direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Ruimte voor Ruimte Broekstraat ongenummerd Oirschot
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Broekstraat ongenummerd Oirschot" van de gemeente Oirschot.

1.1.1 Aanleiding

Vanwege de veranderende marktomstandigheden is er behoefte aan een nieuwe verkaveling die realisatie van drie Ruimte-voor-Ruimte-woningen mogelijk maakt. Het vigerende bestemmingsplan staat twee woningen toe. Hiertoe is een nieuw bestemmingsplan nodig. De planologische impact van voorliggend bestemmingplan is gering, omdat de ontwikkeling van de derde woning binnen de vigerende woonbestemming wordt gerealiseerd.

1.1.2 Doel

Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een actueel bestemmingsplan op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan biedt de ruimte voor de verwachtingen in de komende tien jaar.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie H, nummer 535

De oppervlakte van het plangebied bedraagt 11.696 m² (1,17 hectare). De gronden zijn eigendom van Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (ORR).

NB Deze oppervlakte is gemeten op basis van de digitale kadastrale kaart en kan afwijken van de oppervlakte zoals deze is opgenomen in het formele kadastrale bericht. De oppervlakte in het kadastrale bericht is leidend, maar om praktische redenen is in dit rapport de meetbare oppervlakte van de digitale kadastrale kaart aangehouden.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Buitengebied fase II 2013":

  • vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 18 juni 2013;

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Binnen het plangebied zijn de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' van toepassing. Binnen de bestemming 'Wonen' geldt een bouwaanduiding die een grotere inhoudsmaat toestaat. Tevens ligt het plangebied binnen de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 3 en Waarde Archeologie 4'. De zuidwest hoek van het plangebied ligt deels in de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'.

Daarnaast ligt het plangebied binnen de volgende gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen hebben geen consequenties voor onderhavig plan:

  • bebouwingsconcentratie 1;
  • groenblauwe mantel;
  • reconstructiewetzone - iv nee tenzij;
  • reconstructiewetzone - verwevingsgebied.

Toetsing van het plan aan het vigerende bestemmingsplan

De voorgenomen ontwikkeling past niet rechtstreeks binnen het vigerende bestemmingsplan. Het plan voorziet in drie woningen, terwijl het vigerende bestemmingsplan slecht twee woningen toestaat.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk betreft de gebiedsanalyse van het plangebied en de omgeving. In bijlage 1 is de bestaande toestand weergegeven. De hiernavolgende afbeelding, geeft de ligging van het plangebied in de directe omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0004.jpg"

DIRECTE OMGEVING

2.1 Ontsluiting

Het plangebied ligt in het buitengebied van Oirschot op ongeveer 3 kilometer ten noordwesten van de kern. Vanuit Spoordonk loopt de Broekstraat naar het noorden en vanaf het kruispunt met de Nieuwedijk in noordwestelijke richting. Kort na deze kruising ligt het plangebied aan de linkerkant van de Broekstraat. De A58 ligt op kleine afstand, maar de dichtstbijzijnde oprit ligt ter hoogte van Oirschot.

2.2 Bebouwing en functies

De omgeving van het plangebied laat zich kenmerken door boerderijen, akkers en weilanden. De doorkijken in dit landschappelijke gebied zijn waardevol en dienen te worden behouden. Aan de Broekstraat en Nieuwedijk bevinden zich bebouwingsconcentraties van boerderijen en woningen in lage dichtheid. In de buurt van het plangebied liggen vier veehouderijen, te weten Broekstraat 14, Broekstraat 17, Broekstraat 18A en Nieuwedijk 1.

De direct aan het plangebied grenzende percelen kennen een verschil in gebruik. De noord- en westpercelen worden gebruikt voor landbouw en zijn omringd door sloten. Aan de west- en oostkant liggen respectievelijk de percelen van Broekstraat 14B en Broekstraat 13B. Aan de zuidkant wordt het plangebied omsloten door de weide van Broekstraat 8. Het plangebied ligt midden in een agrarisch landschap waarin het momenteel zelf in gebruik is als akker.

