| Plan: | Hoek Willem Alexanderstraat en Van Haestrechtstraat, Drunen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0797.WAlexVHaestrDrunen-VG01 |
Via de KavelWinkel wil de gemeente Heusden mensen helpen bij het vinden van een vrije bouwkavel of een nieuwbouwwoning. De gemeente Heusden wil een aantal kleine locaties ontwikkelen, die een aanvulling kunnen zijn op het aanbod in de KavelWinkel. Het perceel op de hoek van de Willem Alexanderstraat en Van Haestrechtstraat in Drunen is er hier één van.
Het realiseren van een woning op deze locatie is binnen het vigerende bestemmingsplan 'Drunen Herziening 2014' niet mogelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van één woning.
Het plangebied ligt in het noordelijk deel van de kern Drunen, in de wijk Braken-Oost. Het plangebied maakt deel uit van een rustige woonwijk en wordt dan ook omringd met woonfuncties. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een groot grasveld met enkele speelvoorzieningen.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Drunen Herziening 2014' en heeft momenteel de bestemming 'verkeer - verblijfsgebied'. Het realiseren van een woning binnen deze bestemming is uitgesloten.
In hoofdstuk 2 wordt de huidige en beoogde situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan de relevante beleidsdocumenten. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de juridische toelichting. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.
Het plangebied betreft één kadastraal perceel en is ca. 600 m2 groot. In de huidige situatie heeft het de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied (zie figuur 2.1) en bestaat het uit een groenstrook in de vorm van een grasveld met daarop enkele bomen. Het plangebied wordt omgeven door woonfuncties en ten noorden van het plangebied is een groot grasveld te vinden.
Figuur 2.1 Vigerend bestemmingsplan
Op basis van het huidige bestemmingsplan mag geen woning worden gebouwd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de bouw van 1 woning mogelijk gemaakt. Ten behoeve hiervan heeft het perceel deels een woon- en deels een tuinbestemming gekregen. De bestemmingslegging sluit grotendeels aan op de bestaande lijnen van de woon- en tuinbestemmingen op de omliggende percelen. Daarnaast is een bouwvlak toegevoegd, om het realiseren van een woning mogelijk te maken.
De toekomstige ruimtelijke indeling van het perceel is nog niet bekend. Daarom biedt dit bestemmingsplan zoveel mogelijk flexibiliteit. Om de locatie van de nieuw te realiseren woning zo flexibel mogelijk te maken, is een zo groot mogelijk bouwvlak opgenomen. Hierbij is wel rekening gehouden met voldoende afstand tot de woningen van de buren. Daarnaast is het bouwvlak in de lijn van de bouwvlakken van aangrenzende percelen gelegd en is aangesloten bij de toegestane bouw- en goothoogte op deze percelen, zodat de inrichting van het perceel in de toekomst goed op de omgeving aan zal sluiten.
Om te zorgen dat de ontwikkeling, als deze eenmaal gerealiseerd is, bij de omgeving past, zijn in de regels aanvullende voorwaarden gesteld met betrekking tot de toekomstige inrichting van het terrein. Dit betreft onder andere de minimum afstand van bebouwing tot perceelsgrenzen, de bouwmogelijkheden binnen en buiten het bouwvlak en de bouw- en goothoogte van verschillende bouwwerken.
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid dat er geen nationale belangen in het geding zijn.
Toetsing
Er zijn geen nationale belangen in het geding.
De SVIR beschrijft de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit artikel bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een verantwoording dient te bevatten dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Om het proces van stedelijke ontwikkelingen op een gewenste wijze te laten plaatsvinden worden stappen voorgeschreven ('de treden van de ladder'). De ladder voor duurzame verstedelijking werkt met de volgende opeenvolgende stappen ('de treden van de ladder'):
Toetsing
Uit recente uitspraken van de Raad van State is gebleken dat bij kleinschalige ontwikkelingen (zoals de bouw van één woning) geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is dan niet noodzakelijk. Voor de volledigheid is hierna wel een toelichting gegeven over de ontwikkeling op basis van de woningbouwplanning.
