direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vergroening Dijklint Orthen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002003-1401

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op de functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) op de locaties Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b te 's-Hertogenbosch en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. 

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22b' gelezen worden.

De geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002003- 1401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het tweede lid; 
  • 2. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locaties Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b te 's-Hertogenbosch, kadastraal bekend als
    • a. HTG00O 6094,
    • b. HTG00O 3195,
    • c. HTG00O 8747,
    • d. HTG00O 8748,
    • e. HTG00O 8746,
    • f. HTG00O 8745,
    • g. HTG00O 3197,
    • h. HTG00O 191,
    • i. HTG00O 6096,
    • j. HTG00O 190,
    • k. HTG00O 5198,
    • l. HTG00O 6097,
    • m. HTG00O 189,
    • n. HTG00O 6098,
    • o. HTG00O 3198,
    • p. HTG00O 6099,

waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0796.TAMIMRO0002003-1401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

3.1 plan

het Omgevingsplan gemeente 's-Hertogenbosch.

3.2 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vergroening Dijklint Orthen van de gemeente 's Hertogenbosch;

3.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

3.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

3.5 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

3.6 bebouwingspercentage

een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak, bestemmingsvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden;

3.7 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

3.8 bedrijfswoning

een woning die een functionele binding heeft met het bedrijf, de instelling of de inrichting, ten behoeve van beheer en/of toezicht op het bedrijf, de instelling of de inrichting;

3.9 bestemmingsgrens

een grens van een bouwperceel;

3.10 bouwen

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

3.11 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

3.12 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

3.13 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

3.14 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

3.15 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

3.16 ecologische hoofdstructuur

samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden;

3.17 ecologische waarden en kenmerken

aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde;

3.18 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

3.19 geluidsgevoelige objecten

gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen;

3.20 geluidzone

een in het omgevingsplan vastgelegd gebied rond een industrieterrein waarbuiten de geluidsbelasting ten gevolge van dat industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A);

3.21 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de functieomschrijving is of wordt ondergebracht;

3.22 hydrologische waarde:

gronden met een betekenis binnen het watersysteem van het plangebied als infiltratiegebied, intermediair gebied en/of kwelgebied.

3.23 hogere grenswaarde

een bij een omgevingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidgevoelige objecten, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld;

3.24 kernkwaliteiten

landschappelijke, aardkundige, cultuurhistorische of natuurlijke waarden en kenmerken van een nationaal landschap;

3.25 kleinschalige bebouwing of voorziening

bebouwing, al dan niet ten behoeve van een voorziening, met een gezamenlijke omvang van ten hoogste 90 m2

3.26 landschappelijke waarden en kenmerken

gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten;

3.27 natuurbeheerplan

door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan op grond van hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant en hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant;

3.28 ruimtelijke kwaliteit

kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde;

3.29 stedelijke ontwikkeling

nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies;

3.30 voorerfgebied

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

3.31 voorgevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen;

3.32 voorgevelrooilijn
  • a. langs een wegzijde met een regelmatige ligging of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
  • b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a. bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn op 10 meter uit de as van de weg;
3.33 voorkeursgrenswaarde

de bij het omgevingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten;

3.34 vormverandering van een bouwvlak

wijziging van de begrenzing van een bouw- en bestemmingsvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte;

3.35 watergebonden voorzieningen

voorzieningen die ruimtelijk en functioneel gebonden zijn aan water zoals (kunst)werken ten behoeve van waterstaatkundige en waterhuishoudkundige doeleinden en voorzieningen die onlosmakelijk met de beroepsvaart, waterrecreatie en watersport zijn verbonden, uitgezonderd woonfuncties en watergebonden bedrijvigheid;

3.36 wijkspeelplaats

speel- en ontmoetingsvoorzieningen voor alle leeftijden (jonge kinderen, schoolkinderen, jongeren en volwassenen).

3.37 woning

Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal twee personen. Een woning heeft een eigen toegang en de bewoner(s) kan/kunnen deze bewonen, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woning.

3.38 zijgevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen;

Artikel 4 Wijze van meten

de meet- en rekenbepalingen uit de overige hoofdstukken van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.9.

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

4.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

4.3 de hoogte van een dakopbouw:

vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw.

4.4 de hoogte van een kap:

vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap.

4.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.7 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.

4.8 ondergeschikte bouwonderdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer bedraagt dan 1 meter.

4.9 peil:
  • a. voor een hoofdgebouw met aangebouwde bijgebouwen: de hoogte van de kruin van de aan het bouw perceel grenzende weg;
  • b. voor andere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Geluidzone - industrie

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Geluidzone - industrie.

5.2 Functieomschrijving

De voor Geluidzone - industrie aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein De Rietvelden - Het Ertveld op geluidsgevoelige objecten.

Tot een gebruik, strijdig met de gebiedsaanduiding Geluidzone - industrie wordt in ieder geval gerekend het gebruik van niet-geluidsgevoelige objecten als geluidsgevoelig object.

5.3 Ruimtelijke regels

In afwijking van het bepaalde bij de andere voor die gronden aangewezen functies geldt ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie', de volgende regel:

een op grond van de andere aangewezen functies toelaatbaar gebouw, of de uitbreiding daarvan, welk aangemerkt kan worden als een geluidsgevoelig object, mag slechts worden gebouwd indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein De Rietvelden - Het Ertveld op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

Artikel 6 Leiding - Hoogspanningsverbinding

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Leiding - Hoogspanningsverbinding.

6.2 Functieomschrijving

De voor Leiding - Hoogspanningsverbinding aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van bovengrondse hoofdtransportleidingen, met een strook van 20 meter ter weerszijden van de aangeduide leiding;

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende functie en de daarop betrekking hebbende regels. Burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van het hiervoor bepaalde indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

6.3 Ruimtelijke regels

Binnen de functie Leiding - Hoogspanningsverbinding mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals

hoogspanningsmasten, ten behoeve van deze functie worden gebouwd. Voor de gebouwen geldt dat de maximale hoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen.

6.4 Ontheffing van de ruimtelijke regels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de bovengrondse hoofdtransportleiding, ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 6.3 en toestaan dat de in de basisfunctie genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder/directeur van het energiebedrijf.

6.5 Omgevingsvergunning aanlegactiviteit
  • a. Het is verboden op de tot Leiding - Hoogspanningsverbinding bestemde grond, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren, die de veiligheid kunnen schaden of de continuïteit van de energievoorziening in gevaar kunnen brengen:
  • 1. het aanbrengen van hoogopgaande beplanting of bomen;
  • 2. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 meter;
  • 3. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;
  • 4. het ophogen en egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld -en weghoogte;
  • b. Het onder 6.5 onder a vervatte verbod geldt niet voor de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:
  • 1. welke betreffen het normale onderhoud en beheer van de hoogspanningsverbinding;
  • 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn.
  • c. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder 6.5 onder a zijn slechts toelaatbaar indien door die werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de hoogspanningsverbinding en/of energievoorziening ontstaat of kan ontstaan.
  • d. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld onder 6.5 onder a wordt het advies ingewonnen van de leidingbeheerder/directeur van het energiebedrijf.

Artikel 7 Natuur

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Natuur.

7.2 Functieomschrijving

Een als Natuur aangewezen locatie kan gebruikt worden voor de volgende functies:

  • a. Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur / landschapselementen / bos en de bijbehorende groeiplaats;
  • b. Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de houtteelt/houtproductie;
  • c. Verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • d. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. Extensief recreatief medegebruik;
  • f. ter plaatse van de functieaanduiding 'Specifieke vorm van natuur - faunatoren', een faunatoren, met inachtneming van het gestelde in artikel 7.3.3 onder a.

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende functie en de daarop betrekking hebbende regels.

7.3 Ruimtelijke regels over bouwwerken
7.3.1 Algemeen

Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie Natuur uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken ten behoeve van de functie als bedoeld in lid 7.2;
  • b. in of op deze gronden mag niet ondergronds worden gebouwd.

7.3.2 Gebouwen

Binnen gebieden aangeduid met de functie Natuur mogen alleen gebouwen gebouwd worden ten dienste van deze functie, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • 1. de bouwhoogte mag ten hoogste 3 meter bedragen;
  • 2. de oppervlakte van een gebouw mag ten hoogste 30 m2 bedragen.

7.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen gebieden aangeduid met de functie Natuur mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde gebouwd worden ten dienste van deze functie, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. ter plaatse van de functieaanduiding 'Specifieke vorm van natuur - faunatoren', een faunatoren met een maximale bouwhoogte van 7 meter en een maximale oppervlakte van 21m2;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen;
7.4 Omgevingsvergunning aanlegactiviteit
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
    • 1. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,40 meter wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van een steilrand worden gewijzigd
    • 2. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,40 meter onder maaiveld;
    • 3. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
    • 4. het verlagen van de waterstand anders dan door sloten/greppels of drainage met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
    • 5. het vellen of rooien van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;
    • 6. het verwijderen van natuur- en landschapselementen, die aanwezig waren ten tijde van het van kracht worden van het plan;
    • 7. het verwijderen van perceelsindelingen, paden en onverharde wegen;
  • b. Het verbod onder a geldt niet voor de werken of werkzaamheden:
    • 1. die het normale onderhoud of gebruik betreffen;
    • 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn;
    • 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning.
  • c. De werken en werkzaamheden onder a zijn slechts toelaatbaar als door die werken en werkzaamheden of de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan behoud, herstel en de duurzaam ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken.
  • d. Voor een beslissing over een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij een terzake deskundig adviseur/waterschap.

Artikel 8 Verkeer

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer.

8.2 Functieomschrijving

Een voor Verkeer aangewezen locatie kan gebruikt worden voor de volgende functies:

  • a. parkeervoorzieningen;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. wegverkeer;
  • d. verblijfsgebied;
  • e. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, abri's, telefooncellen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water(gangen), waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke.

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende functie en de daarop betrekking hebbende regels.

8.3 Ruimtelijke regels over bouwwerken
8.3.1 Gebouwen

Binnen gebieden aangeduid met de functie Verkeer mogen gebouwen ten dienste van deze functie worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte mag ten hoogste 3 meter bedragen;
  • b. de oppervlakte van een gebouw mag ten hoogste 30m² bedragen.

8.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen gebieden aangeduid met de functie Verkeer mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze functie worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5 meter bedragen;
  • b. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mogen maximaal 10 meter hoog zijn;
8.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. de waterhuishoudkundige situatie.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Voldoende parkeergelegenheid

Er dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid en in een goede instandhouding daarvan. Aan de hand van de Nota Parkeernormering 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, met dien verstande dat indien voornoemende beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

10.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functieaanduidingsgrenzen niet meer dan 2 meter bedraagt.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

Met een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, worden afgeweken van:

  • a. vermeerdering dan wel vermindering van de voorgeschreven maten en normen, mits de vermeerdering of vermindering ten hoogste 10% bedraagt;
  • b. plaats en richting van bouwgrenzen en functiegrenzen als dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waarin een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt;
  • c. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of van kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling, tot een bouwhoogte van 10 meter;
  • d. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter;
  • e. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:
    • 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% bedraagt;
    • 2. de hoogte van de plaatselijke verhogingen niet meer dan 4 meter mag bedragen.