| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vergroening Dijklint Orthen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002003-1401 |
Recentelijk zijn verschillende woningen (Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b (voorheen Orthen 188)) aan het dijklint in Orthen gesloopt. De aanleiding voor de sloop is de uitvoering uitkoopregeling hoogspanning Orthen waarbij voorgesteld wordt om de huizen, gelegen onder een hoogspanningsverbinding, te slopen en het vrijkomende gebied te herinrichten.
Het dijklint in Orthen heeft een uniek en historisch karakter. Dit deel van Orthen ligt op een oorspronkelijke dekzandrug, waar de oudste kern van het dorp is ontstaan. Het smalle, slingerende dijklint met vrijstaande woningen en boerderijen is kenmerkend voor het gebied. De sloop biedt een kans om de oorspronkelijke uitstraling van de dijk op deze locatie te herstellen. Vroeger was het talud aan deze kant van de dijk stijl en onbebouwd.
Het voornemen is de functies ‘Wonen’, 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' grotendeels te wijzigen naar ‘Natuur’. Ook wil de gemeente, aan de zijde van de gesloopte gebouwen, nieuwe langsparkeerplaatsen aanleggen. Na deze wijziging kunnen geen nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, een school of zorginstelling, meer onder de hoogspanningsleidingen worden gerealiseerd.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen).
Achtereenvolgens komen na deze inleiding (hoofdstuk 1) de volgende onderwerpen aan bod:
Het 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b Vergroening Dijklint Orthen’ heeft betrekking op de locatie Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b te 's-Hertogenbosch. Afbeelding 1 geeft het plangebied weer. Het gebied wordt als volgt begrensd:
Afbeelding 2.1 Ligging plangebied ingezoomd met als ondergrond de kadastrale grenzen
Afbeelding 2.2 Ligging plangebied uitgezoomd met als ondergrond de luchtfoto
Het plangebied is onderdeel vaan het omgevingsplan 's-Hertogenbosch, onderdeel bestemmingsplan 'Dijklint Orthen', welke is vastgesteld op 22 december 2009. Dit voormalige bestemmingsplan is destijds opgesteld om flexibel en adequaat ruimtelijk ordeningsinstrumentarium ten behoeve van het beheer van het woon- (en werk) gebied te bieden.
Het plangebied bevindt zich aan het historische dijklint van Orthen, gelegen in het noordelijke deel van ’s-Hertogenbosch. Dit lintdorp kent een karakteristieke ruimtelijke structuur met vrijstaande woningen en boerderijen, gesitueerd langs een smalle, slingerende dijk. De adressen Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b maken deel uit van deze lintbebouwing en liggen op een dekzandrug, een landschappelijk kenmerk dat de oorsprong van het dorp markeert.
De bebouwing bestaat uit een mix van woonhuizen en bedrijfsfuncties. De woningen liggen in een rustige woonomgeving met goede bereikbaarheid tot voorzieningen en uitvalswegen. De bebouwing is georiënteerd op de weg en vormt een visueel herkenbare lijn binnen het landschap. De omgeving wordt gekenmerkt door een groene uitstraling, met tuinen, erfafscheidingen en enkele bomen langs de weg. Het gebied ligt onder een bovengrondse hoogspanningsverbinding, wat invloed heeft op het gebruik en de beleving van de ruimte.
Het plangebied ligt verder in de directe nabijheid van de Ertveldplas, een recreatief en ecologisch waardevol watergebied dat een belangrijke rol speelt in de beleving van de omgeving. De ligging nabij de plas versterkt het natuurlijke karakter van het gebied en biedt mogelijkheden voor wandelen, fietsen en natuurbeleving.
Qua infrastructuur grenst het gebied aan belangrijke hoofdwegen:
Daarnaast ligt het gebied op fietsafstand van het centrum van ’s-Hertogenbosch en nabij voorzieningen zoals supermarkten, scholen en openbaar vervoer.
Het TAM-plan is gericht op het faciliteren van een uitkoopregeling voor woonobjecten die zijn gelegen onder of nabij een 380 kV hoogspanningsleiding. Binnen dit plan wordt beoogd om de bestaande functies ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Bedrijfswoning’ te wegbestemmen. Hiermee wordt de ruimtelijke situatie in overeenstemming gebracht met het beoogde gebruik na uitkoop en wordt voorkomen dat op deze locaties in de toekomst opnieuw bebouwing of bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Dit is van belang vanwege gezondheidsrisico’s en ruimtelijke beperkingen die gepaard gaan met de nabijheid van hoogspanningsinfrastructuur.
Een belangrijk onderdeel van het plan is het terugbrengen van de juridisch-planologische situatie naar de oorspronkelijke uitstraling van de dijk. Historisch gezien was het talud aan deze zijde van de dijk stijl en onbebouwd. Door het wegbestemmen van de huidige functies wordt deze oorspronkelijke situatie hersteld, wat bijdraagt aan een veilige en gezonde leefomgeving en aan het realiseren van beleidsdoelstellingen op het gebied van ruimtelijke ordening en volksgezondheid.
In het kader van de bredere herontwikkeling van het gebied rondom de Diezemonding wordt daarnaast een belangrijke ruimtelijke wijziging voorgesteld: de transformatie van de huidige functies ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Bedrijfswoning’ naar de functie ‘Natuur’. Deze wijziging sluit aan bij de ambitie om het gebied ecologisch te versterken en de leefomgeving te verbeteren. Door gronden onder de hoogspanningsleidingen te bestemmen als ‘Natuur’, worden gevoelige functies zoals woningen, scholen en zorginstellingen uitgesloten. Hiermee wordt invulling gegeven aan geldende richtlijnen voor het veilig gebruik van gronden onder hoogspanningsinfrastructuur en worden gezondheidsrisico’s voor toekomstige gebruikers voorkomen.
Tot slot is het de intentie van de gemeente om, aan de zijde waar recentelijk gebouwen zijn gesloopt, nieuwe langsparkeerplaatsen te realiseren. Deze ingreep draagt bij aan een verbeterde parkeersituatie en ondersteunt de bereikbaarheid van het gebied, zonder afbreuk te doen aan de beoogde natuurlijke inrichting.
Alle ruimtelijke ontwikkelingen onder de Omgevingswet dienen getoetst te worden aan het geldende omgevingsplan van de gemeente (nieuw deel en tijdelijk deel) en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het geldende omgevingsplan is opgebouwd uit de voormalige bestemmingsplannen en verordeningen gericht op de fysieke leefomgeving.
Het plangebied van het TAM-omgevingsplan richt zich op de locatie Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b te 's-Hertogenbosch. Dit plangebied is gelegen binnen het voormalige bestemmingsplan ‘Dijklint Orthen’. Binnen het plangebied zijn volgende bestemmingen/functies gelegen:
Daarnaast is de volgende dubbelbestemming opgenomen:
Verder is de volgende gebiedsaanduiding opgenomen:
Ook zijn de volgende functieaanduidingen opgenomen:
Tot slot zijn verschillende bouwvlakken en de volgende bouwaanduidingen opgenomen:
In het TAM-omgevingsplan worden de volgende wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het voormalige bestemmingsplan ‘Dijklint Orthen’ (onderdeel geldend tijdelijk omgevingsplan van de gemeente ’s-Hertogenbosch):
Afbeelding 3.1 Verbeelding vigerend deel van het tijdelijke omgevingsplan 's-Hertogenbosch
Afbeelding 3.2 Verbeelding vigerend deel met de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - Industrie' op het plangebied
Binnen dit plan wordt beoogd om de bestaande functies ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Bedrijfswoning’ te wegbestemmen. Dit hoofdstuk onderbouwt of de beoogde ontwikkeling passend is binnen het beleid van hogere overheden en van de gemeente. Alleen het voor het TAM-omgevingsplan relevante beleid wordt hierbij behandeld.
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes (ontwerpnovi.nl):
Doorwerking plangebied:
Het wegnemen van de mogelijkheid tot 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' draagt bij aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat. Dit kan geschaard worden onder prioriteit 3 ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ uit de nationale omgevingsvisie. De juridisch-planologische wijziging leidt immers tot het wegnemen van een veiligheidsrisico. De functiewijziging leidt tot een aanzienlijke afname van de aanwezigheid van personen en gebouwen in brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied.
De Omgevingswet bevat alle regels voor de fysieke leefomgeving. Deze wet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Hierin staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet:
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Bkl is opgebouwd uit de volgende onderwerpen:
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies, het beoordelingskader vormen voor zowel een wijziging van het omgevingsplan en voor een Bopa.
Doorwerking plangebied:
Het TAM-omgevingsplan is gericht op het wegnemen van de mogelijkheid tot 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning'. Dit leidt tot een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn algemene en specifieke instructieregels opgenomen voor het waarborgen van een veilige leefomgeving. Deze instructieregels zien onder meer op het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. In hoofdstuk 5 van deze motivering wordt hieraan getoetst. De conclusie is dat eraan voldaan wordt. Er is immers sprake van een verbetering: een potentiële bron voor een risico op het gebied van externe veiligheid wordt weggenomen.
Met deze bopa wordt voldaan aan het Rijksbeleid.
Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over de Brabantse leefomgeving in 2050. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.
Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn, welke allen ten dienste staan van de basisopgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Al deze opgaven staan in nauwe verbinding tot elkaar.