2.3 Groen en water

Ten westen van het plangebied loopt het beekdal van de Beerze. Langs deze beek bevinden zich de belangrijkste natuurgebieden van Spoordonk. Het plangebied ligt binnen de groenblauwe mantel en de waterbergingszone die verbonden is met het gebied rondom de Beerze. Zo wordt hier het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap gewaarborgd.

Het plangebied zelf wordt omgeven door sloten die tussen de landbouwgronden doorlopen. Aan weerszijden van de Broekstraat staan karakteristieke eikenbomen, die zorgen voor een waardevolle laanbeplanting. De openheid van het landschap en de laanbeplanting geven identiteit aan de omgeving en worden dan ook van waarde geacht voor het gebied.

Hoofdstuk 3 Plan

Na voorgaande inventarisatie en analyse volgt in dit hoofdstuk de beschrijving van het feitelijke plan. Achtereenvolgens inrichtingsschets, bebouwing en functies en verkeer en parkeren.

3.1 Inrichtingsschets

De ruimtelijke structuur is nader uitgewerkt op de inrichtingsschets, zoals weergegeven in bijlage 2. Het plan betreft drie woningen omsloten door het agrarische landschap van het buitengebied. De woningen staan ieder op een noordzuid-georiënteerde kavel ontsloten via de Broekstraat. Elke woning heeft een ander perceelsoppervlak. Hierdoor instaat er variatie in het straatbeeld. De linker en rechter woning hebben beiden een stuk agrarische grond aansluitend op het woonperceel. Aan de kant van de Broekstraat blijven de karakteristieke eikenbomen gehandhaafd.

3.2 Bebouwing en functies

Het plan voorziet in drie woningen van 1 tot 2 bouwlagen met kap. De hoofdgebouwen hebben een inhoud van 1.000 m³ en worden gesitueerd op een afstand van minimaal 15 m tot de as van de weg en 5 m tot het zijdelingse perceelgrens. De woning van de middelste kavel zou haaks op de twee naastgelegen woningen georiënteerd kunnen worden. Zo verandert de oriëntatie en zorgt het samen met de groene voorruimtes voor een afwisselend beeld. Hierdoor sluit het plan goed aan bij de bebouwing in de omgeving.

De bijgebouwen komen achter de voorgevel van de hoofdgebouwen te liggen om een herkenbaar beeld te creëren dat bij de omgeving past. Deze bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd tot een oppervlakte van 240 m².

Voor de te realiseren woningen is er een beeldkwaliteitplan opgesteld, dit plan wordt toegelicht in paragraaf 3.5 Beeldkwaliteitplan.

3.3 Verkeer en parkeren

Ontsluiting
De ontsluiting, voor zowel gemotoriseerd als langzaam verkeer, verloopt via de Broekstraat. Elke kavel heeft een directe ontsluiting op deze straat. De Broekstraat is verbonden met de Spoordonkseweg. Deze weg loopt naar Oirschot en Moergestel waar opritten zijn naar de A58.

Verkeer

Per kavel wordt er gerekend met een verkeersgeneratie van 6,0 motorvoertuigen per dag. Daarmee leidt het plan tot een verkeersaantrekkende werking van 18,0 motorvoertuigen per dag. De Broekstraat heeft voldoende capaciteit om dit aantal te verwerken.

Parkeren

De gemeente Oirschot heeft geen Nota parkeernormen vastgesteld. Derhalve wordt er uitgegaan van twee parkeerplekken per kavel. Hiervoor is voldoende ruimte binnen het plangebied.

3.4 Groen en water

Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond. De bebouwing in de omgeving van de Broekstraat wordt onder andere gekenmerkt door de groene voorruimtes. Door de bebouwing 15 meter van de as van de weg te bouwen, wordt er ruimte gegeven aan het groen. Deze indeling sluit aan bij het karakter van de omgeving en zorgt er voor dat de groene voorruimte van Broekstraat 13B als het ware doorloopt tot en met Broekstraat 14B.

Een ander karaktervol element uit deze omgeving zijn de eikenbomen die aan weerszijden van de wegen in het buitengebied staan. Ook de Broekstraat wordt gekenmerkt door deze eikenbomen. Deze gewaardeerde laanbeplanting van de Broekstraat blijft dan ook behouden.

Het perceel (535) van onderhavig plangebied is aan alle kanten omsloten door watergangen. Door middel van nieuwe doorlopende watergang aan de achterzijde van de kavels wordt overtollig hemelwater afgevoerd naar de watergang gelegen aan de west- en zuidzijde van het plangebied.

3.5 Beeldkwaliteitplan

Het beeldkwaliteitplan dient als leidraad voor het bereiken van een gewenste stedenbouwkundige ruimtelijke samenhang en kwaliteit. De kwaliteit van een stedenbouwkundige ruimte wordt bepaald door de samenhang van de inrichting van de openbare ruimte en de inrichting van de aangrenzende particuliere percelen. Een kwalitatief goede gemeenschappelijke ruimte is ook winst voor het individu. Een mooi huis in een fraaie straat heeft meerwaarde. In bijlage 3 is het beeldkwaliteitsplan voor onderhavig plan opgenomen.

Deze paragraaf wordt afzonderlijk vastgesteld door de gemeenteraad conform artikel 12a van de Woningwet en vormt daarmee een verplichte leidraad voor de welstandstoetsing. Deze paragraaf betreft in alle gevallen een bindende aanvulling op de gemeentelijke welstandsnota.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en de ecologische hoofdstructuur.

Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet in een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is.

Conclusie
Het Barro is niet van toepassing op het plan.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is van toepassing op het plan. Specifiek aandachtspunt is het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, waarin de verplichting is opgenomen om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren: de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij moet achtereenvolgens worden aangetoond dat er een actuele regionale behoefte is (trede 1), of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2), en dat - in geval van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied - de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten (trede 3).

Projecten die minder dan negen woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4720) niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening en aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.1.4 Overig nationaal beleid

Het overige nationale beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Structuurvisie Ruimtelijke Ordening;
  • Verordening ruimte 2014.

Het plan wordt alleen aan de Verordening ruimte 2014 getoetst.

4.2.1 Verordening ruimte 2014

Op 19 maart 2014 is de Verordening ruimte 2014 in werking getreden. Deze Verordening stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

De Verordening maakt onderscheid in structuren en aanduidingen. De structuren zijn provinciedekkend. Afhankelijk van de waarden in of kenmerken van een gebied gelden er één of meerdere aanduidingen.

Het plangebied ligt binnen de structuur 'groenblauwe mantel' en de aanduiding 'Reservering waterberging'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0005.jpg"

UITSNEDE VERORDENING RUIMTE - NATUUR

Voor het plan zijn de volgende artikelen van toepassing:

  • artikel 6.8 - Ruimte-voor-ruimte
  • artikel 14 - Reservering waterberging

Artikel 6.8 - Ruimte-voor-ruimte

In dit artikel worden voorwaarden gesteld ten aanzien van Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkelingen. Zo moet worden voldaan aan de 'Beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006' en moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing.

Artikel 14 - Reservering waterberging

In dit artikel worden voorwaarden gesteld aan bepaalde activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van een reservering. Het gaat om activiteiten met over het algemeen een groot ruimtebeslag die, indien eenmaal gevestigd, moeilijk verplaatsbaar zijn, schadegevoelig zijn en een effect hebben op de (potentiële) ruimte voor waterberging. Paragraaf 5.3.3.4 bevat de verantwoording voor onderhavig plan.

Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan de kaders van de Verordening ruimte.

4.2.2 Beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006

De 'Beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006' heeft tot doel de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door, in afwijking van de regel dat geen burgerwoningen mogen worden toegevoegd aan het buitengebied, op passende locaties de bouw van woningen toe te staan in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen. Op 20 december 2005 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de (aangepaste) "Beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006" vastgesteld.

De beleidsregel bevat zowel voorwaarden voor de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen (sloopregeling) als voor de locaties waar de Ruimte-voor-Ruimte-kavels mogen worden gerealiseerd.

De ontwikkeling van Ruimte-voor-Ruimte-kavels is direct gerelateerd aan concreet te slopen staloppervlak. Voor de sloop van 1.000 m² stallen en de bijbehorende milieuwinst mag één Ruimte-voor-Ruimte-woning worden gebouwd.

Om aan te tonen dat er inderdaad per te ontwikkelen woningbouwkavel 1.000 m² stallen gesloopt zijn, stelt de provincie conform afspraken met de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte dossiernummers ter beschikking voor aanvragen voor sloopsubsidie in het kader van de beëindigingsregeling. De benodigde dossiernummers voor onderhavig plangebied zijn opgenomen in onderstaande tabel.

aanvraagnummer   mestnummer   sloop in m2   toegekende sloop in m2  
4532710   113023286   1.864 m²   1.000 m²  
totaal ingebrachte sloop m2   1.000 m²  

Conclusie

Het plan voldoet aan de 'Beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006'.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Structuurvisie

Door de gemeente Oirschot is op 28 september 2004 de 'StructuurvisiePlus' vastgesteld. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaarten. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0006.jpg"

UITSNEDE STRUCTUURKAART

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0007.jpg"

UITSNEDE STRATEGIEKAART

Het initiatief voorziet in een ontwikkeling binnen de bestaande lintbebouwing. Daarmee sluit het plan aan bij de omgeving. De bomen die momenteel aan weerszijden van de Broekstraat staan, worden niet aangetast zodat de waardevolle laan gehandhaafd blijft.

Conclusie
Het plan past binnen de kaders van de StructuurvisiePlus Oirschot.

4.3.2 Woningbouwbeleid

Het Rijk heeft aan de provincie Noord-Brabant in het kader van de “Ruimte-voor-Ruimte- regeling” extra beleidsruimte toegekend. De provincie Noord-Brabant heeft toestemming de extra te realiseren woningen buiten het woningbouwprogramma te laten. Daarom worden deze extra woningen niet meegenomen in het Woningbouwprogramma.

4.3.3 Overig gemeentelijk beleid

Het overige gemeentelijke beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

Ten behoeve van het bestemmingsplan ´Buitengebied 2010, Oirschot´ is er in 2009 een ruimtelijke onderbouwing geschreven voor twee Ruimte-voor-Ruimte-woningen voor dezelfde locatie als onderhavig plan. Een aantal van de onderzoeken die destijds zijn uitgevoerd, zijn nog steeds bruikbaar voor de voorgenomen ontwikkelingen van dit plan.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Tritium Advies een verkennend

bodemonderzoek uitgevoerd: rapport ''Verkennend bodemonderzoek Broekstraat ong. Oirschot'', d.d. 20 april 2016, 1603/092/BD-01. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4. Tritium Advies concludeert dat de onderzoekslocatie als 'niet-verdacht' kan worden beschouwd. Vanuit milieuhygiënische oogpunt zijn er geen directe belemmeringen c.q. beperkingen ten aanzien van de geplande ontwikkelingen.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.

5.1.2.2 Analyse

Omgevingstype

Het omgevingstype van voorliggend plangebied is 'rustig buitengebied'. De lintbebouwing ter plaatse wordt gekenmerkt door de spreiding van agrarische en andere bedrijvigheid gemengd met woningen.

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Er liggen geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende niet-agrarische bedrijven. Het uitvoeren van een nader onderzoek is niet nodig.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

5.1.3.2 Analyse

Het plan omvat nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes).

Op de Risicokaart is te zien dat in de omgeving van het plan geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd.

Volgens de Netkaart hoogspanningslijnen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft de ter plaatse aanwezige hoogspanningslijn Tilburg-Noord - Best een indicatieve zone van 2 x 80 meter. De drie Ruimte-voor-Ruimte-woningen zullen echter op meer dan 80 meter van deze hoogspanningslijn worden gerealiseerd. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet nodig.

