| Plan: | Rotonde Abt van Engelenlaan, Nieuwkuijk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0797.BPRotabtvEngel-VG01 |
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het voornemen om een rotonde te realiseren aan de doorgaande weg Abt van Engelenlaan. Deze weg loopt ter plaatse van de te realiseren rotonde over in de weg Wolput en kruist daarbij de wegen Mortelweg en Hoogpoort. De rotonde is echter op grond van de geldende planologische regelingen op dit moment niet mogelijk.
Om de ontwikkeling wel mogelijk te maken, is het voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Het plangebied bevindt zich zoals gezegd op de plaats waar de Abt van Engelenlaan overgaat in de Wolput. Op deze locatie bevinden zich twee T-splitsingen direct na elkaar. Eén T-splitsing verbindt de Mortelweg met de Abt van Engelenlaan. De andere T-splitsing verbindt de Abt van Engelenlaan met de wegen Hoogpoort en Wolput. Op onderstaande figuur is het precieze projectgebied weergegeven.
Figuur. Ligging plangebied (bron: Google Maps).
De voorgenomen ontwikkeling is niet inpasbaar in de huidige vigerende bestemmingsplannen. Om deze reden is een herziening van het bestemmingsplan ter plaatse nodig. Dit bestemmingsplan heeft als doel te voorzien in deze herziening en de ontwikkeling van de rotonde mogelijk te maken. In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt beschreven waarom het voorgenomen initiatief geen afbreuk doet aan een goede ruimtelijke ordening, en wordt de milieutechnische haalbaarheid aangetoond.
De voorliggende toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In Hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het voorgenomen ontwikkeling uiteen gezet. In Hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan de geldende beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente. In Hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische haalbaarheid van het initiatief aangetoond. Hoofdstuk 5 geeft weer hoe de regels van dit bestemmingsplan zijn opgebouwd en tot slot wordt in Hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het initiatief aangetoond.
Op dit moment bestaat een groot deel van het plangebied reeds uit verharding voor wegverkeer. De wegen zijn allen verhard door middel van asfalt of klinkerbestrating en bestaan elk uit een rijstrook voor elke richting. De Abt van Engelenlaan en Wolput zijn daarbij voorzien van fietsstroken aan weerzijde van de weg. Rondom de wegen zijn bermen aanwezig bestaande uit stroken gras. De Abt van Engelenlaan is aan de directe noordzijde voorzien van bomenrijen.
Voorts loopt dwars door het plangebied een waterloop. De waterloop in oost-westelijke richting gaat onder de Wolput door door middel van een duiker. Aan de westzijde is deze waterloop eveneens met een duiker verbonden aan een plas.
Tot slot is ook een deel van het plangebied nog onbebouwd en in gebruik als agrarische grond. Deze gronden zijn echter noodzakelijk voor de verwezenlijking van de rotonde en de bijbehorende infrastructurele voorzieningen en waterlopen.
Op de onderstaande figuur is het plangebied weergegeven en een impressie van de bestaande weg.
Figuur. Huidige situatie met plangrens (bron: Google Maps).
Figuur. Huidige situatie Abt van Engelenlaan (bron: Google Maps).
Als gevolg van de ontwikkeling Geerpark nemen de verkeersintensiteiten op de Mortelweg aanzienlijk toe. De Mortelweg ontsluit een groot gedeelte van Geerpark en sluit aan op de gebiedsontsluitingsweg Abt van Engelenlaan. De huidige aansluiting is vormgegeven als voorrangskruispunt en verkeer komend uit de Mortelweg moet voorrang verlenen. Met de huidige inrichting en het toegenomen gebruik zijn er zorgen geuit over de verkeersveiligheid van deze aansluiting.
De Abt van Engelenlaan vormt een belangrijke verkeerverbinding met Heusden en ontsluit onder andere het bedrijvenpark Het Hoog en crematorium Maaslanden. Net ten zuiden van de aansluiting Abt van Engelenlaan-Mortelweg is ook de aansluiting Abt van Engelenlaan-Hoogpoort gesitueerd. Voor een goed functionerend wegennet is naast de verkeersveiligheid en herkenbaarheid, de doorstroming van belang. Filevorming of clustering van verkeer levert bij de weggebruikers irritatie op en leidt meestal tot onveilig gedrag (snelheid, inhalen en dergelijke) om de verloren tijd in te halen. Dit speelt met name op gebiedsontsluitingswegen waar op de aansluitingen het verkeer uitwisselt en op de wegvakken het verkeer vlot en veilig moet afwikkelen. Elk kruispunt is echter een verstoring en een potentieel conflictpunt, omdat juist daar het verkeer vanuit diverse richtingen elkaar ontmoet, inclusief het voetgangers- en fietsverkeer dat bij het kruispunt de weg oversteekt. Daarom is het advies om beide T-splitsingen te combineren tot één kruispuntvorm.
Om tot een keuze te komen welke kruispuntvorm met de aansluitingen Mortelweg-Abt van Engelenlaan-Hoogpoort het beste en veiligste is, heeft bureau Kragten in 2020 een studie gedaan. In deze studie is rekening gehouden met de maatregelen welke binnen de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL) zijn opgenomen en is gerekend met toekomstige verkeerscijfers (2030) waarbij Geerpark volledig is afgebouwd. Uit de studie bleek dat dat zowel een voorrangskruispunt als een voorrangskruispunt met een middenberm en opstelstroken op de Abt van Engelenlaan niet voldoen. Als alternatief voor een voorrangskruispunt geldt een rotonde. Uit de resultaten blijkt dat een enkelstrooksrotonde de verwachte verkeersintensiteiten in het planjaar 2030 kan verwerken. De toepassing van een rotonde is noodzakelijk om het oprijden van de Abt van Engelenlaan, komend uit de Mortelweg, mogelijk te maken voor het gemotoriseerd verkeer. Daarnaast biedt de toepassing van een enkelstrooksrotonde de mogelijkheid om een veilige fietsoversteek te realiseren zodat fietsers ook voor Hoogpoort bereikbaar blijft.
Ten behoeve van de realisatie van de rotonde worden duikers verlengd en bestaande watergangen deels gedempt. De bestaande A-watergang wordt in zuidelijke richting verplaatst en onder de weg Wolput aangelegd door middel van een duiker. Daarnaast zal er onder andere ten behoeve van de aanleg van het fietspad aan de zuidoostzijde sprake zijn van watercompensatie.
Om de rotonde mogelijk te maken heeft een grondtransactie en uitruil plaatsgevonden met de betreffende eigenaren.
Figuur. Toekomstige situatie.
Ter plaatse van het plangebied zijn de onderstaande bestemmingsplannen, inpassingsplan en beheersverordening van kracht. Bestemmingsplannen die nog niet zijn vastgesteld, voorbereidingsbesluiten, reactieve aanwijzingen en gerechtelijke uitspraken worden niet opgesomd.
Over het algemeen gelden de enkelbestemmingen 'Agrarisch' en 'Verkeer' ter plaatse van het plangebied. Op enkele plaatsen gelden de enkelbestemming 'Groen'. Tot slot geldt in het plangebied ook een archeologische dubbelbestemming.
Figuur. Geldende planologische situatie op basis van www.ruimtelijkeplannen.nl (bewerking BugelHajema).
Om het plan te realiseren moet van de bovenstaande plannen voor verschillende onderdelen worden afgeweken wat betreft gebruik als bouwmogelijkheden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarin.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.
De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). Het projectgebied ligt echter niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven.
Toetsingskader
De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Sinds augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Hiervoor is een nieuwe handreiking opgesteld.
De Ladder is geen op zichzelf staand instrument maar is onderdeel van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De betreffende minister zorgt ervoor dat decentrale overheden over de juiste instrumenten beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Onderdeel hiervan is het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's.
Toetsing
De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:
In het navolgende worden de hierboven genoemde aspecten beschreven en afgewogen.
1. Is er sprake van een nieuwe stedelijke functie?
De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Dit project betreft de aanleg van een rotonde en deze ontwikkeling is geen stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Een nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking kan daarmee achterwege blijven.
Toetsingskader
De Omgevingsvisie Noord-Brabant is op 14-12-2018 in werking getreden. De Brabantse Omgevingsvisie vervangt in ieder geval 4 provinciale beleidsplannen. Dat zijn de beleidsplannen over milieu en water (PMWP), verkeer en vervoer (PVVP), ruimtelijke ordening (Structuurvisie RO) en natuur (BrUG).
Een van de kernwaarden van deze visie is dat de provincie aangeeft 'steeds voor beter' te willen gaan. De provincie Noord-Brabant streeft naar continue verbetering van de leefomgeving. Bij de kernwaarden geeft de provincie tevens aan proactief en preventief te willen handelen voor de leefomgeving. Verder geeft de provincie in haar visie aan dat één van de hoofdopgaven het 'stimuleren van een gezonde leefomgeving' is. Een gezonde leefstijl kan bevorderd worden door uit te nodig tot beweging door voldoende voorzieningen te hebben voor buitenrecreatie. Hierbij geeft de provincie aan dat er ruimte moet zijn voor maatwerk.
Toetsing
In dit bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van een rotonde mogelijk gemaakt. Door deze ontwikkeling wordt er gezorgd voor een betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur. Met de aanleg van de rotonde wordt een betere fietsinfrastructuur gerealiseerd wat bijdraagt aan een veiligere leefomgeving.
Conclusie
Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Toetsingskader
Op 25 november 2019 is de Interim omgevingsvergunning in werking getreden. De Interim omgevingsverordening voegt bestaande regels uit zes verordeningen samen. In de Interim omgevingsverordening zijn deze verordeningen grotendeels gehandhaafd. Er zijn beperkt wijzigingen doorgevoerd, onder andere vanwege de vastgestelde omgevingsvisie.
In de interim omgevingsverordening staan instructieregels voor gemeenten. Een bestemmingsplan of omgevingsvergunning moet volgens artikel 3.9 gepaard gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het bestemmingsplan of omgevingsvergunning moet tevens motiveren dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied.
Artikel 3.46 van de verordening geeft aan dat het mogelijk is om in een landelijk gebied een provinciale of gemeentelijke weg te wijzigen of aan te leggen. Daarbij moet echter wel aan de volgende voorwaarden voldaan worden:
Toetsing
Het initiatief is in overeenstemming en niet strijdig met de Interim Omgevingsverordening. Het westelijk deel van het plangebied is door de provincie aangewezen als stedelijk gebied, het oostelijk deel betreft landelijk gebied. Voor het landelijk gebied bepaalt de Interim Omgevingsverordening in artikel 3.9 onder andere dat een "ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving". Voor ontwikkelingen in stedelijk gebied geldt deze verplichting overigens niet. De genoemde verbetering kan bestaan uit:
De aan te leggen rotonde wordt verder zo goed mogelijk ingepast en sluit aan op de inpassing en ontwerpuitgangspunten van de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL). In dit kader is een inrichtingsplan opgesteld (Bijlage 1). In dit inrichtingsplan wordt verder ingegaan hoe de kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd.
Voor de rotonde specfiek geldt dat aanwezige waarden - voorzover aanwezig - behouden blijven. Verder geldt dat, zoals ook uit paragraaf 4.4 (Cultuurhistorie) zal volgen, ter plaatse van het plangebied geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De aanwezige watergang wordt ter realisatie van de rotonde verlegd in afstemming met het Waterschap en passend in het landschap. Hiermee blijven de landschappelijke waarden behouden.
Artikel 3.46 van de verordening geeft aan dat het mogelijk is om in een landelijk gebied een provinciale of gemeentelijke weg te wijzigen of aan te leggen. Voorliggend bestemmingsplan maakt een dergelijke wijziging mogelijk. Zoals aangegeven moet een bestemmingsplan wel een motivering bevatten ten aanzien van een viertal voorwaarden. Die voorwaarden betreffen:
Hieronder worden de voorwaarden kort uitgewerkt.
Conclusie
De provinciale verordening vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
De raad van Heusden heeft op 21 juli 2009 de structuurvisie 'Ideeën voor een plek' vastgesteld. De structuurvisie vormt het belangrijkste document voor een gemeente, om het ruimtelijk beleid in vast te leggen. Het document zet in grote lijnen de keuzes uit voor de komende jaren. Daarbij heeft de gemeente niet alleen oog voor natuur en landschap, ze wil ook bijdragen aan de bereikbaarheid en daarmee de economische ontwikkeling van de gemeente. Daarvoor zijn ingrijpende maatregelen vereist, om er voor te zorgen dat de hoofdwegenstructuur beter benut wordt, zoals beoogd wordt met het provinciale programma Bereikbaar Brabant. Deze maatregelen zijn (voor zover in de omgeving van het plangebied relevant) onder andere weergegeven op de onderstaande figuur.
Figuur. Visiekaart horend bij de structuurvisie met het plangebied in het rode kader (bron: gemeente Heusden).
Zoals te zien is het plangebied ter plaatse aangeduid als een locatie waar gezocht wordt naar een verbetere aansluiting van de wegen. Gezocht wordt naar een verbetering van de bestaande aansluitinen. Dit planvoornemen voorziet daarin door de wegen Abt van Engelenlaan, de Mortelweg en de Wolput op elkaar aan te sluiten door middel van een rotonde in plaats van een regulier kruispunt. Hierdoor verbetert de doorstroming.
Toetsingskader
De uitgangspunten voor het verkeer in de gemeente Heusden is vastgelegd in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan (GVVP). Dit beleidstuk gaat verder dan de structuurvisie en spitst zich dan ook specifiek toe op verkeer en vervoer. Het document is vastgesteld door de raad van Heusden op 23 maart 2012 en in werking sinds 15 mei 2012. Naar verwachting zal de raad op 18 mei 2021 een nieuw GVVP vaststellen.
In deze nog vast te stellen gaat de gemeente in op de herinrichting kruispunt Abt van Engelenlaan - Mortelweg. De Mortelweg wordt de westelijke entree van Geerpark. Het is daarom noodzakelijk om de aansluiting op de Abt van Engelenlaan verkeersveiliger te maken en geschikt te maken voor grotere hoeveelheden verkeer.
Toetsing
Voorliggend plan is een uitwerking van de ambities zoals gesteld in het Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan. De rotonde voorziet in de herinrichting van het kruispunt en zorgt voor een veilig afwikkeling van het verkeer ter plaatse.
Conclusie
Het Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Toetsing
De ontwikkeling voorziet in de aanleg van een rotonde en zorgt voor een verbetering in de verkeersveiligheid en een verbeterde doorstroming van het verkeer op de aansluitende wegen. De ontwikkeling voorziet niet in een extra verkeersaantrekkende werking. De verkeersveiligheid wordt verbeterd en de doorstroming op de bestaande wegen zal verbeteren.
Conclusie
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit initiatief.
Situatie
De aanleg van de rotonde betekent dat een (beperkte) ingreep in het landschap nodig is. Het gebied waar het initiatief plaatsvindt betreft echter een gebied dat zelf weinig landschappelijke waarde heeft. Wel is aan de noordzijde van het plangebied een laanstructuur aanwezig. De waarde van die structuur wordt echter niet aangepast. De aan te leggen rotonde wordt zo goed mogelijk ingepast en sluit aan op de inpassing en ontwerpuitgangspunten van de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL). In dit kader is een inrichtingsplan opgesteld (Bijlage 1). In dit inrichtingsplan wordt verder ingegaan hoe de kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd.
De belangrijkste waarde betreft verder de aanwezige watergang. De watergang wordt voor de uitvoering van het plan verlegd in zuidelijke richting. Omdat het plan voorts niet voorziet in enige opgaande bebouwing blijft de open uitstraling van het gebied behouden.
Conclusie
Het aspect stedenbouw en landschap vormen geen belemmering voor het initiatief.
Toetsingskader
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10, eerste lid, van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Toetsing
De gronden in het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Onderzoek is noodzakelijk wanneer een ontwikkeling groter is dan vijfduizend vierkante meter en dieper gaat dan vijftig centimeter onder maaiveld.
Figuur. Beleidsadvieskaart archeologie met het plangebied in het rode kader (bron: gemeente Heusden).
Gelet op de aard en omvang van het initiatief kan archeologisch onderzoek achterwege blijven. De werkzaamheden die worden verricht zijn niet van dusdanig omvang, de werkzaamgheden beslaan circa drieduizend vierkante meter. Om die reden is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen.
Toetsingskader
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Toetsing
In of nabij het plangebied zijn geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. In het plangebied zijn geen specifieke landschappelijke cultuurhistorische waarden aanwezig welke geborgd dienen te worden. Van de cultuurhistorische beleidskaart van de gemeente is in de navolgende figuur een uitsnede opgenomen. Wel is het plangebied onderdeel van het slagenlandschap. Dit landschap bestaat uit strakke en smalle kavels. Als gevolg van de ruilverkaveling en vanwege de beperkte omvang van het plangebied heeft dit planvorming geen negetieve invloed op dit landschapstypen.
Figuur. Cultuurhistorische waarden- en beleidskaart Cultuurhistoriekaart Heusden met het plangebied in het
rode kader (bron: gemeente Heusden).
Conclusie
Op basis van het bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen.
Toetsingskader
Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
Toetsing
Om de uitvoerbaarheid van dit plan te toetsen, is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 (Beknopte natuurtoets) bij deze toelichting. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied en de directe omgeving ten behoeve van de inventarisatie op 18 mei 2021 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: half bewolkt, droog, circa 15 °C en een zwakke wind.
Voor een toetsing aan de soortenbescherming van de Wnb is, op basis van het uitgevoerde veldbezoek en het raadplegen van bronnen en gelet op de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Uit de toetsing komt wel naar voren dat rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels.
Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten in Natura 2000-gebieden. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Omgevingsverordening.
Stikstof
De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOX en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (15 oktober 2020). Naar aanleiding van deze berekening is een notitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen als Bijlage 4 (Stikstofnotitie) bij deze toelichting. Uit de berekening volgt dat er door de stikstofdepositie van de aanleg van de rotonde treedt geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie is niet nodig.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande vormt het aspect ecologie geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen.
Toetsingskader
Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het wijzigingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.
Toetsing
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een rotonde mogelijk. Het gebruik van de betreffende gronden wijzigt niet, behalve een agrarische strook die wordt gebruikt voor de rotonde en de watergang. Wel is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden en (re)constructie van de wegen, watergang en wateropvang op de locatie. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 2 (Bodemonderzoek) bij deze toelichting.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden en (re)constructie van de wegen, watergang en wateropvang, rekening houdend met onderstaande aandachtspunten en aanbevelingen:
Conclusie
Het aspect bodem staat de realisatie van de rotonde niet in de weg.
Toetsingskader
In het kader van de Wet geluidhinder is bij de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen.
Toetsing
De rotonde is geen gevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. Daarnaast neemt het verkeerslawaai op omliggende geluidgevoelige objecten niet toe ten gevolge van de rotonde, de rotonde voorziet slechts in een goede afwikkeling van het verkeer. De rotonde genereert zelf geen geluid, en het geluid op de betreffende wegen neemt niet toe als gevolg van het project. De verkeerssnelheid blijft hetzelfde. Verder onderzoek kan om deze reden achterwege blijven.
Conclusie
Het aspect geluid staat de realisatie van de rotonde niet in de weg.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:
Toetsing
Voorliggende ontwikkeling betreft de aanleg van een rotonde. De rotonde voorziet niet in de komst van extra verkeersbewegingen. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek kan achterwege blijven.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen verdere belemmering voor het initiatief.
Toetsingskader
Het Rijksbeleid ten aanzien van water is neergelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes:
Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Waterbeheerplan Aa en Maas
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Toetsing
Huidige watersysteem
Door het plangebied loopt op dit moment een zogeheten A-watergang. Een A-watergang betreft een oppervlaktewaterlichaam, geregistreerd in de legger overeenkomstig artikel 5.1 van de Waterwet. Deze wateren worden door of namens het waterschap onderhouden. Aanpassing van zulke watergangen is niet zondermeer mogelijk. Omdat het planvoornemen invloed heeft op de aanwezige A-watergang is in samenspraak met het waterschap gekeken hoe de rotonde kan worden aangelegd.
Figuur. Legger oppervlaktewater, Waterschap Aa en Maas
Toekomstig watersysteem
Het overleg met het waterschap heeft geresulteerd in de keuze om de A-watergang gedeeltelijk in zuidelijke richting te verplaatsen en onder de weg Wolput aan te leggen door middel een duiker. Dit heeft een nadelige invloed op de waterhuishouding en moet daarom worden gecompenseerd, zie onderstaande afbeelding voor het overzicht. De wateropgave bestaat uit:
De benodigde watercompensatie ontstaat ten gevolge van de demping van een deel van de A-watergang (1.266 m2) en toename van verhard oppervlak (274,8 m2). De totaal benodigde watercompensatie bedraagt daarmee 1.540,8 m2 en de ontworpen watercompensatie is 1.693 m2. De watercompensatie bestaat uit het vergraven A-watergang (974 m2), vergroten vijver zuidwesten (476 m2) en aanleg wadi (243 m2). De wadi wordt vanuit een overstort gevuld.
Figuur. Overzicht maatregelen waterhuishouding
Het functioneren van de wadi in relatie tot de gemiddelde hoge grondwaterstand is nader uitgewerkt. De gemeente Heusden beschikt over een grondwatermeetnetwerk. Hiermee worden realtime grondwaterstanden verzameld. Op onderstaande locaties (zie navolgende afbeelding) zit een meetpunt in de buurt van de rotonde. Hieronder de hoogst gemeten (goedgekeurde) grondwaterstand (dus hoger dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand) bij deze meetpunten:
N11 = 1,70 +NAP
N12 = 2.12 +NAP
V34 = 1.66 +NAP
V13h = 1.95 +NAP
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (90% van deze waardes) ter hoogte van de wadi komt daarbij niet hoger dan 1,90 + NAP. Daarmee kan vanaf deze hoogte gerekend worden met berging. Hieruit blijkt dat de wadi voldoende capaciteit heeft om het water te bergen.
Figuur. Toelichting meetpunten
Over de benodigde maatregelen is overleg gevoerd met het Waterschap en op basis van deze gegevens zal de watervergunning worden aangevraagd.
Door de compensatie en verplaatsing van de watergang zal de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse per saldo ongewijzigd blijven.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief.
Toetsingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Toetsing
Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die aanwezige functies en ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plangebied belemmeren. Nabij de oostgrens van het plangebied zijn wel niet-planologisch relevante leidingen aanwezig. Deze brengen echter geen belemmeringen met zich mee.
Ter plaatse van de ontwikkeling liggen wel overige kabels en leidingen. Ook is een transformator in het plangebied aanwezig. Deze kabels en leidingen zullen ter realisatie van de rotonde indien nodig worden verlegd. Eenzelfde geldt voor de aanwezige transformator. De eventueel benodigde werkzaamheden aan het kabel en leidingnetwerk ter plaatse zullen worden afgestemd met de betrekken (nuts)bedrijven.
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen staat de realisatie van de rotonde niet in de weg.
Toetsingskader en toetsing
Op basis van de Arbowetgeving en de openbare orde en veiligheid dienen alle risico's van mogelijk niet gesprongen explosieven voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden in kaart gebracht te worden. Hierbij moeten de voorkomende risico's zoveel mogelijk worden ingeperkt.
Het is niet bekend of er op het plangebied conventionele explosieven (CE) aanwezig zijn, die in de (water)bodem zijn achtergebleven door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wanneer er CE aanwezig zijn in het plangebied, dan bestaat de mogelijkheid op een ongecontroleerde ontploffing van explosieven tijdens de werkzaamheden. Om die reden zal het gebied voorafgaand aan de werkzaamheden worden onderzocht op de aanwezigheid van explosieven.
Conclusie
Het aspect conventionele explosieven vormt geen belemmering voor het initiatief.
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit:
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplan te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken.
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'.
Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij de nu ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Heusden Buitengebied, 4de herziening' van de gemeente Heusden. Voor de wijze van meten geldt hetzelfde.
Dit hoofdstuk bestaat uit de volgende bestemmingen:
'Groen'
Een deel van het plangebied is bestemd voor groen. De gronden die deze bestemming krijgen, bieden ruimte voor de verlegde watergang. Conform de systematiek van het bestemmingsplan 'Geerpark' hebben deze gronden de bestemming 'Groen' gekregen. Op grond van de bestemming zijn slechts beperkte bouwwerken op deze gronden toegestaan.
'Verkeer - Wegverkeer'
De tweede bestemming betreft de bestemming die de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt. De inhoud van deze bestemming sluit aan op de geldende de regels elders in het buitengebied.
'Waarde - Archeologie 4'
Tot slot kent het bestemmingsplan ook een dubbelbestemming om de archeologische waarden in het gebied te beschermen. Deze bestemming komt voort uit de bestaande bestemming 'Waarde - Archeologie' die in het bestemmingsplan 'Buitengebied Heusden 4de herziening' is opgenomen en is een gevolg van het archeologiebeleid zoals besproken in paragraaf 4.3 (Archeologie). Door de archeologische dubbelbestemming is niet zondermeer mogelijk om bouwwerken op te richten of werkzaamheden te verrichten, boven een bepaalde drempelwaarde (ingrepen groter dan 5000 m2 en dieper dan 0,50 cm). Van dit verbod kan echter met behulp van een omgevingsvergunning worden afgeweken.
De algemene regels bestaan uit een tweetal regels:
De 'Anti-dubbeltelregel' is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. De 'Algemene bouwregels', 'Algemene gebruiksregels' en 'Algemene afwijkingsregels' bevatten verscheidene regels van algemene strekking. Zo mag van de in de bestemmingsregels gegeven maten in een aantal gevallen worden afgeweken. Voor deze algemene regels geldt hetzelfde als voor de bestemmingsregels: onderdelen van de regels die niet van toepassing zijn in het plangebied zijn uit de artikelen verwijderd.
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt.
Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Tot slot bevat hoofdstuk 3 de slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.
Op 1 juli 2008 is de Wro inwerking getreden met daarin opgenomen een afdeling omtrent grondexploitatie, afdeling 6.4. Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan als sprake is van bouwplannen, aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van deze afdeling is om de mogelijkheden voor gemeentebesturen om kosten te verhalen, eisen te stellen aan de inrichting, de kwaliteit of de realisatie van bouwlocaties te verbeteren. De gemeente kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan als:
De ontwikkeling voorziet niet in de realisering van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Een exploitatieplan of -overeenkomst is niet nodig.
De benodigde kosten voor de realisatie van de rotonde komen ten laste van de gezamenlijke grondexploitatie Geerpark. Hierin is voorzien in deze grondexploitatie.
Conclusie
De economische uitvoerbaarheid rondom dit plan is verzekerd en vormt geen belemmering voor dit initiatief.
Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het kader van het vooroverleg zijn enkele reacties gegeven. De reacties en beantwoording zijn in onderstaande tabel weergegeven. Op basis van enkele reacties is het plan aangepast.
| Instantie | Reactie | Aanpassing in het plan |
| Provincie Noord-Brabant | Bij het plan is geen landschappelijke inpassing opgenomen. Wij verzoeken u nader inzichtelijk te maken op welke wijze de landschappelijke waarden worden versterkt en een kwaliteitsverbetering van het landschap plaatsvindt. Hierover heeft ambtelijk overleg plaatsgevonden: een berekende kwaliteitsverbetering is niet nodig, wel dient een landschappelijk inpassing plaats te vinden (artikel 3.46 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant). |
Er is een landschappelijke inpassing opgesteld voor de strook tussen de rotonde en de begraafplaats. Deze wordt groen ingericht met een wadi tbv waterberging. Dit is beschreven in artikel 4.2 in de toelichting. Op de verbeelding is deze strook bestemd als Groen. |
| Waterschap Aa en Maas | In de toelichting op het plan is de benodigde compensatie opgave niet beschreven en is onduidelijk hoe deze wordt vormgegeven. Wij verzoeken u om de waterparagraaf van het plan in overeenstemming te brengen met onze Keur en de waterbergingsopgave duidelijk te omschrijven. | In de toelichting is paragraaf 4.9 aangevuld met een omschrijving van de waterbergingsopgave. |
| We verzoeken u om in de verbeelding de A-watergang op te nemen en in de toelichting op te nemen dat er in de betreffende beschermingszone van 5 meter restricties gelden vanuit de Keur. | Op de verbeelding is de watergang reeds opgenomen met bestemming Groen. Deze gronden zijn o.a. bestemd voor sloten en waterberging. Het is niet nodig (gelet op onze bestemmingsplansystematiek) de watergang apart te bestemmen. Ook omdat de beschermingszone voldoende wordt geborgd met de regels uit de Keur. In de toelichting is de paragraaf aangevuld met de ligging van de A-watergang en de beschermingszone. | |
|
Risicobeheersing Brandweer Brabant-Noord |
Ten aanzien van de ontwikkeling heeft de veiligheidsregio geen op- of aanmerkingen. De veiligheidsregio adviseert de gemeente/ projectontwikkelaar om contact op te nemen met de brandweer voorafgaand aan de werkzaamheden. Op deze manier kan gerealiseerd worden dat de bereikbaarheid ook tijdens de wegwerkzaamheden geborgd wordt. | Geen. Voorafgaand de werkzaamheden zal contact gezocht worden met de brandweer over de bereikbaarheid. |
Daarnaast is er gecommuniceerd met de omgeving over de beoogde realisatie van de rotonde. In nieuwsbrieven voor de bewoners van Geerpark en met het naastgelegen crematorium en parkmanagement van bedrijventerrein Het Hoog.
Het ontwerpbestemmingsplan lag vanaf 30 juni 2022 gedurende zes weken ter inzage. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Na de ontwerpfase zal de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet vaststellen. Tegen dat besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.