De gemeente Heusden maakt deel uit van de regio Noordoost-Brabant. In deze regio maken de gemeenten jaarlijks in het 'Regionaal Ruimtelijk Overleg'/RRO samen met de provincie Noord- Brabant afspraken over de woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaars-periode. Basis hiervoor vormt de periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit 2014. In de planperiode van 2015 tot en met 2024 bedraagt de bouwopgave voor Heusden 2.286 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas van de gemeente, maar ook in de huishoudenverdunning en de verwachte migratie. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave, een woningbehoefte, van 18.900 woningen. Voor de lange termijn -tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen.
Door de ligging van de gemeente Heusden, op de rand van de regio Noordoost-Brabant, is er tevens een samenwerking met de regio Hart-van-Brabant. En vooral intensief binnen de subregio de Langstraat, die wordt gevormd door de gemeenten Waalwijk, Loon op Zand en Heusden. Deze gemeenten vormen samen één woningmarkt. Woningbouwplanning en plannen worden binnen de Langstraat actief afgestemd, zowel kwalitatief als kwantitatief. Dit vindt zijn weerslag in de monitor.
In de planning van de gemeente Heusden zijn in de komende vijf jaar 1.093 (2015-2019) woningen gepland en er zijn 2.187 woningen gepland voor de komende tien jaar (2015 t/m 2024). Hiermee blijft de gemeente iets achter op de prognose van de provincie. Van dit geplande aantal woningen was bij de laatste herziening van de planning (november 2015) 48% (1.101 woningen) harde plancapaciteit.
De met dit bestemmingsplan nieuw te bouwen woning is opgenomen in de woningbouwplanning. Het betreft een locatie gelegen binnen het stedelijk gebied.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen nationaal beleid.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking.
Deel A
Dit deel bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: 'samenwerken aan kwaliteit'. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken. Op 3.1 is een uitsnede van de structurenkaart ter plaatse van het plangebied weergegeven.
Figuur 3.1 Uitsnede structurenkaart
Op de structurenkaart van de structuurvisie valt het plangebied binnen 'stedelijk concentratiegebied' (rood).
Stedelijk concentratiegebied
De provincie onderscheidt binnen de stedelijke structuur twee ontwikkelingsperspectieven: stedelijk concentratiegebied en kernen in het landelijk gebied. In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. Het stedelijk concentratiegebied bestaat onder andere uit het 'kralensnoer' van steden en kernen afgewisseld door groene geledingszones op de overgang van zand- naar kleigebied van Bergen op Zoom, via Roosendaal, Etten-Leur, Breda, Oosterhout, Waalwijk, 's-Hertogenbosch tot Oss. Regionale afstemming voor stedelijke ontwikkelingen vindt plaats in de regionale agenda's voor wonen. De provincie streeft bij alle ontwikkelingen naar zorgvuldig ruimtegebruik en aandacht voor ruimtelijke kwaliteit.
Conclusie
De ontwikkeling is gelegen in bestaand stedelijk gebied en draagt bij aan het opvangen van de verstedelijkingsopgave. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Volgens de 'themakaart stedelijke ontwikkeling', behorende bij de verordening, ligt het plangebied geheel in bestaand stedelijk gebied (paars). Een uitsnede van deze kaart is opgenomen in figuur 3.2.
Figuur 3.2 Uitsnede themakaart stedelijke ontwikkeling
Voor het plangebied zijn de volgende regels relevant:
Per artikel wordt (indien relevant) getoetst aan het provinciaal belang.
Artikel 3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit
De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:
De nieuw te realiseren woning past bij de bestaande woonfuncties in de omgeving. In de regels worden voorwaarden gesteld aan de ruimtelijke indeling van het perceel en de maatvoering van de woning.
Het plangebied valt binnen het bestaand stedelijk gebied en betreft inbreiding. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:
Zoals beschreven in hoofdstuk 4 heeft het plan geen gevolgen voor de hier genoemde aspecten.
Zoals eerder genoemd zal de nieuwe invulling van dit perceel passen in het huidige straatbeeld. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling zullen er geen significante veranderingen zijn ten aanzien van de milieuaspecten en de volksgezondheid.
Er wordt gebruikgemaakt van de reeds aanwezige infrastructuur ter ontsluiting van het perceel. Deze ontsluiting is voldoende voor de ontwikkeling.
Artikel 4 Bestaand stedelijk gebied
Artikel 4.2 Stedelijke ontwikkeling
Een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling is uitsluitend gelegen in bestaand
stedelijk gebied.
De ontwikkeling is gezien de geringe omvang geen nieuwe stedelijke ontwikkeling en is tevens gelegen in bestaand stedelijk gebied.
Artikel 4.3 Nieuwbouw van woningen
1. De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop:
2. Onder harde plancapaciteit voor woningbouw als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan de capaciteit voor nieuw te bouwen woningen waarover een gemeente beschikt, die:
De woning is opgenomen op de gemeentelijke planningslijst woningbouw die naar aanleiding van het regionaal ruimtelijk overleg is opgesteld.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de Verordening Ruimte 2014.
Deze structuurvisie geeft de ruimtelijke ambities van de gemeente Heusden voor een periode van 20 jaar, met een accent op de periode 2010-2020.
De gemeente Heusden heeft met haar “Nota Volkshuisvesting 2030' gekozen voor een open scenario. Dit scenario voorziet in de realisering van 3.580 woningen tot 2030. De meest recente provinciale prognoses gaan zelfs uit van een verruiming en versnelling van dit programma. Daarin wordt namelijk uitgegaan van de bouw van 3.320 woningen in de periode 2009 tot 2020 en 5.385 in de periode 2009-2030.
Deze taakstelling biedt goede perspectieven om de woningvoorraad nog beter af te stemmen op de huidige en toekomstige behoeften op het gebied van woonkwaliteiten, zorg en welzijn. Nieuwe woningbouwlocaties worden geconcentreerd aan de randen van de kernen. Daarnaast wil de gemeente:
Toetsing en conclusie
Dit project past binnen de kaders van de structuurvisie. Het draagt bij aan het afstemmen van de woningvoorraad op toekomstige behoefte.
Met het vaststellen van de woonvisie Heusden 2014-2024 “Dromen waarmaken” is ingespeeld op de actualiteit en wordt een visie gegeven op volkshuisvestelijke ontwikkelingen in de komende beleidsperiode 2014-2018 met een doorkijk van tien jaar. De Woonvisie is op 14 januari 2014 vastgesteld.
De woonvisie heeft als titel 'Dromen waarmaken'. Deze verwoordt de opvatting dat inwoners van Heusden zoveel mogelijk zelf moeten kunnen bepalen hoe ze willen wonen. De gemeente vindt het belangrijk dat de inwoners binnen de gemeente een wooncarrière kunnen doorlopen. Daarbij is bijzondere aandacht voor mensen die vanwege inkomen of gezondheid beperkte kansen op de woningmarkt in Heusden hebben. De gemeente koestert de variëteit aan identiteiten en benut de kans die nieuwbouw biedt om deze variatie te versterken. Dat is ook nodig gezien de demografische ontwikkelingen in de komende periode. De nieuwbouw biedt de gelegenheid om bij te dragen aan de regionale woonopgaven.
In de woonvisie zijn de volgende speerpunten van beleid genoemd:
Toetsing en conclusie
Dit bestemmingsplan draagt bij aan het bieden van kansen voor nieuwbouw op burgerinitiatief. Er wordt zoveel mogelijk flexibiliteit geboden. Het plan past binnen de uitgangspunten van de woonvisie.
Toetsingskader
Monumentenwet 1988
In de Monumentenwet 1988 wordt voorgeschreven dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, moet voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Gemeentelijk archeologiebeleid
In de Erfgoednota heeft de gemeente vastgelegd hoe het cultureel erfgoed behouden en versterkt kan worden. Cultuurhistorische waarden zijn vastgelegd op de cultuurhistorische waardenkaart. Archeologie is vastgelegd via de 'archeologische verwachtingenkaart' en 'archeologische beleidsadvieskaart'. In het gemeentelijke archeologiebeleid is aan de hand van verschillende categorieën bepaald wanneer archeologisch onderzoek nodig is (en wanneer niet). Dit is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde.
Onderzoek
Cultuurhistorie
Er zijn geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle objecten in het plangebied of de directe omgeving aanwezig.
