direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kruisstraat 60, Rosmalen
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002525-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het wijzigingsplan "Kruisstraat 60, Rosmalen" van de gemeente 's-Hertogenbosch.

1.1 Aanleiding en doel

Op de locatie aan de Kruisstraat 60 is thans een agrarisch perceel gesitueerd, met hierop aanwezig: één bedrijfswoning (in boerderijgebouw) en drie vrijstaande bijgebouwen. De boerderij aan de Kruisstraat 60 is een typische wederopbouwboerderij naar een ontwerp van 'Bureau wederopbouw boerderijen' uit 1948. De boerderij bezit vanwege zijn verschijningsvorm, situering en oorspronkelijke karakter bouw- en cultuurhistorische waarden en is beschermd als zijnde een gemeentelijk monument.

De initiatiefnemer is voornemens om de boerderij te splitsen in twee burgerwoningen. Het behoud van deze boerderij middels voorliggend initiatief is zeer belangrijk, omdat de boerderij samen met andere boerderijen gelegen in het gebied ten oosten van Rosmalen; Kruisstraat, Sprokkelboschstraat, Hondsberg en Bruggen het tastbare en herkenbare cultureel erfgoed vormen van dit landelijk gebied.

In samenhang met de boerdeijsplitsing is de initiatiefnemer voornemens om de bestaande bijgebouwen te slopen en twee nieuwe, bij de woningen behorende, bijgebouwen te realiseren.

Het initiatief kan niet rechtstreeks worden gerealiseerd op basis van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Noord en Kloosterstraat", omdat ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch – Agrarisch Bedrijf' burgerwoningen niet zijn toegestaan. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan, maar het vigerende bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid voor de bestemmingswijziging naar 'Wonen' (artikel 4.5.3). Tevens bevat het geldende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid voor woningsplitsing (artikel 14.7.1.). Van beide wijzigingsbevoegdheden wordt met dit wijzigingsplan gebruik gemaakt.

Voorliggende toelichting bevat de ruimtelijke onderbouwing voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheden.

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

2.1 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002525-1401_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002525-1401_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Rosmalen, sectie I, nummer 355 (gedeeltelijk). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 10.670 m². De gronden zijn particulier in eigendom.

2.2 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Buitengebied Noord en Kloosterstraat", vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 25 juni 2013. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002525-1401_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen 'Agrarisch met waarden' en 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn de gronden onder meer aangewezen voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen; behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, en; aan de hoofdfunctie ondergeschikte paden, wegen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief medegebruik.

Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zijn de gronden onder meer aangewezen voor een agrarisch bedrijf niet zijnde intensieve veehouderijen; maximaal één bedrijfswoning per bouwperceel, en; aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals paden, wegen, parkeervoorzieningen verkeers- en groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Tevens bevat het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Deze dubbelbestemmingen verplichten archeologisch onderzoek bij bodemingrepen van bepaalde omvang. Dit staat nader beschreven in paragraaf 6.12.

Daarnaast bevat het plangebied de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'. Deze aanduiding richt zich op intensieve veehouderijen en vormveranderingen van het bouwvlak. Dit is niet van toepassing voor dit initiatief.

Wijzigingsbevoegdheid

Artikel 4.5.3 van het bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid voor het onder voorwaarden wijzigen van de gronden met de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' in de bestemming 'Wonen'. Dit artikel is hierna overgenomen.

''4.5.3 Wonen

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' voor zover deze niet is gelegen binnen de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" wijzigen in de bestemming 'Wonen', onder de voorwaarden dat:

  • a. de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik niet langer plaatsvindt;
  • b. het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het aantal bestaande bedrijfswoningen;
  • c. bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt, waarbij geldt dat 100 m² als bijgebouw per woning is toegestaan. Indien de bestaande oppervlakte aan bedrijfsgebouwen meer bedraagt dan 100 m² mag:
    • 1. ten hoogste 20% van deze meerdere oppervlakte behouden of vervangen worden tot een maximale gezamenlijke oppervlakte van 250 m² per woning, of
    • 2. de woning per 100 m² te slopen gebouwen met niet meer dan 50 m³ worden vergroot tot een maximum inhoud van 850 m³;
  • d. het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige agrarische bedrijfswoning(en) met bijbehorende bouwwerken, tuinen, erven en verhardingen;
  • e. de vestiging van of de splitsing in meerdere wooneenheden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing;
  • f. de wijziging milieuhygiënisch uitvoerbaar is;
  • g. de gebiedswaarden substantieel worden versterkt conform een ingediend landschapsversterkingsplan, door middel van het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het aanbrengen van beeldkwaliteit en/of het herstellen van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of omgeving en/of de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen.''

Hieronder wordt het plan aan de voorwaarden getoetst.

ad a.   De agrarische bedrijfsvoering is reeds beëindigd en hergebruik is niet langer mogelijk. Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarden.  
ad b.   In tegenstelling tot de voorwaarde onder b. wordt middels dit wijzigingsplan één woning toegevoegd. Voorwaarde e. zal toelichten hoe aan deze voorwaarde wordt voldaan. Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarden.  
ad c.   Onderhavig plangebied beschikt in de huidige situatie over 426 m² aan bijgebouwen. Deze bijgebouwen zullen worden gesloopt. Conform lid 1. mag (326 * 20% = 65 m²) extra terug gebouwd worden. Dit leidt gezamenlijk tot 265 m² aan bijgebouwen (= 132,5 m² per woning). Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarden.  
ad d.   Het bestemmingsvlak wordt middels dit planvoornemen verkleind tot de voormalig agrarische bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken, tuinen, erven en verhardingen. Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarden.  
ad e.   Onderhavig planvoornemen voorziet in de splitsing van de voormalige agrarische bedrijfswoning in twee reguliere woningen. De agrarische bedrijfswoning betreft een gemeentelijk monument. Door middel van de splitsing wordt voorzien op het behoud van deze bebouwing. Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarden.  
ad f.   Onderhavig planvoornemen is milieuhygiënisch uitvoerbaar. Dit aspect wordt nader toegelicht in hoofdstuk 6. Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarden.  
ad g.   Onderhavig wijzigingsplan bevat een landschapsplan, waarbij landschaps- of natuurlijke elementen worden hersteld of aangebracht. Daarnaast voorziet het plan in de sloop van de voormalige agrarische opstallen. Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarden.  

Tevens wordt gebruikt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid onder artikel 14.7.1. van het geldende bestemmingsplan voor het splitsen van de woning. Dit artikel is hierna overgenomen.

14.7.1 Woningspitsing
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in die zin dat de vestiging van of de splitsing in meerdere wooneenheden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mogelijk is, mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing; .

Voor het splitsen van de woning zijn vergunningplichtige werkzaamheden nodig op basis van de status van de bebouwing als monument. Via dit traject is geborgd dat de cultuurhistorische waarden worden beschermd en door het gebruik als woning in de toekomst is gegarandeerd dat de bebouwing wordt behouden.

Conclusie

Samenvattend kan worden gesteld dat aan alle voorwaarden wordt voldaan.

