Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Bedrijventerrein Eeneind, herziening 2014-1
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0820.BPEeneindHerz20131-D001

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:
  1. plan:
    Het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Eeneind, herziening 2014-1’ met identificatienummer NL.IMRO.0820.BPEeneindHerz20131-D001 van de gemeente Nuenen c.a.
  2. bestemmingsplan:
    De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlage.
  3. aanduiding:
    Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
  4. aanduidingsgrens:
    De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
  5. ABC-goederen:
    Auto's, boten, caravans en daarmee direct samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen.
  6. bebouwing:
    Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
  7. bebouwingspercentage:
    Een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van (het deel van) het bouwvlak, bouwperceel of bouwkavel, dat minimaal moet of ten hoogste mag worden bebouwd.
  8. bedrijf:
    Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen niet daaronder begrepen.
  9. bestaande situatie (bebouwing en gebruik):
    Bij bebouwing: zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
    Bij gebruik van grond en opstallen: zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.
  10. bestemmingsgrens:
    De grens van een bestemmingsvlak.
  11. bestemmingsvlak:
    Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
  12. bijbehorend bouwwerk:
    Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneeel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
  13. bouwen:
    Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
  14. bouwgrens:
    De grens van een bouwvlak.
  15. bouwlaag:
    Een gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een kelder en de ruimte(n) in de kap.
  16. bouwperceel:
    Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
  17. bouwperceelgrens:
    De grens van een bouwperceel.
  18. bouwvlak:
    Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
  19. bouwwerk:
    Elke bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
  20. caravan:
    Een niet-bouwvergunningplichtige ruimte in de vorm van een aanhangwagen, gefabriceerd, ingericht en bestemd voor het genieten van recreatief verblijf elders.
  21. casino:
    Een inrichting als bedoeld in artikel 27g van de Wet op de Kansspelen: een voor het publiek opengestelde of bedrijfsmatig gedreven inrichting, waar door middel van gemeenschappelijk beoefende kansspelen aan de deelnemers de gelegenheid wordt gegeven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, met dien verstande dat speelhallen niet zijn toegestaan, en met hieraan ondergeschikt detailhandel en daarnaast ondersteunende functies zoals kantoren, kleedruimten en magazijnen.
  22. coffeeshop:
    Een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor gebruik ter plaatse of gebruik elders.
  23. dak:
    De gesloten bovenbeëindiging van een gebouw.
  24. detailhandel:
    Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
    Horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen.
  25. detailhandel in volumineuze goederen:
    Detailhandel in brand-, en explosiegevaarlijke stoffen en detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, aanhangwagens, landbouwmachines en -werktuigen, die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de vervaardiging, opslag en uitstraling.
  26. faciliterende dienstverlening:
    Uitsluitend voor op het bedrijventerrein 'Eeneind' gevestigde bedrijven gerichte dienstverlening op het gebied van kopiëren, postverzorging e.d. dan wel beschikbaar stellen van faciliteiten voor vergaderingen, presentaties e.d.
  27. dienstverlening:
    Het bedrijfsmatig verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.
  28. dienstwoning:
    Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is.
  29. escortbedrijf:
    De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.
  30. gebouw:
    Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
  31. gebruiken:
    Het gebruiken, doen en laten gebruiken.
  32. groothandel:
    Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.
  33. hoofdgebouw:
    Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
  34. hoofdvoorgevel:
    De voorgevel van een hoofdgebouw die in de hoofdvoorgevelrooilijn, tevens bebouwingslijn is gelegen.
  35. kampeerauto:
    Een auto, waarin voorzieningen zijn getroffen voor dag- en/of recreatief nachtverblijf.
  36. kantoor:
    Een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard.
  37. kelder:
    Een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0.50 m boven de kruin van de weg, waaraan het bouwperceel is gelegen.
  38. ondergeschikte bouwdelen:
    Bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten het gebouw uitsteken, zoals schoorstenen, windvanen en liftschachten.
  39. onderkomens:
    Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van recreatief buitenverblijf voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.
  40. overig bouwwerk:
    Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
  41. pand:
    De kleinste bij de totstandkoming functioneeel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
  42. parkeerplaats:
    Opstalplaats ten behoeve van één auto.
  43. peil:
    Voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
    In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende terrein.
  44. prostitutie:
    Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding, daaronder begrepen straatprostitutie.
  45. recreatief medegebruik:
    Een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.
  46. risicovolle inrichtingen:
    Een inrichting zoals aangewezen in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
  47. seksinrichting:
    De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
  48. straatprostitutie:
    Het zich op de openbare weg of in een zich op de openbare weg bevindend voertuig beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen tegen vergoeding.
  49. stedenbouwkundig beeld:
    Het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n).
  50. tent:
    Een in hoofdzaak uit textiel of uit andere daarmee vergelijkbare materialen vervaardigd onderkomen voor recreatief dag- en/of nachtverblijf, dat gemakkelijk is op te vouwen en in te pakken.
  51. verblijfsdoeleinden:
    Gronden waarbij de nadruk ligt op het verblijf van personen in het openbaar gebied en die tevens een verkeersfunctie hebben voor fietsers en voetgangers.
  52. verdieping(en):
    De bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondbouwlaag gelegen is/zijn.
  53. voorgevel:
    De gevel van een gebouw, die gekeerd is naar de weg of het openbaar gebied.
  54. voorgevelrooilijn:
    De denkbeeldige lijn die strak loopt langs de gevel(s) die grenzen aan openbare wegen, fiets- en/of voetpaden tot aan de perceelsgrenzen.
  55. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:
    Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, zoals watergangen, waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop.
  56. zakelijke dienstverlening:
    Dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met publieksaantrekkende werking zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, telefoon-/telegraaf-/ telexdienst, makelaarskantoor, fotoatelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, reparatiebedrijf voor muziekinstrumenten, cateringbedrijf, alsmede naar aard en uitstraling vergelijkbare bedrijven.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
  1. de afstand van een gebouw tot een perceelsgrens;
    de afstand van een gebouw tot een perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand in meters van enig punt van het gebouw tot aan de perceelsgrens.
  2. de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de hoofdvoorgevelrooilijn, tevens bebouwingslijn:
    de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de hoofdvoorgevelrooilijn, tevens bebouwingslijn, wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand in meters van enig punt van de voorgevel van het hoofdgebouw tot aan de hoofdvoorgevelrooilijn, tevens bebouwingslijn.
  3. de bouwhoogte van een bouwwerk:
    Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  4. het bruto bedrijfsvloeroppervlak:
    gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw.
  5. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
    de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt bepaald door het in meters meten van het hoogste punt van bouwwerken tot aan het peil.
  6. de inhoud van een bouwwerk:
    Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  7. de oppervlakte van een bouwwerk:
    Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Bedrijventerrein

