direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Kleinschalige bedrijfsunits, opslag- en garageboxen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002005-1401

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De afgelopen jaren was er sprake van een flinke toename van aanvragen omgevingsvergunningen voor de bouw van bedrijfsverzamelgebouwen met kleine bedrijfsunits en opslaggebouwen op bedrijventerreinen. De regels van de geldende bestemmingsplannen (die nu onderdeel zijn van het omgevingsplan) sluiten deze ontwikkelingen niet altijd uit. De toename van bedrijfsverzamelgebouwen met kleinere bedrijfsunits en opslaggebouwen heeft een ongewenst effect op de beschikbaarheid van (grootschalige) bedrijfskavels voor bedrijfsfuncties met (een hoge) milieuhinder, waarvoor de bedrijfskavels juist bedoeld zijn.

Om die reden is op 10 september 2024 een voorbereidingsbesluit genomen om deze ongewenste ontwikkeling op bedrijventerreinen te kunnen tegenhouden. Het voorbereidingsbesluit heeft een werking van 1,5 jaar. Via deze wijziging van het omgevingsplan, in de vorm van een TAM-IMRO-plan, worden de voorbeschermingsregels uit het voorbereidingsbesluit opgenomen in het omgevingsplan.

1.2 Waarom een TAM-omgevingsplan?

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.


Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

1.3 Opbouw TAM-omgevingsplan en opbouw motivering

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen).

Achtereenvolgens komen na deze inleiding (hoofdstuk 1) de volgende onderwerpen aan bod:

  • hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie en benoemt de huidige planologische regels;
  • hoofdstuk 3 beschrijft de ontwikkeling waarop dit TAM-omgevingsplan gericht is;
  • hoofdstuk 4 bevat het beleidskader met relevant rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid;
  • hoofdstuk 5 gaat in op de randvoorwaarden en belemmeringen vanuit omgevings- en milieuaspecten;
  • hoofdstuk 6 gaat in op de planologische regels en de daarbij behorende verbeelding;
  • hoofdstuk 7 gaat in op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het TAM-plan.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Plangebied

Het 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Kleinschalige bedrijfsunits, opslag en garageboxen' heeft betrekking op alle bedrijventerreinen binnen de gemeente 's-Hertogenbosch.

Hieronder vallen in ieder geval de volgende (grotere) bedrijventerreinen:

  • De Rietvelden, de Vutter, het Ertveld
  • Treurenburg
  • Maaspoort
  • Hanbakenwetering
  • De Herven
  • De Brand
  • Brabantpoort
  • Groote Wielen
  • Empel Zuid en Rosmalense Plas
  • Kruisstraat
  • Zuid
  • Nuland

In afbeelding 1 is het werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan opgenomen. Hierin zijn alle bedrijventerreinen en hun ligging binnen de gemeente weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002005-1401_0001.jpg"

Afbeelding 1

2.2 Beschrijving plangebied

De bedrijvenenterreinen binnen het plangebied zijn gelegen binnen verschillende bestemmingsplannen. In deze bestemmmingsplannen heeft het merendeel van de gronden een bedrijfsbestemming. Binnen deze bestemmingen kunnen zich bedrijven vestigen binnen de in het plan aangegeven categorieën.

De regels van deze bestemmingsplannen (die nu onderdeel zijn van het omgevingsplan) sluiten de ontwikkeling voor de bouw van bedrijfsverzamelgebouwen met kleine bedrijfsunits en opslaggebouwen op bedrijventerreinen niet atijd uit. Daarmee is er een onwenselijk risico dat de beschikbaarheid van (grootschalige) bedrijfskavels voor bedrijfsfuncties met (een hoge) milieuhinder kleiner wordt en dat bedrijfskavels worden gebruikt voor een gebruik dat niet wenselijk is op een bedrijventerrein. In hoofstuk 3 gaan we daar nader op in.


Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

3.1 Doel van dit TAM-omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan is erop gericht om bedrijfskavels beschikbaar te houden voor bedrijfsfuncties met (een hoge milieuhinder). Waarom willen we dit? Hiervoor zijn meerdere redenen aan te dragen.