5.1.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

Nabij het plangebied zijn vier veehouderijen gelegen, namelijk Broekstraat 14, Broekstraat 17, Broekstraat 18A en Nieuwedijk 1. In de ruimtelijke onderbouwing, zoals genoemd in paragraaf 5.1, wordt geconcludeerd dat de belangen van omliggende veehouderijen bij ontwikkeling van het plangebied niet worden geschaad. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5.

Er hebben in de loop der tijd geen uitbreidingen of veranderingen plaatsgevonden bij de betreffende vier veehouderijen, noch zijn er nieuwe veehouderijen bijgekomen. Op basis hiervan kan worden gesteld dat bovengenoemde conclusies nog steeds van toepassing zijn.

De geplande woningbouw kan op grond van het aspect geurhinder worden toegestaan.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten.

Verkeerslawaai

Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Broekstraat. In de ruimtelijke onderbouwing, zoals genoemd in paragraaf 5.1, wordt geconcludeerd dat vanaf circa 4 meter van de wegrand de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde blijft. Omdat de situatie sinds 2009 niet noemenswaardig is gewijzigd, wordt aangenomen dat de uitgangspunten en de resultaten van dit onderzoek nog steeds van toepassing zijn voor dit plan.

Aangezien de drie Ruimte-voor-Ruimte-woningen op meer dan 4 meter van de wegrand zullen worden gerealiseerd kan er in het onderhavige geval worden geconcludeerd dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de realisatie van het bouwplan ter plaatse.

Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein of andere bedrijvigheid. Er is geen akoestisch onderzoek naar industrielawaai nodig.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
De (negatieve) effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van de NIBM-rekentool (www.infomil.nl). Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het plan al of niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht.

Op onderstaande afbeelding is het resultaat van de rekentool weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0008.jpg"

BEREKENING MET NIBM -TOOL VAN DE BIJDRAGE EXTRA VERKEER VAN HET BOUWPLAN OP DE LUCHTKWALITEIT

Uit de berekening volgt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van stoffen in de lucht.

Goed woon- en leefklimaat

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:

  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2;
  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10;
  • 25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5;
  • 35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10.

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2015, 2020 en 2030 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan.

Onderstaande afbeeldingen geven de resultaten van de monitoringstool voor de stoffen PM10 en NO2 voor de jaren 2030 weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0009.jpg"

Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Milieueffectrapportage
5.1.7.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn.

5.1.7.2 Analyse

Het plan valt onder de activiteit D-11.2 (De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Omdat de omvang van het plan ruimschoots onder de drempelwaarde van 2000 woningen voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten ligt en gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

5.1.7.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Aardkunde
5.2.1.1 Inleiding

Aardkundige waarden geven inzicht in de natuurlijke ontstaanswijze van het gebied en zijn onvervangbaar. Hoewel deze waarden geen afzonderlijke wettelijke bescherming kennen, is het behoud ervan van belang. De provincie Noord-Brabant heeft hiertoe de bescherming van aardkundig waardevol gebied opgenomen in de Verordening ruimte 2014.

5.2.1.2 Analyse

Het plangebied ligt niet binnen een van de aardkundig waardevolle gebieden als opgenomen in de Verordening ruimte 2014.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect aardkunde vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Archeologie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.2.2 Analyse

Het plangebied ligt binnen de dubbelbestemmingen ''Waarde - Archeologie 3'' en ''Waarde - Archeologie 4''. In de ruimtelijke onderbouwing, zoals genoemd in paragraaf 5.1, wordt geconcludeerd dat voor een deel van het plangebied (zie afbeelding) uit onderzoek is gebleken dat in geen van de boringen indicatoren zijn aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 6. De kans dat er een archeologische vindplaats binnen het plangebied aanwezig is, wordt daarom klein geacht en er wordt gesteld dat er geen vervolgonderzoek nodig is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0010.jpg"

ONDERZOEKSGEBIED ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

Het archeologisch onderzoek is nu beoordeeld door de ODZOB en de conclusie wordt gedeeld. Daarnaast heeft een ophoging op het meest oostelijk gelegen kavel plaatsgevonden en zijn voor dit gehele perceel volgens de ODZOB geen verwachtingswaarden. Vanwege een lage natte ligging, geen eerdere vondsten en de ophoging kunnen de dubbelbestemmingen ''Waarde - Archeologie 3'' en ''Waarde - Archeologie 4'' binnen het woonbouwvlak achterwege worden gelaten. Voor het overige deel van het plangebied blijven de dubbelbestemmingen ''Waarde - Archeologie 3'' en ''Waarde - Archeologie 4'' wel gelden.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Cultuurhistorie
5.2.3.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.3.2 Analyse

Het plangebied ligt aan een cultuurhistorisch waardevolle lijn van redelijk hoge waarde, de Broekstraat. De Broekstraat vormt samen met de andere wegen in de omgeving een samenhangend geheel. Dit soort wegen met waardevolle laanbeplanting geven vorm aan de landschappelijke lijnen van het buitengebied. Voorliggend plan heeft geen gevolgen voor de Broekstraat en tast daarmee geen waardevolle elementen aan.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.4 Natuurwaarden
5.2.4.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren zijn twee wetten van toepassing:

  • de Natuurbeschermingswet 1998, deze beschermt waardevolle natuurgebieden;
  • de Flora- en faunawet, die een soortenbescherming bevat.
5.2.4.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Hiervoor geldt de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

In de PAS is rekening gehouden met een autonome economische groei van 2,5% per jaar. De bouw van woningen behoort tot de autonome groei. Een nadere beoordeling aan de PAS is niet nodig. Het plan heeft geen negatief effect op natuurgebieden.

Soortenbescherming

In de ruimtelijke onderbouwing, zoals genoemd in paragraaf 5.1, is geconcludeerd dat het plangebied geen bijzondere natuurwaarden heeft en dat er vanuit dit oogpunt geen belemmering behoeft te bestaan voor nieuwbouw op het terrein.

Het gebruik van de grond is in de loop der tijd niet veranderd. De huidige situatie is vergelijkbaar met de situatie ten tijde van het onderzoek. Op basis hiervan kan worden gesteld dat bovengenoemde conclusies nog steeds van toepassing zijn.

5.2.4.3 Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
  • Het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap De Dommel

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap De Dommel. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2016-2021
    Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' is een strategisch document. Hierin wordt aangegeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe het waterschap dit wil bereiken. Het plan is afgestemd op het Nationaal Waterplan 2, het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP) en het Stroomgebiedsbeheerplan 2. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021.
  • Brabant Keur
    Voor de beheer gebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water.
    Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen:
    • 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2000 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
    • 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:
      benodigde compensatie (in m³) =
      toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)  
    • 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een watervergunning nodig.
5.3.2.4 Gemeentelijk niveau

Binnen de gemeente Oirschot is het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015 -2019 (vGRP) van kracht. In dit plan staat beschreven op welke wijze de gemeente – nu én in de toekomst – invulling geeft aan haar zorgplicht voor het inzamelen en afvoeren van stedelijk afvalwater. Daarnaast bevat het ook beleid voor de zorg voor hemelwater en grondwater.

De gemeente hoeft alleen te zorgen voor het hemelwater dat in openbaar gebied valt. Het hemelwater dat op particuliere terreinen terechtkomt, valt onder de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar. De eigenaar moet het hemelwater naar het oppervlaktewater of naar de bodem afvoeren, waarbij het water wel schoon is. Pas wanneer het niet redelijk is om van de eigenaar te verwachten dat hij zelf voor de afvoer van het hemelwater zorgt, neemt de gemeente die taak over. De gemeente mag zelf bepalen op welke wijze ze dit doet. Een situatie waarin de perceelseigenaar het gehele perceel verhard heeft, waardoor infiltratie onmogelijk is geworden, is geen reden om een beroep te doen op de gemeentelijke

zorgplicht.

