direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bestemmingsplan Buitengebied, Herziening Kromvensedijk 7
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Kromvensedijk 7 te Middelbeers, grenzend aan de Landschotse Heide, staat een woning met kantoor en bijgebouwen op een bosperceel van 9,45 hectare. De woning heeft een inhoud van ongeveer 500 m3. Verspreid op het terrein zijn in de jaren 40 van de vorige eeuw verschillende bouwwerken en voorzieningen gerealiseerd, die tezamen een sterke functionele samenhang vormden, zoals een woning, een garage, een kantoor, een waterput, een werkschuur, een familiegraf, kippenstallen etc. De bebouwing werd voor diverse doeleinden gebruikt. De huidige eigenaar oefent al enkele jaren een kleinschalig bedrijf aan huis uit.

Een gedeelte van de aanwezige bebouwing is in de loop der jaren verdwenen van de verbeelding van het bestemmingsplan buitengebied, waardoor het overgangsrecht van toepassing is geworden. Hierdoor dreigt de functionele en historische samenhang van het plangebied te verdwijnen. De eigenaren wensen de oorspronkelijke karakteristiek van het terrein in de toekomst duurzaam in stand te houden. Dit streven is tevens vastgelegd in de rangschikking van het plangebied onder de Natuurschoonwet 1928, die duurzame instandhouding van het natuurschoon en bouwwerken voor tenminste 25 jaar verplicht. De potentie van het plangebied als unieke woon-werkomgeving moet daarvoor optimaal benut worden. De oorspronkelijk aanwezige bebouwing op het terrein wordt daarvoor weer positief bestemd . In het nieuwe bestemmingsplan worden binnen het bouwvlak verruimde bouwmogelijkheden geboden en verruimde mogelijkheden voor een bedrijf aan huis.

Gemeente Oirschot heeft in beginsel positief gereageerd op de voorgestelde ontwikkelingsrichting. De ontwikkeling past echter niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Fase II 2013. In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Fase II 2013' van gemeente Oirschot is centraal op het terrein een bouwvlak begrensd voor woondoeleinden. Dit bouwvlak sluit echter niet aan bij de feitelijke situering van woning en bijgebouwen. Daardoor is ook de begrenzing van de EHS binnen het plangebied onjuist opgenomen. Om misverstanden in de toekomst te voorkomen dient de verbeelding van het bestemmingsplan aan te sluiten bij de werkelijke situatie.

Om de ontwikkeling mogelijk te maken is in dit bestemmingsplan een planologische verantwoording van de ontwikkeling opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0001.png"

Locatie plangebied ten zuiden van Middelbeers

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0002.png"

Begrenzing plangebied

1.2 Bij het plan behorende stukken

Het 'Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Kromvensedijk 7' bestaat uit de volgende stukken:

  • regels
  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST);

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de projectgebieden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. Als onderdeel van de toelichting zijn in de bijlagen een aantal onderzoeksrapporten opgenomen.

1.3 Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit 8 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de planbeschrijving. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader weergegeven. In hoofdstuk 4 en 5 wordt de haalbaarheid van het plan aangetoond voor wat betreft milieuaspecten en waardestellingen. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de juridische planopzet en hoofdstuk 7 geeft informatie over de economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Plan

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven welke ontwikkeling met dit herzieningsplan wordt beoogd en waarom deze ontwikkeling niet binnen het vigerende bestemmingsplan past.

2.2 Huidige planologische situatie

Het plangebied is bestemd in het bestemmingsplan 'Buitengebied Fase II 2013' van de gemeente Oirschot. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 18 juni 2013. In het bestemmingsplan is opgenomen welke regels op de betreffende percelen van toepassing zijn. Het volledige plangebied heeft een enkelbestemming 'natuur'. Binnen deze enkelbestemming 'natuur' is centraal op het landgoed een bouwvlak begrensd met de enkelbestemming 'wonen'. de oppervlakte van dit bouwvlak is 1200 m2, maar de vorm van het bouwvlak sluit niet aan bij de werkelijke situering van woning en bijgebouwen.

Binnen de grenzen van het bouwblok biedt het vigerende bestemmingsplan ruimte aan één woning van maximaal 750 m3 en een bijgebouw van maximaal 120 m2. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • woningen;
  • tuinen en erven;
  • water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • het behoud van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden;

De overige bebouwing en voorzieningen zijn gesitueerd binnen de enkelbestemming natuur. Deze gebouwen en voorzieningen zijn in het vigerende bestemmingsplan niet positief bestemd. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van beboste gronden en niet-beboste gronden en heidevelden;
  • geïntegreerd bosbeheer;
  • water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • agrarisch medegebruik in de vorm van natuurbeheer;
  • extensief recreatief medegebruik en educatief medegebruik;
  • wegen, paden en overige infrastructurele voorzieningen;
  • openbare nutsvoorzieningen;

Op het plangebied zijn twee dubbelbestemmingen van toepassing. Het volledige plangebied heeft een dubbelbestemming ' Waarde-Natte natuurparel'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie binnen de natte natuurparels met bijbehorende beschermingszones;
  • het verbeteren van de condities voor de natuurwaarden.

Het zuid-westelijke gedeelte van het plangebied heeft een dubbelbestemming ''Waarde-Archeologie 4'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Deze dubbelbestemming verplicht initiatiefnemers om onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van archeologisch waardevol materiaal voor grondwerkzaamheden met een oppervlakte van 500 m² en groter en een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld.

Op de projectlocatie is tevens de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - externsiveringsgebied" van toepassing. Extensiveringsgebieden liggen met name rond de te beschermen gebieden van de ecologische hoofdstructuur (extensiveringsgebied met primaat natuur) en rond kernen in het buitengebied (overige extensiveringsgebieden). In extensiveringsgebieden wordt de ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven beperkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0003.png"

Uitsnede Bestemmingsplan Buitengebied Fase II 2013 met begrenzing plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0004.png"

Uitsnede Bestemmingsplan 'Buitengebied Fase II 2013' met vigerend bouwblok (sluit niet aan op de werkelijke situering van woning en bijgebouwen)

2.3 Planbeschrijving

Om het huidige tij te keren en een juiste planologische basis te leggen heeft de eigenaar van het plangebied een integraal plan voor de toekomst ontwikkeld. Uitgangspunt van dit plan is dat, te midden van een hoogwaardige ecologische context, het oorspronkelijke karakter van het plangebied wordt gerespecteerd. Het plan bestaat uit onderstaande onderdelen, waarvan de nummering terug te vinden is op onderstaande kaart van het plangebied.

