direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Graafseweg (ong.), Mill
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0815.WPBuGraafseweong-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het wijzigingsplan "Graafseweg (ong.), Mill" van de gemeente Mill en Sint Hubert.

1.1 Aanleiding en doel

Op het perceel tussen de woningen aan de Graafseweg 39 en 41 te Mill staan twee voormalig agrarische bedrijfsgebouwen, opgenomen in een agrarisch bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch met waarde – Groenblauwe mantel'.

De eigenaren van het perceel wensen deze leegstaande gebouwen te gaan gebruiken voor statische opslag. Deze ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan, maar het vigerend bestemmingsplan bevat wel een wijzigingsbevoegdheid voor de functieverandering (artikel 7.7.8, onder g, sublid 5). Daarvan wordt gebruik gemaakt. Daarnaast wordt een gedeelte van het perceel bestemd als bos. Deze ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan, maar het vigerend bestemmingsplan bevat wel een wijzigingsbevoegdheid voor de functieverandering (artikel 7.7.9). Daarvan wordt gebruik gemaakt.

Voorliggend wijzigingsplan bevat de ruimtelijke onderbouwing voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.WPBuGraafseweong-VA01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend wijzigingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.WPBuGraafseweong-VA01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Mill, sectie N, nummer 838. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 2.810 m². De gronden zijn in particulier eigendom.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeren de volgende bestemmingsplannen:

  • 1. bestemmingsplan 'Buitengebied Mill en Sint Hubert', vastgesteld door de gemeenteraad op 25 juni 2013;
  • 2. bestemmingsplan "Buitengebied Mill en Sint Hubert, Herziening 2018'', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2019.

De herziening voorziet ter plaatse van het plangebied in een nieuwe begrenzing en benaming van de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen en diverse aanpassingen van de planregels. Onderstaande afbeelding geeft de uitsnede van de vigerende (geconsolideerde) verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.WPBuGraafseweong-VA01_0003.jpg"

UITSNEDE GECONSOLIDEERDE VERBEELDING VIGERENDE BESTEMMINGSPLANNEN

Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch met waarde - Groenblauwe mantel'. Deze bestemming is onder meer bedoeld voor:

  • 1. behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;
  • 2. agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen.

Het plangebied bevat een bouwvlak dat nagenoeg het gehele plangebied omvat. In het plangebied zijn geen bedrijfswoningen toegestaan. Het plangebied maakt onderscheidt in twee categorieën gebiedsaanduidingen:

  • 1. de gebiedsaanduidingen 'luchtvaartverkeerzone ils-zone 6', 'luchtvaartverkeerzone ihcs-zone' en 'luchtvaartverkeerzone radarverstoringsgebied' die beperkingen stellen aan de maximale hoogte van bouwwerken ten behoeve van het functioneren van het militaire vliegveld Volkel;
  • 2. de gebiedsaanduidingen 'aardkundig waardevol' en 'zone landschap, leefomgeving en gezondheid', die opgenomen zijn ter bescherming van waarden ter plaatse.

 

Hiernaast liggen er op het plangebied archeologische dubbelbestemmingen, te weten 'Waarde - Archeologie 2' op het zuidwestelijke deel van het plangebied, en 'Waarde - Archeologie 3' op het noordoostelijke deel van het plangebied. Deze dubbelbestemmingen verplichten archeologisch onderzoek bij bodemingrepen van bepaalde omvang.

Wijzigingsbevoegdheid
Artikel 7.7.8 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018' bevat een wijzigingsbevoegdheid voor het onder voorwaarden wijzigen van het plan ten behoeve van niet-agrarische functies. Dit artikel is hierna overgenomen.

''7.7.8 - Wijziging ten behoeve van niet-agrarische functies

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vestiging van niet-agrarische functies, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. Wijziging is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak;
  • b. Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk;
  • c. De oppervlakte van het bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan 5.000 m² waarbinnen de voormalige bedrijfswoning met bijhorende bouwwerken en bebouwing ten behoeve de niet-agrarische functie is gesitueerd;
  • d. In afwijking van het bepaalde onder c mag de omvang van het bestemmingsvlak ten behoeve van een agrarisch technisch hulpbedrijf, agrarisch verwant bedrijf, horeca, dagrecreatieve en/of maatschappelijke voorziening niet meer bedragen dan 1,5 ha;
  • e. De niet-agrarische functie mag uitgeoefend worden in bestaande bebouwing dan wel in vervangende nieuwbouw;
  • f. Alle overtollige voormalige agrarische bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt;
  • g. De volgende niet-agrarische functies zijn toegestaan:
    • 1. productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten, waarbij de verkoopvloeropervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    • 2. dagrecreatieve voorzieningen;
    • 3. verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig kamperen, waarbij de totale omvang niet meer mag bedragen dan 25 kampeermiddelen uitsluitend in of aansluitend aan het bouwvlak, alsmede maximaal 75 m² aan algemene voorzieningen binnen het bouwvlak;
    • 4. een zorgboerderij, kinderboerderij, educatieve en sociale voorzieningen,
    • 5. statische opslag waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 1.000 m²;
    • 6. bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1);
    • 7. verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van recreatieve nachtverblijven;
    • 8. verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van groepaccommodatie.
  • h. Ondergeschikte horeca is toegestaan bij dagrecreatie, verblijfsrecreatie en zorgboerderij, kinderboerderij, educatieve en sociale voorzieningen waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m²;
  • i. Buitenopslag en opslag in kassen zijn niet toegestaan, met uitzondering van buitenopslag bij bedrijven als bedoeld in sub g onder 5, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
    • 1. Opslag is uitsluitend toegestaan achter de voorgevellijn.
    • 2. De opslag is niet zichtbaar vanaf de openbare weg.
    • 3. De opslag is stedenbouwkundig, ruimtelijk en landschappelijk aanvaardbaar.
  • j. Detailhandel en/of een zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie is niet toegestaan;
  • k. De niet-agrarische functie mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven;
  • l. De niet-agrarische functie mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
  • m. De niet-agrarische functie dient wat betreft aard en schaal passend te zijn in de omgeving;
  • n. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • o. Er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen;
  • p. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, waarbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals die geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
  • q. De verwezenlijking, het behoud en het beheer van (het zoekgebied voor) een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied ecologische verbindingszone’/ 'overige zone - zoekgebied ecologische verbindingszone' en/of in een zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen’/ 'overige zone - zoekgebied ecologische verbindingszone' mag niet worden belemmerd of worden aangetast.''

Hieronder wordt het plan aan de voorwaarden getoetst.

ad a.   Beide gebouwen liggen binnen het bouwvlak. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.  
ad b.   Het agrarische bedrijf is beëindigd. Op 6 december 2012 is de milieuvergunning voor het houden van dieren ingetrokken. Vanwege de beperkte omvang van het perceel, alsmede de ligging direct aansluitend)aan een woonbestemming, is de hervestiging van een veehouderij op deze locatie niet realistisch.  
ad c.   De functiewijziging leidt tot een niet-agrarische bedrijfsbestemming met een omvang van circa 1800 m². Er is geen sprake meer van een bedrijfswoning. Het plan voldoet aan deze voorwaarde.  
ad d.   Het plan betreft een bedrijf ten behoeve van statische opslag en betreft niet een van de genoemde categorieën.  
ad e.   Op het perceel staan twee gebouwen die voor het beoogde doel zullen worden gebruikt al of niet na herstel of herbouw. Een grotere gebouw oppervlakte is niet nodig.  
ad f.   Beide bestaande gebouwen gaan gebruikt worden voor statische opslag. Er is geen sprake van overtollige bebouwing.  
ad g.   Het plan omvat omschakeling naar statische opslag. Sub 5 is derhalve van toepassing. De gezamenlijke oppervlakte van beide gebouwen is in de huidige situatie 1.084 m². Middels de sloop van de uitbouw aan de zuidzijde wordt voldaan aan de eis van maximaal 1.000 m². Het plan voldoet aan deze voorwaarde.  
ad h.   Het plan omvat geen horeca.  
ad i.   De planregels van voorliggend wijzigingsplan sluiten buitenopslag uit.  
ad j.   Het plan omvat geen van de genoemde functies.  
ad k.   In de omgeving ligt een aantal agrarische bedrijven. Het beoogde gebruiksdoel is statische opslag. Dit gebruiksdoel wordt niet als een geurgevoelige bestemming aangemerkt. De beoogde wijziging zal dus voor de omliggende agrarische bedrijven geen beperking geven.  
ad l.   De gewenste opslag heeft betrekking op goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven. De verkeersaantrekkende werking is laag, zie paragraaf 3.2.1. Er is geen sprake van een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking.  
ad m.   Zoals hiervoor aangegeven wordt de bestaande bebouwing gebruikt voor de opslag. Er vindt dus geen toename van bebouwd oppervlakte plaats. Hiernaast is de locatie goed ontsloten via de inrit van het naast gelegen perceel. De beoogde functie is passend in de omgeving.  
ad n.   De statische opslag vindt plaats in de bestaande bebouwing. Er vindt geen uitbreiding van gebouwen plaats. Gezien het gebruik voor statische opslag is de aanwezigheid van personen in het plangebied beperkt en minder dan in de thans vigerende maximale situatie, zie paragraaf 3.2.1. Er vindt geen aantasting van waarden plaats.  
ad o.   Op de buurpercelen staan woningen van derden. Gezien de beoogde functie is hinder van geluid (ophalen en brengen) het belangrijkste aandachtspunt. Doordat in de dagperiode maar een klein aantal bewegingen aanwezig is, is geen hinder te verwachten. Andere milieuhygiënische belemmeringen zijn niet aanwezig, zie voor een volledig overzicht bijlage 2 van de toelichting.  
ad p.   De agrarische functie wordt omgezet in een bedrijfsfunctie ten behoeve van statische opslag. Dit leidt tot een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten, zie paragraaf 4.3.2.  
ad q.   De genoemde aanduidingen komen niet voor in onderhavig plangebied.  

Wijzigingsbevoegdheid
Artikel 7.7.9 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018' bevat een wijzigingsbevoegdheid voor het onder voorwaarden wijzigen van de vigerende bestemming in 'Bos' of 'Natuur'. Dit artikel is hierna overgenomen.

''7.7.9 Wijziging naar ‘Bos’ of ‘Natuur’

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Bos’ en/of ‘Natuur’ ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van bos, landschapselementen en/of de natuur, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De wijziging kan uitsluitend plaatsvinden ten behoeve van de realisatie van vastgesteld natuur- en landschapsbeleid, zoals het beleid voor een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied ecologische verbindingszone’/ 'overige zone - zoekgebied ecologische verbindingszone' .
  • b. De wijziging vindt plaats nadat de aankoop/overdracht in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden.''

Hieronder wordt het plan aan de voorwaarden getoetst.

ad a.   Onderhavig planvoornemen zorgt voor een versterking van de bosgordel binnen de aanwezige Terraswand. Dit aspect is nader toegelicht in paragraaf 4.3.1.  
ad b.   Onderhavig planvoornemen is financieel geborgd. Dit is nader toegelicht in hoofdstuk 6.  

Conclusie

Samenvattend kan worden gesteld dat aan alle voorwaarden wordt voldaan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.WPBuGraafseweong-VA01_0004.jpg"

DIRECTE OMGEVING

2.1 Bebouwing en functies

Het plangebied is onderdeel van het agrarische buitengebied van de gemeente Mill en Sint Hubert. Een groot gedeelte hiervan bestaat uit cultuurgrond, wat zichtbaar is in het plangebied aangegeven door de agrarische bestemming. Het plangebied ligt aan de Graafseweg die de dorpskernen van Mill en Grave met elkaar verbindt.

Er is sprake van een menging van een tweetal functies: agrarische functies en wonen. Op de belendende percelen is een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning aanwezig (Graafseweg 41) en een burgerwoning (Graafseweg 39). In het plangebied staan twee bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 1000 m² ten behoeve van agrarische functies.

2.2 Ontsluiting

Het plangebied heeft in zijn huidige gebruik geen eigen inrit, maar wordt ontsloten via de inrit van het agrarische bedrijf aan de Graafseweg 41. De Graafseweg heeft een belangrijke ontsluitingsfunctie voor de dorpskern van Mill, daar het een doorgaande weg betreft in de richting van de dorpskern van Grave. De verkeersintensiteiten zijn relatief hoog.

2.3 Groen en water

Het plangebied is grotendeels ingericht als een functioneel bedrijfsperceel. Naast de beplanting op en rondom de erfgrenzen is er in het plangebied sprake van een aantal bomen. Deze bomen maken deel uit van een klein bosgebied aan weerszijden van de Graafseweg, dat op zichzelf weer onderdeel is van een bosgordel. Deze bomen staan zowel tussen de twee bedrijfsgebouwen alsmede tussen de Graafseweg en het voorste bedrijfsgebouw. Verder is het plangebied al enige tijd niet meer in gebruik en beperkt onderhouden. Daardoor heeft de begroeiing onbeperkt zijn gang kunnen gaan. Er is binnen het plangebied geen sprake van oppervlaktewater.

Hoofdstuk 3 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. Op onderstaande afbeelding is de nieuwe inrichting van het perceel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.WPBuGraafseweong-VA01_0005.jpg"

INRICHTINGSSCHETS

3.1 Bebouwing en functies

De gewenste bedrijfsactiviteit bestaat uit statische (binnen)opslag. Statische (binnen)opslag wordt in het vigerend bestemmingsplan omschreven als: ''(binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven en geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke.''

De bestaande bedrijfsgebouwen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 1.084 m². Om aan de wijzigingsbevoegdheid te voldoen wordt de aanbouw aan de zuidzijde gesloopt. Daarnaast worden er geen gebouwen toegevoegd en de gebouwen worden te zijner tijd mogelijk vervangen door nieuwe gebouwen met maximaal een omvang van 1.000 m². Ter ondersteuning van de nieuwe functie wordt er één ontsluiting op de Graafseweg gerealiseerd.

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Verkeer

De verkeersaantrekkende werking wordt vaak berekend op basis van de digitale publicatie ''ASVV 2012''. Deze publicatie bevat per functie kengetallen voor de verkeersgeneratie. Voor een agrarisch bedrijf en een bedrijf voor statische opslag zijn deze kengetallen echter niet bekend. De verkeersaantrekkende werking van het initiatief wordt daarom globaal berekend op basis van de huidige en de nieuwe situatie.

Huidige situatie

In de huidige situatie is er sprake van een agrarische bestemming. De verkeersaantrekkende werking is normaliter te bepalen aan de hand van de bedrijfswerkzaamheden. Gemiddeld komen er 6 vrachtwagens per week voor het transporteren van voer, dieren en mest. Dit leidt tot gemiddeld 12 motorvoertuigbewegingen per week. Daarnaast komen er verschillende bezoekers (gemiddeld 4 per week) op locatie (dierenartsen, controleurs, etc.) die leiden tot een gemiddelde van 8 motorvoertuigbewegingen per week. De boer, tenslotte, komt zelf gedurende 6 dagen gemiddeld 2 keer per dag naar het plangebied. Dit zijn 24 motorvoertuigbewegingen per week. In totaal is er dus sprake van 44 motorvoertuigbewegingen per week. Wat 6 à 7 motorvoertuigbewegingen per dag zijn.

Nieuwe situatie

In de nieuwe situatie, waarbij de bestaande gebouwen binnen het plangebied gebruikt worden voor statische opslag, zal dit normaliter een kleinere verkeersgeneratie geven ten opzichte van de huidige agrarische bestemming. Voor het berekenen van het aantal motorvoertuigbewegingen wordt uitgegaan van een caravanstalling, hoewel er andere vormen van statische binnenopslag mogelijk zijn. Binnen de bestaande gebouwen is ruimte voor maximaal 25 caravans. Uitgangspunt is dat er 3x per jaar wordt gestald (3x ophalen en 3x terugbrengen, per keer 2 motorvoertuigbewegingen). Dat betekent 25 * 6 * 2 mvt = 300 mvt per jaar. Het halen en brengen van de caravans zal zich voornamelijk concentreren rond de vakanties. Verspreid over 3 pieken in halen (3x gedurende 1 week voor een vakantie) en 3 pieken in brengen (3x gedurende 1 week na een vakantieperiode) betekent dat de totale verkeersdalende werking binnen 42 (2*3*7) dagen geschiedt. Dit resulteert in gemiddeld 7 motorvoertuigbewegingen per dag tijdens de piekperiode. Dit zorgt voor een gelijkblijvende marginale verkeersgeneratie na de functieverandering, alhoewel dit alleen geldt voor de piekperiode. Buiten de piekperioden zal dit zorgen voor een afname van het gemiddeld aantal verkeersbewegingen.

Het plan leidt dus tot een afname van het gemiddeld aantal verkeersbewegingen. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om deze (theoretische) verkeersaantrekkende werking op te vangen.

3.2.2 Ontsluiting

De initiatiefnemer is, zoals in paragraaf 3.1 is ingeleid, voornemens om één nieuwe inrit te realiseren ten behoeve van de nieuwe functie. Deze inrit krijgt een diameter van circa 5 meter en wordt gerealiseerd in de noordoostelijke hoek van het plangebied. De toevoeging van deze extra ontsluiting past binnen het huidige straatbeeld van de Graafseweg. Verkeerskundig is te verwachten dat de extra ontsluiting geen problemen vormt.

3.2.3 Parkeren

Ten behoeve van het bedrijf voor statische opslag zijn alleen tijdelijke parkeerplaatsen vereist tijdens het laden en lossen. Het terrein biedt hiervoor voldoende ruimte, zie de inrichtingsschets bijgevoegd in bijlage 1 van de toelichting.

3.3 Groen en water

Het plan omvat het verwijderen van de opgeschoten beplanting op het bedrijfsperceel. De boszone langs de Graafseweg blijft behouden en wordt verdicht. Dit leidt tot een versterking van de bosgordel binnen de Terraswand, wat nader is toegelicht in paragraaf 4.3.1. Aan de zuidzijde van het bedrijfsperceel worden nieuwe bomen aangeplant als landschappelijke inpassing. Er wordt geen oppervlaktewater aangebracht.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan is het belang ''Militaire terreinen en objecten'' aan de orde. Dit belang is beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (zie paragraaf 4.1.2). Als aan dat besluit wordt voldaan, wordt tevens aan de SVIR voldaan.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Het plangebied ligt op minder dan 15 km van het militaire vliegveld Volkel. Derhalve gelden bepaalde hoogtebeperkingen. In paragraaf 5.2 vindt hiervan een nadere uitwerking plaats. Daaruit wordt geconcludeerd dat het bouwplan ruim onder de maximaal toegestane hoogten blijft. Het project vormt daardoor geen belemmering voor het nationale belang "Militaire terreinen en objecten".

Conclusie

Het project vormt geen belemmering voor de nationale belangen die middels het Barro beschermd zijn.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het plan omvat een functiewijziging van een bestaande agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming buiten het bestaand stedelijk gebied, zonder uitbreiding van het terrein en bebouwing. Het plan wordt daardoor niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Er is geen toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking nodig. Het plan voldoet aan dit onderdeel van het Besluit ruimtelijke ordening.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie Noord-Brabant;
  • Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie;
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant;
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad;
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Analyse
Onderhavig plan betreft de functieverandering van één agrarisch bedrijf naar één bedrijf met statische (binnen)opslag. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.

ad 1.   De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. Onderhavig initiatief zorgt niet voor een verandering van het energieverbruik en betreft daarnaast ook geen bouwplan. Dit aspect is mede hierdoor niet van toepassing.  
ad 2.   Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Daarnaast betreft onderhavig initiatief geen bouwplan, waardoor dit aspect niet van toepassing is.  
ad 3.   Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Dit initiatief gaat niet uit van een uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied, daarnaast betreft onderhavig initiatief geen bouwplan. Dit aspect is hierdoor niet van toepassing.  
ad 4.   Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door het mogelijk maken van statische (binnen)opslag wordt een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee het vestigingsklimaat.  

Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking zal treden.

De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):

  • afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
  • afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
  • afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
4.2.2.1 De toedeling van functies

Onderhavig plan betreft de functieverandering van één agrarisch bedrijf naar één bedrijf met statische (binnen)opslag in het 'Landelijk gebied'. Conform artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening (IOV) is de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijke gebied mogelijk, mits voldaan wordt aan een drietal leden. Onderstaand is dit artikel overgenomen en wordt hieraan getoetst.

Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied

Lid 1  

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
    • 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
    • 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
    • 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
      Onderhavig planvoornemen waarbij een bedrijf voor statische opslag wordt opgericht is passend binnen de directe omgeving, daar het niet hinderlijk is op zowel de naastgelegen woningen alsmede op de aangrenzende agrarische bedrijven. Daarnaast heeft onderhavig planvoornemen geen negatieve invloed op de mobiliteitsstromen, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; omdat met de oprichten van een opslagbedrijf juist leegstand wordt tegengegaan en het bedrijf geen hinder geeft aan omliggende percelen. Onderhavig planvoornemen heeft geen invloed op het versterken dan wel verslechten van de omgevingskwaliteit.
  • b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;
    Binnen onderhavig plangebied vindt geen splitsing van het bouwperceel plaats.
  • c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
    Onderhavig planvoornemen zorgt voor de sloop van de zuidelijke aanbouw.
  • d. de vestiging heeft geen betrekking op:
    • 1. een kantoor met baliefunctie;
    • 2. lawaaisport;
    • 3. mestbewerking.
      Onderhavig planvoornemen zorgt niet voor een vestiging van de hierboven genoemde functies.

Lid 2

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

  • a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;
    Onderhavig planvoornemen is niet groter dan 1.000 m² (voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid). Daarnaast heeft onderhavig planvoornemen enkel een verkeersaantrekkende werking, daar het een caravanopslag betreft. Dit is passend binnen de omgeving.
  • b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;
    Onderhavig planvoornemen betreft een opslagbedrijf. Enkel binnenopslag is hier toegestaan.
  • c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;
    Onderhavig planvoornemen betreft een opslagbedrijf. Enkel binnenopslag is hier toegestaan.
  • d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.
    Onderhavig planvoornemen houdt rekening geen rekening met een mogelijke verhuizing van het bedrijf, daar een opslagbedrijf voor caravans niet op alle plekken mogelijk is.

Lid 3

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor:

  • a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;
    Onderhavig planvoornemen betreft een caravanopslagbedrijf dat past binnen de gemengde omgeving van de Graafseweg. Hierdoor is het niet noodzakelijk en doelmatig om deze te vestigen op een bedrijventerrein.
  • b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;
    Dit sublid is niet van toepassing, omdat het geen detailhandelsvoorziening betreft.
  • c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.
    Dit sublid is niet van toepassing, omdat het geen voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg betreft.
4.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken:

  • aardkundig waardevol gebied;
  • stalderingsgebied.

Aardkundig waardevol gebied
Het plangebied behoort tot het aardkundig waardevolle gebied van de Steilrand Mill. Conform 3.28 IOV moeten in een bestemmingsplan regels gesteld worden voor de bescherming van de aardkundige waarden. In de Haalbaarheidstoets bijgevoegd als bijlage 2 van de toelichting wordt nader beschreven dat het plan niet leidt tot negatieve effecten op aardkundige waarden.

Stalderingsgebied
Het artikel 3.52 IOV stelt regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderij. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.

4.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van

functies zijn:

  • zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
  • kwaliteitsverbetering van het landschap.

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.

Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat gebruik wordt gemaakt van een VAB-locatie binnen een bebouwingsconcentratie. Daarnaast wordt de zuidelijke aanbouw gesloopt.

Het plan neemt een verrommelde situatie weg en leidt tot verbetering van de waterhuishouding in het gebied. Er is daarmee tevens een waardecreatie in het algemeen belang.

Kwaliteitsverbetering landschap
Conform artikel 3.9 IOV moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze kwaliteitsverbetering is beschreven in paragraaf 4.3.2 waarin het project aan de gemeentelijke 'Investeringsregeling Ruimtelijke Kwaliteit (IRK)' wordt getoetst.

4.2.2.4 Conclusie

Het plan is niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Structuurvisie 'In duurzaam perspectief'

Door de gemeente Mill en Sint Hubert is op 29 september 2011 de Structuurvisie 'In duurzaam perspectief' vastgesteld, waarin de gewenste ruimtelijke structuur is opgenomen.

Voor het plangebied bevat de Structuurvisie de volgende relevante beleidsuitgangspunten:

  • het VAB-beleid (Vrijkomende Agrarische Bedrijfsgebouwen), waarin wordt aangegeven dat het mogelijk is om VAB's te hergebruiken voor een ruimer scala aan functies en bedrijvigheid;
  • het versterken van de bosgordel binnen de Terraswand.

Het plan omvat de functiewijziging van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel naar een niet-agrarische functie, in dit geval statische opslag. Het plan sluit hiermee aan bij de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie inzake het VAB-beleid.

Het plan omvat een kwaliteitsverbetering van het landschap (zie paragraaf 4.3.2). Binnen deze kwaliteitsveranderingen worden gronden binnen de perceelgrenzen toegevoegd aan de bosgordel. Het plan sluit hiermee aan bij de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie inzake het versterken van deze bosgordel binnen de bestaande terraswand.

Conclusie

Het plan past binnen de Structuurvisie 'In duurzaam perspectief' van de gemeente Mill en Sint Hubert.

4.3.2 Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap

Naar aanleiding van het uitgangspunt van het leveren van een kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals inmiddels opgenomen in artikel 22.5 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de daaromtrent gemaakte regionale afspraken, heeft de gemeente Mill en Sint Hubert het beleidskader "Investeringsregeling Ruimtelijke Kwaliteit (IRK)" vastgesteld. Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze waarop invulling is gegeven aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.

Voor het bepalen van de benodigde investering is de categorie-indeling van ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied van toepassing:

  • categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig;
  • categorie 2: beperkte impact; landschappelijke inpassing volstaat;
  • categorie 3: grote impact; landschappelijke inpassing en berekende kwaliteitsverbetering van het landschap

Het wijzigen van de agrarische functie naar een bedrijfsfunctie (statische opslag) is een categorie 3-ontwikkeling.

4.3.2.1 Mate van kwaliteitsverbetering

In de gemeentelijke Regeling is opgenomen dat de basis inspanning voor de kwaliteitsverbetering 25% bedraagt van de waardevermeerdering van de grond. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de waarde van de grond op basis van het vigerende bestemmingsplan en de waarde op basis van het nieuwe bestemmingsplan, uitgedrukt in euro's. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft vaste m²-prijzen vastgesteld voor de diverse functies, zogenaamde 'forfaitaire bedragen'. In onderstaande schema's is de waardebepaling van de grond voor de bestaande en nieuwe situatie weergegeven.

WAARDE GROND BESTAANDE SITUATIE

categorie   omvang   eenheidsprijs   waarde  
agrarisch onbebouwd   410 m²   € 6,75/m²   € 2.767,50  
agrarisch bouwvlak   2.400 m²   € 20,-/m²   € 48.000,-  
totaal   2.810 m²     € 50.767,50  


WAARDE GROND NIEUWE SITUATIE

categorie   omvang   eenheidsprijs   waarde  
Bos   960 m²   € 1,-/m²   € 960,-  
niet-agrarisch bouwvlak   1.000 m²   € 60,-/m²   € 60.000,-  
niet-agrarisch bedrijf buiten bouwvlak   850 m²   € 30,-/m²   € 25.500,-  
totaal   2.810 m²     € 86.460,-  

Mate van kwaliteitsverbetering
Zoals vermeld moet 25% van de waardevermeerdering van de grond worden ingezet voor de landschappelijke kwaliteitsverbetering, ofwel 25% * (86.460 - 50.767,50) = € 8.923,13.

4.3.2.2 Wijze van kwaliteitsverbetering

De kwaliteitsverbetering moet rechtstreeks gerelateerd zijn aan het project, of passen binnen een voorgenomen gemeentelijke ontwikkeling ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap. Bij het bepalen van de omvang van de fysieke prestatie worden niet alleen de kosten van de aanleg in ogenschouw genomen, zoals de verwerving van de gronden c.q. de waarde van de ingebrachte gronden en het feitelijk realiseren van het groen (planvorming, arbeid, materialen), maar ook de onderhoud- en beheerkosten voor een periode van tien jaar (bestemmingsplanperiode conform de Wro). Voorliggend plan omvat de volgende fysieke prestatie:

  • 1. de onbebouwde gronden buiten de bedrijfsbestemming krijgen de functie bos;
  • 2. op de onbebouwde gronden worden bomen en planten aangebracht;
  • 3. de planten op deze gronden worden voor een periode van 10 jaar onderhouden.

Binnen het plangebied beslaat de functie bos 960 m², waarvan 180 m² moet worden aangelegd.

Bomen

  • Het aandeel bomen dat wordt aangebracht laat zich omrekenen naar ongeveer één boom per 16 m². Dit zorgt voor een totaal aantal van 11 nieuwe bomen.
  • Binnen dit plangebied wordt gekozen voor de planting van een reeds bestaande boom met een stamdiameter van 14-16 cm. Dit zorgt voor een indicatieve prijs van € 30,- per boom.

Planten

  • Het aandeel planten dat wordt aangebracht laat zich omrekenen naar 6400 planten per hectare. Binnen het plangebied zorgt dit voor een totaal aantal planten van 115.
  • De kosten voor het aanbrengen van planten zijn opgenomen in de Vergoedingsystematiek en -grondslagen (Stika). Hieruit volgt dat het aanbrengen van één plant € 1,58 kost.

Onderhoud

  • De bomen vragen geen onderhoud
  • Er is uitsluitend onderhoud van planten nodig.
  • Binnen het plangebied leidt dit tot de volgende rekensom: 960 m² * € 2,88 * 10 jaar = € 276,48.

Waarde kwaliteitsverbetering
De waarde van de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt bepaald aan de hand van:

  • de feitelijke aanleg van de fysieke prestatie;
  • de onderhoudskosten voor een periode van tien jaar.

In onderstaand schema is de waarde van de fysieke prestatie gespecificeerd.

WAARDE FYSIEKE PRESTATIE

fysieke prestatie   omvang/aantal   eenheidsprijs   waarde  
1.   Aanbrengen prestatie        
  - bomen   11 bomen   € 30,- per boom   € 330,-  
  - planten   115 planten   € 1,58 per plant   € 181,70  
2.   Onderhoud prestatie        
  - planten   960 m²   € 2,88 per are / per jaar   € 276,48  
totaal       € 788,18  

De fysieke prestaties vertegenwoordigen een totale waarde van € 788,18.

Financiële bijdrage

In totaal moet een bedrag van € 8.923,13 worden geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap. De fysieke prestaties vertegenwoordigen in dit plan een totale waarde van € 788,18. Hierdoor blijft er een bedrag van € 8.134,95 openstaan. Dit bedrag zal in een landschapsfonds gestort moeten worden om de totale regeling omtrent de kwaliteitsverbetering van het landschap te voltooien. Daarmee wordt voldaan aan de 25%-regeling.

4.3.2.3 Zekerstelling kwaliteitsverbetering

Gelet op de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant moet bij het nemen van een ruimtelijk besluit (i.c. het vaststellen van het wijzigingsplan) aangetoond zijn, dat wordt voldaan aan het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiervoor is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen gekoppeld aan het gebruik.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

5.1 Milieu, waarden, water

Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Graafseweg ong., Mill' (12 augustus 2020, 18.400-WRO.02A). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In de rapportage wordt verwezen naar een quickscan flora en fauna. Deze rapportage is separaat bijgevoegd bij dit wijzigingsplan als bijlage 3.

Amitec concludeert dat uit de toetsing van de verschillende milieuaspecten, met betrekking tot het initiatief aan de Graafseweg, blijkt dat er vanuit milieutechnisch oogpunt geen belemmeringen te verwachten zijn.

5.2 Beperkingen in verband met militair vliegveld Volkel

Het plangebied ligt op relatief korte afstand van het militaire vliegveld Volkel. Voor een goed functioneren van het vliegveld zijn middels het Luchthavenbesluit Volkel en het Barro beperkingen gelegd op het gebruik van en het bouwen in de omgeving. De beperkingen zijn vervat in:

  • 1. een geluidzonering;
  • 2. een obstakelbeheergebied;
  • 3. een radarverstoringsgebied;
  • 4. een vogelbeheersgebied;
  • 5. een risicogebied vanwege de opslag van munitie.

Daarnaast gelden er beperkingen als gevolg van het industrielawaai op het vliegveldterrein, zoals opgenomen in de Wet geluidhinder.

5.2.1 Geluidzonering

De geluidbelasting van het vliegverkeer is uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). In gebieden met een belasting lager dan 35 Ke is het toevoegen van geluidgevoelige objecten toegestaan. In gebieden met een hogere belasting is een nadere afweging nodig.

Het plangebied ligt in een gebied waar de geluidbelasting lager is dan 35 Ke. Er zijn geen geluidstechnische belemmeringen, omdat binnen het initiatief geen sprake is van een geluidgevoelige bestemming. Het plan voldoet aan de voorwaarden van de geluidzonering. Bovendien is er geen sprake van een geluidgevoelige bestemming.

5.2.2 Obstakelbeheergebied

Het obstakelbeheergebied bevat drie verschillende obstakelvlakken:

  • 1. de funnel is gerelateerd aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. De funnel is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken, waarvan de hoogte onder een hoek van 1,2° oploopt tot 45 meter.
    Het plangebied ligt buiten het obstakelvlak van de funnel. Een nadere toetsing is niet nodig.
  • 2. het Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS) is eveneens gerelateerd aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. Dit wordt berekend vanaf elk van de landingsdrempels, ligt boven de omgeving van het luchtvaartterrein en sluit aan op de funnel. Het IHCS bestaat uit een horizontaal vlak op een hoogte van 64 meter boven NAP met een straal van 4 km rond de landingsdrempel, met aansluitend een conisch vlak waarvan de hoogte oploopt met een helling van 3,6° over een afstand van 2 km tot een hoogte van 164 meter boven NAP.
    Het plangebied ligt in het conische vlak met een hoogte van 105 meter boven NAP. De hoogte van het maaiveld binnen het plangebied bedraagt circa 15 meter boven NAP. In het kader van het IHCS mag tot een hoogte van 90 meter gebouwd worden. Het plan blijft daar ruim onder.
  • 3. het Instrument Landing System-gebied (ILS) beschermt het goed functioneren van navigatiehulpmiddelen voor het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen, ook onder slechtere weersomstandigheden. Dit gebied bestaat uit een rechthoekig deelgebied waar de maximaal toelaatbare hoogte 0 meter bedraagt, twee aansluitende deelgebieden waar de maximale hoogte 20 m bedraagt en twee trechtervormige deelgebieden in het verlengde van de landingsbaan waarin de toelaatbare hoogte over een afstand van 6 km oploopt tot een hoogte van 70 meter.
    Het plangebied ligt in het deelgebied waar de hoogte maximaal 68,9 meter boven NAP mag bedragen. Het plan blijft daar onder.

