| Plan: | Buitengebied, herziening Bestseweg 53 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0823.BPBGBESTSEWEG53-VAST |
Aan de Bestseweg 53 heeft initiatiefnemer een tuincentrum. De initiatiefnemer is voornemens om dit tuincentrum uit te breiden met kassen, zodat het mogelijk wordt om een deel van het assortiment dat nu in de buitenlucht wordt aangeboden wordt overdekt. Daarnaast biedt deze uitbreiding de mogelijkheid voor initiatiefnemer om te voldoen aan de wensen van de consument om het assortiment te verbreden. Deze assortimentverbreding betreft in ieder geval de verkoop van dierenartikelen, en de mogelijkheid voor ondergeschikte horeca. In totaal wordt een uitbreiding van maximaal 3000 m2 beoogd aan de zuidzijde van het huidige tuincentrum.
De realisatie van deze uitbreiding is niet mogelijk conform het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied fase II 2013 (vastgesteld 2013-06-18). De gemeente Oirschot heeft op 24 juni 2019 besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan een bestemmingsplanherziening ten behoeve van de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing van het tuincentrum en de aanpassing van de definitie 'tuincentrum'. Deze toelichting voorziet in de ruimtelijke onderbouwing van deze bestemmingsplanherziening.
Het plangebied is gelegen aan de Bestseweg 53 in Oirschot tussen de kernen van Oirschot en Best in, en is kadastraal bekend als de percelen 294, 295, 659 en 660 (sectie N, kadastrale gemeente Oirschot). Het plangebied is in totaal ca. 18.610 m2 groot.
Luchtfoto van het plangebied (bron: Google Earth).
Het geldende bestemmingsplan op de locatie Bestseweg 53 is het bestemmingsplan 'Buitengebied fase II 2013' (vastgesteld 2013-06-18). Binnen dit bestemmingsplan is voor het gehele plangebied de enkelbestemming 'Bedrijf' opgenomen. Ook is voor het gehele gebied een bouwvlak opgenomen. Op dit bouwvlak ligt een tweetal functieaanduidingen: de functieaanduiding 'tuincentrum' en de functieaanduiding 'bedrijfswoning'.
Naast de enkelbestemming ligt op het gehele plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', ten behoeve van de borging van archeologische verwachtingswaarden in de grond. Aan de noordoostzijde en zuidwestzijde zijn kleine delen van het plangebied bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Tenslotte liggen er op het plangebied een aantal gebiedsaanduidingen:
Uitsnede geldend bestemmingsplan met rood omlijnd het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 het plangebied en het planvoornemen nader beschreven. Vervolgens wordt dit planvoornemen in Hoofdstuk 3 getoetst aan de geldende beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In Hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Tenslotte komen in Hoofdstuk 5 de juridische regeling en in Hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke haalbaarheid aan bod.
In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het project beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het project.
Het tuincentrum ligt aan de Bestseweg, die de verbinding vormt tussen de kernen van Best en Oirschot. De planlocatie maakt deel uit van het buurtschap Moleneind, vernoemd naar een windmolen die in het begin van de 14e eeuw aan de rand van de toenmalige heide werd gebouwd. Langs het plangebied zijn een paar landelijke wegen gelegen die naar het zuiden richting het Wilhelminakanaal ontsluiten. Aan deze landelijke wegen, die rondom het plangebied lopen, is sprake van een gemengd gebied, met woonbestemmingen en een enkel agrarisch bedrijf. Ten westen van het plangebied is een partycentrum gevestigd.
Ten westen van het plangebied is de kern van Oirschot gelegen, met dichtstbijzijnd een bedrijventerrein. Ten oosten van het plangebied ligt deels het buitengebied van Oirschot, aansluitend aan het buitengebied van Best en voorts de bebouwde kom van Best, met dichtstbijzijnd de wijken Heivelden en Heuveleind.
Luchtfoto met aanduiding plangebied (Bron: Google Earth Pro)
Het plangebied ligt aan de noordzijde aan de Bestseweg, en wordt ontsloten via de Moleneind, gelegen aan de noordoostzijde van het plangebied. Er is tevens een achteringang van het plangebied aan de weg De Braken. Ten zuiden van deze achteringang staat de bedrijfswoning behorend bij het tuincentrum.
Een groot gedeelte van het noorden van het plangebied doet dienst als parkeervoorziening bij het tuincentrum. Ook is hier de hoofdingang van het tuincentrum te vinden. Het tuincentrum zelf bestaat uit een zevental langwerpig geschakelde kassen, waarvan de middelste de hoofdentree is. Daarnaast staat aan de achterzijde nog een overkapping. Verder achter de kassen staat een open gedeelte van het tuincentrum, waar verschillende buitenplanten verkocht worden. Het assortiment van het tuincentrum bestaat verder voornamelijk uit boomkwekerijproducten, planten en bloembollen.
Het bestaande bebouwde oppervlakte aan gebouwen (alle gebouwen op het perceeloppervlakte aan bebouwing) is ca 3600 m2; het bruto bedrijfsvloeroppervlakte (dat deel van de gebouwen dat daadwerkelijk onderdeel uitmaakt van het tuincentrum) is ca. 3000 m2
Luchtfoto van het plangebied (bron: GeoObeliekViewer)
Aanzicht van het tuincentrum vanaf de Bestseweg (bron: Google Street View)
De beoogde planontwikkeling op de locatie Bestseweg 53 bestaat uit een verdere uitbreiding van het tuincentrum naar de zuidzijde.