  • Het huidige bouwvlak met een oppervlakte van 1200 m2 wordt verplaatst en de vorm wordt gewijzigd. De oppervlakte van het bouwvlak wordt nadrukkelijk niet vergroot en blijft ook in de toekomstige situatie 1200 m2.
  • De huidige woning ( 1 ) verkeert in zeer slechte staat. Deze woning wordt daarom gesloopt en vervangen door een nieuwe woning. De omvang van het plangebied en situering van de woning lenen zich voor een grotere woning dan volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Bovendien wenst de eigenaar met het oog op de toekomst een nieuwe generatiewoning te realiseren. De nieuwe (generatie)woning krijgt om die reden een maximale inhoudsmaat van 1250 m3.
  • De bestaande houten garage ( 2 ) verkeert in zeer slechte staat. Deze wordt daarom gesloopt en vervangen door een nieuw bijgebouw bij de woning van max. 120 m².
  • De eigenaar oefent een beroep aan huis uit. Het gaat om een nevenactiviteit bij de (hoofd)bestemming wonen met een maximale omvang van 120 m2 voor een aan-huis-gebonden-beroep. Hieronder wordt verstaan: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerk metbehoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een huisartsenpraktijk, een fysiotherapiepraktijk, een architectenbureau en een advocatenkantoor. In dit geval worden trainingen en workshops gegeven aan individuen en groepen mensen. De nevenactiviteiten bestaan uit een praktijk, kantoor en workshops. De oppervlakte van de nieuwe ontvangst- en educatieruimte wordt, net als de te slopen houtopslag, 120 m2 en biedt ruimte aan maximaal 25 mensen. Binnen het plangebied worden activiteiten ontplooid ter ondersteuning van de natuuronderneming en als onderdeel van het bosbeheer.
  • De bestaande stenen garage (4) blijft behouden. Om voldoende ruimte te bieden aan een werkplaats en de opslag van hout, materialen en machines wordt de oppervlakte van het gebouw verdubbeld naar 60 m2. Het gebouw wordt daarvoor positief bestemd als kleinschalige functie in de Ecologische hoofdstructuur ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatief medegebruik ervan.
  • De oude kippenhokken ( 5, 6 en 7) worden positief bestemd als kleinschalige functie in de Ecologische hoofdstructuur ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatief medegebruik ervan. De gebouwtjes hebben een oppervlakte van respectievelijk 28, 28 en 29 m2. In de kippenhokken hebben in de Tweede wereldoorlog onderduikers verscholen gezeten. Ter herinnering aan deze tijd wordt één onderduikplaats uit die tijd behouden en hersteld.
  • De historische waterput ( 8 ) en waterpomp (10) worden hersteld.
  • Het familiegraf op het terrein ( 9 ) wordt positief bestemd, zodat ook de huidige en toekomstige generaties bijgezet kunnen worden.
  • De oude toegangspoort ( 11 ) tot het plangebied wordt hersteld.
  • Het padenpatroon binnen het plangebied blijft behouden. De oorspronkelijke paden worden weer vrijgemaakt en halfverharding wordt hersteld.
  • Op eigen terrein wordt een kleine parkeervoorziening gerealiseerd om parkeeroverlast op de Kromvensedijk te voorkomen. De parkeervoorziening wordt gesitueerd binnen de grenzen van het bouwvlak, waardoor rekening is gehouden met de belangen en het woongenot van omwonenden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0007.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0008.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0009.png"

2.4 Conclusie

De gewenste ontwikkeling van het plangebied past niet binnen de regels die volgens het vigerende bestemmingsplan op het terrein van toepassing zijn, omdat:

  • 1. De woning groter wordt dan volgens het vigerende bestemmingsplan maximaal mogelijk is, namelijk 1250 m3.
  • 2. De vorm en situering van het toekomstige bouwvlak niet overeen komt met het vigerend bestemmingsplan
  • 3. Een gedeelte van de bijgebouwen momenteel gesitueerd is binnen de enkelbestemming 'natuur'.
  • 4. Bij een positieve bestemming van alle aanwezige bebouwing, de maximaal toelaatbare oppervlakte aan bijgebouwen volgens het vigerende bestemmingsplan wordt overschreden.
  • 5. Het familiegraf binnen de enkelbestemming 'natuur' valt. Voor dit gebruik is in het verleden vergunning verleend. Ten einde dit te blijven gebruiken voor toekomstige generaties, is tevens een positieve bestemming gewenst.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid dat van toepassing is op het plangebied en dat van toepassing is op het plan zelf. Daarvoor wordt onderscheid gemaakt tussen de drie beleidsniveaus, namelijk rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid.

3.2 Rijksbeleid, Structuurvisie infrastructuur en ruimte

Op nationaal niveau wordt het ruimtelijk beleidskader bepaald door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteitsaanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken uit onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee is de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij…') en de gebruiker komt centraal te staan. Het Rijk laat de sturing tussen verstedelijking en landschap over aan de provincies om meer ruimte te laten voor regionaal maatwerk. Daarmee is het beleid ten aanzien van landschap op land niet langer een rijksverantwoordelijkheid. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Met voorliggend plan worden geen rijksbelangen geschaad.

3.3 Provinciaal beleid en regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Belangrijke beleidswijzigingen ten opzichte van de Structuurvisie Ruimtelijke ordening 2010  hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant.

De SVRO bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 en is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. De SVRO vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de provinciale verordening.

De projectlocatie ligt op de structurenkaart binnen de groen blauwe structuur, 'kerngebied groenblauw'. Dit is de kern van de groenblauwestructuur, die bestaat uit natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur inclusief de ecologische verbindingszones Het provinciaal beleid is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. Het ruimtelijke beleid is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. Er is geen ruimte voor (grootschalige of intensieve) ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstellingen voor de EHS en beheer/herstel van de waterstructuren. Voor overige ontwikkelingen geldt:

  • Bestaande functies en bestaand gebruik binnen de groenblauwe kern worden gerespecteerd.
  • Voor de ontwikkeling van functies gelden de ehs-spelregels.
  • Het nee-tenzij principe geldt met toepassing van het compensatiebeginsel.
  • De ontwikkeling van extensieve recreatie gericht op de beleving van de natuur is goed mogelijk.

Door ruimte te bieden aan economische en sociaal-culturele ontwikkelingen dragen deze bij aan investeringen in behoud en ontwikkeling van natuur en daarmee aan de realisatie van de ecologische hoofdstructuur. De ontwikkeling van het plangebied sluit naadloos aan op deze doelstelling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0010.png"

Uitsnede Structuurvisie 2010, herziening 2014

3.3.2 Verordening Ruimte 2014

De uitwerking van de structuurvisie ruimtelijke ordening is opgenomen in de Verordening Ruimte. De Verordening Ruimte is één van de uitvoeringsinstrumenten die de provincie inzet bij de realisatie van haar doelen en het borgen van haar belangen. Bij de keuze voor het instrument verordening is het belangrijk dat dit het enige instrument is voor de provincie dat vooraf aangeeft waarmee de gemeente rekening moet houden én dat rechtstreeks doorwerkt naar de ruimtelijke besluitvorming op gemeentelijk niveau. In de verordening is gekozen voor een systeem waarbij ruimte wordt geboden voor een afweging op gemeentelijk niveau. Dit betekent dat de provincie vooral kijkt naar de wijze waarop de achterliggende provinciale ruimtelijke belangen zijn behartigd.

In de Verordening zijn algemene regels opgenomen die op alle ontwikkelingen van toepassing zijn. Elk plangebied is gesitueerd binnen één van de vier begrensde structuren. Bovendien kunnen op elke locatie één of meerdere aanduidingen van toepassing zijn op het gebied van :

  • 1. Stedelijke ontwikkeling
  • 2. Cultuurhistorie
  • 3. Agrarische ontwikkeling en windturbines
  • 4. Water
  • 5. Natuur en landschap

Het plangebied is in de Verordening Ruimte 2014 gesitueerd binnen de structuur 'Ecologische Hoofdstructuur'. In artikel 5.1 van de Verordening Ruimte 2014 zijn de regels voor de ecologische hoofdstructuur beschreven. Relevant voor de voorgestelde ontwikkeling van het plangebied zijn:

  • 1. Een bestemmingsplan gelegen in de ecologische hoofdstructuur:
    • a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;
    • b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;
    • c. bepaalt dat zolang de ecologische hoofdstructuur niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.
  • 2. Als ecologische waarden en kenmerken als bedoeld in het eerste lid gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.
  • 3. Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, of het recreatieve medegebruik daarvan, zijn toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur.
  • 4. In afwijking van het eerste lid, onder c, stelt de gemeenteraad binnen negen maanden een bestemmingsplan vast waarbij een natuurbestemming wordt aangewezen als de inrichting en het beheer voor natuurdoeleinden zijn verzekerd op grond van een verplichting van Gedeputeerde Staten of van een waterschapsbestuur.
  • 5. Een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de ecologische hoofdstructuur en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur, strekt ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig de compensatieregels uit de Verordening Ruimte.

