direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herziening bestemmingsplan Hondsberg 13 te Rosmalen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002453-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan Hondsberg 13 in Rosmalen is het autobedrijf 'Autoservice A.V.R. Rosmalen B.V.' gevestigd. Uitbreiding van dit autobedrijf is gewenst, maar is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Het gaat om 445 m2 uitbreiding buiten het bestemmingsvlak 'Bedrijf', waarbij 80 m2 aan bebouwing wordt gewenst.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied, ten westen van Rosmalen. Het bestaat uit de percelen RML00 sectie F nr. 4834, RML00 sectie F nr. 4835, RML00 sectie F nr. 4990 en RML00 sectie F nr. 3932.

1.3 Leeswijzer

In deze toelichting van het bestemmingsplan wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie beschreven, in hoofdstuk 3 komt de gewenste situatie aan de orde. In hoofdstuk 4 is de toetsing van de gewenste situatie aan het beleid beschreven en in hoofdstuk 5 aan de verschillende milieu-aspecten. Hoofdstuk 6 betreft de juridisch-bestuurlijke aspecten, waarin wordt beschreven hoe de uitgangspunten en toetsing in voorgaande hoofdstukken zijn vertaald naar bestemmingsplanregels. Afgesloten wordt met hoofdstuk 7, de economische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 8, waarin de inspraak en het vooroverleg aan de orde komen.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving locatie en ligging in de stad

Binnen het plangebied is het autobedrijf 'Autoservice A.V.R. Rosmalen B.V.' gevestigd (Hondsberg 13). Op het perceel staan een aantal bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning. Het plangebied ligt ten westen van de kern Rosmalen, net in het buitengebied. In figuur 1.1 en 1.2 zijn deze ligging ten opzicht van de kern Rosmalen en het plangebied te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0001.png"  
Figuur 1.1: Ligging ten opzichte van Rosmalen (plangebied ligt binnen rode cirkel)  

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0002.png"  
Figuur 1.2: Plangebied (plangebied ligt binnen rode kader)  

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen aan de weg Hondsberg. Dit is een weg in het buitengebied die in de kern overgaat in de Deken Fritsenstraat. De bebouwing bij Hondsberg 13 maakt onderdeel uit van lintbebouwing langs deze weg. De overige bebouwing bestaat voornamelijk uit woningen en daarbij behorende bebouwing. Aan de zuid- en zuid-westzijde zijn agrarische gronden gelegen.

2.3 Functionele structuur

Binnen het plangebied is 1 bedrijfswoning aanwezig. Deze woning ligt van de aanwezige bebouwing op het perceel, het dichtste bij de Hondsberg. Op het achtterterrein bevinden zicht bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Ook staan er auto's geparkeerd, wat samenhangt met de uitoefening van het autoservicebedrijf.

2.4 Geldend bestemmingsplan

In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied noord en Kloosterstraat, vastgesteld op 25 juni 2013, is tr plaatse van de bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning de bestemming 'Bedrijf' opgenomen, met functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - autoherstelinrichting' en een maatvoering maximum bebouwd oppervlak 300 m2. Dit betekent dat uitsluitend een bedrijf gericht op de reparatie/herstel van auto's gevestigd mag worden en dat de bebouwde oppervlakte van het bouwvlak (bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gebouwen inclusief bedrijfswoning en bijgebouwen bij de bedrijfswoning) niet meer mag bedragen dan 300 m2.

Binnen de bestemming 'Bedrijf', het paarse vlak in navolgende figuur, is een bouwvlak opgenomen aan de zuidzijde, dat op het moment de bedrijfswoning doorkruist. In het westen van het plangebied ligt de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Binnen het gehele plangebied liggen ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' en de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'. In figuur 2.1 zijn het plangebied en de enkelbestemmingen te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0003.png"  
Figuur 2.1: Plangebied binnen vigerend bestemmingsplan met bestemming 'Bedrijf' (paars) en 'Agrarisch met waarden' (groen).  

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Bebouwing

In de huidige situatie zijn een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing aanwezig met een totale oppervlakte van minder dan 300 m2. In de gewenste situatie wordt een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd in de zuidoostelijke hoek van het nieuwe bestemmingsvlak 'Bedrijf', met een oppervlakte van 80 m2. Dit betreft het lichtblauwe/ grijze gebouw, weergegeven in figuur 3.1. De rode lijn geeft globaal de toevoeging van de bestemming 'Bedrijf' aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0004.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0005.png"  
Figuur 3.1: Landschappelijk inpassingsplan, met daarbij nieuw bedrijfsgebouw in zuidoostelijke hoek (lichtblauw/grijs).  