Uitbreiding van het tuincentrum (zie noordpijl voor oriëntatie)
Momenteel is aan de zuidzijde sprake van verkoop van tuinartikelen, maar onoverdekt. De planontwikkeling bestaat uit een totale toevoeging van 2982 m2 aan bvo. Deze uitbreiding bestaat uit de realisatie van een verwarmde kas en een viertal koude kassen. Op deze manier kan het assortiment dat het tuincentrum aanbiedt verbreed worden en geheel binnen worden aangeboden. De verwarmde kas bedraagt een oppervlak van 614 m2 aan bvo. Drie van de koude kassen worden gerealiseerd met een bvo van 442 m2 en één koude kas wordt gerealiseerd met een kleiner oppervlak van 253 m2 aan bvo. De kassen worden, net zoals in de huidige situatie, geschakeld gerealiseerd waarbij zoveel mogelijk aangesloten wordt bij de bestaande gevelstructuur in het gebouw.
Aan de westgrens wordt de bouwgrens van de bedrijfsbestemming aangehouden om schuin op de huidige bebouwingsstructuur van het tuincentrum een tweetal overkappingen en een pergola te realiseren. Deze ruimtes worden gebruikt voor een nieuwe functionele invulling, die hierna beschreven wordt. Hieronder zijn de onderdelen van de uitbreiding en hun respectievelijke oppervlakte aan bvo uitgesplitst.
Als gevolg van de omgevingsdialoog is het bouwplan aan de zuidzijde voorzien van afgeknotte kopgevels, zoals die ook zijn toegepast aan de voorgevel..
Onderdelen van de uitbreiding van het tuincentrum met oppervlakte per onderdeel
Impressie bestaande situatie
Impressie nieuwe overkapping (met afgeknotte kopgevels)
Impressie afgeknotte kopgevels (zoals ook is toegepast aan de voorzijde van het tuincentrum)
Functionele invulling
Het planvoornemen voorziet voornamelijk in extra binnenpandse opslagruimte door de realisatie van een vijftal kassen. Hiermee worden artikelen die nu nog buiten (overkapt) zijn opgeslagen, binnen aangeboden aan bezoekers.
Met de uitbreiding van het tuincentrum is er echter ook de wens om het assortiment van het tuincentrum te verbreden en overdekt aan te kunnen bieden. Deze wens ligt in de verbreding van het aanbod door de verkoop van dierenartikelen. Hiervoor zal maximaal 600 m2 nodig zijn. Ook wil het tuincentrum door middel van de horeca ruimte bieden voor ondergeschikte horeca voor bezoekers van het tuincentrum. Deze ondergeschikte horeca bedraagt maximaal 300 m2. Deze ontwikkelingen in het functieaanbod blijven ten allen tijde ondergeschikt aan de huidige detailhandel van boomkwekerijproducten, planten en bloembollen.
Landschappelijke inpassing
De uitbreiding van het tuincentrum vraagt aan de zuidzijde om landschappelijke inpassing. Deze landschappelijke inpassing vindt plaats door behoud van de aan de westgrens gelegen haag en van het toevoegen van groen in de vorm van een struweel van bosplantsoen aan de zuidgrens van de bedrijfskavel. Hierbij wordt aangesloten op de bestaande bomenrijen aan de Wevershoek. De landschappelijke inpassing is bijgevoegd als Bijlage 1 bij deze toelichting.
De planontwikkeling voorziet in een uitbreiding van 2982 m2 ter plekke van een enkelbestemming 'Bedrijf'.
Op deze enkelbestemming is de functieaanduiding 'tuincentrum' gelegen. Ter plekke van deze aanduiding is conform artikel 6.1 een bebouwingsoppervlakte van 3.620 m2 toegestaan, wat de huidige bebouwde oppervlakte van alle gebouwen op het perceel betreft.
Uitbreiding van het tuincentrum is hiermee binnenplans niet toegestaan. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. In deze herziening dient inzichtelijk gemaakt te worden dat de planontwikkeling past binnen de geldende beleidskaders, en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot milieu- en omgevingsaspecten. Deze aspecten komen in de volgende hoofdstukken aan bod.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Ook wordt aangegeven hoe de ontwikkeling zich verhoudt met het beleid van de gemeente Oirschot zelf.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het Rijk opgesteld in het kader van de nieuwe Omgevingswet, die per 1 januari 2022 in werking treedt. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:
Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes:
Met het bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden voor het tuincentrum om uit te breiden. Met deze uitbreiding kan het tuincentrum haar bedrijfsvoering verder exploiteren en is sprake van een toekomstbestendige doorontwikkeling. Hiermee wordt voorkomen dat in de toekomst er sprake is van leegstand op deze locatie. Het planvoornemen ligt hiermee in lijn met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen met het oog op een goede ruimtelijke ordening.
Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit betreft onder meer het Nationale Natuurnetwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
De planontwikkeling ligt binnen het obstakelbeheergebied van militaire vliegbasis Eindhoven, gelegen ten zuiden van het plangebied. Dit betekent dat er, ter plekke van de planlocatie, een maximale bouwhoogte opgenomen is. Het obstakelbeheergebied is vertaald in het bestemmingplan 'Buitengebied, geconsolideerde versie 2020' met de gebiedsaanduiding 'luchtverkeerszone'. In artikel 39.2.2 is in de bouwregels opgenomen dat er ter plekke van deze gebiedsaanduiding geen bouwwerken mogen worden gebouwd met een bouwhoogte hoger dan 40 meter.
De planontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een tuincentrum, waarbij de bouwhoogte fors lager is dan 40 meter. De gebiedsaanduiding 'luchtverkeerszone' wordt overgenomen in de verbeelding en regels van onderhavig bestemmingsplan. Gelet op dit levert het Barro geen belemmeringen op voor het planvoornemen.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de ‘motivering duurzame verstedelijking’ (voormalige ladder) opgenomen. Dit stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken.
Per 1 juli 2017 zijn een aantal wijzigingen op de eerdere ladder van kracht geworden. Op basis van deze gewijzigde tekst geldt in het geval dat het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dat de toelichting een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte tevens een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Het begrip stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".