Op basis van de regels uit de verordening Ruimte kan worden geconcludeerd dat een ontwikkeling in de ecologische hoofdstructuur niet is uitgesloten, maar verbonden aan een aantal voorwaarden. De ontwikkeling van het plangebied vindt grotendeels plaats binnen reeds aanwezige bebouwing, heeft geen negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden en heeft geen afname tot gevolg van de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur. Hogerliggend doel van de ontwikkeling is een nieuwe duurzame basis te leggen voor het instandhouden van de aanwezige ecologische waarden. De bijgebouwen binnen het plangebied worden in de toekomst gebruikt voor kleinschalige functies in de EHS ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatief medegebruik daarvan. De omvang van de bebouwing voor de kleinschalige functies in de EHS mag ten hoogste 90 m2 bedragen zodat er geen sprake is van een bouwvlak en daarmee nieuwvestiging. dat is in voorliggend plan niet het geval, waardoor de ontwikkeling naadloos aansluit bij de regels die in de verordening Ruimte zijn geformuleerd.

In artikel 5.5 van de Verordening Ruimte 2014 zijn de regels opgenomen voor het wijzigen van de begrenzing EHS op verzoek bij kleinschalige ingrepen. In hoofdstuk 5.8 van deze toelichting is opgenomen welke herbegrenzing plaatsvindt. Per saldo wordt de ecologische hoofdstructuur niet verkleind en er gaan geen ecologische waarden verloren, waardoor compensatie zoals opgenomen in artikel 5.6 niet van toepassing is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0011.png"

Integrale plankaart met structuren en aanduidingen

Op de themakaart cultuurhistorie van de Verordening Ruimte is het plangebied gesitueerd binnen de begrenzing van een Aardkundig waardevol gebied en Cultuurhistorisch vlak. In artikel 21 van de Verordening 2014 zijn de regels voor Aardkundig waardevolle gebieden opgenomen:

  • 1. Ter plaatse van de aanduiding Aardkundig waardevol geldt dat een bestemmingsplan:
    • a. mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;
    • b. regels stelt ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
  • 2. Gedeputeerde Staten beschrijven de aardkundige waarden en kenmerken van de gebieden aangewezen op grond van het eerste lid aan de hand van de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 30 november 2004, met dien verstande dat deze beschrijving tevens betrekking heeft op de uitbreiding van gebied 33 (Peelrand-breuk, Maashorst) en opname van het gebied 41 (Rivierlandschap Alm) en het gebied 42 (Steilrand Mill), zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op15 juni 2010.

In Artikel 22 zijn de regels opgenomen voor cultuurhistorische vlakken:

  • 1. Ter plaatse van de aanduiding Cultuurhistorische vlakken geldt dat een bestemmingsplan:
    • a. mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;
    • b. regels stelt ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
  • 2. Gedeputeerde Staten stellen een beschrijving vast van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de als cultuurhistorische vlakken aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart.

De voorgestelde ontwikkeling van het plangebied heeft geen invloed op aardkundige waarden of de karakteristiek van het cultuurhistorische vlak.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0012.png"

Uitsnede themakaart ' cultuurhistorie'

Op de themakaart Natuur en landschap is het plangebied gesitueerd binnen de begrenzing van de EHS en het attentiegebied EHS. In Artikel 12.1 zijn de regels opgenomen voor bestemmingsplannen binnen het attentiegebied EHS.

  • 1. Een bestemmingsplan wijst ter plaatse van de aanduiding Attentiegebied ecologische hoofdstructuur geen bestemmingen aan of stelt geen regels vast die fysieke ingrepen mogelijk maken met een negatief effect op de waterhuishouding van de hierbinnen gelegen ecologische hoofdstructuur.
  • 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels ten aanzien van:
    • a. het verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;
    • b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;
    • c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
    • d. het buiten een agrarisch bouwblok aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2, anders dan een bouwwerk.
  • 3. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bepaalt dat bij het toepassen van de regels, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met d, het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord.
  • 4. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bepaalt dat de regels, bedoeld in het tweede lid niet van toepassing zijn op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0013.png"

Uitsnede themakaart 'natuur en landschap'

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Landschapsinvesteringsregeling De Kempen

In de algemene regels in artikel 3 van de Verordening Ruimte is opgenomen dat bij iedere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gezorgd moet worden voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling kan gepaard gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft.

Dit beleid is door de provincie uitgewerkt in artikel 3.2 Kwaliteitsverbetering Landschap van de Verordening Ruimte. Op grond hiervan moet op het moment van vaststelling van een planologische besluit de daarbij behorende kwaliteitsverbetering van het landschap financieel, juridisch en feitelijk zijn zeker gesteld. Dit kan door de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of in de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is kan een financiële bijdrage worden geleverd aan een groenfonds.

Om initiatiefnemers een helder toetsingskader te bieden, hebben de Kempen-gemeenten een gemeenschappelijke aanpak vastgelegd in de afstemmingsnotitie “Landschapsinvesteringsregeling De Kempen”, zoals vastgesteld op 13 juni 2012. De landschapsinvesteringsregeling (LIR) is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend. De voorgestelde ontwikkeling van het plangebied is ruimtelijke goed inpasbaar en heeft een beperkte ruimtelijke impact.

Ontwikkelingen waarbij vergroting van de vigerende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het vigerende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is vallen in categorie 3 van initiatieven in het buitengebied. Ze moeten voorzien worden van een goede landschappelijke inpassing en een extra investering in ruimtelijke kwaliteit, die onderbouwd wordt met een berekening. Daarvoor is een methodiek gekozen waarbij gewerkt wordt met gestandaardiseerde normbedragen (forfaitaire bedragen) per ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij wordt de “rode” ontwikkeling eerst omgerekend naar euro's. Daarvoor wordt eerst bepaald wat de waardestijging is van de planologische wijziging. Vervolgens wordt op basis van een percentage de minimale investering in euro's in de kwaliteit van het landschap bepaald. Dit percentage bedraagt tenminste 20% van de waardestijging.

Er kan op meerdere wijzen geïnvesteerd worden in kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit kan betreffen een

  • 1. landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken;
  • 2. aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen ter versterking van de landschapsstructuur;
  • 3. aanleg recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik(bankjes, wandelpaden, bebording, etc);
  • 4. fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie en archeologie;
  • 5. sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) gebouwen/stallen/kassen en verwijderen verharding;
  • 6. verkleinen/opheffen van bestemmingsvlakken/bouwvlakken;
  • 7. fysieke bijdrage aan realisering Ecologische hoofdstructuur (EHS) en ecologische verbindingszones (EVZ's).

Binnen het plangebied waren van oorsprong drie vennen aanwezig. Deze vennen zijn door verlanding nauwelijks nog herkenbaar en staan jaarlijks gedurende langere tijd droog. Aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen ter versterking van de landschapsstructuur kan worden opgevoerd als kwaliteitsverbetering van het landschap. Concrete maatregel die in het plangebied gaat plaatsvinden als kwaliteitsverbetering van het landschap is daarom het herstel van deze vennen. Deze vennen vormen een potentieel waardevol natuur- en landschapselement met unieke microhabitat. Herstel zal een ecologische, cultuurhistorische, hydrologische en aardkundige kwaliteitsverbetering tot gevolg hebben. In een straal van 30 meter rondom de vennen zal daarvoor een dunning en/of kap plaatsvinden van de aanwezige beplanting en bomen. In de landschappelijke inpassing in hoofdstuk 4.3 is opgenomen hoe de vennen onderdeel van het plangebied worden.

