| Plan: | Prins Hendriklaan 1, Esbeek |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0798.BPPrinsHendrikln1-VG01 |
De initiatiefnemer heeft de wens om het agrarisch bedrijf aan de Prins Hendriklaan 1 te Esbeek om te zetten naar een woonbestemming. De aanwezige historische gebouwen (de boerderij, schuur en een kapschuur aan de overzijde van de weg) blijven gehandhaafd. De overige voormalige bedrijfsgebouwen zullen worden gesloopt.
Het college van B&W van de gemeente Hilvarenbeek heeft eerder een positieve grondhouding aangenomen ten aanzien van deze bestemmingswijziging. Daarom wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Prins Hendriklaan 1 in het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek. De locatie bevindt zich op circa 3 kilometer ten zuidwesten van de kern Esbeek en op circa 1 kilometer van de Belgische grens. De locatie maakt deel uit van het landgoed De Utrecht. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt aan de Prins Hendriklaan 1 ten zuidwesten van de kern Esbeek, op het natuur- en cultuurhistorisch waardevolle gebied 'Landgoed de Utrecht'. Dit landgoed heeft een oppervlakte van circa 2.500 hectare, waarvan 1.600 hectare bos, 600 hectare landbouwgrond en 300 hectare natuurterrein. Het landgoed is ontstaan door ontginning van heidegrond. Het doel hiervan was het tot stand brengen van
akkergronden en productiebossen. Binnen het heidegebied was o.a. de middeleeuwse ontginning Tulder gelegen. De geschiedenis hiervan gaat terug naar ongeveer 1400. In die tijd waren hier al enkele percelen in cultuur gebracht. Bij de ontginning van het landgoed is het buurtschap Tulder met haar akkercomplexen grotendeels bebost voor productiehout.
De nabije omgeving van de locatie kenmerkt zich door een mengeling van woonfuncties en agrarische bedrijven welke omsloten worden door bos en natuur. De locatie ligt westelijk op het landgoed. Het is gelegen aan de Prins Hendriklaan wat een smalle (geasfalteerde) landweg door het (productie)bos is, maar van oudsher de belangrijkste oost-westverbinding binnen het landgoed is. De Prins Hendriklaan sluit direct aan op de provinciale weg N296. Het perceel ligt aan een splitsing waar nog een woning nabij ligt. Ten noorden van het perceel is het landschap open en wordt de grond gebruikt voor akkerbouw.
De grond van het perceel wordt door ASR verpacht. Op het perceel staan woonboerderij 'Bosch Hoeve' uit 1915 met een bijgebouw. Daarnaast staan er twee stallen en enkele voedersilo's van recentere datum. Aan de overzijde van de weg is verder een karakteristieke kapschuur aanwezig. De navolgende afbeeldingen tonen de Bosch Hoeve, het bijgebouw en een luchtfoto van het plangebied.
Woonboerderij
Woonboerderij en bijgebouw
Kapschuur aan de overzijde van de weg (bron: Google Maps)
Luchtfoto van het plangebied
Voorliggend plan betreft het omzetten van een deel van het agrarisch bouwvlak naar een woonbestemming. Het gaat daarbij om de oorspronkelijke boerderij die gerenoveerd wordt voor bewoning. De overtollige bedrijfsgebouwen worden gesloopt.
Van de gebouwen zal de huidige bedrijfswoning met staldeel (gebouwd in 1915) anders ingericht worden. Het pand wordt intern aangepast en de voormalige stalruimte wordt bij de woonruimte betrokken. De oppervlakte van de bebouwing bedraagt circa 550 m². Het bijgebouw zal gaan fungeren voor opslag en werkruimte.
De verbouw van de boerderij gebeurt met inachtneming van de cultuurhistorische waarden van de Bosch Hoeve. De originele stalgevel blijft zoveel mogelijk intact. De originele loopdeuren worden teruggebracht en, evenals de grote poortdeuren, voorzien van glas. Ook de overige buitengevels blijven (afgezien van enkele gevelopeningen) ongewijzigd,
Erfinrichting en landschappelijke inpassing
Landschappelijke inpassing (ontwerp: Buro SRO)
Om het perceel op een goede manier in te passen in de omgeving is een landschappelijk inpassingsplan/erfinrichtingsplan gemaakt. De bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van het inpassingsplan. De volledige tekening inclusief legenda is opgenomen als bijlage 1.
Bij het ontwerp zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Sloop van overige bedrijfsgebouwen
De overige bedrijfsgebouwen zullen binnen 2 jaar worden gesloopt. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst en tevens als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van voorliggend bestemmingsplan. Op de tekening in bijlage 1 bij de regels is aangegeven welke gebouwen gesloopt moeten worden.
In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid beschreven. Eerst wordt ingegaan op het Rijksbeleid. Daarna wordt ingezoomd op het provinciale beleid. Tot slot wordt het gemeentelijke beleid behandeld.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.
De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst.
Gebiedsgericht
De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.
In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI en het Barro. Er zijn vanuit dit beleid geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
Ladder duurzame verstedelijking
Voorliggend plan betreft het omzetten van een deel van het agrarisch bouwvlak naar een woonbestemming. Hiermee wordt de (voormalige) bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd; er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet te worden doorlopen.
Het initiatief past binnen het rijksbeleid.
Met de Brabantse omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, de ambities en concrete doelen die de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe zij hieraan wil werken.
De provincie gelooft dat men met elkaar moet zorgen voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving en dat zij dat kunnen bereiken met een nieuwe manier van (samen)werken. Dat door het juiste samenspel – waarbij zij streven naar synergie en meerwaarde - de kwaliteit van leven hier en nu goed samengaat met de kwaliteit van leven elders en later.
Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien en stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie.
De provincie heeft vier hoofdopgaven opgesteld. Aan de basis van deze hoofdopgaven liggen veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit.
De Interim omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. Dit is een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen (milieu, wegen, ontgronden, natuurbescherming, ruimte en water).
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid.
Planspecifiek
De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de Interim omgevingsverordening met alle aanduidingen die voor het plangebied gelden. Het plangebied is onder andere aangeduid als 'Stiltegebied', 'Cultuurhistorisch waardevol gebied' en 'Groenblauwe mantel'. Hieronder worden de relevante artikelen benoemd en wordt beschreven hoe aan de voorwaarden uit de Interim omgevingsverordening wordt voldaan.
Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Stiltegebied (artikel 3.13)
Ad.
Met voorliggend plan wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar een woonbestemming. Hiermee wordt het agrarische bedrijf beëindigd. Dit leidt tot meer stilte en rust in het gebied.
Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel (artikel 3.32)
Ad.
Voorliggend plan betreft enkel de wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. De bestaande bebouwing zal geschikt worden gemaakt voor de woonfunctie. Dit heeft geen invloed op eventueel aanwezige landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt een bijdrage geleverd aan de versterking van de landschappelijke kwaliteiten.
Cultuurhistorische waarden (artikel 3.29)
Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied:
Ad.
Met het initiatief worden de cultuurhistorische waarden van de Bosch Hoeve en het bijbehorende bijgebouw bij goedkeuring hersteld. Bij de verbouwing blijven de huidige cultuurhistorische kenmerken behouden. Uitgangspunt is dat de buitenkant van de boerderij zoveel mogelijk hersteld wordt naar de oorspronkelijke staat waarbij aandacht is voor onder andere duurzaamheid (isolatie etc.). De nieuwe woonfunctie draagt bij aan een duurzame instandhouding van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, wat ook in lijn is met de doelstellingen van de Interim omgevingsverordening voor cultuurhistorisch waardevol gebied.
Het plan sluit hiermee aan bij het provinciaal beleid.
Op 25 februari 2016 is de Structuurvisie Hilvarenbeek vastgesteld. Een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst; daar zet de gemeente Hilvarenbeek op in. Met deze structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. In de Structuurvisie Buitengebied is een verdere uitwerking van de beleidskoers in het buitengebied opgenomen.