  • 1. Ontwikkeling van bedrijfsverzamelgebouwen met kleine bedrijfsunits en/of opslagruimten op bedrijventerreinen gaat ten koste van de vestigingsmogelijkheden van bedrijven met een (hoge) milieuhinder.
    Er is sprake van een grote krapte op de bedrijventerreinenmarkt. Ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen wordt steeds lastiger, de leegstand in bestaande bedrijfsruimtes is historisch laag en bestaande terreinen staan onder transformatiedruk. Dit terwijl transities als energie en circulaire economie om meer ruimte vragen, juist ook ruimte met een hogere milieucategorie. Zorgvuldigheid en weloverwogen keuzes bij invulling van bedrijfskavels is om die reden absoluut noodzakelijk. Belangrijk hierbij is het beschikbaar houden van milieuruimte op bestaande bedrijventerreinen, die gezien de krapte steeds schaarser wordt.

  • 2. Realisering van bedrijfsverzamelgebouwen met kleine bedrijfsunits en opslagunits op bedrijventerreinen vergroot de kans op gebruik in strijd met het omgevingsplan.
    Bedrijventerreinen zijn bestemd en bedoeld voor bedrijfsactiviteiten. De realisatie van veel kleinere (bedrijfs)units op bedrijventerreinen vergoot de kans dat bedrijfskavels, bewust dan wel onbewust, in strijd met de bedrijfsbestemming worden gebruikt. Te denken valt bijvoorbeeld aan opslag door particulieren of illegale activiteiten (zoals criminaliteit en ondermijning). Toezicht en handhaving hierop is lastig en vraagt veel capaciteit. Het zoveel mogelijk voorkomen van dit strijdig gebruik is daarom belangrijk.

  • 3. De markt voor kleinschalige bedrijfsruimte raakt verzadigd. Verdere toename van het aanbod van dit type bedrijfsvastgoed zal zorgen voor overaanbod en mogelijk leegstand en verloedering op langere termijn.
    De relatieve toename van het aandeel bedrijfsunits tot 500m2 in de afgelopen vijf jaar is aanzienlijk groter dan de relatieve toename van de doelgroep voor dit type bedrijfsruimte (kleine bedrijven tot 5 werknemers). Het aanbod groeit dus een stuk harder dan de vraag. In eerste instantie omdat het aanbod lager lag dan de vraag, maar die inhaalslag is inmiddels gemaakt. Als de ontwikkelingen in dit tempo blijven doorgaan dreigt juist een overschot. Het meest recente NVM business marktrapport bevestigt ook dat de markt voor dit type bedrijfsruimte verzadigd raakt. Uit een lokale marktconsultatie bij bedrijfsmakelaars blijkt bovendien dat er nu al ontwikkelaars zijn die hun units niet meer goed verkocht/verhuurd krijgen en dat een aantal partijen hebben afgezien van het ontwikkelen van units vanwege de stagnerende vraag.

  • 4. Verreweg het grootste deel van de huidige vraag naar bedrijfsruimte voor onze gemeente zit in de categorie vanaf 600m2 bebouwd oppervlak.
    De gemeente houdt een database bij waar alle aanvragen voor vestiging of uitbreiding die bij de gemeente binnenkomen worden geregistreerd. Uit een analyse van deze database blijkt dat op dit moment alle openstaande aanvragen geregistreerd zijn in de categorie vanaf 1000m2 kavelgrootte. Uitgaande van een minimaal bebouwingspercentage van 60% betekent dit dat alle aanvragen in de categorie bedrijfsruimte van tenminste 600m2 vallen. Door de grens op 500m2 te stellen, maken we bedrijfsruimte groter dan 500m2 nog wel beschikbaar zodat de doorstroom bevordert wordt. Hiermee creëren we uiteindelijk ook weer ruimte in het huidige aanbod van units onder de 500m2.