Het voornemen betreft de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met een oppervlakte van ca. 3.000 m2. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het plan getoetst aan de Ladder van duurzame verstedelijking. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3 bij de toelichting. Dit onderzoek, uitgevoerd door Stec Groep BV, beschrijft het ruimtelijk verzorgingsgebied van het tuincentrum ten opzichte van overige tuincentra in de omgeving. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat in de nabije omgeving geen tuincentra van een zelfde orde van grootte aanwezig zijn.
Naast de conclusie dat het tuincentrum niet in het zelfde verzorgingsgebied opereert als een ander tuincentrum in dezelfde orde van grootte, wordt in het onderzoek ook geconcludeerd dat er per definitie sprake is van een kwalitatieve trend van schaalvergroting binnen de branche van tuincentra. Dit zorgt ervoor dat tuincentra met een gemiddelde of te kleine omvang in de concurrentiestrijd met grote tuincentra zich ikn toenemende mate specialiseren om te kunnen overleven. Dit betekent dat omzetten bij middelgrote tuincentra, zoals het tuincentrum aan de Bestseweg, onder druk komen te staan. Tuincentra moeten daarom investeren in de toekomst om de bedrijfsvoering duurzaam te versterken.
De opschaling van het tuincentrum voorziet enerzijds in een noodzakelijke kwaliteitsverbetering (buitenopslag en (uit)stalling naar binnen) en anderzijds in het en zorgt voor een toekomstbestendige ontwikkeling. Hiermee ligt het planvoornemen in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Noord-Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.
De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
Onderhavig ontwikkeling draagt bij aan de opgave Brabant als slimme netwerkstad, door het toekomstbestendig maken van de bestaande bedrijfslocatie. Het toekomstbestendig maken van de bedrijfslocatie is van belang voor een concurrerende economie en het zorgvuldig ruimtegebruik. Daarmee leidt voorliggend plan tot een verbeterde omgevingskwaliteit en past het plan binnen de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerde Staten de Structuurvisie RO 2010 - partiële herziening 2014 vastgesteld, die op 19 maart 2014 in werking is getreden. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid weer tot 2025.
In de structuurvisie is het landelijk gebied opgedeeld in vier ruimtelijke structuren. Dit zijn:
De zonering is bepaald voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de diverse functies in het buitengebied zoals landbouw, natuur en recreatie, voor zover deze het provinciaal belang aangaan.
Uitsnede structurenkaart met ligging van het plangebied
De betreffende locatie is gelegen in het landelijk gebied, met als specifieke aanduiding 'Gemengd landelijk gebied'. Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies.
De provincie wil in het landelijk gebied volgende speerpunten bereiken:
In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden.
Met het voornemen vindt de uitbreiding plaats van een bedrijfslocatie in het buitengebied. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een niet-agrarische functie en richt zich (voornamelijk) op de inwoners van zowel Oirschot als Best. De uitbreiding past binnen de gemengde plattelandseconomie en zorgt voor een versterking van de gebiedskwaliteiten. Daardoor past het plan binnen de Provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 11 maart 2022 de ‘Wijziging Interim omgevingsverordening – actualisatie april 2022’ vastgesteld. Op 3 maart 2023 is de ‘Interim omgevingsverordening- regelwijziging 4’ vastgesteld. Deze wijziging is op 21 maart 2023 in werking getreden.
In deze planologische verordening zijn regels opgenomen voor verschillende ruimtelijke en planologische onderwerpen, waar de gemeenten rekening mee moeten houden bij het opstellen van bestemmingsplannen. De voor de ontwikkeling relevante onderwerpen, die worden geregeld zijn:
De Interim Omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
De Interim omgevingsverordening wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de Interim omgevingsverordening aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse omgevingsvisie en worden meer mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de omgevingsverordening in plaats van middelvoorschriften doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een 'ja, mits - benadering'.
Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met ligging van het plangebied
In deze paragraaf wordt ingegaan op de diverse onderdelen uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant die relevant zijn voor het plangebied. In de bovenstaande afbeelding is te zien dat onder andere het werkingsgebied 'Gemengd landelijk gebied' geldt. De locatie ligt niet in de 'Groenblauwe mantel' en in het 'Natuur Netwerk Brabant'.
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een tuincentrum als volgt gedefiniëerd:
'bedrijf, geheel of in overwegende mate gericht op detailhandel van boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, kamerplanten, artikelen voor de aanleg en het onderhoud van de tuinen alsmede tuininrichtingsartikelen en aanverwante artikelen zoals bloempotten, vazen, plantenbakken en dergelijke.
Een tuincentrum moet voldoen aan deze definitie. Zoals in 2.3 gesteld, is er de wens om naast de bovenstaande definitie een breder assortiment aan te bieden op de locatie, waaronder de verkoop van dierenartikelen en de realisatie van ondersteunende horeca.
Voor uitbreiding van niet-agrarische bedrijven zijn de generieke provinciale basisprincipes in art. 3.5 t/m 3.9 (zorgvuldig ruimtegebruik waaronder toets aan de ladder van een duurzame verstedelijking, lagenbenadering, meerwaardecreatie waaronder de in het buitengebied verplichte kwaliteitsverbetering van het landschap)
Het tuincentrum is een bestaande niet-agrarisch functie in Landelijk gebied, waaraan op basis van artikel 3.71 IOV een redelijke uitbreiding kan worden toegekend.
Artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied
Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die:
a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen;
b. een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten;
c. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
1.een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
2.welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
3.hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
Met het planvoornemen kan gesteld worden dat er sprake is van een uitbreiding, in de vorm van een overkapping van de reeds als verkoopruimte ingezette gronden, waardoor het tuincentrum voornamelijk de mogelijkheid krijgt om op locatie meer artikelen overdekt op te slaan. Met deze uitbreiding wordt tevens het aanbod van assortiment uitgebreid. In alle redelijkheid kan verondersteld worden dat deze uitbreiding van het assortiment (zoals genoemd in 2.3) passend is binnen de kaders van een tuincentrum. Met uitvoering van het planvoornemen zijn geen directe verkeers- en vervoersvoorzieningen noodzakelijk, gezien het enkel een uitbreiding betreft die voorziet in binnenopslag/verkoop en een ondergeschikte uitbreiding van het assortiment.
Gewenste ontwikkeling van het gebied
De locatie aan de Bestseweg 53 is opgenomen in het Oirschots kwaliteitsmenu, en ligt binnen de bebouwingsconcentratie Bestseweg/Heersdijk.
Afbeelding visie Oirschots kwaliteitsmenu (locatie ligt binnen blauwe cirkel)
In de visie zijn geen specifieke randvoorwaarden gesteld aan de locatie. Wel wordt geoordeeld dat de visuele relatie tussen het noordelijke en zuidelijke deel van de Bestseweg niet zodanig is dat van grote landschappelijke waarde kan worden gesproken. Het uitbreiden van de bebouwing binnen het bestaande bestemmingsvlak past daarmee binnen de kaders van het Oirschots kwaliteitsmenu.
Verbetering van kwaliteit
Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap
In artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening is de instructie opgenomen, dat een ruimtelijke ontwikkeling gepaard dient te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied. (lid 1)
Lid 2 bepaalt het volgende:
Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:
Met de afspraken uit het regionaal overleg wordt de Landschapsinvesteringsregeling de Kempen (LIR) bedoeld. Voor de kwaliteitsverbetering van het landschap moet het plan voldoen aan de LIR.
Betreffende ontwikkeling valt in categorie 3 waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro's. Er is een berekening gemaakt waaruit blijkt wat het bedrag is dat minimaal geïnvesteerd moet worden in kwaliteitsverbetering van het landschap.
Indien een fysieke bijdrage niet mogelijk is of indien de fysieke bijdrage onvoldoende is om de benodigde investering volledig te kunnen uitvoeren, kan een financiële bijdrage worden gestort in het gemeentelijk landschapsfonds.
voor de onderbouwing van de investering is een maatwerkonderzoek opgenomen. Hierin is gekeken naar de specifieke situatie en op basis van marktkennis en ervaring elders, een onderbouwing van de benodigde investering opgenomen. Bijlage 6 Onderbouwing doorrekening LIR
De berekening kwaliteitsbijdrage is opgenomen in 5 Berekening bijdrage kwaliteitsverbetering. Voor de bijdrage kwaliteitsverbetering wordt uitgegaan van de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen/bomen van enige omvang , waardoor direct zorg gedragen kan worden voor een kwalitatieve hoogwaardige en zichtbare inpassing (hogere investering), Dit in plaats van de toepassing van de STILA.; de uitgangspunten van de STILA gaan uit van 'jonge 'aanplant, waardoor de ontwikkeling/groei van het groen substantieel meer tijd in beslag neemt, waardoor de kwaliteit van de inpassing pas na jaren zal worden ervaren.
In 2011 is de Toekomstvisie 2030 door de gemeente Oirschot vastgesteld. Deze toekomstvisie formuleert een visie en ambities om goede (ruimtelijke) keuzes te kunnen maken voor de toekomst. De toekomstvisie formuleert een drietal ambities voor de gemeente Oirschot tot 2030:
In 2030 zijn toerisme en recreatie, Oirschot als integraal onderdeel van de ambitie van Brainport 2020 en zorg de belangrijkste economische pijlers. Dit betekent niet dat andere bedrijvigheid wordt uitgesloten. Bij iedere vorm van economische ontwikkeling staan kwaliteit en professionaliteit voorop met een goede inpassing of versterking van het groene en cultuurhistorische karakter van Oirschot.
Onderhavige ontwikkeling speelt in op de ambitie voor een kwalitatieve en groene gemeente door het versterken van de economische positie van het bedrijf. Daarnaast wordt invulling gegeven aan een groene gemeente door het landschappelijke inpassen van de bedrijfslocatie, wat zorgt voor een verbetering van het groene karakter van Oirschot. Daarmee past het voornemen binnen de Toekomstvisie Oirschot 2030.
In 2004 heeft de gemeenteraad van Oirschot de StructuurvisiePlus vastgesteld. Op 12 juli 2011 heeft het college besloten tot een sobere en doelmatige actualisering van de StructuurvisiePlus. In de structuurvisie is het ruimtelijk beleid van de gemeente Oirschot gebundeld en met elkaar in verband gebracht. Ruimtelijke initiatieven worden aan dit beleid getoetst.
De vastgestelde ruimtelijke en functionele kwaliteiten en de gesignaleerde ontwikkelingskansen vormen de basis voor de verdere gemeentelijke beleidsvorming. In de structuurvisie zijn de volgende doelstellingen geformuleerd:
Uitgangspunt bij alle toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen zijn behoud en herstel van cultuurhistorie duurzaam omgaan met watersystemen en zuinig en waar mogelijk meervoudig ruimtegebruik.
Uitsnede Strategiekaart buitengebied met ligging van het plangebied (zwart)
Op bovenstaande afbeelding is de omgeving van het plangebied aangeduid als 'Jonge heideontginningen'. De gebieden die deel uitmaken van de jonge heideontginningen hebben een grootschalig en open karakter. Dit komt voort uit de optimalisering in een vrij recent verleden ten behoeve van gunstige productieomstandigheden (verkaveling, ontwatering) voor de landbouw. Door de 'opschoning' van het landschap zijn karakteristieke open gebieden met incidenteel grootschalige landbouwbedrijven ontstaan.
Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakend (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder.
De planontwikkeling betreft de uitbreiding van een tuincentrum aan de Bestseweg 53. Met deze planontwikkeling worden er geen nieuwe hindergevoelige objecten mogelijk gemaakt. Er hoeven dus omtrent het aspect bedrijven- en milieuzonering geen hindergevoelige objecten getoetst te worden op hinderveroorzakende objecten in de omgeving. Wel wordt met het planvoornemen een bestaand bedrijf en hinderveroorzakend object uitgebreid. Deze uitbreiding vindt plaats binnen de huidige bedrijfsbestemming aan de Bestseweg.
Het plangebied ligt binnen het buurtschap Moleneind, dat door de verscheidenheid van woonbestemmingen, bedrijfsbestemmingen, horecabestemmingen en agrarische bestemmingen aangemerkt kan worden als gemengd gebied.
Aan de westzijde van het plangebied ligt aan de Bestseweg 52 een horecabedrijf (partycentrum/restaurant). Dit horecabedrijf ligt op een afstand van ca 10 m van het tuincentrum. De uitbreiding van de overkappingen van het tuincentrum heeft geen milieukundig gevolg voor het gebruik van het horecabedrijf.
Aan de noordzijde, aan de andere kant van de Bestseweg ligt op een afstand van ca. 40 m aan de Bollen 1b een houtbewerkingsbedrijf. Ook voor dit bedrijf geldt dat er geen specifieke veranderingen zijn ten opzichte van de bestaande milieueffecten. De overige bedrijven in de omgeving liggen op een afstand van minimaal 300 m.
Het tuincentrum zelf kan conform de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals als bijlage toegevoegd aan de regels van het geldend bestemmingsplan, worden aangemerkt als 'Groothandel in bloemen en planten', milieucategorie 2. Gelet op de ligging binnen een gemengd gebied kan deze milieucategorie één stap verkleind worden naar milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 meter. Dichtstbijzijnde woonbestemming is gelegen ten zuiden van het plangebied; de richting waarnaar het tuincentrum wordt uitgebreid. Gezien de uitbreiding binnen de bestaande bedrijfsbestemming valt, en de woning aan de Braken 2 op een afstand groter dan 10 meter ligt dan de beoogde uitbreiding van het tuincentrum, kan er gesteld worden dat er ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Om deze reden kan de bodemkwaliteit nader worden beschouwd door middel van een verkennend bodemonderzoek bij realisatie van het planvoornemen.
Het planvoornemen voorziet niet in een planologische functiewijziging: de uitbreiding van het tuincentrum wordt beoogd binnen de bedrijfsbestemming. Er is geen verontreiniging ter plaatse van de gronden bekend. Dit betekent dat een (verkennend) bodemonderzoek niet noodzakelijk is ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan. Wel zal bij het indienen van de bouwplannen aangetoond moeten worden dat er sprake is van een goede bodemkwaliteit.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde 'geluidsgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting. Geluidsbelasting kan conform de Wet geluidhinder uitgesplitst worden over wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai.
Met het planvoornemen wordt de uitbreiding van een tuincentrum mogelijk gemaakt. Dit tuincentrum betreft geen geluidsgevoelig object. Met het planvoornemen wordt bovendien geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. Het aspect geluid heeft hiermee geen relevantie voor het planvoornemen.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderij in de gehele gemeente. Voor niet vergunningverplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbeluit het toetsingskader.
De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting.
Het planvoornemen maakt enkel de uitbreiding van een tuincentrum binnen de bestaande bedrijfsbestemming mogelijk. Hiermee wordt geen nieuwe geurgevoelige functie mogelijk gemaakt in de omgeving. Ook voorziet het plan niet in een geurverstoring op geurgevoelige objecten in de omgeving. Hiermee heeft het aspect geur geen belemmering op het planvoornemen.
Het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf ligt op ca 190 m en ligt aan de Leppers 1.
Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheidbuisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Met het planvoornemen wordt de uitbreiding van een tuincentrum mogelijk gemaakt. Hiermee wordt geen nieuw kwetsbaar object mogelijk gemaakt. Ook vindt er geen toename plaats aan het aantal personen dat permanent verblijft op de locatie Bestseweg 53. Gelet op dit levert het aspect externe veiligheid geen belemmering op voor het planvoornemen.
In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.
Indien een project aangeduid kan worden als 'Niet in betekende mate' (NIBM) vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wmb. In het besluit NIBM wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2.
Het planvoornemen betreft de uitbreiding van een tuincentrum op de locatie Bestseweg 53. Zoals gesteld in 4.9 is het niet aan te nemen dat deze uitbreiding van opslagruimte en winkelruimte direct leidt tot een toename aan verkeersgeneratie van en naar het plangebied. Ook worden er met het planvoornemen geen bouwwerken mogelijk gemaakt die de luchtkwaliteit in significante mate verslechteren.
De uitbreiding van de bebouwing van het tuincentrum heeft op geen enkele wijze effect op de gezondheid van de directe omgeving. De bedrijfsvoering wordt niet substantieel anders, de uitbreiding richt zich op het overkappen van reeds in gebruik zijnde verkoopruimten.
Ook zijn er geen veranderde effecten van de omgeving op het tuincentrum; Het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf ligt op ca 190 m en ligt aan de Leppers 1.
Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000- gebieden.
In deze paragraaf worden het aspect gebiedsbescherming en soortenbescherming los van elkaar beschouwd. In de subparagraaf gebiedsbescherming wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van soorten beschermd door de Wet natuurbescherming. In de subparagraaf soortenbescherming wordt ingegaan op de (mogelijke) aanwezigheid van soorten beschermd door de Wet natuurbescherming.