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. bedrijven met bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels, de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten', met dien verstande dat:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan vanaf categorie 2 tot en met categorie 3.1;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan vanaf categorie 2 tot en met categorie 3.2;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1' bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan vanaf categorie 2 tot en met categorie 4.1;
    4. geluidszoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen als bedoeld in  niet zijn toegestaan;
  2. bedrijven die de qua aard en milieubelasting vergelijkbaar zijn met de bedrijven als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub a;
  3. kantooractiviteiten, echter uitsluitend als onzelfstandig onderdeel van een ter plaatse aanwezig bedrijf, met dien verstande dat maximaal 30% van het bruto bedrijfsvloeroppervlak als bedoeld in artikel 2 sub 4  ten behoeve van deze kantooractiviteiten mag worden gebruikt;
  4. faciliterende dienstverlening;
  5. detailhandel, uitsluitend in de vorm van detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten of detailhandel in volumineuze goederen c.q. ABC-goederen);
  6. opslag, met dien verstande dat:
    1. buitenopslag, uitsluitend is toegestaan achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw;
    2. op ieder bedrijfsperceel voorzien moet worden in voldoende laad- en losruimte op eigen terrein, waarbij de laad- en losplaatsen zo dienen te worden gesitueerd dat het ladend en lossend verkeer kan manoeuvreren en zich kan opstellen op het bouwperceel zelf, zodat het openbaar gebied daarmee niet wordt belast.
  7. voorzieningen ten behoeve van het laden en lossen, met dien verstande dat voorzien moet worden in voldoende laad- en losruimte op eigen terrein, waarbij de laad- en losplaatsen zo dienen te worden gesitueerd dat het ladend en lossend verkeer kan manoeuvreren en zich kan opstellen op het betrokken perceel zelf, zodat het openbaar gebied daarmee niet wordt belast;
  8. water en waterhuishoudkundige voorzieningen en/of groenvoorzieningen;
  9. parkeervoorzieningen, met dien verstande dat op ieder perceel te allen tijde ten behoeve van de ter plaatse aanwezige functie moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
een en ander met overige bijbehorende voorzieningen.
 

