| Plan: | Oude Haven, Haarsteeg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0797.OudeHavenHaarsteeg-VG01 |
Via de KavelWinkel wil de gemeente Heusden mensen helpen bij het vinden van een vrije bouwkavel of een nieuwbouwwoning. De gemeente Heusden wil een aantal kleine locaties ontwikkelen, die een aanvulling kunnen zijn op het aanbod in de KavelWinkel. Het onderstaande perceel aan de Oude Haven in Haarsteeg is er hier één van.
Het realiseren van een woning op deze locatie is binnen het vigerende bestemmingsplan 'Heusden Buitengebied' niet mogelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van één woning.
Het plangebied ligt aan de noordoostkant van Haarsteeg, net binnen de kom. Ten noorden ligt een binnendijk, met daarachter agrarische gronden. Ten zuiden van het perceel bevinden zich de Sloot door de Ipperhoeve met aan de zuidwestkant eveneens agrarische gronden. Aan de zuidoostkant bevindt zich de kom van Haarsteeg. Direct ten westen en oosten van het plangebied bevinden zich woonfuncties en is tevens een sloop- en grondwerkenbedrijf gevestigd.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Heusden Buitengebied' en heeft momenteel deels een woon- en deels een tuinbestemming. Daarnaast heeft een deel van het gebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Aangezien er geen bouwvlak ligt, is het realiseren van een woning op dit perceel op basis van het vigerende bestemmingsplan uitgesloten.
In hoofdstuk 2 wordt de huidige en beoogde situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan de relevante beleidsdocumenten. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de juridische toelichting. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.
Het plangebied maakt deel uit van twee grotere kadastrale percelen, van in totaal ruim 1,3 hectare. Het plangebied betreft de oostelijke delen van deze percelen en heeft een oppervlakte van circa 670 m2 . De westelijke grens van het plangebied is gelijk aan de grens met de groenblauwe mantel en het attentiegebied ehs, zodat deze gebieden buiten het plangebied vallen. In de huidige situatie heeft het gebied deel een woon- en deels een tuinbestemming.
De Oude Haven is een gemengde woonstraat, waar bebouwing en hoogopgaand groen vrij dicht aan de weg liggen. Het plangebied bestaat deels uit het talud van de dijk en deels uit een vlak stuk grond tussen de dijk en de zuidelijk daarvan gelegen watergang. De oostzijde wordt begrensd door een hoge groene haag, de grens aan de westzijde heeft een meer open karakter. Het huidige gebruik is (moes)tuin en heeft daarbij een informele uitstraling.
Figuur 2.1 Vigerend bestemmingsplan
Aangezien in het huidige bestemmingsplan geen bouwvlak voor het perceel is opgenomen, mogen geen gebouwen worden gerealiseerd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de bouw van één woning mogelijk gemaakt. Hiertoe is een deel van de tuinbestemming omgezet in een woonbestemming en is tevens een bouwvlak toegevoegd. Hierbij is rekening gehouden met voldoende afstand van het bouwvlak tot de dijk en de woning van de buren.
De toekomstige ruimtelijke indeling van het perceel is nog niet bekend. Daarom wordt in dit bestemmingsplan zoveel mogelijk flexibiliteit geboden. Om te zorgen dat de ontwikkeling, als deze eenmaal gerealiseerd is, bij de omgeving past, zijn bepaalde voorwaarden gesteld aan de toekomstige inrichting van het terrein. Deze voorwaarden zijn in de regels van het bestemmingsplan geborgd en hebben onder andere betrekking op:
Deze voorwaarden zijn in de regels van dit bestemmingsplan geborgd.
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid dat er geen nationale belangen in het geding zijn.
Toetsing
Er zijn geen nationale belangen in het geding.
De SVIR beschrijft de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit artikel bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een verantwoording dient te bevatten dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Om het proces van stedelijke ontwikkelingen op een gewenste wijze te laten plaatsvinden worden stappen voorgeschreven ('de treden van de ladder'). De ladder voor duurzame verstedelijking werkt met de volgende opeenvolgende stappen ('de treden van de ladder'):
Toetsing
Uit recente uitspraken van de Raad van State is gebleken dat bij kleinschalige ontwikkelingen (zoals de bouw van één woning) geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is dan niet noodzakelijk. Voor de volledigheid is hierna wel een toelichting gegeven over de ontwikkeling op basis van de woningbouwplanning.