Doorwerking plangebied:
Zoals in voorgaand hoofdstuk 3 beschreven, is dit TAM-omgevingsplan gericht op het wegnemen van de mogelijkheid tot 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning'. Hiermee wordt de juridisch-planologische situatie teruggebracht naar de oorspronkelijke uitstraling van de dijk. Vroeger was het talud aan deze kant van de dijk stijl en onbebouwd. Verder wordt een potentiële bron voor een risico op het gebied van externe veiligheid weggenomen. Dit heeft zeer beperkt raakvlakken met het provinciale beleid. Wel kan gesteld worden dat de het TAM-omgevingsplan bijdraagt aan de basisopgave zoals de provincie die geformuleerd heeft: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
De TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant is op 5 december 2023 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze is op 1 januari 2024 in werking getreden, op het moment dat de Omgevingswet van kracht werd. Via de Omgevingsverordening draagt de provincie bij aan het dichterbij brengen van de doelen en de ambities uit haar Omgevingsvisie.
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant wordt gesteld dat een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt via een omgevingsplan of BOPA, invulling geeft aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met het oog op een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.
Om dit realiseren wordt invulling gegeven aan:
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn in hoofdstuk 5 instructieregels opgenomen. De gemeenteraad/ het college van burgemeester en wethouders moet deze betrekken bij de vaststelling van een bopa. Voor de bopa bepaalt de wet dat de instructieregels uit de verordening gelden als beoordelingsregel voor de vergunningverlening.
Op verzoek van het gemeentebestuur kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de instructieregels uit de Omgevingsverordening, als de verwezenlijking van gemeentelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing wordt gevraagd (artikel 5.6 Omgevingsverordening).
De provincie vindt het belangrijk dat zij al zoveel mogelijk in de voorfase betrokken wordt bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving (voorkantsamenwerking). Zowel een voorgenomen wijziging van het omgevingsplan als een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt in een ambtelijk overleg met de provincie besproken. Daarbij wordt beoordeeld of provinciale belangen in het geding zijn en op welke wijze rekening kan worden gehouden met deze belangen.
Gedeputeerde Staten heeft op grond van artikel 16.15a Ow op 7 november 2023 besloten dat voor een omgevingsvergunning voor een BOPA voor een aantal gevallen verplicht advies bij hen gevraagd moet worden. Onderhavig initiatief behoort hier niet toe.
Doorwerking plangebied:
Via deze toelichting wordt voldaan aan de vereiste van een goede motivering van de beoogde ontwikkeling, leidend tot een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. In hoofdstuk 5 vindt de toetsing aan de diverse milieu- en overige omgevingsaspecten plaats. Deze laat zien dat er geen sprake is van belemmeringen. Het beoogde doel met het TAM-omgevingsplan leidt immers alleen maar tot een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving: een potentieel externe veiligheidsrisico wordt weggenomen.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet iedere gemeente een Omgevingsvisie vaststellen, deze is op 9 september 2025 vastgesteld in de gemeenteraad. De Omgevingsvisie schetst de toekomstige ontwikkeling op hoofdlijnen van een gemeente. De Omgevingsvisie vervangt de Ruimtelijke StructuurVisie.
De omgevingsvisie is gebaseerd op een aantal bouwstenen. Belangrijk onderdeel daarvan zijn de vier gebiedsvisies die samen met de inwoners opgesteld zijn. Ook rondom het Koersdocument zijn veel participatie-activiteiten georganiseerd. Daarnaast is parallel aan het omgevingsvisieproces een omgevings-effectrapportage-procedure doorlopen. Gedurende het gehele traject zijn effecten onderzocht van keuzes voor de diverse onderdelen van de leefomgeving. De omgevingsvisie is opgebouwd uit twee delen: deel A met de visie en deel B met de verantwoording.
Naast een visie op de wenselijke toekomstige ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen, omvat deel A ook een omschrijving van de waarden en verschijningsvorm van onder andere het landschap, de bodem, cultuurhistorie, onze positie in de regio, maar ook een typering van de Bossche samenleving en de trends en opgaven die op ons afkomen. De drie grote maatschappelijke veranderingen waar we op in moeten spelen zijn: de klimaatverandering, de toenemende schaarste op meerdere vlakken (arbeidskrachten, grondstoffen en ruimte) en de continu veranderende samenleving met als belangrijke aandachtspunten de stevige vergrijzing en de aanhoudende migratie.
Via vier doelen en ontwikkellijnen speelt de gemeente ’s-Hertogenbosch in op de maatschappelijke opgaven. Deze lijnen zijn leidend voor de wenselijke toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving:
Groots vergroenen
Groots vergroenen betekent ruimte in de stad, dorpen en het ommeland voor klimaatadaptatie, biodiversiteit, een gezonde bodem en een veerkrachtig stedelijk groen en natuur. We nemen hiervoor zoveel mogelijk het natuurlijk systeem als basis en gebruiken techniek waar het moet. Een gezonde balans tussen mens en natuur en een volhoudbaar perspectief voor het natuurlijk kapitaal zijn hierin leidend. Om hieraan te werken, zijn in de omgevingsvisie hoofdopgaven benoemd. Om met deze hoofdopgaven aan de slag te gaan, zijn verschillende keuzes gemaakt. Zoals het hanteren van de 3-30-300-regel, waarbij vanuit ieder huis zicht moet zijn op 3 bomen, 30% van de openbare ruimte beschaduwd moet zijn in warme maanden en een woning op maximaal 300 m2 mag staan tot een koele groene plek van minimaal een halve hectare. Daarnaast is bijvoorbeeld ook het ‘stad als spons’ principe van belang bij ontwikkelingen.
Bouwen aan generaties
Bouwen aan generaties in ‘s-Hertogenbosch betekent buurten, wijken en dorpen met een diversiteit aan woningen, bewoners en voorzieningen. Het samenstel van centra, buurten en wijken staat in dienst van een compacte en efficiënte stad en moet sociale binding, gelijke kansen en mogelijkheden voor iedereen bevorderen. De groei van de stad mag daarin niet remmend werken, maar biedt juist de kans om de wijken, buurten en dorpen beter te benutten en te laten functioneren, nu en in de toekomst. Om hieraan te werken, zijn in de omgevingsvisie hoofdopgaven benoemd. Om met deze hoofdopgaven aan de slag te gaan, zijn verschillende keuzes gemaakt. Zoals de keuze om maximaal binnen de bestaande stad en dorpen te bouwen en het centraal stellen van nabijheid en diversiteit bij ontwikkelingen.
Welvarend welzijn
Welvarend welzijn in ‘s-Hertogenbosch betekent dat werken, educatie, zorg, leven en wonen weer meer en beter in elkaar overvloeien en elkaars nabijheid opzoeken. Met voldoende ruimte voor extra arbeidsplaatsen en ondernemers en oog voor het welzijnsperspectief van en gelijke kansen voor eenieder. En waarin samen de noodzakelijke stappen gezet worden voor een circulaire economie.
Om hieraan te werken, zijn in de omgevingsvisie hoofdopgaven benoemd. Om met deze hoofdopgaven aan de slag te gaan, zijn verschillende keuzes gemaakt. Zoals de keuze om bestaande kwaliteiten te koesteren en erop voort te bouwen, het streven naar een stad als een caleidoscoop van werklandschappen, het ontmengen voor een sterk productielandschap en het mengen gericht op een divers interactielandschap.
Vorstelijk verbinden
Vorstelijk verbinden in ’s-Hertogenbosch betekent een openbare ruimte van allure, die ontmoeting, sporten, beweging en gezond gedrag bevordert. Het netwerk van paden, straten en verbindingen staan in dienst van een compacte en efficiënte stad en moet gelijke kansen en mogelijkheden voor iedereen bevorderen. En het nu nemen van verantwoordelijkheid voor de energie en het drinkwater dat we gebruiken. Om hieraan te werken, zijn in de omgevingsvisie hoofdopgaven benoemd. Om met deze hoofdopgaven aan de slag te gaan, zijn verschillende keuzes gemaakt. Zoals de keuze om nabijheid centraal te stellen, het maken van een schaalsprong in mobiliteit, het creëren van een doorwaardbare en gezonde leefomgeving en verantwoordelijkheid nemen voor voldoende energie en drinkwater.
Naast de vier ontwikkellijnen zijn drie principes voor het ordenen van de ruimte van groot belang: compact, nabij en meervoudig.
De ontwikkellijnen zijn op hoofdlijnen vertaald naar de vier gebieden. Belangrijke bouwsteen hiervoor zijn de vier gebiedsvisies voor de deelgebieden:
Doorwerking plangebied:
Het TAM-omgevingsplan is gericht op het wegnemen van de functies 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning'. Dit leidt ertoe dat een veiligheidsrisico verdwijnt en de kwaliteit van het woon- en leefmilieu verbetert. Er hoeft geen rekening meer gehouden te worden met het externe veiligheidsrisico als gevolg van de hoogspanningsleidingen. Dit plan past binnen de algemene beleidsuitgangspunten ten aanzien van een compacte stad.
Dit hoofdstuk geeft weer hoe de afweging rondom het beschermen van de omgevingsaspecten (de diverse waarden en de milieuaspecten) een rol heeft gespeeld bij het TAM-omgevingsplan gericht op de functiewijziging van 'Wonen' 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer'. Met deze wijziging kunnen geen nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, een school of zorginstelling, meer onder de hoogspanningsleidingen worden gerealiseerd. Beschreven wordt op welke wijze bij de activiteit(en) rekening is gehouden met de diverse aspecten en hoe gekomen is tot een 'Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (voortaan ETFAL). De aspecten sluiten aan op de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.
Bij de opzet van dit hoofdstuk is de indeling uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (voortaan Bkl) gevolgd. Hier zijn immers instructieregels opgenomen waaraan in het kader van wijzigingsprocedures van het omgevingsplan getoetst wordt.