Archeologie
Op basis van de gemeentelijke verwachtingenkaart en de daaruit volgende beleidskaart kan worden opgemaakt dat het perceel geen archeologische verwachtingswaarde heeft. Daarom is het gebied vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
Conclusie
De aspecten cultuurhistorie en archeologie staan de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Normstelling en beleid
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Onderzoek
Ten opzichte van de vigerende planologische situatie is er sprake van een functiewijziging. Het plangebied verandert van 'verkeer – verblijfsgebied' naar 'wonen'. Vanwege deze functiewijziging is door Econsultancy verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat de bodemkwaliteit geen belemmering is voor de woonfunctie.
Conclusie
Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
In het bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen – wat ecologie betreft – moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.
Huidige situatie
Het perceel bestaat momenteel uit grasland waar enkele jonge boompjes op staan.
Beoogde ontwikkelingen
Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van één woning mogelijk gemaakt.
Beleid en normstelling
Beleid
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van het Natuurnetwerk Noord-Brabant (voorheen de Ecologische hoofstructuur) is provinciaal uitgewerkt in Structuurvisie en verordening.
Normstelling
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkeling dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Natuurbeschermingswet 1998
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op minimaal 1.200 m van het Natuurnetwerk Noord-Brabant. De afstand tot Natura 2000 bedraagt minimaal 2.300 m (zie figuur hieronder). Vanwege deze grote afstanden en de zeer kleinschalige ingreep is er geen enkel effect van het plan op deze beschermde natuurgebieden.
Figuur 4.1 Ligging plangebied (blauw) ten opzichte van het provinciale Natuurnetwerk (groen) en Natura 2000 (rood)
Soortenbescherming
Het plangebied herbergt geen vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen van zwaar beschermde soorten en geen groeiplaatsen van beschermde planten. De locatie heeft ook geen bijzondere betekenis als foerageergebied van of als migratieroute voor beschermde soorten. De beoogde woning zal derhalve geen effect hebben op beschermde soorten. Nader veldonderzoek zal deze conclusie niet veranderen en is derhalve niet nodig.
Conclusie
De Natuurbeschermingswet, de Flora- en faunawet en het provinciaal beleid ten aanzien van het natuurnetwerk staan de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De initiatiefnemer heeft het waterschap Aa en Maas geïnformeerd door gebruik te maken van de Digitale Watertoets. Deze is uitgevoerd op 16 maart 2016. Daaruit kwamen geen aandachtspunten naar voren die aanleiding geven tot nader overleg met het waterschap.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het ontwikkelingsgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschap:
Gemeente:
Waterschapsbeleid
In het waterbeheerplan 2016 – 2021 staan de doelen die het waterschap Aa en Maas nastreeft en wat in deze periode gedaan moet worden om de doelen te halen. Samenwerking staat in dit plan centraal. Samenwerken met de partners van het waterschap maar ook met de inwoners van het beheersgebied.
Het plan is geen grote koerswijziging ten opzichte van het waterbeheerplan 2010-2015, maar ontwikkelingen zoals de klimaatverandering vragen wel om nieuwe accenten. Waterveiligheid en waterkwaliteit zijn hierbij belangrijke onderwerpen.
Om het beheersgebied beter te beschermen tegen overstromingen worden er strengere eisen gesteld aan de dijken langs de Maas. Het waterschap heeft tot 2050 om de dijken hierop aan te passen.
