direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Het Wielsem 4
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002393-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente 's-Hertogenbosch heeft van Jheronimus Vastgoed een verzoek om herziening van het bestemmingsplan op het perceel "Het Wielsem 4" ontvangen. Jheronimus Vastgoed heeft het voornemen ter plaatsen een appartementencomplex met 43 huurwoningen te ontwikkelen. Het nu geldend bestemmingsplan laat dit initiatief niet toe. Uit onderzoek is gebleken dat het voorgelegd initiatief ruimtelijk aanvaardbaar kan worden geacht. Dit bestemmingsplan is opgesteld om de realisatie van dit initiatief het planologisch juridisch mogelijk te maken.

1.2 Leeswijzer

De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de ligging van het plangebied en de bestaande situatie en het ingediend initiatief omschreven. De geldende beleidskaders van het Rijk, provincie en de gemeente op het plangebied worden omschreven in hoofdstuk 3. Daarbij wordt ook in het kort aangegeven in hoeverre het initiatief binnen deze beleidskaders past. In hoofdstuk 4 wordt wordt het initiatief ruimtelijk verantwoord. Ondermeer wordt ingegaan op stedenbouwkundige aspecten, het woningbouw beleid, parkeerbeleid, milieu, water en erfgoed. De juridisch bestuurlijke aspecten van het bestemmingsplan worden in hoofdstuk 5 behandeld. In hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid behandeld. Tot slot worden de resultaten van het vooroverleg, de inspraakprocedure en de ontwerpfase in hoofdstuk 7 behandeld.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Ligging en begrenzing plangebied

Het perceel HTG00 O5982 ('Het Wielsem 4') ligt ten noorden van het centrum van 's-Hertogenbosch in de wijk de Hambaken. De weg Het Wielsem, waar het perceel aan ligt, is een belangrijke ontsluitingsweg voor de wijk. Het perceel ligt nog steeds braak en grenst ten westen en ten noorden aan kantoorgebouwen en maatschappelijke voorzieningen. Ten zuiden van het perceel liggen tennisvelden. Het bestemmingsplan voorzag ook op het betreffende perceel een kantorengebouw. Vanwege de gewijzigde vraag is hier op deze locatie geen behoefte meer aan. In dit bestemmingsplan is onderzocht in hoeverre een woongebouw in de vorm van een appartementen complex ruimtelijk aanvaardbaar kan worden geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0001.png"

Figuur 1: Ligging perceel in de stad

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0002.png" Figuur 2: Ligging perceel in zijn omgeving

2.2 Geldend planregime

Het perceel ligt in het bestemmingsplan 'Noord'. Dit bestemmingsplan is op 22 mei 2013 onherroepelijk geworden. Volgens dit bestemmingsplan is op circa 19 meter gemeten van Het Wielsem op het perceel een kantorencomplex van maximaal 7 meter hoog toegestaan en een bebouwingspercentage binnen het bouwvlak van 70%.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0003.png"

Figuur 3: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan 'Noord'

2.3 Omschrijving ingediend initiatief

Het initiatief voorziet in de bouw van een appartementencomplex met 43 wooneenheden met een oppervlakte van maximaal 40 m². De appartementen worden gebouw voor de verhuur. Het gebouw wordt grotendeels in vijf bouwlagen uitgevoerd. Door de realisatie van een dakterras is er aan de zijde van het Wielsem een gedeeltelijke verlaging van de bouwhoogte. Het gebouw sluit qua hoogte aan bij het kantorencomplex ten noorden van het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0004.png"

Figuur 4: Impressie voorgenomen wooncomplex in vogelvlucht naar het noorden

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid:

  • 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • 2. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • 3. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen;
  • 7. het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen;
  • 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • 9. ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Eén van de dertien nationale belangen heeft betrekking op 'zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen'. Het rijk behartigt dit belang met de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als proces vereiste vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'.

Omdat het voornemen betrekking heeft op een woning(bouw)locatie, wordt het onderhavige plan gezien als een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 Bro). Er is sprake van een bestemmingsplan dat de bouw van 43 nieuwe woningen mogelijk maakt.

De regionale woningbouw afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). 's-Hertogenbosch maakt deel uit van het RRO Noordoost-Brabant. In de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant d.d. 17 december 2014 is de woningbouw opgave in de gemeente 's-Hertogenbosch begroot op 6.805 woningen in de periode 2014-2024. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave van 18.900 woningen. Voor de lange termijn - tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen. Hiertegenover staat een potentiële (netto) woningbouw capaciteit in de gemeente 's-Hertogenbosch van in totaal circa 8.400 woningen. Hiervan zijn circa 4.000 woningen harde plancapaciteit. Het voorgenomen initiatief voorziet, gelet op de harde plancapaciteit in verhouding tot de woningbouw opgave tot 2024 en daarna, in een actuele lokale en regionale behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Deze voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet dan ook in een actuele regionale behoefte. De woningen worden gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied. Het project voldoet aan de vereisten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

3.1.3 Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Dit besluit stelt eisen aan een bestemmingsplan daar waar het gaat om gebieden van nationaal belang:

  • rijksvaarwegen;
  • project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • kustfundament;
  • grote rivieren;
  • waddenzee en waddengebied;
  • defensie;
  • hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
  • elektriciteitsvoorziening;
  • buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • ecologische hoofdstructuur;
  • primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) één van de bovengenoemde gebieden.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt de voorheen geldende structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprograma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

De betreffende stedelijke ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Het aantal woningen past binnen de afspraken die in het Ruimtelijk Regionaal Overleg zijn gemaakt voor de periode 2014-2024. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de provinciale omgevingsvisie van zorgvuldig ruimte gebruik.

3.2.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Op 7 februari 2014 hebben de provinciale staten van Noord Brabant de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie RO 2010 vastgesteld. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De partiële herziening 2014 is op 19 maart 2014 in werking getreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0005.png"

Figuur 5: Uitsnede "structurenkaart" Structuurvisie ruimtelijke ordening

Op de Structurenkaart is het plangebied aangeduid als 'stedelijk concentratiegebied'. Binnen de stedelijke concentratiegebieden en de daarbij behorende zoekgebieden voor verstedelijking liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking. De voorgenomen ontwikkelingen passen binnen de provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

De uitwerking van het beleid ten aanzien van onderhavige ontwikkeling is opgenomen in de Verordening ruimte 2014. Deze verordening vormt de basis voor het dagelijks handelen van de Gedeputeerde Staten en dus voor de inzet van de instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

3.2.3 Verordening Ruimte Noord-Brabant

De Verordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. De Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant hebben op 14 maart 2014 een partiële herziening Verordening ruimte vastgesteld die op 19 maart 2014 in werking is getreden. Op 10 juli 2015 heeft de Provinciale Staten de Verordening 2014 opnieuw vastgesteld. Deze is op 15 juli in werking getreden.

In deze verordening zijn alle vastgestelde wijzigingen van het afgelopen jaar van regels en kaarten verwerkt, inclusief de wijzigingen vanwege het in procedure gebrachte ontwerp “Wijziging Verordening ruimte 2014, veegronde regels 2”. De wijzigingen zijn beleidsarm en zijn hoofdzakelijk technisch van aard.

De verordening is een uitwerking van de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening en bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

  • Ruimtelijke kwaliteit;
  • Stedelijke ontwikkelingen;
  • Natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • Agrarische ontwikkelingen;
  • Overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0006.png"

Figuur 6: Uitsnede themakaart stedelijke ontwikkeling verordening Ruimte

Het plangebied ligt volgens de verordening binnen de structuur "bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Het betreft hier stedelijk concentratiegebied waar het beleid van de provincie er al decennia lang op is gericht om hier stedelijke ontwikkeling te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan.

Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling, uiteraard binnen de grenzen van wetgeving en de regionale woningbouw afspraken. Wel is in artikel 3.1 een aantal bepalingen opgenomen over zorgvuldig ruimtegebruik en de verantwoording die de provincie daarover vraagt aan gemeenten.

In de Verordening ruimte 2014 zijn regels gesteld ten aanzien van wonen binnen het bestaand stedelijk gebied. De volgende regels zijn van toepassing:

  • Artikel 3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit;
  • Artikel 4.2 Stedelijke ontwikkeling;
  • Artikel 4.3 Nieuwbouw van woningen;

Per artikel wordt in cursief aangegeven of het initiatief voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld.

3.2.3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit;

In artikel 3.1 van de Verordening ruimte 2014 worden regels verbonden aan de ruimtelijke kwaliteit van de provincie. De regels hebben betrekking op bescherming van onder andere natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en zien toe op het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het plan dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Ingeval van stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking).

Er dient verder inzichtelijk gemaakt te worden wat de gevolgen zijn van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden.

De omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft. Een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg dient ten slotte te worden verzekerd.

Onderhavig plan is een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 Bro) omdat het betrekking heeft op een woning(bouw)locatie waarin een 43 woningen in een appartementencomplex worden gerealiseerd. Zoals in paragraaf 3.1.2 is beschreven voldoen de beoogde ontwikkelingen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In de toelichting wordt inzichtelijk gemaakt welke gevolgen de ontwikkeling heeft op de overige genoemde aspecten.

3.2.3.2 Stedelijke ontwikkeling;

In artikel 4.2 van de Verordening ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend gelegen is in bestaand stedelijk gebied.

De bouw van de woningen vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied.

3.2.3.3 Nieuwbouw van woningen binnen bestaand stedelijk gebied;

In artikel 4.3 van de Verordening ruimte 2014 worden regels gegeven met betrekking tot het bouwen van woningen binnen bestaand stedelijk gebied. De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. In het kader van verantwoording in ruimtelijke plannen gelden deze regels als uitgangspunt.

Verantwoord dient te worden de wijze waarop bovenstaande regionale afspraken worden nagekomen. Hieruit moet blijken dat de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw (capaciteit voor nieuw te bouwen woningen waarover een gemeente beschikt die wordt uitgedrukt in aantallen woningen). De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen en eventueel de aard van de woningen met betrekking tot speciale doelgroepen en woningbouwcategorieën en locaties waaraan in regionaal verband de voorkeur worden gegeven.

De regionale woningbouw afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). 's-Hertogenbosch maakt deel uit van het RRO Noordoost-Brabant. In de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant (17 december 2014) is de woningbouw opgave in de gemeente 's-Hertogenbosch begroot op 6.805 woningen in de periode 2014-2024. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave van 18.900 woningen. Voor de lange termijn - tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen. Hiertegenover staat een potentiële (netto) woningbouw capaciteit in de gemeente ‘s-Hertogenbosch van in totaal circa 8.400 woningen. Hiervan zijn circa 4.000 woningen harde plancapaciteit. Het voorgenomen initiatief voorziet, gelet op de harde plancapaciteit in verhouding tot de woningbouw opgave tot 2024 en daarna, in een actuele lokale en regionale behoefte.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Ruimtelijke StructuurVisie 's-Hertogenbosch

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het ‘ruimtelijk motto’ van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

3.3.2 Nota Wonen

Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Nota Wonen 2012 die is vastgesteld door de gemeenteraad op 11 september 2012. De ambitie voor het woonbeleid van 's-Hertogenbosch is het creëren van een evenwichtige woningmarkt met een gedifferentieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus zodat mensen naar tevredenheid in onze stad kunnen wonen en leven. Er wordt gestreefd naar een stad waar voldoende, betaalbare en passende woningen zijn en voldoende keuzemogelijkheden in gevarieerde en sterke buurten waarin mensen zich thuis kunnen voelen.

Deze ambitie is in de nota Wonen 2012 uitgewerkt in vier speerpunten van beleid: voldoende woningen, betaalbaar wonen, passend wonen, in sterke en vitale buurten.

De beleidsinzet van de gemeente voor woningbouw is dan als volgt:

  • voorzien in de toekomstige woningbehoefte door te streven naar de realisatie van gemiddeld 700 (met een bandbreedte van 500 tot 800) nieuwe woningen per jaar in de periode tot 2030;
  • voorzien in de behoefte aan voldoende betaalbaar wonen voor specifieke doelgroepen door minimaal 25% van de nieuwbouw in het sociale segment (huur en koop) te realiseren. Dit percentage kan per woningbouwlocatie verschillen, van maatwerk kan sprake zijn;
  • het vergroten van de woningdifferentiatie en -variatie in buurten en wijken, waardoor enerzijds het soms eenzijdige woningaanbod in buurten wordt doorbroken en anderzijds de keuzemogelijkheden voor woonconsumenten worden vergroot.
  • het innemen van een positieve en proactieve houding t.o.v. (kansrijke) initiatieven, door (binnen wettelijke kaders) meer ruimte te bieden, meer flexibiliteit en maatwerk te leveren bij bouwplanontwikkeling;
  • woonconsumenten meer mogelijkheden geven om hun woonwensen te realiseren door middel van o.a. (collectief) particulier opdrachtgeverschap.