In januari 2014 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek vastgesteld. Hilvarenbeek kent naast de hoofdkern en de kleinere kernen een groot landelijk gebied waarin veel ontwikkelingen gaande zijn. De functieveranderingen en dynamiek in de agrarische en recreatieve sector, natuurontwikkeling en de wens om de landschappelijke waarden te behouden, vraagt om een samenhangende visie op ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Deze structuurvisie bevat de kaders voor duurzame kwaliteitsverbetering in Hilvarenbeek.
Het landschap in de gemeente is onderverdeeld in een vijftal landschapstypen, zijnde de beekdalen, kampen- en hoevenlandschap, oud ontginningslandschap, jong ontginningslandschap en bos- en natuurgebieden. Het plangebied is gelegen in het landschapstype 'jong ontginningslandschap'. Binnen dit landschap is landbouw de drager en is het behoud van kenmerken als openheid, geïsoleerde beplanting, ruigtestroken en stevige erfbeplanting van belang.
Planspecifiek
Gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling en de verbetering van de kwaliteit van het landschap op eigen perceel door middel van het landschappelijke inpassingsplan, is het initiatief zeer passend. Hiermee wordt voldaan aan de voorgeschreven basisinspanning voor een dergelijk initiatief.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Landgoed de Utrecht', vastgesteld op 22 juli 2015. Het plangebied heeft de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - 1' en de dubbelbestemmingen 'Waarde- Archeologie 2', 'Waarde - Attentiegebied EHS' en 'Waarde - Cultuurhistorie'. Op het agrarisch bouwvlak ligt de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voorwaardelijke verplichting 9', welke betrekking heeft op een maximaal toegestane ammoniakemissie. Op de bedrijfswoning ligt de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 3'. Deze aanduiding heeft betrekking op behoud, herstel en ontwikkeling van de aan de rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en overige beeldbepalende panden verbonden cultuurhistorische en architectonische kenmerken. Over het plangebied liggen tevens de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en 'wetgevingszone - omgevingsvergunning groenblauwe mantel. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan inclusief legenda.
Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging van de gronden naar wonen/woningsplitsing (artikel 3.7.7). Voorliggend initiatief voldoet echter niet aan alle gestelde voorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid, omdat erf en gebouwen een grotere oppervlakte hebben dan in de voorwaarden is opgenomen. Gezien de situering van het erfensemble past de huidige bebouwing niet binnen een bestemmingsvlak van 1.500 m². Om cultuurhistorische redenen is het echter wel gewenst om dit ensemble in stand te houden. Om het initiatief mogelijk te maken is daarom voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
De (bedrijfs)woning uit voorliggend plan is reeds in gebruik als woning. Deze blijft als zodanig in gebruik. Er vindt geen nieuwbouw plaats en er vinden ook geen andere bodemingrepen plaats. Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te onderzoeken is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd dat er enkele licht verhoogde gehalten met verontreiniging in de grond en het grondwater zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor het huidige en de toekomstige gebruik. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor het plan.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' is het van belang te bepalen wat de bijdrage van het plan is aan die luchtkwaliteit.
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Onderhavig initiatief betreft slechts het omzetten van (een deel van) een agrarische bestemming naar een woonbestemming. De voormalige bedrijfswoning wordt een reguliere woning. Met het plan worden de agrarische activiteiten definitief beëindigd, waardoor er juist sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen aan een smalle landweg waarop alleen bestemmingsverkeer voorkomt. Bovendien wordt met voorliggend plan geen nieuw geluidgevoelig object aan het plangebied toegevoegd. De bestaande woning op de locatie blijft gehandhaafd. Een toetsing op het aspect geluid is daarom niet nodig.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
Planspecifiek
Onderhavig initiatief betreft slechts het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Ondanks dat er geen sprake is van een nieuw geurgevoelig object (de woning is reeds bestaand) zijn de agrarische bedrijven in de nabije omgeving nader bekeken. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich op circa 280 meter afstand ten noorden van het plangebied, aan de Gagellaan 1. Dit betreft een melkrundveehouderij. Buiten de bebouwde kom geldt hiervoor een geëiste afstand van 50 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich tevens een melkveehouderij aan de Prins Hendriklaan 1a. Dit bedrijf ligt op circa 900 meter afstand van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots aan de geëiste afstand van 50 meter voldaan.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
Ten opzichte van de bestaande situatie verandert er feitelijk niets door dit plan. De bestaande bedrijfswoning is al een gevoelig object, waardoor er al rekening moet worden gehouden met deze woning door omliggende bedrijven. Het dichtstbij gelegen bedrijf in de omgeving van het plangebied is een melkrundveehouderij aan de Gagellaan 1. Het aspect geur is hiervoor al in paragraaf 4.1.4 behandeld. Voor de aspecten stof en geluid geldt een richtafstand van 30 meter. Met een feitelijke afstand van circa 280 meter wordt hier ruimschoots aan voldaan.