De gemeente Heusden maakt deel uit van de regio Noordoost-Brabant. In deze regio maken de gemeenten jaarlijks in het 'Regionaal Ruimtelijk Overleg' / RRO samen met de provincie Noord- Brabant afspraken over de woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaars-periode. Basis hiervoor vormt de periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit 2014. In de planperiode van 2015 tot en met 2024 bedraagt de bouwopgave voor Heusden 2.286 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas van de gemeente, maar ook in de huishoudenverdunning en de verwachte migratie. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave, een woningbehoefte, van 18.900 woningen. Voor de lange termijn -tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen.
Door de ligging van de gemeente Heusden, op de rand van de regio Noordoost-Brabant, is er tevens een samenwerking met de regio Hart-van-Brabant. En vooral intensief binnen de subregio de Langstraat, die wordt gevormd door de gemeenten Waalwijk, Loon op Zand en Heusden. Deze gemeenten vormen samen één woningmarkt. Woningbouwplanning en plannen worden binnen de Langstraat actief afgestemd, zowel kwalitatief als kwantitatief. Dit vindt zijn weerslag in de monitor.
In de planning van de gemeente Heusden zijn in de komende vijf jaar 1.093 (2015-2019) woningen gepland en er zijn 2.187 woningen gepland voor de komende tien jaar (2015 t/m 2024). Hiermee blijft de gemeente iets achter op de prognose van de provincie. Van dit geplande aantal woningen was bij de laatste herziening van de planning (november 2015) 48% (1.101 woningen) harde plancapaciteit.
De met dit bestemmingsplan nieuw te bouwen woning past in de woningbouwplanning. Het betreft een locatie gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen nationaal beleid.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking.
Deel A
Dit deel bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: 'samenwerken aan kwaliteit'. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken. Op 3.1 is een uitsnede van de structurenkaart ter plaatse van het plangebied weergegeven.
Figuur 3.1 Uitsnede structurenkaart
Op de structurenkaart van de structuurvisie valt het plangebied binnen de groenblauwe mantel (roze). Op de kaarten behorende bij de Verordening Ruimte, die hierna wordt behandeld, is het plangebied echter als stedelijk concentratiegebied aangeduid. Er is daarom sprake van een discrepantie tussen structuurvisie en verordening. Op de kaarten van de structuurvisie is de idealisatie van gebiedsgrenzen echter slechts indicatief; in de verordening is de idealisatie exact. Daarom wordt uitgegaan van de verordening en kan worden geconcludeerd dat het plangebied in bestaand stedelijk gebied ligt en niet in de groenblauwe mantel. Dit wordt hierna nog nader toegelicht.
Stedelijk concentratiegebied
De provincie onderscheidt binnen de stedelijke structuur twee ontwikkelingsperspectieven: stedelijk concentratiegebied en kernen in het landelijk gebied. In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. Het stedelijk concentratiegebied bestaat onder andere uit het 'kralensnoer' van steden en kernen afgewisseld door groene geledingszones op de overgang van zand- naar kleigebied van Bergen op Zoom, via Roosendaal, Etten-Leur, Breda, Oosterhout, Waalwijk, 's-Hertogenbosch tot Oss. Regionale afstemming voor stedelijke ontwikkelingen vindt plaats in de regionale agenda's voor wonen. De provincie streeft bij alle ontwikkelingen naar zorgvuldig ruimtegebruik en aandacht voor ruimtelijke kwaliteit.
Conclusie
De ontwikkeling is gelegen in bestaand stedelijk gebied en draagt bij aan het opvangen van de verstedelijkingsopgave. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Volgens de 'themakaart stedelijke ontwikkeling', behorende bij de verordening, ligt het plangebied geheel in bestaand stedelijk gebied (donkerpaars) en ook uit de 'themakaart natuur en landschap' blijkt dat het gebied geheel buiten de groenblauwe mantel (blauw-groen gearceerd) ligt. In figuur 3.2 en 3.3 zijn uitsnedes van deze kaarten opgenomen.
Figuur 3.2. Uitsnede themakaart stedelijke ontwikkeling: stedelijk concentratiegebied
Figuur 3.3. Uitsnede themakaart natuur en landschap: groenblauwe mantel
Voor het plangebied zijn de volgende regels relevant:
Per artikel wordt (indien relevant) getoetst aan het provinciaal belang.
Artikel 3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit
De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:
a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;
De nieuw te realiseren woning past bij de bestaande woonfuncties in de omgeving. In de regels worden voorwaarden gesteld aan de ruimtelijke indeling van het perceel en de maatvoering van de woning.
b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
Het plangebied valt binnen het bestaand stedelijk gebied en betreft inbreiding. Hiermee is sprake van
zorgvuldig ruimtegebruik.
Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:
a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;
Zoals beschreven in hoofdstuk 4 heeft het plan geen gevolgen voor de hier genoemde aspecten.
b. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, passen in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieu aspecten en volksgezondheid;
Zoals eerder genoemd zal de nieuwe invulling van dit perceel passen in het huidige straatbeeld. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling zullen er geen significante veranderingen zijn ten aanzien van de milieu-aspecten en de volksgezondheid.
c. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald.
Er wordt gebruik gemaakt van de reeds aanwezige infrastructuur ter ontsluiting van het perceel. Deze ontsluiting is voldoende voor de ontwikkeling.
Artikel 4 Bestaand stedelijk gebied
Artikel 4.2 Stedelijke ontwikkeling
Een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling is uitsluitend gelegen in bestaand
stedelijk gebied.
De ontwikkeling is gezien de geringe omvang geen nieuwe stedelijke ontwikkeling en is tevens gelegen in bestaand stedelijk gebied.
Artikel 4.3 Nieuwbouw van woningen
1. De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop:
a. de afspraken die daarover zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg bedoeld in artikel 37.4 onder b, worden nagekomen;
b. de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken bedoeld onder a, en tot de beschikbare harde plan capaciteit voor woningbouw.
2. Onder harde plancapaciteit voor woningbouw als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan de capaciteit voor nieuw te bouwen woningen waarover een gemeente beschikt, die:
a. wordt uitgedrukt in aantallen woningen, en
b. is opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan waarvan de bestemming nog niet is
verwezenlijkt.
De woning is opgenomen op de gemeentelijke planningslijst woningbouw die naar aanleiding van het regionaal ruimtelijk overleg is opgesteld.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de Verordening Ruimte 2014.
Deze structuurvisie geeft de ruimtelijke ambities van de gemeente Heusden voor een periode van 20 jaar, met een accent op de periode 2010-2020.
De gemeente Heusden heeft met haar “Nota Volkshuisvesting 2030' gekozen voor een open scenario. Dit scenario voorziet in de realisering van 3.580 woningen tot 2030. De meest recente provinciale prognoses gaan zelfs uit van een verruiming en versnelling van dit programma. Daarin wordt namelijk uitgegaan van de bouw van 3.320 woningen in de periode 2009 tot 2020 en 5.385 in de periode 2009-2030.
Deze taakstelling biedt goede perspectieven om de woningvoorraad nog beter af te stemmen op de huidige en toekomstige behoeften op het gebied van woonkwaliteiten, zorg en welzijn. Nieuwe woningbouwlocaties worden geconcentreerd aan de randen van de kernen. Daarnaast wil de gemeente:
Toetsing en conclusie
Dit project past binnen de kaders van de structuurvisie. Het draagt bij aan het afstemmen van de woningvoorraad op toekomstige behoefte.
Met het vaststellen van de woonvisie Heusden 2014-2024 “Dromen waarmaken” is ingespeeld op de actualiteit en wordt een visie gegeven op volkshuisvestelijke ontwikkelingen in de komende beleidsperiode 2014-2018 met een doorkijk van tien jaar. De Woonvisie is op 14 januari 2014 vastgesteld.
De woonvisie heeft als titel 'Dromen waarmaken'. Deze verwoordt de opvatting dat inwoners van Heusden zoveel mogelijk zelf moeten kunnen bepalen hoe ze willen wonen. De gemeente vindt het belangrijk dat de inwoners binnen de gemeente een wooncarrière kunnen doorlopen. Daarbij is bijzondere aandacht voor mensen die vanwege inkomen of gezondheid beperkte kansen op de woningmarkt in Heusden hebben. De gemeente koestert de variëteit aan identiteiten en benut de kans die nieuwbouw biedt om deze variatie te versterken. Dat is ook nodig gezien de demografische ontwikkelingen in de komende periode. De nieuwbouw biedt de gelegenheid om bij te dragen aan de regionale woonopgaven.
In de woonvisie zijn de volgende speerpunten van beleid genoemd:
Toetsing en conclusie
Dit bestemmingsplan draagt bij aan het bieden van kansen voor nieuwbouw op burgerinitiatief. Er wordt zoveel mogelijk flexibiliteit geboden. Het plan past binnen de uitgangspunten van de woonvisie.
Toetsingskader
Monumentenwet 1988
In de Monumentenwet 1988 wordt voorgeschreven dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, moet voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Gemeentelijk archeologiebeleid
In de Erfgoednota heeft de gemeente vastgelegd hoe het cultureel erfgoed behouden en versterkt kan worden. Cultuurhistorische waarden zijn vastgelegd op de cultuurhistorische waardenkaart. Archeologie is vastgelegd via de 'archeologische verwachtingenkaart' en 'archeologische beleidsadvieskaart'. In het gemeentelijke archeologiebeleid is aan de hand van verschillende categorieën bepaald wanneer archeologisch onderzoek nodig is (en wanneer niet). Dit is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde.