Op grond van eerdere ervaringen van Eelerwoude bij opgaven tot venherstel en de bijlage 'Financiele Aspecten' van de Handleiding Biodiversiteit van provincie Noord-Brabant is een globale kostenraming opgesteld van de uit te voeren werkzaamheden. Uit onderstaande tabel blijkt dat de kosten van venherstel worden geraamd op € 31.000,- (incl BTW).

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0014.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0015.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0016.png" 

Huidige karakteristiek van de vennen te midden van bos

Op basis van de forfaitaire bedragen uit de regionale landschapsinvesteringsregeling de Kempen is bepaald welke waardevermeerdering van de ondergrond de voorgestelde ontwikkelingsrichting tot gevolg heeft. 20 % van deze waardevermeerdering moet toetsbaar geïnvesteerd worden in een kwaliteitsverbetering van het landschap. Uit onderstaande berekening blijkt dat de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied een tegenprestatie vereist in de vorm van kwaliteitsverbetering van het landschap, die gelijk staat aan minimaal € 17.000,-. De kosten voor het herstellen van de drie vennen bedragen meer dan de minimaal vereiste investering op basis van de Landschapsinvesteringsregeling De Kempen. Er wordt voldaan aan de vereiste Kwaliteitsverbetering Landschap. Ook met aftrek van de voorbereidingkosten (onderzoek, ontwerp en vergunningen) wordt aan de fysieke kwaliteitsverbetering voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0017.png"

In de te sluiten anterieure overeenkomst wordt het venherstel zekergesteld als te realiseren kwaliteitsverbetering van het landschap. Realisatie van de kwaliteitsverbetering wordt in het bestemmingsplan als voorwaardelijke verplichting vastgelegd. Verlening van de vereiste omgevingsvergunningen wordt gekoppeld aan de uitvoering van de werkzaamheden.

3.4.2 Structuurvisie Plus

Op 28 september 2004 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Plus vastgesteld. In de structuurvisie heeft gemeente Oirschot vastgelegd hoe zij zich duurzaam wil ontwikkelen.

In de structuurvisie is voor de hele gemeente opgenomen dat er ten behoeve van de leefbaarheid mogelijkheden worden geboden voor aan huis gebonden bedrijvigheid. Deze moeten echter ondergeschikt blijven aan de woonfunctie, niet leiden tot onevenredige milieukundige verslechtering ter plaatse en niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking. Deze vormen van bedrijvigheid resulteren in meer levendigheid overdag in de woongebieden en vergroten tevens de arbeidsmogelijkheden voor aan huis gebonden zelfstandigen. Gedacht moet worden aan kantoorfuncties, dienstverlening, lichte ambachtelijke bedrijven etc.

In de structuurvisie zijn meer specifieke toekomstperspectieven verbonden aan deelgebieden. Het plangebied is gesitueerd binnen de grenzen van het deelgebied Landschotse Heide. De ruimtelijke structuur van de Landschotse Heide zal op hoofdlijnen gelijk blijven, met afwisselend vennen en naald- en loofbos. Het accent zal liggen op de strategie beheer en versterking van bestaande abiotische en biotische waarden in de vorm van beheer van de heideterreinen en de vennen. Het beheer van de vennen sluit aan op de ambitie de waterhuishouding te te verbeteren. De veelvuldig voorkomende kwel en de neerslag die niet kan infiltreren, zullen worden vastgehouden vanwege de hoge waterkwaliteit; dit ten behoeve van natuurwaarden.

Om de natuurwaarden ook te kunnen aanschouwen, worden mogelijkheden geboden voor recreatieve ontwikkelingen op en rondom de Landschotse Heide. De Landschotse Heide blijft toegankelijk voor recreatief gebruik. Mogelijkheden voor schaatsen in de winter en oeverrecreatie zullen worden gewaarborgd

De voorgestelde ontwikkeling van het plangebied sluit naadloos aan op de ontwikkelingsperspectieven die in de Structuurvisie Plus zijn geformuleerd. Er blijft een bedrijf aan huis gesitueerd, natuurwaarden worden verhoogd, aanwezige vennen worden hersteld en er wordt ruimte geboden aan extensief recreatief medegebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0018.jpg"

Uitsnede structuurvisie Plus 2004, gemeente Oirschot

3.5 Conclusie

Op basis van de beleidsanalyse in dit hoofdstuk kan worden geconcludeerd dat de voorgestelde ontwikkeling van het plangebied geen beleidsdoelstellingen op nationaal, provinciaal of gemeentelijk niveau belemmert. Integendeel, mits de bestaande voorwaarden op de juiste manier in acht worden genomen, sluit de ontwikkeling naadloos aan op beleidsdoelstellingen van provincie en gemeente. Als onderdeel van de ontwikkeling worden daarvoor drie vennen binnen het plangebied hersteld.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke aspecten

4.1 Inleiding

Omdat de ontwikkeling zowel stedenbouwkundige als landschappelijke consequenties voor het plangebied heeft, wordt het in dit hoofdstuk aan deze aspecten getoetst.

4.2 Stedenbouwkundige inpassing

De gewenste ontwikkeling van het terrein betreft voornamelijk een functionele wijziging van reeds bestaande bebouwing, die al decennia binnen het plangebied aanwezig is. De bebouwing wordt bovendien via een reeds bestaande padenstructuur ontsloten. Omdat het geen stedenbouwkundige ingreep betreft, wordt een stedenbouwkundige inpassing niet noodzakelijk geacht. Als onderdeel van de aanvraag van een omgevingsvergunning zullen (ver)bouwplannen getoetst worden aan de redelijke eisen van welstand.

4.3 Landschappelijke inpassing

Op historisch kaartmateriaal is te zien dat het plangebied oorspronkelijk onderdeel heeft uitgemaakt van een grootschalig aaneengesloten heide- en vennengebied. Grofweg bestond het gebied uit stuifzandheide en een mengeling van droge en natte heidecomponenten. De vegetatie was waarschijnlijk afwisselend van karakter en er was sprake van allerlei kleinschalige gradiënten (zoals stijlkantjes, droog/nat en hoog/laag situaties). Dit leverde een typische mengeling van kleine biotoopjes in een overgangszone tussen heide en omliggend agrarisch landschap.

De randen van de Landschotse heide, waaronder ook het plangebied, zijn inmiddels dicht begroeid met (naald)bossen. De naaldbomen hebben een dikke zure strooisellaag op de bodem gevormd. De kleinere vennen, die rondom de Landschotse Heide lagen zijn daarbij veelal verdwenen. In combinatie met het dichte bladerdak ontbreekt het daardoor aan een rijke kruid- en struiklaag. De aanwezigheid van wettelijk beschermde flora en fauna is gering.

Uit een oogpunt van aanpak van verdroging, bos- en natuurbeheer en ecologie heeft het plangebied veel potentie. Die kan op verschillende manieren worden benut:

  • Verwijderen van rabatten binnen het plangebied om verdroging tegen te gaan.
  • (Gedeeltelijk) omvormen van naaldbos naar loofbos, multifunctioneel bos of heide om diversiteit te verhogen en verdroging tegen te gaan.
  • Herstellen van kleinschalige gradiënten, zoals het terugbrengen van zonbeschenen stijlranden, het aanbrengen van struweelbeplanting, het plaatselijk aanbrengen van verruigingen, het laten staan van dode bomen of het plaatselijk niet afvoeren van hout.