Omdat de agrarische activiteiten in het plangebied worden beëindigd, leidt het plan eerder tot een beter en gezonder woon- en leefklimaat. Met het wijzigen van de bestemming worden geen bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart
Uit de risicokaart is op te maken dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, de weg of het spoor liggen. Met het plan worden ook geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd. De woning is reeds aanwezig op de locatie. Er treedt geen verandering op ten opzichte van de bestaande situatie.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Beleid Waterschap De Dommel
Voor dit plan is het beleid van Waterschap De Dommel mede van belang. De volgende drie principes zijn richtinggevend bij de advisering over ruimtelijke plannen:
Het Waterschap hanteert geen verplichting tot hemelwaterberging bij een toename van het verhard oppervlakte van minder dan 500 m².
Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek
De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen bij de bewoner / eigenaar binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid.
Het gemeentelijke beleid is erop gericht de kansen voor ontvlechting van hemelwater en afvalwater zoveel als doelmatig wordt geacht aan te grijpen. Dit geldt zowel voor de particulier op eigen terrein als voor de openbare ruimte. Daarbij wil de gemeente de vrijstelling tot compensatie bij kleine toename in verhard oppervlak binnen de Keur voor een ontwikkeling, met dit gemeentelijk beleid teniet doen. Hiermee wil de gemeente knelpunten in het rioolstelsel mede oplossen door ook kleinere ontwikkelingen op particulier terrein hieraan bij te laten dragen.
Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m² nieuw verhard oppervlak is uitgangspunt dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het wijzigen van een agrarische functie naar een woonfunctie. Er wordt geen bebouwing toegevoegd. De bestaande situatie blijft gehandhaafd. In de bestaande situatie is het erf rondom de boerderij reeds grotendeels verhard. Dit zal niet noemenswaardig veranderen, en zeker niet meer worden. De bestrating zal bestaan uit gebakken klinkers en grind. De verharde oppervlaktes en daken worden afgewaterd naar de directe omgeving. In het plangebied is voldoende ruimte om het hemelwater op eigen terrein te laten infiltreren. De (voormalige) boerderij ligt hoger dan het omliggende weiland, waardoor het water hier goed weg kan lopen. Geconcludeerd wordt dat er geen watercompensatie hoeft plaats te vinden.
Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kempenland-West'. Dit gebied ligt op circa 1,8 kilometer afstand van het plangebied. Door de omvang van de ontwikkeling (het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming) en de afstand tot beschermde gebieden, kan het optreden van significante negatieve effecten als gevolg van geluid, licht etc. worden uitgesloten.
Het gebruik van de woning heeft geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied tot gevolg. De woning is immers al aanwezig en als zodanig in gebruik. Om te onderzoeken of de sloop van de stallen leidt tot een toename van stikstofdepositie is een Aeriusberekening uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 3. Uit de berekening blijkt dat als gevolg van de sloop de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied niet toeneemt. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is niet nodig voor dit project.
Soortenbescherming
Met voorliggend plan worden geen bomen gekapt of beplantingen verwijderd. Bij sloop van gebouwen is een ecologische quickscan naar het voorkomen van eventuele beschermde soorten noodzakelijk. In het kader van voorliggend plan zullen de in onbruik geraakte bedrijfsgebouwen binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan worden gesloopt. Gelet op de beperkte houdbaarheid van een ecologisch onderzoek is dit onderzoek nog niet uitgevoerd. In de regels van voorliggend plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om een ecologisch onderzoek naar beschermde soorten uit te voeren voordat de gebouwen gesloopt gaan worden.