3.2 Bouwregels

Op de gronden als bedoeld in artikel 3 lid 1 zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde die ten dienste staan van de bestemming.
3.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. Het bebouwingsfront en daarmede de oriëntatie en presentatie van de gebouwen dient gericht te zijn op de hoofdverkeersstructuur.
  2. Het bebouwingspercentage bedraagt minimaal 60% en maximaal 80% van de kavelgrootte.
  3. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in of achter de op de plankaart aangeduide voorgevelrooilijn.
  4. De voorgevelrooilijn ligt op 10 m uit de naar de weg gekeerde perceelsgrens.
  5. De afstand van gebouwen tot ten minste één zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 m.
  6. De bouwhoogte bedraagt minimaal 6 m en maximaal 12 m.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
 
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Hoogte maximaal
Antennes
15 m
Licht- en andere masten
8 m
Terreinafscheidingen en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak
1 m
Terreinafscheidingen en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, voor zover gelegen binnen het bouwvlak
3 m
 

3.3 Nadere eisen

  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:
    1. de situering van bedrijven en bedrijfsactiviteiten;
    2. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde;
    3. de situering en afmetingen van percelen;
    4. de hoogte van gebouwen;
    5. de inrichting van de gronden waaronder de aanleg en omvang van parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en de aanleg en profilering van toegangs- en ontsluitingswegen.
  2. Burgemeester en wethouders kunnen deze nadere eisen stellen:
    1. ter waarborging van de ruimtelijke en functionele structuur ter plaatse;
    2. voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing;
    3. ter waarborging van de milieuzonering;
    4. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    5. ter waarborging van de verkeersveiligheid en/of brandveiligheid, dan wel;
    6. in verband met de gewenste parkeer-, laad- en losruimte van voldoende omvang op eigen terrein.
  3. Burgemeester en wethouders toetsen bij de toepassing van deze bevoegdheid tot of in ieder geval geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.
 

3.4 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden de gronden en/of gebouwen te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de uit het plan voortvloeiende bestemming. Tot strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik voor woondoeleinden;
  2. het gebruik voor grondgebonden agrarische doeleinden;
  3. het gebruik louter voor zakelijke dienstverlening of voor de uitoefening van een tak van handel, bedrijf of dienstverlening anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 lid 1, artikel 3 lid 2 en artikel 3 lid 3 toegestaan;
  4. voor open opslag tenzij deze zodanig plaatsvindt dat de opslag niet zichtbaar is vanaf de openbare weg en aldus achter bebouwing plaatsvindt dan wel is afgeschermd door middel van groenvoorzieningen.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels

 
3.5.1 Zwaardere/andere categorie bedrijven
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 onder 1 voor het toestaan van bedrijvigheid die niet voorkomt op de in de bijlage opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, onder voorwaarde dat deze bedrijvigheid naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de toegelaten milieucategorieën 2, 3 en 4.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 3 lid 1 sub a voor het toestaan van bedrijven die maximaal 1 categorie zwaarder zijn dan de toegestane categorie dan wel vergelijkbaar met 1 categorie zwaardere bedrijven, met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. deze bedrijven dienen naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen te zijn met de toegelaten milieucategorieën;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats.
3.5.2 Bouwregels gebouwen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning af te wijken van:
  1. het bepaalde in artikel 3 lid 2.1 sub b en artikel 3 lid 2.1 sub e met betrekking tot de genoemde minimale en maximale percentages en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens onder de voorwaarden dat:
    1. de afwijking in het kader van de bedrijfsvoering noodzakelijk is;
    2. de ruimtelijke en functionele structuur niet onevenredig wordt aangetast;
    3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig wordt aangetast;
    4. de verkeersveiligheid, brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding gewaarborgd is;
    5. op het bouwperceel parkeer-, laad- en losruimte van voldoende omvang aanwezig is.
  2. het bepaalde in artikel 3 lid 2.1 sub d ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen zoals luifels dakranden en erkers onder de voorwaarde dat:
    1. zulks noodzakelijk is in verband met een bijzondere gevelindeling en/of presentatie van gebouwen noodzakelijk is;
    2. de afwijking niet meer dan 3 m bedraagt; 
    3. de bebouwing geen onevenredige afbreuk doet aan de gewenste stedenbouwkundige structuur.
3.5.3 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.2 voor:
  1. het bouwen van terreinafscheidingen tot een hoogte van maximaal 2 m vóór de voorgevelrooilijn, tevens bebouwingslijn;
  2. het bouwen van vrijstaande antennes, licht- en andere masten en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde met een grotere hoogte;
een en ander met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. tegen deze hoogte bestaan geen bezwaren vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid of in verband met de ontsluiting van percelen;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  3. er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving;
  4. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden.

Artikel 4 Groen

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor (afschermende) beplanting, groenvoorzieningen, bermen, en plantsoenen met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen.

4.2 Bouwregels

4.2.1 Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 m bedragen.

Artikel 5 Natuur - Waterberging

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur - Waterberging' aangewezen gronden zijn bestemd voor
  1. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;
  2. waterberging;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. (afschermende) groenvoorzieningen, met dien verstande dat, waar de waterberging het toelaat, een landschappelijke inpassing van het aangrenzende bedrijventerrein wordt gerealiseerd in de vorm van struweel met een hoogte van 3 tot 5 m;
  5. recreatief medegebruik;
een en ander met de bijbehorende voorzieningen.

5.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels
  1. op gronden als bedoeld in artikel 5 lid 1 mogen uitsluitend bowwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van deze bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 2,5 meter bedragen.

5.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 11, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het permanent opslaan van goederen, waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  2. de opsporing en winning van aardgas, olie of andere delfstoffen;
  3. het aanbrengen van tekens voor commerciële doeleinden.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden op en onder de in artikel 5 lid 1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanleggen of verharden van wegen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    2. het ontginnen en, voor zover de Ontgrondingenwet en de daaruit voortvloeiende verordeningen niet van toepassing zijn, het verlagen of afgraven, ophogen, egaliseren van de gronden, het dempen van greppels en sloten;
    3. het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen;
    4. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas anders dan bij wijze van verzorging van de aanwezige houtopstand en andere begroeiingen, een en ander voor zover de Boswet en de daarop gebaseerde verordeningen niet van toepassing zijn;
    5. het veroorzaken van ontploffingen in of op de grond.
  2. Het verbod als bedoeld in artikel 5 lid 4 sub 1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
    1. normaal onderhoud en beheer betreffen;
    2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
    3. werkzaamheden ten behoeve van het in gebruik nemen van gronden voor de doeleinden zoals omschreven in artikel 5 lid 1.
  3. Het verbod als bedoeld in artikel 5 lid 4 sub 1 is niet van toepassing indien de graafwerkzaamheden onder de Wet informatieuitwisseling ondergrondse netten valt.
  4. De omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuur- en landschapswaarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 6 Verkeer

 

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. wegen, met niet meer dan twee rijstroken;
  2. rotondes;
  3. in- en uitritten;
  4. voet- en fietspaden;
  5. groenvoorzieningen, taluds en bermen;
  6. straatmeubilair;
  7. parkeervoorzieningen;
  8. nutsvoorzieningen;
  9. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
en overige bij de bestemming behorende voorzieningen. 

6.2 Bouwregels

Op en onder de in artikel 6 lid 1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de hoogte van aanduidingsborden mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  2. de hoogte van abri's mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  3. de hoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8 meter;
  4. voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt een maximale bouwhoogte van 1 meter.

6.3 Nadere eisen

  1. Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op de ruimtelijke kwaliteit nadere eisen stellen aan de situering van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  2. Burgemeester en wethouders toetsen bij de toepassing van deze bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen of geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.

Artikel 7 Leiding - Gas

7.1 Bestemmingsomschrijving

  1. De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoge druk hoofdaardgastransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook met een breedte van 4 meter ter weerszijden van de hartlijn van de leiding, met de daarbij behorende voorzieningen.
  2. De bestemming 'Leiding - Gas' is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

7.2 Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in artikel 7 lid 1 mogen, in afwijking van het bepaalde ten aanzien van de andere bestemmingen, uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de betreffende hoge druk  hoofdaardgastransportleiding worden gebouwd.