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient te worden onderzocht of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Wet Natuurbescherming ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten mogen niet worden aangetast. Er is nagegaan of het plangebied zich in, of in directe omgeving van, beschermd natuurgebied bevindt (Natuurnetwerk Brabant of Natura 2000).
Natuurnetwerk Brabant
De plangebied zijn niet gelegen binnen gronden behorend bij het Natuurnetwerk Brabant. Dichtstbijzijnde onderdelen van het Natuurnetwerk Brabant zijn de gronden bij het Wilhelminakanaal op 600 meter ten zuiden van het plangebied en de bossen ten noorden van Best op ca. 1,8 km ten noorden van het plangebied. Gezien het plangebied op deze ruime afstand van gronden van het Natuurnetwerk Brabant ligt, zijn er geen aantastingen van instandhoudingsdoelen van deze gebieden te verwachten.
Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Natura 2000
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Kampina & Oisterwijkse Vennen op ca. 6,6 km ten noordwesten van het plangebied (bij Oisterwijk) en Kempenland-West op ca. 7,7 km ten zuidwesten van het plangebied (nabij Wintelre/Vessem).
Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator)
Als een (bouw)project significant negatieve effecten veroorzaakt op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in een Natura2000-gebied als gevolg van stikstofemissie of andere effecten is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist (zie artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming). Om de gevolgen van het voornemen op omliggende Natura2000-gebieden inzichtelijk te maken, is een notitie opgesteld en een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze notitie is bijgevoegd als Bijlage 4 bij deze toelichting.
Uit deze notitie stikstof blijkt dat het bouwplan naar inschatting geen significante stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft.
Het stikstofonderzoek is niet geactualiseerd op basis van de recente nieuwe calculator. In de bijgevoegde berekening is reeds de aanlegfase meegenomen. Voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, en om te kunnen voldoen aan de voorwaarden van de Wet natuurbescherming, is het van belang dat, bij vaststelling van het bestemmingsplan, met zekerheid kan worden gesteld, dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante effecten op de nabijgelegen Natura 2000 gebieden zal hebben. En die zekerheid kan, gezien de afstand van de Natura 2000 gebieden en het karakter van de ontwikkeling (alleen effect bij aanleg) worden gegeven. Bij aanvraag van omgevingsvergunning zal een stikstofberekening worden gevoegd, op basis van de dan meest recente Aeriuscalculator.
Het aspect stikstof levert hiermee geen belemmering op voor het planvoornemen.
Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, dient inzichtelijk te worden gemaakt of en in welke mate beschermde soorten aanwezig zijn in het plangebied.
De planontwikkeling betreft de uitbreiding van een tuincentrum binnen een bestaande bedrijfsbestemming. Hiermee verandert het feitelijk gebruik van de locatie niet, er is enkel sprake van oprichting van meer bebouwing ter plekke van bestaande onoverdekte bedrijfsvoering. Het is daarom niet te verwachten dat er met de oprichting van een uitbreiding van het tuincentrum habitats van beschermde soorten aangetast worden. Een quickscan flora/fauna wordt om deze reden niet nodig geacht.
Wel geldt de algemene zorgplicht, dwz dat als tijdens de werkzaamheden soorten worden aangetroffen, de werkzaamheden moeten worden gestaakt, zodat aanwezige dieren zelf weg kunnen komen. En ingeval er een broedgeval aanwezig is, mogen de werkzaamheden pas worden voortgezet, als de jongen zijn uitgevlogen.
Om een goede ruimtelijke ordening te parkeren, dienen de effecten van het planvoornemen op de aspecten verkeer en parkeren inzichtelijk gemaakt te worden. Momenteel is het tuincentrum ontsloten via twee toegangswegen. De bezoekersingang is aangesloten op de kruising tussen de Bestseweg en De Bollen/Moleneind. De achteringang voor personeel/levering van goederen is verder ten zuiden aan De Braken gelegen.
Met het planvoornemen wordt de binnenruimte van het tuincentrum aan de zuidzijde uitgebreid. Deze ruimte is momenteel al in gebruik ten behoeve van de bedrijfsfunctie, maar dan zonder overkapping. Er verandert dus niets aan de feitelijke bedrijfsvloeroppervlakte. Het is onwaarschijnlijk dat na realisatie van het planvoornemen er sprake is van een directe permanente toename van bezoekers en verkeersgeneratie. Ook is er geen aanleiding om meer parkeerruimte te moeten realiseren. Er verandert verder met realisatie niets aan de infrastructurele ontsluiting van het gebied. Hiermee hebben de aspecten verkeer en parkeren geen relevantie tot het planvoornemen.
Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.
Dit uitgangspunt is vertaald in de Erfgoedwet. Hierin is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.
Naar aanleiding van archeologische verwachtingen of waarden binnen het plangebied is de Archeologische beleidskaart van Oirschot beschouwd, opgesteld door Omgevingsdienst Zuidoost Brabant 2021. Hieruit blijkt dat het gehele plangebied een hoge archeologische verwachting kent. Vanwege deze verwachting kent het plangebied als dubbelbestemming zowel de categorieën 'Archeologie 3' als 'Archeologie 4'. Tevens overschrijdt de uitbreiding de oppervlakte 250 m2. Dit betekent dat, volgens artikelen 24.2 en 25.2 van het geldend bestemmingsplan, er een rapportage nodig is met onderzoek naar de mate van verstoring van archeologische waarden in de bodem door de fysieke inpassingen in het plangebied.
Ten aanzien van de archeologische verwachting heeft Bureau voor Archeologie een bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor de bouwwerkzaamheden aan de Bestseweg 53. Dit verkennend bureau- en booronderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting (d.d. 27 mei 2021). Omdat het plangebied ligt in de landschapszone dekzandvlakte, kunnen in de top van de dekzandlaag archeologische resten voorkomen.