Voor het gebruik van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning zijn geen ruimtelijke ingrepen nodig. Een ecologisch onderzoek is derhalve niet nodig voor de wijziging van de bestemming.
De initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.
Het omzetten van een agrarisch perceel naar wonen zorgt dat er minder intensief gebruik wordt gemaakt van
de wegen. Er zal minder zwaar landbouwverkeer gaan rijden. Op de locatie werd reeds gewoond. Er is geen sprake van een toename van verkeersbewegingen of een toegenomen behoefte aan parkeerruimte. Op het perceel is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Voorliggend plan betreft het omzetten van (een deel van) het agrarisch bouwvlak naar een woonbestemming.
De huidige bedrijfswoning 'Bosch Hoeve' (gebouwd in 1915), het bijgebouw en de bijbehorende kapschuur (aan de overkant van de Prins Hendriklaan) zijn beschreven in het rapport "Landgoed De Utrecht, Cultuurhistorische analyse" (zie bijlage 4). De Bosch Hoeve en het bijgebouw zullen worden opgeknapt voor bewoning en opslag-/werkruimte. Uitgangspunt is dat de buitenkant van de boerderij zoveel mogelijk hersteld wordt naar de oorspronkelijke staat waarbij aandacht is voor onder andere duurzaamheid (isolatie etc.). Bij de verbouwing blijven de cultuurhistorische kenmerken zoveel mogelijk behouden. Het behoud van de cultuurhistorische waarde wordt geborgd via de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' en de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 3'.
Het plangebied is gelegen op landgoed de Utrecht. Voor de gemeente is het van belang dat het landgoed kwalitatief (cultuurhistorie, natuur en landschap) behouden blijft en zich "duurzaam" ontwikkelt. De erfpacht die ontvangen wordt, wordt mede ingezet voor het beheer en onderhoud van het landgoed. Het perceel maakt onderdeel uit van het jonge ontginningslandschap met haar regelmatige en grootschalige verkaveling.
Archeologie
Het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek met het plangebied rood omcirkeld. Hierop is te zien dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft. Hierbij geldt een onderzoeksplicht bij grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld. Onderhavig initiatief betreft het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. De bestaande bebouwing zal hiermee van functie veranderen en voor wonen geschikt worden gemaakt. Met het plan vinden geen bodemingrepen plaats. Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Hilvarenbeek
In voorliggend plan worden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Cultuurhistorie' overgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van de cultuurhistorische en eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied.
Het plan is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Voor de opzet van voorliggend bestemmingsplan is aangesloten bij de systematiek en de regels van het bestemmingsplan 'Landgoed de Utrecht' (2015). Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de relevante instanties. De brandweer en het waterschap hebben aangegeven dat zij instemmen met het plan. Het waterschap heeft een aantal aandachtspunten meegegeven waar bij toekomstige ontwikkelingen rekening mee gehouden moet worden. Een enkele tekstuele opmerking is verwerkt in paragraaf 4.2.
De provincie Noord-Brabant heeft verzocht om de sloopverplichting van de huidige bedrijfsbebouwing vast te leggen in het bestemmingsplan. Daarnaast heeft zij aangegeven het belangrijk te vinden dat bij de landschappelijke inpassing wordt uitgegaan van een haag en niet van een eventueel hekwerk. Beide opmerkingen zijn verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.
Gezien de beperkte omvang van het plan wordt er geen formele inspraakprocedure georganiseerd. De initiatiefnemer heeft omwonenden geïnformeerd over het plan (zie bijlage 5).
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 5 oktober tot en met 15 november 2023 ter inzage gelegen. Er is tijdens deze termijn één formele zienswijze ingediend. In de Nota van zienswijzen in bijlage 6 is de zienswijze samengevat en van antwoord voorzien. De zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.
Wel zijn er enkele ambtelijke wijzigingen in het plan doorgevoerd. Dit staat beschreven in bijlage 7.