7.3 Afwijken van de bouwregels

  1. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7 lid 1 in dier voege dat wordt toegestaan om bouwwerken geen gebouwen zijnde op te richten, mits:
    1. de belangen van de hoge druk hoofdaardgastransportleiding daardoor niet worden geschaad;
    2. wordt voldaan aan de bepalingen van andere ter plaatse geldende basisbestemmingen, al dan niet na gebruik van de bij die bestemmingen opgenomen ontheffingsbevoegdheden.
  2. Er kan niet worden besloten tot afwijking dan nadat de exploitant van de gasleiding gehoord is.

7.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 11, wordt in ieder geval gerekend het permanent opslaan van goederen, waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen.

7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden op en onder de in artikel 7 lid 1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder diepploegen, egaliseren, afgraven, woelen, mengen, ontginnen en het aanleggen van drainage;
    2. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
    3. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
    4. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    5. het verlagen van het waterpeil;
    6. het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen;
    7. het aanbrengen van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting, zoals bijvoorbeeld rietbeplanting;
    8. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
    9. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan voor normaal onderhoud;
    10. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en het aanbrengen van overige oppervlakteverhardingen;
    11. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
    12. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.
    13. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
    14. het veroorzaken van ontploffingen in of op de grond.
  2. Het verbod als bedoeld in artikel 7 lid 5 sub 1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
    1. normaal onderhoud en beheer betreffen;
    2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
    3. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden;
    4. mechanisch worden uitgevoerd en daarmee vallen onder de werking van de Wet Informatie Uitwisseling Ondergrondse Newerken;
    5. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en).
  3. Het verbod als bedoeld in artikel 7 lid 5 sub 1 is niet van toepassing indien de graafwerkzaamheden onder de Wet informatieuitwisseling ondergrondse netten valt.
  4. De omgevingsvergunning wordt niet verleend voordat de exploitant van de gasleiding gehoord is.
  5. De omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien het uitvoeren van werken of werkzaamheden geen schade aan de gasleiding toebrengt.
  6. Aan de in artikel 7 lid 5 sub 1 genoemde vergunning kunnen onder meer voorschriften worden verbonden inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de gasleiding wordt beschermd.

Artikel 8 Waterstaat - Beschermingszone watergang

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van een leggerwatergang, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

8.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:
  1. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de in artikel 4 lid 1 genoemde functies;
  2. de bouwhoogte van deze bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3,00 meter.

8.3 Specifieke gebruiksregels

8.3.1 Algemeen
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen, mogen binnen de aangegeven beschermingszone van de watergang uitsluitend handelingen worden verricht ten behoeve van deze bestemming.
8.3.2 Verbod
Het is verboden op of in de gronden met deze bestemming de volgende handelingen te doen en/of laten uit te voeren:
  1. het aanleggen, wijzigen, vervangen of verwijderen van afrastering, bruggen, duikers, kabels, leidingen stuwen of drainage;
  2. het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds;
  3. veranderingen aan te brengen in de verkavelingslijnen, gemarkeerd door sloten, greppels en beplanting.
  4. wijzigen, of dempen van een oppervlaktewater;
  5. het hebben of aanbrengen van (tijdelijke) obstakels;
  6. het lozen of onttrekken van water op of uit het oppervlaktewater;
  7. het inrichten, hebben of wijzigen van wandel- en fietsroutes of ruiterpaden;
  8. recreatief medegebruik.
8.3.3 Afwijken van de gebruiksregels
  1. Van het bepaalde in artikel 8 lid 3.2 kan worden afgeweken, mits:
    1. er sprake is van normaal onderhoud en beheer door, of in opdracht van de beheerder van de watergang;
    2. recreatief medegebruik geschiedt zonder winstoogmerk en terplekke niet met verbodsborden is verboden.
  2. Burgemeester en wethouders kunnen via een omgevingsvergunning van het bepaalde in artikel 8 lid 3.1 en/of artikel 8 lid 3.2 afwijken, mits:
    1. daarbij een gebruik van gronden in overeenstemming met de onderliggende bestemming wordt toegestaan;
    2. uit overleg met (en toestemming van) de waterbeheerder blijkt dat de bescherming van de watergang als zodanig overbodig is geworden en/of de afvoer van water adequaat op een andere wijze zal worden verzorgd.

3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen

10.1.1 Ondergrondse werken
Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
10.1.2 Ondergrondse bouwwerken
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels:
  1. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak.
  2. Het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50% van het bouwvlak.
  3. De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil.
  4. Bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.
10.1.3 Afwijken van het bestemmingsplan
Door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10 lid 1.2 sub c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarden dat:
  1. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  2. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.