Hoofdstuk 3 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de bestaande toestand van de directe omgeving en plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002525-1401_0004.jpg"

PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING

3.1 Bebouwing en functies

Het perceel Kruisstraat 60 ligt in Kruisstraat-Oost, tussen de buurtschappen Kruisstraat en Heeseind die een historisch dijklint vormen. Het gebied kent een relatief grote en markante verzameling van beeldbepalende panden (oorspronkelijke langgevelboerderijen met bijbehorende schuren en in mindere mate de later toegevoegde burgerwoningen). Deze zijn gelegen op een geomorfologische zeer verklaarbare locatie, namelijk op de overgang van hoog naar lager gelegen gebied. De weg en de daaraan gelegen bebouwing markeren de overgang van het noordelijk gelegen polderlandschap naar het zuidelijk gelegen kampenlandschap.

De lintbebouwing langs de weg kent een aantal doorzichten naar het achterliggende landschap. Aan de bebouwingsstructuur langs Kruisstraat is de historie van het gebied af te lezen (zie paragraaf 6.13). De eerste bebouwing is langs de historische dijk ontstaan. Deze (langgevel)boerderijen zijn evenwijdig op diverse afstanden van de dijk gepositioneerd. Aan de geveloriëntatie van deze historische boerderijen is de voormalige dijk herkenbaar. Deze is namelijk gericht naar de dijk in plaats van naar de Kruisstraat. Met de jaren is de dijk langzamerhand verdwenen en heeft de Kruisstraat de ontsluitingsrol overgenomen. Er heeft hier in de loop der jaren meer bebouwing in de vorm van boerderijen en burgerwoningen langs de weg (Kruisstraat) plaatsgevonden.

Het plangebied is in de huidige situatie ingericht voor agrarische bedrijfsactiviteiten. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn echter beëindigd, aan de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing wordt nu een nieuwe invulling gegeven.

3.2 Ontsluiting

De Kruisstraat heeft, zoals reeds is toegelicht, een ontsluitingsrol voor de kern Rosmalen in de richting van Nuland. Hierdoor is de verkeersintensiteit relatief hoog. In de huidige situatie is het plangebied middels een ontsluiting ontsloten op de Kruisstraat.

3.3 Groen en water

In de huidige situatie is het plangebied effectief ingericht als voormalig agrarisch bedrijf. Hierin kent het plangebied enkel aan de noord- en westkant enkele kleinschalige groenstructuren in de vorm van de aanwezige voortuin en enkele solitaire bomen. De overige gronden kennen een agrarisch gebruik. Hier zijn geen groenstructuren aanwezig. Voorts kent onderhavig plangebied geen oppervlaktewater.

Hoofdstuk 4 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. Onderstaande afbeelding geeft de boogde toestand van het plangebied weer, zie ook bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002525-1401_0005.jpg"

INDICATIEVE INRICHTINGSSCHETS

4.1 Bebouwing en functies

Binnen het plangebied is de agrarische bedrijvigheid reeds beëindigd. Het plangebied zal worden opgesplitst in twee woonpercelen (1) en (2). De grootte van woonperceel 1 is na de splitsing 2.500 m². Het woonperceel 2 omvat 2.450 m². De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt, waardoor de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 265 m² mag bedragen (zie paragraaf 2.2).

Zoals in de inleiding is geïntroduceerd is de boerderij aan de Kruisstraat 60 een typische wederopbouwboerderij. Vanwege zijn verschijningsvorm, situering en oorspronkelijke karakter kent de boerderij bezit bouw- en cultuurhistorische waarden en is beschermd als zijnde een gemeentelijk monument (SOM0162).

Een splitsing van de boerderij in twee wooneenheden is vanuit het bouw- en cultuurhistorisch oogpunt mogelijk, mits de cultuurhistorische waarden behouden blijven.

In het kader van de Monumentenwet dient daarom bij een aanvraag voor de omgevingsvergunning van het (ver)bouwen van de boerderij wel een monumentale toetsing plaats te vinden, waarin o.a. de volgende aandachtspunten getoetst worden:

  • Behoud hoofdstructuur, maat en schaal;
  • Behoud hoofdindeling en herkenbaarheid woon- en stalgedeelte;
  • Kenmerkend materiaalgebruik;
  • Aandacht voor het erf en de erfbebouwing;
  • Behoud aanwezige monumentale waarden.

Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de verbouwing zal daarom een onderbouwing moeten worden aangeleverd waarin bovenstaande aandachtpunten zijn beschreven.

Naast de nieuwe gebouwen en woonfunctie wordt het perceel landschappelijk ingepast. Met de landschappelijk inpassing wordt aangesloten op de bestaande perceelsbeplanting. In paragraaf 4.3 wordt deze landschappelijke inpassing nader beschreven.

4.2 Verkeer en parkeren

4.2.1 Verkeer

De verkeersaantrekkende werking wordt vaak berekend op basis van de digitale publicatie ''ASVV 2012''. De publicatie bevat per functie kengetallen voor de verkeersaantrekkende werking. De verkeersaantrekkende werking van het initiatief wordt globaal berekend op basis van de huidige en nieuwe situatie.

Huidige situatie

In de huidige situatie is er sprake van een agrarische bestemming. De verkeersaantrekkende werking is normaliter te bepalen aan de hand van de bedrijfsvoering. Echter in dit plangebied is er geen sprake van een formele bedrijfsvoering, omdat de agrarische bedrijvigheid reeds beëindigd is. De agrarische bedrijfswoning is enkel als 'reguliere' woning in gebruik. In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet op basis van de ASVV 2012 in de categorieën 'sterk stedelijk' en 'buitengebied'.

Onderdeel   Verkeersgeneratie   Totaal  
Koop, vrijstaand   8,2 per woning / per etmaal   8,2  
Totaal     8,2  

Nieuwe situatie

In de nieuwe situatie is er sprake van een woonfunctie met twee woningen (twee-onder-een-kap). In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet op basis van de ASVV 2012 in de categorieën 'sterk stedelijk' en 'buitengebied'.

Onderdeel   Verkeersgeneratie   Totaal  
Koop, twee-onder-een-kap   7,8 per woning / per etmaal   15,6  
Totaal     15,6   

Op basis van bovenstaande tabel kan worden gesteld dat de extra woning gemiddeld zorgt voor 8 verkeersbewegingen per etmaal.

Conclusie

De verkeersaantrekkende werking van dit initiatief bedraagt gemiddeld 8 verkeersbewegingen per etmaal. De Kruisstraat heeft reeds een hoge verkeersintensiteit. Echter betreft de toevoeging van één woning een marginale toename van het aantal verkeersbewegingen. Dit betekent dat de verkeersafwikkeling van onderhavig plan zonder meer via de Kruisstraat en omliggende wegen kan plaatsvinden.

4.2.2 Ontsluiting

Onderhavig plangebied beschikt in de huidige situatie over één ontsluiting op de Kruisstraat. Middels onderhavig planvoornemen wordt voorzien in één extra ontsluiting. Deze ontsluiting wordt gerealiseerd ten westen van de bestaande langgevelboerderij. Hiermee krijgt de nieuwe woningen een eigen ontsluiting (zie inrichtingsschets). Verkeerskundig vormt het gebruik van deze inrit geen probleem.