3.2 Gebruik

Het planologische gebruik van een gedeelte van de agrarisch bestemde gronden binnen het plangebied wijzigt. Op dit gedeelte komt de bestemming 'Bedrijf' te liggen en deze gronden gaan gebruikt worden ten dienste van het bestaande bedrijf, dat is gericht op de reparatie/herstel van auto's. Het andere gedeelte van de agrarisch bestemde gronden en een gedeelte van de bestemming 'Bedrijf' aan de wegzijde worden ingezet voor de landschappelijke inpassing. Verder wordt het voorste deel van het perceel, tussen de weg en het nieuwe bedrijfsperceel, bestemd als 'Tuin'. De bestemming 'Bedrijf' is hierdoor naar achteren geschoven.

3.3 Verkeer en parkeren

Verkeer
De verkeersgeneratie is bepaalde met de CROW-tool. Binnen de hoofdgroep 'werken' is gekozen voor bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief. De verkeersgeneratie komt volgens de CROW-tool uit op 9 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde openingsdag en 12 tijdens een maatgevende openingsdag in de maatgevende maand (gemiddeld). De aanliggende weg kan de zeer beperkte extra verkeersbewegingen gemakkelijk aan en deze beperkte toename levert ook geen verkeersonveilige situaties op.

Parkeren
Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2021 Auto en Fiets. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente.

De planlocatie is gelegen binnen de zone 'buitengebied'. Hier geldt, op basis van de Nota, een parkeernorm van 2,6 per 100 m2 bij een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf, zoals een garagebedrijf. Er komt binnen de planlocatie 80 m2 aan bebouwing bij, wat staat voor een behoefte van 2 parkeerplaatsen. Deze behoefte aan parkeerplaatsen kan (makkelijk) op eigen terrein opgelost worden, binnen de gronden die in dit bestemmingsplan aanvullend als 'Bedrijf' bestemd worden, zoals ook te zien is in figuur 3.1.

3.4 Openbare ruimte

Er wordt binnen het plangebied geen nieuwe openbare ruimte gerealiseerd. Wel wordt middels het landschappelijk inpassingsplan gezorgd voor een verbetering van de landschappelijke kwaliteit, onder andere door het toevoegen van bomen en inlandse beplanting.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te vervallen. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan.

Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.

Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • duurzaam economisch groeipotentieel;
  • sterke en gezonde steden en regio's;
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:

  • 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • 3. afwentelen wordt voorkomen.


Het Rijksbeleid houdt ook in dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd.

Doorwerking plangebied
Het gaat bij dit bestemmingsplan om een dermate kleine ontwikkeling dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en de ladder van duurzame verstedelijking dan ook niet doorlopen hoeft te worden. De ontwikkeling is niet strijdig met het rijksbeleid en dit beleid vormt dan ook geen belemmering.

4.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Doorwerking plangebied
Op de Structurenkaart is het plangebied aangeduid als geledingszone, mozaïeklandschap en economisch kenniscluser. Dit betekent dat aandacht besteed dient te worden aan de landschappelijk inpassing, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de groene geledingszone en het mozaieklandschap. Omdat het gaat om een relatief kleine ontwikkeling, waarbij gelet op de omliggende landschappelijk waarden een passend ontwerp is gemaakt, vindt geen aantasting van deze waarden en daarmee de provinciale belangen plaats.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening, vastgeteld op 25-10-2019.

In de toelichting van de Interim omgevingsverordening wordt aangegeven dat deze beleidsneutraal van karakter is. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken van de omgevingsvisie. Omdat de Interim verordening beleidsneutraal is en vooral is bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen, heeft er ook (nog) geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald thema gecontinueerd moet worden. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening.

Doorwerking plangebied
Gemengd landelijk gebied
Het plangebied ligt in 'Gemengd landelijk gebied'. In artikel 3.71 van de Interim omgevingsverordening wordt aangegeven dat bij bestaande niet-agrarische functies in het landelijk gebied voorzien kan worden in een redelijke uitbreiding, mits dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

  • 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
  • 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
  • 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

De bestaande functie, een bedrijf gericht op de reparatie/herstel van auto's, wordt uitgebreid, waarbij een relatief beperkte toename aan oppervlakte bedrijfsbestemming (445 m2) en bebouwing (80 m2) plaatsvindt. De uitbreiding is qua omvang in rlatie tot het bestaande bouwperceel redeijk te noemen. De uitbreiding van deze functie past in de kernrandzone langs de Hondsberg, waar meerdere verschillende functies, zowel bedrijven als woningen, zijn gevestigd. De ontwikkeling zorgt niet voor negatieve effecten op de ontwikkeling van andere aspecten, de verkeerstoename is namelijk zeer beperkt (zie hiervoor paragraaf 3.3) en er wordt niet dichter bij gevoelige functies gebouwd of een gevoelige functie toegevoegd. Door een goede landschappelijke inpassing, in overeenstemming met de afspraken gemaakt in het RRO, draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Op dit aspect wordt navolgend concreter ingegaan. Overtollige bouwwerken worden gesloopt.

Ook is de functie specifiek vastgelegd in de bestemmingsplanregels, waardoor alleen een autoherstelbedrijf gevestigd kan worden en niet een 'zwaarder' en meer overlastgevend bedrijf. De toekomstige functie is naar aard, omvang en inrichting passend op deze locatie.

Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering
Tegenover de voorgenomen uitbreiding van het bestaande autoreparatiebedrijf dient kwaliteitsverbetering van het landschap te staan. Het betreft namelijk een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Gelet op de aard van het plan, is conform artikel 3.9 IOV als voorwaarde aan de ontwikkeling gesteld dat sprake dient te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast is een aanvullende investering in de ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist. De voorgenomen ontwikkeling betreft een categorie 3-ontwikkeling, waarbij ten minste 20% van de waardevermeerdering geïnvesteerd dient te worden in ruimtelijke kwaliteitsverbetering.

De waardevermeerdering van het plan is berekend op € 30.155,00. Dit betekent dat een investering van € 6.031,00 benodigd is.

Voor het initiatief is een inrichtingsplan opgesteld. Dit is op figuur 3.1 (zie paragraaf 3.1) zichtbaar en tevens opgenomen in Bijlage 2. Aan het inrichtingsplan ligt een analyse van het gebied, waarin het plangebied is gelegen, ten grondslag. Deze analyse is opgenomen in Bijlage 1. Dit gebied, het 'Sprokkelbos' genoemd, is een kleinschalig gebied tussen Rosmalen, Kruisstraat en de spoorweg 's-Hertogenbosch-Nijmegen. Voor dit gebied is in 2013 een gebiedsvisie opgesteld. Het plangebied ligt in het meest kleinschalige deel van dit gebied, aan een recreatieve entree. De weg Hondsberg betreft een bebouwingslint, dat een geleidelijke overgang tussen het stedelijk gebied en het buitengebied vormt. Behoud van deze lintstructuur, met behoud van doorzichten en het oplossen van storende elementen en verrommeling vormen speerpunten in het gemeentelijk beleid voor dit gebied. De huidige achterkant van de bebouwing aan de Hondsberg, waaronder in het plangebied, vormt een storende factor. Het landschap is hier minder sterk aanwezig. Het terrein is bovendien verrommeld. Doel van het inrichtingsplan is om enerzijds deze achterkantsituatie te verbeteren, de verrommeling op het terrein te verminderen en anderzijds om de landschappelijke kwaliteiten aan de voorzijde van het perceel, langs de Hondsberg, te verbeteren.

In het inrichtingsvoorstel voor de landschappelijke inpassing wordt ingezet op een groene omzoming van het perceel. Aan de voorzijde bestaat deze uit een eenduidige inrichting en wordt deze voorzien van een haag. Het perceel wordt aan de zuidwestzijde en deels de oostzijde aangeplant met een houtwal. Vanwege kabels en leidingen in de berm is het niet mogelijk om de kenmerkende laanbeplanting langs de Hondsberg door te zetten, wel wordt ingezet op het vergroenenvan het straatbeeld door het plaatsen van een aantal solitaire bomen in het grasland. Voor het grasland aan weerszijden van het (bedrijfs)kavel wordt een droog respectievelijk nat bloemrijk grasland voorgesteld.

Daarnaast wordt het terrein opgeruimd en worden overtollige bouwwerken verwijderd. Er is bij de nieuwe inrichting ook gedacht aan het parkeren op eigen terrein in plaats van aan de voorzijde langs de openbare weg. Dit in combinatie met de kwaliteitsverbetering van het landschap versterkt de ruimtelijke uitstraling van het gehele perceel en de directe omgeving.

De geplande investering voor de beschreven ingrepen, inclusief beheerkosten voor 10 jaar, bedragen in totaal € 6.093,15. Hiermee wordt de vereiste investering van ten minste 20% van de waardevermeerdering bereikt. De geplante kwaliteitsverbetering is kwantitatief dan ook voldoende en voorgaand is beschreven dat er in kwalitatief opzicht eveneens sprake is van een aanzienlijke verbetering, afgestemd op de specifieke waarden en kenmerken van het landschap in de omgeving.

Cultuurhistorisch waardevol gebied
Het plangebied ligt tevens in een cultuurhistorisch waardevol gebied, dat in de IOV is aangewezen als werkingsgebied Cultuurhistorische waarden. Art. 3.29 IOV stelt regels aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen een dergelijk gebied. Bestemmingsplannen binnen dit gebied dienen mede gericht te zijn op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied en stellen waar nodig regels ter bescherming van deze kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie (CHW). Het plangebied ligt aan de noordelijke rand van de Meierij, die bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Voor het deelgebied 'Sprokkelbos' zijn de specifieke cultuurhistorisch-landschappelijke waarden in beeld gebracht in de gebiedsvisie uit 2013 en in de gebiedsanalyse in Bijlage 2. Zoals voorgaand al is beschreven en gemotiveerd, sluiten de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering aan bij deze waarden. het plan leidt per saldo tot een versterking van de landschappelijke waarden. Het is hierdoor in overeenstemming met art. 3.29 IOV.

Conclusie
De ontwikkeling is niet in strijd met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Omgevingsvisie
Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. 

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

Doorwerking plangebied
De visie ziet niet op relatief kleinschalige initiatieven zoals aan de orde bij dit bestemmingsplan en levert dan ook geen problemen op voor de ontwikkeling.

Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO)
In het RRO zijn afspraken gemaakt over ontwikkelingen in het buitengebied en de landschappelijke inpassing of kwaliteitsverbetering die daarbij als passend wordt gezien. Het landschappelijke inpassingsplan dat in het kader van deze ontwikkeling is opgesteld voldoet aan deze afspraken.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

Doorwerking plangebied
Onderhavige ontwikkeling is, gelet op de aard en omvang van het plan, niet in strijd met het beleid uit de Ruimtelijke Structuurvisie. Er worden geen specifieke uitgangspunten beschreven voor onderhavige locatie die van belang zijn voor de gewenste ontwikkeling.

4.3.2 Bedrijventerreinen

Op 25 januari 2011 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Nota kantoren- en bedrijventerreinenbeleid 2010-2020 vastgesteld. Als gevolg van o.a. ontwikkelingen in de kantoren- en bedrijventerreinenmarkt (krimpende beroepsbevolking, verplaatsing van productie bedrijven naar lage lonenlanden, opkomst van het flex- en thuiswerken en verdienstelijking van de werkgelegenheid), de economische crisis en een bredere benadering van de duurzaamheid is het bestaande beleid aangescherpt en herzien.

De verwachting is dat de stad op de middellange termijn voldoende ruimte heeft om de bedrijven te kunnen huisvesten. Een groot deel van de bedrijven zal kunnen worden gehuisvest op de bestaande bedrijventerreinen. De laatste jaren zijn het aanbod en de leegstand, zoals beschreven in het vorige hoofdstuk, sterk toegenomen. De gemeente zet daarom zwaar in op herstructurering en verbetering van bestaande terreinen, zoals bv bedrijventerrein De Rietvelden, De Vutter en Ertveld. Naast herstructurering wordt soms ook ingezet op transformatie naar juist een andere functie.

Herstructurering tempert de vraag naar nieuwe bedrijventerreinen. Met de voorraadontwikkeling wordt pas op de plaats gemaakt omdat anders een overaanbod aan bedrijventerreinen ontstaat. Wel blijft het voor de langere termijn noodzakelijk ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen te reserveren. De autonome groei van de bedrijvigheid en de transformatie van bedrijventerreinen, waarbij bedrijven moeten worden uitgeplaatst, vragen om voldoende ruimte. Daarnaast moet er ruimte blijven voor bedrijven die in het kader van de verbetering van hun concurrentiepositie nieuwe moderne huisvesting vragen. Ook zijn er bedrijven die door hun groei in woongebieden niet zijn te handhaven. Tot slot is de vraag naar bedrijfsruimte zeer gedifferentieerd en moet in de verschillende segmenten voldoende aanbod worden geboden.

In dat kader is de planontwikkeling voor bedrijventerreinen Empel Zuid en Rosmalense Plas afgerond en wordt ook gewerkt aan de planontwikkeling voor de Brand II en Heesch-West.

Deze terreinen kunnen mogelijk maatwerkoplossingen bieden voor bv. milieuhinderlijke bedrijven en grootschalige ruimtevragers.

Naast de aandacht voor de voorraad aan bedrijventerrein ziet het beleid er in beginsel op toe om oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen, waaronder zelfstandige kantoren, tegen te gaan. Ook de vestiging van detailhandel, medische, sport- en vrijetijdsvoorzieningen op bedrijventerreinen wordt zoveel mogelijk tegengegaan.

Op 10 september 2013 heeft de gemeenteraad het 'Beleid inzake vestiging van niet bedrijventerrein gebonden functies op een aantal bedrijfslocaties' vastgesteld. Hierop is op 14 april 2015 een kleine wijziging verwerkt ten aanzien van de ondergrens van de ontwikkeling. Dit beleid houdt in dat ruimte voor vestiging van niet-bedrijventerreingebonden functies mogelijk kan worden gemaakt op enkele binnenstedelijke bedrijventerreinen die in aanmerking komen voor transformatie en nabij woonwijken gesitueerd zijn. De reden hiervoor is dat diverse niet-bedrijventerreingebonden functies steeds vaker in woonwijken geen passende ruimte kunnen vinden. Dit heeft enerzijds te maken met het kostenaspect, anderzijds met de wens vooral ruimte voor exclusief eigen gebruik te benutten. Het gaat daarbij onder andere om indoorsportvoorzieningen en om maatschappelijke voorzieningen. Het beleid richt zich op functies met een gebruiksoppervlak tot 1.500 m² bvo, waar geen passende huisvesting in de wijken (inclusief buurtcentra) kan worden gevonden. De vestiging van deze voorzieningen mag geen belemmering vormen voor bestaande bedrijvigheid.

Doorwerking plangebied
Het beleid ziet voornamelijk op de bestaande bedrijventerreinen en de herstructurering daarvan. Bij onderhavig bestemmingsplan gaat het om de relatief kleine uitbreiding van een bestaand autoherstelbedrijf op een locatie buiten de bedrijventerreinen. Deze uitbreiding is niet in strijd met de Nota kantoren- en bedrijventerreinenbeleid 2010-2020, want deze nota ziet niet op een eventuele verplaatsing van dit soort bestaande kleine bedrijven naar bedrijventerreinen.

Hoofdstuk 5 Milieu, duurzaamheid en waarden

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.

VNG publicatie en richtafstanden
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’1. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan als dat nodig is gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Beoordeling
De handel van auto's valt onder milieucategorie 2, waarbij een richtafstand van 30 meter aangehouden dient te worden. De bedrijfsbestemming en daarbij behorene activiteiten worden richting het oosten uitgebreid. Aan de overzijde van de Hondsberg (ten noorden van plangebied) ligt een intensieve veehouderij met bedrijfswoning. De afstand van de uitbreiding ten opzichte van de bedrijfswoning bedraagt ongeveer 70 meter en voldoet daarmee ruimschoots aan de richtafstand.

De omliggende functies hebben geen invloed op de uitbreiding van het autoherstelbedrijf.

Gelet op het bovenstaande is nader onderzoek niet nodig en worden geen belemmeringen verwacht voor de ontwikkeling.

5.3 Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.3.1 Wegverkeerslawaai


Wettelijk kader
Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen.

Doorwerking plangebied
Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. De normen uit de Wet geluidhinder zijn hierdoor formeel niet van toepassing.

5.3.2 Industrielawaai

Zoals aangegeven in paragraaf 5.2 voldoet de uitbreiding van het bedrijf aan de VNG-afstanden. Dat er geluidhinder ontstaat is daarom niet aannemelijk en eventuele onacceptabele hinder wordt ondervangen door het Activiteitenbesluit.

Doorwerking plangebied/ project
Er hoeft geen onderzoek uitgevoerd te worden naar industrielawaai.

5.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een

bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit)
Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit).

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch
De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.

Toetsing beleidsvisie
De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een autoherstelbedrijf. De medewerkers worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt beschouwd als een beperkt kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Beperkt kwetsbare objecten zijn hierin toegestaan.

Beschouwing risicobronnen
De onderstaande risicobronnen zijn aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling:

  • Spoorlijn trajectnummer 64B.1, gelegen ten zuiden van de ontwikkeling op ongeveer 390 meter afstand.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0006.png"  
Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart met afstand tussen plangebied en spoorlijn (19 december 2019)  


Het plangebied ligt niet binnen de afstanden van overige risicobronnen, zoals wegen, waarbij een verantwoording groepsrisico nodig is.

Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

Uit de inventarisatie van de relevante risicobronnen blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoort met trajectnummer 64B.1.

Over dit traject worden de stofcategorien A, B2, C3, D3 en D4 vervoerd. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied 1% letaliteitsafstand van zowel categorie, A, B2 en D4. Het ligt echter op een grotere afstand dan 200 meter. Een groepsrisicoberekening is niet nodig, wel een beperkte verantwoording groepsrisico.

Beperkte verantwoording groepsrisico
Als gevolg van vervoer van gevaarlijke stoffen dient binnen de planlocatie uitsluitend rekening gehou- den te worden met het toxisch scenario. Het is in dit geval niet noodzakelijk het BLEVE-scenario te beschouwen, aangezien de afstand tot de planlocatie groter is dan het invloedsgebied vanwege brandbare stoffen. Dit geldt voor elk van de beschouwde transportroutes. Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagen, of -container met toxische stoffen het begeeft. Hierbij ko- men de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven.

Bestrijdbaarheid
De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hieronder ge- schaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie "Hand- leiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid" van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde hand- leiding volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van cala- miteiten het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar zijn.

De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men nodig heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne be- vinden.

Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensi- teit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aan- wezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is van belang indien een toxische wolk richting het plangebied drijft. Ten aanzien van de bereikbaarheid bij een toxisch scenario is met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van het plangebied is hieraan ondergeschikt.

Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Mobiliteit van de aanwezigen
Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfred- zame personen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht in veiligheid kunnen brengen danwel met hulp van valide personen in veiligheid gebracht kunnen wor- den.

Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen
Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kun- nen worden gesloten. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Aanwezige luchtbehan- delingsinstallaties moeten met één handeling zijn uit te schakelen. Indien desalniettemin bij een toxi- sche wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn.

Risicocommunicatie
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatre- gelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaar- schuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Hierbij zijn het op- stellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op het beschreven scenario interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt on- derdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven:

  • wie de organisatie van het evacueren begeleidt;
  • de verantwoordelijkheden;
  • waar de verzamelplaats is;
  • de organisatie op de verzamelplaats;
  • wie zorg draagt voor alarmering.

Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarvan de frequentie in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert hierin de gemeenten in voorbereiding op een alarmering bij rampen. In het regionaal beleidsplan dient uitgewerkt te zijn hoe binnen de regio aan risicocommunicatie vorm gegeven wordt.

Advies veiligheidsregio
In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in de gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken.

Conclusies en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoort. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico).

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 12 motorvoertuigwegingen per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.

5.6 Bodem

Algemeen
Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.

Bodemsituatie
In 2019 is de locatie onderzocht (Verkennend bodemonderzoek Hondsberg 13 te Rosmalen, 16 januari 2020, Lycens, opgenomen in de bijlagen). Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen.

Uit het onderzoek blijkt dat chemisch-analytisch in zowel de boven- als de ondergrond geen verhoogde gehalten aangetoond zijn. De gemeten gehalten vormen geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie.

Grondwater
Chemisch analytisch is in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond. De gemeten concentratie overschrijdt de streefwaarde in geringe mate en vormt geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Aangezien met betrekking tot de licht verhoogde concentratie aan barium geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig.

Conclusie
De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanherziening, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie.

5.7 Geur

Industriële geur
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is.

Agrarische geur
Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied (buitengebied) kan geur hier een relevant aspect zijn. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd.

Doorwerking plangebied
Binnen het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Een onderzoek naar de geurbelasting is daarom niet noodzakelijk en de eventuele geurhinder vorm geen belemmering voor de ontwikkeling.

De varkenshouderij aan de Hondsberg 18 heeft zich aanvankelijk aangemeld voor de Stoppersregeling ihkv Besluit emissiearme huisvesting. Die regeling is op 1 januari 2020 afgelopen. Op 14 juni 2019 heeft het bedrijf echter al aangegeven door te willen gaan. Het aantal varkens is daarbij sterk afgenomen en zullen er alleen nog 836 gespeende biggen in bestaande stallen met de vereiste emissiearme stalsystemen worden gehouden. Het bedrijf is volgens de provinciale verordening gelegen in het gebied "beperking veehouderijen" op grond waarvan een verdere ontwikkeling van het bedrijf niet meer mogelijk is. Mocht de ingetekende loods die in het projectgebied is opgenomen wel als geurgevoelig worden beschouwd dan is deze op voldoende afstand gelegen van het dichtstbijzijnde emissiepunt van het varkensbedrijf (50 meter) en tot de dichtstbijzijnde gevel (25 meter).

Er is verder een uitsnede toegevoegd van de regionale geurkaart met de achtergrondgeurbelasting. Op de uitsnede hieronder voldoet Hondsberg 13 (gele bolletje) aan de achtergrondgeurnorm 20 OU/m3 uit de Verordening Ruimte (inmiddels Interim omgevingsverordening) daarmee kan al een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van geur worden gegarandeerd. Deze belasting wordt vrijwel geheel bepaald door een hoge voorgrondbelasting van het varkensbedrijf aan Hondsberg 18 en is gebaseerd op de voormalige bezetting van varkens. Zoals hiervoor aangegeven is het aantal varkens bij Hondsberg 18 ingekrompen en neemt in de nieuw gemelde situatie de geuremissie af van 7119 OUe naar 4598 OUe. Daarmee zou Hondsberg 13 wellicht zelfs kunnen voldoen aan de geurnorm 10 OUe/m3 van de GGD (en wordt het een groen bolletje).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0007.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0008.png"  
Figuur 5.2: Uitsnede regionale geurkaart met achtergrondbelasting  

5.8 Water

Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.

De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in de Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021. Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedsspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater 2017.

Het waterschap Aa en Maas heeft beleid en beleidsregels op verschillende thema's/ speerpunten. Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.

De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.

Uitgangspunten voor integraal waterbeheer

Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:

  • 1. Waterveiligheid

Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.

  • 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem

Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).

  • 3. Schoon Water

In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:

  • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
  • de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
  • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
  • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur

De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels.

Legger 

De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.'

Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021
Voor onderhavig plan is de Verordening, Water en Groen 's-Hertogenbosch van belang. Hierin is namelijk het volgende opgenomen met betrekking tot het verbod op het lozen van hemelwater op de riolering:

  • 1. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein;
  • 2. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen waarbij het volgende geldt:
    • a. De minimale te realiseren hemelwatervoorziening moet 60 mm (per m² verhard oppervlak) kunnen verwerken;
    • b. In de binnenstad is de vereiste hemelwatervoorziening 30 mm (per m² verhard oppervlak); zie de kaart in de toelichting;
    • c. Voor het oppervlak aan groen dak (in m²) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist.
  • 3. Bij elke activiteit geldt dat de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging niet af mag nemen.
  • 4. De voorzieningen als bedoeld in lid 2 dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden.
  • 5. De beheerder kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod.

Onderzoek
Het perceel is aangesloten op drukriolering. Hierop mag alleen vuilwater worden aangesloten, geen hemelwater. Hemelwater dient dan ook op eigen terrein te worden verwerkt.

Er wordt 80 m2 aan extra bebouwing gerealiseerd. Hoewel de grond waar deze bebouwing op komt te staan al verhard is (nu bedrijfsterrein), verandert de bebouwing en daarom dient getoetst te worden aan de normen. Feitelijk wijzigt er niets omdat het hemelwater van dat gebied nu ook al op eigen terrein afwatert. De verordening vraagt echter 80 m2 x 0,06 = 4,8 m3 berging. Dat kan bijv. in een greppel of poel of naar het aanliggende groene perceel en de onderdelen van de landschappelijke inpassing, gelegen binnen het plangebied worden afgevoerd.

Conclusie
Het aspect 'water' zorgt niet voor belemmeringen.

5.9 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  • a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
  • b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist.

 

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2).

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet, dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Ook is het plangebied vanwege de schaalgrootte en het feit dat het gaat om een relatief beperkte functie, niet aan te merken als 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. Een milieueffectrapportage of aanmeldingsnotitie zijn niet nodig. 

5.10 Ecologie

Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).


Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Onderzoek
In de uitgevoerde quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure 'Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen' van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Uit de quickscan blijkt dat negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van de beschermde flora- fauna en natuurwaarden op voorhand uitgesloten kunnen worden, mits aan de voorwaarden zoals opgenomen in de conclusie wordt voldaan.

Daar de voorgenomen ontwikkeling de beperkte uitbreiding van een bedrijf betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Echter gezien de afstand tot het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” (6,3 km.) en omdat het slechts om de realisatie van een bijgebouw gaat is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten.

Conclusie
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:

  • Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
  • In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.


Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

Onderzoek
Het plangebied is aangeduid met een hoge archeologische verwachting, zoals te zien is in figuur 5.3. Hierbinnen geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m² en meer dan 50 cm beneden maaiveld. Bij onderhavige ontwikkeling zullen alleen bodemingrepen worden verricht ten behoeve van de bouw van het bedrijfsgebouw (maximaal 80 m2) en voor de bestrating. Bij de bestrating wordt niet dieper dan 50 cm. gegraven dan het maaiveld. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De bestaande dubbelbestemming (uit het vigerende bestemmingsplan) wordt gehandhaafd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002453-1401_0009.png"  
Figuur 5.3: Archeologische verwachtingskaart  

Conclusie
Er worden geen archeologische waarden aangetast en het archeologiebeleid vorm daarom geen belemmering voor de ontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten

Inleiding
Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels.

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

Plansystematiek
Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden.

De regels zijn daarnaast afgestemd op de standaardregels van onze gemeente em het bestemmingsplan 'Buitengebied noord en Kloosterstraat'. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente nagestreefd.

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

  • 1. inleidende regels;
  • 2. bestemmingsregels;
  • 3. algemene regels;
  • 4. overgangs- en slotregels.


Hoofdstuk 1: inleidende regels
Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels
In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.


De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels
Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:

  • anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een be-stemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
  • algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van overschrijding van de bouwgrenzen en ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering.
  • algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.
  • algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet-ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten.


Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Er geldt vanuit afdeling 6.4 van de Wro geen verplichting tot kostenverhaal, omdat geen sprake is van een van de volgende bouwplannen:

  • de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;
  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

De gemeentelijke kosten worden gedekt door leges. De initiatiefnemer heeft de wens zijn bedrijf uit te breiden. Er zijn geen gronden om te twijfelen aan de economische uitvoerbaarheid van dit plan.

Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg

Omgevingsdialoog
Het is belangrijk om bij plannen in een vroegtijdig stadium de omwonenden en gebruikers van de gronden/ bouwwerken in de omgeving te betrekken. Vandaar dat een omgevingsdialoog is gevoerd, waarbij de initiatiefnemer de omwonenden/ gebruikers binnen een straal van 500 à 600 meter heeft uitgenodigd. Tijdens de dialoog heeft de initiatiefnemer zijn voornemen om te komen tot een herziening van het bestemmingsplan toegelicht, waaronder het verdwijnen van de containers op het terrein, de bouw van een nieuw gebouw van 80 m2 en het landschappelijke inrichtingsplan.

Over het algemeen is door de betrokkenen positief gereageerd op het voorgestelde plan, omdat het wordt ervaren als een vooruitgang ten opzichte van de huidige situatie. Ze wensen de initiatiefnemer dan ook succes met de uitvoering hiervan.

Eén van de betrokken personen heeft in beginsel geen problemen met de wijziging, maar vreest voor zijn plan om 3 woningen te bouwen, waarvan één van de woningen binnen de cirkel van 30 meter vanaf de bedrijfswoning komt te liggen.

Bij de uitwerking van het bestemmingsplan is hier rekening mee gehouden door de begrenzing van de bestemming bedrijf naar 'achteren' te verplaatsen en op het voorste deel de bestemming tuin te leggen.

Over het plan wordt, gezien de aard van het plan en de zorgvuldig en voortijdig gevoerde omgevingsdialoog, geen gelegenheid tot inspraak geboden.

Vooroverleg
Bij de voorbereiding van het plan is tevens het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gevoerd met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties. Door de volgende betrokkenen is een vooroverlegreactie ingediend:

  • Provincie Noord-Brabant. De provincie heeft aangegeven dat het provinciaal belang 'redelijk in het bestemmingsplan is vertaald'. De provincie verlangt een nadere motivering van de uitbreiding van het autoreparatiebedrijf aan de hand van art. 3.71 van de Interim omgevingsverordening (IOV). Verder verzoekt de provincie om in te gaan op art. 3.29 van de IOV (werkingsgebied Cultuurhistorische waarden). Deze nadere motiveringen zijn in par. 4.2 van deze toelichting opgenomen. Tot slot geeft de provincie aan dat de aanvullende benodigde investering in ruimtelijke kwaliteit (conform art. 3.9 IOV) onvoldoende inzichtelijk was in het voorontwerpplan. Hiertoe is het landschappelijk inpassingsplan aangepast, is een berekening van de kwaliteitsverbetering toegevoegd en is in par. 4.2 van de toelichting nader gemotiveerd hoe de vereiste kwaliteitsverbetering wordt behaald, mede aan de hand van een gebiedsanalyse.
  • Waterschap Aa en Maas. Het waterschap geeft aan dat er geen waterhuishoudkundige belangen van toepassing zijn en heeft enkel één tekstuele opmerking gemaakt omtrent de waterparagraaf. Deze opmerking is verwerkt (par. 5.8).

Het bestemmingsplan is met inachtneming van deze wijzigingen aangepast.


Ontwerpbestemmingsplan en vaststelling
Het ontwerpbestemmingsplan is op de wettelijk voorgeschreven wijze gepubliceerd en is gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon door eenieder zienswijzen worden ingediend. Er is één zienswijze ontvangen. Voor de inhoud van deze zienswijze en de gemeentelijke reactie wordt verwezen naar de bijlage 'Nota zienswijze bestemmingsplan 'Herziening bestemmingsplan Hondsberg 13 te Rosmalen'. Deze zienswijze hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De ingebrachte zienswijzen worden ongegrond verklaard.

Vaststelling

Het bestemmingsplan wordt 4 oktober 2022 ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het plan wederom gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen dit besluit.