De kwaliteit van het oppervlaktewater is daarnaast de komende jaren echt een punt van aandacht. Enerzijds zitten er te grote hoeveelheden voedingsstoffen in het water. Deze staan een natuurlijk en gezond watersysteem in de weg. Anderzijds zijn er ook allerlei 'nieuwe' stoffen die een steeds groter probleem vormen, zoals medicijnresten, drugs(afval) en resistente bacteriën. Deze stoffen kunnen door de zuiveringen nu moeilijk uit het afvalwater gehaald worden. Ook dit vraagt om actie.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Heusden en haar waterpartners (Waterschappen Aa en Maas en De Dommel, provincie Noord-Brabant en waterleidingmaatschappij Brabant Water) hebben een integraal waterplan opgesteld. De aanleiding hiervoor was een omslag in het denken en beleid rond water gedurende de afgelopen jaren: in plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen, kwam de nadruk te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem (duurzaamheidprincipe). Om aan te kunnen geven hoe de gemeente omgaat met water, zijn in het waterplan zeven waterdoelen geformuleerd:
Deze doelstellingen zijn uitgewerkt als gebied specifieke streefbeelden voor stedelijk-, landelijk-, en natuurlijk gebied. Het waterplan is een 'parapluplan' voor andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt. Bovendien schept het waterplan randvoorwaarden en (beleid)uitgangspunten voor projecten binnen de gemeente Heusden.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan
Op 15 mei 2012 is het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) voor de gemeente Heusden opgesteld voor het jaar 2012-2016. Een GRP is een beleidsmatig en strategisch plan voor de aanleg en beheer van de gemeentelijke riolering. Om water op straat te voorkomen in de gebieden waar wateroverlast wordt ervaren, zijn korte termijn maatregelen benoemd die de wateroverlast grotendeels terugdringen. Door de afvoercapaciteit van de riolering te vergroten, zal het oppervlaktewater echter nog intensiever belast worden met afvoer vanuit het stedelijk gebied. Een duurzame lange termijn oplossing is het afkoppelen van verhard oppervlak en het water bergen in de daarvoor geschikte locaties net buiten de kern. Hiertoe is een kaart opgesteld met zoekgebieden voor waterberging. Bij het afkoppelen van hemelwater wordt in beginsel gestart met de verharde gebieden die het verst van de overstorten zijn gelegen, zodat het afkoppelen direct effect heeft op het hele rioleringsgebied.
In het hemelwaterbeleid staan 4 pijlers centraal:
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied ligt op de hoek van de Willem Alexanderstraat en de Van Haestrechtstraat, in de wijk Braken-Oost, ten noordoosten van het centrum van Drunen. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland.
Bodem en grondwater
Omdat het plangebied in de bebouwde kom van Drunen ligt is het plangebied niet gekarteerd.
Waterkwantiteit
Binnen en nabij het plangebied zijn geen watergangen aanwezig.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is niet aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Toekomstige situatie
Algemeen
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één nieuwbouwwoning. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling is er sprake van toename in verharding. Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 2000 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Het plangebied heeft een oppervlak van circa 600 m². Een vergunning in het kader van de Keur is dan ook niet noodzakelijk. Conform het vGRP wordt het hemelwater volledig op eigen terrein opgevangen en verwerkt.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering, vigerend waterschapsbeleid en het verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap mag worden gebouwd, geplant of opgeslagen. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.
Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling is geen vergunning op basis van de Keur noodzakelijk.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Onderzoek
Het plangebied maakt deel uit van een rustige woonwijk en wordt dan ook omringd met woonfuncties. Wel is op circa 200 m afstand een middelbare school gevestigd, waarvoor op basis van de VNG-publicatie een richtafstand geldt van 30 m ten opzichte van een rustige woonwijk. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan.
Het bedrijvenpark Groenewoud ligt op circa 650 m ten oosten van het plangebied. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van dit gezoneerde bedrijventerrein. In paragraaf 4.8 Geluid wordt hier nader op ingegaan. Verder zijn er in de directe omgeving geen bedrijven aanwezig die van invloed zijn op de milieusituatie ter plaatse van het plangebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de woningbouwontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Vooruitlopend op de vaststelling van het BTEV wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek
In de omgeving van het plangebied zijn enkele inrichtingen aanwezig, waaronder een LPG-tankstation en een gasontvangstation. Ook loopt ten noorden van het plangebied een hogedruk aardgasleiding (Z-517-12) van Gasunie en de Rijksweg A59 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De inrichtingen, leiding en rijksweg liggen op dusdanig grote afstand (meer dan 450 m) van het plangebied dat deze geen extern veiligheidsrisico vormen ter plaatse van het plangebied. Er vindt in de directe omgeving verder geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor of het water.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Verkeersstructuur
Ontsluiting van het perceel zal plaatsvinden via ofwel de Willem Alexanderstraat ofwel de Van Haestrechtstraat. Beide wegen zijn gecategoriseerd als erftoegangsweg en kennen een maximum snelheid van 30 km/u. Deze wegen kennen, conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig, verder een enkele rijloper waar het gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer gemengd worden afgewikkeld. Voor voetgangers is langs de Willem Alexanderstraat een trottoir aanwezig. Deze ontbreekt aan de Van Haestrechtstraat. Gezien de functie van deze weg binnen de wegenstructuur van de kern Drunen en de daaruit logischerwijs volgende beperkte verkeersintensiteit, zal dit niet leiden tot knelpunten ten aanzien van verkeersveiligheid. Het verkeer van en naar het perceel zal verder worden afgewikkeld richting de Prins Hendrikstraat. Vanaf hier kan verder worden ontsloten richting onder andere de op- en afritten van de Rijksweg A59. De ontsluiting van het perceel is goed.