4.2.3 Parkeren

Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor goed functioneren van het plangebied en voorkomt overlast voor de omgeving. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft hiertoe de gemeentelijke nota ''Parkeernormen 2016'' vastgesteld. Van toepassing zijn de normen in het buitengebied. In het buitengebied wordt gerekend met een minimale norm van 2,1 parkeerplaatsen per woning (> 150 m²). In de onderstaande tabel is de berekening van de parkeerkencijfers uiteengezet.

Onderdeel   Parkeerkencijfers   Aantal   Totaal  
Woning (> 150 m²)   2,1 per woning   2 woningen   4,2  
Totaal       4,2  

Op basis van bovenstaande tabel kan worden gesteld dat in de nieuwe situatie afgerond ten minste 3 parkeerplaatsen per woning nodig zijn. Dit kan op eigen terrein worden gerealiseerd, zie inrichtingsschets (bijlage 1). Hiermee wordt voldaan aan de gestelde normen.

4.3 Groen en water

Voor een klimaatadaptieve inrichting is de ontwikkeling in beginsel getoetst aan de groennorm zoals opgenomen in de ''Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021'' van de gemeente 's-Hertogenbosch. De groennorm bestaat uit een kwantitatieve en kwalitatieve score. Kwantitatief is de verhouding oppervlakte groen t.o.v. het plangebied en de kwaliteit is gericht op de biodiversiteit en natuurinclusief bouwen.

Met het scoresysteem kan worden aangetoond of en op welke wijze bij het realiseren van meer dan 500 m² nieuwe verharding wordt voldaan aan de groennorm. Het uitgangspunt is dat indien niet wordt voldaan aan de groennorm het plan, het project, de ontwikkeling, het initiatief of de activiteit wordt aangepast totdat er wel kan worden voldaan.

Analyse

Onderhavig plan leidt niet tot extra verharding van het plangebied. Hiermee wordt de maximale oppervlakte van 500 m² niet overschreden. Een verdere toetsing aan de ''Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021'' is niet aan de orde.

Binnen het initiatief word de woningen voorzien van een individueel in te richten tuin. Het planvoornemen omvat geen aanleg van oppervlaktewater.

4.4 Kwaliteitsverbetering van het Landschap

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied eist de Interim Omgevingsverordening in bepaalde gevallen een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, zie paragraaf 5.2.2 Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze van kwaliteitsverbetering van het landschap.

4.4.1 Benodigde investering

Voorliggend initiatief betreft een bestemmingswijziging van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' naar de bestemming 'Wonen' en de splitsing van een cultuurhistorisch waardevol gebouw. Conform het afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap (december 2015) betreffen deze ontwikkelingen categorie 1- en categorie 2-ontwikkelingen. Hierdoor wordt gesteld dat enkel een landschappelijke inpassing gewenst is.

Deze landschappelijke inpassing (beplantingsplan) is als bijlage 2 opgenomen in de overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer, zie paragraaf 4.4.2.

4.4.2 Zekerstelling kwaliteitsverbetering (juridische verankering)

Gelet op de Interim Omgevingsverordening moet bij het nemen van een ruimtelijk besluit (i.c. het vaststellen van het wijzigingsplan) aangetoond zijn, dat wordt voldaan aan het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiervoor is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen gekoppeld aan het gebruik.

4.5 Duurzame en gezonde leefomgeving

Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.

4.5.1 Energietransitie en klimaatbestendigheid

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

De gemeente 's-Hertogenbosch heeft de duurzaamheidsvisie 'samen werken aan duurzaam s-Hertogenbosch' (mei 2019) opgesteld. In deze visie zijn 4 thema's opgenomen:

  • 1. groene, klimaatbestendige omgeving: de (groene) maatregelen die hier worden getroffen o.a. voorkomen hittestress, waterberging, biodiversiteit, etc.;
  • 2. neutrale omgeving: de energieprestatie die behaald wordt en op welke wijze (denk aan BENG);
  • 3. van grondstoffen (circulariteit): duurzame en milieuvriendelijke materialen die gebruikt worden om een lage MPG-waarde te halen;
  • 4. mobiliteit: hoe draagt het plan hieraan bij?

Onderhavig plan kan op de volgende wijzen bijdragen aan de energietransitie en klimaatbestendigheid om mee te werken aan de gemeentelijk duurzaamheidsvisie alsook aan de ambitie van het van het bestuur (bestuursakkoord): 'een energieneutrale bebouwde omgeving in 2035, stappen maken naar een aardgas-vrije gemeente'.

  • na-isoleren van wanden, daken, vloeren, vervangen van kozijnen met isolerend (HR++) glas met betere kierdichting;
  • waterberging op eigen terrein;
  • aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, gebiedseigen planten en dieren. De in het beplantingsplan opgenomen beplanting is gebiedseigen en zorgt voor nieuwe vestigingsmogelijkheden van dieren (zie beplantingsplan in bijlage 2);
  • groen / bomen aanleggen ten behoeve van opname van stikstof en CO2;
  • het vast houden van water en het tegengaan van hittestress;
  • mogelijkheid tot de aanleg van zonnepanelen;
  • behoudt bestaande pand leidt tot een vorm van circulariteit, comform punt 3;
  • mogelijkheid tot één of meerdere laadpunten voor elektrisch vervoer, conform punt 4.

Hoofdstuk 5 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

5.1 Nationaal niveau

5.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als opvolger van de SVIR. In dit strategisch beleidsdocument schetst de overheid een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Nederland staat de komende jaren voor grote opgaven: de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzame energie opwekken, klimaatverandering, ende overgang naar een circulaire economie vragen meer ruimte dan er beschikbaar is. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig, gezond en welvarend te houden. In dit licht zijn de NOVI de nationale belangen opnieuw gedefinieerd:

  • a. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving
  • b. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit
  • c. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties
  • d. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving
  • e. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften
  • f. Waarborgen en realiseren van een veilig robuust en duurzaam mobiliteitssysteem
  • g. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit
  • h. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving
  • i. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten
  • j. Beperken van klimaatverandering
  • k. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is en de daarbij benodigde infrastructuur
  • l. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen
  • m. Realiseren van een toekomstbestendige circulaire economie
  • n. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit)
  • o. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater
  • p. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat
  • q. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit
  • r. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie
  • s. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang
  • t. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit
  • u. Ontwikkelen van een duurzame visserij.

Analyse

Het voorgenomen initiatief is in lijn met de Omgevingsvisie en geeft invulling aan het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Bij de planvorming wordt rekening gehouden met de diverse milieuaspecten, landschap, water, natuur en cultuurhistorie, geheel in lijn met de NOVI.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan de 'Nationale Omgevingsvisie (NOVI)'

5.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft daarom ook geen toetsing aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening plaats te vinden.

Conclusie

Het project is niet in strijd met het beleid in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

5.1.3 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van één extra woning. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

5.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie Noord-Brabant;
  • Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Het plan wordt aan deze nota's getoetst.

5.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie;
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant;
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad;
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Analyse
Onderhavig plan betreft de splitsing van een voormalige langgevelboerderij in twee reguliere woningen. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.

ad 1.   De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het (ver)bouwplan voor de woningen. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening.  
ad 2.   Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Daarnaast betreft onderhavig initiatief geen bouwplan, waardoor dit aspect niet van toepassing is.  
ad 3.   Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Dit initiatief gaat niet uit van een uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied, daarnaast betreft onderhavig initiatief geen bouwplan. Dit aspect is hierdoor niet van toepassing.  
ad 4.   Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van de woningen wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat.  

Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

5.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening (geconsolideerde versie 8 december 2020) bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2023 in werking zal treden.

De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):

  • afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
  • afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
  • afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
5.2.2.1 De toedeling van functies

Het plan ligt in het landelijke gebied van de gemeente 's-Hertogenbosch. In beginsel zijn daar geen nieuwe 'reguliere' woningen toegestaan. Artikel 3.69, lid c IOV maakt hierop echter een uitzondering voor splitsing van meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing.

De langgevelboerderij waarop onderhavig plan betrekking heeft is aangemerkt als gemeentelijk monument. Hierdoor wordt voldaan aan het aspect 'cultuurhistorisch waardevolle bebouwing'. Daarnaast zorgt de splitsing voor het herstel van de bebouwing, waarbij het plangebied effectief wordt ingericht als woonbestemming. Hiermee wordt voldaan aan artikel 3.69, lid c IOV .

5.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken:

  • stalderingsgebied;
  • beperkingen veehouderij.

Beperkingen veehouderij en Stalderingsgebied
De artikelen 3.51 en 3.52 IOV stellen regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderijen. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.

5.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van

functies zijn:

  • zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
  • kwaliteitsverbetering van het landschap.

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.
Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat het plan een functieverandering van een bestaand bouwperceel betreft. Verouderde bijgebouwen worden verwijderd. Er wordt nieuwe bebouwing toegevoegd met een kleinere oppervlakte. Er is daarmee sprake van een compact bouwperceel.
Er heeft een zorgvuldige situering van gebouwen plaatsgevonden binnen het bestaande bouwperceel, waarbij rekening is gehouden met en uitgegaan van de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke en natuurlijke waarden. Daarnaast worden nieuwe landschapselementen toegevoegd, gebaseerd op de lagenbenadering.
De meerwaarde wordt gecreëerd door:

  • het wegnemen van leegstaande, verouderde bebouwing;
  • het realiseren van kwalitatief hoogstaande bijgebouwen met in het landschap/gebied passende uitstraling en daardoor een ensemble vormend met het bestaande boerderijgebouw;
  • het realiseren van landschapselementen, die bijdragen aan het landschapstype én de ecologie.

Kwaliteitsverbetering landschap
Conform artikel 3.9 IOV moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit beleid vindt zijn uitwerking in het gemeentelijke beleid. In paragraaf 4.4 staat beschreven hoe aan dit beleid wordt voldaan. Hieruit volgt dat een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk is.

5.2.2.4 Conclusie

Het plan voldoet aan de Interim Omgevingsverordening.

5.3 Gemeentelijk niveau

5.3.1 Ruimtelijke Structuurvisie, Stad tussen Stromen (Actualisatie)

Op 28 januari 2003 stelde de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de 'Ruimtelijke Structuurvisie' vast (RSV). De RSV bestreek de periode tot 2010 maar gaf een doorkijk naar 2020. Op 28 januari 2014 stelde de gemeenteraad de actualisatie van de RSV vast. De RSV geeft een raamwerk voor de ruimtelijke activiteiten en voor de investeringen van burgers, bedrijven, instellingen en overheden. De visie is onder meer gericht op het maken van ruimtelijke contrasten op verschillende niveaus: in de stad, in het buitengebied en tussen de stad en het buitengebied. Het beeld van de stad als stedelijke contramal binnen de groene mal biedt goede aanknopingspunten voor de ontwikkeling van een contrastrijke stad. Het landschappelijk raamwerk - de groene mal - wordt verder ontwikkeld op basis van de al aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Het beleid voor het groen in en om de stad is gericht op verhoging van de landschappelijke, ecologische en recreatieve kwaliteiten.

Op de ruimtelijke cascokaart van de RSV zijn de gebieden Rosmalense Polder en Hondsberg aangeduid als groene consolidatiegebieden. De Rosmalense Polder kent een open landschap met een gebied voor stedelijke en regionale waterberging (het gebied direct ten noordenoosten van De Groote Wielen), een gebied voor landbouwontwikkeling (het LOG, opgenomen in het reconstructieplan) en een gebied voor woningbouwontwikkeling (De Blokken).

Analyse

Met de herontwikkeling van de locatie wordt leegstand en verrommeling voorkomen en wordt de ruimtelijke uitstraling met de aanvullende groenelementen verder versterkt. Hiermee past het plan binnen de aangegeven kaders.

Conclusie

Voorliggend plan past binnen de kaders van de 'Ruimtelijke Structuurvisie, Stad tussen Stromen (Actualisatie)'.

5.3.2 Gebiedsvisie Kruisstraat Oost

Tegelijk met het bestemmingsplan ''Buitengebied Noord en Kloosterstraat'' stelde de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch op 25 juni 2013 de ''Gebiedsvisie Kruisstraat Oost'' vast. Het plangebied van de gebiedsvisie beslaat de percelen Kruisstraat 56 tot en met 70 en Kruisstraat 45 tot en met 53. De Gebiedsvisie Kruisstraat Oost geeft de ambities weer van de toekomstige ruimtelijke en functionele ontwikkelingen in dit gebied. Bij de vaststelling van de visie werd aangegeven dat als een ontwikkeling functioneel wenselijk is of tot de ruimtelijke mogelijkheden behoort, dat dan vervolgens moet worden beoordeeld hoe deze kan worden ingepast in de omgeving en kan bijdragen aan de kwaliteiten van het landschap. Zodra over de realisering voldoende duidelijkheid bestaat, wordt daarvoor een afzonderlijke juridisch-planologische procedure gevoerd.

De gebiedsvisie wil geen rode ontwikkelingen mogelijk maken buiten de mogelijkheden van het bestaande (gemeentelijke en provinciale) beleid en het geldende bestemmingsplan. (Rode) ontwikkelingen en functieveranderingen zijn alleen mogelijk binnen de bestaande structuur. De bestaande structuur wordt gevormd door de bestaande bebouwing plus het bestaande landschap, inclusief doorzichten. Dit betekent dat geen nieuwe bebouwing aan het gebied mag worden toegevoegd. Hoofdgebouwen en kleinschalige bijgebouwen in het lint mogen in principe wel worden omgezet naar woningen. Het creëren van een woonmilieu achter de bestaande woningen verzwakt echter de kracht van het lint en is ruimtelijk gezien niet gewenst. Als met inachtneming van milieunormen woningbouw mogelijk is, dan moeten grootschalige stallen worden gesloopt. Met deze balans wordt het terrein opgewaardeerd en de structuur van het lint in stand gehouden en waar mogelijk versterkt.

Naast (rode) ontwikkelingen en functieveranderingen heeft de gemeente een bescheiden ambitie om groene ontwikkelingen te stimuleren. Groene ontwikkelingen vooral op het gebied van erfbeplanting, singels en houtwallen zijn gewenst.

Analyse

Onderhavig planvoornemen betreft de splitsing van een cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij in twee reguliere woningen. Hierbij worden de voormalige agrarische opstallen gesaneerd en worden nieuwe bijgebouwen gebouwd. Dit initiatief sluit aan bij het omzetten van hoofdgebouwen naar woningen. Daarnaast wordt onderhavig initiatief landschappelijk ingepast, waarbij een groene ontwikkeling voorop staat.

Conclusie

Voorliggend plan past binnen de kaders van de 'Gebiedsvisie Kruisstraat Oost'.

5.3.3 Woonvisie 2020

Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie 's-Hertogenbosch. Deze is door de gemeenteraad op 9 juni 2020 vastgesteld. Ontspannen en soms ook spannend wonen, in een sterke stad met leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en iedereen zoveel als mogelijk kan wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Dat is het doel. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd:

  • Passend en betaalbaar wonen voor iedereen
  • Leefbare en inclusieve buurten
  • Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad
  • Strategisch innovatief woonprogramma.

Passend en betaalbaar wonen

Binnen deze opgave gaat extra aandacht uit naar starters en (lage) middeninkomens. We zetten in op het realiseren van divers en passend woningaanbod, met nadruk op de toenemende groep 1 en 2 persoonshuishoudens. Om de voorraad passend te blijven houden, wordt er een flexibele schil gerealiseerd, voor o.a. spoedzoekers. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid, maar ook jongeren, starters en studenten.

Leefbare en inclusieve buurten

De Woonvisie streeft naar eenheid in verscheidenheid. Interventies in nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad versterken de buurt en, zorgen voor een divers aanbod. Daarbij is bijzondere aandacht voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen en het stimuleren van nieuwe woonconcepten en bewonersinitiatieven die bijdragen aan ontmoeting, leefbaarheid en veiligheid.

Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad

De woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad.

Strategisch innovatief woonprogramma

De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 – 2030. Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën:

  • minimaal 30% sociale huur
  • minimaal 20% middenhuur en goedkope koop
  • maximaal 50% dure huur en (middel)dure koop.

Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt.

Nieuwe woningen kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid en diversiteit van woonmilieus. Dit door het realiseren van (hoog)stedelijke woonmilieus met hoogbouw, compacte woonvormen en (collectieve) voorzieningen. Maar ook door het mogelijk maken van verdichting en verduurzaming van woonbuurten buiten het centrum en in groenstedelijke woonmilieus. In de dorpse woonmilieus worden ook op kleine schaal woningen toegevoegd. We stimuleren projecten die innovatief en vernieuwend zijn, bijvoorbeeld door circulair te bouwen of door toekomstige bewoners te betrekken en zeggenschap te geven. Daarnaast dienen projecten bij te dragen aan de hierboven genoemde opgaven.

Analyse

Onderhavig planvoornemen draagt bij aan verschillende onderdelen van de Woonvisie. Zoals het creëren van een toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad en het passend en betaalbaar wonen.

Conclusie

Voorliggend plan past binnen de 'Nota Wonen'.

Hoofdstuk 6 Milieu, duurzaamheid en waarden

6.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende wijzigingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

6.2 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.

6.2.1 Richtlijn

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).

6.2.2 Analyse

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.

bedrijf*   SBI-code   categorie   richt-
afstand  
werkelijke afstand  
Kruisstraat 45: Agrarisch loonbedrijf   016   3.1   50 m   140 m  
Heeseind 3: caravanstalling   52109B   2   30 m   500 m  
Heeseind 8: aannemersbedrijf   41.3   2   30 m   730 m  

* de agrarische bedrijfsinrichtingen zijn in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten en worden behandeld in paragraaf 6.7.

Er liggen geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.

6.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.3 Geluid

6.3.1 Inleiding

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

6.3.2 Analyse

Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten.

Verkeerslawaai
Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszones van wegen, omdat de Kruisstraat ter plaatse van het plangebied een 30 km/u weg is. Conform de Wet geluidhinder hoeft er aan deze weg niet getoetst te worden. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.

Desalniettemin zorgt de Kruisstraat wel voor een redelijke belasting op de gevel van de bestaande boerderij. Uit de geluidbelastingkaarten van de gemeente 's-Hertogenbosch blijkt dat de gevel van de boerderij is belast met circa 58 dB aan geluid, zie onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002525-1401_0006.png"

GELUIDBELASTINGKAART

In het kader van 'goede ruimtelijk ordening' wil de gemeente 's-Hertogenbosch bij/in de nieuwe gevoelige objecten (en dus bewoners) een 'goed woon- en leefklimaat' waarborgen.

Omdat een deel van de boerderij in het verleden nooit in gebruik is geweest als woning (wel als stal gediend). Daarom dient de geluidsbelasting op de gevel beoordeeld te worden. Een geluidsonderzoek naar het wegverkeerslawaai is echter niet nodig. Uit de door de gemeente aangereikte (indicatieve) gegevens blijkt immers dat de gevelbelasting de maximale geluidswaarden niet overschrijdt.

Bij een reguliere gevelopbouw (metselwerk, ramen met dubbel glas voorzien van deugdelijke kier- en naaddichting en geluidgedempte of mechanisch ventilatie) bedraagt de geluidwering circa 27 dB(A). Het geluidniveau in de verblijfsruimte(n) aan een dergelijke geluidbelaste gevel zal ten hoogste 58 - 27 = 31 dB bedragen, zodat gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.

6.3.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.4 Externe veiligheid

6.4.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid.

6.4.2 Beoordelingskader

Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening.

Kernbegrippen
In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal:

  • Plaatsgebonden risico:
    Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.
  • Groepsrisico :
    Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Bron   Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico  
Inrichtingen (Bevi)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.  
Buisleidingen (Bevb)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of
2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of
3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.  
Transportroutes (Bevt)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of
2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of
3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.  

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

6.4.3 Analyse

De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002525-1401_0007.jpg"

UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND

Inrichtingen
Er liggen geen Bevi-inrichtingen op korte afstand van het plangebied.

Buisleidingen
Ten noorden van het plangebied ligt een ondergrondse aardgasdrukleiding. Tevens is bovengrondse opslag van propaan aanwezig bij agrarische bedrijven. Gezien de afstand van circa 750 m tot aan deze buisleiding en de opslag van propaan ligt het plangebied ruim buiten de plaatsgebonden-risicocontouren en buiten het invloedsgebied van het groepsrisico.

Transportroutes
Ten zuiden van het plangebied ligt op enige afstand de spoorlijn 's-Hertogenbosch - Oss, die opgenomen is in de Regeling basisnet en daarmee onder het Besluit externe veiligheid transportroutes valt. Uit de Regeling volgt dat de plaatsgebonden risicocontour (10-6 per jaar) binnen het spoorwegtracé zelf ligt, hetgeen betekent dat er geen belemmeringen zijn in het kader van het plaatsgebonden risico. Er is bovendien geen plasbrandaandachtsgebied. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 4000 meter. De werkelijke afstand van het plangebied tot de transportroute bedraagt circa 890 meter. Het plangebied ligt daarmee binnen het GR-invloedsgebied, maar buiten de meest relevante zone (200 meter) en ook buiten de PR-contour.

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • a. de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en
  • b. de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Het plan omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de transportroute(s). Het plangebied ligt voorts geheel buiten de invloedsgebieden (1%-letaliteitsgebieden) vanwege een calamiteit met brandbare gassen, gemeten 355 meter vanaf de spoorlijn. Er is daarmee sprake van een 'standaard situatie', waarvoor een eenvoudige verantwoording volstaat:

  • Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
    Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
  • Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
    Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en/of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De nieuwe woningen voldoen aan deze voorwaarden.

Voor kwetsbare objecten gesitueerd buiten de 325 meter van het spoor en de wegen, maar nog wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, geldt dat op een dergelijke afstand een ontwikkeling geen invloed meer heeft op de omvang van het groepsrisico. Het bestrijdbaarheidvraagstuk speelt hier niet of nauwelijks, omdat de bestrijding bij de bron plaatsvindt op ruime afstand van het plangebied. Binnen het plangebied dient enkel nog aandacht te kunnen worden besteed aan beheersbaarheidmaatregelen om de gevolgen van een toxisch scenario tegen te gaan, zoals mechanische afsluiting van gebouwen. 

In overleg met de regionale brandweer is echter besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld en dat het in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer. Er is daarom voor dit plan geen advies gevraagd bij de Veiligheidsregio en ook niet betrokken bij dit plan.

6.4.4 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.5 Luchtkwaliteit

6.5.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

6.5.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat de toevoeging van één extra woning en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.

De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Rijkswaterstaat, 699093'.

categorie   grenswaarde   2019   2020   2030  
jaargemiddelde concentratie NO2   40 µg/m³   25,7   23,4   14,8  
jaargemiddelde concentratie PM10   40 µg/m³   19,0   18,9   16,1  
jaargemiddelde concentratie PM2.5   25 µg/m³   11,2   11,6   9,1  
overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10   35   6,9   6,8   6,0  

Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

6.5.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.6 Bodemkwaliteit

6.6.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

6.6.2 Analyse

Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Econsultancy uit Boxmeer een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Kruisstraat 60 te Rosmalen" (3 mei 2021, 15569.001). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 3.

Econsultancy concludeert dat:

  • de bodem voornamelijk bestaat uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak roesthoudend.
  • de bovengrond zwak tot sterk baksteenhoudend is. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak glas-, beton- en metselpuinhoudend. De ondergrond blijkt plaatselijk sterk kolengruishoudend.
  • er op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden (met uitzondering van boring 06) geen aanwijzingen zijn gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
  • de zintuiglijk sterk baksteen en kolengruishoudende ondergrond (M1) analytisch licht verontreinigd blijkt met lood. De zintuiglijk zwak baksteen- en plastichoudende bovengrond (MM4) blijkt analytisch licht verontreinigd met lood. In de overige mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond. De aangetoonde loodverontreiniging in de bodem is hoogstwaarschijnlijk te realteren aan de ter plaatse aangetroffen bodemvreemde bijmengingen.
  • het grondwater analytisch licht verontreinigd blijkt met cadmium en zink. De aangetroffen metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

Het aangetroffen metselpuin ter plaatse van boring 06 is verdacht op het voorkomen van asbest. Dit geeft geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging of perceel splitsing. Indien ter plaatse van boring 06 grondroerende werkzaamheden uitgevoerd moeten worden adviseert Econsultancy om voorafgaand een verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707) uit te voeren.

6.6.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.7 Geur

6.7.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

6.7.2 Analyse

Om het aspect 'geurhinder veehouderijen' inzichtelijk te maken heeft Econsultancy uit Boxmeer een onderzoek geurhinder veehouderijen uitgevoerd: rapport "Onderzoek geurhinder veehouderijen Kruisstraat 60 te Rosmalen" (28 maart 2022, 15569.003). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4.

Econsultancy concludeert dat:

  • op basis van de berekende voorgrondbelastingen geconcludeerd wordt dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 10,0 ouE/m³ plaatsvinden ten gevolge van de maatgevende veehouderijen. De maximale geurbelasting op de rekenpunten bedraagt 3,4 ouE/m³ ten gevolge van de veehouderij aan de Paddegraafweg 2. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 9,3%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de afzonderlijke veehouderijen goed zal zijn.
  • de achtergrondbelasting ter plaatse van het plan varieert van 6,3 tot 6,6 ouE/m³. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 9,1%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen goed zal zijn.

Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. De bestaande veehouderijen worden met de realisatie van het plan niet beperkt en het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe wooneenheden wordt als 'goed' geclassificeerd.

6.7.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.8 Volksgezondheid

6.8.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

6.8.2 Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen.

Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een giftig effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. Conform stap 5 van het stappenplan moet de ligging van het initiatief ten opzichte van veehouderijen worden beoordeeld. Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen.

Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Om het aspect 'veehouderijen en geitenhouderijen' inzichtelijk te maken heeft Econsultancy uit Boxmeer een onderzoek volksgezondheid uitgevoerd: rapport "Onderzoek volksgezondheid Kruisstraat 60 te Rosmalen" (7 mei 2021, 15569.004). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5.

Econsultancy concludeert dat naar aanleiding van de beoordeling van elke stap uit het stappenplan kan worden geconcludeerd dat er met betrekking tot de volksgezondheidsrisico's geen belemmeringen worden verwacht voor de doorgang van het wijzigingsplan. Aanvullend advies vanuit de GGD wordt niet noodzakelijk geacht.

6.8.3 Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van één extra woning. Echter wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

6.8.4 Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van één extra woning waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Echter wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 790 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.

6.8.5 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.9 Water

6.9.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

6.9.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

6.9.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
6.9.2.2 Provinciaal niveau
  • Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
6.9.2.3 Waterschap Aa en Maas

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2022-2027
    Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.

    Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
    • 1. Waterveiligheid;
      Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
    • 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem;
      Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
    • 3. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
      Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

  • In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
    • 1. schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
    • 2. de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
    • 3. de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
    • 4. de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

  • Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.'

  • Brabant Keur
    Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water.
    Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen:
    • 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
    • 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:
      benodigde compensatie (in m³) =
      toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)  
    • 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
  • De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’
    De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die alle zijn gehanteerd bij het opstellen van voorliggend plan:
    • 1. Wateroverlastvrij bestemmen
    • 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen
    • 3. Voorkomen van vervuiling
    • 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water
    • 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer"
    • 6. Meervoudig ruimtegebruik
    • 7. Water als kans
    • 8. Waterschapsbelangen
6.9.2.4 Gemeentelijk niveau

Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water.

In de ''Visie Groen en Klimaatbestendig'' staat dat de gemeente 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem wil creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke ''Verordening Bomen, Water en Groen''. Zowel de visie als de verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld.

De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:

  • Voorkom vervuiling van (regen)water;
  • Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden;
  • Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde:
  • 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer;
  • Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties;
  • Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke;
  • Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen;
  • Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein;
  • Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.

Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.

6.9.3 Watertoets

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Door het waterschap zijn een aantal principes opgesteld waar ruimtelijke ontwikkelingen aan worden getoetst. Per 1 maart 2015 gelden de bepalingen uit de Keur 2015, art. 15 van de Algemene regels resp. art. 13 van de Beleidsregels, voor het afkoppelen van hemelwater. Tot 500 m² hoeft op basis van de Keur geen voorziening te worden getroffen.

Het planvoornemen omvat geen verdere verharding van het plangebied en het huidige regenwater leidt niet tot enige overlast. De toekomstige functiewijziging leidt hierin niet tot een ongewenste situatie.

6.9.4 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Kruisstraat geloosd worden.

6.9.5 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.

6.10 Milieueffectrapportage

6.10.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

6.10.2 Analyse

De in voorliggend wijzigingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.

Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

6.10.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

6.11 Natuurwaarden

6.11.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.
6.11.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Verstorende effecten
Gezien de aard en omvang van het plan en de afstand tot Natuurnetwerk Nederland kan worden geconcludeerd dat het plan geen verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland.

Stikstofdepositie
Bijlage 6 bevat het stikstofdepositie-onderzoek (V02, 29 maart 2022) waarin de gebruiksfase is beoordeeld. Daaruit volgt dat het plan geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft.

Soortenbescherming
Om het aspect 'soortenbescherming' inzichtelijk te maken heeft Econsultancy uit Boxmeer een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd: rapport "Quickscan Wet natuurbescherming Kruisstraat 60 te Rosmalen" (7 mei 2021, 15569.002). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 7.

Econsultancy concludeert dat:

  • het nest in de boom grenzend aan de zuidwestzijde van de onderzoekslocatie door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie, indien het nest in gebruik is, verstoord zal worden en mogelijk zijn functionaliteit verliezen. Een nader onderzoek zal uit moeten wijzen of het nest in gebruik is en een jaarrond beschermde status heeft.
  • het boerderijgebouw op de onderzoekslocatie nestgelegenheden biedt voor de huismus. Aangezien het om een inpandige verbouwing gaat is verstoring van individuen of beschadiging/vernielen van nesten naar verwachting niet aan de orde. Indien er echter werkzaamheden aan het dak en/of de regengoot of regenpijp plaatsvinden, dan is er mogelijk sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus. Indien er op de onderzoekslocatie nestenplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zullen werkzaamheden aan het dak, regenpijp en/of regengoot kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van desbetreffende soorten.
  • de nesten van kerkuilen het gehele jaar beschermd zijn en vallen onder de beschermingscategorie 3 van vogelnesten. Dit zijn nesten van vogels welke geen koloniebroeders zijn maar wel elk broedsei-zoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van een roestplaats (rustplek van een uil) en/of mogelijk ook een nestlocatie. Om de exacte functie van de schuren voor de kerkuil te achterhalen dient een volledige inspectie van alle gebouwen plaats te vinden en zal er aanvullend ecologische onderzoek uitgevoerd moeten worden conform kennisdocument van de kerkuil (BIJ12, 2007b).
  • de steenuil en zijn leefgebied beschermd is volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: 'nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats'.
    Om uit te kunnen sluiten dat er op de onderzoekslocatie nestgelegenheden voor de steenuil aanwezig zijn, dienen de gebouwen volledig geïnspecteerd te worden op de aanwezigheid van nestgelegenheden en sporen als braakballen, krijtstrepen of veren.
    Op basis van onderhavige quickscan kan, door de aanwezigheid van de potentiële nestkast in een boom grenzend aan de zuidwestkant van de onderzoekslocatie en de geschiktheid van de onderzoekslocatie als foerageergebied, niet uitgesloten worden dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de steenuil, waardoor niet kan worden uitgesloten dat bij de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek wordt in dit geval noodzakelijk geacht.

Op basis van de onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor de uitvoering van de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen en/of functie van de onderzoeklocatie voor bunzing, hermelijn, grote vos, kerkuil, roofvogels, steenmarter, steenuil, vleermuizen en wezel. Hiervoor is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen gekoppeld aan het gebruik. De werkzaamheden ten behoeve van het aanvullende ecologische onderzoek zijn reeds opgestart.

Uit de eerste voorlopige resultaten, opgenomen in een 'notitie ecologie' (bijgevoegd als bijlage 8), volgen de volgende conclusies:

  • in het projectgebied zijn geen (indicaties van) nesten van jaarrond beschermde broedvogelsoorten waargenomen. Wel bevindt zich binnen het projectgebied in een centraal gelegen schuur een roestplaats van de steenuil.
  • bij het tweede veldbezoek op 19 maart 2022 zijn zowel een sperwer als twee buizerds waargenomen. Er zijn geen nesten van roofvogels binnen het projectgebied en de omgeving hiervan aangetroffen.
  • gedurende de velbezoeken op 8 april 2022 en op 22 april 2022 diverse groepjes huismussen waargenomen op meerdere locaties zowel ten westen als ten oosten van het projectgebied. Bij dit onderzoek is op een groot aantal locaties langs de Kruisstraat nestindicerend gedrag van huismussen waargenomen. De verblijfplaatsen van de huismus liggen echter buiten de beïnvloedingssfeer van de beoogde werkzaamheden.
  • tijdens het onderzoek zijn in het onderzoeksgebied en de directe omgeving hiervan enkele broedvogels waargenomen waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn, namelijk de ekster, gekraagde roodstaart, koolmees, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai en zwarte roodstaart. Een koppeltje torenvalken broedt in de nestkast ten noordwesten van het projectgebied. Daarnaast is tijdens het veldbezoek op 22 april 2022 een koppeltje gekraagde roodstaarten waargenomen. Zolang buiten het broedseizoen gewerkt wordt, is het projectgebied echter niet van essentieel belang voor deze vogels.
  • er zijn incidenteel andere vogels waargenomen. Het gaat hierbij om de boomkruiper, fazant, fitits, gaai, groenling, grote canadese gans, heggenmus, holenduif, houtduif, kauw, keep, kievit, kleine mantelmeeuw, kramsvogel, merel, nijlgans, putter, scholekster, tjiftjaf, tuinfluiter, vink, wilde eend, winterkoning, witte kwikstaart, zanglijster en zwartkop. De waarnemingen van de fazant gedurende meerdere veldbezoeken betroffen een koppeltje samen met drie juvenielen.

Conform de voorwaardelijke verplichting in de regels zal voor de sloop een mitigatieplan worden opgesteld voor de aanwezige beschermde soorten en zullen mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Het is op dit moment niet mogelijk om te stellen wat de maatregelen gaan zijn die genomen moeten worden. Dit komt doordat de keuze voor de maatregelen afhankelijk zijn van het geheel aan aanwezige natuurwaarden. Hiervoor moet het aanvullende ecologische onderzoek zijn afgerond.

Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

6.11.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.12 Archeologie

6.12.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

6.12.2 Analyse

Onderhavig plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Conform de dubbelbestemming:

  • 'Waarde - Archeologie 1' dient er een archeologisch onderzoek plaats te vinden wanneer de grond dieper dan 50 centimeter over een oppervlakte van 1 m² wordt geroerd.
  • 'Waarde - Archeologie 2' dient er een archeologisch onderzoek plaats te vinden wanneer de grond dieper dan 50 centimeter over een oppervlakte van 50 m² wordt geroerd.
  • 'Waarde - Archeologie 3' dient er een archeologisch onderzoek plaats te vinden wanneer de grond dieper dan 50 centimeter over een oppervlakte van 100 m² wordt geroerd.

Het initiatief zorgt enkel voor de herbouw van nieuwe bijgebouwen (gedeeltelijk) ter plaatse van de fundering van de bestaande agrarische opstallen. Deze werkzaamheden zorgen niet voor een relevante nieuwe verstoring van de gronden, daar niet dieper zal worden gebouwd dan nu het geval is. Daarnaast wordt verondersteld dat onder de geplande oprit en het meest oostelijk gelegen bijgebouw de resten van de 18e eeuwse 'oudere' boerderij kunnen liggen. Dit kan betekenen dat men bij de uitvoer van de geplande ingrepen op archeologisch waardevolle funderingen kan stuiten.