Voor dit bestemmingsplan en als onderdeel van de vereiste kwaliteitsverbetering landschap, is gekozen de mogelijkheden van venherstel binnen het plangebied nader te onderzoeken. Op de Landschotse Heide liggen grote vennen. Van oorsprong lagen hier verschillende kleine en grotere vennen omheen. Binnen het plangebied zijn van oorsprong drie vennen aanwezig, die onderdeel vormden van de historische vennenstructuur op het uitgestrekte heidegebied. In de loop der jaren zijn deze vennen echter verland en niet langer watervoerend. Door de aanwezigheid van dicht bosplantsoen zijn ze bovendien aan direct zonlicht en het zicht onttrokken.

Als onderdeel van de ontwikkeling worden de drie vennen hersteld. Daarvoor wordt de bagger en de strooisellaag uit de vennen verwijderd. De vennen worden nadrukkelijk niet vergroot of verdiept om verstoring van eventuele leemlagen in de ondergrond te voorkomen. Binnen een straal van 30 meter rondom de vennen, wordt het bos drastisch gedund. Om verzuring van de vennen tegen te gaan wordt binnen deze contour minimaal 90 % van de naaldbomen gekapt en de verzuurde strooisellaag wordt deels of geheel verwijderd. Door de inval van direct zonlicht ontstaat een optimaal functionerend microklimaat voor organismen. Een deel van het vrijkomend hout wordt in rillen aan de noordzijde van de open plek verwerkt. Ook deze rillen leveren een aantrekkelijk microklimaat.

Door deze ingreep ontstaat een nieuwe overgangszone tussen het plangebied en het open heideterrein van de Landschotse Heide, die een grote ecologisch en landschappelijk meerwaarde levert. Deze maatregel is als voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan vastgelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0019.png"

Historische topgrafische kaart

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0020.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0021.png"

Huidige vegetatietypologie met oorspronkelijk ven

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0022.png"

Referentiebeeld toekomstige situatie; heideven in gevarieerd en kleinschalig natuurgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0023.png"

Landschappelijke inpassing Kromvensedijk 7

4.4 Archeologie

De gemeente Oirschot heeft, via het overkoepelende Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) haar eigen archeologiebeleid vastgesteld. Het archeologiebeleid is doorvertaald in het bestemmingsplan Buitengebied Fase II 2013 als dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 4'. Deze dubbelbestemming is van toepassing op het zuid-westelijk terreindeel. Deze dubbelbestemming verplicht initiatiefnemers om onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van archeologisch waardevol materiaal voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte van 500 m² en groter en een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld. Dat is in voorliggend plan niet het geval, waardoor een nader onderzoek naar archeologische waarden niet noodzakelijk is.

Het venherstel heeft een beperkte bodemingreep tot gevolg. Deze ingreep bestaat uit het verwijderen van de strooisellaag en bagger. Om te voorkomen dat eventuele leemlagen in de ondergrond worden beschadigd, worden de vennen nadrukkelijk niet vergroot of verdiept. De strooisellaag en bagger zijn pas relatief recent op de bodem terecht gekomen. Uitgesloten kan worden dat met deze ingreep archeologisch waardevol materiaal wordt beschadigd.

4.5 Cultuurhistorie

De cultuurhistorische waarden worden met ingang van 1 januari 2012 meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Artikel 3.1.6, tweede lid onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormt hiervoor de wettelijke basis. In het kader van de modernisering van de Monumentenzorg krijgt de ruimtelijke ordening zo een uitgesproken rol met betrekking tot het in stand houden van cultuurhistorische waarden.

De ontwikkeling betreft een functiewijziging van bestaande bebouwing, die al decennia op het terrein aanwezig is. met de functiewijziging wordt de basis gelegd voor een duurzame instandhouding van de oorspronkelijke karakteristiek van het plangebied. Om die reden zullen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied niet aangetast worden. Een nader onderzoek naar cultuurhistorische waarden wordt om die reden niet noodzakelijk geacht. het venherstel sluit aan op de cultuurhistorische groene karakteristiek van de directe omgeving van de Landschotse Heide.

4.6 Conclusie

In dit hoofdstuk is de ontwikkeling getoetst aan stedenbouwkundige, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische aspecten. Omdat het voornamelijk een functionele wijziging van reeds bestaande bebouwing betreft, kan geconcludeerd worden dat het voorgestelde plan geen negatieve invloed heeft op deze aspecten en een meerwaarde voor de ruimtelijke karakteristiek oplevert.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

5.1 Inleiding

De haalbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen is afhankelijk van milieuaspecten. In dit bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van het plangebied getoetst aan planologisch relevante milieuaspecten. Tot slot wordt in de conclusie opgesomd wat het effect van medewerking aan dit project is op deze aspecten.

5.2 Bodemkwaliteit

Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Wanneer door wijziging van een bestemmingsplan het gebruik van een locatie wordt gewijzigd, moet uit een onderzoek blijken dat de bodemkwaliteit geen belemmering oplevert voor het toekomstig gebruik.

Door Lankelma Ingenieursbureau is om die reden een verkennend bodemonderzoek (kenmerk:66559) in het plangebied uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Hier wordt volstaan met de conclusies.

Uit het onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied formeel gezien niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. Gezien de aard en mate van de aangetroffen verontreiniging is nader onderzoek niet echter noodzakelijk. Er bestaan uit bodemkwaliteitsoogpunt geen beperkingen ten aanzien van de geplande ontwikkelingen. De gemeente is in het kader van de omgevingsvergunning echter het bevoegd gezag.

In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.

De bodemkwaliteit levert geen milieutechnische belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

5.3 Wegverkeerlawaai

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals verblijfsruimten) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:

  • wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Het bouwblok ligt op ongeveer 233 meter van de Westelbeersedijk. Voor de Westelbeersedijk geldt een 50 km/u-regime. De erbij behorende onderzoekszone verkeerslawaai bedraagt 250 m. De Kromvensedijk is een doodlopende weg. De verkeersintensiteit op deze weg is zeer gering. De bebouwing is bovendien ook op grote afstand van deze weg gesitueerd.

De bebouwing in het plangebied ligt op dusdanig grote afstand van de wegen en de verkeersintensiteit is dusdanig minimaal dat uitgesloten kan worden dat wegverkeer onevenredig veel lawaai oplevert. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig.

5.4 Luchtkwaliteit

Uit de Wet luchtkwaliteit volgt dat een voorgenomen ontwikkeling uit oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is, indien in ieder geval aan 1 van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden.
  • Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen.
  • De voorgenomen ontwikkeling draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
  • De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Op grond van de Regeling NIBM (art. 4, bijlage 3A) is een ontwikkeling als NIBM te beschouwen als het aantal woningen niet meer bedraagt dan:

  • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg;
  • 3000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betekent dat wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarde. Luchtkwaliteit vormt daardoor geen beletsel voor de realisatie van het initiatief.

5.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen waardoor mensen, die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit, om het leven zouden kunnen komen. Het doel van het beleid op het gebied van externe veiligheid is een ruimtelijke scheiding aanhouden of creëren tussen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten en de in de nabijheid aanwezige risicobronnen. Kwetsbare objecten zijn onder meer concentraties van woningen, kantoren en ziekenhuizen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer verspreid gelegen woningen, kleine kantoren en kleine recreatieterreinen.

Risicobronnen in het kader van de externe veiligheid zijn onder andere:

  • 1. bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn;
  • 2. transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor);
  • 3. buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

De volgende afbeelding geeft een uitsnede van de provinciale Risicokaart, waarop onder meer de risico's in het kader van de externe veiligheid staan weergegeven. Het plangebied en de omgeving zijn geïnventariseerd op de aanwezigheid van de mogelijke risicobronnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGKROMVNSDK7-VAST_0024.png"

Uitsnede risicokaart (www.risicokaart.nl)

In de omgeving van het plangebied liggen geen risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen over weg water en spoor gesitueerd. Er liggen ook geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied. Het plan ligt derhalve niet binnen een risicocontour voor het plaatsgebonden risico of binnen een gebied waar het groepsrisico dient te worden verantwoord.