Centraal bij de afweging van de verschillende omgevingsaspecten staat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit zijn belangrijke maatschappelijke doelen van de Omgevingswet, die zijn vastgelegd in artikel 1.3, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Daarbij speelt het beschermen en het bevorderen van gezondheid een belangrijke, overkoepelende rol.
In de navolgende paragrafen wordt per aspect uiteengezet welke afwegingen zijn gemaakt om te komen tot (ETFAL voor de voorgenomen activiteit(en). Aan het maken van deze afwegingen zijn onder meer de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl en het geldende gemeentelijke beleid ten grondslag gelegd.
Dit hoofdstuk wordt afgesloten met de afweging ten opzichte van de overkoepelende ambities rondom een gezonde en duurzame leefomgeving. In essentie dragen alle afzonderlijke omgevingsaspecten hier in meer of mindere mate aan bij.
Doorwerking plangebied:
Om de nieuwe functie te realiseren en de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen, is een beoordeling van het milieubelang nodig. Aangezien er op de planlocatie geen gebouwen aanwezig zijn en door het vervallen van de woonfunctie geen nieuwe bebouwing mogelijk is, zijn verschillende milieuaspecten niet van toepassing.
De planlocatie wordt omringd door woningen, bedrijven en natuur. Met de functiewijziging wordt het leefmilieu verbeterd.
Omdat het TAM-omgevingsplan inzet op de aanleg van natuur en gevoelige functies, zoals woningen, een school of zorginstelling onder de hoogspanningsleidingen niet meer mogelijk maakt, zijn de effecten op de (fysieke) leefomgeving positief.
Onderdeel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is het waarborgen van een veilige leefomgeving. Het gaat dan om omgevingsveiligheid in zijn algemeenheid. Daarbij wordt gedoeld op het voorkomen, beperken en bestrijden van veiligheidsrisico's bij branden, rampen en crisis. Een specifiek onderdeel van omgevingsveiligheid is externe veiligheid. Daarbij gaat het om het voorkomen en beperken van rampen en zware ongevallen als gevolg van een incident bij de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines.
In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn algemene en specifieke instructieregels opgenomen voor het waarborgen van een veilige leefomgeving. Deze instructieregels zien onder meer op het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid is neergelegd in het “Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch”.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect omgevingsveiligheid.
Het plangebied ligt binnen een brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied (artikel 5.12 Bkl) en wordt doorkruist door een bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding en een ondergrondse buisleiding.
Door de functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en 'Verkeer' verdwijnen kwetsbare functies. Hiermee neemt het aantal aanwezigen in het gebied af en is er geen sprake meer van bewoning. De veiligheidscontext verandert hiermee gunstig en de risicobelasting neemt aantoonbaar af.
Met het TAM-omgevingsplan zijn gebouwen in de vorm van woningen en bedrijvigheid in het plangebied niet meer mogelijk.
Afbeelding 5.1 Kaart Externe Veiligheid, (Atlas Leefomgeving, augustus 2025)
De hoofdlijnen van het wettelijk kader voor externe veiligheid zijn vastgelegd in de instructieregels in paragraaf 5.1.2. Besluit kwaliteit leefomgeving. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor het bepalen van PR 10-6 contouren en aandachtsgebieden (brand-, explosie-, en gifwolkaandachtsgebieden). Bij plannen moet binnen aandachtsgebieden rekening worden gehouden met artikel 5.15 Bkl. Dit artikel geeft aan dat maatregelen getroffen moeten worden ter bescherming van personen in nieuwe gebouwen en daarbuiten. Met het nemen van maatregelen wordt voldaan aan het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
Gemeentelijk beleid
Via het Integraal Veiligheidsplan 2023 – 2026 (IVP) werken we aan het vergroten van de veiligheid en het veiligheidsgevoel. Verkeersveiligheid en externe veiligheid maken hier geen onderdeel van uit. Het IVP richt zich op de volgende strategische uitgangspunten:
Onze prioriteiten op het gebied van veiligheid zijn: ondermijning, maatschappelijke onrust en digitale veiligheid.
Daarnaast werken we samen met Veiligheidsregio en de gemeenten daarbinnen aan een veilige en veerkrachtige regio waarin inwoners, bedrijven en instellingen zich beschermd voelen tegen diverse risico's. Gezamenlijk hebben we de volgende strategische doelstellingen geformuleerd:
Binnen de regio geven we aan de volgende risico's prioriteit:
Voor 's-Hertogenbosch hebben we hierbinnen aandacht gevraagd voor Howabo 2.0 en de toekomstige spooraanpassing op traject Meteren-Boxtel.
Doorwerking plangebied
De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' leidt tot een aanzienlijke afname van de aanwezigheid van personen en daarmee tot een verlaging van het plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Doorwerking plangebied
De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' leidt tot een aanzienlijke afname van kwetsbare gebouwen. Dit leidt daarmee tot een verlaging van het plaatsgebonden risico.
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.
Doorwerking plangebied
De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' leidt tot een aanzienlijke afname van kwetsbare gebouwen in brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied. Dit leidt daarmee tot een verlaging van het groepsrisico. Daarnaast worden er geen activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk gemaakt die de risico's, danwel de externe veiligheid eventueel zouden kunnen vergroten.
Het TAM-omgevingsplan leidt tot een verbetering van de externe veiligheid. De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' leidt tot een aanzienlijke afname van de aanwezigheid van personen en daarmee tot een verlaging van het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl en het gemeentelijke veiligheidsbeleid. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Om Nederland veilig en bewoonbaar te houden is het noodzakelijk dat water en bodem sturend zijn in ruimtelijke keuzes. De 'weging van het waterbelang' betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
Het doel van de weging van het waterbelang is om ervoor te zorgen dat waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit worden meegenomen in ruimtelijke plannen. Maar ook dat steden zich moeten aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals hevigere regenval en langere periodes van droogte.
In deze paragraaf wordt omschreven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de waterbelangen.
De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' (parkeerplaatsen) leidt tot een afname van verhard oppervlak. Hierdoor neemt de belasting op het watersysteem af en wordt de sponswerking van de bodem versterkt. Er is geen sprake van lozingen of toename van verharding groter dan 500 m².
Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem moeten de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, worden betrokken. Denk bijvoorbeeld aan regels van de provincie en de waterschappen.
Het Bkl bevat ook enkele specifieke instructieregels voor primaire waterkeringen, de kust in de vorm van kustfundamenten en de grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ook zijn in artikel 5.165 van het Bkl (en paragraaf 22.3.8 van het omgevingsplan, de Bruidsschat) regels opgenomen met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen lozingen van industrieel afvalwater mogen worden toegestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen ook specifieke regels stellen.
In artikel 2.2 vijfde lid van de Waterschapsverordening van Aa en Maas en in artikel 3.4 tweede lid van de Waterschapsverordening van de Dommel is opgenomen dat bij een toename van verhard oppervlakte groter dan 500 m² de noodzaak aanwezig is om waterbelangen mee te nemen.
Het Nationaal Omgevingsvisie (NOVI) biedt een strategische en integrale visie voor de fysieke leefomgeving van Nederland, met een sterke focus op duurzaam waterbeheer. De belangrijkste thema's zijn:
Het landelijke waterbeleid in Nederland wordt voornamelijk geregeld door het Nationaal Water Programma 2022-2027. Dit programma beschrijft hoe Nederland de komende jaren omgaat met waterbeheer en de uitdagingen die daarbij komen kijken, zoals klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk.
Het programma richt zich op verschillende aspecten, waaronder:
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn de regels en normen vastgelegd waarmee een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving wordt gewaarborgd. Het heeft tot doel om de natuur, het milieu en waterkwaliteit te beschermen.
Zo zijn er omgevingswaarden opgenomen voor het beschermen van grondwater, de veiligheid van een kering, de overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebouwde gebieden en 1/10 jaar voor overige gebieden. Voor 's-Hertogenbosch is een afwijkende omgevingswaarde voor wateroverlast stedelijke gebied bepaald van 1/150 jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming bebouwing, hoofdinfrastructuur spoorwegen.
In de provincie Noord-Brabant wordt het waterbeleid vormgegeven door het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027. Dit programma richt zich op het creëren van een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Het programma is onderdeel van het bredere planstelsel voor waterbeheer in Nederland en werkt samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen.
In het Waterbeheerplan (WBP) van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
Waterveiligheid;
Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
Klimaatbestendig en gezond watersysteem;
Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; de waterschapsverordening, het waterbeheerprogramma en vergunningen en ontheffingen stelsel.
Iedere waterschap heeft een eigen waterschapsverordening. Deze verordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving binnen het beheergebied van het waterschap. De regels zijn gericht op het beheer van waterkeringen, watergangen, grondwater en andere waterstaatswerken.
Waterschapsverordening van Waterschap Aa en Maas
De waterschapsverordening van Waterschap Aa en Maas bevat regels voor het beheer van rivieren, beken, sloten, grondwater en dijken(waterkeringen) binnen hun werkgebied. Deze verordening is een aanvulling op de Omgevingswet en geeft aan wat wel en niet mag, welke plichten er zijn bij activiteiten in en rondom water. In de waterschapsverordening wordt vaak verwezen naar de legger. In de legger zijn alle waterstaatswerken (ligging, vorm, afmeting en constructie) opgenomen.
Belangrijke punten uit de verordening zijn:
In 2021 is de Visie Groen en Klimaatbestendig vastgesteld, hierin beschrijft de gemeente de ambities en maatregelen die nodig zijn om de stad voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering en om een groene, duurzame leefomgeving te creëren. Het uitvoeringsprogramma Groen en klimaatbestendig omvat concrete maatregelen en projecten om de stad groener en klimaatbestendiger te maken.
De visie is vertaald in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 en in gebiedsgericht beleid (Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig 's-Hertogenbosch, 2024).
In het “Plan Water en Riolering 's-Hertogenbosch 2023-2028” richt de gemeente zich op het beheer van regen- en afvalwater. Dit omvat maatregelen zoals het afkoppelen van regenwater van het riool en het aanleggen van wadi's om water lokaal te infiltreren. Het gebiedsgerichte beleidsplan Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig zorgt samen met het Plan Water en Riolering 's-Hertogenbosch 2023-2028 voor een integrale en effectieve aanpak van waterbeheer en groenvoorzieningen. Hiermee wordt handen en voeten gegeven aan een klimaatbestendige stad door wateroverlast te verminderen, hittestress tegen te gaan, sponswerking van de bodem te vergroten door verharding te verminderen en de biodiversiteit te bevorderen.
Denk hierbij aan:
In de omgevingsvisie van 's-Hertogenbosch speelt water een cruciale rol in het creëren van een duurzame en klimaatbestendige stad. Het historisch moeraslandschap, de “Moerasdraak” wordt opnieuw ingezet om de stad en het omliggend gebied beter bestand te maken tegen klimaatverandering. Dit omvat het creëren van meer ruimte voor waterberging om overstromingen te voorkomen en het concept van de “sponsstad”, waarbij regenwater lokaal wordt geïnfiltreerd.
De “Groene Delta” vormt een netwerk van groen- en natuurgebieden die bijdragen aan waterbeheer, biodiversiteit en recreatie. De 3-30-300 regel bevordert stedelijke vergroening door te zorgen dat elke woning zicht heeft op drie bomen, 30% van de wijk groen is en er binnen 300 meter een groene ruimte is.
Innovaties zoals wadi's en retentiegebieden worden gebruikt om wateroverlast te beheersen. De visie benadrukt ook het belang van samenwerking met waterschappen, inwoners en andere stakeholders om de doelen voor waterbeheer en klimaatadaptatie te realiseren. Dit alles draagt bij aan een veerkrachtige en leefbare stad voor toekomstige generaties.
Doorwerking plangebied
De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' draagt op meerdere niveaus bij aan de bescherming van waterbelangen en klimaatbestendigheid. Het plan vermindert verharding, creëert extra ruimte voor infiltratie en waterberging, en versterkt de bodemkwaliteit, waardoor het watersysteem robuust en klimaatadaptief blijft. Hiermee wordt voldaan aan de relevante nationale kaders, zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Nationaal Water Programma 2022–2027 en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), en wordt aangesloten bij provinciale en regionale doelstellingen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant en het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027. Het plan voldoet aan de uitgangspunten en vergunningen uit het Waterbeheerplan en de waterschapsverordening van Waterschap Aa en Maas, en sluit aan bij gemeentelijk beleid zoals de Visie Groen en Klimaatbestendig, het Plan Water en Riolering 2023–2028 en de Omgevingsvisie 's-Hertogenbosch. Door het vervallen van bebouwing en het behoud van extensieve natuurruimte worden wateroverlast, hittestress en negatieve effecten op waterkwaliteit beperkt, terwijl biodiversiteit, sponswerking en recreatieve kwaliteit worden versterkt.
Het TAM-omgevingsplan versterkt de bescherming van waterbelangen doordat de woonfunctie vervalt en verharding afneemt. De locatie wordt bestemd voor natuur, zonder bebouwingsmogelijkheden, met slechts een beperkt verkeersdeel. Daarmee leidt het TAM-omgevingsplan tot minder verharding en is het in overeenstemming met de relevante rijks-, provinciale, waterschaps- en gemeentelijke beleidskaders. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Een goede luchtkwaliteit draagt bij aan een gezond woon- en leefklimaat en hoort daarom bij de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
In de Omgevingswet zijn regels opgenomen om mensen en het milieu te beschermen tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Deze regels vloeien onder meer voort uit de Europese Luchtkwaliteitsrichtlijn (Richtlijn 2008/50/EG). Zo gelden bijvoorbeeld rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof).
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
Uit de cijfers van de Atlas Leefomgeving - de landelijke site voor de actuele luchtkwaliteit in Nederland - blijkt dat de luchtkwaliteit in de planlocatie onder de geldende grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 (stikstofdioxide, fijnstof en de kleinere fractie aan fijnstof) ligt. De huidige concentratie (jaargemiddeld 2023) van NO2 ligt met circa 13 microgram/m3 onder de helft van de geldende grenswaarde van 40 microgram/m3. Voor PM10 ligt deze met circa 16 microgram/m3 eveneens onder de helft van de geldende grenswaarde van 40 microgram/m3. Voor de fijnstofconcentraties PM2,5 betreft de optredende waarde hier circa 9 microgram/m3, waarbij deze eveneens ruim onder de geldende grenswaarde van 25 microgram/m3 ligt. De kwaliteit van de lucht is hier goed te noemen.
De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:
Voor luchtkwaliteit geldt dat de toetsing aan de omgevingswaarden wordt beperkt tot activiteiten met gevolgen voor een gering aantal in dit besluit vastgelegde aandachtsgebieden waar dit gelet op de achtergrondconcentraties nodig is en specifieke gevallen waaronder de vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Ook moet toetsing aan de omgevingswaarde plaatsvinden wanneer activiteiten buiten de aandachtsgebieden nadelige gevolgen hebben voor de concentraties van fijnstof en stikstofdioxide binnen een aandachtsgebied. Via monitoring wordt in het hele land de vinger aan de pols gehouden. Ook zijn de mogelijkheden om onderzoeksgegevens te hergebruiken verruimd.
De gemeente 's-Hertogenbosch heeft geen aangewezen aandachtsgebieden binnen haar gemeentegrens of direct aangrenzende gemeenten.
Doorwerking plangebied:
Het TAM-omgevingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Dit betekent dat de woonfunctie, en daarmee de bijbehorende verkeersbewegingen en emissies, komt te vervallen. De functie 'Natuur' zorgt voor een extensief gebruik van het gebied, waardoor de luchtkwaliteit niet negatief wordt beïnvloed.
De toevoeging van enkele parkeerplaatsen leidt slechts tot een zeer beperkte toename van verkeer, die verwaarloosbaar is in verhouding tot de daling van verkeersbewegingen door het vervallen van de woonfunctie. Er is daarom geen sprake van overschrijding van de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).
Voor dit project geldt verder dat het - vanwege een afname aan verkeer als gevolg van het nieuwe gebruik - 'Niet In Betekenende Mate' (NIBM) bijdraagt aan een verbetering van de luchtkwaliteit. Kleinere projecten die een niet significante bijdrage leveren aan een eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven namelijk formeel niet getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen. Het omslagpunt wanneer een project nog 'gering' is ligt bij circa 1300 extra voertuigbewegingen per etmaal (inclusief 4% aandeel vrachtverkeer). Deze extra aantallen in motorvoertuigen gaan met de (tijdelijke) wijziging nimmer gehaald worden. Daarom valt onderhavig project binnen het gestelde van NIBM. Een luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet aan de orde. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het project.
Geconcludeerd wordt dat het TAM-omgevingsplan geen belemmeringen kent ten aanzien van de luchtkwaliteit en in overeenstemming is met de instructieregels van paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl.
Het plan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Dit betekent dat de woonfunctie, en daarmee de bijbehorende verkeersbewegingen en emissies, komt te vervallen. De functie 'Natuur' zorgt voor een extensief gebruik van het gebied, waardoor de luchtkwaliteit positief wordt beïnvloed. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Mensen ervaren in hun fysieke leefomgeving vele geluiden. Dat kan omgevingseigen geluid zijn zoals het ruisen van de wind in de bomen. Ook kan het gaan om bewust geproduceerd geluid zoals muziek. Andere geluiden zijn functioneel zoals stemgeluid of geluiden bij een film. Daarnaast is veelal geluid waarneembaar afkomstig van activiteiten zoals verkeer, industrie, evenementen, laden en lossen en bouwen.
Geluid heeft invloed op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, waaronder het woon- en leefklimaat van mensen en hun gezondheid. Daarom zijn op Europees, landelijk en lokaal niveau regels ingevoerd om mensen te beschermen tegen blootstelling aan onaanvaardbare geluidsniveaus. Op Europees niveau geldt onder meer de Richtlijn Omgevingslawaai. Op landelijk niveau zijn deze regels opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende wet- en regelgeving, waaronder het Bkl. De Richtlijn Omgevingslawaai is daarin verwerkt. Op lokaal niveau gelden, aanvullend daarop, de regels uit het omgevingsplan, waaronder de voormalige rijksregels uit de Bruidsschat en het gemeentelijke geluidbeleid, bestaande uit de Nota gebiedsgericht geluidbeleid en de uitwerkingen daarvan.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect geluid.
Het plangebied ligt op circa 50 meter afstand van het spoor, waardoor het geluid van spoorverkeer aanwezig is. Ook ligt het plangebied op korte afstand van de gemeentelijke weg Orthen.
Afbeelding 5.2 Indicatie geluidcontouren van Orthen 174 - 188
De regels over geluid door activiteiten zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl. De regels zien op:
Het gaat daarbij om geluid afkomstig van alle denkbare geluidveroorzakende activiteiten op een locatie, dus niet alleen bedrijfsmatige activiteiten.
In artikel 5.59 van het Bkl zijn de hoofdregels voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het aspect geluid opgenomen. Het gaat kort gezegd om 1) het aanvaardbaar zijn van het geluid door een individuele activiteit op een geluidgevoelig gebouw en 2) rekening houden met het geluid door activiteiten op een geluidgevoelig gebouw (cumulatie).
Aanvaardbaarheid – Geluid door een (individuele) activiteit
Eén van de hoofdregels voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van geluid is dat het geluid door een (individuele) activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Dit volgt uit artikel 5.59, tweede lid, van het Bkl. Er moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau bij geluidgevoelige gebouwen. De aanvaardbaarheid is daarbij afhankelijk van de specifieke plaatselijke situatie.
Doorwerking plangebied
Het gebruik van de parkeerplaatsen in het plangebied levert slechts een beperkte, niet significante verkeersgeluidsbelasting op, maar vormt geen significante geluidveroorzakende activiteit zoals bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Omdat er geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd, is er significante verkeersgeneratie zal zijn wordt een overschrijding van aanvaardbare geluidsniveaus niet verwacht. Overigens zal het aanwezige verkeerslawaai van de weg Orthen alsook van het nabije spoor maatgevend en overheersend zijn ten opzichte van het weinige geluid van de extra parkeerplaatsen. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het TAM-omgevingsplan.
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl bevat regels ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen geluidaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een geluidproductieplafond. Deze regels zijn bedoeld om gezondheidsrisico's door geluid te beperken en moeten bij ruimtelijke ontwikkelingen worden meegenomen.
Doorwerking plangebied
De regels zijn niet van toepassing op dit gebied, omdat er geen geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn. De functies 'Natuur' en 'Verkeer' vallen buiten de formele toetsing aan geluidsnormen. Er is geen sprake van relevante geluidshinder vanuit omliggende functies. Geluid vormt geen belemmering voor dit plan.
Er is in het plangebied geen sprake van (nieuwe) geluidsgevoelige objecten in de zin van het Bkl. Het TAM-omgevingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Dit betekent dat de woonfunctie, en daarmee het toestaan van geluidgevoelige gebouwen, komt te vervallen. Met het TAM-omgevingsplan worden eventuele toekomstige extra verkeersbewegingen voorkomen. Het aspect geluid neemt naar verwachting met de voorgenomen wijziging af en vormt daarmee geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Trillingen ontstaan doordat een bepaalde bron een kracht uitoefent op de constructie van een gebouw of op de bodem. Net als bij geluid kunnen trillingen beschreven worden in de trits “bron – overdracht – ontvanger”. De overdracht van trillingen vindt echter niet plaats via de lucht, maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden). De trilling plant zich voort in de bodem of de constructie en kan, hoewel de sterkte in het algemeen afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, elders hinder of zelfs schade opleveren. Trillingen kunnen daarom een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect trillingen.
Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Een deel van de planlocatie ligt binnen een afstand van 100 meter.
Er bevinden zich geen zware industrie of andere relevante activiteiten die significante trillingen kunnen veroorzaken.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor trillingen.
Er worden geen trillinggevoelige gebouwen in de planlocatie mogelijk gemaakt. Ook worden er geen trillingsbronnen toegevoegd. Hierom is het aspect trillingen hier niet relevant te noemen. Het levert geen belemmering op voor onderhavig plan.
Het TAM-omgevingsplan voorziet uitsluitend in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Hiermee vervalt de woonfunctie en zijn er geen effecten op het gebied van trillingen aan de orde of zijn er nog trillinggevoelige gebouwen in de planlocatie. Het aspect trillingen vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het TAM-omgevingsplan. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan bijvoorbeeld hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld een werkplek beweegt waar wordt gestudeerd of gelezen. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect slagschaduw van windturbines.
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1.050 meter van een bestaande windturbine. Daarnaast liggen er op circa 1.200, 1.400, 1.750 en 1.800 meter locaties voor vergunde windturbines. Tevens grenst de planlocatie aan een gebied die is aangewezen als zone om windturbines te plaatsen.
Afbeelding 5.3 Plaats van windturbine
In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor slagschaduw van windturbines.
Artikel 5.89c van het Bkl regelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat de slagschaduw door een windturbine in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
In de planlocatie zijn geen verblijfsruimten of (slagschaduwgevoelige) gebouwen. Een formele toets aan de normen voor slagschaduw is daarmee niet aan de orde.
Het TAM-omgevingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Dit betekent dat de woonfunctie, en daarmee het toestaan van slagschaduwgevoelige gebouwen, komt te vervallen. Het aspect slagschaduw van windturbines vormt dus geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Bij een initiatief is het de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden).
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect bodem en ondergrond.
Uit verkennend bodemonderzoek op Orthen 174 t/m 188 te 's-Hertogenbosch in juni 2018, verkennend bodemonderzoek Orthen 178 te ‘s-Hertogenbosch in augustus 2018; nader bodemonderzoek Orthen 188 te ‘s-Hertogenbosch in januari 2018 en nader bodemonderzoek Orthen 178 te ‘s-Hertogenbosch in augustus 2018 - allen uitgevoerd door Van Vleuten Consult bv - blijkt dat in alle gevallen sprake is van lichte verontreinigingen in de bovengrond.
Op Orthen 174 is de zwak puinhoudende bovengrond licht verontreinigd met cadmium en zink. Het aanwezige puin is asbestverdacht, hoewel het gemeten asbestgehalte onder de grenswaarde voor nader onderzoek ligt. Hierdoor wordt de hypothese “onverdacht” formeel verworpen, maar is aanvullend onderzoek volgens de Wet bodembescherming niet noodzakelijk.
Op Orthen 176 zijn geen zintuiglijke bijmengingen aangetroffen in de bovengrond. Toch blijkt uit analyse van mengmonster MB1 dat er lichte verontreiniging is met zink en PCB's. Ook hier wordt de hypothese “onverdacht” verworpen, zonder dat dit aanleiding geeft tot verder onderzoek.
Op Orthen 178 blijkt uit de resultaten dat de bovengrond met resten puin en slakken (03.1) analytisch sterk verontreinigd is met barium, koper, lood, nikkel en zink, matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, molybdeen, PCB en minerale olie. De sterk puinhoudende ondergrond (01.3) analytisch sterk verontreinigd is met lood en zink en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, PAK en PCB. In de zintuiglijk schone bovengrond (MB1) zijn voor geen van de geanalyseerde parameters verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetoond. Op basis van de analyseresultaten kan de aangetroffen verontreiniging worden toegeschreven aan de aangetoonde bodemvreemde bijmengingen. Het aanvullende bodemonderzoek wordt verderop beschreven.
Voor Orthen 184 geldt dat de matig puinhoudende bovengrond licht verontreinigd is met kwik, lood en zink. Het puin is asbestverdacht, maar het asbestgehalte blijft onder de grenswaarde. Mengmonster MB1 toont eveneens lichte verontreiniging met zink en PCB's. De hypothese “onverdacht” wordt verworpen op basis van de verhoogde achtergrondwaarden, maar aanvullend onderzoek is niet vereist.
Op Orthen 186 zijn in de achtertuin geen bijmengingen aangetroffen, maar mengmonster MB1 toont lichte verontreiniging met zink en PCB's. Daarnaast is rondom de werkplaats sprake van plaatselijke lichte verontreiniging met minerale olie. Hierdoor wordt de hypothese “onverdacht” verworpen en de hypothese “verdacht” aangenomen voor het werkplaatsgebied. Ook hier geldt dat de Wet bodembescherming geen aanleiding geeft tot nader onderzoek.
Tot slot is op Orthen 188 in de achtertuin geen zintuiglijke bijmenging aangetroffen, maar mengmonster MB1 is licht verontreinigd met zink en PCB's. De ondergrond blijkt licht verontreinigd met cadmium, koper, lood, zink en PCB's. Bij boring 100 is een sterke puinbijmenging aangetroffen, waarbij het monster sterk verontreinigd is met koper en zink, en licht met cadmium, kwik, lood, PAK, PCB's en minerale olie. Het puin is asbestverdacht, maar het asbestgehalte blijft onder de grenswaarde. De grond bij boring 100 wordt daarom als asbestverdacht beschouwd. Ook hier is geen aanvullend onderzoek vereist volgens de Wet bodembescherming.
Resultaten nader bodemonderzoek
Orthen 178
Tijdens het bodemonderzoek zijn bijmengingen van puin en kolengruis aangetroffen, vermoedelijk afkomstig van een historische ophooglaag. Er zijn twee afzonderlijke verontreinigingen vastgesteld: één in de bovengrond met zware metalen en PAK tot 1 meter diepte, en één in de ondergrond met lood en zink tussen 0,75 en 1,25 meter. Beide verontreinigingen beslaan circa 15 m³ grond. Door bebouwing kon niet overal de verontreiniging volledig worden afgeperkt. Er lijkt geen sprake van ernstige bodemverontreiniging; de verontreinigingen maken waarschijnlijk deel uit van een heterogene, puinhoudende ophooglaag.
Orthen 186b (voorheen Orthen 188)
Tijdens het bodemonderzoek werd in géén van de ingezette grondmonsters een sterk verhoogd gehalte aan koper en/of zink gemeten. De sterk verhoogde gehaltes aan koper en zink zijn middels het nader bodemonderzoek zowel horizontaal als verticaal ingekaderd en afgeperkt. De verontreiniging bevindt zich in de bodemlaag van 0,25-0,6 m-mv en heeft omvang van de verontreiniging <25 m³. Derhalve is er géén sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging.
De sterke verontreiniging met koper en zink is door middel van het uitgevoerde nader bodemonderzoek voldoende afgeperkt en ingekaderd.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl).
Bij plannen en ontwikkelingen is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige functie.
Doorwerking plangebied
Er is zink en lood verontreiniging in de grond, met name bij Orthen 178. Zolang er geen directe contactmogelijkheden zijn met aangetroffen zink en lood verontreiniging (met kinderen), zijn er geen belemmeringen voor de functie groen. Tevens zal met het initiatief niet worden geroerd in de grond. Het aspect bodem geeft geen belemmering voor de functie natuur en verkeer. De bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging levert geen onaanvaardbaar risico voor de gebruikers van de bodem.
De huidige bodemsituatie is bij de gemeente bekend. Er is zink en lood verontreiniging in de grond, met name bij Orthen 178. De kwaliteit van de grond past bij de functie natuur en verkeer. Daarbij neemt de gevoeligheid van de functie af. Tevens zal met het initiatief niet worden geroerd in de grond. Het aspect bodem geeft geen belemmering voor de nieuwe functies natuur en verkeer. Het aspect bodem vormt dus geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan.
De meest geurstoffen zijn al te ruiken bij lage hoeveelheden. Veel geurstoffen zijn op zichzelf niet schadelijk voor de gezondheid. Wel kunnen geuren nadelige effecten tot gevolg hebben, zoals hinder. In het algemeen wordt geurhinder veroorzaakt door onder meer de volgende bronnen:
Uit artikel 5.92 van het Bkl volgt dat bij een initiatief rekening moet worden gehouden met de geur door activiteiten. Ook moet erin worden voorzien dat de geur door een activiteit aanvaardbaar is.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect geur.
In het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen of objecten mogelijk gemaakt.
Omdat het TAM-omgevingsplan gericht is op een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) is er geen sprake van wijziging ten aanzien van het aspect geur. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Er is er geen sprake van wijziging ten aanzien van het aspect geur. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Landschappelijke, stedenbouwkundige en ook cultuurhistorische waarden zijn van groot belang voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het maakt dat een gebied als aangenaam om te wonen, werken of recreëren wordt beoordeeld. Daarnaast is het van groot belang om unieke waarden te beschermen die bijdragen aan de identiteit en kwaliteit van een gebied of locatie. Beschermen wil niet zeggen dat er geen ontwikkelingen plaats mogen vinden. Aanwezige waarden moeten gerespecteerd worden en kunnen gebruikt worden als inspiratie bij ontwikkelingen.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met de aspecten archeologie & cultuurhistorie, landschappelijke kwaliteit en stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit.
De essentie van het Europese beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De gemeente moet bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan of een Bopa rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
In het Bkl (artikel 5.130 Bkl) zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd. Deze beginselen richten zich op de omvang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat aan de orde is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het initiatief/in het plan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
In de Archeologische beleidsnota uit 2008 heeft de gemeente 's-Hertogenbosch uitgewerkt hoe de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen planologisch worden beschermd. Tevens is erin aangegeven welke vrijstellingsgrenzen er worden gehanteerd voor de verschillende archeologische eenheden en hoe de gemeente omgaat met de beoordeling van archeologische onderzoeksrapporten. Tot slot wordt een voorzet gegeven voor het aanwijzen van gemeentelijke archeologische monumenten. Als vervolg hierop zijn in 2022 15 nieuwe gemeentelijke archeologische monumentterreinen, in zowel de binnenstad als het buitengebied aangewezen. Momenteel wordt gewerkt aan actualisatie van de Archeologische beleidsnota.
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
Doorwerking plangebied
In het plangebied vinden geen significante graafwerkzaamheden of bouwactiviteiten plaats, waardoor archeologische waarden en cultuurhistorisch erfgoed niet worden aangetast. Er is geen sprake van verplaatsing of verstoring van monumenten, stads- en dorpsgezichten, of beschermde cultuurlandschappen. Het plan respecteert daarmee de uitgangspunten van de Erfgoedwet, het Bkl (artikel 5.130) en het gemeentelijke archeologiebeleid van 's-Hertogenbosch, inclusief de actuele archeologische beleidskaart en verwachtingszones. Nader archeologisch onderzoek is in het kader van dit plan niet noodzakelijk.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd.
Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.
Als gemeente 's-Hertogenbosch hebben we ons beleid rondom het beschermen van landschappelijke waarden in diverse beleidsdocumenten verankerd. Het beleid gericht op het beschermen van cultuurhistorische- en archeologische waarden maakt hier onderdeel vanuit (zie voorgaande deelparagraaf 'Archeologie & cultuurhistorie'). Daarnaast betreft het beleid rondom het beschermen van groene- en blauwe waarden. Het beschermen van de ecologische waarden komt in paragraaf 5.14 aan de orde.
Gericht op de bescherming van de groenwaarden heeft de gemeente 's-Hertogenbosch het Bomenbeleidsplan en de Verordening Bomen, water, groen opgesteld. Hierin is o.a. verankerd dat bij ontwikkelingen zoveel mogelijk bomen en groen behouden, verplant/herplant en gecompenseerd worden. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan. In de Verordening bomen, water en groen is aangegeven welke houtopstanden als waardevol zijn aangewezen. Ook is in deze verordening opgenomen dat bij een verhardingstoename van meer dan 500 m2 een bepaald percentage groen gerealiseerd dient te worden. Het te realiseren percentage is afhankelijk van het gebiedstype waarin de ontwikkeling/het plan gelegen is. Verschillende typen groen worden anders gewogen. Er is een scoresysteem ontwikkeld om te beoordelen of aan de norm wordt voldaan. Naast een kwantitatieve groennorm, moet bij een verhardingtoename van meer dan 500m2 ook voldaan worden aan de kwalitatieve biodiversiteitsscore. Er is een puntensysteem waarbij tot 13 punten gehaald kunnen worden. Bij een nieuwe ontwikkeling ligt het minimumvereiste op 8 punten.
Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen.
De inventarisatie bestaat minimaal uit:
Hieruit blijkt welke bomen waardevol en te behouden zijn. Deze bomeninventarisatie komt terug in het ontwerp waardoor te zien is welk effect het plan op het bestaande groen heeft. De bomendeskundige gebruikt de bomeninventarisatie vervolgens als basis om eisen te stellen aan inpassing en bescherming. Op deze manier kan worden geborgd dat er voldoende bomen behouden blijven.
In 2024 is het document met de Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig vastgesteld. Het hoofddoel van de Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig is om de actuele opgaven op het gebied van water, groen, ecologie en klimaatadaptatie integraal en gebiedsgericht in beeld te brengen en om bouwstenen aan te reiken om hier invulling aan te geven. De hoofdambitie is het ontwikkelen van een gezonde, groene, natuur- en waterrijke gemeente. Dit betekent:
In de gebiedspaspoorten worden per deelgebied opgaven, kansen en knelpunten benoemd en prioriteiten aangegeven. Er worden ruimtelijke bouwstenen aangereikt met beelden, die een realistische inpassing van de actuele water- en groenopgaven binnen de gemeente mogelijk en zichtbaar maken. Er worden 6 stedelijke en 5 landschappelijke zones onderscheiden. Voor iedere zone wordt uitgewerkt hoe tegemoetgekomen kan worden aan de 6 hoofdopgaven:
Doorwerking plangebied
Het TAM-omgevingsplan versterkt de landschappelijke kwaliteit van het plangebied doordat de functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer', leidt tot het vervallen van bebouwing en daarmee tot een afname van de druk op het landschap. Bestaande groen- en cultuurhistorische waarden blijven behouden. Nieuwe verharding blijft beperkt tot een klein deel voor parkeerplaatsen, waardoor de impact op bomen en groen minimaal is. Bij het planproces worden geen bomen gekapt. Het plan sluit hiermee aan bij het gemeentelijke Bomenbeleidsplan, de Verordening Bomen, Water en Groen en het bredere landschapsbeleid van 's-Hertogenbosch. Daarnaast ondersteunt het plan de doelen uit de Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig door het sponsprincipe te versterken, bij te dragen aan een robuust netwerk van groenblauwe structuren en de biodiversiteit te vergroten. De aanleg van parkeerplaatsen heeft slechts een minimale impact op water- en groenopgaven, waardoor het plan bijdraagt aan een gezonde, groene, natuur- en waterrijke omgeving.
Stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit heeft met verschillende aspecten te maken. Belangrijk onderdeel daarvan is het zorgvuldig omgaan met de ruimte. Daarnaast maakt ook het zorgvuldig omgaan met cultuurhistorische, archeologische, groene, blauwe en ecologische waarden er onderdeel vanuit. Zie hiervoor de voorgaande subparagrafen en paragraaf 5.14.
Zorgvuldig ruimtegebruik
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen regelt het Bkl dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder Duurzame verstedelijking is vereist (artikel 5.129g Bkl). Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 8.0b Bkl). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Hierbij is van belang om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.
Doorwerking plangebied
Het TAM-omgevingsplan betreft een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) en betreft daarmee geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er vindt geen uitbreiding van het bebouwd gebied plaats en de ontwikkeling ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Hierdoor is toepassing van de Ladder Duurzame Verstedelijking niet relevant. Het plan draagt bij aan zorgvuldig ruimtegebruik door de druk op de ruimte en op cultuurhistorische, groene, blauwe en ecologische waarden te verminderen, en sluit aan bij de principes van een evenwichtige toedeling van functies zoals bedoeld in artikel 5.129g Bkl.
Het TAM-omgevingsplan draagt bij aan behoud en versterking van landschappelijke, groen- en archeologische waarden, ondersteunt de biodiversiteit en water- en groenopgaven, en voldoet aan de uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik. Nieuwe stedelijke ontwikkeling vindt niet plaats, waardoor de Ladder Duurzame Verstedelijking niet van toepassing is.
Dit thema uit het Bkl is vooral gericht op het beschermen van mogelijke toekomstige tracés voor (auto/spoor/vaar/landelijke fiets)wegen, buisleidingen, militaire voorzieningen, elektriciteitsvoorzieningen, hoogspanningsverbindingen en telefonienetwerken.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect 'behoud van ruimte voor toekomstige functies en huidige staat van werken'.
De regels in afdeling 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl zijn bedoeld om de fysieke leefomgeving zodanig te beheren dat er voldoende ruimte blijft voor toekomstige functies en dat bestaande werken en infrastructuur behouden en beschermd blijven.
De regels van afdeling 5.1.6 Bkl zorgen ervoor dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen of uitbreidingen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het vrijhouden van gebieden voor toekomstige infrastructuur, energievoorzieningen, waterbeheer of andere maatschappelijke functies. Het doel is dat toekomstige ontwikkelingen niet worden belemmerd door huidige bestemmingen of bebouwing.
De regels van afdeling 5.1.7 Bkl richten zich op het beschermen van bestaande bouwwerken, infrastructuur en voorzieningen. Dit betekent dat bestaande werken in hun huidige staat behouden moeten blijven, waarbij nieuwe ontwikkelingen geen onaanvaardbare effecten mogen hebben op de functionaliteit, veiligheid of toegankelijkheid van deze werken.
Het beleid waarborgt daarmee dat zowel de huidige als toekomstige functies veilig, bereikbaar en uitvoerbaar blijven, en dat nieuwe ontwikkelingen de ruimte en functionaliteit van bestaande werken niet beperken.
Doorwerking plangebied
Omdat het TAM-omgevingsplan gericht is op het wegnemen van de functies 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' en geen bouwmogelijkheden mogelijk maakt, is er geen sprake van het vormen van een belemmering voor eventuele toekomstige ontwikkelingen zoals genoemd in afdeling 5.1.6 en afdeling 5.1.7 van het Bkl. Daarbij komt dat er in rijks- of provinciaal beleid dergelijke ontwikkelingen op deze locatie of in de directe omgeving daarvan, niet voorzien zijn. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan.
Het aspect behoud van ruimte voor toekomstige functies en de huidige staat van werken vormt geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan.
In het Bkl is opgenomen dat voor zover een wijzigingsbesluit omgevingsplan of een Bopa voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, er rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect toegankelijkheid van openbare (buiten)ruimte.
Als gemeente 's-Hertogenbosch maakt het werken aan 'inclusieve mobiliteit' onderdeel uit van ons Actieplan Duurzame Mobiliteit. Onze ambitie is: “Iedereen in de gemeente heeft toegang tot mobiliteit en voor iedereen is duurzame mobiliteit haalbaar en betaalbaar.” Het is belangrijk dat bij alle initiatieven hier aandacht aan wordt besteed, bijvoorbeeld via de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
Doorwerking plangebied
De locatie is goed bereikbaar te voet, per fiets, met de boot en met de auto. Daarnaast zijn de bestaande voetpaden en toegangswegen zo ingericht dat deze voldoen aan de geldende richtlijnen voor toegankelijkheid.
Het TAM-omgevingsplan vormt geen belemmering voor de toegankelijkheid van de openbare ruimte. De locatie is bereikbaar via meerdere vervoerswijzen en de bestaande infrastructuur voldoet aan de geldende richtlijnen voor inclusieve mobiliteit, waardoor het plan aansluit bij het gemeentelijke Actieplan Duurzame Mobiliteit.
De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen (mobiliteit en parkeren, aandeslagmetdeomgevingswet.nl). De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.
Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan
Aandachtspunten
Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2021 Auto en Fiets. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden.
Bij het toelaten van initiatieven moet via een op te stellen parkeerbalans inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect verkeer en parkeren.
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn
Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan.
Bij het toelaten van initiatieven moet via een op te stellen parkeerbalans inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.
Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2021 Auto en Fiets. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden.
Doorwerking planlocatie
Met de functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) vermindert het aantal verkeersbewegingen per etmaal op de planlocatie.
Het aantal aan- en afrijbewegingen van voertuigen naar de planlocatie zal naar verwachting nooit meer zijn dan de voormalige situatie van zes woningen en een garagebedrijf.
Het TAM-omgevingsplan voorziet uitsluitend in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Hiermee vervalt de woonfunctie en vermindert het aantal verkeersbewegingen per etmaal op de planlocatie. Het aspect verkeer en parkeren vormt derhalve geen belemmering. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de natuur zijn in de Omgevingswet diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijke ontwikkeling die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen doorgang vinden, indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan de ontwikkeling alleen mogelijk worden gemaakt, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland.
Doorwerking plangebied:
Het TAM-omgevingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een klein deel bestemd voor parkeerplaatsen. Deze wijziging betekent een duidelijke verschuiving van intensief gebruik naar een inrichting die gericht is op het versterken van natuurwaarden en biodiversiteit. Door het verwijderen van bebouwing ontstaat er meer ruimte voor natuurlijke processen, vegetatieontwikkeling en leefgebied voor flora en fauna.
Deze ontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen van de Omgevingswet, waarin regels zijn opgenomen voor:
Hoewel het plangebied zelf niet binnen een Natura 2000-gebied ligt, geldt het principe van externe werking. Dit houdt in dat ook activiteiten buiten deze gebieden getoetst moeten worden op mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten en habitats. Gezien de aard van de functiewijziging – van bebouwing naar natuur – is het aannemelijk dat er geen significante negatieve effecten optreden. Integendeel, het plan draagt bij aan het verbeteren van de ecologische kwaliteit.
Daarnaast sluit het plan aan bij het provinciale beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Door de inrichting als natuurgebied wordt de samenhang tussen bestaande natuurgebieden versterkt, wat bijdraagt aan de robuustheid van het netwerk en de migratiemogelijkheden voor soorten.
Ook op het vlak van soortenbescherming is de ontwikkeling positief. De kans op verstoring van beschermde soorten neemt af door het wegvallen van woonfunctie en intensieve menselijke activiteit. Eventuele maatregelen ter bescherming van aanwezige soorten kunnen eenvoudig worden geïntegreerd in het ontwerp en beheer van het natuurgebied.
Met de functiewijziging naar natuur draagt het TAM-omgevingsplan bij aan behoud en versterking van de natuur en biodiversiteit.
Kunstmatige verlichting kan hinder geven en negatieve effecten hebben voor de mens en de natuur. Hinder bij mensen ontstaat bijvoorbeeld wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Negatieve effecten voor de natuur bestaan bijvoorbeeld uit beïnvloeding van het gedrag van dieren door kunstmatige verlichting. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect lichthinder.
Omdat het TAM-omgevingsplan gericht is op een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) is er geen sprake van een eventueel effect in de vorm van lichthinder. Er worden ook geen lichtgevoelige functies mogelijk gemaakt. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan.
Er is geen sprake van lichthinder. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Met de aanwezigheid van kabels en leidingen moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect kabels en leidingen.
Het plangebied wordt doorkruist door bovengrondse hoogspanningslijnen van 150 kV (zie figuur 5.4).
Afbeelding 5.4 Hoogspanningslijnen in plangebied (bron: Atlas Leefomgeving, 2025)
Uit internationaal onderzoek blijkt dat er in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen een geringe verhoging van het aantal gevallen van leukemie voorkomt. Eerst leek het alleen om kinderen te gaan. In 2022 stelde de Gezondheidsraad vast dat dit ook voor volwassenen geldt. De Gezondheidsraad concludeert dat er aanwijzingen zijn voor een oorzakelijk verband tussen magneetvelden en leukemie. Er is echter onvoldoende wetenschappelijk bewijs om te spreken over een waarschijnlijk of bewezen oorzakelijk verband. Het is dus niet zeker dat magneetvelden de oorzaak zijn van de verhoging van het aantal gevallen van leukemie nabij bovengrondse hoogspanningslijnen. De verhoging kan ook andere oorzaken hebben (die onbekend zijn) of toeval zijn. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 microtesla. Nederland overschrijdt deze norm op maaiveldniveau nergens. In aanvulling op de internationale norm heeft Nederland een voorzorgbeleid. Daarover gold sinds 2005 een advies van het Rijk. Dit advies hield in om zoveel mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen een magneetveldzone. Een magneetveldzone is een gebied waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger kan zijn dan 0,4 microtesla. Bestemmingen in de magneetveldzone waarin mensen langdurig kunnen verblijven Herijkt voorzorgbeleid en nieuw beleidsadvies Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. De ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties hebben hierover een beleidsadvies (Herijkt voorzorgbeleid) aan het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening (gemeenten, provincies en het Rijk) en de netbeheerders gestuurd. Deze brief vervangt de eerder door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu verzonden brieven over het voorzorgbeleid magneetvelden bij bovengrondse hoogspanningslijnen van 2005 (kenmerk: AS/2005183118) en 2008 (kenmerk: DGM/20081058664). Inhoud voorzorgbeleid en advies Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg. De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Herijkt voorzorgbeleid vanuit het Rijk en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor deze ruimtelijke ontwikkeling houdt het in dat (verder uitwerken / beschrijven).
Met het TAM-omgevingsplan verdwijnen gevoelige functies in de magneetveldzone van de hoogspanningslijnen. Hiermee wordt het voorzorgbeleid gevolgd.
Met het TAM-omgevingsplan verdwijnen gevoelige functies in de magneetveldzone van de hoogspanningslijnen. Hiermee wordt het voorzorgbeleid gevolgd en voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties. Er worden ook geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt met dit planvoornemen. Het aspect 'hoogspanningslijnen' en voorzorgsbeleid is hier niet relevant te noemen.
Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Het doel is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. Het gaat hier dan ook met name over besluitvorming voor plannen of projecten die duidelijk een milieueffect hebben.
In deze paragraaf wordt uiteengezet of het plan project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is.
Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa / wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.
Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.).
Een stedelijk ontwikkelingsproject staat in bijlage V van het Omgevingsbesluit vermeld onder de categorie Infrastructuur en ruimte (J11). Een mer-beoordeling is verplicht voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningen, winkelcentra en parkeerterreinen. Ook kleinschalige detailhandel en horeca kunnen onderdeel zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het altijd om een fysieke uitbreiding van het te bebouwen oppervlak en aantal wooneenheden.
Als een project voorziet in een functiewijziging, maar het bebouwde oppervlak blijft hetzelfde, wordt dit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doorgaans niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject vanwege de beperkte milieugevolgen. Met dit TAM-omgevingsplan neemt het bebouwde oppervlak zelfs af; er is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een milieueffectrapportage is hier niet aan de orde.
Onderdeel van de motivering van een TAM-IMRO-plan, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Of een te nemen besluit m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Gelet op de aard, omvang en ligging van de voorgenomen ontwikkeling van het wegbestemmen van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning', is het opstellen van een milieueffectrapport gekoppeld aan het TAM-omgevingsplan niet aan de orde. De voorgenomen wijziging heeft namelijk geen nadelige gevolgen voor het milieu. Ook op het gebied van duurzaamheid en gezonde leefomgeving is er geen sprake van nadelige gevolgen. Het TAM-omgevingsplan leidt hiertoe juist tot een theoretische verbetering: het plaatsen van gebouwen wordt voor de toekomst onmogelijk gemaakt en er wordt ruimte gecreëerd voor natuur en toegang tot deze natuur (recreatie).
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 sub a). De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Bij het beschermen van de gezondheid zijn de effecten van een initiatief op de diverse milieuaspecten van groot belang.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het werken aan een gezonde leefomgeving.
De gemeente draagt met het Programma Samen gezond bij aan een 'gezonde stad' aan het werken aan een gezonde leefomgeving. Een gezonde leefomgeving draagt bij aan zowel het beschermen, als ook aan het bevorderen van de gezondheid. Het beschermen van de gezondheid vindt plaats via het zorgvuldig omgaan met de milieuaspecten: veiligheid, geluidshinder, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, geur, straling en trillingen;
Met dit TAM-omgevingsplan wordt de gezondheid van inwoners bevorderd via het zorgdragen voor een fraaie, groene omgeving die beweging en ontmoeting stimuleert.
Het plan bevordert de gezondheid via het zorgdragen voor een fraaie en groene omgeving.
De ambitie van de gemeente 's-Hertogenbosch is om in 2050 een gezonde, groene, klimaatbestendige, CO2-neutrale gemeente te zijn, waar sprake is van het behoud van waarde van grondstoffen en van duurzame mobiliteit.
In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het werken aan een duurzame leefomgeving.
Op 2 juli 2019 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Visie Duurzaam 's-Hertogenbosch vastgesteld die de koers zet richting een duurzame gemeente in 2050. De visie telt vier ambities: een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving; een CO2- neutrale gemeente; maximale inzet op waarde behoud van grondstoffen; een duurzame mobiliteit.
Met dit TAM-omgevingsplan wordt de gezondheid van inwoners bevorderd via het zorgdragen voor een fraaie, groene omgeving die beweging en ontmoeting stimuleert.
Het TAM-omgevingsplan draagt bij aan een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving en bevordert hiermee een duurzame leefomgeving.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke toegestane functionele mogelijkheden.
Het TAM-omgevingsplan is opgebouwd uit:
Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit:
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan voor de gemeente 's-Hertogenbosch. Hiervoor is gekozen omdat het wegnemen van een bestemming niet mogelijk is via een Bopa-procedure (buitenplanse omgevingsplan activiteit). Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22b van het omgevingsplan.
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente 's-Hertogenbosch. Dit betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op het plangebied van het TAM-omgevingsplan voor de locatie Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b aan Dijklint Orthen. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor de in het TAM-omgevingsplan beoogde wijziging.
De regels zijn opgenomen in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. Artikel 1 omvat het toepassingsbereik. Dit is specifiek opgesteld voor het TAM-omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente 's-Hertogenbosch. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige 'ontwikkeling' aan Dijklint Orthen (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet of nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002003 op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
In artikel 2 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 3 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten.
Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. In de bouw- en gebruiksregels zijn de toegestane functies en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. Deze zijn op alfabetische volgorde benoemd.
Deze regels worden in paragraaf 6.4 nader uitgewerkt. In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere toegestane functies gelden. Het betreffen onder andere de afwijkingsregels en de algemeen geldende aanduiding regels.
De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één functie gericht.
In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.
Artikel 5 Geluidzone - industrie
De voor 'Geluidzone - industrie' aangewezen gronden zijn bedoeld voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein De Rietvelden - Het Ertveld op geluidsgevoelige objecten. Een op grond van de andere aangewezen bestemmingen toelaatbaar gebouw, of de uitbreiding daarvan, welk aangemerkt kan worden als een geluidsgevoelig object, mag slechts worden gebouwd indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein De Rietvelden - Het Ertveld op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.
Artikel 6 Leiding - Hoogspanningsverbinding
De voor 'Leiding - Hoogspanningsleiding' aangewezen gronden zijn bedoeld voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van bovengrondse hoofdtransportleidingen. Bij werken of werkzaamheden die de veiligheid kunnen schaden of de continuïteit van de energievoorziening in gevaar kunnen brengen is een omgevingsvergunning noodzakelijk, als er geen sprake is van normaal beheer en onderhoud.
Artikel 7 Natuur
De voor 'Natuur' aangewezen gronden kunnen primair gebruikt worden voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur/landschapselementen/bos. Binnen deze functie is tevens een aanduiding opgenomen voor de realisatie van een faunatoren. Ook verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen maken deel uit van deze functie.
Artikel 8 Verkeer
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn primair bedoeld voor voorzieningen van verkeer en verblijf. Wegen, fiets- en voetpaden, parkeer- en groenvoorzieningen ten behoeve van de functie zijn binnen deze functie toegestaan.
Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan (zijnde een wijziging van het omgevingsplan) moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd.
Participatie met burgers, maatschappelijke organisaties, bestuursorganen en ketenpartners
Met het oog op een zorgvuldige en evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een omgevingsdialoog georganiseerd. Omwonenden zijn per brief geïnformeerd over de plannen en uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst. Tijdens deze avond zijn de plannen toegelicht aan de hand van kaarten en visualisaties. De opkomst bestond uit zeven bewoners, die overwegend positief reageerden. De meeste opmerkingen hadden betrekking op de inrichting van het gebied en de planning. Concrete aandachtspunten zoals de wens voor bankjes, de mogelijke herplaatsing van een faunatoren en een eventuele vernummering van de dijk zijn genoteerd en worden nader onderzocht.
De voorgestelde aanpassing van het omgevingsplan draagt bij aan het voorkomen van toekomstige bebouwing onder hoogspanningsleidingen en sluit aan bij het rijksbeleid. Hiermee wordt niet alleen invulling gegeven aan een veilige en gezonde leefomgeving, maar ook aan een ruimtelijke inrichting die recht doet aan de belangen van de omgeving. Op basis van de gevoerde dialoog en de inhoudelijke afwegingen wordt geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanpassing sluit aan bij het rijksbeleid, voorkomt toekomstige gezondheidsrisico’s en biedt ruimte voor een kwalitatieve verbetering van de leefomgeving.
In het kader van het vooroverleg zijn de Provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas geïnformeerd over het initiatief. De provincie heeft ingestemd met het terugbrengen van de oorspronkelijke situatie van vóór 1860, toen de spoorlijn werd aangelegd, op deze locatie. Het waterschap Aa en Maas heeft verzocht om de beschermingszones van de dijk, in verband met waterveiligheid, in te tekenen conform de Waterschapsverordening. Daarnaast is verzocht de aanplanting weer te geven en een doorsnede van de dijk in de nieuwe situatie toe te voegen. Deze punten zijn verwerkt in het TAM-omgevingsplan en inmiddels aangeleverd.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt voor een ieder ter inzage gelegd.
Met dit TAM-omgevingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er zijn dan ook geen andere kosten dan de gebruikelijke plan- en procedurekosten.
Het TAM-omgevingsplan is gericht op het wegnemen van de mogelijkheid tot 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' aan de locatie Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b. Met dit plan wordt beoogd om gevoelige functies onder en nabij de 380 kV hoogspanningsleiding te verwijderen en te vervangen door de functie ‘Natuur’ met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) . Hiermee wordt een veilige, gezonde en ecologisch versterkte leefomgeving gerealiseerd, in lijn met geldende richtlijnen en beleidsdoelstellingen.
Deze motivering toont aan dat de juridisch-planologische wijziging waarop dit TAM-omgevingsplan gericht is, leidt tot een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het TAM-omgevingsplan leidt tot een theoretische verbetering: de functies 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' worden voor de toekomst onmogelijk gemaakt.