Onderzoek
Cultuurhistorie
Uit de Cultuurhistorische WaardenKaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de Oude Haven een waardevolle historische lijn is. De beoogde ontwikkeling zal deze lijn en de historische waarde ervan niet aantasten.
Archeologie
Vanwege de verwachte archeologische waarden is door Econsultancy onderzoek uitgevoerd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden uit de perioden Paleolithicum – Middeleeuwen niet meer in situ worden verwacht. De verstoringen zijn waarschijnlijk het gevolg van menselijke activiteiten die hier tussen 1850 en 1868 zijn begonnen, in de vorm van bebouwing, en tot op heden in wisselende samenstelling zijn voortgezet. De oudste bebouwing is waarschijnlijk na 1927 gesloopt en resten hier van kunnen nog aanwezig zijn in de bodem en betreffen dan archeologie. De archeologische verwachting voor de periode Nieuwe tijd blijft daarom gehandhaafd.
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Behoud van de archeologische vindplaats bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, niet mogelijk.
Conclusie
Archeologie vormt, met inachtneming van de onderzoeksresultaten, geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
Normstelling en beleid
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Onderzoek
Door Econsultancy is onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Daaruit is gebleken dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie wonen. Op een deel van de locatie is asbest aangetroffen, dit moet worden verwijderd.
Conclusie
Het aspect bodem staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
In deze paragraaf wordt de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen – wat ecologie betreft – moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.
Huidige situatie
De locatie betreft bestaat uit een groentetuin met enkele bomen en hagen langs de randen.
Beoogde ontwikkelingen
Op de locatie zal een woning worden gerealiseerd. De begroeiing langs de weg zal daarvoor deels moeten worden verwijderd.
Beleid en normstelling
Beleid
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is provinciaal uitgewerkt in Structuurvisie en verordening.
Normstelling
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkeling dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Natuurbeschermingswet 1998
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op minimaal 300 meter van het Natuurnetwerk Noord-Brabant. De afstand tot Natura 2000 bedraagt minimaal 2100 meter (zie figuur hieronder). Vanwege deze grote afstanden en de zeer kleinschalige ingreep heeft het plan geen effect op deze beschermde natuurgebieden.
Figuur 4.1 Ligging plangebied (blauw) ten opzichte van het provinciale Natuurnetwerk (groen)
Soortenbescherming
Het plangebied herbergt geen vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen van zwaarbeschermde soorten en geen groeiplaatsen van zwaarbeschermde planten. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn hier niet aanwezig. De hagen en bomen langs de randen functioneren mogelijk als broedplaats voor kleine zangvogels. Voor zover deze beplantingselementen niet behouden kunnen blijven, dienen deze verwijderd te worden buiten het broedseizoen. In dat geval is er geen strijdigheid met de Flora- en faunawet.
Op het perceel zelf zijn naar verwachting algemene, licht beschermde soorten aanwezig als egel, veldmuis, mol etc. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling van de relevante verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet.
Het bebouwingslint van de Oude Haven functioneert mogelijk als foerageergebied voor vleermuizen. De beoogde woning zal een verwaarloosbaar effect hebben op deze functie, aangezien het een zeer kleine aanvulling van een bestaand bebouwingslint betreft. Nader veldonderzoek zal deze conclusie niet veranderen en is derhalve niet nodig.
Conclusie
De Natuurbeschermingswet, de Flora- en faunawet en het provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk staan de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De initiatiefnemer heeft het waterschap Aa en Maas geïnformeerd door gebruik te maken van de Digitale Watertoets. Deze is uitgevoerd op 16 maart 2016. Naar aanleiding hiervan is nader overleg gevoerd met het waterschap.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het ontwikkelingsgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschap:
Gemeente:
Waterschapsbeleid
In het waterbeheerplan 2016 – 2021 staan de doelen die het waterschap Aa en Maas nastreeft en wat in deze periode gedaan moet worden om de doelen te halen. Samenwerking staat in dit plan centraal. Samenwerken met de partners van het waterschap maar ook met de inwoners van het beheersgebied.
Het plan is geen grote koerswijziging ten opzichte van het waterbeheerplan 2010-2015, maar ontwikkelingen zoals de klimaatverandering vragen wel om nieuwe accenten. Waterveiligheid en waterkwaliteit zijn hierbij belangrijke onderwerpen.
Om het beheersgebied beter te beschermen tegen overstromingen worden er strengere eisen gesteld aan de dijken langs de Maas. Het waterschap heeft tot 2050 om de dijken hierop aan te passen.
De kwaliteit van het oppervlaktewater is daarnaast de komende jaren echt een punt van aandacht. Enerzijds zitten er te grote hoeveelheden voedingsstoffen in het water. Deze staan een natuurlijk en gezond watersysteem in de weg. Anderzijds zijn er ook allerlei 'nieuwe' stoffen die een steeds groter probleem vormen, zoals medicijnresten, drugs(afval) en resistente bacteriën. Deze stoffen kunnen door de zuiveringen nu moeilijk uit het afvalwater gehaald worden. Ook dit vraagt om actie.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Heusden en haar waterpartners (Waterschappen Aa en Maas en De Dommel, provincie Noord-Brabant en waterleidingmaatschappij Brabant Water) hebben een integraal waterplan opgesteld. De aanleiding hiervoor was een omslag in het denken en beleid rond water gedurende de afgelopen jaren: in plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen, kwam de nadruk te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem (duurzaamheidprincipe). Om aan te kunnen geven hoe de gemeente omgaat met water, zijn in het waterplan zeven waterdoelen geformuleerd:
Deze doelstellingen zijn uitgewerkt als gebied specifieke streefbeelden voor stedelijk-, landelijk-, en natuurlijk gebied. Het waterplan is een 'parapluplan' voor andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt. Bovendien schept het waterplan randvoorwaarden en (beleid)uitgangspunten voor projecten binnen de gemeente Heusden.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan
Op 15 mei 2012 is het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) voor de gemeente Heusden opgesteld voor het jaar 2012-2016. Een GRP is een beleidsmatig en strategisch plan voor de aanleg en beheer van de gemeentelijke riolering. Om water op straat te voorkomen in de gebieden waar wateroverlast wordt ervaren, zijn korte termijn maatregelen benoemd die de wateroverlast grotendeels terugdringen. Door de afvoercapaciteit van de riolering te vergroten, zal het oppervlaktewater echter nog intensiever belast worden met afvoer vanuit het stedelijk gebied. Een duurzame lange termijn oplossing is het afkoppelen van verhard oppervlak en het water bergen in de daarvoor geschikte locaties net buiten de kern. Hiertoe is een kaart opgesteld met zoekgebieden voor waterberging. Bij het afkoppelen van hemelwater wordt in beginsel gestart met de verharde gebieden die het verst van de overstorten zijn gelegen, zodat het afkoppelen direct effect heeft op het hele rioleringsgebied.
In het hemelwaterbeleid staan 4 pijlers centraal:
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied ligt aan de noordkant van Haarsteeg, net binnen de bebouwde kom. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland.
Bodem en grondwater
Omdat het plangebied onderdeel is van de bebouwde omgeving van Haarsteeg is het plangebied niet gekarteerd. In de nabije omgeving bestaat de bodem uit klei op fijn zand en is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert van 0,4 m tot 0,8 m beneden het maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt.
Waterkwantiteit
Ten zuiden van het plangebied loopt de 'Sloot door de Ipperhoeve', een A-watergang met een beschermingszone van 5 meter. Binnen deze beschermingszone gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.
Waterkwaliteit
Het plangebied grenst aan een attentiegebied. In attentiegebieden mogen in beginsel geen waterhuishoudkundige ingrepen plaatsvinden tenzij deze zijn gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur en/of op verbetering van de landbouwkundige condities zonder dat hierdoor negatieve hydrologische effecten optreden in de natte natuurparel, getoetst op de grens met de natte natuurparel. Ingrepen worden getoetst op basis van de geldende natuurdoelstellingen.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied ligt binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Toekomstige situatie
Algemeen
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een bouwkavel voor een vrijstaande woning.
Waterkwantiteit
Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 2000 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Het plangebied heeft een oppervlak van circa 460 m². Een vergunning in het kader van de Keur is dan ook niet noodzakelijk. Conform het vGRP wordt het hemelwater volledig op eigen terrein opgevangen en verwerkt.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Het plangebied grenst aan een attentiegebied. Omdat het plangebied niet in het attentiegebied valt zijn de geboden van het attentiegebied niet van toepassing op het plangebied.
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap mag worden gebouwd, geplant of opgeslagen. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.
Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling is een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied ligt deels binnen de kern en de beschermingszone van een waterkering. Het bouwvlak binnen het plangebied bevindt zich voor een deel in de beschermingszone. Een dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan ter bescherming van de waterkering. Ter plaatse van de dubbelbestemming gelden aanvullende en/of afwijkende eisen met betrekking tot bouwen en het uitvoeren van werkzaamheden: Waterstaat - Waterkering (Artikel 6). Bij de bebouwing en inrichting van het terrein wordt hiermee rekening gehouden.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Wel dient rekening gehouden te worden met de kern- en beschermingszones van de aanwezige waterkering, de A-watergang. Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling is daarom een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Hiervoor dient nader overleg te worden gevoerd met het waterschap.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Onderzoek
Het plangebied maakt deel uit van een rustige woonwijk en wordt dan ook omringd met woonfuncties. Wel is op circa 60 m afstand een bedrijf gericht op opslag en handel in bouw- en sloopmaterialen (Oude Haven 31) aanwezig. Volgens de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering valt een groothandel in hout en bouwmaterialen (>2.000 m²) in categorie 3.1. Voor dit type bedrijf geldt een richtafstand van 50 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De omliggende agrarische gronden vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de woningbouwontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Vooruitlopend op de vaststelling van het BTEV wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek
Uit de professionele risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat er in de direct omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Daarnaast vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Verkeersstructuur
Ontsluiting van het perceel zal plaatsvinden via de Oude Haven. Deze weg ligt deels binnen en deels buiten de bebouwde kom. De weg is gecategoriseerd als erftoegangsweg. Binnen de bebouwde kom geldt een maximum snelheid van 30 km/u en buiten de kom van 60 km/u. De weg bestaat uit een enkele rijloper. Het gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer worden hier, conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig, gemengd afgewikkeld. Voor voetgangers is geen trottoir aanwezig. Dit zorgt ervoor dat de bereikbaarheid voor voetgangers matig is. De ontsluiting richting Vlijmen zal verder plaatsvinden via de Inlaagdijk en de Voordijk. Uiteindelijk kan via Vlijmen tevens aangesloten worden op de Rijksweg A59.
Parkeerbehoefte
De gemeente Heusden heeft parkeernormen vastgelegd in de Nota Parkeernormen Heusden 2016. Conform deze nota bedraagt de parkeernorm voor een vrijstaande woningen in het restgebied van de bebouwde kom 2,3 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte dient opgevangen te worden binnen het plangebied.
Conclusie
De ontsluiting van het plangebied is voor het gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer goed. Er ontbreekt echter een trottoir. De ontsluiting van het perceel is voor voetgangers zodoende matig. De parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het plangebied.
Wegverkeerslawaai
De ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe woning. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden.
Toetsingskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). Voor de beoogde binnenstedelijke ontwikkeling geldt een maximaal toelaatbare hogere waarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai. De locatie ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Oude Haven.
Krachtens artikel 3.4 van het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder (RMG) 2012 mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB.
Uitgangspunten
Uitgangspunt voor het akoestisch onderzoek is de realisatie van een woning met een begane grond en eerste en tweede verdieping. Zodoende is gerekend op de waarneemhoogten 1,5 meter, 4,5 meter en 7,5 meter.
Voor het akoestisch onderzoek dienen de verkeersintensiteiten voor het jaar 2026 gehanteerd te worden. Deze zijn aangeleverd door de gemeente Heusden en, omdat geen tel- of modelgegevens beschikbaar zijn, gebaseerd op aannames. De aanname betreft een verkeersintensiteit van 2.000 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Voor akoestisch onderzoek dient uitgegaan te worden van verkeersintensiteiten op een gemiddelde weekdag. Door de gemeente Heusden wordt een omrekenfactor gehanteerd van 0,88. Voor beide wegen geldt op een weekdag zodoende een intensiteit van 1.760 mvt/etmaal. Ook is door de gemeente Heusden een voertuig- en etmaalverdeling aangeleverd. Deze is terug te vinden in de rekenbladen in bijlage 1.
De Oude Haven kent ter hoogte van het plangebied een maximum snelheid van 60 km/u. De weg is uitgevoerd in dicht asfaltbeton. De weg ligt op een dijk en zodoende hoger dan de woonbestemming. Het hoogteverschil bedraagt conform het AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) 4,9 meter.
Onderzoek en resultaten
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. Hierbij is de kortste afstand aangehouden tussen de as van weg tot aan de grens van de woonbestemming.
In onderstaande tabel is de geluidbelasting op de randen van de woonbestemming weergegeven. Hierbij is steeds onderscheid gemaakt naar waarneemhoogte.
Tabel 4.1. Overzicht geluidbelasting gevel
| Bron | Waarneemhoogte | Geluidbelasting |
| Oude Haven | 1,5 meter | 50 dB |
| 4,5 meter | 51 dB | |
| 7,5 meter | 51 dB |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ten aanzien van de Oude Haven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt echter niet overschreden.
Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting
Voor de ontwikkeling is sprake van een hogere geluidsbelasting dan 48 dB ten gevolge van de Oude Haven. Bezien is of met maatregelen de geluidsbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen. Er is een aantal maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting denkbaar.
Een mogelijkheid is om de functie van de weg, samenstelling van het verkeer of de maximumsnelheid te wijzigen. Dit zou betekenen dat de maximum snelheid terugebracht dient te worden naar 30 km/u. Dit zou echter betekenen dat de komgrens verplaatst dient te worden, omdat een snelheidsregime van 30 km/u enkel binnen de bebouwde kom toegepast kan worden. Omdat de geluidszone van een weg aan het eind van een wegvak nog over een lengte van 200 meter doorgetrokken dient te worden, zou dit betekenen dat komgrens op grote schaal gewijzigd dient te worden. Dit is uit verkeerskundig oogpunt niet mogelijk.
Een andere maatregel betreft het toepassen van geluidreducerend asfalt. De weg beschikt als erftoegangsweg echter over verschillende erfaansluitingen. Het toepassen van geluidsreducerend asfalt is niet doelmatig bij kruispunten, erfaansluitingen of rotondes. Gezien de vele manoeuvres van
het verkeer ontstaat overmatige slijtage aan het asfalt, wat leidt tot hoge onderhoudskosten en een afname van het geluidreducerend effect. Het toepassen van geluidreducerend asfalt is om die reden niet wenselijk. Maatregelen in het overdrachtsgebied zoals geluidsschermen zijn niet inpasbaar.
Beleid hogere waarden gemeente Heusden
Binnen het gemeentelijk beleid is opgenomen dat, bij verlening van een hogere grenswaarde, sprake dient te zijn van minimaal één geluidsluwe gevel. Een geluidsluwe gevel betreft een gevel met een maximale geluidbelasting van 48 dB. Daarnaast wordt gestreefd naar de aanwezigheid van een geluidsluwe buitenruimte.
In dit geval is sprake van een geluidbelasting boven de 48 dB op de gevel parallel aan de Oude Haven. De beide zijgevels staan haaks op de weg. Zodoende is sprake van een halvering van de zichthoek. Dit leidt ertoe dat de geluidbelasting op de zijgevels 3 dB lager ligt, waardoor hier aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Op de gevel aan de achterzijde van de woning zal de geluidbelasting nog lager zijn. Op basis daarvan kan gesteld worden dat sprake is van een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Zodoende wordt aan het gemeentelijk beleid voldaan.
Conclusie
Ten aanzien van de gezoneerde Oude Haven bedraagt de geluidsbelasting op de gevel maximaal 51 dB (bij een waarneemhoogte van 4,5 en 7,5 meter). De voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden. Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting zijn niet mogelijk of doelmatig. Er is echter geen sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde. Zodoende kan voor de woning een hogere waarde worden aangevraagd van 51 dB.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Wet milieubeheer
Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal woningen met één toe. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Daarmee kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Prins Hendrikstraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 20,0 µg/m³ voor NO2, l 22,6 µg/m³ voor PM10 en 14,4 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 11 dagen.
Omdat direct langs deze weg wordt aan de grenswaarden voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Toetsing
Ten noordwesten van het plangebied op circa 220 m is een bovengrondse hoogspanningsleiding (kV 150) gelegen. In de omgeving van hoogspanningsverbindingen dient rekening te worden gehouden met de 'indicatieve zone' waarbinnen sprake kan zijn van verhoogde magneetvelden. Het beleid is erop gericht om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de indicatieve zone. Gezien de ruime afstand tot het plangebied staat de hoogspanningsleiding de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Er zijn verder geen relevante kabels en leidingen die een belemmering vormen.
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
De basis voor de plankaart, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond met topografische gegevens. Op de plankaart is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven.
Uitgangspunt voor de regels is de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Daarnaast is voor de regels ook aansluiting gezocht bij de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening, onder meer met betrekking tot de anti dubbeltelbepaling en het overgangsrecht.
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) in dit bestemmingsplan is het volgende van belang.
Opzet verbeelding
Bestemmingen
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid, zoals W voor 'Wonen' en T voor 'Tuin'.
Naast deze enkelbestemmingen zijn ook de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Waterkering' (afkorting WS - WK) en 'Waarde - Archeologie 2' (afkorting WR-A2) opgenomen.
Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onderhoek op de verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De analoge kaart bestaat uit 1 kaartblad en renvooi, op een schaal van 1:1.000.
Aanduidingen
Op de verbeelding wordt met een maatvoeringsaanduiding het maximum aantal toegestane wooneenheden (woningen) aangegeven.
Bij het toekennen van de aanduidingen is gebruik gemaakt van de standaard (en verplichte) aanduidingen uit SVBP2012.
Opzet planregels
Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde.
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd:
Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
Begrippen (Artikel 1)
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis.
Wijze van meten (Artikel 2)
In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen
dienen te worden, gemeten moeten worden.
Tuin (Artikel 3)
De gronden die zijn aangewezen als ‘Tuin’ zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen, en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Bijgebouwen zijn niet toegestaan. Onder voorwaarden mogen binnen deze bestemming erkers, balkons of luifels en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen van hoofdgebouwen van aangrenzende bestemmingen worden gebouwd. Er zijn ook regels opgenomen voor het bouwen van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Wonen (Artikel 4)
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van beroep aan huis. De toegestane goot- en bouwhoogte zijn respectievelijk 7 en 11 meter. Binnen het bouwvlak mogen gebouwen worden opgericht. De gronden buiten het bouwvlak maar binnen de woonbestemming zijn de erven waarop de bebouwingsregeling in de regels van toepassing is.
Waarde - Archeologie (Artikel 5)
Deze dubbelbestemming is opgenomen om de aangetroffen archeologische waarden te beschermen. Ter plaatse van gronden met deze dubbelbestemming gelden aanvullende en/of afwijkende eisen met betrekking tot bouwen en het uitvoeren van werkzaamheden.
Waterstaat - Waterkering (Artikel 6)
Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan ter bescherming van de waterkering. Ter plaatse van gronden met deze dubbelbestemming gelden aanvullende en/of afwijkende eisen met betrekking tot bouwen en het uitvoeren van werkzaamheden.
In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsregels, aanvullende regels gesteld.
Anti-dubbeltelregel ( Artikel 7 )
Dit artikel bevat de anti-dubbeltelbepaling zoals deze verplicht is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening.
Algemene gebruiksregels ( Artikel 8 )
In deze bepalingen zijn enkele gebruiksvormen aangegeven, die in ieder geval als strijdig met het
bestemmingsplan worden aangemerkt. Het gebruiksverbod zelf is geregeld in artikel 2.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht.
Algemene afwijkingsregels ( Artikel 9 )
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.
Overgangsregel ( Artikel 10 )
In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij de
inwerkingtreding van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
Slotregel ( Artikel 11 )
In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan
aangehaald worden.
Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting inzicht worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Deze uitvoerbaarheid betreft in het bijzonder de financieel economische uitvoerbaarheid. In dat verband is hiernaar onderzoek verricht. Daarnaast moet worden aangegeven of er een exploitatieplan wordt opgesteld of dat er sprake is van een overeenkomst.
Kostenverhaal
Dit bestemmingsplan leidt tot de planologische mogelijkheid om een nieuwe woning te bouwen. . Op grond van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Financiële uitvoerbaarheid
De kosten die verband houden met het nieuwe gebruik zijn plankosten en de kosten van de bouw. De plankosten worden door de gemeente betaald en de bouwkosten door een toekomstige koper. De financiële uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is met het oog op het voorgaande afdoende gewaarborgd.
Inspraak en overleg
Het betreft een ontwikkeling van beperkte omvang (één woning). Om deze redenen is conform de gemeentelijke inspraakverordening besloten af te zien van een terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan ‘Oude Haven, Haarsteeg’.
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gepleegd te worden met het waterschap en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast
zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor dit plan is overleg gepleegd met:
1. Gedeputeerde Staten Noord-Brabant, directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving;
2. Waterschap Aa en Maas.
Het waterschap Aa en Maas heeft aangegeven, dat over aanpassingen in het watersysteem en de primaire waterkering nadere afstemming met het waterschap zal moeten plaatsvinden om de mogelijkheden/onmogelijkheden in beeld te brengen, zoals al was geconstateerd. Naar aanleiding van deze reactie heeft inmiddels een afstemmingsoverleg plaatsgevonden en is in overleg met het waterschap gekomen tot aanpassing/verduidelijking van de waterparagraaf. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben gereageerd, dat zij geen aanleiding zien tot het maken van opmerkingen.
Vaststellingsprocedure
In het kader van de vaststellingsprocedure conform artikel 3.1.8 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 26 mei 2016 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn heeft een ieder de gelegenheid gekregen om zijn of haar zienswijze kenbaar maken. Bij de gemeente zijn gedurende deze periode geen zienswijzen ingediend. Er zijn wel enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Een overzicht hiervan is opgenomen in bijlage 4.