5.6 Bedrijven en milieuzonering

Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij moet worden beoordeeld of de bouw van nieuwe woningen of andere geurgevoelige objecten een belemmering vormt voor omliggende agrarische bedrijven. Tevens moet worden beoordeeld of binnen het plangebied sprake is van een goed leefklimaat. Vanwege de afgelegen ligging van het plangebied, het ontbreken van (intensief) agrarisch ondernemingen in de omgeving, zal binnen het plangebied een goed woon en leefklimaat gegarandeerd kunnen worden.

5.7 Natuur en ecologie

In het kader van natuurwetgeving is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de huidige natuurwaarden die in het plangebied aanwezig zijn. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving gehandeld zal worden. De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de ecologische hoofdstructuur (EHS).

Door Eelerwoude BV is een quickscan uitgevoerd naar aanwezige flora- en fauna waarden. De resultaten van deze quickscan zijn als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Hier wordt volstaan met de conclusies.

Voor de geplande ontwikkeling is het wenselijk om enkele bomen te kappen. Daarbij kan niet op voorhand worden uitgesloten dat nesten van streng beschermde diersoorten (eekhoorns, roofvogels, holenbroedende vogels en vleermuizen) verdwijnen. Het is op voorhand niet aan te geven welke bomen gekapt worden. Bij de kap van bomen zal worden gewerkt conform een ecologisch werkprotocol en onder ecologische werkbegeleiding. Uitgangspunt is dat er geen bomen met jaarrond beschermde nesten van streng beschermde (ontheffingsplichtige) soorten gekapt worden. Bomen met overige nesten en verblijfplaatsen worden zoveel mogelijk ontzien. Voor de eekhoorn geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet wanneer gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode.

Het bosbeheer in het plangebied is gericht op het behoud van staand dood hout, wat op termijn ten goede zal komen aan vleermuizen, vogels en bijen. Door de geplande natuurontwikkeling zal bovendien meer structuur in het plangebied ontstaan, waardoor de waarde als foerageergebied vergroot wordt.

Bij het herstel van de vennen zal de laag bladafval en bagger verwijderd worden. Alhoewel de ontwikkeling gericht is op verbetering van habitat voor amfibieën, kunnen bij de herstelwerkzaamheden dieren gedood, verwond of verstoord worden. Het is aan te bevelen om voorafgaand aan de werkzaamheden in beeld te brengen of de venrestanten momenteel amfibieën herbergen. Dit kan door middel van een inventarisatie in de periode maart-april.

Als in de poelen streng beschermde amfibieën voorkomen, zal het ecologisch werkprotocol zodanig opgesteld worden dat negatieve effecten zoveel mogelijk beperkt worden. Wanneer overtreding van verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet niet kan worden uitgesloten, kan een ontheffing verkregen worden van de Flora- en faunawet volgens het wettelijke belang “bescherming van flora en fauna”. De uitvoerbaarheid van het plan komt niet in het geding door de aanwezigheid van beschermde flora en fauna.

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is het nodig om de begrenzing van de EHS te wijzigen. Omdat sprake is van een individuele, kleinschalige ingreep die leidt tot een versterking van de ecologische hoofdstructuur in het desbetreffende gebied, kan gebruik worden gemaakt van artikel 5.5 van de Verordening Ruimte. Op basis van dit artikel kunnen Gedeputeerde Staten de ecologische hoofdstructuur op verzoek van de gemeente wijzigen ten behoeve van een individuele, kleinschalige ingreep. Daar worden een aantal voorwaarden aan verbonden:

  • de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur in het desbetreffende gebied;
  • de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur als geheel;
  • de voorgestelde ingreep is onderbouwd met een afweging van alternatieven;
  • de voorgestelde ingreep vergezeld gaat van zodanige maatregelen dat er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing;
  • de uitvoering van de voorgestelde ingreep en de daarbij betrokken maatregelen en de monitoring daarvan zijn verzekerd;
  • wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken bedoeld in artikel 5.6 (compensatieregels).

De voorgestelde ingreep betreft een herbegrenzing van de EHS op basis van grotendeels reeds aanwezige bebouwing. Uit de quickscan blijkt dat deze bebouwing geen natuurwaarden herbergt die aangetast kunnen worden. De herbegrenzing vindt plaats binnen de contouren van het bestaande erf. De ingreep zal niet leiden tot enige aantasting van ecologische waarden. Binnen het plangebied zijn zeer goede mogelijkheden voor ecologische kwaliteitsverbeteringen. Deze worden in de quickscan Flora en Fauna beschreven. Negatieve effecten vanuit de Natuurbeschermingswet worden uitgesloten. Als aan de beschreven randvoorwaarden wordt voldaan, worden flora en fauna waarden niet onevenredig aangetast.

De te ontplooien nevenactiviteiten binnen het plangebied zullen geen onevenredig negatieve uitstralingseffecten hebben op de omliggende EHS. De Landschotse Heide betreft een druk bezocht natuurgebied. Door opwaardering van recreatieroutes op en rondom de Landschotse heide zijn de afgelopen jaren zelfs voorzieningen getroffen om meer bezoekers aan te trekken. De beperkte nevenactiviteiten binnen het plangebied zullen geen onevenredig negatieve gevolgen hebben op de ecologische waarde van de omliggende EHS. Verkeersbewegingen vinden plaats over reeds bestaande en in gebruik zijnde wegen binnen het plangebied. Als onderdeel van de gewenste kleinschalige aanpassing van de EHS wijziging zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan twee gebiedsaanduidingen opgenomen:

  • overig – in Verordening Ruimte toe te voegen EHS
  • overig – in Verordening Ruimte te verwijderen EHS

Er treden geen effecten van stikstof- uitstoot op stikstofgevoelige habitats in omliggendeNatura 2000 gebieden op. Ook overige negatieve effecten vanuit de Natuurbeschermingswet zijn op voorhand uit te sluiten.

5.8 Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afstemmen, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving (de waterparagraaf), van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Voor deze waterparagraaf is gebruik gemaakt van de Handreiking watertoets van waterschap De Dommel.

Bodem

De bodem bestaat overwegend uit leemarm fijnzand. De waterdoorlatendheid (k-waarde) ervan is goed.

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied zijn, met uitzondering van enkele kleine vennen, geen oppervlaktewater en watergangen aanwezig. De Landschotse Heide en aangrenzende terreinen zijn echter wel gesitueerd in een Keurgebied, waarop hydrologisch beschermingsbeleid van toepassing is.

De herontwikkeling van het plangebied heeft niet tot gevolg dat wijzigingen in het grondwatersysteem of oppervlaktewatersysteem worden aangebracht door drainage en/of onderbemalingen. Er vindt ook geen aanleg, verdieping en verbreding van waterlopen of (permanente) bemaling van onder andere infrastructurele werken plaats. Het plan is daardoor in overeenstemming met de doelstellingen, die aan het keurgebied zijn verbonden.

Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt >1,20 m -mv (bron: bodemkaart).

 

Verhard oppervlak

Het plan betreft grotendeels een positieve herbestemming van bebouwing die reeds aanwezig is. Het herbestemmen van bestaande bebouwing heeft geen toename tot gevolg van verhard oppervlakte. Er vindt een beperkte toename aan bebouwd oppervlakte plaats. Deze is het gevolg van de grotere footprint van de nieuwe woning en uitbreiding van de stenen garage met 35 m2.