10.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

10.3 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten

10.3.1 Maximale maatvoering
Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.
10.3.2 Minimale maatvoering
In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
10.3.3 Heroprichting
In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 10 lid 3.1 of artikel 10 lid 3.2 uitsluitend van toepassing indien dit geschiedt op dezelfde plaats.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

 

11.1 Strijdig gebruik

Het is verboden de in hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels)  bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die is nader aangeduid in de bestemmingsomschrijving.

11.2 Algemene vormen van strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en/of straatprostitutie;
  2. het gebruik van bouwwerken als zelfstandige dan wel als afhankelijke woonruimte.
  3. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  4. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

11.3 Specifieke vormen van strijdig gebruik

Verder is het in ieder geval verboden de in dit artikel bedoelde gronden en/of bouwwerken te gebruiken en/of te laten gebruiken:
  1. als staan- of ligplaats van kampeerwagens, woonwagens, tenten, tenthuisjes of andere voor verblijf ingerichte of geschikte onderkomens, daaronder begrepen voor verblijf geschikte voertuigen met uitzondering van een tijdelijke schuil- of schaftgelegenheid, mits deze onontbeerlijk is, verplaatsbaar is, geen wooncaravan of reiscaravan, dan wel een aan zijn oorspronkelijk gebruik onttrokken voer- of vaartuig betreft en verband houdt met in het terrein uit te voeren werken of werkzaamheden;
  2. voor (grondgebonden) agrarische doeleinden;
  3. als sport- of wedstrijdterrein, als vliegveld of landingsplaats;
  4. voor het beproeven van voertuigen, voor het beoefenen van de motorsport en de modelvliegtuigsport, voor het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, voor het racen of crossen met motorrijtuigen;
  5. voor het aanwezig of opgeslagen hebben van een of meer aan hun gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, dan wel onderdelen daarvan;
  6. als opslag-, stort- of bergplaats van andere al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten buiten de erven van dienstgebouwen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte beheer van gronden;
  7. voor de opsporing en winning van aardgas, olie of andere delfstoffen.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

12.1 Vrijwaringszone - Waterstaatswerk

12.1.1 Aanduidingsomschrijving
De voor 'Vrijwaringszone - waterstaatswerk' aangewezen gronden zijn - behalve voor de daar voorkomende bestemmingen - mede bestemd voor waterstaatkundige voorzieningen, zoals een waterkering, waterbeheersing, kaden, dijksloten, wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.
12.1.2 Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd overeenkomstig de volgende regels:
  1. op deze gronden mogen de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die overeenkomstig de in artikel 12 lid 1.1  genoemde bestemming zijn toegestaan;
  2. de hoogte van deze bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 meter;
  3. voor de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en geldende bouwregels mag uitsluitend worden gebouwd, als het bouwplan betrekking heeft op de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
 
12.1.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12 lid 1.2 sub c met inachtneming van de volgende regels:
  1. bij de afwijking worden de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht genomen;
  2. de waterstaatkundige belangen worden door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad;
  3. alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering over de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan ten aanzien van:
  1. de bij recht in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, voor zover daarvoor in deze voorschriften geen bijzondere vrijstellingsbevoegdheden zijn opgenomen;
  2. de bestemmingsplanbepalingen en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  3. de bestemmingsplanbepalingen en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    1. de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 50 m3;
    2. de (bouw)hoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m;
  4. de bestemmingsplanbepalingen ten aanzien van de (bouw)hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de (bouw)hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  5. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van gebouwen wordt verhoogd ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits:
    1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;
    2. de (bouw)hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.

Artikel 14 Algemene procedureregels

14.1 Afwijking van het bestemmingsplan

Bij een afwijking van het bestemmingsplan, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.

14.2 Nadere eisen

Bij toepassing van de nadere eisen regeling, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat de termijn van terinzagelegging 2 weken bedraagt.

14.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is de procedure als vervat in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Wettelijke regelingen

Indien en voorzover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

15.2 Voorrangsregels

In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, gaat het belang van de dubbelbestemming voor.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 16 Overgangsrecht

 

16.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

16.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldend bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 17 Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Eeneind, herziening 2014-1', gemeente Nuenen c.a.