5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1.1) blijkt dat de deklaag voornamelijk bestaat uit matig grof tot fijn zand, onderbroken door leem of zandige klei en veen. De waterdoorlatendheid van de bodem is goed.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Het oppervlaktewater in en nabij het plangebied is weergegeven op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0011.jpg"

OPPERVLAKTEWATER

Binnen de locatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Op een afstand van circa 330 meter ten westen van de locatie stroomt in noordelijke richting de Beerze. Langs alle kanten van het plangebied zijn watergangen gesitueerd.

5.3.3.3 Grondwater

Volgens de wateratlas bedraagt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van de linker woning 0,20 - 0,40 m-mv. De twee rechter woningen liggen in een gebied met een GHG van 0,40 - 0,60 m-mv. Tijdens het bodemonderzoek dat op is uitgevoerd 20 april 2016 is een grondwaterstand van 0,29 m-mv gemeten ter plaatse van de middelste woningen. Op basis van voorgaande beschikbare informatie wordt uitgegaan van een GHG van 0,30 m-mv.

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Uit onderstaande afbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) blijkt dat het plangebied in of nabij een gebied ligt waarin de volgende waterschapsbelangen een rol spelen:

  • Waterberging - reserveringsgebied waterberging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0012.jpg"

UITSNEDE VERORDENING RUIMTE - WATER

Ten aanzien van de aanduiding reservering waterberging moet bij een ruimtelijke ontwikkeling, de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft, verantwoord worden.

Het plangebied ligt aan de rand van het reserveringsgebied. In vergelijking met de rest van het reserveringsgebied ligt het plangebied relatief laag op een hoogte van 11,30 m +NAP. Op onderstaande afbeelding is te zien dat de omgeving van het plangebied op 11,40 m + NAP of hoger ligt. De omliggende percelen hebben (rondom de bebouwing) een verhoogd maaiveld tot minstens 11,80 m + NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPBGBROEKSTRONG-VAST_0013.jpg"

UITSNEDE ALGEMENE HOOGTEKAART NEDERLAND

De beoogde bebouwing van onderhavig plan krijgt eenzelfde ophoging als de omliggende percelen tot minstens 11,80 m + NAP. Deze verhoging leidt tot een ontwateringsdiepte van 0,8 meter en vermindert daarmee de waterbergingscapaciteit. Echter, kijkend naar de omgeving is de invloed op het gehele reservering waterbergingsgebied gering en wordt er volgens het HNO principe ontwikkeld. Het waterbergend vermogen van het reservering waterbergingsgebied blijft behouden.

5.3.4 Hemelwater
5.3.4.1 Verhard oppervlak

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige en nieuwe situatie. De toename van het verhard oppervlak staat in de vierde kolom in vierkante meters (m²).

omschrijving   bestaand   nieuw   toename m²  
verharding   0 m²   1.800 m²   1.800 m²  

De totale toename van de verharding is 1.800 m2.

Per kavel wordt er circa 600 m² aan verharding gerealiseerd.

5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit

Voor de berekening van de bergingscapaciteit wordt de rekenregel uit de Brabant Keur gehanteerd, voor het ontwerp betekent dat:
toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)
600m² x 1,0 x 0,06m¹ = 36 m³ per kavel.

De totale benodigde compensatie (in m³) bedraagt = 108 m³.

5.3.4.3 Ontwerp bergingsvoorziening

Aan de zuidkant van de twee linker kavels en de westkant van de rechter kavel komt een bergingsvoorziening. Deze doorlopende watergang is middels een leegloopvoorziening aangesloten op de bestaande watergang die aan de westkant van het plangebied loopt. Aan de zuidkant wordt de nieuwe watergang aangesloten op de bestaande watergang ten zuiden van het plangebied middels een leegloop- en noodoverloopvoorziening.

Door de hoge GHG (0,30 m-mv) kent de waterschijf voor de waterbergingscapaciteit een geringe hoogte.