De oprit vanaf de Kromvensedijk naar de woning is momenteel nog onverhard en daardoor vaak in slechte staat. De oprit heeft een totale lengte van ongeveer 150 meter. Om goede toegang tot de woning, met name in noodsituaties, te kunnen garanderen wordt deze oprit in de toekomst verhard. Op de te realiseren parkeerplaatsen wordt een halfverharding toegepast. De toename aan verharding zal bij benadering 400 m2 bedragen.

Onderstaande tabel geeft bij benadering een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige en nieuwe situatie, zie paragraaf 2.3. In onderstaande tabel is dit schematisch opgenomen. In de eerste kolom staat het type verharding. In de tweede kolom staat het verhard oppervlak van de bestaande situatie. De derde kolom geeft bij benadering de toename van verhard oppervlak. De laatste kolom geeft het verhard oppervlak van de nieuwe situatie (nieuw = bestaand + toename).

omschrijving bestaand toename nieuw

bebouwing 430 m² 80 m² 530 m²

bestrating 150 m² 400 m² 550 m²

totaal 580 m² 500 m² 1080 m²

Afvalwater / waterkwaliteit

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het vuile afvalwater zal op de bestaande drukriolering geloosd worden. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.

Hemelwater

Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is:

1. hergebruik

2. vasthouden / infiltreren

3. bergen

4. afvoeren naar oppervlaktewater

Voor onderhavig plan is gekozen voor infiltratie, gezien de spreiding van de verharding, de vele ruimte voor infiltratiemogelijkheden en de lage grondwaterstanden.

Met behulp van de HNO-tool van het waterschap (zie bijlage) is de benodigde bergingscapaciteit berekend.

Omdat het plangebied is gesitueerd binnen een beschermingszone van een natte natuurparel en het feit dat er ter plaatse geen (hemelwater)riool aanwezig is waarop het overige hemelwater (afkomstig van bestaand verhard oppervlak) aangesloten kan worden, wordt het totaal aan toekomstig verhard oppervlak (1080 m2) in de toekomst afgekoppeld. Voor de toename aan verharding heeft de benodigde berging T=10+10% een omvang van 25 m³. In deze situatie wordt alle verharding afgekoppeld en bedraagt de benodigde berging 50 m3. De omvang van het plangebied, de bodemopbouw en de grondwaterstand maken dit mogelijk.

Tevens moet verantwoord worden hoe met het hemelwater wordt omgegaan bij T=100+10%. De benodigde berging ter compensatie van de toename aan verharding bedraagt 34 m³. Aangezien ook de bestaande verharding binnen het plangebied wordt afgekoppeld, dient een voorziening getroffen te worden van 68 m3. Binnen het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om hemelwater vertraagd in de bodem te infiltreren. Het grillige maaiveldhoogte maakt een maatwerkoplossing mogelijk en eenvoudig toepasbaar. De resultaten van de HNO-tool zijn in de bijlage opgenomen.

Iedere ruimtelijke ontwikkeling wordt gekenmerkt door een bepaalde ontwateringsdiepte. Dit is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het grondwaterpeil is gelegen. Een voldoende ontwatering is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Het voorkómen van grondwateroverlast is een verantwoordelijkheid van de gemeente en de initiatiefnemer. Het waterschap adviseert om op te hogen of kruipruimteloos te bouwen als wordt geconstateerd dat de ontwateringsdiepte niet wordt gehaald en daardoor kans op grondwateroverlast ontstaat.

Conclusie

De voorstelde ontwikkeling van het plangebied is in overeenstemming met waterbelangen

5.9 Verkeer en parkeren

In de toekomstige situatie wordt bij de woning een educatieruimte gerealiseerd. In de educatieruimte zijn maximaal 25 personen aanwezig. Deze ontwikkeling heeft tot gevolg dat er van en naar het plangebied meer verkeersbewegingen zullen plaatsvinden. Per saldo zal de verkeersintensiteit echter niet dusdanig toenemen dat verkeersproblemen ontstaan rondom het plangebied op de Kromvensedijk en de Westelbeersedijk. Genoemde straten hebben voldoende capaciteit voor een goede verkeerafwikkeling.

Op eigen terrein worden binnen de grenzen van het bouwvlak voorzieningen gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de toekomstige parkeerbehoefte. Op basis van de landelijke parkeernormen CROW / ASVV is het aantal benodigde parkeerplaatsen vastgesteld op 25 om aan de parkeerbehoefte te kunnen voldoen. Dat is een parkeerplaats voor elke bezoeker.

5.10 Conclusie

Uit de toetsing van de voorgestane ontwikkeling van het plangebied aan relevante milieuhygiënische aspecten, blijkt dat de gewenste ontwikkeling niet belemmerd wordt door milieuaspecten uit de directe omgeving. Tegelijktijd levert de ontwikkeling geen onevenredig negatieve milieutechnische hinder voor de directe omgeving.

De resultaten van de quickscan Flora en fauna leveren een aantal aandachtspunten, waar rekening mee gehouden moeten worden tijdens de werkelijke uitvoering van de werkzaamheden.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording

6.1 Opzet van de regels

In deze paragraaf worden de bestemmingsregels nader toegelicht. Voor de onderscheiden hoofdfuncties zijn afzonderlijke bestemmingsregels opgesteld die zijn gebaseerd op de overwegingen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn verwoord. De in de regels opgenomen bestemmingsregels zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Bepaalde regels hebben geen betrekking meer op het voorgenomen gebruik, deze kunnen dan ook buiten beschouwing worden gelaten of zijn inmiddels al verwijderd.

Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er zijn een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012), de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP2008) en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2008). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden, voor zover van toepassing, gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend.

Dit herzieningsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het plan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit herzieningsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan.

Het juridisch bindend gedeelte van het wijzigingsplan bestaat uit planregels en een bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

1. Inleidende regels

2. Bestemmingsregels;

3. Algemene regels;

4. Overgangs- en slotregels.

6.2 Verantwoording van de regels

In deze paragraaf worden de bestemmingsregels nader toegelicht. Voor de onderscheiden hoofdfuncties zijn afzonderlijke bestemmingsregels opgesteld die zijn gebaseerd op de overwegingen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn verwoord. De in de regels opgenomen bestemmingsregels zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2013, Fase II van gemeente Oirschot.

1. Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen:

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten

Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

2. Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen.

Artikel 3 Wonen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het oprichten van een woning met bijgebouwen en gebruik daarvan

Artikel 4 Natuur

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, beheer en herstel van natuurwaarden.

Artikel 5 Waarde - Natte Natuurparel

De voor Waarde - Natte natuurparel' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie en het verbeteren van de condities voor de natuurwaarden.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 4

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.

3. Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat de algemene regels:

Artikel 5 Antidubbeltelregeling

Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaren verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw.

Artikel 6 Algemene aanduidingsregels

In dit artikel wordt beschreven welke gebiedsaanduidingen op het plangebied en het plan van toepassing zijn.

Artikel 7 Algemene afwijkingsregels

Algemene afwijkingsregels zijn opgenomen voor zaken die niet voor één specifieke bestemming gelden, maar in meerdere bestemmingen voorkomen en bijvoorbeeld gekoppeld zijn aan een aanduiding.

Artikel 8 Algemene wijzigingsregels

Naast de algemene afwijkingsregels is er ook een aantal algemene wijzigingsregels die in dit artikel worden beschreven.

Artikel 9 Overige regels

Deze regels vallen niet onder één van bovenstaand artikel.

4. Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk bevat de regels betreffende overgangsrecht en de slotregel.

Artikel 10 Overgangsrecht

Hier worden de overgangsbepalingen beschreven met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt.

Artikel 11 Slotregel

Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Inleiding

In dit slothoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan beschreven.