Uitsnede Bestseweg 53, Oirschot, van de archeologische beleidskaart
Teneinde na te kunnen gaan wat de daadwerkelijke ingreep in de bodem is, is nagegaan hoeveel fundatie er nodig is voor het uitbreiden van de kassen.
Totaal wordt er 55,6 m2 aan fundatie gestort in 3 maten poeren A, B, C zoals aangegeven in tekening. De fundatie komt op -/- 75 cm onder maaiveld De gaten worden gegraven met een smalle lepel van 0,35 of 0,5 m breed.
Conform het gemeentelijk beleid mag de bodemingreep niet groter dan 250 m2 én dieper dan 0,30 m zijn. Met deze bouwwijze blijft 250-56 = 194 m2 onder de grens opgenomen in de dubbelbestemming. Daarmee is volgens de archeoloog sprake van archeologie-vriendelijk bouwen..
Voor de landschappelijke inpassing zal ook rekening worden gehouden met de in de dubbelbestemming opgenomen grens.
Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Historische ontwikkeling van de omgeving van het plangebied (Bron: TopoTijdreis)
Gelet op de historische ontwikkeling heeft het plangebied gedurende de 20e eeuw aan de Bestseweg gelegen, die de doorgaande weg vormde tussen de kernen van Oirschot en Best. Vooral Best heeft in de tweede helft van de 20e eeuw een grote stedelijke ontwikkeling meegemaakt. Dit, gecombineerd met de bedrijventerreinontwikkeling aan de oostzijde van Oirschot, heeft er voor gezorgd dat het agrarische gebied tussen de twee kernen steeds verder verdund is.
Ten zuiden van het gebied is de directe toegang naar de Oirschotse Heide, die tegenwoordig gebruikt wordt als militair oefenterrein, door twee verkeersaders afgesloten van de omgeving van het plangebied. Enerzijds is dit de aanleg van het Wilhelminakanaal in de periode 1920-1930, anderzijds de aanleg van de A58 in de jaren '60.
Om de cultuurhistorische waarde van het plangebied en haar omgeving te beschouwen, is de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Cranendonck, Oirschot en Reusel-de Mierden geraadpleegd. Het buurtschap Moleneind, waarbinnen het plangebied gelegen is, betreft een buurtschap met een cultuurhistorisch waardevolle structuur. In deze waardenkaart is de kern van het buurtschap aangewezen als cultuurhistorisch waardevolle huizengroep. De bedrijfswoning, gelegen binnen het plangebied, maakt hier deel van uit. Daarnaast is het plangebied door cultuurhistorisch waardevolle lijnstructuren. De Braken en de Wevershoek zijn straten van voor 1830, en de Bestseweg betreft zelfs een restant van een Middeleeuwse hoofdweg.
Met het planvoornemen wordt een uitbreiding van het tuincentrum binnen de huidige bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt. Hiermee blijven de historische kern van het buurtschap Moleneind en de waardevolle lijnstructuren van de wegen rondom het plangebied behouden. Gezien de uitbreiding ingesloten ligt tussen het huidige pand van het tuincentrum en het buurtschap Moleneind, wordt er geen verandering aangebracht aan de aangezichten vanaf de verschillende cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Gelet op dit levert het aspect cultuurhistorie geen belemmering op voor het planvoornemen.
Door de plangebieden lopen geen planologisch relevante leidingen. De leidingen vormen dus geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivering van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan.
Bodemopbouw en grondwater: Het plangebied is gelegen op een hoge zwarte enkeerdgrond met lemig fijn zand, BIS-geclassificeerd als zEZ23. Ter plekke van het plangebied is sprake van grondwatertrap V (GHG <40 cm, GLG >120 cm) en een maaiveld van 15,7 - 15,9 m + N.A.P.
Oppervlaktewater: Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Wel wordt het plangebied aan de westzijde begrensd door een watergang. Dit betreft ter plekke van de grens met het plangebied een A-watergang met afwijkende afvoercapaciteit. Deze watergang heeft een beschermingszone van 5 meter.
Uitsnede legger oppervlaktewaterlichamen 2018 Waterschap de Dommel
Hemelwater: Het plangebied is nagenoeg geheel verhard. Deze verharding betreffen de parkeervoorziening aan de noordzijde, het tuincentrum en de verharde buitenopstal aan de zuidzijde van het plangebied. Uitzonderingen op de verharding zijn het perkje aan de noordzijde van het tuincentrum, en de achtertuin van de bedrijfswoning.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Er dient, nog meer dan voorheen, te worden aangepast aan de veranderende leefomgeving en op zoek worden gegaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan kunnen oplossing worden gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit te bereiken. Meer dan voorheen streeft het waterschap daarbij naar:
Brabant Keur
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. Daarnaast zijn in de Keur tevens regels opgenomen ten aanzien van de versnelde afvoer van neerslag van verhard oppervlak middels een verbodsbepaling, algemene en beleidsregels.
In de toekomstige situatie wordt een uitbreiding van 3.412 m2 aan beoogd bij het tuincentrum. Deze uitbreiding betreft een combinatie van kasstructuren en magazijnen. Dit terrein is momenteel al verhard.
Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing is een strook van 6 m aan de achterzijde van het terrein, bestemd tot Groen. Dit betekent dat worden gewaarborgd dat binnen de bestemming Groen, geen verhardingen zijn toegestaan.
Concreet betekent dit een vermindering van het verharde oppervlak van ca. 385 m2. (bestemming Groen)
Wateroverlast: Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundig systeem op de locatie dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en het voorkomen van schade aan de volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers. Zo nodig dient de drooglegging of ontwatering te worden verbeterd (bijvoorbeeld bij lage ligging plangebied of hoge grondwaterstanden). Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlakte waterpeil ligt.
Oppervlaktewater: Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig zoals vastgelegd in de Legger wateren van het Waterschap de Dommel. Ook wordt er met het planvoornemen geen nieuw oppervlaktewater binnen de locaties mogelijk gemaakt. Er verandert dus netto niets aan de situatie binnen of in de nabijheid van de plangebieden met betrekking tot oppervlaktewater.
Hemelwater: Binnen het plangebied is er sprake van uitbreiding van het huidige tuincentrum. Bij deze uitbreiding moet beschouwd worden of er sprake is van een toename aan oppervlakteverharding binnen het gebied. Momenteel is echter ter plekke van de beoogde uitbreiding al sprake van grootschalige verharding van het plangebied. Met de realisatie van een uitbreiding in de vorm van kassen kan hemelwater gemakkelijker afgevoerd worden doordat deze centraal vanaf de daken van de kassen opgevangen kan worden en er niet meer op het (verharde) maaiveld voor afkoppeling gezorgd moet worden.
Bovendien vindt een vermindering van het verharde oppervlak plaats van ca. 385 m2, door het bestemmen van de strook voor landschappelijke inpassing als Groen.
Vuilwater: Afvalwater dient, zoals gebruikelijk, op doelmatige wijze te worden afgevoerd via de riolering. Het water wordt opgevangen en aangesloten op de bestaande rioolleidingen. De gemeente Oirschot maakt met de initiatiefnemers afspraken over de aansluiting op de riolering.
Er kan gesteld worden dat met het planvoornemen geen waterhuishoudkundige belangen in het geding komen. Het Waterschap de Dommel wordt in een vroeg stadium bij de bestemmingsplanprocedure betrokken. Op deze manier kan het aspect waterhuishouding in een vroeg stadium geborgd worden in de bestemmingsplanprocedure.
Het bestemmingsplan Bestseweg 53, Oirschot'' bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van onderhavige toelichting. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangeduid met daaraan gekoppelde regels met betrekking tot bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie en draagt derhalve bij aan de planinterpretatie.
Algemeen toelichting regels
In de regels staan regels voor het gebruik van gronden binnen de bestemming in het plangebied en voor het oprichten en gebruiken van bebouwing op die gronden. De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken.
1. Inleidende regels
Dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel 'begripsbepalingen' waarin is toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is 'Wijze van meten', waarin is aangegeven hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten.
2. Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk betreft een nadere verklaring van de bestemmingen die op de verbeelding zijn aangegeven. De gehanteerde bestemmingen zijn in paragraaf 5.2 kort toegelicht.
3. Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene bepalingen zijn kort toegelicht in paragraaf 5.3.
4. Overgangs- en slotregels
Binnen de overgangsbepalingen is geregeld dat bouwwerken en plannen die (legaal) bestaan op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt, maar die in strijd zijn met het bestemmingsplan, mogen worden herbouwd mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingplan genoemd. Deze naam moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.
Binnen dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen:
Bedrijf: De bestemming 'Bedrijf' blijft de geldende enkelbestemming binnen het gehele plangebied. Nieuwe maatvoering betreffende de omvang van het tuincentrum worden geregeld door het plaatsen van een bouwvlak op de verbeelding. Het bouwvlak is om de bestaande gebouwen en de toe te voegen overkappingen gelegd. De bouwhoogten zijn weergegeven op de verbeelding.
Binnen de regels is ondergeschikte horeca toegestaan (en gedefinieerd in de begripsbepalingen) alsmede is in de begripsbepaling de definitie van Tuincentrum aangepast aan de functionele invulling namelijk inclusief (ondergeschikte) verkoop van dierenbenodigdheden.
Groen: Ten behoeve van de landschappelijke inpassing is een strook van 6 m gelegen diep, gelegen aan de zuidgrens van het tuincentrum, bestemd tot groen.
Waarde - Archeologie 4: De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' blijft behouden. Er is sprake van archeologie - vriendelijk bouwen, waardoor de verstoring niet meer zal bedragen dan 500 m2 en/of niet dieper dan 30 cm.
Waarde - Archeologie 3: De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' blijft behouden op de plekken waar deze geldend was in het bestemmingsplan Buitengebied
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet onderzocht worden of het plan economisch uitvoerbaar is. In een aantal gevallen moet een exploitatieplan worden vastgesteld. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt betreft een initiatief waarbij alle kosten voor rekening komen van de ontwikkelaar. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten betreffende verhaal van exploitatiekosten en eventuele planschade. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Het opstellen van een exploitatieplan is niet nodig. Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen financiële consequenties voor de gemeente.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Een verslag van de gevoerde dialoog en de gevolgen hiervan is opgenomen in Bijlage 7 Verslag omgevingsdialoog.
In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan gezonden aan zowel het waterschap De Dommel als aan de provincie Noord-Brabant, waarbij de gelegenheid is geboden om een reactie te geven op het plan.
Het waterschap had, aangezien er sprake is van een - beperkte - afname van het oppervlakte verharding, geen opmerkingen, en is akkoord.
De provincie Noord-Brabant gaf aan dat de beoogde uitbreiding voorstelbaar is. Wel werd verzocht om een meer onderbouwde en passende beschrijving van het provinciaal beleid, met betrekking tot de voorwaarden voor uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf. Ook was de provincie van oordeel dat de onderbouwing van de berekening benodigde kwaliteitsverbetering diende te worden aangepast. Tot slot verzocht de provincie om concretisering van de mogelijkheden tot de verkoop van dierenbenodigdheden en ondergeschikte horeca, bijvoorbeeld door middel van het opnemen van een oppervlaktenorm.
Het plan is aangepast aan bovenstaande opmerkingen, waarbij dient te worden opgemerkt dat ten behoeve van de de berekening van de kwaliteitsverbetering een nieuwe onderbouwing is toegevoegd. (Bijlage 6 Onderbouwing doorrekening LIR.