Parkeerbehoefte
De gemeente Heusden heeft parkeernormen vastgelegd in de Nota Parkeernormen Heusden 2016. Conform deze nota bedraagt de parkeernorm voor een vrijstaande woningen in het restgebied van de bebouwde kom 2,3 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte dient opgevangen te worden binnen het plangebied.
Conclusie
De ontsluiting van het plangebied is goed voor alle modaliteiten. De parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het plangebied.
Wegverkeerslawaai
De ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe woning. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Op basis van jurisprudentie en in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voor nieuwe woningen ook ten aanzien van niet gezoneerde wegen inzichtelijk gemaakt te worden dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
Toetsingskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). Voor de beoogde binnenstedelijke ontwikkeling geldt een maximaal toelaatbare hogere waarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai. De ten noorden van het plangebied gelegen Prins Hendrikstraat kent in de huidige situatie een maximum snelheid van 50 km/u en heeft zodoende een geluidszone van 200 m. Echter is in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan opgenomen dat deze zal worden afgewaardeerd tot erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/u. De voorbereidingen hiervoor zijn reeds getroffen. Zodoende kan worden uitgegaan van deze toekomstige situatie en ligt de locatie niet binnen de geluidszone van gezoneerde wegen.
Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager op basis van de Wgh niet-gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt wordt de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de uiterste grenswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. In dit kader is rekening gehouden met de ligging van de te realiseren woning aan de Willem Alexanderstraat en Van Haestrechtstraat.
Krachtens artikel 3.4 van het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder (RMG) 2012 mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB.
Uitgangspunten
Uitgangspunt voor het akoestisch onderzoek is de realisatie van een woning met een begane grond en eerste en tweede verdieping. Zodoende is gerekend op de waarneemhoogten 1,5 m, 4,5 m en 7,5 m.
Voor het akoestisch onderzoek dienen de verkeersintensiteiten voor het jaar 2026 gehanteerd te worden. Deze zijn aangeleverd door de gemeente Heusden en, omdat geen tel- of modelgegevens beschikbaar zijn, gebaseerd op aannames. Voor zowel de Willem Alexanderstraat als de Van Haestrechtstraat is een aanname gedaan van 2.000 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Voor akoestisch onderzoek dient uitgegaan te worden van verkeersintensiteiten op een gemiddelde weekdag. Door de gemeente Heusden wordt een omrekenfactor gehanteerd van 0,88. Voor beide wegen geldt op een weekdag zodoende een intensiteit van 1.760 mvt/etmaal. Ook is door de gemeente Heusden een voertuig- en etmaalverdeling aangeleverd. Deze is terug te vinden in de rekenbladen in bijlage 1.
Beide wegen kennen een maximum snelheid van 30 km/u. De Willem Alexanderstraat is uitgevoerd in dichtasfaltbeton (referentiewegdek) en de Van Haestrechtstraat in klinkerverharding (niet in keperverband).
Onderzoek en resultaten
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. Hierbij is de kortste afstand aangehouden tussen de as van beide wegen tot aan de grens van de woonbestemming.
In onderstaande tabel is de geluidbelasting op de randen van de woonbestemming weergegeven. Hierbij is steeds onderscheid gemaakt naar waarneemhoogte en bron.
Tabel 4.1 Overzicht geluidbelasting gevel
| bron | waarneemhoogte | geluidbelasting |
| Willem Alexanderstraat | 1,5 m | 46 dB |
| 4,5 m | 46 dB | |
| 7,5 m | 46 dB | |
| Van Haestrechtstraat | 1,5 m | 55 dB |
| 4,5 m | 55 dB | |
| 7,5 m | 54 dB |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ten aanzien van de Van Haestrechtstraat de richtwaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximaal aanvaardbare waarde wordt echter niet overschreden.
Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting
Voor de ontwikkeling is sprake van een hogere geluidsbelasting dan 48 dB ten gevolge van de Van Haestrechtstraat. Bezien is of met maatregelen de geluidsbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen. Er is een aantal maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting denkbaar.
Een mogelijkheid is om de functie van de weg, samenstelling van het verkeer of de maximumsnelheid te wijzigen. De functie als erftoegangsweg met de daarbij behorende maximumsnelheid van 30 km/u dient behouden te blijven voor de ontsluiting van het omliggende gebied. Erftoegangswegen behoren tot de laagste wegcategorie. Wijziging hiervan of van de samenstelling van het verkeer ten behoeve van verdere geluidsreductie is daarom niet wenselijk.
Verder zijn erftoegangswegen hoofdzakelijk voorzien van een klinkerverharding. Asfalteren van deze wegen is om verkeerskundige redenen niet wenselijk. Klinkerverharding draagt bij aan het verblijfskarakter en heeft een snelheidsremmend effect. Een asfaltverharding is om die reden niet wenselijk. Maatregelen in het overdrachtsgebied zoals geluidsschermen zijn niet inpasbaar.
Conclusie
Ten aanzien van de niet-gezoneerde Van Haestrechtstraat bedraagt de geluidsbelasting op de gevel maximaal 55 dB (bij een waarneemhoogte van 1,5 en 4,5 m). De richtwaarde van 48 dB wordt overschreden. Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting zijn niet mogelijk of doelmatig. Omdat de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB niet wordt overschreden, is er sprake van een acceptabel akoestisch klimaat. Omdat 30 km/u-wegen niet-gezoneerd zijn, zijn in het kader van de Wgh geen aanvullende procedures noodzakelijk. Bovendien is er geen sprake van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van gezoneerde wegen. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Industrielawaai
De ontwikkeling is gelegen binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Groenewoud. Gezien het feit dat er nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd worden, is akoestisch onderzoek noodzakelijk, en dient er een hogere waarde vastgesteld te worden.
Voor het bouwvlak is de geluidbelasting vanwege industrieterrein Groenewoud bepaald. Als uitgangspunt voor de berekening is het geactualiseerde zonebewakingsmodel gebruikt (rapport M.2014.1271.00.R001 van 7 juli 2015). De geluidbelasting bedraagt 43 dB(A). Hiermee wordt (ruimschoots) aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde voldaan. Dit betekent dat het vaststellen van een hogere waarde in principe niet noodzakelijk is.
In zijn algemeenheid wordt aanbevolen om rekening te houden met de planologische mogelijkheden van het industrieterrein en voor de woning wel een hogere waarde vast te stellen. Hiermee worden de mogelijkheden van het industrieterrein niet onnodig beperkt. Op het nabijgelegen zonebewakingspunt 09, ter plaatse van de zonegrens, is nog ruim 7 dB geluidsruimte beschikbaar. Met een hogere waarde van 51 dB(A) wordt voldoende rekening gehouden met de planologische mogelijkheden van het industrieterrein.
Conclusie
In de huidige situatie wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voldaan. In verband met de planologische mogelijkheden van het industrieterrein is het noodzakelijk een hogere waarde van 51 dB(A) voor de woning vast te stellen.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Nibm
In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal woningen met één toe. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Daarmee kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Prins Hendrikstraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 20,7 µg/m³ voor NO2, l 22,6 µg/m³ voor PM10 en 14,5 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 11 dagen.
Omdat direct langs deze weg wordt aan de grenswaarden voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
De basis voor de verbeelding, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond met topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven.
Uitgangspunt voor de regels is de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Daarnaast is voor de regels ook aansluiting gezocht bij de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening, onder meer met betrekking tot de antidubbeltelbepaling en het overgangsrecht. Voor dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels uit het vigerende bestemmingsplan.
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) in dit bestemmingsplan is het volgende van belang.
Opzet verbeelding
Bestemmingen
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid, zoals W voor 'Wonen'.
Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onderhoek op de verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De analoge kaart bestaat uit 1 kaartblad en renvooi, op een schaal van 1:1.000.
Aanduidingen
Op de verbeelding worden maatvoeringsaanduidingen aangegeven waarin het maximum aantal toegestane wooneenheden (woningen) en de maximaal toegestane hoogtemaat (goothoogte en bouwhoogte) worden aangegeven.
