van meer dan 100 m², dan moet hiervoor een vergunning voor zijn afgegeven. Deze wordt afgegeven indien uit een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport blijkt dat het archeologisch bodemarchief niet wordt verstoord. Al dan niet na het treffen van maatregelen.
Waarde - Beschermd stads- en dorpsgezicht
De voor ‘Waarde – Beschermd stads- en dorpsgezicht‘ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het aan de gronden toegekende beschermd stads- en dorpsgezicht. In afwijking van het bepaalde bij andere bestemmingen mag aan de gronden en de bebouwing geen verandering worden aangebracht in de bestaande situatie ten aanzien van de karakteristieken en kenmerken: rooilijnen, (minimale en maximale) goothoogte van gebouwen en bouwwerken, bouwmassa van gebouwen en dakhelling van gebouwen. Voor bouwwerkzaamheden en het uitvoeren van andere werken of werkzaamheden kan worden afgeweken van de regels, mits de door de aanwijzing tot beschermd stads- en dorpsgezicht te waarborgen belangen niet onevenredig worden aangetast. De monumentencommissie of een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg dient hiertoe advies uit te brengen.
Handhaving vormt een belangrijk onderdeel van een beleidscyclus. Regels worden gesteld met als doel het beschermen van een bepaald belang. Zonder toezicht op naleving van deze regels bestaat het risico dat dit doel onvoldoende bereikt wordt. Tevens komt de gemeente ongeloofwaardig over als gestelde regels niet worden gehandhaafd.
Handhaafbaarheid, draagvlak en naleefgedrag
Een eerste voorwaarde voor handhaving is een duidelijk en handhaafbaar beleid en regelgeving. Om die reden worden nieuwe versies van digitale handboeken en die onderdelen van bestemmingsplannen die afwijken van het digitale handboek, door de afdeling die belast is met vergunningverlening en handhaving, gecontroleerd op uitvoerbaarheid. Ook voor dit bestemmingsplan heeft deze toets plaats gevonden.
Naast handhaafbare regels dient er ook het nodige draagvlak voor het nieuwe beleid en de daaruit voortvloeiende regels te zijn. Immers zal een plan met weinig draagvlak op weinig naleefgedrag kunnen rekenen. Het creëren van draagvlak is onder andere bewerkstelligd door in de verschillende fasen van het planproces burgers, belangenorganisaties en andere belanghebbenden te betrekken, al dan niet via wettelijk bepaalde inspraakmomenten.
Preventieve en repressieve handhaving
Naast repressie (handhavend optreden op het moment dat er sprake is van een overtreding) heeft preventie een belangrijke functie in de gemeentelijke handhavingsstrategie (de gemeente hanteert de landelijke handhavingsstrategie). Bij preventief handhaven spelen vooral dialoog, voorlichting en advisering een belangrijke rol. Zo voorziet het handhavingsbeleid van de gemeente Oosterhout in meer aandacht voor voorlichting en communicatie, onder andere door het uitgeven van voorlichtingsbrochures.
Qua repressie voorziet het gemeentelijk handhavingsbeleid en het daarop gebaseerde integrale uitvoeringsprogramma in het continu opsporen van overtredingen van het bestemmingsplan. Ook worden er gezamenlijk met andere overheden (brandweer, politie, belastingdienst) multidisciplinaire handhavingsacties georganiseerd. Binnen dergelijke acties is er ook aandacht voor overtredingen van het bestemmingsplan. Indien een overtreding wordt geconstateerd, zal als eerste stap in het handhavingstraject telkens worden bezien of het illegale gebruik of bouwwerk op grond van het bestemmingsplan of afwijking daarvan, alsnog gelegaliseerd kan worden. Is dat niet het geval dan wordt het handhavingstraject doorgezet. Al deze aspecten zijn vastgelegd in het beleidsplan Fysieke Leefomgeving en de daarin opgenomen handhavingsstrategie en dienen als leidraad voor de alledaagse handhavingspraktijk binnen de gemeente Oosterhout.
IJkmoment, overgangsrecht en monitoring beleid
Het inwerking treden van dit bestemmingsplan is een ijkmoment voor de handhaving. Indien bebouwing of gebruik afwijkt van het bestemmingsplan, zal hier tegen handhavend worden opgetreden. Tegen bebouwing en gebruik dat onder het overgangsrecht valt, kan niet handhavend worden opgetreden.
In artikel 6.12 lid 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat de gemeente hierover overeenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. De initiatiefnemer draagt alle kosten voor de realisering van het project en eventuele panschade. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk.
Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is
Omgevingsdialoog
Om direct omwonenden en belanghebbene in een vroegtijdig stadium te informeren, hebben de initiatiefnemers hen eind mei persoonlijk geïnformeerd over de wens het bestemmingsplan te herzien om op het perceel Veerseweg 54e twee woningen te mogen bouwen in plaats van één, zoals het geldende bestemmingsplan toestaat. De omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt aandacht gevraagd voor de kwaliteit van de te bouwen woningen (bouwstijl en welstandstoets). Het verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting.
Inspraak en vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan “Leijsenakkers, herziening 1 – Veerseweg 54e” heeft conform de Algemene Inspraakverordening Oosterhout 2006 met ingang van 14 oktober tot en met 10 november 2021 ter inzage gelegen. Er zijn 7 reacties ingediend.
In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerp van het bestemmingsplan toegezonden aan de volgende overleginstanties: de provincie Noord Brabant en het Waterschap Brabantse Delta. Er is 1 schriftelijke overlegreactie binnen gekomen van het waterschap.
De inspraak en overleg reacties zijn verwerkt in het ‘Eindverslag inspraak en vooroverleg voorontwerp- bestemmingsplan Leijsenakkers, herziening 1 - Veerseweg 54E" welke is bijgevoegd in de bijlage 8 . In het ontwerp-bestemmingsplan zijn wijzigingen en aanvullingen aangebracht die in de genoemde eindverslag zijn opgenomen, waaronder ook enkele ambtshalve aanpssingen.
De planaanpassingen en aanvullingen kwamen kort samengevat op het volgende neer:
De procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening is doorlopen. Het ontwerpbestemmingsplan “Leijsenakkers, herziening 1 – Veerseweg 54e” met ingang van 3 februari 2022 tot en met 16 maart 2022 ter inzage gelegen.
Gedurende de termijn van ter inzagelegging bestond de gelegenheid om schriftelijk en mondeling op het plan te reageren door de indiening van een zienswijze. Van deze gelegenheid is tijdig gebruik gemaakt door vijf instanties c.q. personen, van wie twee personen een gezamenlijke reactie hebben gegeven en één persoon de zienswijzen van twee anderen heeft samengevoegd en ingediend. Zodoende zijn drie unieke zienswijzen ontvangen.
De zienswijzen zijn verwerkt in de ‘Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “Leijsenakkers, herziening 1 - Veerseweg 54e" welke is bijgevoegd in bijlage 9. In het vast te stellen bestemmingsplan zijn wijzigingen en aanvullingen aangebracht die in de reactienota zijn opgenomen.
Dit betreft samengevat de volgender wijzigingen en aanvullingen: