direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kapelstraat 34, Elshout
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Kapelstraat 34, Elshout" van de gemeente Heusden.

1.1 Aanleiding en doel

Voorliggend initiatief betreft de bestemmingswijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Sinds 2009 wordt er ter plaatse een autoreparatiebedrijf en een caravanstalling geëxploiteerd op het perceel. Deze bedrijfsactiviteiten zijn echter niet vergund en in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast zal het bestaande agrarische loonwerkbedrijf gevestigd op het perceel komen te vervallen.

De voorgenomen activiteiten passen niet binnen het vigerende bestemmingsplan ''Heusden Buitengebied, 4de herziening'', omdat deze activiteiten niet mogelijk zijn binnen de bestemming 'Agrarisch'. De gemeente Heusden heeft echter aangegeven medewerking te willen verlenen aan het legaliseren door middel van een herziening van het bestemmingsplan. Hierbij moet voldaan worden aan artikel 5.6 van het vigerende bestemmingsplan.

Voorliggende toelichting bevat de ruimtelijke onderbouwing voor het plan.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0001.png"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Drunen, sectie K, nummer 498 en 3346. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 6.615 m². De gronden zijn in particulier eigendom.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen:

  • "Heusden Buitengebied, 4de herziening", vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2018;
  • "Parapluplan Parkeren Heusden", vastgesteld door de gemeenteraad op 18 september 2018;
  • ''Parapluplan Wonen'', vastgesteld door de gemeenteraad op 13 juli 2021.

1.3.1 Bestemmingsplan ''Heusden Buitengebied, 4de herziening''

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied, 4de herziening", vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2018. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Binnen het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch', waarbinnen onder meer agrarische bedrijfsuitoefening is toegestaan. Ter plaatse van het plangebied ligt tevens een bouwvlak. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden opgericht. Binnen deze bestemming geldt op een deel van het perceel de bouwaanduiding 'karakteristiek'. De gronden binnen deze aanduiding zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de aangegeven gebouwen.

Tevens gelden gedeeltelijk de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4'. Deze dubbelbestemmingen zorgen voor de bescherming van archeologische waarden in het gebied, door middel van het leggen van een onderzoeksplicht voorafgaand aan het uitvoeren van bepaalde ingrepen in de bodem. In paragraaf 5.2.1 is het aspect archeologie nader beschreven.

Tevens gelden de gebiedsaanduidingen 'overige zone - openheid' en 'overige zone - beperkingen veehouderij'. Binnen de aanduiding 'overige zone - openheid' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en het herstel van de visuele openheid met landschappelijke waarden. Binnen de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' zijn de gronden tevens bestemd voor de bescherming van natuur en woonconcentraties, door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de niet-intensieve veehouderij en de intensieve veehouderij.

Afwijkingsmogelijkheid

Volgens de systematiek van het bestemmingsplan 'Heusden Buitengebied, 4de herziening' zijn de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven. Tenzij het bestaande bedrijven betreft, zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.1. Het beoogde autoreparatiebedrijf en de caravanstalling betreffen geen agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch verwant bedrijf. De bedrijfsactiviteiten zijn wel al aanwezig op het perceel, maar ze zijn niet vergund. Er is daarom geen sprake van een bestaand bedrijf.

In haar principebesluit heeft de gemeente aangegeven dat, ondanks dit een bestemmingsplanherziening betreft, aangesloten dient te worden bij de voorwaarden behorende bij het artikel 5.6 van het vigerende bestemmingsplan. Hieronder is dit artikel overgenomen en wordt hieraan getoetst:

''5.6 Afwijken van de gebruiksregels”

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1, sub a ten behoeve van de vestiging van categorie 1 en 2 bedrijven zoals vermeld in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, onder de volgende voorwaarden:

  • 1. de oppervlakte van het bestemmingsvlak maximaal 5000 m² bedraagt;
  • 2. het bedrijf niet behoort tot een milieucategorie 3 of hoger;
  • 3. er is sprake van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie buitengebied, zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 20 juli 2010 en aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden;
  • 4. het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid mag niet leiden tot twee of meer zelfstandige bedrijven, zelfstandige kantoorvoorziening en een zelfstandige detailhandelvoorziening van meer dan 200 m².''

ad a.   Het beoogde bedrijfsperceel heeft een oppervlakte van circa 6.500 m². Om gebruik te kunnen maken van de afwijkingsbevoegdheid moet het bedrijfsperceel dus worden verkleind tot maximaal 5.000 m². Aan deze voorwaarde wordt voldaan zie paragraaf 3.1.  
ad b.   Het bedrijf betreft een autoreparatiebedrijf en een caravanstalling. Deze functies behoren tot milieucategorie 2. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.  
ad c.   Middels onderhavig planvoornemen is er een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten en wordt aangesloten bij de "Ontwikkelingsvisie Buitengebied''. Er wordt middels dit plan voorzien in een landschappelijke inpassing, bestaande uit de aanleg van een bosplantsoen, nieuwe erfhagen en de aanplant van diverse solitaire bomen. Met een voorwaardelijk verplichting zal deze landschappelijke inpassing worden geborgd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.  
ad d.   Beide bedrijfsactiviteiten (reparatiebedrijf en caravanstalling) zijn gericht op voertuigen in de brede zin van het woord. Beide activiteiten behoren tot hetzelfde bedrijf. Er is daarom geen sprake van twee zelfstandige bedrijven. Er is geen sprake van een detailhandelvoorziening van meer dan 200 m2. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.  

1.3.2 Bestemmingsplan "Parapluplan Parkeren Heusden"

Het bestemmingsplan "Parapluplan Parkeren Heusden" geldt voor de gehele gemeente. In het bestemmingsplan is het gemeentelijke parkeerbeleid vastgelegd. Toepassing van het parkeerbeleid op onderhavig plan is opgenomen in paragraaf 3.2.

1.3.3 Bestemmingsplan ''Parapluplan Wonen''

Het bestemmingsplan ''Parapluplan Wonen'' geldt voor de gehele gemeente. Dit bestemmingsplan komt voort uit de vaststelling van het beleid 'Huisvesting arbeidsmigranten 2020'. Ter bevordering van de leefbaarheid in de wijk en ter voorkoming van mogelijke toekomstige overlastsituaties is als algemeen uitgangspunt in dit beleid opgenomen 'de aanwezigheid van arbeidsmigranten te spreiden'. Voorliggend initiatief betreft geen huisvesting van arbeidsmigranten en levert dus geen beperkingen op.

1.3.4 Conclusie

De caravanstalling en het autoparatiebedrijf zijn in strijd met de geldende bestemming 'Agrarisch'. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied.

2.1 Directe omgeving en plangebied

Onderstaande afbeelding en de foto's geven de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0004.png"

DIRECTE OMGEVING

2.1.1 Bebouwing en functies

Het plangebied is, conform de wegenverkeersweg, gelegen in de bebouwde kom van Elshout aan de Kapelstraat. De kern Elshout ligt ten noorden van Drunen, ten oosten van Waalwijk en ten westen van Haarsteeg. De bebouwing in deze straat wordt, zoals overigens ook geldt voor een groot deel van de oorspronkelijke kern Elshout, gekenmerkt als lintbebouwing met een lange en smalle verkaveling, het traditionele slagenlandschap.

Het plangebied is van oudsher ingericht als agrarisch bedrijf. Naast de bedrijfswoning, direct gesitueerd aan de Kapelstraat, kent het plangebied een aanpandige schuur. Daarnaast is door de tijd heen de bebouwing uitgebreid met een vrijstaande schuur (oostelijk deel van het plangebied, ingericht voor het autoreparatiebedrijf) en een grote loods (ten behoeve van de caravanstalling). Het noordelijke deel van het perceel betreft een 'agrarisch' weiland. Ten westen van de aanpandige schuur is een paardenbak gesitueerd.

De Kapelstraat grenst direct aan het zuidelijk deel van het plangebied. In het westen wordt het plangebied gedeeltelijk omrand door een woonbestemming en een agrarische bestemming. In het oosten wordt het plangebied gedeeltelijk omrand door een gemengde bestemming en een agrarische bestemming. De noordkant wordt volledig omrand door een agrarische bestemming. Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de bebouwing binnen het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0005.png"

BEBOUWING BINNEN PLANGEBIED

2.1.2 Ontsluiting

De Kapelstraat betreft een van de ontsluitingswegen van Elshout. Hierdoor kan worden aangenomen dat de verkeersintensiteiten relatief hoog zijn. Onderhavig plangebied grenst direct, middels één ontsluiting, op de Kapelstraat. Het karakter van deze straat, ter hoogte van het plangebied, is zeer informeel. Er wordt een minimum aan verkeerskundige elementen toegepast. De hoofdrijbaan van de Kapelstraat bestaat uit een casseienverharding met aan weerszijden stroken van klinkerverharding.

2.1.3 Groen en water

Onderhavig plangebied kent geen noemenswaardige groenstructuren. Op de zuidelijke en oostelijke erfgrens zijn enkel gedeeltelijke hagen aanwezig. Het plangebied is richting het noorden grotendeels ingericht als agrarisch weiland, ook zonder noemenswaardige groenstructuren. Onderhavig plangebied wordt omgeven door een drietal watergangen:

  • 1182270 (noordelijke perceelsgrens, primair);
  • 04136 (oostelijke perceelsgrens, secundair);
  • 00722 (westelijke perceelsgrens, secundair).

Hoofdstuk 3 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen.

3.1 Bebouwing en functies

Voorliggend initiatief betreft de functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Binnen onderhavig planvoornemen zal de bestaande bebouwing en inrichting behouden blijven en worden de thans 'illegale' bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch gelegaliseerd.

Binnen het plangebied zijn de volgende gebouwen aanwezig, te weten (zie onderstaande afbeelding voor een visueel overzicht):

  • I. Woonboerderij (circa 295 m2)
  • II. Berging (circa 390 m2)
  • III. Autoreparatiebedrijf (circa 375 m2)
  • IV. Caravanstalling (circa 800 m2)
  • V. Paardenstal (circa 55 m2)

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0006.jpg"

INRICHTINGSSCHETS TERREIN

Zoals vermeldt zullen deze gebouwen behouden blijven en dienen voor hun huidige functies. Met de gemeente is overeengekomen dat de zichtlijn die loopt tussen de gebouwen I/II en III behouden dient te blijven. Middels het behouden van de bestaande gebouwen wordt deze zichtlijn niet onderbroken. Het voorerf is in het huidige gebruik als siertuin ingericht, met lage hagen op de perceelsgrenzen en ter begeleiding van de inritten. Overwogen kan worden om op het grasveld aan de oostzijde enkele hoogstamfruitbomen te plaatsen. Hierdoor wordt het directe zicht op de bedrijfsgebouwen weggenomen.

Het achtererf is voor een groot deel verhard, zodat het gebruikt kan worden voor parkeren en rangeren. Er zal geen sprake zijn van buitenopslag. Ook zullen er geen auto's gestald worden aan de voorzijde van de bedrijfsgebouwen.

Landschappelijke analyse (inclusief landschappelijke inpassing)

Het plangebied is gelegen in het westelijke gedeelte van het lintdorp Elshout (zie rode cirkel op onderstaande afbeelding). Het landschapstype betreft het rivierkomgebied. Dit kenmerkt zich een grootschalig en open landbouwlandschap dat tussen dekzandrug en oeverwal ligt. Van oorsprong bestond het rivierkomgebied uit uitgestrekte moerasbossen door de zeer natte bodem. Hier zijn in de huidige situatie nog maar enkele boscomplexen, bosschages en bosstroken van over. Verder ligt er een strokenverkaveling die noord-zuid gericht is, waar ook het plangebied onderdeel van is. Op deze kenmerkende verkavelingsvorm vindt voornamelijk agrarische bedrijvigheid plaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0007.png"

LIGGING PLANGEBIED BINNEN LANDSCHAPSTYPE

Enkele kernkwaliteiten van het rivierkomgebied zijn de openheid, lintstructuren, oude dijkring, zichtlijnen, regelmatige strokenverkaveling, bosgebieden en slotenstructuur. Voor de landschappelijke inpassing houdt dit in dat er aandacht besteed zal moeten worden aan:

  • Het behoud en versterking van de bestaande strokenverkaveling;
  • Behoud van de bebouwde lintstructuren;
  • Plaatsing van bedrijfsgebouwen in de lengterichting van de kavel;
  • Inpassing van grootschalige bedrijfsbebouwing of -erven middels brede bosstroken en boscomplexen;
  • Landschappelijke inpassing door de perceelsgrenzen te voorzien van hagen/heggen of houtwallen en/of bospercelen;
  • Respecteren van open corridors en zichtlijnen;
  • Toe te passen boomsoorten: elzen, eiken, populieren, essen en wilgen.

Met onderstaande landschappelijke inpassing, tevens bijgevoegd als bijlage 1, wordt voldaan aan bovenstaande ontwerprichtlijnen zoals opgenomen in de 'Ontwikkelingsvisie Buitengebied Heusden'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0008.png" LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN

Het perceel is langgerekt met gebouwen in de lengterichting van het perceel. Door beplanting langs de oost- en westelijke kavelgrenzen te plaatsen wordt de zichtlijn richting het noorden gerespecteerd. Er is gebruik gemaakt van gebiedseigen soorten zoals omschreven in de visie: Eik, Es, Populier, Els en Wilg. Het bosplantsoen bestaat uit wat gevarieerdere soorten, en zorgt voor een goede afwisseling en biodiverse toepassing op het perceel.

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Verkeer

De legalisatie van een autoreparatiebedrijf en een caravanstalling zal planologisch invloed hebben op de verkeersgeneratie. De digitale publicatie "ASVV 2012'' (CROW) bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Heusden wordt aangeduid als weinig stedelijk gebied, waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Heusden tot de rest bebouwde kom behoort.

Voor een agrarisch bedrijf (huidige planologische situatie) zijn deze kengetallen echter niet bekend. De verkeersaantrekkende werking van het initiatief wordt daarom globaal berekend op basis van de nieuwe situatie.

Nieuwe situatie

Voor het berekenen van het aantal motorvoertuigbewegingen in de nieuwe situatie wordt uitgegaan van een autoreparatiebedrijf (375 m² bvo), een caravanstalling ten behoeve van 25 caravans en één bedrijfswoning.

Autoreparatiebedrijf

Een autoreparatiebedrijf betreft doorgaans een 'bedrijf arbeidsintensief/bezoekers extensief' bedrijf. Echter betreft onderhavig bedrijf een éénmansbedrijf. Hierdoor kan dit bedrijf, voor het aspect verkeersgeneratie, het beste worden onderverdeeld onder 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief'. De verkeersgeneratie voor het autoreparatiebedrijf betreft 4,8 motorvoertuigbewegingen per 100 m² bvo. Voor deze locatie leidt dit tot 18 (375 m² bvo) motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Caravanstalling

Binnen het bestaande gebouw is ruimte voor maximaal 25 caravans. Uitgangspunt is dat er 3x per jaar wordt gestald (3x ophalen en 3x terugbrengen, per keer 2 motorvoertuigbewegingen). Dat betekent 25 * 6 * 2 mvt = 300 mvt per jaar. Het halen en brengen van de caravans zal zich voornamelijk concentreren rond de vakanties. Verspreid over 3 pieken in halen (3x gedurende 1 week voor een vakantie) en 3 pieken in brengen (3x gedurende 1 week na een vakantieperiode) betekent dat de totale verkeersaantrekkende werking binnen 42 (2*3*7) dagen geschiedt. Dit resulteert in gemiddeld 7 motorvoertuigbewegingen per etmaal tijdens de piekperiode.

Bedrijfswoning

De bedrijfswoning kent, conform de digitale publicatie "ASVV 2012'' (CROW), een verkeersgeneratie van maximaal 9 motorvoertuigbewegingen per etmaal (koop, huis, vrijstaand).

Conclusie

Gezamenlijk leidt onderhavig planvoornemen tot 34 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om deze (theoretisch nieuwe) verkeersaantrekkende werking op te vangen.

3.2.2 Ontsluiting

De initiatiefnemer wenst afzonderlijke inritten aan te leggen ter ontsluiting van woning en bedrijf. Ten westen van de woonboerderij wordt een nieuwe inrit aangelegd met een breedte van circa 3,5 meter. De inrit biedt ruimte aan het parkeren van twee auto's. De bestaande inrit ten oosten van de woning biedt toegang tot het bedrijfsgedeelte. Deze inrit heeft een breedte van circa 6 meter. De inrichting van de Kapelstraat als woonlint kent vele inritten op korte afstand van elkaar. Het toevoegen van een inrit levert verkeerstechnisch geen problemen op.

3.2.3 Parkeren

Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor goed functioneren van het plangebied en voorkomt overlast voor de omgeving. De gemeente Heusden heeft hiertoe het bestemmingsplan ''Parapluplan Parkeren Heusden'' vastgesteld. Van toepassing zijn de normen uit de ''Nota Parkeernormen Heusden 2016'', waarin het plangebied wordt aangeduid als 'Rest bebouwde kom en Buitengebied'.

Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen in de nieuwe situatie wordt uitgegaan van een autoreparatiebedrijf (375 m² bvo), een caravanstalling ten behoeve van 25 caravans en één bedrijfswoning.

Een autoreparatiebedrijf, valt zoals reeds is toegelicht, onder een 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief'. Het parkeervraagstuk voor het autoreparatiebedrijf betreft 1,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Voor deze locatie leidt dit afgerond tot 4 parkeerplaatsen.

Ten behoeve van de caravanstalling zijn alleen tijdelijke parkeerplaatsen vereist tijdens het laden en lossen. Het terrein biedt hiervoor voldoende ruimte, zie inrichtingsschets.

De bedrijfswoning (vrijstaand) dient te voorzien in de minimale norm van 2,3 parkeerplaatsen. Op basis van deze informatie kan gesteld worden dat de het initiatief afgerond moet voorzien in 7 parkeerplaatsen, omdat straatparkeren niet is toegestaan. De 7 parkeerplaatsen kunnen op eigen terrein worden gerealiseerd, zie inrichtingsschets.

3.3 Groen en water

Binnen het initiatief wordt voorzien in de noodzakelijke landschappelijke inpassing, zoals beschreven in paragraaf 3.1 en bijgevoegd als bijlage 1. Het plan omvat geen aanleg van oppervlaktewater.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Nationale omgevingsvisie

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In dit strategisch beleidsdocument schetst de overheid een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Nederland staat de komende jaren voor grote opgaven: de bouw van één miljoen nieuwe woningen, duurzame energie opwekken, klimaatverandering en de overgang naar een circulaire economie vragen meer ruimte dan er beschikbaar is. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig, gezond en welvarend te houden. In dit licht zijn de NOVI de nationale belangen opnieuw gedefinieerd:

  • a. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
  • b. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit.
  • c. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties.
  • d. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
  • e. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
  • f. Waarborgen en realiseren van een veilig robuust en duurzaam mobiliteitssysteem.
  • g. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit.
  • h. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving.
  • i. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten.
  • j. Beperken van klimaatverandering.
  • k. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is en de daarbij benodigde infrastructuur.
  • l. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen.
  • m. Realiseren van een toekomstbestendige circulaire economie.
  • n. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit).
  • o. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater.
  • p. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.
  • q. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit.
  • r. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie.
  • s. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
  • t. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.
  • u. Ontwikkelen van een duurzame visserij.

Analyse
De meeste nationale belangen hebben direct of indirect invloed op de voorliggende ontwikkelingen en daarmee op de inhoud van voorliggend bestemmingsplan. De vaak algemeen geformuleerde belangen zijn gespecificeerd in de verordeningen en beleidsregels van de verschillende overheden. Door te voldoen aan die verordeningen en beleidsregels, geeft het plan invulling aan de nationale belangen. Een en ander komt in deze toelichting aan de orde.

Conclusie
Het plan voldoet aan de Nationale Omgevingsvisie.

4.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor het project zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft derhalve ook geen toetsing aan het Barro plaats te vinden.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het plan omvat een functiewijziging van een bestaande agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming binnen het bestaand stedelijk gebied, zonder uitbreiding van het terrein en bebouwing. Het plan wordt daardoor niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie Noord-Brabant;
  • Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Het plan wordt aan deze nota's getoetst.

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie;
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant;
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad;
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Analyse
Onderhavig planvoornemen betreft de functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Binnen onderhavig planvoornemen zal de bestaande bebouwing behouden blijven en worden de thans 'illegale' bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch gelegaliseerd. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.

ad 1.   De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. Voorliggend initiatief maakt geen nieuwbouw mogelijk. Dit aspect is hierdoor niet van toepassing.  
ad 2.   Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt.  
ad 3.   Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Voorliggend initiatief maakt geen nieuwvestiging mogelijk maar zorgt enkel voor een juridisch-planologische verankering van de huidige situatie.  
ad 4.   Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door het opheffen van het oude agrarische loonwerkbedrijf en het juridisch-planologisch mogelijk maken van het reeds aanwezige autoreparatiebedrijf wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat.  

Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening (geconsolideerde versie 1 augustus 2023) bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2024 in werking zal treden.

De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):

  • afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
  • afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
  • afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.

4.2.2.1 De toedeling van functies

Onderhavig plangebied is, conform de IOV, gelegen in twee werkgebieden (zie onderstaande afbeelding):

  • Concentratiegebied (landelijke kern);
  • Landelijk gebied (gemengd landelijk gebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0009.jpg"

UITSNEDE WERKGEBIEDEN

Conform artikel 3.42 IOV kan een bestemmingsplan binnen het 'Concentratiegebied (landelijke kern)' op deze locatie voorzien in wonen, werken of andere voorzieningen. Hieronder is dit artikel overgenomen en wordt hieraan getoetst.

Artikel 3.42 - duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1

Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

  • a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
    Onderhavig planvoornemen heeft een geringe omvang, waardoor het niet is opgenomen binnen de regionale afspraken.
  • b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
    Onderhavig planvoornemen voorziet niet in de nieuwbouw nieuwe gebouwen.

Lid 2

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:

  • a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;
    Onderhavig planvoornemen voldoet aan alle uitvoeringsaspecten. Deze worden nader toegelicht in hoofdstuk 5.
  • b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
    Onderhavig planvoornemen voorziet in de functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat. Het voormalige agrarische loonwerkbedrijf wordt planologisch opgeheven en maakt plaats voor het autoreparatiebedrijf en caravanstalling. De functiewijziging past op deze locatie aangezien de locatie binnen een bebouwingsconcentratie met gemengde functies ligt aan het dorpslint Kapelstraat.
  • c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
    Onderhavig planvoornemen betreft geen nieuwbouw.
  • d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
    Onderhavig planvoornemen voldoet aan de in paragraaf 5.3 benoemde eisen voor de opvang en afvoer van hemelwater. Hiermee wordt voldaan aan dit sublid.
  • e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;
    Onderhavig planvoornemen zorgt niet voor een verandering/aanpassing met betrekking tot duurzame mobiliteit. Dit sublid is niet van toepassing.
  • f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
    Onderhavig planvoornemen zorgt ervoor dat het reeds gevestigde autoreparatiebedrijf en caravanstalling kan blijven bestaan op deze specifieke locatie, waardoor dit bijdraagt aan de continuïteit van het dorp Elshout als locatie voor bedrijvigheid.

Conform artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening (IOV) is de vestiging van een niet-agrarische functie (caravanstalling) in het landelijk gebied toegestaan. Onderstaand is dit artikel overgenomen en wordt hieraan getoetst.

Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
    • 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
    • 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
    • 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
      Onderhavig planvoornemen dat voorziet in statische binnenopslag is passend binnen de directe omgeving, daar het niet hinderlijk is op zowel de naastgelegen woningen alsmede op de aangrenzende agrarische bedrijven. Daarnaast heeft onderhavig planvoornemen geen negatieve invloed op de mobiliteitsstromen, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; omdat met de oprichten van een opslagbedrijf juist leegstand wordt tegengegaan en het bedrijf geen hinder geeft aan omliggende percelen. Onderhavig planvoornemen heeft geen invloed op het versterken dan wel verslechten van de omgevingskwaliteit.
  • b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;
    Binnen onderhavig plangebied vindt geen splitsing van het bouwperceel plaats.
  • c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
    Onderhavig planvoornemen kent geen overtollige bebouwing.
  • d. de vestiging heeft geen betrekking op:
    • 1. een kantoor met baliefunctie;
    • 2. lawaaisport;
    • 3. mestbewerking.
      Onderhavig planvoornemen zorgt niet voor een vestiging van de hierboven genoemde functies.

Lid 2

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

  • a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;
    Onderhavig planvoornemen is niet groter dan 800 m². Daarnaast heeft onderhavig planvoornemen geen verkeersaantrekkende werking. Dit is passend binnen de omgeving.
  • b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;
    Onderhavig planvoornemen betreft een bedrijf voor statische binnenopslag. Enkel binnenopslag is hier toegestaan.
  • c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;
    Onderhavig planvoornemen voorziet in een nevenfunctie voor statische binnenopslag. Enkel binnenopslag is hier toegestaan.
  • d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.
    Onderhavig planvoornemen houdt geen rekening met een mogelijke verhuizing van het bedrijf. Daar een bedrijf voor statische binnenopslag niet op alle plekken gevestigd kan worden.

Lid 3

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor:

  • a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;
    Onderhavig planvoornemen voorziet in statische binnenopslag dat past binnen de gemengde omgeving van de Kapelstraat. Hierdoor is het niet noodzakelijk en doelmatig om deze te vestigen op een bedrijventerrein.
  • b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;
    Dit sublid is niet van toepassing, omdat het geen detailhandelsvoorziening betreft.
  • c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.
    Dit sublid is niet van toepassing, omdat het geen voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg betreft.

4.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken:

  • aangewezen gebied voor peilbesluit;
  • norm wateroverlast Stedelijk gebied.

Aangewezen gebied voor peilbesluit en norm wateroverlast Stedelijk gebied

De artikelen 4.16 en 4.2 IOV stellen regels aangaande waterschapsbeslissingen. De ontwikkeling zorgt niet voor een toename van het verhard oppervlak en zorgt dus niet voor een verslechtering van de waterhuishouding

4.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van

functies zijn:

  • zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
  • de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;
  • kwaliteitsverbetering van het landschap.

Zorgplicht Ruimtegebruik
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat
    • 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;
    • 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
      Onderhavig planvoornemen leidt niet tot de uitbreiding van de bestaande bebouwing maar betreft enkel een functiewijziging ter plaatse. Op basis van artikel 3.42 IOV kan hierin worden voorzien.
  • b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
    Onderhavig plan voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking, zie paragraaf 4.1.3.
  • c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
    Onderhavig planvoornemen voorziet in één bouwperceel.

Lid 2

Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.
Onderhavig planvoornemen ligt gedeeltelijk binnen het Concentratiegebied (landelijke kern), waarbij een bestaand bouwperceel wordt voorzien van een functiewijziging.

Toepassing lagenbenadering

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op:

  • a. de ondergrond; zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag; zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
  • c. de bovenste laag; zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

Onderhavig planvoornemen zorgt niet voor een wijziging in de eerste twee lagen. Desalniettemin treedt er wel een verandering op in de derde laag. Door de functiewijziging komt het huidige agrarische loonwerkbedrijf te vervallen en wordt het autoreparatiebedrijf en caravanstalling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Deze functiewijziging zorgt ervoor dat de gevoerde bedrijfsactiviteiten van een milieucategorie 3.1 naar een categorie 2 worden verlaagd. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de milieutechnische aspecten van het plan.

Meerwaardecreatie

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Onderhavig planvornemen voorziet in meerwaardecreatie middels de opheffing van het oude agrarische loonwerkbedrijf en het juridisch-planologisch mogelijk maken van het autoreparatiebedrijf en caravanstalling. De oude bedrijfsvoering wordt niet langer passend geacht binnen het dorpslint Kapelstraat. Met de wijziging van de bedrijfsactiviteiten wordt er voor een mooie invulling van het lint gezorgd.

Kwaliteitsverbetering landschap
Conform artikel 3.9 IOV moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze kwaliteitsverbetering is beschreven in paragraaf 4.2.3.

4.2.2.4 Conclusie

Het plan is niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.2.3 Kwaliteitsverbetering van het landschap

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied eist de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant in bepaalde gevallen een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Op grond van deze verordening (zie paragraaf 4.2.2) is kwaliteitsverbetering van het landschap ook voor dit project van toepassing.

Voor het bepalen van de benodigde investering is de categorie-indeling van ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied van toepassing:

  • categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig;
  • categorie 2: beperkte impact; landschappelijke inpassing volstaat;
  • categorie 3: grote impact; landschappelijke inpassing én berekende kwaliteitsverbetering van het landschap, tezamen tenminste 20% van de waardevermeerdering van de grond bedragende.

Voorliggend initiatief betreft, voor zover gelegen binnen het Landelijke gebied, een zogenaamde categorie 3-ontwikkeling (niet-planmatige ontwikkeling in het buitengebied). Uitgangspunt is een methodiek voor een landschappelijke tegenprestatie die uitgaat van een forfaitair bedrag op basis van grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst).

4.2.3.1 Benodigde investering

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in drie categorieën ingedeeld. Voorliggend initiatief is een zogenaamde categorie 3-ontwikkeling. De provincie eist bij een categorie 3-ontwikkeling dat sprake is van:

  • 1. een goede landschappelijke inpassing van het perceel;
  • 2. een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.

De basisinspanning moet ten minste 20% van de waardevermeerdering van de grond bedragen. De benodigde kwaliteitsverbetering van het landschap is berekend. In onderstaande schema's is de waardebepaling van de grond, gelegen binnen het landelijke gebied, voor de bestaande en nieuwe situatie weergegeven.

WAARDE HUIDIGE SITUATIE

Categorie   Omvang   Eenheidsprijs   Waarde  
Agrarisch   75 m²   € 10,-/m²   € 750,-  
Agrarisch (bouwvlak)   1.650 m²   € 25,-/m²   € 41.250,-  
Totaal   1.725 m²     € 42.000,-  

WAARDE NIEUWE SITUATIE

Categorie   Omvang   Eenheidsprijs   Waarde  
Bedrijf (buiten bouwvlak)   665 m²   € 50,-/m²   € 33.250,-  
Bedrijf (bouwvlak)   1.060 m²   € 100,-/m²   € 106.000,-  
Totaal   1.725 m²     € 139.250,-  

Uit de berekening volgt dat de benodigde landschappelijke kwaliteitsverbetering 20% * (139.250 - 42.000) = € 19.450,- bedraagt. Deze berekening is als bijlage opgenomen in de overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer, zie paragraaf 4.2.3.3.

4.2.3.2 Feitelijke tegenprestatie

De feitelijke tegenprestatie bestaat in voorliggend plan uit het aanplanten van opgaand groen op de perceelsgrenzen, waarbij wordt aangesloten bij de landschappelijke analyse zoals opgenomen in paragraaf 3.1.

De hierboven beschreven landschapselementen zijn weergegeven op het als bijlage 1 opgenomen beplantingsplan en de als bijlage 2 opgenomen beplantingslijst.

De waarde van deze kwaliteitsverbetering van het landschap bedraagt € 6.773,86 en is berekend aan de hand van:

  • de feitelijke aanleg van de fysieke prestatie;
  • de onderhoudskosten voor een periode van zes jaar.

In de berekening is uitgegaan van het als bijlage 1 opgenomen beplantingsplan. Deze oppervlakten zijn nodig voor de berekening van de kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze is als bijlage opgenomen in de privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer, zie paragraaf 4.2.3.3.

De geplande investering (€ 6.773,86) is kleiner dan de benodigde investering (€ 19.450,-). Zodoende zal het verschil (€ 12.676,14) worden gestort in het gemeentelijke fonds Rood voor Groen. Hiermee is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening.

4.2.3.3 Zekerstelling kwaliteitsverbetering

De Interim Omgevingsverordening eist dat bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit is aangetoond dat de kwaliteitsverbetering van het landschap financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. De initiatiefnemer en de gemeente hebben daarom een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de aanleg en het beheer van de landschappelijke inpassing is vastgelegd. Daarnaast is in de regels behorende bij dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen om dit landschappelijke inpassingsplan juridisch te borgen. Hiermee wordt voldaan aan de criteria van de Interim Omgevingsverordening.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Omgevingsvisie Heusden

Op 28 maart 2023 heeft de gemeente Heusden de 'Omgevingsvisie Heusden' vastgesteld. De Omgevingsvisie Heusden beschrijft de toekomstige ontwikkeling van de gemeente Heusden op het gebied van wonen, werken, recreatie en milieu. De visie stelt dat de gemeente Heusden een aantrekkelijke en duurzame leefomgeving moet bieden voor haar inwoners, bedrijven en bezoekers.

Om deze doelstelling te bereiken, richt de visie zich op een aantal belangrijke thema's, zoals het behoud van het historische karakter van de gemeente, het verbeteren van de bereikbaarheid en het stimuleren van duurzame energieopwekking. Verder wordt er aandacht besteed aan het versterken van de lokale economie en het behoud van het groene karakter van de gemeente.

De visie benadrukt het belang van samenwerking tussen de gemeente, inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden bij het realiseren van de gestelde doelen. Ook wordt er gepleit voor een integrale aanpak van de verschillende opgaven, waarbij er rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang en afhankelijkheden.

Al met al streeft de Omgevingsvisie Heusden naar een leefomgeving die duurzaam, toekomstbestendig en aantrekkelijk is voor alle betrokken partijen.

Analyse

Voor onderhavige locatie bevat de 'Omgevingsvisie Heusden' geen directe aanknopingspunten. De functie wijzigt van een bedrijfsfunctie met milieucategorie 3.1 (agrarisch bedrijf) naar een bedrijfsfunctie met milieucategorie 2 binnen een gemengd bebouwingslint. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat deze bedrijfsfunctie beter passend is in het lint aan de Kapelstraat.

Conclusie

Het plan past binnen de 'Omgevingsvisie Heusden'.

4.3.2 Beleidsnota Vestigingsmogelijkheden

De gemeente Heusden heeft beleid ontwikkeld voor het toelaten van bedrijven binnen haar grondgebied. Dat betreft de nota “Vestigingsmogelijkheden, Ruimte voor bedrijvigheid in Heusden” van september 2012. In die nota is vastgelegd welke ontwikkelingsmogelijkheden het gemeentebestuur ziet voor bedrijven binnen de verschillende kernen van de gemeente, onderscheiden naar gebiedstypen. De uitgangspunten voor de vestigingsmogelijkheden van bedrijven volgens die nota zijn:

  • er wordt gestreefd naar zuinig en effectief ruimtegebruik;
  • binnen bepaalde ruimtelijke randvoorwaarden, biedt de gemeente Heusden een 'waaier' aan vestigingsmogelijkheden ter bevordering van het ondernemingsklimaat en de leefbaarheid.

De uitwerking van deze twee uitgangspunten betekent in de praktijk dat bedrijvigheid hoofdzakelijk geconcentreerd wordt rondom de A59 en op bedrijventerreinen en dat gestreefd wordt naar flexibele inpassing van lichte bedrijvigheid in gemengde gebieden en centrumgebieden. Bij deze beleidsnotitie zijn enkele kaarten gevoegd waarin de kernen zijn ingedeeld in bepaalde gebiedstypen.

Analyse

Het plangebied is gelegen in de gemengde zone. Van belang bij deze toetsing is dat het gaat om een functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Binnen onderhavig planvoornemen zal de bestaande bebouwing behouden blijven en worden de thans 'illegale' bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch gelegaliseerd. Het plan omvat geen bouwplan. Het betreft een kleinschalig initiatief en past dus in gemengd gebied. Blijkens het vestigingsbeleid valt de bedrijvigheid in milieucategorie B. Bedrijvigheid van die categorie is passend in gemengd gebied.

Conclusie

Het voorliggende initiatief past binnen de beleidskaders van de gemeente inzake de

vestigingsmogelijkheden van bedrijven.

4.3.3 Ontwikkelingsvisie Buitengebied

Het doel van de ontwikkelingsvisie is om als toetsingskader te fungeren voor initiatieven, die zich aandienen in het buitengebied en die niet passen in het bestemmingsplan. De gemeente wil voor functieverandering van voormalige agrarische bedrijven ruime mogelijkheden opnemen uit een oogpunt van behoud van een sterke plattelandseconomie, waarbij rekening moet worden gehouden met de kwaliteiten per deelgebied. De mogelijkheden voor functieveranderingen verschillen daarom per deelgebied.

Analyse

In de 'Ontwikkelingsvisie Buitengebied' is het plangebied aangewezen als 'Rivierkom'. Op basis hiervan zijn de ontwerprichtlijnen voor het plangebied:

  • behoud en versterken van de bestaande strokenverkaveling (ontwikkelingen moeten binnen de huidige korrelgrootte passen);
  • behoud van de bebouwde lintstructuren;
  • bij voorkeur plaatsing van bedrijfsbebouwing in de lengterichting van de kavel. De woning mag haaks of evenwijdig aan de weg;
  • inpassing van grootschalige bedrijfsbebouwing of -erven met brede bosstroken en boscomplexen;
  • bij voorkeur toepassen van een moes- en boerentuin aan de voorkant of een fruitboomgaard.
  • landschappelijke inpassing door de perceelgrenzen te voorzien van hagen/heggen of houtwallen en/of bospercelen;
  • respecteren van de open corridors en zichtlijnen;
  • waar mogelijk langs sloten een bijdrage leveren aan realisering van natuurvriendelijke oevers en met name langs de Koningsvliet;
  • toe te passen boomsoorten: elzen, eiken, populieren, essen en wilgen.

De ontwerprichtlijnen zijn overgenomen met betrekking tot de landschappelijke inpassing. Onderdeel hiervan is het aanleggen van een bosplantsoen, nieuwe erfhagen en de aanplant van diverse solitaire bomen . Met een voorwaardelijk verplichting zal deze landschappelijke inpassing worden geborgd.

Conclusie

Het plan past binnen de Ontwikkelingsvisie Buitengebied.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Het initiatief betreft de functiewijziging van een agrarisch loonbedrijf naar een autoreparatiebedrijf en caravanstalling. Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Kragten een vooronderzoek bodem uitgevoerd: rapport "Kapelstraat 34, Elshout; Bodem vooronderzoek" (23 september 2021, MIL21.130). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 3.

Kragten concludeert op basis van de resultaten van het vooronderzoek dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie niet tot licht verontreinigd is. Er zijn geen aanwijzingen voor ernstige bodemverontreinigingen en daarmee geen belemmeringen voor het huidige gebruik.

Voor de locatie is een bestemmingsplanwijziging nodig om het huidige gebruik als autoreparatiebedrijf te legaliseren. Het betreft een 'administratieve' wijziging, waarbij dus geen (vergunningsplichtige) grondroerende activiteiten plaatsvinden. Het uitgevoerde vooronderzoek geeft voldoende informatie voor deze wijziging. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk.

Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels behorende bij deze bestemmingsplanwijziging is juridisch geborgd dat voorafgaand aan vergunningsplichtige graafwerkzaamheden een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) overlegt dient te worden, alvorens de vergunning verleend kan worden.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Omgevingstype

Het omgevingstype van voorliggend plangebied is een gemengd gebied. In de omgeving is sprake van matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals detailhandel en agrarische bedrijvigheid.

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft de functiewijziging van een agrarisch loonbedrijf naar een autoreparatiebedrijf en caravanstalling. De caravanstalling betreft een categorie 1-inrichting (sbi-code: 52109) met een milieutechnische uitstraling van 0 meter. Het autoreparatiebedrijf betreft een categorie 2-inrichting (sbi-code: 451) met een milieutechnische uitstraling van 10 meter (voor de aspecten geluid en gevaar). Binnen de richtafstand van 10 meter is het adres Elshout 30 gesitueerd.

Geluid

Kragten heeft in het kader van het voorliggende initiatief een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, rapport ''Kapelstraat 34, Elshout; Akoestisch onderzoek industrielawaai'' (29 november 2022, 20221129-VKL009-RAP-AKO-IL-2.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4.

Kragten concludeert dat:

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus

De langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus bedragen in de dag- en avondperiode respectievelijk ten hoogste 50 en 35 dB(A) ter plaatse van de gevels van woningen. In de nachtperiode zullen geen relevante activiteiten plaatsvinden.

De richtwaarde van stap 2 (50 dB(A) voor woningen gelegen in 'gemengd gebied') uit de VNG-publicatie wordt gerespecteerd. Gesteld kan worden dat er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij deze woningen.

Er wordt voldaan aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Maximale geluidniveaus

De maximale geluidniveaus in de dag- en avondperiode respectievelijk ten hoogste 75 en 67 dB(A) ter plaatse van de gevels van woningen. In de nachtperiode vinden geen relevante activiteiten plaats.

De richtwaarde van stap 2 (70 dB(A) voor woningen gelegen in 'gemengd gebied') uit de VNG-publicatie wordt niet gerespecteerd.

In paragraaf 3.3 is aangegeven dat conform artikel 2.17 lid 1 onder b piekgeluiden vanwege laad- en losactiviteiten in de dagperiode buiten beschouwing mogen worden gelaten. Dit betekent dat gedurende de dagperiode alleen het aan- en afrijden van de personenwagens moet worden beoordeeld. De overige activiteiten hebben allemaal te maken met laad- en losactiviteiten die gedurende de dagperiode buiten beschouwing worden gelaten. Zodoende wordt in de dagperiode wel en de avondperiode niet voldaan aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer

Eventuele bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht. Indien deze niet mogelijk dan wel wenselijk zijn, kan het bevoegd gezag hogere geluidniveaus ter plaatse van de woningen toestaan.

De maximale geluidniveaus zijn in de concrete situatie acceptabel aangezien:

  • De betreffende piekgeluiden (75 dB(A) als gevolg van rijdende vrachtwagens in de dagperiode en 67 dB(A) als gevolg van rijdende bestelbus in de avondperiode zullen niet vaak voorkomen.
  • In de huidige situatie (bestemming Agrarisch) zijn verkeersbewegingen van zowel vrachtwagens als bestelbusjes al toegestaan c.q. niet uitgesloten.
  • De geluidniveaus in de relevante geluidgevoelige vertrekken van de woningen bedragen minder dan 55 dB(A), de ontheffingsmogelijkheid uit de Handreiking en de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de dagperiode.
  • In de nachtperiode vinden geen relevante activiteiten plaats

Verkeersaantrekkende werking

De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar de locatie Kapelstraat 34 bedraagt ten hoogste 41dB(A) etmaalwaarde. Maatgevend is de geluidbelasting ter plaatse van de woning Kapelstraat 43. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Schrikkelcirculaire en de richtwaarde van 50 dB(A) van stap 2 van de VNG-publicatie wordt gerespecteerd.

Het milieuaspect geluid vormt, met inachtneming van de uitgangspunten uit dit onderzoek, geen belemmering voor de planrealisatie.

Gevaar

Voorliggend planvoornemen voldoet, conform de VNG-richtafstanden, niet aan de minimale afstand (10 meter) voor het aspect 'gevaar'. Het planvoornemen betreft de functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Binnen onderhavig planvoornemen zal de bestaande bebouwing en inrichting behouden blijven en worden de thans 'illegale' bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch gelegaliseerd.

De bedrijfsactiviteiten vinden plaats binnen de bestaande loods gesitueerd op circa 2 meter van het dichtstbijzijnde gevoelige object (Kapelstraat 30-30a). De richtafstand, opgenomen binnen de VNG-brochure, betreft een richtafstand voor een groep bedrijfsactiviteiten. Derhalve kan deze richtafstand worden aangemerkt als een globale richtafstand. Voorliggend planvoornemen voorziet in een autoreparatiebedrijf met enkel inpandige werkzaamheden. Door het installeren van onder andere brandblusapparatuur en veiligheidsbarrières kan aannemelijk worden geacht dat het aspect 'gevaar' niet leidt tot belemmeringen van de planrealisatie.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Het initiatief omvat geen nieuwe gevoelige objecten. Het uitvoeren van een nader onderzoek is niet noodzakelijk.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

Hoewel het plan geen nieuwe kwetsbare objecten bevat en het aantal personen dat binnen het plangebied verblijft niet toeneemt, is het noodzakelijk nader in te gaan op het aspect externe veiligheid.

5.1.3.2 Beoordelingskader

Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening.

Kernbegrippen
In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal:

  • Plaatsgebonden risico:
    Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.
  • Groepsrisico:
    Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Bron   Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico  
Inrichtingen (Bevi)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.  
Buisleidingen (Bevb)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of
2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of
3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.  
Transportroutes (Bevt)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of
2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of
3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.  

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

5.1.3.3 Analyse

De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0010.png"

UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND

Het plan omvat geen nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Er zijn geen risicovolle activiteiten in de nabijheid van het plangebied. Het aantal mensen dat mogelijk wordt blootgesteld aan een veiligheidsrisico (zowel plaatsgebonden als groepsrisico) neemt niet toe.

5.1.3.4 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

De gemeente Heusden heeft in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij op 25 juli 2022 de 'Verordening fysieke leefomgeving Heusden 2022' vastgesteld. Daarin is opgenomen dat de voorgrondbelasting binnen het plangebied (bebouwde kom) niet meer dan 3,0 Ou/m³ mag bedragen. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremisssiefactor is vastgesteld dient minimaal 50 meter te bedragen.

Het plan omvat nieuwe geurgevoelige objecten (autoreparatiebedrijf). In de directe omgeving zijn agrarische bedrijven gesitueerd. Gezien het feit dat deze vorm van bedrijfsvoering binnen een straal van 50 meter ligt ten opzichte van het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen noodzakelijk.

Om de uitvoerbaarheid van het plan ten aanzien van het aspect 'geurhinder veehouderijen' aan te tonen heeft Kragten een geuronderzoek uitgevoerd: rapport "Agrarisch geuronderzoek; Kapelstraat 34 te Elshout" (18 september 2023, 20230918-VKL009-RAP-AGG 1.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5.

Kragten concludeert dat:

Beoordeling milieurechten en planologische rechten

De veehouderijen aan de Kapelstraat 25, 45, 55 en 60 worden niet aangetast in de vigerende danwel planologische geurruimte. Voor de veehouderij aan de Kapelstraat 38 blijkt uit afbeelding 9 blijkt dat de 50 meter contour voor vaste afstandsdieren (VA-dieren) een zeer klein gedeelte van de toekomstige werkplaats overlapt. Daarnaast wordt opgemerkt dat er reeds bestaande geurgevoelige objecten binnen deze contour zijn gelegen. Aangezien er al reeds sprake is van een van oudsher ontstane situatie wordt geconcludeerd wordt dat de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de bestaande milieurechten van de veehouderijen aan de Kapelstraat 38. Uit afbeelding 10 blijkt dat er meerder bestaande geurgevoelige objecten reeds binnen de planologische geurcontour zijn gelegen. Geconcludeerd wordt dat de werkplaats geen inbreuk maakt op de planologische geurruimte van de veehouderij aan de Kapelstraat 38. Hierbij wordt opgemerkt dat een werkplaats van een autoreparatiebedrijf onder de Omgevingswet (per 1 januari 2024) niet meer als geurgevoelig wordt beschouwd.

Beoordeling woon- en leefklimaat

De berekende voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Kapelstraat 25 bedraagt ten hoogste 2,6 OUE/m3 ter plaatse van de werkplaats. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de voorgrondgeurbelasting te classificeren als 'goed'.

De berekende achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 0,71 OUE/m3 ter plaatse van de werkplaats, 0,70 OUE/m3 ter plaatse van de bestaande woning en ten hoogst 0,70 OUE/m3 ter plaatse van de perceelgrens tussen 3346 en 498. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondgeurbelasting te classificeren als 'zeer goed'.

Conform de vuistregel 'dat de voorgrondgeurbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondgeurbelasting' is in onderhavige situatie voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat de voorgrondgeurbelasting maatgevend voor de planontwikkeling aan de Kapelstraat. Het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting is te kwalificeren als 'goed'.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is niet aan de orde.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan betreft de functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Binnen onderhavig planvoornemen zal de bestaande bebouwing behouden blijven en worden de thans 'illegale' bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch gelegaliseerd en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht (slechts een toename van 34 motorvoertuigbewegingen per etmaal (licht verkeer) en geen toename van vrachtverkeer, waarbij de bedrijfsactiviteiten (overige emissies) in de regels begrensd worden). Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed leefklimaat

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.

De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt '18928, Elshoutseweg'.

categorie   grenswaarde   2019   2020   2030  
jaargemiddelde concentratie NO2   40 µg/m³   16,0   15,2   10,5  
jaargemiddelde concentratie PM10   40 µg/m³   17,9   18,1   15,4  
jaargemiddelde concentratie PM2.5   25 µg/m³   10,8   11,3   8,9  
overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10   35   6,3   6,3   6,0  

Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt, hoogspanningsverbindingen en hinder- en stresssituaties. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.1.7.2 Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.

Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten en leidt niet, voor het aspect 'endotoxinen' tot mogelijke negatieve effecten op haar omgeving. Een nadere beoordeling aan het aspect endotoxinen kan achterwege blijven.

Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten en leidt niet, voor het aspect 'geitenhouderijen' tot mogelijke negatieve effecten op haar omgeving. Een nadere beoordeling aan het aspect geitenhouderijen kan achterwege blijven.

5.1.7.3 Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse
Het plan leidt niet tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Daarnaast wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse
Het plan leidt niet tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Daarnaast wordt opgemerkt dat er sprake is van een grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk circa 750 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.7.5 Hinder- en stresssituaties

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. De hinder hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Dit is afhankelijk van de omgeving en aan de leefwijze van mens en dier. Door de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) zijn richtlijnen voor lichthinder opgesteld. In het Activiteitenbesluit wordt ook verwezen naar deze richtlijnen. De tijden waarop de verlichting aan mag zijn, zijn geregeld in artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. De verlichting moet zijn uitgeschakeld:

  • tussen 23.00 uur en 07.00 uur;
  • als er geen sport wordt beoefend;
  • als er geen onderhoud plaatsvindt.

Met de zorgplicht van artikel 2.1 Activiteitenbesluit kan lichthinder worden voorkomen of verminderd tot een aanvaardbaar niveau. Schijnwerpers en armaturen goed afstellen en richten kan helpen tegen de intensiteit van directe en indirecte lichtstraling.

Analyse

Voorliggend initiatief betreft de functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Binnen onderhavig planvoornemen zal de bestaande bebouwing en inrichting behouden blijven en worden de thans 'illegale' bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch gelegaliseerd.

Middels dit planvoornemen verandert het (uit)zicht voor de omwonenden niet of nauwelijks (enkel aanleg van een landschappelijke inpassing). Daarnaast zorgt voorliggend planvoornemen niet voor de mogelijke kans tot extra lichthinder conform de richtlijnen van de NSVV, waarbij voldaan wordt aan de normen. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.7.6 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

5.1.8.2 Analyse

De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Gelet op de resultaten van de hiervoor uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significante nadelige milieugevolgen heeft voor de omgeving vanwege de kenmerken en de plaats van de activiteiten.

5.1.8.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

De gemeente Heusden heeft een archeologische beleidsadvieskaart vastgesteld, waarop de archeologische (verwachtings)waarden zijn aangegeven. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van die beleidsadvieskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.BPKapels34Elshout-VG01_0011.jpg"

UITSNEDE BELEIDSADVIESKAART ARCHEOLOGIE

Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische waarde. Bodemingrepen met een diepte van meer dan 50 cm over een oppervlakte van meer dan 100 m² moeten worden voorafgegaan van een archeologisch onderzoek. In het vigerende bestemmingsplan zijn reeds aan de zuid- en oostzijde dubbelbestemmingen archeologie opgenomen.

Onderhavig plan betreft de functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Binnen onderhavig planvoornemen zal de bestaande bebouwing behouden blijven en worden de thans 'illegale' bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch gelegaliseerd. In het kader van dit initiatief worden geen grondwerkzaamheden uitgevoerd waarbij eventuele archeologische waarden in het geding kunnen komen. Om de archeologische waarden juridisch te borgen blijven de geldende dubbelbestemmingen behouden.

Ondanks een afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

In het plangebied is één cultuurhistorische waardevol object zichtbaar, namelijk de 'karakteristieke' woonboerderij (Monumentenlijst-nummer 090). Voor dit 'monument' is de volgende algemene omschrijving en motivering opgenomen:

''Vrijstaand pand met rechthoekige plattegrond in twee bouwlagen waarvan één in de kap. De functie van het pand was en is een boerderij.

De voorgevel bestaat uit een afgeknotte halsgevel in baksteen in kruisverband met een geschilderde plint in cementpleister. De gevel is spiegel symmetrisch over de as. Op de begane grond in het midden is de entree gesitueerd. Terugliggend is in het kozijn een secundaire deur met glasraam en een bovenlicht opgenomen. Aan weerszijden hiervan bevinden zich twee venstertraveeën met een schuifvenster met een ongedeeld onderraam en een tweelicht-bovenraam met gekleurd glas-in-lood. De verdieping omvat twee kleinere maar gelijk uitgevoerde schuifvensters.

Het zadeldak met nok loodrecht op de straat en een wolfseind aan de voorzijde is gedekt met gesmoorde kruispannen. Het pand richt zich naar de richting van de verkaveling en ligt derhalve onder een hoek met de as van de weg.

De kortgevelboerderij is in hoge mate beeldbepalend voor zijn omgeving en is door zijn traditionele opzet van grote cultuurhistorische waarde. Als relict is het pand representatief voor de historische ontwikkeling van het gebied. Het pand verkeert nog grotendeels in de oorspronkelijke staat. Stilistisch gezien dateert het pand van het laatste kwart van de negentiende eeuw.''

Middels voorliggend planvoornemen blijft deze woonboerderij behouden, waardoor de cultuurhistorische waarde van dit object behouden blijft.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.

5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Verstorende effecten
Gezien de aard en omvang van het plan en de afstand tot Natuurnetwerk Nederland kan worden geconcludeerd dat het plan geen verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland.

Stikstofdepositie
Onderhavig plan betreft de functiewijziging van het perceel aan de Kapelstraat 34 te Elshout. Binnen onderhavig planvoornemen zal de bestaande bebouwing behouden blijven en worden de thans 'illegale' bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch gelegaliseerd. Er vindt geen verandering in de uitstoot van stikstof plaats, het uitvoeren van een stikstofdepositie-onderzoek wordt hierin niet als doelmatig geacht. Daarnaast kan worden aangenomen dat de stikstofdepositie-uitstoot van een agrarisch bedrijf niet lager ligt dan de uitstoot zoals beoogd in dit planvoornemen.

Soortenbescherming
Bij de ontwikkeling van het initiatief worden beschermde soorten niet verstoord, omdat er geen bebouwing wordt bijgebouwd of gesloopt. Daarnaast is het plangebied volledig verhard en worden er geen bomen en/of struiken gerooid.

Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

5.3.2.2 Provinciaal niveau
  • Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2022-2027
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2022-2027. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.

5.3.2.3 Waterschap Aa en Maas

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2022-2027
    Op 19 november 2021 is het waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.

    Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
      • a. Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
      • b. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
      • c. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

  • Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
      • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
      • de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
      • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
      • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

  • Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

  • Keur
    De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
  • Legger
    De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

5.3.2.4 Gemeente Heusden
  • Waterplan Heusden 2023 – 2027
    De waterhuishoudkundige functie is gericht op wonen en werken. Het water is aantrekkelijk, helder en schoon. Het is prettig om op of om het water te vertoeven of te recreëren. Het (schone) hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden en ter plaatse hergebruikt, geïnfiltreerd of geborgen. Voor waterberging is voldoende ruimte in of rondom het bebouwde gebied. Er treedt geen afwenteling op. Nieuwe ontwikkelingen hebben geen nadelige gevolgen voor het watersysteem en verbeteren het watersysteem en de waterketen waar mogelijk. Al het afvalwater wordt gezuiverd en de zuivering zuivert hoofdzakelijk afvalwater. Regenwater wordt in principe in het watersysteem gehouden en dus niet afgevoerd via de waterketen.

    Speerpunten zijn:
    • 1. de stedelijke (grondwater, oppervlaktewater en riolering) en regionale wateropgave is in samenspraak gerealiseerd;
    • 2. De afvalwaterketen is geoptimaliseerd, waardoor o.a. de overstortproblematiek is opgelost en een permanente samenwerking in de afvalwaterketen plaatsvindt;
    • 3. er is duidelijk beleid voor afkoppelen, waardoor afstromend regenwater van verhardingen op een verantwoorde wijze wordt verwerkt;
    • 4. het gebruik van chemische (onkruid)bestrijdingsmiddelen, uitloogbare bouwmaterialen, strooizout etc. is geminimaliseerd;
    • 5. baggerproblematiek is in beeld gebracht;
    • 6. de waterbeleving van bewoners is gemaximaliseerd;
    • 7. nieuwe ontwikkelingen worden hydrologisch neutraal ontwikkeld.

5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Ter plaatse is sprake van een zandbodem. De waterdoorlatendheid is redelijk goed.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Onderhavig plangebied wordt omgeven door een drietal watergangen:

  • 1182270 (noordelijke perceelsgrens, primair);
  • 04136 (oostelijke perceelsgrens, secundair);
  • 00722 (westelijke perceelsgrens, secundair).

Onderhavig planvoornemen kent geen bouwplan en de toename van verharding (enkel een oprit) is marginaal. Dit heeft geen negatieve invloed op het bestaande oppervlaktewater.

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 50 m -mv (bron: bodemkaart).

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.

5.3.4 Hemelwater

Voorliggend initiatief kent geen bouwplan en er wordt enkel één inrit toegevoegd (maximaal 100 m²). Deze marginale toename van het verhard oppervlak (ruim onder de 500 m²) zorgt niet voor een verandering van de waterhuishoudkundige situatie, waardoor wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid.

Desondanks kent de Kapelstraat een waterprobleem. Hieromtrent heeft de gemeente de eis gesteld dat een tweede inrit enkel voorstelbaar is bij de realisatie van een hemelwatervoorziening, waarbij een bergingseis geldt van 60 mm per m² verhard oppervlak. In deze situatie leidt dit tot een bergingsvraagstuk van maximaal (100 * 0,06 =) 6 m³. Het plangebied is groot genoeg om hierin te voorzien.


In de regels behorende bij dit bestemmingsplan is deze waterbergingseis juridisch verankerd.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Kapelstraat geloosd worden.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1 Kostenverhaal

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet verplicht.

Om het landschappelijk inpassingsplan en mogelijke planschade te regelen zal een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers worden afgesloten.

6.2 Gemeentelijke grondexploitatie

De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

6.3 Maatschappelijk

6.3.1 Omgevingsdialoog

De initiatiefnemer heeft contact gezocht met de direct omwonenden en heeft hen geïnformeerd over voorliggend initiatief. Omwonenden hebben geen bezwaren geuit tegen het voornemen. Een verslag van het gevoerde omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 6 van de toelichting.

6.3.2 Ter visie legging

Het ontwerpbestemmingsplan ‘Kapelstraat 34, Elshout’ is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Daarnaast heeft het plan de procedure doorlopen van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 ter inzage gelegen. Naar aanleiding van een zienswijze van de provincie is het bestemmingsplan gewijzigd. Daarnaast is een ambtshalve wijziging doorgevoerd. Zie hiervoor de Nota van zienswijzen (bijlage 7) en Nota van wijzigingen (bijlage 8).

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1 )
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2 )
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Bedrijf (artikel 3)

Binnen deze bestemming zijn de niet-woonfuncties opgenomen die passend worden geacht in het plangebied. Gekozen is voor één bestemming ten behoeve van de uniformiteit en flexibiliteit.

Waarde - Archeologie 2 (artikel 4 )

Een gedeelte van het plangebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde. Derhalve is binnen dit gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing, die de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek legt op ontwikkelingen waarbij de bodemingreep meer dan 100 m² bedraagt.

Waarde - Archeologie 4 (artikel 5 )

Een gedeelte van het plangebied heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Derhalve is binnen dit gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing, die de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek legt op ontwikkelingen waarbij de bodemingreep meer dan 5.000 m² bedraagt.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 6 )
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 7 )
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument.

Algemene gebruiksregels (artikel 8 )
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.

Algemene aanduidingsregels (artikel 9 )
In dit artikel is nader omschreven welke aanduiding binnen het plangebied aanwezig is en hoe hiermee omgegaan dient te worden.

Algemene afwijkingsregels (artikel 10 )
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.

Algemene procedureregels (artikel 11 )
In dit artikel zijn de regels opgenomen betreffende afwijkings- en wijzigingsregels waaraan het bevoegd gezag zich dient te houden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 12 )
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 13 )
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.