Het aspect Wonen wordt ten aanzien van de voorliggende ruimtelijke ontwikkelingen in paragraaf 4.2  behandeld.

3.3.3 Nota kantoren- en bedrijventerreinenbeleid 2010-2020

Op 25 januari 2011 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Nota kantoren- en bedrijventerreinenbeleid 2010-2020 vastgesteld. Het aanbod en de leegstand van kantoor- en bedrijfsruimte is in de gemeente 's-Hertogenbosch relatief laag. In de Nota kantoren- en bedrijventerreinenbeleid wil de gemeente 's-Hertogenbosch niettemin het probleem van de leegstand van kantoor- en bedrijfspanden actief aanpakken, onder meer door terughoudendheid bij het ontwikkelen van nieuwe kantoorlocaties en bedrijventerreinen en bij het bouwen van nieuwe panden, meer aandacht voor de herontwikkeling van verouderd vastgoed, ruimhartig en creatief meedenken over mogelijkheden tot tijdelijke verhuur en gebruik van leegstaande panden en stimuleren van de onttrekking van incourant vastgoed door functiewijziging.

De behoefteprognoses voor nieuwe kantoren en bedrijventerreinen gaan uit van een lagere groei van de beroepsbevolking en minder ruimtebehoefte. Het 'schaarste'-beleid wordt daarom in de komende jaren voortgezet. De gemeente zet de komende jaren zwaar in op herstructurering en transformatie. Zij zoekt in goed overleg met de ondernemers naar oplossingen voor de wijziging van de bestemming van terreinen en/of ander tijdelijk gebruik van leegstaande bedrijfs- en kantoorpanden. Door het continu monitoren van de ontwikkelingen in de markt wordt voorkomen dat overaanbod en leegstand ontstaat.

De belangrijkste elementen in de Nota kantoren- en bedrijventerreinenbeleid 2010-2020 zijn de volgende:

  • Voor de korte en middellange termijn wordt rekening gehouden met een lagere ruimtebehoefte voor nieuwe kantoren en bedrijventerreinen. De gemiddelde uitgifte van bedrijventerrein lag de afgelopen vijf jaar op 2,5 hectare per jaar, de prognoses wijzen op een lagere behoefte. Ook de kantorenmarkt zal in de komende jaren minder een groeimarkt zijn en meer een verplaatsingsmarkt.
  • De Nota kantoren- en bedrijventerreinenbeleid 2010-2020 gaat uit van bepaald programma (gepland aanbod kantoorruimte in m², gepland aanbod bedrijventerrein in aantal bruto hectare) dat tweejaarlijks wordt herzien.
  • Naast de vraag naar grootschalige kantoorruimte bestaat een substantiële vraag naar kleinschalige kantoorruimte. Een groeiend aantal ondernemers, ZZP-ers en starters, zoekt kantoorruimte van 50 à 500 m². De gemeente wil voor de kleine kantoorgebruikers een gedifferentieerd aanbod bieden, zodat iedere ondernemer de ruimte kan kiezen die past bij de ontwikkelingsfase van zijn bedrijf. Deze kantoorgebruikers kunnen onder meer terecht in de plinten van woningbouwcomplexen en in kantoorverzamelgebouwen.
  • Er wordt actief ingezet op de uitvoering van het herstructureringsprogramma. Er zijn herstructureringsplannen voor circa 90 hectare bestaand bedrijventerrein. Dit komt overeen met ruim 16% van de voorraad. Bij ruim tweederde van de plannen gaat het om herprofilering, bij ruim een kwart om transformatie. Door herstructurering gaat bedrijventerrein verloren maar komt ook bestaand bedrijventerrein voor heruitgifte beschikbaar. Het saldo (de ruimtewinst) wordt voorlopig geschat op circa 20 hectare (40,5 tot 20,1 hectare). De belangrijkste ruimtewinst wordt geboekt op De Rietvelden en De Meerendonk.
  • Het beleid om de vestiging van zelfstandige kantoren op bedrijventerreinen te weren wordt voortgezet. Ook de vestiging van detailhandel, medische, sport- en vrijetijdsvoorzieningen op bedrijventerreinen wordt zoveel mogelijk tegengegaan. Slechts op een beperkt aantal bedrijventerreinen in de stad wordt een geleidelijke verkantorisering toegestaan, met dien verstande dat er geen kantoorontwikkeling voor de vrije markt is toegestaan.
  • Het sluitstuk van het kantoren- en bedrijventerreinenbeleid is de monitoring en handhaving. Jaarlijks wordt een schouw op de bedrijventerreinen uitgevoerd om oneigenlijk gebruik en strijdige situaties op te sporen en aan te pakken.
  • Voor milieuhinderlijke bedrijven wordt naar maatwerkoplossingen gezocht op De Rietvelden en in de toekomst mogelijk op De Brand II. Voor grote extensieve ruimtevragers is geen plaats op de bestaande en nieuwe bedrijvenlocaties in 's-Hertogenbosch. Gezamenlijk met de gemeenten Oss, Bernheze en Maasdonk zal het nieuwe regionale bedrijventerrein De Heesch-West in ontwikkeling worden genomen als modern gemengd terrein voor grootschalige ruimtevragers en milieuhinderlijke bedrijven.
  • Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt bij de (her)ontwikkeling van de werkterreinen.
  • Gekozen wordt voor een regionale samenwerking van onderaf, gedragen door gemeenten en bedrijfsleven.

Op 20 september 2018 heeft de gemeenteraad besloten vanwege het aantrekken van de markt het kantoren te actualiseren. Daarin is besloten het geldende kantorenbeleid te continueren volgens drie sporen:

  • transformatie van kantoorpanden op incourante kantoorlocaties;
  • verduurzaming van de bestaande kantoorvoorraad die op goed in de marktgelegen locaties is gesitueerd;
  • een beheersbare en verantwoorde verruiming van het kantooraanbod om adequaat te kunnen anticiperen op de geschetste ontwikkelingen in de kantorenmarkt.

Gelet op de ligging van het perceel leent de locatie zich slecht voor de ontwikkeling van een kantoorgebouw. Herprofilering van deze kantoorlocatie ligt dan ook voor de hand. Door het voorliggend initiatief wordt oppervlakte voor de vestiging van kantoren binnen de gemeente kleiner. Het initiatief voldoet daarmee aan het gemeentelijk beleid voor kantoren en bedrijven.

3.3.4 Nota Parkeren

Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de "Nota Parkeernormering 2016" dat op 21 september 2016 is vastgesteld. De nota geeft aan hoeveel parkeerplaatsen per functie en per stadsdeel gerealiseerd dienen te worden bij nieuwbouw. Het plangebied ligt volgens de "Nota Parkeernormering 2016" in zone 3: overige bebouwde kom (plaats) 's-Hertogenbosch.

In paragraaf 4.3 wordt over de ruimtelijke ontwikkeling op het aspect parkeren ingegaan.

3.3.5 Welstandsnota

Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen.

Het plangebied behoort tot het welstandsgebied 'Noord'. Uiteindelijk zal het bouwplan getoetst worden aan de welstandscriteria die in dit gebied gelden. Daarnaast gelden de algemene welstandscriteria als beoordelingskader. Op het plangebied is een algemeen welstandsniveau van toepassing. Het beleid hierbij is gericht op handhaving van de basiskwaliteiten van de wijk.

De Welstandscommissie heeft het ontwerp bouwplan zoals opgenomen in deze toelichting op 16 januari 2019 beoordeeld. Zij heeft aangegeven in onder voorwaarden positief over het bouwplan te willen adviseren.

3.3.6 Gemeentelijk Waterplan

Op 31 januari 2017 is door de gemeenteraad het Waterplan "Waterstad 2016 - Beleidsplan voor een klimaatbestendig, robuust en mooi watersysteem" vastgesteld . Het doel van het waterplan is een klimaatbestendig, robuust en mooi watersysteem te bewerkstelligen in de gemeente 's-Hertogenbosch. Het Waterplan betreft een koepelplan voor alle waterzaken. Het gaat daarbij om de gewenste inrichting en het beheer van oppervlaktewater en grondwater, als ook om de afvoer van hemelwater en afvalwater. Het Waterplan omvat het gemeenschappelijk beleid van gemeente en de waterschappen. De acties die door gemeente en waterschappen worden uitgevoerd, zijn opgenomen in het uitvoeringsprogramma dat loopt van 2016 tot 2020. Er wordt ingezet op het treffen van specifieke maatregelen om het watersysteem robuuster en aantrekkelijker te maken, en op het nog meer versterken van de integratie met andere beleidsvelden.

In paragraaf 4.6 wordt ingegaan op het aspect water.

3.3.7 Duurzaamheid

Op respectievelijk 31 januari 2017 en 3 april 2017 heeft de gemeenteraad het energietransitie-programma 's-Hertogenbosch 2016-2020 en de Woonagenda 2017-2018  vastgesteld. Hier zijn ambities gesteld ten aanzien van duurzaamheid.

De gemeente heeft de ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Daarom verzoekt de gemeente bij elke ruimtelijke ontwikkeling een energievisie als bijlage bij de ruimtelijke motivering. In de toelicht wordt hierop. Duurzaamheidsmaatregelingen zijn bijvoorbeeld gebruik van duurzame bronnen van energie, optimale isolatie en een lagere EPC dan de wettelijke, etc.

De energievisie verschaft inzicht in de maatregelen die exploitant voornemens is te realiseren en in het effect die deze maatregelen sorteren. De visie wordt getoetst door de gemeente. Uitvoering van de door de gemeente goedgekeurde energievisie zal in de anterieure overeenkomst als randvoorwaarde worden uitgewerkt.

Als uit de energievisie blijkt dat exploitant geen of onvoldoende maatregelen neemt zal dit in de de energievisie gemotiveerd moeten worden. Mocht het initiatief leiden tot een verslechtering van de situatie ten opzichte van de bestaande, dan behoudt de gemeente zich het recht voor om af te zien van verdere medewerking aan het initiatief.

In pararaaf 4.4.7 wordt ingegaan op de de duurzaamheidsaspecten bij deze ruimtelijke ontwikkeling.

3.3.8 Bomenbeleidsplan

Op 20 september 2017 heeft de gemeenteraad het Bomenbeleidsplan 2017 vastgesteld. Bomen zijn belangrijk voor 's-Hertogenbosch. Een evenwichtige omgang met groen en bomen door de gemeente past bij dit belang. In het bomenbeleidsplan staat op welke manier de gemeente omgaat met bomen en waarom. In het bomenbeleidsplan worden de bomen in de gemeente ingedeeld in categorieën. Zo ontstaat een beeld over welke bomen het behouden waard zijn en op welke manier. het bomenbeleidsplan gaat uit van vier categoriën:

  • I. monumentale bomen,
  • II. waardevolle houtopstanden,
  • III. structuren,
  • IV. sfeervlakken en sfeerbomen.

Het bomenbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is juridisch uitgewerkt in de Bomenverordening 2017. Als een vergunning voor het vellen van houtopstanden (in de volksmond bekend als kapvergunning) binnenkomt, wordt de reguliere vergunningsprocedure doorlopen. Bij het toetsen worden afwegingen onderbouwd door consequent dezelfde onderwerpen te beoordelen. Daarbij wordt een waardering voor boombehoud en de verwijderingsgronden tegenover elkaar gezet. Het is belangrijk de bomenverordening te handhaven. Naast handhavers zijn ook burgers de 'oren en ogen' van de gemeente. Als een melding van illegale velling binnenkomt, vindt een controle plaats en indien nodig wordt een handhavingstraject gestart.

In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op het aspect bomen.

3.3.9 Erfgoed

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen.

Een motivatie ten aanzien van het archeologiebeleid is opgenomen in paragraaf 4.8.

3.3.10 Nota Grondbeleid

In de Nota Grondbeleid 2005 (februari 2005) stelt de Raad primair de kaders vast voor het door het college te voeren grondbeleid. Grondbeleid wordt door de gemeente 's-Hertogenbosch gezien als het beleid dat, ten behoeve van de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van ruimtelijke ordening, streeft naar het creëren van ruimte voor wonen, werken, winkelen en recreëren in zowel uitleggebieden als bestaand stedelijk gebied, door het oppakken of ondersteunen van concrete ontwikkelinitiatieven.

In de Nota Grondbeleid zijn de kaders voor actief en passief grondbeleid, het prijsbeleid, de financiële grondslagen, het risicomanagement en de mate waarin voorzieningen worden opgenomen in de grondexploitatievastgelegd.

In het Hoofdstuk 6 wordt aandacht besteed aan de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke verantwoording

4.1 Stedenbouw

4.1.1 Planopzet

Plangebied betreft het kavel op de hoek van de Salvador Allendelaan en Het Wielsem, gelegen in de wijk Hambaken (Noord). Het kavel wordt aan weerszijden omgeven door kantoren van verschillende hoogte. Inzet is hier appartementencomplex met 43 huurappartementen met een oppervlakte van maximaal 40m2 bvo te realiseren.

Het kavel heeft al lang braak gelegen. Bebouwing van de locatie lijkt mogelijk en is stedenbouwkundig ook wenselijk op deze prominente locatie, gelegen op de kruising van een belangrijke wijkontsluitingsweg (Het Wielsem) en de zuidelijke buurtonsluiting (Salvador Allendelaan) van de noordwestelijk gelegen buurt. Het vormt een mooie afronding van het bouwblok met verschillende functies.

4.1.2 Ruimtelijke inpassing

Positionering bebouwing

Het bouwplan past binnen het oorspronkelijke de bouwvlak van het Bestemmingsplan Noord (onherroepelijk 22 mei 2013) op deze locatie. Teneinde de buitenruimte voor het gebouw gebruiksvriendelijk in te richten voor parkeren en groen zijn de rooilijnen van het gebouw zelfs iets teruggelegen ten opzichte van de voorgevelrooilijnen belendende bebouwing aan het Wielsem en de Salvador Allendelaan. De hoofdontsluiting van het gebouw ligt aan de Salvador Allendelaan. Aan weerszijden (oostzijde aan het Wielsem en westzijde tegen de naastgelegen kavels) ligt een insteek met parkeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0007.jpg"

Figuur 7: positionering voorgenomen bebouwing ten opzichte van het oude bestemmingsplan.

Verschijningsvorm bouwmassa

Het bouwplan is kubusvormig ontworpen, waardoor de ruimtelijke functie als hoekgebouw in het bebouwingsblok wordt benadrukt. De hoogte van 15 meter komt overeen met het naastgelegen kantoorgebouw aan het Wielsem, waarmee het wegprofiel sterker afgekaderd wordt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0008.png"

Figuur 8: nieuwe gevelwand Het Wielsem

Aan de zijde van Het Wielsem is bovendien op de bovenste verdieping een hap uit het gebouw gehaald, ten behoeve van een beschut dakterras voor gezamenlijk gebruik. Op de begane grond is de voorgevel ter hoogte van de entree en westelijke terreinontsluiting teruggelegd, zodat mensen droogstaan als ze de hoofdentree of de fietsenberging betreden en er op maaiveld voldoende ruimte is om in te draaien voor het parkeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0009.jpg"  

Figuur 9: zuid en oostgevel met dakterras op verdieping

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0010.jpg"

Figuur 9a: zuid en westgevel met terug gelegen begane grond

Inrichting terrein

Het perceel is beperkt van omvang en sluit niet direct aan op een woongebied. Zorgvuldige inrichting van het terrein en opzet van het gebouw zijn mede bepalend voor het woonklimaat ter plaatse. Belangrijke ruimtelijke kwaliteit bij het plan is de openbare ruimte met water, groen en bomen aan Het Wielsem zelf. Deze blijft ongewijzigd.

De buitenruimte bij het gebouw zelf is zoals gezegd beperkt, maar efficiënt ingericht. De overgangen met het openbaar gebied worden gemarkeerd met een robuuste groene haag. Op het terrein zelf is sprake van twee insteken met parkeren en een voorterrein bij de entree.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0011.png"

Figuur 10: doorsnede west-oost

Aan de zijden van Het Wielsem van het gebouw zijn woningen op de begane grond gelegen. Om afstand te houden tussen de woningen en het parkeren is een strook met door hagen omheinde tuinen opgenomen. Aan de westzijde van het gebouw zijn geen appartementen op de begane grond gerealiseerd, maar zijn de entree en de gemeenschappelijke ruimten (oa fietsenberging) gerealiseerd. Deze zijn direct vanaf het parkeerterrein bereikbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0012.png" Figuur 11: inrichtingsplan met groen en parkeren

De ruimte aan de Salvador Allendelaan is ingericht als voorerf. Voor de entree is een open ruimte met een boom, een fietsenstalling voor het bezoek en ondergrondse afvalcontainers. De ruimte langs en voor de gebouwentree is iets verhoogd uitgevoerd, zodat het duidelijk is voor bezoekers dat hier niet geparkeerd kan worden. Eventueel kan hier wel opgereden worden om te steken, mocht dit nodig zijn.

4.2 Wonen

Het gemeentelijk beleid gaat in op het realiseren van nieuwe/extra woningen voor de huisvesting van de bevolking. Het voornemen voorziet in de ontwikkeling van 43 huurwoningen. Daarmee draagt het initiatief bij aan het voldoen de woningbehoefte binnen de gemeente 's-Hertogenbosch. Minimaal 11 woningen (25% van het totaal aantal woningen) worden gerealiseerd in de sociale huursector. De voorgenomen ontwikkeling van deze sociale huurwoningen en de instandhouding daarvan wordt juridisch vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Het voornemen voldoet daarmee aan de gemeentelijke Nota Wonen.

4.3 Verkeer en parkeren

Het appartementencomplex voorziet in 43 appartementen met een bruto vloeroppervlak van minder dan 40 m². Volgens de nota parkeernormering genereert het complex een behoefte van 27,95 (28) parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden conform beleid op eigen terrein aangelegd. Daarmee wordt voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch.

Om de parkeerplaatsen achter op het perceel optimaal te kunnen benutten is een verbijzondering in het gebouw aangebracht. De achtergevel van de begane grond ligt hier terug ten opzichte van de bovenbouw. Deze verbijzondering in het gebouw wordt in het bestemmingsplan vastgelegd om optimaal gebruik van deze parkeerplaatsen te kunnen garanderen. Het fietsparkeren voor de bewoners vindt in voldoende mate binnen het gebouw plaats.

De ontsluiting van het perceel vindt plaats op de Salvador Allendelaan. De voorgenomen woningen genereren een toename van circa 210 motorvoertuig bewegingen (mtv) per etmaal. Van deze motorvoertuig bewegingen zullen er 10% (21 mtv) tijdens de ochtendspits en 10% (21 mtv) tijdens de avondspits plaatsvinden. Dit zijn circa 1,05 motorvoertuigbewegingen per 3 minuten tijdens deze drukste uren. De overige 168 bewegingen vinden buiten deze perioden plaats. Dit betekent dat er buiten de spits om circa 8 mvt bewegingen per uur plaatsvinden. Daarmee is de verkeerstoename die het voornemen genereert minimaal te noemen.

De huidige situatie op Het Wielsem en de Salvador Allendelaan is verkeerstechnisch voldoende overzichtelijk om de hierboven genoemde toename aan motorvoertuigen aan te kunnen.

4.4 Milieu

4.4.1 Inleiding Milieu

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

4.4.2 Bedrijfs- en milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde wijze (door afstand of bouwkundige maatregelen) gesitueerd worden. Enerzijds dient milieuzonering om hinder als gevolg van bedrijven te voorkomen en anderzijds dient het om bedrijven hun activiteiten te kunnen laten uitvoeren binnen de gangbare (hinder)normen. Om dit zorgvuldig af te wegen en te verantwoorden is de VNG-Handreiking “Bedrijven en milieuzonering” gehanteerd.

Met onderhavig plan wordt binnen het plangebied de huidige kantoorbestemming gewijzigd in de bestemming wonen. Op een afstand van circa 20 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een tennisvereniging binnen een sport-bestemming. De indicatieve hinderafstand van een tennisbanen met veldverlichting betreft 50 meter. Aangezien onderhavig woonobject zich bevindt binnen deze indicatieve hinderafstand bevindt, is de geluidssituatie van de tennisvereniging beschouwd, enerzijds om hinder als gevolg van de tennisclub te voorkomen en anderzijds om de belangen van de tennisvereniging niet te schaden. De tennisvereniging dient met de komst van woonobjecten op korte afstand van de tennisbanen te kunnen blijven voldoen aan de gangbare geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Dit wordt nader beschouwd in de geluidsparagraaf.

Ook licht en eventuele hinder daarvan is hier vanwege de aanwezige lichtmasten op het tennispark een relevant aspect. Uit het de lichtmeting van 14 september 2018 (Bijlage 12) komt naar voren dat er ter plaatse van het geprojecteerd woongebouw geen lichthinder van de lichtmasten op de naastgelegen tennisbanen aanwezig is. Daardoor is een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat door lichthinder uitgesloten.

Verder bevinden zich op korte afstand van het woonpand een maatschappelijke bestemming en diverse kantoorbestemmingen. Deze bestemmingen zijn dusdanig weinig milieubelastend dat ze zich prima direct naast woningen kunnen bevinden zonder hinderlijke situatie of het schaden van belangen.

Hinder bij het geplande woongebied als gevolg van de aanwezige bedrijvigheid c.q. maatschappelijke functies wordt niet verwacht. Eventuele geluidshinder van de tennisvelden wordt nader beschouwd in de geluidsparagraaf en eventuele hinder en/of belangen worden via passende maatregelen ondervangen De geplande woonfuncties worden (in combinatie met deze maatregelen) passend geacht in dit gemengde gebied.

4.4.3 Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op grond van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid kent voor een aantal bestemmingen (zoals wonen) in combinatie met een aantal typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Onderhavig bestemmingsplan maakt woonfuncties mogelijk in de vorm van een 43-tal appartementen (woningen). Aangezien de woonfuncties zich binnen de invloedssfeer van de wegen 'Het Wielsem' en de 'Sint Teunislaan' bevinden, is voor deze planwijziging akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai uitgevoerd.

Ook bevinden de woonfuncties zich binnen de hindercontour van de tegenover liggende tennisvelden. Uit eerdere geluidsonderzoeken (2005) is gebleken dat ter plaatse van het plangebied de geluidsnormen van de tennisvereniging kunnen worden overschreden. Het bestemmen van nieuwe woonobjecten op deze planlocatie kan daarom de bedrijfsbelangen schaden, danwel kan hinder worden ondervonden door nieuwe bewoners. Het geluidsaspect van de tennisvereniging valt onder de noemer 'industrielawaai'.

Zowel het wegverkeerslawaai als het 'industrielawaai' worden beschouwd in deze paragraaf.

4.4.3.1 Wegverkeerslawaai

Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna Wgh) als geluidgevoelige functies aangemerkt en moeten voldoen aan de normen die zijn gesteld in de Wgh. Voor akoestisch onderzoek dient de geluidsbelasting te worden berekend met een tijdshorizon van tien jaar. Derhalve is gerekend met de (verkeers)gegevens voor het jaar 2027.

Deze paragraaf gaat achtereenvolgens in op het wettelijk kader en op de resultaten en conclusies (en dus de nodige maatregelen) van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar het onderzoek van Jansen Raadgevend Ingenieursburo ('Het Wielsem 4' te 's-Hertogenbosch - Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ten behoeve van de nieuwbouw van appartementen', kenmerk 816.270/55.390/RA1-VL d.d. 12 december 2017, Bijlage 1) en twee aanvullende geluidnotities: Notitie 1 – Het Wielsem 4: Reactie op commentaar geluidrapporten (nr. 816.270/55.390/NO1, d.d. 29 januari 2018, Bijlage 2) en Notitie 2 – Het Wielsem 4: Reactie op commentaar Voorzieningen (nr. 816.270/55.390/NO2, d.d. 29 januari 2018, Bijlage 3).

Wettelijk kader

Langs alle wegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling is binnenstedelijk en ligt binnen de zone van 200 meter van 'Het Wielsem' en de 'Sint Teunislaan'. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Deze voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:

  • 1. Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding)
  • 2. Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming)
  • 3. Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie gevel)

Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden een hogere waarde vaststellen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij woningen. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een druk gebied langs een doorgaande weg met reeds verhoogde geluidsbelastingen. Een hogere waarde mag in deze situatie (nabij gemeentelijke wegen) de maximale geluidsbelasting van 63 dB niet overschrijden. Gangbare voorwaarden voor een vast te stellen hogere waarde zijn bijvoorbeeld een aanwezige geluidsluwe (rustige) zijde waar bijvoorbeeld een geluidsgevoelige ruimte (als slaapkamer) gesitueerd is en vanuit een rustige (luwe) buitenzijde op natuurlijke wijze kan worden geventileerd.

Naast het toetsingskader en wettelijke eisen ingevolge de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB op grond van het Bouwbesluit. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.

Optimalisatie & Maatregelen

Uit de geluidsberekeningen blijkt dat – als gevolg van het wegverkeer over 'Het Wielsem' en 'Sint Teunislaan' - de voorkeurswaarde van 48 dB op het geprojecteerde woonobject wordt overschreden. Deze overschrijding vindt voornamelijk plaats aan de oostzijde van het pand en in mindere mate aan de noord- en zuidzijde. Het wegverkeerslawaai komt op geen gevel boven de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit. Bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen ten aanzien van het wegverkeerslawaai van deze wegen zijn in het geluidsonderzoek beschouwd, echter niet mogelijk, financieel niet haalbaar of niet redelijk te noemen. Ook het vergroten van de afstand tussen geluidsbron en het gebouw zal geen effectieve optie zijn. Dit is nader onderzocht en beschouwd in het akoestisch onderzoek.

Resultaten

Zoals gezegd blijkt uit de berekeningen dat de gevelbelastingen volgens de planopzet niet boven de maximaal te ontheffen geluidswaarde van 63 dB uitkomt. Wel wordt hier de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden. De oostzijde van het pand is het hoogst belast met 53 en 54 dB op de gevels. De gevel aan de noord- en zuidzijde is minder belast met 48 tot 50 dB. Aan de westzijde – de luwe zijde – ligt de belasting onder de voorkeurswaarde, dus beneden 48 dB.

Daar waar de gevel is belast met meer dan 48 dB dient een hogere waarde te worden verleend. Aan het verlenen van een hogere waarde worden voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden zijn ten gunste van het woon- en leefklimaat van de bewoners. Deze voorwaarden zijn afhankelijk van de hoogte van de gevelbelasting alsook de ambitie die we in dit gebied nastreven. Onderhavig plangebied is te typeren als 'stromingszone'. Daar streven we een geluidsklasse na van 'onrustig' (als gevolg wegverkeer: 48 – 53 dB) met 'lawaaiig' (58 – 63 dB) als bovengrens.

Maatregelen woningen

Zoals gezegd worden aan de te verlenen hogere waarden eisen gesteld ten gunste van het woon- en verblijfsklimaat. Volgens onze 'Nota hogere waarde' wordt – naast een hoog belaste gevel - gestreefd naar ten minste één geluidluwe gevel voor elke appartementwoning. Bij een buitenruimte (tuin bij woningen, balkon bij appartementen) dient deze ruimte te voldoen aan de ambitiewaarde van het betreffende gebied.

Gezien de planopzet beschikken de appartementen niet over een eigen buitenruimte. Wel zal een gezamenlijk dakterras op de 4e verdieping gerealiseerd worden waar met de geluidbelasting kan worden voldaan aan de ambitiewaarde voor gebiedstype 'Stromingszone'.

Om redenen is het woongebouw van een opzet waarbij niet alle appartementen beschikken over een geluidsluwe gevel. Een geluidsluwe gevel is hier bedoeld om rustig te kunnen ventileren op de buitenlucht, zonder hinder te hebben van het verkeerslawaai. Met dit plan worden alternatieve voorzieningen getroffen om de appartementen toch op een comfortabele wijze rustig te kunnen laten ventileren op de buitenlucht. Deze voorzieningen (aan de oostgevel) staan beschreven (en gemodelleerd) in de aanvullende geluidsnotitie en dienen als zodanig te worden uitgevoerd. Tevens worden de ramen voorzien van suskasten voor de permanente ventilatie. Daarbij worden de te openen delen worden voorzien van een deugdelijke kierdichting en voldoende zware beglazing. De bedoelde voorzieningen zullen resulteren in een demping van circa 3 dB en kan worden gebruikt als (extra) nachtventilatie.

De belasting aan de oostgevel bedraagt maximaal 54 dB. Met een demping van 3 dB wordt dan geventileerd met een belasting van maximaal 51 dB. Wij zijn van mening dat hiermee prima en op een rustige wijze geventileerd kan worden in de appartementwoningen en direct op de buitenlucht.

Conform de 'Nota hogere waarde' wordt normaliter een indelingsverplichting gevraagd bij gevelbelastingen boven 53 dB. Echter, gezien de opzet van het woonpand, beperkt woonoppervlak en het gegeven dat op slechts enkele (3) bouwlagen ook enkel aan de oostzijde een minimale verhoging van +1 dB (boven 53 dB) optreedt, is hier geen indeling verplicht gesteld. Wij zijn van mening dat het woon- en leefklimaat hierdoor niet onacceptabel zal zijn.

Naast de voorwaarden volgens de verleende hogere waarden dient tevens te worden voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB op grond van het Bouwbesluit. Voor het bepalen van de gevelisolatie wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidsbelasting. Deze gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt (volgens tabel 1 uit het geluidsonderzoek) op geveldelen maximaal 60 dB. De gevel dient daar dan een isolatiewaarde te bezitten van tenminste (60 – 33) 27 dB. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal (via een gevelweringsonderzoek) moeten worden aangetoond dat aan de binnenwaarde van 33 dB wordt voldaan.

4.4.3.2 Industrielawaai - tennisvereniging

Uit het opgestelde geluidsonderzoek blijkt dat de geluidsbelasting van de tennisclub op de nieuwe geluidsgevoelige gevels boven de geldende geluidsnormen uitkomt. Hierbij is enkel de westelijke gevel relevant te noemen. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat ter plaatse van de oost- en noordgevel kan worden voldaan aan de geldende geluidsnormen. De zuidgevel is niet geluidsrelevant te noemen, aangezien deze doof (geen te openen delen) wordt uitgevoerd. De belasting aan de relevante westgevel varieert afhankelijk van de plaats tot 57 dB(A). Maatregelen zullen nodig zijn om de tennisclub te kunnen laten voldoen aan de geldende geluidsnormen. Derhalve is in de voorwaarde van dit bestemmingsplan opgenomen dat ook de westgevel in beginsel doof moet worden uitgevoerd. Enerzijds om de belangen van de tennisclub niet te schaden, anderzijds om hinder bij de nieuwe bewoners te voorkomen.

In tegenstelling tot de zuidgevel wordt in de regels van het bestemmingsplan voor het doof uitvoeren van de westgevel een afwijkingsbevoegheid opgenomen. Als uit de omgevingsvergunning op grond van een geluidsonderzoek gemotiveerd blijkt dat er voldoende geluidsafschermende maatregelen worden getroffen zodat de tennisinrichting kan blijven voldoen aan het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag afwijken van een verplichte dove gevel aan de westzijde. Daarbij moet in het geluidsrapport uitgegaan van de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden die op de tennisinrichting van kracht is.

In de aanvraag om omgevingsvergunning zullen de geluidsvoorzieningen bovendien duidelijk moeten worden uitgewerkt en gemotiveerd. Met het uitvoeren van deze maatregelen kan de tennisinrichting blijven voldoen aan de gangbare geluidsnormen volgens het Activiteitenbesluit.

4.4.4 Luchtkwaliteit

Bij lucht gaat het enerzijds om de productie van luchtverontreiniging als gevolg van nieuwe plannen – waarop de luchtkwaliteitseisen van de Wet Milieubeheer van toepassing zijn – als om de zorg van kwetsbare functies in luchtbelaste zones uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze door vrijwel geen of een beperkte toename aan verkeer niet betekenisvol bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. Voor dergelijke kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die mogelijk weinig effect zouden kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan luchtverontreiniging. De rekentool voldoet aan de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Het omslagpunt waarbij een project een bijdrage zou kunnen leveren aan de luchtkwaliteit ligt bij circa 1500 motorvoertuigen per etmaal. Deze aantallen voertuigbewegingen worden als gevolg van dit plan – met een veertigtal nieuwe woonobjecten - nimmer gehaald. Het plan draagt door de weinig optredende verkeersbewegingen niet in betekenende mate bij (NIBM) aan de luchtverontreiniging. Het plan is daarom niet afzonderlijk getoetst aan de Wet luchtkwaliteit, een apart luchtonderzoek is niet nodig.

Los van de formele toets, is wel de plaatselijke luchtkwaliteit beschouwd. Uit de landelijke luchtkwaliteitskaart (NSL Monitoringstool) blijken de huidige jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 (fijn stof) ter plaatse van deze locatie aan Het Wielsem respectievelijk onder 30 en onder 22 microgram/m3 te liggen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde (van jaargemiddeld 40 microgram/m3) van deze stoffen. De jaargemiddelde concentratie ultrafijn stof (PM2,5) bevindt zich hier beneden 15 microgram/m3 (grenswaarde is 25 microgram/m3).

De optredende concentraties voldoen hier ruim aan de daarvoor geldende grenswaarden. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er voor dit plan geen belemmeringen.

4.4.5 Bodemkwaliteit

Bij het opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.

In 2017 is de bodem ter plaatse van het plangebied onderzocht (Van Oort bodemonderzoek, d.d. 05-09-2017, projectnummer HWS.383417, Bijlage 8). Uit dit onderzoek is geen ernstig geval van bodemverontreiniging gebleken. Een aanvullend bodemonderzoek is niet nodig. Uit de totale beoordeling blijkt dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling met functie wonen.

4.4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een

bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit.

4.4.6.1 Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Zo worden in de beleidvisie gebieden aangeduid met kleuren groen, oranje en rood waarin bepaalde objecten niet (rood), mogelijk via maatwerk (oranje) of zonder meer wel (groen) worden toegelaten.

De beoogde ontwikkeling van een 40-tal woningen (als kwetsbare objecten) vindt plaats in een groen gebied (buiten de 325 meter van het spoor en de wegen). Kwetsbare objecten zijn hierin volgens het EV-uitvoeringskader toegelaten.

4.4.6.2 Beschouwing risicobronnen

Bedrijven

Op circa 300 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een tankstation met LPG. Het belangrijke LPG-vulpunt (risicobron) bevindt zich echter op grotere afstand, namelijk 500 meter van het plangebied. De planlocatie bevindt zich derhalve ruim buiten het invloedsgebied (van 150 meter) van het LPG-tankstation. De risico's van het tankstation zijn hierdoor niet relevant te noemen. Verder zijn geen andere relevante risicovolle inrichtingen (bedrijven) aanwezig, die van invloed zijn op het plangebied.

Transportroutes

De Rijksweg A59 bevindt zich op circa 950 meter ten noorden van het plangebied. Het spoor op circa 550 meter ten westen van het plangebied. Zowel het spoor als A59 betreft een transportroute van gevaarlijke stoffen. Ter plaatse van het plangebied wordt voor deze twee transportroutes voldaan aan het belangrijke PR. Bekend is dat het huidige GR voor zowel het spoortraject richting Utrecht als de A59 zich onder de geldende oriëntatiewaarde van 1 bevindt. Verder geldt voor ontwikkelingen buiten 325 meter van deze transportroutes dat op een dergelijke afstand een ontwikkeling geen invloed meer heeft op de hoogte van het GR. Het bestrijdbaarheidvraagstuk speelt hier niet of nauwelijks, omdat de bestrijding bij de bron plaatsvindt op ruime afstand van het plangebied. Binnenplans zou enkel nog aandacht kunnen worden besteed aan beheersbaarheidsmaatregelen om de gevolgen van een toxisch scenario tegen te gaan, zoals mechanische afsluiting van het gebouw. In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van transportassen geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld en dat het in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer.

4.4.6.3 Conclusie

Het plan voldoet aan de belangrijke grenswaarde voor het PR van risicobronnen en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in het Uitvoeringskader externe veiligheid van de gemeente 's-Hertogenbosch. Gezien de ruime afstand tot risicobronnen zal de ontwikkeling van dit 40-tal woningen geen significante invloed hebben op het huidige GR van de (op afstand gelegen) risicobronnen, die al beneden de oriënterende waarde van 1 ligt. Aanvullend wordt opgemerkt dat door de huidige isolatie-eisen en kierdichting aan woningen eventuele dampen en gassen moeilijk kunnen binnendringen in woningen. Indien ramen en deuren gesloten blijven, bieden hedendaagse woningen voldoende bescherming ten tijde van een toxisch scenario. Verder is over het algemeen binnen de bebouwde kom van de gemeente 's-Hertogenbosch de WAS-dekking op orde. Daarnaast kan in geval van een calamiteit NL-alert in worden gezet. Aanvullende veiligheidseisen zijn conform de afspraken met de Veiligheidsregio niet nodig en niet gesteld gezien de grote afstanden tot het spoor, de Rijksweg en het LPG-tankstation.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor onderhavig plan.

4.4.7 Energie en duurzaamheid

Binnen de gemeente 's-Hertogenbosch is ons klimaat- en energiebeheer een belangrijk speerpunt. De ambitie is om als stad in 2050 klimaatneutraal te zijn. In 2035 dient de bebouwde omgeving klimaatneutraal te zijn. Hierdoor wordt het milieu en het klimaat in het algemeen minder belast. Energiebesparing draagt bij aan de vermindering van de uitstoot van CO2 in Nederland. Een ander voordeel van duurzaam bouwen is de energiebesparing, en daarmee ook de kosten voor het energieverbruik. De gemeentelijke ambitie van een klimaat neutrale bebouwde omgeving is een flinke ambitie waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel moet doen maar ook de bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017.

Voor energie, als speerpunt van het gemeentelijk milieubeleid, wordt voor nieuwbouw van woningen gestimuleerd voor te sorteren op ten minste de energie-eisen zoals deze al in 2020 voor nieuw te bouwen woningen zullen zijn, namelijk BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw). De ambitie blijft natuurlijk volledig energieneutraal (EPC = 0). Door ontwikkelaar is uitgesproken het woongebouw zonder aardgas-aansluiting te willen ontwikkelen en het dakoppervlak te benutten voor het (duurzaam) opwekken van zonne-energie (Bijlage 9). Door de ontwikkelaar wordt verder op bouwplan-niveau bekeken welke maatregelen verder getroffen kunnen worden om te komen tot een 'Bijna-Energie-Neutraal Gebouw'. Vanzelfsprekend wordt aandacht besteed aan het optimaliseren van de isolatieschil van het gebouw. Verder wordt gedacht aan een warmtepompinstallatie met bodemlus, toepassing van 'lage temperatuur vloerverwarming' en Ledverlichting in de gemeenschappelijke ruimten.

4.5 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een M.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  • a. er sprake is van een M.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
  • b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2).

Een stedelijk ontwikkelingsproject is M.e.r. beoordelingsplichtig, als het een ontwikkeling betreft met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of van meer dan 2000 woningen of dat meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet, dus op grond hiervan is geen M.e.r. verplicht.

ad b.

Het plangebied ligt in stedelijk gebied. De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebieden in de omgeving (Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek, Loonse en Drunense Duinen& Leemkuilen). De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.

Er heeft een vormvrije m.e.r. beoordeling plaatsgevonden.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt ook uit de milieuparagraaf (paragraaf 4.4) van dit bestemmingsplan.

De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Vanwege de ligging van het plangebied en opzichte van gevoelige gebieden, worden er ook geen negatieve effecten verwacht in de nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een M.e.r. niet noodzakelijk wordt geacht.

Het bevoegd gezag heeft dan ook besloten dat voor de voorgenomen activiteit geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld.

4.6 Water

4.6.1 Watertoets algemeen

Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer op 14 februari 2001 door Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, werd de watertoets van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

In ruimtelijke plannen wordt de waterhuishouding beschreven in de zogenaamde 'waterparagraaf'. Belangrijk in de waterparagraaf is de omgang van het hemelwater en het vuilwater.

4.6.2 Hemelwaterbeleid

De gemeente 's-Hertogenbosch wil een klimaatbestendige gemeente worden en blijven. Dat betekent dat hemelwater duurzaam wordt benut en niet tot onnodige schade mag leiden, nu en in de toekomst. Bebouwing en verharding zorgen ervoor dat hemelwater niet meer de natuurlijke route kan volgen en in de bodem wegzakken. Dit hemelwater zal in plaats daarvan te snel en ongebruikt wegstromen of blijven staan op lage delen. Het benutten, vasthouden en vertragen van hemelwater heeft meerdere voordelen die we graag willen benutten. Zo wordt het grondwater aangevuld met hemelwater (het tegengaan van zogeheten 'verdroging') en krijgen bomen, gewassen en andere planten weer water beschikbaar. Verder verbetert het de efficiëntie van de rioolwaterzuivering. Deze werkt namelijk beter als het vuile afvalwater niet verdunt is met schoon hemelwater. Ook wordt overbelasting van de riolering en de rioolwaterzuivering vermeden. Bij overbelasting wordt het teveel aan water afgevoerd via nooduitlaten, waardoor verdund, maar ongezuiverd rioolwater vrijkomt.

Het benutten, vasthouden en vertragen van hemelwater van bebouwing en verhardingen is daarom noodzakelijk. Dat doen we binnen de wettelijke kaders, waarbij de gemeente een zorgplicht heeft én er een taak ligt bij de perceeleigenaar. De aanpak om hemelwateroverlast te beperken en hemelwater ter plekke duurzaam te verwerken, wordt verankerd in dit hemelwaterbeleid. Daarmee vragen we eenieder die nieuw verhard oppervlak aanlegt of bestaand verhard oppervlak aanpast om een voorziening te realiseren voor het hemelwater.

4.6.3 Waterbergingsopgave

Conform de gemeentelijke hemelwaterverordening geldt bij iedere nieuwe verharding of bestaande verharding die wordt vervangen een bergingsopgaaf van 60 mm hemelwater per vierkante meter verhard oppervlak. Deze eis geldt overigens niet voor iedere m2 die aan groendak wordt aangelegd. Hiermee stimuleert de gemeente de aanleg van groene daken. Met de bergingsopgaaf dient in het plan rekening te worden gehouden. In de aanvraag om omgevingsvergunning zal de bergingsopgaaf en de wijze waarop het hemelwater wordt geborgen inzichtelijk moeten zijn. Naast hemelwaterberging wordt ook gekeken naar zeer hevige neerslag (T= 100 jaar en extremer). In het uiteindelijke ontwerp dient duidelijk te zijn waar het hemelwater bij die extreme afvoeren heen stroomt zodanig dat dit niet tot schade of overlast kan leiden. Zo nodig worden in het plan maatregelen getroffen om dit te voorkomen.

4.6.4 Waterparagraaf

Voor onderhavig plan is een waterparagraaf opgesteld (ATKB, Watertoets Het Wielsem 4, 30 oktober 2017, kenmerk 20171177/rap01, Bijlage 7). Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit ruimtelijk plan.

Vanuit het plan is – op basis van 1464 m2 nieuw dan wel vervangend verhard oppervlak – de totale waterbergingsopgave 84 m3 (0,06 keer 1464 m2). Deze berging dient te worden gerealiseerd op eigen terrein. Dit (maximaal) benodigde volume voor de waterberging is afhankelijk van de inrichting van het groene dak en halfopen verharding en is dus variabel. Daarnaast is er in het ontwerp ruimte gemaakt voor groenvoorzieningen met een totale oppervlak van 66 m2. Voor de groenstroken is geen extra compensatie benodigd. Bij aanleg van een groendak dient dit goendak-oppervlak ook niet te worden gecompenseerd.

4.6.5 Wijze van berging en infiltratie

Voor een benodigde waterberging van 60 mm/m2 kunnen infiltratiekratten hier een uitkomst zijn. Een infiltratiekrat met een afmeting van 120 cm bij 60 cm bij 41 cm heeft een bergingscapaciteit van circa 295 liter. Voor een benodigde hemelwaterberging van 84 m3 zijn dus 285 infiltratiekratten nodig, indien er verder geen andere compenserende maatregelen zijn getroffen. Aangezien hier met name fijne en grove zanden aanwezig zijn, is de doorlatendheid van de bodem toereikend genoeg om de infiltratiekratten binnen 48 uur leeg te laten lopen.

Naast de mogelijkheden van een groen dak en ondergrondse waterberging (infiltratiekratten) is er nog de mogelijkheid om de parkeerplaatsen en overige verharding half doorlatend in te richten. Op die manier kan het hemelwater via het verhard oppervlak direct infiltreren in de bodem en kan er ook worden voldaan aan de bergingseisen van het hemelwaterbeleid van de gemeente.

Op de locatie zijn er beperkte mogelijkheden om (een deel van) de geplande groenstroken wat lager te plaatsen in het landschap dan het wegdek. Hierdoor kan het hemelwater dat op het verharde oppervlak valt afstromen naar deze groenstroken en dus infiltreren in de bodem. Dit zijn zogenoemde wadi's. Groene toepassingen als wadi's en groene daken worden door de gemeente gestimuleerd, omdat deze ook bijdragen aan andere ambities (meer groen, meer biodiversiteit, invangen fijnstof en koelende werking van de stad).

4.6.6 Conclusies

De hoeveelheid verhard oppervlakte neemt met het plan significant toe. Het is derhalve verplicht aanvullende maatregelen te nemen in de vorm van compensatie. Goede mogelijkheden zijn de inrichting van een groen dak en/of halfopen verhardingen in combinatie met ondergrondse waterberging in de vorm van infiltratiekratten. Er zijn verschillende combinaties mogelijk, afhankelijk van onder andere het gekozen (groen) dak kan het aantal infiltratiekratten bepaald worden om te kunnen voorzien in de hemelwaterbergingsopgave van het gemeentelijk hemelwaterbeleid.

Momenteel is een maximale bergingsopgave benodigd van 84 m3. Dit (maximaal) benodigde volume voor de waterberging is afhankelijk van de uiteindelijke opzet en inrichting van plan, een eventueel groen dak en halfopen verharding en is dus variabel.

Bij ontvangst van de bouwaanvraag dient het uiteindelijk te compenseren oppervlak inzichtelijk te worden gemaakt in combinatie met de wijze van hemelwaterberging, zodat wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de 'hemelwaterverordening'.

Binnen het plangebied wordt het afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden op de perceelsgrens, zodat het (later) aangesloten kan worden op het gescheiden rioolstelsel.

4.7 Bomen

Op het perceel is één boom aanwezig. Vanwege de voorgenomen ontwikkelingen zal deze boom verdwijnen. Ter compensatie wordt op het perceel een nieuwe boom geplant. De bestaande bomen rondom het terrein zullen blijven staan. Bij de aanleg het parkeerterrein zal met de aanwezigheid wortels van deze bomen in de ondergrond rekeningen worden gehouden. Ook zullen er beschermingsmaatregelen worden genomen om beschadiging van de bomen te voorkomen. De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd als omschreven in Bijlage 10. Daarmee is het behoud van de bestaande bomen aan de zijde het Wielsem gegarandeerd.

4.8 Archeologie

Voor het bestemmingsplan Het Wielsem 4 is door archeologisch onderzoeks- en adviesbureau BAAC een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van de zuidelijke flank van een dekzandwelving op de overgang naar het rivierengebied. Als gevolg van overstromingen na de bedijkingen en de ingebruikstelling van de Beerse Overlaat (late middeleeuwen) hebben er in het plangebied regelmatig overstromingen plaatsgevonden, waardoor in het plangebied een 50 cm dikke kleilaag is afgezet. In deze periode werd het gebied alleen nog maar gebruikt als (gemeenschappelijke) weidegronden. Na de sluiting van de Beerse Overlaat in de jaren veertig van de 20e eeuw kon het gebied intensiever gebruikt worden. In de jaren zeventig is in het plangebied een woonhuis gerealiseerd. Bij het bouwrijp maken van het gebied is het terrein circa 60 cm opgehoogd. De verwachting is dat de bodem als gevolg van de bouw- en graafwerkzaamheden ter hoogte van het woonhuis tot in de top van het dekzand is verstoord. In 2001 is het woonhuis gesloopt, waarna het terrein braak is komen te liggen.

Op basis van deze gegevens wordt aan het plangebied een middelhoge verwachting gegeven voor archeologische resten (vuursteenvindplaatsen, graven, nederzettingsresten) uit het laat-paleolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd geldt, gezien de toenemende wateroverlast in het gebied, een lage verwachting.

Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied deel uit maakt van een fluvioperiglaciaal dal/ verspoelde dekzandvlakte aan de noordzijde van de dekzandrug van Orthen. In dit gebied is vanaf het begin van het Holoceen een veldpodzol ontstaan, die als gevolg van de grondwaterstijging onder invloed van de zeespiegelstijging een humusrijke bovengrond heeft ontwikkeld. Er zijn geen aanwijzingen dat het gebied dermate nat was dat er veengroei heeft plaatsgevonden. Vanaf de late middeleeuwen heeft het gebied in toenemende mate blootgestaan aan overstromingen van de (Beerse) Maas. Als gevolg hiervan is de top van de Pleistocene ondergrond (Ab-horizont) kleiig. In het zuidelijke deel van het plangebied ontbreekt het natuurlijke bodemprofiel. Vermoedelijk is deze bij overstromingen geërodeerd. De toenemende intensiteit van de overstromingen heeft er voor gezorgd dat een 30 tot 60 cm dikke kleilaag is ontstaan. Gezien het ontbreken van humeuze (lak)lagen zijn er geen lange perioden zonder sedimentatie geweest. Na de afsluiting van de Beerse Overlaat in het begin van de 20e eeuw is de sedimentatie in het gebied geheel gestopt en is een dunne humeuze bouwvoor ontstaan. In de tweede helft van de 20e eeuw is deze, voorafgaand aan de uitbreidingswijk van 's-Hertogenbosch, afgedekt met een circa 70 cm dik zandig ophoogpakket.

Op basis van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek blijft een archeologische dubbelbestemming van toepassing en geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 80 cm –mv. Het gebruik van heipalen is toegestaan mits het palenplan eerst ter goedkeuring aan de gemeente wordt voorgelegd.

Hoofdstuk 5 Juridisch-bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

Juridische toelichting met betrekking tot de woningtypologieën van de bestemming Wonen:

Een bestemmingsplan kan in de bestemming 'Wonen' onderscheid maken tussen verschillende woningtypologieën. Hiermee kan sturing worden gegeven aan de ruimtelijke impact van verschillende woningtypologieën op de omgeving. Deze ruimtelijke impact komt tot uiting in de bouwmassa (hoogte en situering), maar ook in het aantal woningen. De woningdichtheid is van invloed op de parkeerbehoefte en daarmee op de parkeerdruk en de leefbaarheid in de omgeving. Het maximaal aantal toegestane woningen binnen een bouwvlak staat op de verbeelding aangegeven.

Om te voorkomen dat de woningdichtheid in een wijk te groot wordt, maakt het bestemmingsplan onderscheid tussen grondgebonden en gestapelde woningen. In dit bestemmingsplan worden alleen gestapelde woningen toegestaan. Gestapelde woningen zijn geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning gelegen.

Juridische toelichting met betrekking tot het dakterras:

Het voorgenomen bouwplan voorziet in een gemeenschappelijke buitenruimte op de vierde verdieping als dakterras aan de zijde van Het Wielsem. Dit dakterras wordt met een specifieke bouwaanduiding in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Terplaatse van het dakterras is in het bestemmingsplan de maximale bouwhoogte op 12 meter vastgesteld.

Juridische toelichting met betrekking tot terugligging achtergevel op de begane grond:

Aan de achterzijde ligt de gevel van de begane grond terug ten opzichte van de bouwlagen daarboven. De ruimte die deze terugligging creeërt is nodig om de parkeerplaatsen achter het gebouw optimaal te kunnen benutten. Vandaar dat deze verbijzondering in het bestemmingsplan is opgenomen met een specifieke bouwaanduiding - 2. Binnen deze specifieke aanduiding is het niet toegestaan de begane grond tot 2,7 meter hoogte, gemeten vanaf peil, te bebouwen. Daarmee blijft dit gedeelte op de begane grond onbebouwd.

Juridische toelichting met betrekking tot de aanduidingen geluidsdove gevel:

Aan de zuidzijde van het gebouw is een geluidsdove gevel in het bestemmingsplan opgenomen. Dit is nodig om een goede binnenwaarde voor geluid, en daarmee een goed woon- en leefklimaat, te kunnen garanderen. Het aanbrengen en het handhaven van deze geluidsdove gevel is in de regels met een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Ook de westgevel dient vanwege de de geluidshinder vanuit de tennisinrichting in beginsel doof te worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag kan van voor deze gevel hiervan afwijken als uit de omgevingsvergunning gemotiveerd blijkt dat er voldoende geluidsafschermende maatregelen worden getroffen zodat de tennisinrichting kan blijven voldoen aan het Activiteitenbesluit.

Juridische toelichting met betrekking tot aanleg en behoud parkeerplaatsen:

In de regels is ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het aanbrengen en behouden van het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein. Zo wordt voorkomen dat door de realisatie van het complex nu en in de toekomst in de omgeving een parkeeroverlast ontstaat.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Het bouwvoornemen wordt volgens artikel 6.2.1 lid a Bro beschouwd als een bouwplan in het kader van artikel 6.12 lid 1 Wro. Volgens dit artikel dient de gemeenteraad voor het voornemen een exploitatieplan vast te stellen. De gemeenteraad kan op grond van artikel 6.12 lid 2 sub a Bro hiervan afwijken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen anderszins is verzekerd.

De gemeente is in overleg met de initiatiefnemer om tot een anterieure overeenkomst te komen. Daarin wordt de toerekening van de kosten, verbonden aan het bouwvoornemen, anderszins geregeld. Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie is daarmee anderzins verzekerd, waardoor de gemeenteraad voor dit bouwvoornemen kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Inspraak en vooroverleg

7.1.1 Inleiding

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 21 augustus 2018 besloten het voorontwerp bestemmingsplan 'Het Wielsem 4' ter inzage te leggen. Het voorontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 27 augustus 2018, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraak verordening, zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de termijn dat het voorontwerp bestemmingsplan kon worden ingezien is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een inspraakreactie. Eigenaren van direct aanliggende percelen en omwonenden zijn vooraf van het besluit om het voorontwerp bestemmingsplan ter inzage te leggen op de hoogte gesteld. Ook waren zij uitgenodigd voor de inloopavond op 17 september 2018.

Ook heeft in deze periode het overleg ex artikel 3.1.1. Bro met diensten van de Provincie en Het Waterschap Aa en Maas plaatsgevonden. Uit inventarisatie is gebleken dat buiten de provincie en het waterschap er geen andere (overheids of maatschappelijke) diensten belang hebben bij het initiatief.

In deze paragraaf worden resultaten van zowel het vooroverleg als de inspraak verwerkt. Op basis van het resultaat van het vooroverleg en de inspraakprocedure zal worden overwogen over het in procedure brengen van een ontwerpbestemmingsplan.

7.1.2 Eindverslag Vooroverleg

De Provincie heeft op 24 augustus 2018 aangegeven dat het voorontwerp geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Daarmee is het vooroverleg met de provincie afgerond.

Het Waterschap Aa en Maas heeft op 28 augustus 2018 op het voorontwerp gereageerd. Het Waterschap geeft daarin aan geen aan het wateraspect gerelateerde op- of aanmerkingen op het plan te hebben.

Gelet op de reacties van de Provincie en het Waterschap is het vooroverleg positief afgerond.

7.1.3 Eindverslag Inspraak

Tijdens de inspraaktermijn zijn bij het college 3 reacties op het voorontwerp bestemmingsplan ingediend.

7.1.3.1 Inhoud inspraakreacties

Hieronder wordt in het kort de inhoud van de inspraakreacties weergegeven.

Inspraakreactie 1: 

De inspraakreactie is op 3 oktober 2018 ingediend. Inspreekster stelt namens alle bewoners van de Jan Palachstraat en Salvador Allendelaan in te spreken.

  • a. Inspreekster vraagt aandacht voor de parkeerdruk in de omgeving Salvador Allendelaan en de Jan Palachstraat. Vanwege de aanwezige voorzieningen en kantoren in de straat en de omgeving is de parkeerdruk hoog. Zij verwacht dat de norm die gehanteerd is voor het project Het Wielsem 4 te laag is en dat de parkeerdruk door de komst van 43 wooneenheden zal toenemen. Door de parkeerdruk wordt er regelmatig fout geparkeerd wat tot zeer gevaarlijke verkeerssituaties leidt in de straten. Inspreekster stelt voor de parkeernorm te verhogen of minder woningen op het perceel toe te laten.
  • b. Inspreekster is het er niet mee eens dat de verkeerstoename van en naar het perceel minimaal zou zijn. Het is nu al druk op de Salvador Allendelaan Deze laan is een éénrichtingsweg geworden om sluipverkeer vanaf Het Wielsem naar de Hambaken te voorkomen. Door het voorgenomen appartementencomplex zullen er meer auto's van Het Wielsem afslaan naar de Salvador Allendelaan. Nu al zijn er aanrijdingen op Het Wielsem door afslaand verkeer. Inspreekster verzoekt het appartementencomplex richting Het Wielsem te ontsluiten.
  • c. In het wijkplan Noord staat dat de nieuw te bouwen woningen moeten leiden naar meer diversiteit. Dit gedeelte van de Hambaken heeft al veel woningen met een oppervlakte van 40 m². Inspreekster verzoekt op het perceel woningen met een grotere oppervlakte voor een hogere klasse te realiseren. Dit komt meer overeen met de doelstelling van het wijkplan Noord.
  • d. De Hambaken is een zeer kwetsbare (probleem) wijk met een behoorlijk verleden. Om die reden is er een selectieve woningtoewijzing voor de wijk ingesteld. Inspreekster gaat er van uit dat deze ook voor dit appartementencomplex gaat gelden. Het is van belang dat het appartementen-complex de juiste bewoners krijgt om verdere overlast in de buurt te voorkomen.
  • e. Inspreekster verzoekt bij de verdere besluitvorming de wensen van de buurt serieus te nemen en niet alleen naar de regeltjes en de wetten te kijken. De buurt weet wat er in de omgeving speelt. Alleen zo ontstaat er een groter draagvlak voor bouwinitiatieven op dit perceel.

Inspraakreactie 2: inspraakreactie is op 5 oktober 2018 ontvangen. Deze is door meerdere insprekers ondertekend

  • a. Insprekers verwachten aantasting van privacy vanuit het gebouw en het dakterras. Zij stellen voor de buitenruimte op de vijfde woonlaag te laten vervallen en deze aan de achterzijde te plaatsen. Een andere optie is een binnenplaats zoals bij het project Sint Teunislaan-Eekbrouwersweg;
  • b. Insprekers verwachten vanuit het voorgenomen woongebouw geluidsoverlast;
  • c. Insprekers verwachten door de komst van het voorgestelde appartementencomplex waardedaling van hun onroerend goed.
  • d. Volgens de Nota Wonen 2012 wordt er gestreefd naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare en passende woningen nu en in de toekomst. Maar ook naar leefbare, veilige en zorgzame buurten waar mensen zich thuis voelen. Als speerpunt neemt de gemeente daarin het verbeteren van de kwaliteit van buurten, het verbeteren van de woonkwaliteit op buurt- en woonniveau.
  • e. Het huidige voorontwerp gaat uit van 43 appartementen van 40 m². De grootte van het appartement in relatie tot de prijs zal een aantrekkingskracht hebben op bepaald type huurder. Het voorontwerpbestemmingplan maakt volgens insprekers niet duidelijk met welk doel of: op welke doelgroep de initiatiefnemer zich richt. Insprekers zijn van mening dat er rekening moet worden gehouden met de woningdifferentiatie in de woonwijken en de doelstellingen van de gemeente 's-Hertogenbosch. Zeker omdat de wijk Hambaken, met zware problematiek, in het kader van het Grote Stedenbeleid als kwetsbare woonwijk wordt gedefinieerd.
  • f. In de wijk Hambaken geldt sinds 1 november 2017 een selectief toewijzingsbeleid. Dit houdt mede in dat men als kandidaat-huurder vergunning moet aanvragen. Dit geldt niet alleen voor de hoofdhuurder, maar ook voor de medehuurder, partner en kinderen vanaf 12 jaar. Het mag en kan volgens insprekers niet zo zijn dat het beleid ten aanzien van Wielsem 4 in de wijk Hambaken niet op één lijn ligt met het gemeentelijk toelatingsbeleid. Insprekers verzoeken dan ook voor het voorgestelde appartementencomplex een selectieve woningtoewijzing in te stellen.
  • g. Insprekers geven aan bezwaar te hebben tegen het voorgenomen aantal bouwlagen van het plan. Het huidige bestemmingsplan laat ter plaatse slechts bebouwing toe met een maximale hoogte van 7 meter. Het is voor insprekers nu niet duidelijk waarom er nu gekozen wordt voor 5 bouwlagen op dit perceel. Te meer omdat ergens anders in de stad gekozen wordt voor 3 bouwlagen. De voorgestelde 5 bouwlagen komt niet overeen met de omliggende woonbebouwing en past niet in de omgeving.
  • h. Insprekers zijn van mening dat de gehanteerde 28 parkeerplaatsen op eigen terrein te weinig is. De bewoners van het voorgenomen woongebouw zullen daarom naar hun mening voor parkeren uit moeten wijken naar de openbare weg. Daar is geen plek waardoor insprekers vrezen voor parkeeroverlast in hun straat.
  • i. De insprekers zijn van mening dat de norm die de gemeente hanteert in haar Nota parkeernormering 2016 achterhaald is. De gemeente kan volgens insprekers namelijk het landelijk autogebruik niet terugdringen. Daarop heeft zij wel haar lage norm van 0,65 parkeerplaatsen voor deze woningen gebaseerd. Nu het terugdringen van het autogebruik volgens de insprekers niet realistisch is, moet de gemeente een meer realistische norm aanhouden volgens de normen van de CROW (2012):
      • volgens de minimale CROW norm 0,9 x 43 = 38.70 (39 parkeerplaatsen);
      • volgens de maximale CROW norm 1,7 x 43 = 73.1 (74 parkeerplaatsen).

Echter nu het aantal parkeerplaatsen op het perceel maar maximaal 28 kan zijn, zal volgens de insprekers het aantal woningen moeten worden aangepast:

      • volgens de minimale CROW norm 28 x 1/0,9 = 31.1 (31 woningen);
      • volgens de maximale CROW norm 28 x 1/1,7 = 16.5 (16 woningen).

Als de appartementen groter worden dan 40 m², zijn de parkeernormen hoger. Insprekers pleiten ervoor de volgens hen meer realistische CROW norm aan te houden.

  • j. De Salvador Allendelaan is ter hoogte van het perceel het Wielsem een smalle straat. Omdat de straat verderop een éénrichtingsweg is, zijn de achterliggende wijken alleen via deze inrit te bereiken. Nu gebeuren er op het Wielsem regelmatig ongelukken door afslaand verkeer. Insprekers verwachten door de komst van het voorgestelde wooncomplex een verdere verslechtering van de verkeersveiligheid ter plaatse. Het voorstel voorziet namelijk in 2 afzonderlijke op/afritten. Door de zeer krappe vrije ruimte is draaien op de bovengenoemde parkeerplaatsen bijna onmogelijk. De toekomstige bewoners kunnen volgens insprekers daarom alleen achteruit de Salvador Allendelaan op komen rijden. Insprekers adviseren dan ook de situatie aan te passen.

Inspraakreactie 3: Deze inspraakreactie is op 7 oktober 2018 namens het bestuur van Tennisvereniging De Hambaken ingediend.

  • a. De tennisvereniging verwacht door de komst van het voorgenomen wooncomplex beperking in de gebruiksmogelijkheden of de bedrijfsvoering van het tenniscomplex (park en paviljoen). Daarbij denkt zij vooral aan geluidshinder en lichthinder dat vanuit haar inrichting kan uitstralen naar de voorgestelde woonbebouwing. Een dergelijke beperking vindt de vereniging onaanvaardbaar.
  • b. De toekomstige bewoners zullen volgens de vereniging (licht- en geluid)hinder ondervinden van de activiteiten die op het park en in het paviljoen plaatsvinden. Nu al ondervindt de omliggende woonbebouwing hinder van de activiteiten op het tennispark. Tijdens de onderhoud van het park en de banen (met tractoren) heeft de vereniging last gehad van reacties uit de buurt. De vereniging vreest dat de nieuwe bewoners ook gaan klagen waardoor zij het tennispark niet meer zoals gebruikelijk kunnen onderhouden en exploiteren.
  • c. De vereniging heeft uitbreidingsplannen voor het bouwen van padelbanen. Deze banen produceren meer en sterker contactgeluid en zullen een toename van de bezetting van het park generen. De vereniging wil niet dat zij door de voorgenomen bebouwing in deze gewenste uitbreiding wordt belemmerd. De vereniging is op een sportpark waar woningbouw tegenaan gepland met alle gevolgen van dien.
  • d. De vereniging verzoekt dat er dusdanige maatregelen aan het woongebouw worden getroffen dat het de exploitatie van het tennispark niet beperkt.
  • e. De bevoorrading van de vereniging gebeurt vanaf de Salvador Allendelaan. Dit is een smalle straat. De vereniging verwacht op deze weg verkeers- en parkeeroverlast van de nieuwe bewoners. Volgens de vereniging zijn er in het plan maar zeer beperkt parkeergelegenheden op eigen terrein. De vereniging verwacht dat de bewoners en visite dan buiten het terrein langs of op de Salvador Allendelaan gaan parkeren. Daardoor ontstaan er volgens de vereniging gevaarlijke situaties en andere belemmeringen die haar bevoorradingsroute in gevaar brengt.
  • f. Ook verzoekt de vereniging dat op de Salvador Allendelaan aan de zijde van het tennispark het parkeren wordt beperkt, zodat de leveranties aan het park niet worden belemmerd.
7.1.3.2 Antwoord op inspraakreacties

De inspraakreacties hebben betrekking op aantal aspecten: Stedenbouw, woningsegmentering en toewijzing, verkeer en parkeren, milieu aspecten, mogelijk optredende schade en de procedure. Hieronder wordt per thema de inspraakreacties beantwoord.

Stedenbouw (inspraakreactie 2a en 2f):

Het nieuwbouwplan wordt gerealiseerd op een al lang braakliggend hoekkavel in de stad. Transformatie van bebouwing of nieuwbouw zijn ontwikkelingen die men redelijkerwijs kan verwachten in het stedelijk gebied. Deze transformatie dient wel ruimtelijk aanvaardbaar te zijn.

Verspreid door de stad worden inbreidingen gerealiseerd in verschillende hoogten. Afhankelijk van de plek in de stad en de ligging van het kavel in de directe omgeving wordt per plan bekeken welke hoogte ruimtelijk aanvaardbaar is. Het voorliggende plan bevindt zich langs een wijkontsluitingsweg en maakt onderdeel uit van de bebouwingswand aldaar.

Aan de Westzijde van het Wielsem staat hogere bebouwing met verschillende bebouwingshoogten. Op het aansluitende perceel ten noorden van het plangebied is volgens het geldende bestemmingsplan een kantoorgebouw van 16 meter toegestaan. Het voorontwerp bestemmingsplan Wielsem 4 laat een hoogte van 15 meter toe.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0013.png"

Figuur 11: aanzicht voorgenomen situatie aan Het Wielsem (zie Bijlage 13 toelichting bestemmingsplan)

Deze voorgestelde bebouwingshoogte is nagenoeg gelijk aan de hoogte van het naastliggend kantorenpand en is passend in het bestaande beeld vanaf Het Wielsem.

Het klopt dat de bebouwingshoogten niet in overeenstemming zijn met de hoogte van de verderop gelegen woonbebouwing in de omgeving. Deze woonbebouwing in de omliggende straten, maakt echter onderdeel uit van een eigen, andere ruimtelijke structuur met een eigen bebouwingsopzet, karakteristiek en hoogteregime. Gelet op het gehanteerde hoogteregime aan de westzijde van Het Wielsem is de voorgestelde bebouwingshoogte van 15 meter aanvaardbaar.

Over de inkijk op de achterpercelen van de woningen in de naastgelegen wijk, blijkt dat de kortste afstand van de nieuwbouw tot de verste oever langs de sloot 57m bedraagt. Daarachter ligt een gemeentelijke groenstrook met hoge bomen en daarachter liggen de achtertuinen van de woningen van de insprekers. De afstand van de nieuwbouw tot aan de achtergevel van de dichtst bijzijnde woning bedraagt 71m.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002393-1401_0014.png"

Figuur 12: zichtlijnen vanuit het voorgenomen wooncomplex op woningen in naastgelegen wijk (zie ook Bijlage 13 toelichting bestemmingsplan)

De afstanden van 57m en 71m zijn ruim te noemen voor in het stedelijk gebied. De afstand tussen de nieuwbouw en de achtertuinen van de woningen in de naastgelegen wijk is ruim drie keer groter dan de hoogte van de nieuwbouw. Dit is een aanvaardbare afstand die de privacy respecteert. Deze afstand maakt dat er slechts een minimale inkijk op de achtertuinen ontstaat. Bovendien staat binnen deze afstand in de huidige situatie op een grootgedeelte opgaand groen die de inkijk op de percelen verder belemmert.

Zo er al inkijk op de achterpercelen van de woningen in de naastgelegen wijk vanuit het voorgenomen wooncomplex mogelijk is, is deze door de afstand minimaal te noemen.

Woningsegmentering (inspraakreactie 1c en 2d)

De woningen in de Hambaken zijn merendeel grote eengezinswoningen in de sociale huur. Het programma voor Het Wielsem 4 bestaat uit 43 kleine woningen die voornamelijk geschikt zijn voor alleenstaanden en eventueel 2 persoonshuishoudens. In de Edelstenenbuurt zelf zijn er geen 1-kamerwoningen en, of studio's aanwezig. In de naastgelegen buurt Orthen zijn in 2017 de tijdelijke woningen aan de Ketsheuvel gerealiseerd. Dat is nu het enige complex in de Edelstenenbuurt en in Orthen met kleine woningen. Als specifiek wordt ingezoomd op woonoppervlak dan blijkt dat in de Edelstenenbuurt geen enkele woning een oppervlakte heeft tot 40 m²; Orthen telt 35 (tijdelijke) kleine woningen tot 40 m². De woningen in het plan van Het Wielsem 4 zijn deels bedoeld voor mensen met een laag inkomen en deels voor mensen met een middeninkomen die niet voor sociale huurwoningen in aanmerking komen. Dit is conform het gemeentelijk woonbeleid dat eist dat 25% van de woningen is de sociale huursector wordt gebouwd en 75% in de middeldure (huur- en koop)sector. De woningen kunnen daarmee voldoen aan het groeiend aantal alleenstaanden. De conclusie is echter dat het voorgenomen het type woning (klein en vooral geschikt voor alleenstaanden) een aanvulling is op het woningbestand van de Hambaken en dat de toevoeging van dit type woningen bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk woonbeleid.

Het wijkplan “Wijk Noord: van bloemkoolwijk naar vitale stadswijk” uit 2014 is opgesteld door Werkgroep Noord en is niet gemeentelijk beleid. Dit wijkplan geeft t.a.v. de ontwikkeling van de Hambaken aan dat het wenselijk is om te bezien in hoeverre projecten met Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) kunnen bijdragen aan de vernieuwing van het woningbestand.Hoewel de gemeente CPO ontwikkelingen van harte ondersteunen, heeft zij geen mogelijkheden om deze vorm van ontwikkelen bij particulieren af te dwingen.

 Selectief woningtoewijzingsbeleid (inspraakreacties 1d en 2d)

De selectieve woningtoewijzing in de wijk Hambaken is vastgelegd in de huisvestingsverordening van de gemeente 's-Hertogenbosch. Deze is uiteindelijk mogelijk gemaakt door een besluit van de minister. In het besluit van de minister is bepaald dat de selectieve woningtoewijzing alleen geldt voor woningen van woningcorporaties. Op dit moment is niet bekend wie de nieuw te bouwen woningen op het perceel Het Wielsem 4 gaat exploiteren. Dit zou ook een particuliere verhuurder kunnen zijn en geen woningcorporatie. Selectieve toewijzing door een particuliere verhuurder vereist een nieuw gemeenteraadsbesluit en een nieuw besluit van de minister. Als de tussenevaluatie (in 2019) of de eindevaluatie (2021) daar aanleiding toe geeft zal eerst de gemeenteraad en vervolgens de minister worden verzocht voor een verlenging en/of uitbreiding van de selectieve woningtoewijzing. Tot op dit moment zijn daarvoor echter geen signalen binnengekomen.

Verkeer en parkeren (inspraakreacties 1a, 1b, 2g, 2h, 3e en 3f)

De voorgenomen woningen genereren een toename van circa 210 motorvoertuig bewegingen (mtv) per etmaal. Van deze motorvoertuig bewegingen zullen er 10% (21 mtv) tijdens de ochtendspits en 10% (21 mtv) tijdens de avondspits plaatsvinden. Dit zijn circa 1,05 motorvoertuigbewegingen per 3 minuten tijdens deze drukste uren. De overige 168 bewegingen vinden buiten deze perioden plaats. Dit betekent dat er buiten de spits om circa 8 mvt bewegingen per uur plaatsvinden. Daarmee is de verkeerstoename die het voornemen genereert minimaal te noemen. De Salvador Allendelaan is ter plaatse voldoende breed om deze toename aan te kunnen. Nog afgezien van de vraag of een directe ontsluiting op Het Wielsem, die insprekers in de reacties voorstellen, wel verkeersveilig is, blijkt deze dus ook niet nodig te zijn.

De huidige situatie op Het Wielsem en de Salvador Allendelaan is verkeerstechnisch voldoende overzichtelijk om de hierboven genoemde toename aan motorvoertuigen aan te kunnen.

Uitgangspunt voor parkeren is dat de parkeerbehoefte die het voornemen genereert op eigen terrein wordt opgelost. Om de parkeerbehoefte te bepalen zijn per woningcategorie parkeernormen beschikbaar. De parkeernorm die de gemeente voor het voornemen hanteert komt uit de door de raad vastgestelde Nota parkeernormering 2016 (hierna de Nota). Daarin staat dat de gemeente heeft gekozen voor de meest recente parkeercijfers uit het CROW (publicatie 317, oktober 2012). De gemeente heeft op basis van het autobezit en –gebruik in de gemeente gekozen voor de gemiddede CROW-normen als minimumwaarde voor haar parkeernormen en –richtlijnen. De normen zijn niet gebaseerd opde Koersnota Hoofdinfrastructuur uit 2009 (dit i.p.v. onderstaande alinea.) Als de CROW haar cijfers actualiseert zal de gemeente een afweging maken of zij deze wil volgen of niet.

In de CROW wordt overigens geen parkeernorm genoemd voor wooneenheden tot 40 m². De in de inspraak genoemde CROW normen zijn bedoeld voor een andere categorie woningen. In de inspraakreactie wordt niet objectief onderbouwd aangegeven waarom dat deze normen ook voor woningen met een oppervlakte tot 40 m² zouden moeten gelden.

De locatie Het Wielsem 4 ligt volgens de Nota in zone 3: “Overige bebouwde kom 's-Hertogenbosch”. Voor woningen met een oppervlakte tot 40 m² is in de Nota een parkeernorm opgenomen van 0,65 parkeerplaatsen per wooneenheid (inclusief bezoekers parkeren). Deze norm is gebaseerd op ervaringscijfers over het autobezit en -gebruik van bewoners in appartementen tot 40 m² in de stad en andere gemeenten. De kleine appartementen worden vooral gebruikt door éénpersoons huishoudens met een smalle beurs. De bewoners zijn ook meer geneigd goederen met elkaar te delen. Het autobezit en -gebruik van deze mensen blijkt niet groot te zijn.

De parkeerplaatsen voldoen qua dimensies aan de normen van de CROW. De parkeerplaatsen zijn voldoende groot om goed in en uit te rijden. Ook is er voldoende ruimte om goed in en uit te stappen en om op eigen terrein te keren. Het is dan ook niet nodig om achteruit het perceel af te rijden.

De parkeerbehoefte kan op eigen terrein worden opgelost. Als blijkt dat er alsnog buiten het terrein geparkeerd wordt en dit de verkeerstroom over de Salvador Allendelaan belemmert, dan kunnen nadere verkeersmaatregelen worden genomen. Zo kan de bereikbaarheid van het achterliggend gebied en de tennisvereniging gewaarborgd blijven.

Milieu aspecten (inspraakreacties 2b, 3a, 3b, 3c en 3d)

Hinder dakterras (inspraakreacties 2b)

Het onderhavig dakterras zal naar verwachting niet leiden tot een onaanvaardbaar niveau van geluidhinder in de omgeving. Het nieuwe wooncomplex met dakterras bevindt zich namelijk aan een drukke doorgaande weg in een gemengd stedelijke omgeving. Het omgevingsgeluid is hier verhoogd en bestaat voornamelijk uit het wegverkeerslawaai van de drukke doorgaande wegen (Het Wielsem en de Sint Teunislaan), geluiden afkomstig van diverse aanwezige bedrijfsvoorzieningen, alsook het tenniscomplex. Het dakterras in deze enigszins rumoerige stedelijke omgeving is bedoeld voor gebruik ten behoeve van de woonfunctie, waarbij luidruchtige activiteiten (zoals een bedrijfsmatig terras) niet aan de orde zullen zijn. Gebruik van dit dakterras is niet anders dan bij andere omliggende woningen met tuin of balkon. Deze gangbare functie (dakterras van woonfunctie) zal dan ook in de omgeving niet leiden tot een onaanvaardbaar niveau van geluidhinder.

Bedrijfsvoering tennisvereniging (inspraakreactie 3a, 3b, 3c en 3d)

Bij activiteiten binnen het tenniscomplex zullen altijd effecten optreden naar de omgeving, in dit geval in de vorm van licht en geluid. Daarom is uitvoerig onderzoek gedaan naar deze effecten zowel in het kader van de Wet Milieubeheer als in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De geluidsuitstraling van het tenniscomplex is onderzocht, waarbij de conclusie is dat zonder maatregelen de geluidsnormen op het nieuwe wooncomplex zullen worden overschreden. Zonder maatregelen kan eventueel hinder worden ondervonden door de nieuwe bewoners en wordt de tennisvereniging mogelijk belemmerd in hun bedrijfsvoering. Daartoe zijn maatregelen onderzocht om de tennisclub te kunnen laten voldoen aan de geldende geluidsnormen. Deze maatregelen staan beschreven in de onderzoeken en zullen moeten worden meegenomen in de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwplan. Hiermee zal de tennisvereniging kunnen blijven voldoen aan de geldende geluidsnormen, worden de belangen van de tennisvereniging niet geschaad en is onacceptabele geluidshinder uitgesloten.

Ook licht is een relevant aspect. Het Activiteitenbesluit bevat op dit vlak enkel voorschriften waarbij de lichtinstallatie (op bepaalde tijden) uit dient te staan. Het Activiteitenbesluit bevat echter geen directe lichthindernormen. Om eventuele lichthinder te voorkomen is onderzoek verricht naar de lichtuitstraling van het tenniscomplex, waarbij is getoetst aan de gangbare richtlijn van de “Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde” (NSVV). De gemeten verlichtingssterkte ter plaatse van het nieuwe woonpand ligt ruim onder de grenswaarde (van 10 lux) voor de dag- en avondperiode zoals die voor deze (stedelijke) omgeving zijn opgesteld door de NSVV is opgesteld. (De nachtperiode is hier niet relevant, omdat de lichtinstallatie volgens het Activiteitenbesluit gedurende de nachtperiode uit dient te staan). Overigens heeft de tennisvereniging recent een nieuwe verlichtingsinstallatie in werking. Het daartoe – bij de gemeente - ingediende lichtonderzoek toont aan dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde (van 10 lux). Aangezien aan deze gangbare lichtnorm wordt voldaan, wordt onacceptabele hinder niet verwacht. De bedrijfsbelangen van de tennisvereniging worden – met het voldoen aan de gangbare lichtnormen - niet geschaad.

De tennisvereniging mag door het initiatief niet worden beperkt in haar belangen en huidige bedrijfsvoering. Uit de onderzoeken blijkt, dat met met de voorgestelde maatregelen de tennisvereniging kan blijven voldoen aan de geluidsnormen uit het 'Activiteitenbesluit'. Deze geluidsnormen gelden op de gevel van omliggende geluidsgevoelige objecten, zoals de nieuwe woningen. Daarbij moet wel in het bestemmingsplan een verplichting om geluid afschermende maatregelen aan de gevel aan te brengen worden opgenomen. Hier is de tennisvereniging gedeeltelijk gegrond in haar inspraakreactie.

Ter garantstelling dat er geluid afschermende maatregelen worden getroffen zodat de tennisvereniging kan blijven voldoen aan de geluidsnormen uit het 'Activiteitenbesluit', dient de westgevel van het voorgenomen gebouw in beginsel ook doof te worden uitgevoerd. Slechts als uit de aanvraag omgevingsvergunning blijkt dat er voldoende geluid afschermende maatregelen worden getroffen zodat de tennisvereniging kan blijven voldoen aan het activiteiten besluit kan van deze regel worden afgeweken. Hierbij wordt uitgegaan van de huidige, reeds vergunde/gemelde bedrijfssituatie van de tennisvereniging.

Tevens blijkt uit een uitgevoerde lichtmeting ter plaatse van het nieuwe woonpand dat ruimschoots voldaan aan de richtlijn van het NSVV. Ook op het gebied van lichthinder zal de tennisvereniging met de komst van dit wooncomplex niet in haar belangen worden geschaad.

Bij uitbreidingsplannen (aanleg padelbanen) wordt voor de belangrijke hinderaspecten (hier geluid en licht) getoetst aan de hindernormen ter plaatse van de omliggende gevoelige objecten (woningen). Indien aan de normen kan worden voldaan zijn eventuele uitbreidingsplannen (op het gebied van hinderaspecten) toelaatbaar. Met onderhavige ontwikkeling is uitgegaan van de huidige, reeds vergunde/gemelde bedrijfssituatie van het tenniscomplex. Het meenemen van eventuele toekomstige uitbreidingsplannen is in deze procedure niet aan de orde.

Overigens bevinden er zich reeds diverse bestaande woningen aan de Jan Palachstraat 2 t/m 28 op een vergelijkbare afstand als de nieuwe ontwikkeling. Deze bestaande woningen bepalen en beperken op dit moment al reeds eventuele uitbreidingsplannen van het tenniscomplex.

Schade (inspraakreactie 2d)

Voor eventuele schade die het bestemmingsplan bij eigenaren van omliggende percelen door waardevermindering van het onroerend goed zou kunnen veroorzaken heeft de wetgever een aparte regeling in de wet opgenomen. Zij die van mening zijn, dat zij schade lijden of hebben geleden door de vaststelling van een bestemmingsplan, kunnen tot 5 jaar na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan op basis van deze regeling het college verzoeken om een tegemoetkoming van deze schade. Deze regeling staat los van de bestemmingsplanprocedure.

Procedure (inspraakreactie 1e)

De gemeente moet zich in de procedure aan wet- en regelgeving houden. Zij kan deze niet zo maar naast zich neerleggen, zoals in de inspraakreactie wordt voorgesteld. Uit deze wet- en regelgeving volgt dat de gemeenteraad alle betrokken belangen, dus ook de belangen van omwonenden in haar besluitvorming moet betrekken. Deze belangen mogen niet in onevenredige mate worden geschaad. Uit het voorgaande blijkt dat dit plan hierop is getoetst en aanvaardbaar is bevonden.

7.1.3.3 Conclusie eindverslag inspraak

De inspraakreacties zijn niet zodanig dat de procedure moet worden beëindigd, of dat het voornemen moet worden aangepast. De verbeelding en de regels zijn op basis van de de inbreng van de tennisvereniging onder 3a, 3b, 3c en 3d conform de beschrijving in het antwoord op de inspraakreacties aangepast.

7.1.4 Conclusie vooroverleg en inspraak

Het bestemmingsplan is op grond van de ingekomen inspraakreactie in de ontwerpfase aangepast.

7.2 Resultaat ontwerpfase

Na de inspraak procedure heeft het college besloten om het ontwerp bestemmingsplan op grond van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening zes weken ter inzage te leggen. Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 11 februari tot en met 25 maart 2019 zes weken ter visie gelegen. Iedereen kon tijdens deze termijn zienswijzen op het plan indienen bij de gemeenteraad.

Tijdens de termijn dat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage lag heeft de gemeenteraad 3 zienswijzen ontvangen. In de 'Nota van Zienswijzen' zijn deze samengevat en beantwoord. De ingekomen zienswijzen bieden geen argumenten om het bestemmingsplan niet, dan wel gewijzigd vast te stellen.

Hoofdstuk 8 Slotconclusie

In dit bestemmingsplan is nadrukkelijk aandacht besteed aan de ruimtelijke, stedenbouwkundige en milieukundige effecten van het initiatief. Er is gemotiveerd aangetoond dat het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk planologische beleid en de stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieukundige deelaspecten onderzocht. Gebleken is dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering oplevert voor een goede ruimtelijke ordening. Mede door middel van deze bestemmingsplantoelichting is nu een planologische en juridische basis gelegd om het initiatief te kunnen realiseren.