Daarnaast is voor het gehele plangebied een gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie opgenomen in verband met de ligging binnen de geluidzone van industrieterrein Groenewoud. Deze is oranje gearceerd.
Bij het toekennen van de aanduidingen is gebruik gemaakt van de standaard (en verplichte) aanduidingen uit SVBP2012.
Opzet planregels
Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde.
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd:
Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
Begrippen (Artikel 1)
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis.
Wijze van meten (Artikel 2)
In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Tuin (Artikel 3)
De gronden die zijn aangewezen als 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen, en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Bijgebouwen zijn niet toegestaan. Onder voorwaarden mogen binnen deze bestemming erkers, balkons of luifels en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen van hoofdgebouwen van aangrenzende bestemmingen worden gebouwd. Er zijn ook regels opgenomen voor het bouwen van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Wonen (Artikel 4)
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van beroep aan huis. De toegestane goot- en bouwhoogte zijn respectievelijk 3,5 en 9 m. Binnen het bouwvlak mogen gebouwen worden opgericht. De gronden buiten het bouwvlak maar binnen de woonbestemming zijn de erven waarop de bebouwingsregeling in de regels van toepassing is.
In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsregels, aanvullende regels gesteld.
Anti-dubbeltelregel (Artikel 5)
Dit artikel bevat de anti-dubbeltelbepaling zoals deze verplicht is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening.
Algemene gebruiksregels (Artikel 6)
In deze bepalingen zijn enkele gebruiksvormen aangegeven, die in ieder geval als strijdig met het
bestemmingsplan worden aangemerkt. Het gebruiksverbod zelf is geregeld in artikel 2.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht.
Algemene aanduidingsregels (Artikel 7)
In dit artikel is vastgelegd welke gebiedsaanduiding van toepassing is en welke regels deze aanduiding hanteert.
Het plangebied is gelegen binnen een geluidszone industrielawaai (als bedoeld in artikel 40 Wet geluidhinder). Binnen die zone met de aanduiding 'geluidzone - industrie' gelden beperkingen voor het bouwen van geluidsgevoelige bebouwing, met name woningen.
Algemene afwijkingsregels (Artikel 8)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.
Overgangsregel (Artikel 9)
In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij de inwerkingtreding van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
Slotregel (Artikel 10)
In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.
Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting inzicht worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Deze uitvoerbaarheid betreft in het bijzonder de financieel economische uitvoerbaarheid. In dat verband is hiernaar onderzoek verricht. Daarnaast moet worden aangegeven of er een exploitatieplan wordt opgesteld of dat er sprake is van een overeenkomst.
Kostenverhaal
Dit bestemmingsplan leidt tot de planologische mogelijkheid om een nieuwe woning te bouwen. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Financiële uitvoerbaarheid
De kosten die verband houden met het nieuwe gebruik zijn plankosten en de kosten van de bouw. De plankosten worden door de gemeente betaald en de bouwkosten door een toekomstige koper. De financiële uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is met het oog op het voorgaande afdoende gewaarborgd.
Inspraak en overleg
Het betreft een ontwikkeling van beperkte omvang (één woning). Om deze redenen is conform de gemeentelijke inspraakverordening besloten af te zien van een terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan ‘Hoek Willem Alexanderstraat en Van Haestrechtstraat, Drunen’.
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gepleegd te worden met het waterschap en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast
zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor dit plan is overleg gepleegd met:
1. Gedeputeerde Staten Noord-Brabant, directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving;
2. Waterschap Aa en Maas.
Het waterschap Aa en Maas heeft aangegeven geen opmerkingen op het conceptbestemmingsplan te hebben. Ook Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben gereageerd, dat zij geen aanleiding zien tot het maken van opmerkingen.
Vaststellingsprocedure
In het kader van de vaststellingsprocedure conform artikel 3.1.8 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 26 mei 2016 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn heeft een ieder de gelegenheid gekregen om zijn of haar zienswijze kenbaar maken. Bij de gemeente zijn gedurende deze periode 12 zienswijzen ingediend. De samenvatting en beantwoording hiervan is opgenomen in de Nota zienswijzen in bijlage 3. De Nota wijzigingen (bijlage 4) bevat een overzicht van de ambtshalve wijzigingen en de wijzigingen die naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen zijn doorgevoerd.