Het project voldoet aan de voorwaarden van het obstakelbeheergebied.

5.2.3 Radarverstoringsgebied

Het militaire vliegveld beschikt over een radarsysteem. Radarsystemen dienen 'vrij zicht' te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten in de omgeving kunnen leiden tot een verstoring van het radarbeeld. Het radarverstoringsgebied is vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en wordt gevormd door:

  • een cirkel met een straal van 15 km gemeten vanaf de positie van de radar. De maximale hoogte van bouwwerken wordt hier bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf het punt op de top van de radarantenne (49 meter boven NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt op 15 kilometer afstand op een hoogte van 114 meter boven NAP;
  • aanvullend voor windmolens buiten deze 15 kilometercontour een cirkel met een straal van 75 km gemeten vanaf de positie van de radar. Voor de tippen van de wieken van windturbines geldt hier een maximale hoogte van 114 meter boven NAP.

Het plangebied ligt op een afstand van 6640 meter tot het radarsysteem, dus op minder dan 15 km. De hoogte van bouwwerken binnen het plangebied mag maximaal 78 meter boven NAP (ofwel 63 meter boven maaiveld) bedragen. Het plan blijft daar ruimschoots onder.

Het project voldoet aan de voorwaarden van het radarverstoringsgebied.

5.2.4 Vogelbeheersgebied

Ten aanzien van het voorkomen van een ongewenste vogelaantrekkende werking in de nabijheid van de luchthaven gelden in een straal van circa 6 km buiten de vliegbasis beperkingen voor het oprichten van bepaalde installaties en het uitvoeren van bepaalde werken die een vogelaantrekkende werking kunnen hebben.

Het project omvat geen installaties of werken (zoals grote waterpartijen) die een vogelaantrekkende werking hebben.

Het project voldoet aan de voorwaarden van het vogelbeheersgebied.

5.2.5 Risicogebied vanwege de opslag van munitie

Vanwege de opslag van munitie zijn er in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) risicocontouren (A-, B- en C-zone) vastgelegd waarbinnen bepaalde activiteiten gelimiteerd of niet toegestaan zijn. In de zones gelden diverse beperkingen ten aanzien van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten.

Het plangebied ligt buiten de risicocontouren van de munitieopslag.

Het project voldoet aan de voorwaarden van het risicogebied vanwege de opslag van munitie.

5.2.6 Industrielawaai

De geluidbelasting van het industrielawaai is uitgedrukt in een 50 dB(A)- en een 55-dB(A)-contour. In gebieden met een geluidbelasting lager dan 50 dB(A) is het toevoegen van geluidgevoelige objecten toegestaan. In het gebied tussen 50 dB(A) en 55 dB(A) is een ontheffing mogelijk, op basis van een nadere afweging. Een hogere geluidbelasting dan 55 dB(A) op geluidgevoelige objecten is niet toegestaan.

Het plangebied ligt in een gebied waar de geluidbelasting lager is dan 50 dB(A). Er zijn geen geluidstechnische belemmeringen. Het plan voldoet aan de voorwaarden van de geluidzonering industrielawaai.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Kostenverhaal

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet verplicht.

De gemeente heeft samen met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten inzake mogelijke planschade.

6.2 Gemeentelijke grondexploitatie

De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

In dit hoofdstuk is de opzet van het wijzigingsplan opgenomen.

Voorliggend wijzigingsplan is het resultaat van het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro, zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan ''Buitengebied Mill en Sint Hubert, Herziening 2018'' (NL.IMRO.0815.BPLherzbuiteng2018-VA02), vastgesteld op 26 september 2019. Bij het opstellen van een wijzigingsplan dient het college van burgemeester en wethouders zich te houden aan de door de raad vastgestelde regels.

Het plan omvat een functieverandering van een agrarisch bouwvlak naar een bouwvlak bestemd voor statische opslag. In de planregels worden de planregels van de vigerende bestemmingsplannen van toepassing verklaard.

Voorts worden aanvullende regels opgenomen ten aanzien van buitenopslag en ten aanzien van de voorwaardelijke inrichting van het aanleggen van nieuw groen.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het wijzigingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure op grond van artikel 3.9a Wro. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
  • 2. Terinzagelegging ontwerpwijzigingsplan
  • 3. Vaststelling door college van burgemeester en wethouders
  • 4. Terinzagelegging vastgesteld wijzigingsplan.