Leegloopvoorziening

De watergang krijgt een diepte van 0,6 meter en een breedte van 3,5 meter over een lengte van 150 meter. Het profiel is uitgewerkt in bijlage 7. Met een GHG van 0,30 m-mv wordt de maximale bergingscapaciteit 144 m³. Dit is voldoende voor de benodigde compensatie van 36 m³ per kavel. Middels een leegloopvoorziening met een diameter van 4 cm kan de voorziening voldoende benut worden en wordt deze weer tijdig beschikbaar. Zowel aan de westkant als aan de zuidkant komt een leegloopvoorziening.

Noodoverloopvoorziening

Bij langdurige regen waarbij extreem veel regenwater valt moet overlast bij derden voorkomen worden. Verantwoord moet worden hoe een zogenaamde T=100+10% bui opgevangen wordt, een bui die eens in de 100 jaar voorkomt. De vuistregel bij een dergelijke regenbui is dat er 790 m³ waterberging nodig is per hectare verharding. Voor onderhavig plan betekent dat een watervolume van 1.800m² x 0,079m¹ = 142 m³. Wanneer de waterberging vol is, kan het overtollige water middels een noodoverloop weglopen naar de watergang ten zuiden van het plangebied.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Broekstraat geloosd worden.

5.3.6 Waterkwaliteit

Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.

5.3.7 Conclusie

Het plan voldoet aan het beleid van de gemeente en het waterschap met betrekking tot het water.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd. Dat wil zeggen, zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.

6.1 Behoefte

De veranderende marktomstandigheden hebben er toe geleid de verkaveling van onderhavig plan te herzien. Deze nieuwe verkaveling is reeds vergeven aan belangstellenden en daarmee is de behoefte aan dit initiatief onderbouwd.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.

6.3 Conclusie

Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt:

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (artikel 3 )

De bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' omsluit de bestemming Wonen, en de hiervoor aangewezen gronden zijn bestemd voor instandhouding van de aanwezige landschaps- en natuurwaarden.

Wonen (artikel 4)

Binnen de bestemming 'Wonen' is wonen toegestaan. Per bouwvlak is een woning toegestaan. De maximale goot- en nokhoogtes, als ook de toegestane m² aan- en bijgebouwen zijn in de bestemmingsregels opgenomen. Daarnaast is er een aanvullende regel omtrent het bouwpeil vanwege de ligging in het reserveringsgebied waterberging.

Leiding - Hoogspanningsverbinding (artikel 5)

De met de bestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding aangewezen gronden zijn bestemd voor de instandhouding van de werking van de hoogspanningsverbindingen en het voorkomen van ontwikkelingen onder of nabij deze leidingen.

Waarde - Archeologie 3 (artikel 6)

Binnen het plangebied geldt de bestemming Waarde - Archeologie 3. De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.

Waarde - Archeologie 4 (artikel 7)

Binnen het plangebied geldt de bestemming Waarde - Archeologie 4. De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 8)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 9)
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument.

Algemene afwijkingsregels (artikel 10)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.

Algemene wijzigingsregels (artikel 11)

Dit artikel bevat de mogelijkheid voor burgemeester en wethouder om geringe wijzigingen aan de bestemmingsgrens door te voeren.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 12)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 13)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure op grond van artikel 3.8 Wro. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
  • 2. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 3. Vaststelling door gemeenteraad
  • 4. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties. De reactie van de Provincie Noord-Brabant en het waterschap De Dommel zijn verwerkt.

8.2 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan vanaf 19 januari 2017 6 weken ter inzage gelegen. Dit is op 18 januari 2017 gepubliceerd in het Oirschots weekjournaal, de Staatscourant en de gemeentelijke website.

Tijdens deze termijn van terinzageligging is 1 schriftelijke zienswijze ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. Het verslag van de terinzagelegging en de beantwoording van de ingekomen zienswijzen is opgenomen als bijlage 8.

8.3 Vaststelling door gemeenteraad

Het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Broekstraat ongenummerd Oirschot" is op basis van de nota zienswijze gewijzigd vastgesteld bij besluit van de raad van de gemeente Oirschot, d.d. 26 september 2017.

8.4 Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

Na publicatie van het vastgestelde bestemmingsplan start de beroepstermijn van zes weken. Het vaststellingsbesluit staat open voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.