  • 5. Kleine bedrijfsunits en opslagunits zijn prima in te passen op andere locaties in stedelijk gebied dan op bedrijventerreinen.
    Hoewel kleine bedrijfs- en opslagunits op bedrijventerreinen onwenselijk zijn, omdat het de ruimte inneemt die bedoeld is voor bedrijven met een hogere milieucategorie, is er wel een duidelijke behoefte aan deze units. Deze behoefte kan verklaard worden door de groei van het aantal zzp’ers en door de toenemende behoefte aan opslagruimte door particulieren. Zoals hierboven beschreven is de markt voor dit type vastgoed verzadigd aan het raken, waardoor toevoegen van nog meer aanbod op korte termijn niet nodig is. Er zijn momenteel voldoende bestaande voorzieningen die in deze vraag voorzien. Bovendien ontwikkelen we onder andere op Empel-Zuid, de Groote Vliet en Grote Elst ook (kleinere) kavels voor MKB-bedrijven waarmee we de doorstroom vanuit kleinschalige units bevorderen. In het bedrijventerreinbeleid en in de uitwerking van de omgevingsvisie zal gekeken worden naar de uitwerking van gemengde woon-werkgebieden en het creëren van ruimte voor economische functies in de wijk, zodat voor eventuele toekomstige ontwikkelingen van kleinschalige bedrijfsverzamelgebouwen, units en garage-/opslagboxen alternatieve locaties geboden kunnen worden.

Dit TAM-omgevingsplan maakt dus geen nieuwe ontwikkeling mogelijk. Het is erop gericht om te voorkomen dat bedrijfspercelen op bedrijventerreinen worden gebruikt voor kleinschalige opslag/bedrijfsfuncties die hier in beginsel niet thuis horen. Deze bedrijfskavels moeten beschikbaar blijven voor bedrijfsfuncties met (een hoge milieuhinder).

3.2 Toetsing aan omgevingsplan

Alle ruimtelijke ontwikkelingen onder de Omgevingswet dienen getoetst te worden aan het geldende omgevingsplan van de gemeente (nieuw deel en tijdelijk deel) en instructieregels van rijk en provincie. In het tijdelijke deel van het (geldende) omgevingsplan zitten de (nog in werking zijnde) bestemmingsplannen en aantal (delen van) verordeningen gericht op de fysieke leefomgeving.


Het plangebied van het TAM-omgevingsplan beslaat alle bedrijfsterreinen binnen de gemeente 's-Hertogenbosch. Het voorliggende TAM-omgevingsplan wijzigt de onderliggende bestemmingsplannen en de regels van de daarin opgenomen bestemmingen niet. Het TAM-omgevingsplan voegt een set regels toe, die bij strijd met de regels in de onderliggende bestemmingsplannen, voorrang hebben.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk onderbouwt of de beoogde planwijziging passend is binnen het beleid van hogere overheden en van de gemeente. Alleen het voor het TAM-omgevingsplan relevante beleid wordt hierbij behandeld.

4.2 Rijksbeleid

4.2.1 Nationale omgevingsvisie


Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.


Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.


Afweging TAM-omgevingsplan
In het kader van de ambitie voor een duurzaam economisch groeipotentieel is het belangrijk om te zorgen voor een excellent vestigingsklimaat met een aantrekkelijke, veilige en gezonde leefomgeving en voldoende fysieke ruimte voor bedrijvigheid. Het beschikbaar houden van bedrijfskavels voor bedrijfsfuncties met hoge milieuhinder draagt hier aan bij.

4.2.2 Rijk: Omgevingswet en AMVB's

De Omgevingswet bevat alle regels voor de fysieke leefomgeving. Deze wet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's). Hierin staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet:

  • het Omgevingsbesluit: Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden.
  • Het Besluit activiteiten leefomgeving: De regels gelden voor bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten, activiteiten in een beperkingengebied of activiteiten met gevolgen voor de natuur. Over het algemeen heeft de Bal betrekking op complexere activiteiten met potentieel grote gevolgen.
  • Het Besluit bouwwerken leefomgeving: De regels gaan over onderwerpen als veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Ze hebben geen betrekking op de ruimtelijke aspecten van het bouwen en gebruik.
  • Het Besluit kwaliteit leefomgeving: hier wordt uitgebreider op ingegaan.


Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Bkl is opgebouwd uit de volgende onderwerpen:

  • In de instructieregels staan onder andere de normen en regels die gelden voor omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen.
  • De omgevingswaarden van het Rijk staan in het Bkl, zoals luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater.
  • Het Bkl bevat de regels voor het toetsen en verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning.
  • En regels over monitoring en gegevensverzameling. Deze regels hebben betrekking op de onderdelen waterkwaliteit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en het behoud van cultureel erfgoed.


Afweging TAM-omgevingsplan
Het TAM-omgevingsplan is gericht op behoud van bedrijfskavels voor bedrijfsfuncties (met een hoge milieuhinder). Deze bedrijvigheid is al mogelijk op basis van de betreffende bestemmingsplannen. Het TAM-omgevingsplan wijzigit hier niets aan. Het sluit uitsluitend kleine bedrijfs- en opslagunits uit. Daarmee is het wijzigingsplan in overeenstemming met de regels van het Bkl.

4.3 Provinciaal beleid

4.3.1 Omgevingsvisie provinice Noord-Brabant

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over de Brabantse leefomgeving in 2050. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn, welke allen ten dienste staan van de basisopgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Al deze opgaven staan in nauwe verbinding tot elkaar.

  • Hoofdopgave 1: werken aan energietransitie. Het gebruik maken van innovaties is hierbij van groot belang. Via tweesporenbeleid wil de provincie bijdragen aan deze hoofdopgave: het verminderen van energiegebruik en verduurzaming van energie.
  • Hoofdopgave 2: werken aan een klimaatproof Brabant. Klimaatproof wil zeggen dat de risico's vanwege weersextremen in 2050 aanvaardbaar, draagbaar en beheersbaar zijn. Gestreefd wordt naar het beperken van de effecten op de samenleving (zoals hittestress bij mensen), klimaatslimme verstedelijking, klimaatbestendig beekdallandschap en een robuust rivierenlandschap.
  • Hoofdopgave 3: werken aan de slimme netwerkstad. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking en op slimme en duurzame mobiliteit. Zij wil daarin richting geven onder andere door middel van het bevorderen van regionale afspraken en het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik.
  • Hoofdopgave 4: werken aan een concurrerende duurzame economie. Om dit dichterbij te brengen wordt gestreefd naar ontwikkelen van innovaties en het toepassen daarvan, evenals naar een circulaire economie en verdergaande digitalisering.


Afweging TAM-omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan sluit aan bij hoofdopgave 4 waarin gestreefd wordt naar een concurrerende duurzame economie.

4.3.2 Omgevingsverordening

De TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant is op 5 december 2023 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze is op 1 januari 2024 in werking getreden, op het moment dat de Omgevingswet van kracht werd. Via de Omgevingsverordening draagt de provincie bij aan het dichterbij brengen van de doelen en de ambities uit haar Omgevingsvisie. Momenteel wordt er gewerkt aan het wijzigen van de provinciale omgevingsverordening.

In de Omgevingsverordening Noord-Brabant wordt gesteld dat een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt via een omgevingsplan of Bopa, invulling moet geven aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met het oog op een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Dit kan bereikt worden via:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 5.8;
  • b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9, en;
  • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit bij ontwikkelingen in het landelijk gebied, bedoeld in 'artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap' kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.


In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn in hoofdstuk 5 instructieregels opgenomen. De gemeenteraad moet deze betrekken bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan, zoals het geval is bij een TAM-omgevingsplan.
De provincie vindt het belangrijk dat zij al zoveel mogelijk in de voorfase betrokken wordt bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving (voorkantsamenwerking). De provincie is van het TAM-omgevingsplan op te hoogte gesteld.

Afweging TAM-omgevingsplan
Het TAM omgevingsplan sluit aan bij het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik. Bedrijfskavels op bedrijventerreinen blijven beschikbaar voor bedrijfsfuncties die op een bedrijventerrein thuishoren.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet iedere gemeente een Omgevingsvisie vaststellen, deze moet uiterlijk 1 januari 2027 gereed zijn. Een Omgevingsvisie schetst de toekomstige ontwikkeling op hoofdlijnen van een gemeente. De Bossche Omgevingsvisie is in 2025 vastgesteld.

De omgevingsvisie is opgebouwd uit twee delen: deel A met de visie en deel B met de verantwoording. Naast een visie op de wenselijke toekomstige ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen, omvat deel A ook een omschrijving van de waarden en verschijningsvorm van onder andere het landschap, de bodem, cultuurhistorie, onze positie in de regio, maar ook een typering van de Bossche samenleving en de trends en opgaven die op ons afkomen. De drie grote maatschappelijke veranderingen waar we op in moeten spelen zijn: de klimaatverandering, de toenemende schaarste op meerdere vlakken (arbeidskrachten, grondstoffen en ruimte) en de continu veranderende samenleving met als belangrijke aandachtspunten de stevige vergrijzing en de aanhoudende migratie.

Via vier doelen en ontwikkellijnen speelt de gemeente 's-Hertogenbosch in op de maatschappelijke opgaven. Deze lijnen zijn leidend voor de wenselijke toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving:

  • 1. Groots vergroenen
    Groots vergroenen betekent ruimte in de stad, dorpen en het ommeland voor klimaatadaptatie, biodiversiteit, een gezonde bodem en een veerkrachtig stedelijk groen en natuur. We nemen hiervoor zoveel mogelijk het natuurlijk systeem als basis en gebruiken techniek waar het moet. Een gezonde balans tussen mens en natuur en een volhoudbaar perspectief voor het natuurlijk kapitaal zijn hierin leidend.
  • 2. Bouwen aan generaties
    Bouwen aan generaties in 's-Hertogenbosch betekent buurten, wijken en dorpen met een diversiteit aan woningen, bewoners en voorzieningen. Het samenstel van centra, buurten en wijken staat in dienst van een compacte en efficiënte stad en moet sociale binding, gelijke kansen en mogelijkheden voor iedereen bevorderen. De groei van de stad mag daarin niet remmend werken, maar biedt juist de kans om de wijken, buurten en dorpen beter te benutten en te laten functioneren, nu en in de toekomst.
  • 3. Welvarend welzijn
    Welvarend welzijn in 's-Hertogenbosch betekent dat werken, educatie, zorg, leven en wonen weer meer en beter in elkaar overvloeien en elkaars nabijheid opzoeken. Met voldoende ruimte voor extra arbeidsplaatsen en ondernemers en oog voor het welzijnsperspectief van en gelijke kansen voor eenieder. En waarin samen de noodzakelijke stappen gezet worden voor een circulaire economie. Het ontmengen voor een sterk productielandschap is belangrijk voor een toekomstbestendig economisch landschap. Dit houdt kortgezegd in dat in het stedelijk productielandschap (de bedrijventerreinen) geen ruimte meer wordt geboden voor stedelijk georiënteerde (kleinschalige) bedrijvigheid en activiteiten, die weinig tot geen overlast veroorzaken en maar beperkt verkeer aantrekken. Vrijwel alle bedrijvigheid die zich in kleinschalige units vestigt, past binnen deze beschrijving.
  • 4. Vorstelijk verbinden
    Vorstelijk verbinden in 's-Hertogenbosch betekent een openbare ruimte van allure, die ontmoeting, sporten, beweging en gezond gedrag bevordert. Het netwerk van paden, straten en verbindingen staan in dienst van een compacte en efficiënte stad en moet gelijke kansen en mogelijkheden voor iedereen bevorderen. En het nu nemen van verantwoordelijkheid voor de energie en het drinkwater dat we gebruiken.


Afweging TAM-omgevingsplan
Het TAM-omgevingsplan is erop gericht om nieuwvestiging van kleinschalige bedrijfs- en opslagunits op bedrijventerreinen te voorkomen. Dit sluit aan het doel om te ontmengen en bedrijventerreinen in beginsel beschikbaar te houden voor bedrijfsfuncties (met hoge milieuhinder).

4.4.2 Economische visie

Eind 2024 is de Economische visie vastgesteld. Één van de strategielijnen uit deze visie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven. Een gezonde bedrijventerreinstructuur is een essentieel onderdeel van een aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat.

In hoofdstuk 3 is uitgelegd welke negatieve gevolgen de wildgroei van kleinschalige bedrijfsunits heeft op de ontwikkeling en toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen. Door deze wildgroei tegen te gaan met voorgestelde wijziging wordt het Bossche vestigingsklimaat op de bedrijventerreinen beschermd en wordt belangrijke strategische ruimte voor grootschalige bedrijvigheid en bedrijven met een hogere milieucategorie behouden.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

Dit hoofdstuk geeft weer hoe de afweging rondom het beschermen van de omgevingsaspecten (de diverse waarden en de milieuaspecten) een rol heeft gespeeld bij dit TAM-omgevingsplan. Bekeken is op welke wijze de wijziging van het omgevingsplan voldoet aan een 'Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL). Daarbij is gekeken naar de aspecten, zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet en de verschillende onderdelen die in hoofdstuk 5 van Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gevolgd. Hier zijn immers instructieregels opgenomen waaraan in het kader van wijzigingsprocedures van het omgevingsplan getoetst wordt. Centraal bij de afweging van de verschillende omgevingsaspecten staat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit zijn belangrijke maatschappelijke doelen van de Omgevingswet, die zijn vastgelegd in artikel 1.3, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Daarbij speelt het beschermen en het bevorderen van gezondheid een belangrijke, overkoepelende rol.

De volgende aspecten, deels afkomstig uit hoofdstuk 5 van het Bkl, worden betrokken bij een wijziging van het omgevingsplan en het toestaan van nieuwe ontwikkelingen:

  • Waarborgen van de veiligheid (afdeling 5.1.2. Bkl)
  • Beschermen van de waterbelangen (afdeling 5.1.3 Bkl)
  • Kwaliteit van de buitenlucht (afdeling 5.1.4.1 Bkl)
  • Geluid (afdeling 5.1.4.2 en afdeling 5.1.4.2a Bkl)
  • Trillingen (afdeling 5.1.4.4 Bkl)
  • Bodem en ondergrond (afdeling 5.1.4.5 Bkl)
  • Geur (afdeling 5.1.4.6 Bkl)
  • Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (afdeling 5.1.5 Bkl)
  • Behoud van ruimte voor toekomstige functies en huidige staat van werken (afdeling 5.1.6 en afdeling 5.1.7 Bkl)
  • Toegankelijkheid van openbare (buiten)ruimte (afdeling 5.1.8 Bkl)
  • Verkeer en parkeren (geen onderdeel Bkl)
  • Natuur en biodiversiteit
  • Lichthinder


Het voorliggende TAM-omgevingsplan maakt geen fysieke of functionele ontwikkelingen mogelijk. Het sluit juist de rechtstreekse ontwikkeling van kleinschalige bedrijfsunits en opslagunits op bedrijventerreinen uit. Verder blijven de planologische mogelijkheden op de bedrijventerreinen (binnen het plangebied) intact. Van effecten op de (fysieke) leefomgeving op bovenstaande aspecten is dan ook geen sprake.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke toegestane functionele mogelijkheden.

Het TAM-omgevingsplan is opgebouwd uit:

  • Regels
  • Verbeelding: de verbeelding van het TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012.
  • Motivering: de motivering onderbouwt dat er als gevolg van de beoogde juridisch-planologische wijziging sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

6.2 TAM-omgevingsplan

Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit:

  • bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen;
  • een aantal lokale verordeningen (of delen van verordeningen), zoals de Geurverordening en een deel van de verordening Bomen, water en groen (de regels m.b.t de afvoer van hemelwater);
  • de Bruidsschat; en
  • een aantal bijzondere ruimtelijke besluiten (zie artikel 4.6 Invoeringswet)


De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan voor de gemeente 's-Hertogenbosch. Hiervoor is gekozen, omdat we aanvullende regels willen opnemen voor de bedrijventerreinen binnen de gemeente.
Het TAM-omgevingsplan is een wijziging van het omgevingsplan dat technisch losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22d van het omgevingsplan.

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente 's-Hertogenbosch. Dit betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op het plangebied van het TAM-omgevingsplan (de bedrijventerreinen binnen de gemeente).

6.3 Opbouw regels en toepassingsbereik

De regels zijn opgenomen in artikelen die onderverdeeld zijn in twee delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn.
Artikel 1 omvat het toepassingsbereik. Dit is specifiek opgesteld voor het TAM-omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente 's-Hertogenbosch. Er is geregeld dat dit TAM-omgevingsplan de binnen het plangebied liggende bestemmingsplannen niet vervangt. De regels in dezebestemmingsplannen blijven gewoon gelden.
Maar daarbij is wel een voorrangsregel opgenomen. Voor zover de regels in dit TAM-omgevingsplan (hoofdstuk 22d) afwijken van de regels in de betreffende bestemmingsplannen, hebben de regels in dit hoofdstuk 22d voorrang en blijven de betreffende regels uit de bestemmingslannen buiten toepassing.
In dit artikel wordt ook geregeld voor welk gebied de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden.

In artikelen 2 en 3 is geregeld welke begripsbepalingen op dit plan van toepassing en welke voorrang daarbij geldt.

In "Regels voor activiteiten" is het inhoudelijk doel van het TAM-omgevingsplan geregeld. Hier is een verbod opgenomen om ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalige bedrijfsunits' (die gelijk is aan het plangebied) zonder omgevingsvergunning een nieuw bedrijfsverzamelgebouw te vestigen indien de bedrijfsvloeroppervlakte van één of meerdere bedrijfsunits binnen het bedrijfsverzamelgebouw kleiner is dan 500m2. Een zelfde verbod geldt ook voor nieuwe opslag- en/of garageboxen. Dit is geregeld in de artikelen 4 en 5.
In artikel 6 is geregeld dat de verboden niet gelden voor bedrijfsverzamelgebouwen en opslag/garageboxen die in overeenstemming met een geldend plan reeds zijn gerealiseerd of waarvoor een vergunning is verleend.
In artikel 7 zijn de beoordelingsregels voor de aanvraag omgevingsvergunning opgenomen.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan (zijnde een wijziging van het omgevingsplan) moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd.
Daarnaast zal, indien provinciale en waterschapsbelangen daar om vragen, overleg moeten worden gezocht met provincie en waterschap.

7.1.1 Participatie

In het kader van deze wijzing van het omgevingsplan zijn gesprekken gevoerd met VNO-NCW 's-Hertogenbosch, die de belangen behartigt van het bedrijfsleven in ’s-Hertogenbosch en met bedrijfsmakelaars uit de regio via het Makelaarsoverleg.

Uit het gesprekken met VNO-NCW en het Makelaarsoverleg bleek dat men over het algemeen positief staat tegenover de voorgestelde wijziging. Wel is vanuit VNO-NCW gevraagd om nog te kijken naar de te hanteren begrenzing van de maatvoering van kleinschaligheid (eventueel lager dan 500m2) en naar eventueel een quotering per terrein in verband met de geografische spreiding. Dit laatstgenoemde wordt ook aangedragen vanuit het Makelaarsoverleg, maar in dat overleg wordt juist geadviseerd om vast te houden aan een maat van minimaal 500m2. In de ontwerp wijziging van het omgevingsplan is daarom nu gekozen voor een verbod gekoppeld aan een vergunning (in plaats van een algeheel verbod). Dat geeft, indien gewenst, op beide onderdelen enige flexibiliteit.
De verslagen van deze gesprekken zijn opgenomen in

Naast deze gesprekken is in september 2024 een inloopsessie georganiseerd, die voor iedereen toegankelijk was met de mogelijkheid om op het voornemen tot wijziging te reageren. De interesse in deze inloopsessie was laag. Er was slechts één aanwezige, een vertegenwoordiger van de eigenaar van één van de percelen van woonboulevard De Herven. Deze vroeg zich af of de wijziging wel van toepassing moest zijn op de woonboulevard, gelet op de detailhandelsfunctie van deze locatie. Gelet op deze terechte opmerking, is in de ontwerp wijziging de woonboulevard niet opgenomen binnen het plangebied.

7.1.2 Overleg provincie en waterschap

Het TAM-omgevingsplan is op 1 december 2025 besproken met de provincie. Zij hebben inhoudelijk geen opmerkingen op het plan.

Omdat er geen waterschapsbelangen in het geding zijn bij deze ontwikkeling, heeft er geen overleg met het Waterschap Aa en Maas plaatsgevonden.

7.2 Economische uitvoerbaarheid

Met dit TAM-omgevingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er zijn dan ook geen andere kosten dan de gebruikelijke plan- en procedurekosten.

Hoofdstuk 8 Overkoepelende afweging ETFAL

Het TAM-omgevingsplan is er op gericht om bedrijfskavels op bedrijventerreinen beschikbaar te houden voor (grotere) bedrijven in een hogere milieucategorie, waarvoor deze bedrijfskavels zijn bedoeld. Voorkomen moet worden dat zich hier kleine bedrijfsunits, opslag- en/of garageboxen vestigen. Hiervoor is een verbod om opgenomen om zonder omgevingsvergunning dergelijke kleine bedrijfsunits, opslag- en/of garageboxen te vestigen op bedrijventerreinen. Het plan maakt geen ruimtelijke- of functionele ontwikkelingen mogelijk die nadelige effecten kunnen hebben op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat.

Deze motivering toont aan dat de juridisch-planologische wijziging waarop dit TAM-omgevingsplan gericht is, leidt tot een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.