Toch is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in het kader van dit wijzigingsplan niet noodzakelijk. Middels behoudt van de archeologische dubbelbestemmingen wordt gewaarborgt dat wanneer de maatvoering toch overschreden worden een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.

6.12.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

6.13 Cultuurhistorie

6.13.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

6.13.2 Analyse

In het kader van de beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden, zijn voor heel het grondgebied van de gemeente 's-Hertogenbosch ook de zichtbare cultuurhistorische (bouwhistorische en historisch-geografische) elementen en relicten geïnventariseerd. Op basis van deze inventarisatie is een aantal belangrijke cultuurhistorische gebieden en structuren onderscheiden. Deze vormen samen de cultuurhistorische hoofdstructuur van de gemeente en worden bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen meegewogen.

De Kruisstraat is onderdeel van deze cultuurhistorische hoofdstructuur. In de Kruisstraat gaat het om de waardering en bescherming van de volgende cultuurhistorische kenmerken:

  • Lokale verhogingen ten noorden van de weg Kruisstraat. Vermoedelijk zijn dit overblijfselen van de dijk Orthen-Bruggen-Kruisstraat. Deze dijk vormt de zuidelijke dijk van de Beerse Maas (paragraaf 3.1) en is vermoedelijk vanaf de 14e eeuw aangelegd. Na 1956 is het dijklichaam vrijwel helemaal geslecht. Sinds 1967 is het dijklichaam niet meer zichtbaar op topografische kaarten. Lokaal zijn nog wel verhogingen zichtbaar. Het slechten van de dijk zal vermoedelijk samenhangen met de ruilverkaveling. De verhogingen kunnen ook wijzen op de aanwezigheid van terpen die zijn opgeworpen nog voordat de dijk is aangelegd en later zijn binnengedijkt. In relatie met de ontginningsgeschiedenis en de waterstaatkundige ontwikkeling zijn deze verhogingen zeer waardevol. Ter bescherming van deze cultuurhistorische waarden zijn ingrepen die de verhogingen ten noorden van de weg Kruisstraat aantasten niet toegestaan.
  • Verdichte bebouwing binnen historische kern (bebouwingscontour 1832) en de verspreide lintbebouwing buiten de historische kern. De historische kern van de Kruisstraat bestaat uit een lint met verdichte bebouwing en een dorps karakter. De verdichting is het grootst ter hoogte van de kruising van de Kruisstraat met de huidige Grintweg. Hier bevinden zich ook de resten van een kapel. Verder weg van de kruising is de bebouwing lintvormig maar nog wel dichter dan buiten de historische kern. Historisch gezien is de bebouwing gericht op de voormalige dijk ten noorden van de Kruisstraat en op de Kruisstraat zelf. Deze bevond zich dus ten noorden en op enige afstand van de weg Kruisstraat. Buiten de historische kern van de Kruisstraat wordt de bebouwing gekenmerkt door een verspreide bebouwing die hoofdzakelijk agrarisch van karakter is. Het onderscheid tussen de verdichte en verspreide bewoning langs de weg Kruisstraat hangt samen met de bewoningsgeschiedenis van dit gebied en is derhalve zeer waardevol. Ter bescherming van deze cultuurhistorische waarden moet het verschil in dichtheid van de bebouwing binnen en buiten de historische kern moet worden gehandhaafd. Wat betreft de bebouwing buiten de historische kern geldt dat deze bij voorkeur ten noorden van de weg Kruisstraat plaatsvindt.

De boerderij aan de Kruisstraat 60 en andere boerderijen gelegen in het gebied ten oosten van Rosmalen; Kruisstraat, Sprokkelboschstraat, Hondsberg en Bruggen vormen het tastbare en herkenbare cultureel erfgoed van dit landelijk gebied.

Kruisstraat 60 maakt onderdeel uit van het historisch lint en is een typische wederopbouwboerderij naar een ontwerp van 'Bureau wederopbouw boerderijen' uit 1948.

Vanwege zijn verschijningsvorm, situering en oorspronkelijke karakter heeft de boerderij bouw- en cultuurhistorische waarden en is deze beschermd als zijnde een gemeentelijk monument (zie de redengevende omschrijving SOM0162 in de monumentenlijst).

Een splitsing van de boerderij in twee wooneenheden is vanuit het bouw- en cultuurhistorisch oogpunt mogelijk, mits de cultuurhistorische waarden behouden blijven.

Zoals eerder in hoofdstuk 4.1 beschreven zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de verbouwing een onderbouwing moeten worden aangeleverd waarin het behoud van deze waarden op diverse aspecten is beschreven. Wanneer hiermee aangetoond wordt dat de waarden worden behouden zijn er geen belemmeringen voor het splitsen van de boerderij.

6.13.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk is de opzet van het wijzigingsplan opgenomen.

Voorliggend wijzigingsplan is het resultaat van het toepassen van twee wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6 Wro, zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied noord en Kloosterstraat" (NL.IMRO.0796.0002152-1401), vastgesteld op 25 juni 2013. Bij het opstellen van een wijzigingsplan dient het college van burgemeester en wethouders zich te houden aan de door de raad vastgestelde regels.

Met dit plan wordt de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' gewijzigd in de bestemming 'Wonen''. Deze wijziging is gebaseerd op artikel 4.5.3 van de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied noord en Kloosterstraat'. Daarnaast wordt het pand gesplitst op basis van artikel 14.7.1. van het bestemmingsplan 'Buitengebied noord en Kloosterstraat'.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.

8.1 Kostenverhaal

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet verplicht.

8.2 Gemeentelijke grondexploitatie

De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

Hoofdstuk 9 Procedure

Het wijzigingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure op grond van artikel 3.9a Wro. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Omgevingsdialoog
  • 2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
  • 3. Terinzagelegging ontwerpwijzigingsplan
  • 4. Vaststelling door college van burgemeester en wethouders
  • 5. Terinzagelegging vastgesteld wijzigingsplan.

9.1 Omgevingsdialoog

De initiatiefnemer heeft contact gezocht met de direct omwonenden en heeft hen geïnformeerd over voorliggend initiatief. Een aftekenlijst van het gevoerde omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 9 van de toelichting.

9.2 Inspraak en vooroverleg

Het ontwerpwijzigingsplan ‘Kruisstraat 60, Rosmalen’ wordt conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Daarnaast doorloopt het plan de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening. De resultaten van deze procedures zullen te zijner tijd in deze toelichting worden vermeld.

9.3 Terinzagelegging ontwerpwijzigingsplan

Het ontwerpwijzigingsplan is vanaf 18 juli gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode is één zienswijze ingediend (zie bijlage 10). Deze zienswijze heeft betrekking tot het invoegen van het waterschapsbeleid 'Waterbeheerplan 2022-2027'. Deze is in paragraaf 6.9.2.3 toegevoegd.

9.4 Vaststelling wijzigingsplan

Het college heeft op 13 december 2022 het voorliggende wijzigingsplan gewijzigd vastgesteld.