7.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid

In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Tevens worden geen wezenlijke waarden in de projectgebieden aangetast en heeft het project geen negatieve milieuhygiënische gevolgen of zijn er belemmeringen van milieuhygiënische aard. Het voorgenomen project is daarmee ruimtelijk uitvoerbaar.

7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.3.1 Vooroverleg

In het kader van het overleg ex artikel 10 Bro is het voorontwerp naar verschillende instanties en instellingen toegestuurd, met als doel een eerste reactie te geven op het voorontwerp. Direct aanwonenden en belanghebben zijn persoonlijk over de ontwikkeling geinformeerd. Reacties van omwonenden in het kader van de gewenste omgevingsdialoog zijn in de bijlagen opgenomen. Inhoudelijke reacties zijn, waar mogelijk, in dit ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Omwonenden die een reactie hebben gegeven op de voorgestelde ontwikkeling zijn vooruitlopend op de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan chriftelijk in kennis gesteld van de wijze waarop met hun inspraakreactie is omgegaan.

Reacties van provincie Noord-Brabant en waterschap De Dommel in het kader van wettelijk vooroverleg zijn in de bijlagen opgenomen. De inspraakreactie van Provincie Noord-Brabant is op onderstaande wijze in dit ontwerpbestemmingsplan verwerkt.

  • In de begrippenlijst is onder 1.56 een definitie voor natuurbegraafplaats opgenomen.
  • De bestaande kippenschuren zijn op de verbeelding niet langer als bouwvlak opgenomen, maar met een aanduiding 'kleinschalige functies in de ehs' binnen de enkelbestemming 'natuur'.
  • Planartikel 4.1. is aangevuld met de aanduiding 'kleinschalige functies in de ehs';
  • De vorm van het bouwvlak met de enkelbestemming wonen wordt gewijzigd, de oppervlakte verandert nadrukkelijk niet. Dit is zowel in de toelichting als op de verbeelding verwerkt. De oppervlakte van het bouwvlak met de bestemming wonen is op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan gelijk aan de omvang van het bouwvlak op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan.
  • Het terrein is momenteel niet openbaar toegankelijk en zal dat ook in de toekomst niet zijn.
  • Een deel van het bouwvlak ligt binnen de provinciale EHS. Het ontwerpbestemmingsplan gaat gepaard met een verzoek tot herbegrenzing van de EHS. De omvang van de uitsparing in de EHS is gelijk en daarom is geen compensatie vereist.
  • Als basis voor het verzoek tot herbegrenzing EHS is op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan een "gebiedsaanduiding: overig - verwijderde EHS" en een "gebiedsaanudiing: overig - in het kader van natuurcompensatie te ontwikkelen EHS" opgenomen.
  • In de planregels is de maximale maatvoering opgenomen voor bouwwerken, die zijn aangeduid als "specifieke vorm van natuur - kleinschalige functie in de EHS". Uitbreiding van deze bouwwerken is op basis van deze regels niet mogelijk.
  • In het voorontwerpbestemmingsplan was per abuis opgenomen dat sprake zou zijn van een nieuwe kantoorfunctie. Deze functie wordt in het ontwerpbestemmingsplan niet langer mogelijk gemaakt.
  • Het voorontwerpbestemmingsplan maakte in artikel 8 de realisatie van kleinschalige reclameaanduidingen, respectievelijk de oprichting van bouwwerken tot maximaal 40 meter mogelijk. Dit is in voorliggend ontwerpbestemmingsplan niet langer het geval.
  • Het bestaande padenstelsel blijft behouden en wordt niet gewijzigd. De toerit naar de woning wordt voorzien van halfverharding om de bereikbaarheid te garanderen. Het toepassen van halfverharding binnen de bestaande padenstructuur heeft geen onevenredig negatieve invloed op bestaande natuurwaarden.
  • In het voorontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat een nieuwe parkeerplaats wordt aangelegd bij de entree van het plangebied. De situering van de parkeerplaats is in het ontwerpbestemmingsplan verplaatst naar het centraal gelegen bouwvlak. De aanleg van parkeerplaatsen heeft hier geen onevenredig negatieve invloed op natuurwaarden. Er vindt geen boskap plaats.
  • Voor het venherstel wordt op een oppervlakte van ongeveer 5000 m2 het bomenbestand gedund. De uitvoering van de plannen wordt op basis van een Definitief Ontwerp en een aanvraag omgevingsvergunning in overeenstemming met de boswet gebracht.
  • In voorliggend ontwerpbestemmingsplan is niet langer sprake van een vergroting van het bouwvlak. De hieruit volgende kwaliteitsverbetering is niet langer aan de orde.
  • Ook met aftrek onderzoekskosten, kosten voor vergunningen en kosten voor boskap wordt voldaan aan de basisinspanning, die op grond van de Landschapsinvesteringsregeling De kempen wordt vereist.
  • Het begrip attentiegebied EHS is als begripsbepaling in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen.
  • Het ontwerpbestemmingsplan is in artikel 5.2 in overeenstemming gebracht met artikel 12.1 2e lid VR.
  • Op basis van het uiteindelijke bouwplan wordt binnen het plangebied een infiltratievoorziening getroffen voor de infiltratie van een neerslagoverschot.
  • De plantoelichting is aangevuld ten aanzien van de aanduidingen 'aardkundig waardevol' en 'cultuurhistorisch vlak' op grond van artikel 21 en 22 Vr. De waarden van deze aanduidingen worden door het planologisch regime in het ontwerpbestemmingsplan beschermd.
  • Planartikel 10.1 ten aanzien van mantelzorgvoorzieningen is gewijzigd op een manier dat ook bij een leeftijd van boven de 65 jaar sprake moet zijn van een mantelzorgindicatie.

De inspraakreactie van waterschap De Dommel is op onderstaande wijze in dit ontwerpbestemmingsplan verwerkt.

  • Gewijzigd uitgangspunt in het ontwerpbestemmingsplan is dat het totaal aan nieuw verhard oppervlak (circa 1080 m2) wordt afgekoppeld. Als onderdeel van de vergunningaanvraag wordt daarom voor 50 m3 aan infiltratievoorziening getroffen.
  • Het venherstel betreft het verwijderen van bagger en slib, alsmede het dunnen van de aangrenzende houtopslag. de vennen worden niet uitgediept of vergroot. een onderzoek naar de hydrologische effecten is om die reden niet noodzakelijk.
  • Aan artikel 1.73 "waterhuishoudkundige voorzieinng" is het begrip "infiltratievoorziening" toegevoegd.
  • in artikel 3.4.1 is opgenomen dat er sprake is van strijdig gebruik als de compenserende waterbergring niet is gerealiseerd en in stand gehouden.

7.3.2 Zienswijzen

Met ingang van 10 december 2015 heeft het ontwerpbestemmingsplan met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Dit is op 9 december 2015 gepubliceerd in het Oirschots weekjournaal, de Staatscourant en de gemeentelijke website. Tijdens deze termijn van terinzageligging zijn 3 schriftelijke zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijzen zijn samengevat opgenomen en beantwoord in bijgevoegde 'Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Kromvensedijk 7 in Middelbeers'.

7.4 Economische uitvoerbaarheid

Het project betreft een particulier initiatief. Voor de activiteiten die worden uitgevoerd geldt dat de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk is voor de financiering van deze ontwikkelingen.

Het herzieningsplan leidt niet tot kosten voor de gemeente die via een exploitatieplan verhaald zouden moeten worden. Voor de benodigde procedure worden leges geïnd en via een overeenkomst is geregeld dat alle eventuele planschade op de initiatiefnemer wordt verhaald. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd. Het financiële risico van het project ligt bij de initiatiefnemer.

7.5 Conclusie

Zoals uit voorgaande paragraven blijkt is het voorgenomen project ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaar