| Plan: | Ertveldplas Noord |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0796.0002264-1401 |
's-Hertogenbosch is een waterrijke stad en over het wonen op het water wordt al jaren gesproken. Wonen op het water kan een bijdrage leveren aan het creëren van meer variatie in het woonaanbod. In 2007 is er bestuurlijk ook de wens uitgesproken om nader onderzoek te doen naar de ontwikkeling van nieuwe woonbootlocaties. Daarnaast zijn er in de stad in de loop van de tijd ook niet legale woonsituaties op het water ontstaan, die vroegen om een oplossing. Dit betreft de locaties Molengat en Ertveldplas. Onderzoeken en discussies hierover hebben er uiteindelijk toe geleid dat de gemeenteraad in 2017 een oplossingsrichting heeft gekozen voor zowel nieuwe als bestaande niet planologisch geregelde woonbootlocaties.
Voor de locaties Molengat en Ertveldplas is gekozen voor verschillende bijzondere soorten uitsterfconstructies, aangezien ter plekke een goed woon- en leefklimaat niet realiseerbaar is. Dat betekent dat wonen op het water daar op termijn eindigt. Voor de locatie Molengat is dat inmiddels ook al in een omherroepelijk bestemmingsplan vastgelegd.
In maart 2022 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan 'Woonbootlocaties Van Veldekekade en Rosmalense Plas' vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de aanleg van nieuwe permanente woonbootlocaties aan de Van Veldekekade en de Rosmalense Plas mogelijk. Deze locaties zijn ook ingezet om verplaatsing van de woonboten van de Ertveldplas mogelijk te maken. De 22 eigenaren van de woonboten aan de Ertveldplas hebben in 2021 de mogelijkheid gekregen om onder voorwaarden hun woonboot te verplaatsen naar de Van Veldekekade of de Rosmalense Plas. Van deze mogelijkheid hebben uiteindelijk 4 woonbooteigenaars gebruik gemaakt; zij voldeden aan de reserveringsovereenkomst en zijn in 2024 naar de Van Veldekekade verplaatst. Oorspronkelijk waren er overigens 9 reserveringsovereenkomsten gesloten; om moverende redenen heeft een aantal bewoners de verplaatsing niet doorgezet. Ook is bijvoorbeeld een aantal woonbootbewoners naar elders verhuisd, zodat momenteel nog 14 ligplaatsen aan de Ertveldplas resteren.
Dus niet alle woonboten aan de Ertveldplas zullen worden verplaatst naar de nieuwe woonbootlocaties aan de Van Veldekekade en Rosmalense Plas. De gemeenteraad heeft in 2017 voor de woonboten die ter plekke blijven liggen en voor de bewoners ervan besloten de oplossing te zoeken in het toekennen van een persoonsgebonden overgangsrecht. In 2023-2024-2025 is veelvuldig met de resterende woonbewoners overleg gevoerd over dit overgangsrecht. Duidelijkheid kan nu gegeven worden. Dit bestemmingsplan betreft een uitvoering van dat besluit.
De Ertveldplas is gelegen tussen belangrijke infrastructuur in de stad. Het ligt ten westen van de spoorlijn 's-Hertogenbosch - Utrecht, ten noorden van de Zandzuigerstraat en ten zuiden van de A59.
Ligging plangebied in de stad
Het plangebied beperkt zich tot de noordzijde van de plas, aangezien uitsluitend daar de woonboten liggen.
Globale begrenzing plangebied
De Ertveldplas is een al wat oudere zandwinplas. Het zand uit de plas is gebruikt voor de bouw van de wijk Boschveld. Aan de noordzijde van de Ertveldplas liggen sinds midden jaren 80 de eerste woonboten. Dat aantal is daarna langzaam groter geworden. Sinds 2009 zijn er 22 plekken op het water door woonbooteigenaren in gebruik genomen. Op sommige plekken liggen 2 boten aangemeerd. De 14 in 2026 resterende woonboten, zoals beschreven in paragraaf 1.1, liggen aan de noordzijde van de plas over een lengte van circa 700 meter. De meeste schepen liggen parallel aan de oever, sommige haaks.
Luchtfoto Ertveldplas-Noord 2021
De woonboten aan de Ertveldplas liggen hier niet legaal. Ze zijn niet vergund en liggen hier in strijd met het geldende bestemmingsplan Buitengebied en met de A.P.V.. Ook in de hiervoor geldende bestemmingsplannen zijn de ligplaatsen nooit positief bestemd. De woonboten vallen ook niet onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan. Dit is ook bevestigd in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 20 juli 2011 (zie ook paragraaf 2.2)
Ook vallen de woonboten niet onder de Wet verduidelijking voorschriften woonboten (Wvvw). Op grond van de APV van de gemeente 's-Hertogenbosch was het vóór 1 januari 2018 (inwerkingtreding Wvvw) verboden op of aan het openbaar water een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen voor een woonboot buiten de daarvoor door het college aangewezen gedeelten. In 's-Hertogenbosch zijn twee locaties aangewezen, te weten de Industriehaven en de Binnenhaven. Dat betekent dat een ligplaats innemen met een woonboot aan de Ertveldplas op grond van de APV verboden was en dat deze woonboten niet onder de overgangsregeling van de Wvvw vallen. Dit standpunt wordt ook bevestigd door een advies van een onafhankelijk juridisch adviseur (zie bijlage 1 Advies Wet verduidelijking voorschriften woonboten).
De oever en aanliggend water zijn eigendom van de gemeente ’s-Hertogenbosch. De locatie heeft een open verbinding met het ‘buiten water’. De beroepsscheepvaart bevindt zich op enige afstand van de woonboten.
Aan de noordzijde grenst de plas aan een gebied met ontwikkelpotentie voor wat betreft natuurwaarden. Het gebied is door de provincie aangewezen als Natuur Netwerk Brabant. Dat houdt in dat gestreefd wordt naar duurzame ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied en de instandhouding daarvan.
Ten zuiden van de plek waar nu de woonboten liggen, ligt, op relatief korte afstand, het industrieterrein De Rietvelden, De Vutter, Het Ertveld. De woonboten hebben daardoor te maken met de invloed van verschillende milieu-aspecten, zoals geluid en geur. Ook loopt er aan de noordzijde van de locatie een hoogspanningslijn (met bijbehorende magneetveldzone) en een gasleiding.
Op 26 januari 2010 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld. In dat bestemmingsplan is ook de noordzijde van de Ertveldplas opgenomen. Aan de Ertveldplas zelf is de bestemming 'Water' toegekend. De oever heeft de bestemming 'Natuur'.
In het bestemmingsplan is ervoor gekozen om de aanwezige woonboten aan de noordzijde van Ertveldplas niet positief te bestemmen, vanwege de gewenste natte natuurontwikkeling in de Ertveldpolder en de bestaande milieu-situatie (o.a. ligging binnen de geluidscontour van het geluidgezoneerde industrieterrein De Rietvelden, De Vutter, Het Ertveld). Daarbij is mede in overweging genomen het raadsbesluit uit 2009 om na de omlegging van de Zuid-Willemsvaart nader onderzoek te doen naar de ontwikkeling van mogelijk nieuwe woonbootlocaties.
Tegen het bestemmingsplan heeft een aantal eigenaren van woonboten aan de Ertveldplas beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft op 20 juli 2011 dit beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat, gelet op de motivering, de gemeenteraad de woonboten in redelijkheid niet als zodanig in het plan behoefde te bestemmen. Deze uitspraak bevestigde het door de gemeente ingenomen standpunt. Daarbij heeft de Raad van State in zijn overwegingen meegenomen dat de woonboten hier tijdelijk liggen in afwachting van realisering van een definitieve ligplaats.
Met de huidige eigenaren van de woonboten aan de Ertveldplas is in 2011 een tijdelijke huurovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst is aangegaan als een tijdelijke oplossing, totdat een (definitieve) ligplaats elders in 's-Hertogenbosch zal zijn gerealiseerd. Wel is in de overeenkomst een eindatum opgenomen. De overeenkomst eindigde van rechtswege op 1 juli 2015. Aangezien het traject om te komen tot een definitieve woonbootlocatie elders meer tijd nodig heeft gehad, is deze termijn meerdere keren steeds met één jaar verlengd. De laatste verlenging is geëindigd op 1 juli 2022. In hoofdstuk 3 wordt dit traject nader toegelicht.
De totstandkoming van dit bestemmingsplan kent een lang voortraject. Er is een uitgebreid locatieonderzoek naar nieuwe woonbootlocaties uitgevoerd, er is een uitvoerig overlegtraject met belanghebbenden rondom de Ertveldplas doorlopen en er is een participatietraject over de inrichting van de nieuw te realiseren woonbootlocaties (Van Veldekekade en Rosmalense Plas) uitgevoerd. Op dit laatste traject, waarin ook de woonbootbewoners van de Ertveldplas zijn betrokken, zal in dit bestemmingspan verder niet worden ingegaan. Dat traject maakt onderdeel van het bestemmingsplan 'Woonbootlocaties Van Veldekekade en Rosmalense Plas' dat reeds op 8 maart 2022 door de gemeenteraad is vastgesteld en onherroepelijk is.
Hieronder zullen we eerst ingaan op het locatieonderzoek woonbootlocaties en het overlegtraject met belanghebben rondom de Ertveldplas. Daarna zullen we de regeling van dit bestemmingsplan beschrijven.
In 2013 is gestart met een onderzoek naar nieuwe locaties voor woonschepen. Eén van de redenen was de uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2011, waarbij het beroep van enkele woonbootbewoners van de Ertveldplas-Noord tegen het bestemmingsplan Buitgebied ongegrond is verklaard. Bewoners waren van mening dat de woonbooten ter plekke positief bestemd moesten worden. In het bestemmingsplan waren de woonboten niet postitief bestemd vanwege de ligging binnen de invloedssfeer van het industrieterrein de Rietvelden - Ertveld, waardoor een goed woon- en leefklimaat ter plekke niet gerealiseerd kan worden. Daarnaast is ter plekke ook natuurontwikkeling gewenst.
Naar aanleiding van de uitspraak is een locatieonderzoek gestart naar nieuwe woonbootlocaties. Doel van dit onderzoek was het verkrijgen van inzicht in de kansen voor het realiseren van permanente locaties voor woonboten op daarvoor ruimtelijk geschikte plekken. Nieuwe locaties zouden kunnen bijdragen aan een oplossing voor de illegale situatie van de woonboten aan de Ertveldplas. Bij het onderzoek is een klankbordgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de bestaande woonbootlocaties Ertveldplas-Noord, Industriehaven en Molengat, betrokken.
Er zijn in totaal 17 locaties onderzocht. Op uitdrukkelijk verzoek van de klankbordgroep zijn ook de bestaande woonbootlocaties in het onderzoek meegenomen. Bij de beoordeling van de verschillende locaties is een groot aantal aspecten betrokken, zoals industriegeluid, wegverkeer- en railverkeergeluid, hoogspanningsleidingen, geurhinder, provinciale regelgeving, de breedte van het water, de nabijheid van beroepsscheepsvaart.
Voor de bestaande woonbootlocaties is uit het onderzoek het volgende naar voren gekomen. Zowel de locatie Brede Haven als de locatie Industriehaven zijn formeel geregelde locaties (in een bestemmingsplan en via aanwijzing op grond van de A.P.V.). Voor de locatie Molengat was ten tijde van het onderzoek geen planologische regeling getroffen, maar deze locatie viel wel onder het overgangsrecht van het ter plekke geldende bestemmingsplan. Bestuursrechtelijk optreden tegen deze locatie was daarom niet mogelijk. Het positief bestemmen van deze plek als woonbootlocatie was echter niet haalbaar en niet wenselijk, vanwege de zeer hoge geluidsbelasting door de ligging direct aan de A59. Om die reden heeft de gemeenteraad voor deze locatie een bestemmingsplan vastgesteld, waarin aan de ligplaatsen een objectgebonden overgangsrecht is toegekend (gericht op beëindiging op termijn).
Ook voor de locatie Ertveldplas was (en is) geen planologische regeling getroffen. Deze locatie valt ook niet onder het overgangsrecht van het ter plekke geldende bestemmingsplan, noch onder het overgangsrecht van de dáárvoor geldende plannen, zodat bestuursrechtelijk optreden tegen deze woonboten juridisch mogelijk is. Het positief bestemmen van deze plek als woonbootlocatie stuit bovendien op allerlei milieubelemmeringen. Zo ligt de locatie binnen de invloedssfeer en binnen de geluidszone van het industrieterrein De Rietvelden - Ertveld en binnen de magneetveldzone van een hoogspanningsleiding. Een goed en woon- en leefklimaat is daardoor ter plekke niet te realiseren. Daarnaast zal de aanwezigheid van woonboten op deze locatie de bedrijven op het industrieterrein De Rietvelden - Ertveld beperken in hun (toekomstige) bedrijfsvoering. Een positieve bestemming is daardoor op deze locatie niet wenselijk.
Op basis van het onderzoek zijn veel locaties afgevallen als nieuwe woonbootlocatie in verband met milieueisen en de strijdigheid met provinciaal beleid (ligging in het buitengebied). Drie locaties zijn op basis van het onderzoek als mogelijk te realiseren locatie aangemerkt: De Zuid-Willemsvaart - Van Veldekekade / Maastrichtseweg, de Rosmalense Plas en de Groote Wielenplas. Deze locaties zijn in een latere fase ruimtelijk en financieel uitgewerkt. Daaruit is naar voren gekozen dat de locaties Van Veldekekade (12 ligplaatsen) en Rosmalense Plas (10 ligplaatsen) ruimtelijk en financieel haalbaar zijn. Voor beide locaties is inmiddels een bestemmingsplan door de gemeenteraad vastgesteld. De locatie Van Veldekekade is gerealiseerd en in gebruik genomen.
Op verzoek van de Bewonersvereniging Ertveldplas (BEp) is er in 2015 een overleg gestart tussen belanghebbende partijen rondom de Ertveldplas met het doel te onderzoeken of er een gezamenlijk gedragen oplossing voor de woonboten in de Ertveldplas gevonden kon worden. Aan deze gesprekken namen deel vertegenwoordigers van de BEp, van de RIVU (ondernemersvereniging Rietvelden-Ertveld en Vutter), van watersportvereniging Viking en van de gemeente. De gesprekken stonden onder leiding van een onafhankelijk voorzitter.
De werkgroep heeft in totaal vijf keer overleg gevoerd. Daarnaast hebben de BEp, de gemeente en de watersportvereniging nog twee keer apart overlegd. De verslagen van deze gesprekken zijn terug te vinden in Verslagen werkgroep Ertveldplas en bijbehorende stukken.
Aan het begin van de besprekingen hebben partijen hun doel aangegeven. De BEp hanteerde als uitgangspunt dat de bewoners op de Ertveldplas kunnen blijven. Bij aanleg van ligplaatsen elders hoopte men op betaalbare alternatieven. Zij waren op zoek naar zekerheid. De RIVU wilde behoud van de bestaande ruimte voor exploitatie en uitbreiding van het bedrijventerrein, bij voorkeur door alle woonboten te verplaatsen. Watersportvereniging Viking was van mening dat de Ertveldplas niet een ideale locatie is voor woonboten en pleitte met name voor handhaving om te voorkomen dat er steeds meer woonboten bij komen. De gemeente tot slot gaf aan een oplossing te zoeken waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met alle belangen.
Dit heeft geresulteerd in de uitwerking van de volgende 3 scenario's:
Indicatie van indikking van de woonboten zoals opgenomen in scenario 3
In de werkgroep is geconcludeerd dat scenario's 1 en 2 niet haalbaar zijn, maar dat de oplossing gezocht moet worden in scenario 3. Daarbij heeft de RIVU opgemerkt dat voor hen verplaatsing van de woonboten naar een alternatieve locatie de voorkeur heeft boven indikken. De BEp heeft opgemerkt dat een persoonsgebonden overgangsrecht voor hen niet aanvaardbaar is, maar dat dat minimaal een objectgebonden overgangsrecht moet zijn.
Uiteindelijk is er het volgende compromisvoorstel op tafel gelegd: De, toen nog 22, woonboten op de Ertveldplas worden ingedikt (buiten de 55 dB(A) contour) op basis van persoonsgebonden overgangsrecht. Daarin is tevens opgenomen dat de gemeente vanuit billijkheid de helft van de indikkingskosten voor haar rekening neemt.
De BEp heeft aangegeven dat men niet kan instemmen met het voorstel. Men is tegen een persoonsgebonden overgangsrecht. De RIVU en de Viking kunnen zich wel vinden in het voorstel.
In 2017 heeft de gemeenteraad na afweging van alle belangen besloten tot indikking van de woonboten op basis van persoonsgebonden overgangrecht. Bij een ligging haaks of schuin aan de oever zouden de aanleg van 22 ligplaatsen mogelijk zijn.
Uiteindelijk heeft de gemeenteraad ook gekozen om nieuwe woonbootlocaties te ontwikkelen, namelijk aan de Van Veldekekade en de Rosmalense Plas. Deze locaties bieden de woonbootbewoners aan de Ertveldplas ook de mogelijkheid om te verplaatsen naar een permanente, positief bestemde woonbootlocatie. Zoals eerder al gemeld heeft de gemeenteraad op 8 maart 2022 het bestemmingsplan voor deze nieuwe woonbootlocaties vastgesteld. Het plan is onherroepelijk geworden.
Zoals in de vorige paragraaf aangegeven, heeft de gemeenteraad in maart 2022 een bestemmingsplan vastgesteld dat de realisatie van twee nieuwe woonbootlocaties mogelijk maakt. Dat betreffen de Van Veldekekade (12 ligplaatsen) en de Rosmalense Plas (10 ligplaatsen). Deze nieuwe locaties zijn ingezet om de huidige woonbootbewoners aan de Ertveldplas (met een tijdelijke huurcontract) een mogelijkheid te bieden om te verplaatsen. Het gaat hier om permanente, positief bestemde woonbootlocaties. Belangrijk voordeel van een positief bestemde locatie is dat het voor bewoners bij een eventuele verkoop van de woonboot in de toekomst meer zekerheid geeft. Men kan dan de woonboot verkopen met de beschikking over een ligplaats.
Bewoners hebben medio 2021 een locatiekeuze voorgelegd gekregen. Men kon kiezen voor verplaatsing naar de Van Veldekekade, voor verplaatsing naar de Rosmalense Plas of om op een deel van de Ertveldplas te blijven liggen op basis van persoonsgebonden overgangsrecht (zie paragraaf 3.4). Negen bewoners hebben toen gekozen voor verplaatsing naar de Van Veldekekade. Niemand heeft gekozen voor verplaatsing naar de Rosmalense Plas. Eén bewoner gaf aan te willen verhuizen naar een reguliere huurwoning. De overige bewoners willen op de Ertveldplas blijven
In de loop van de tijd is nog een aantal situaties gewijzigd, door verhuizingen of overlijden.
Uiteindelijk hebben 4 bewoners definitief gekozen voor de Van Veldekekade en zijn deze een reserveringsovereenkomst aangegaan met de gemeente voor een ligplaats aan de Van Veldekekade. Omdat aan de in de reserveringsovereenkomst gestelde voorwaarden is voldaan, heeft men vervolgens een erfpachtcontract voor een ligplaats aan de Van Veldekekade ondertekend en heeft de verhuizing plaatsgevonden. De huidige plek aan de Ertveldplas (inclusief walkant) is geheel leeg en ontruimd, en zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat, aan de gemeente ter beschikking gesteld.
De uitkomst van het keuzeproces en natuurlijk verloop betekent dat er aan de Ertveldplas 14 ligplaatsen zullen overblijven van bewoners die niet naar een nieuwe locatie verhuizen. In de volgende paragraaf zal worden ingegaan op de regeling die voor deze bewoners in dit bestemmingsplan wordt getroffen.
Het nu voorliggende bestemmingsplan maakt het mogelijk dat woonboten aan de Ertveldplas kunnen blijven liggen op basis van indikking en persoonsgebonden overgangsrecht.
Uit het uitgevoerde onderzoeken (zie ook hoofdstuk 5) blijkt dat de huidige ligging van de woonboten de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven op het industrieterrein De Rietvelden - Ertveld onevenredig kan belemmeren.
De woonboten liggen in de geluidzone van industrieterrein De Rietvelden - Ertveld. Zonering in het kader van de Wet geluidhinder is een instrument voor het ruimtelijk scheiden van (grote) lawaaimakers enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zone is een gebied tussen de 50 dB(A) contour en de grens van het industrieterrein en is bedoeld als een buffer tussen industrie en woningen. Het doel van de geluidszone is daarmee tweeledig: enerzijds worden omliggende woningen en woonwijken beschermd tegen industrielawaai. Anderzijds biedt de geluidzone een wettelijk begrensde geluidsruimte waarover zware bedrijven kunnen beschikken.
Het toestaan van wonen in de geluidzone is dan ook niet de intentie van de wet. Het toestaan van woningen in de zone is tot op zekere hoogte en onder voorwaarden mogelijk, waarbij altijd een belangenafweging gemaakt moet worden. Het toestaan van woningen in de zone kan altijd, in meer of mindere mate, het bedrijfsbelang schaden. Indien woningen in de zone worden toegestaan is hiervoor een hogere grenswaarde geluid nodig. Een dergelijke hogere grenswaarde kan uitsluitend verleend worden voor geluidbelastingen van maximaal 55 dB(A).
In dat kader is de ligging van de 55 dB(A) contour bepaald op basis van de geluidszone en geluidverkaveling op industrieterrein 'De Rietvelden'. De geluidverkaveling vindt plaats op basis van dB(A)/m2. Voor de reeds bestaande bedrijven wordt daarbij uitgegaan van een standaard geluidwaarde afhankelijk van de in het bestemmingsplan toegestane milieucategorie:
Bij bedrijven met een hoger vergunde waarde dan de standaardwaarde, is uitgegaan van de vergunde waarde.
Op die manier behouden bestaande bedrijven hun geluidruimte.
Voor de (in 2016) braakliggende terreinen is voor milieucategorie 5 een lagere geluidwaarde gehanteerd van 60 dB(A)/m2 in plaats van de hierboven genoemde standaard geluidwaarde.
De ligging van de zo bepaalde 55 dB(A) contour is in de afbeelding hieronder weergegeven.
55 dB(A) contour - grens tussen groen en bruin gebied
Het toestaan van woonboten binnen deze 55 dB(A) contour (in het bruin geduide gebied) vinden wij niet wenselijk, aangezien dat een ernstige inperking van de mogelijkheden op het industrieterrein inhoudt en dit industrieterrein regionaal juist een belangrijke functie vervult voor vestiging van zware industrie. Andere bedrijventerreinen voor dit soort zwaardere industrie zijn er niet binnen de gemeente.
Om bovenstaande reden is gekozen voor het scenario van het indikken van de woonboten. Daarmee worden de woonboten die aan de Ertveldplas blijven liggen, buiten de 55 dB(A) contour (in het geel geduide gebied) gesitueerd. Voor deze woonboten wordt een hogere grenswaarde geluid verleend. De afstand tussen de ligplaatsen van de woonboten en het industrieterrein wordt daardoor (ten opzichte van de huidige ligging) een stuk groter, waardoor de situatie verbetert. Hoewel na indikking enige belemmering in de bedrijfsvoering (afhankelijk van de wijze van invulling van de individuele bedrijfskavels) niet geheel kan worden uitgesloten, weegt deze eventuele beperkte belemmering niet op tegen het belang om voor de huidige woonbootbewoners tot een (tijdelijke) oplossing te komen. Daarbij speelt een rol dat deze oplossingsrichting ook met belanghebbenden is besproken en de RIVU daarmee heeft ingestemd.
Hoewel indikking voor wat betreft het geluidsaspect voor de woonboten leidt tot een oplossingsrichting, is er ook na indikking geen sprake van een goed woonklimaat. De geluidsbelasting zal hier immers nog steeds boven de wettelijke voorkeursgrenswaarde liggen (tussen de 50 en 55 dB(A). Ook liggen de woonboten dan nog steeds binnen de invloedsfeer van het zware industrieterrein De Rietvelden - Ertveld en binnen de magneetveldzone van een hoogspanningsleiding. Mede om die reden worden de ligplaatsen niet positief bestemd. Aangezien er hier sprake is van een reeds langere tijd bestaande situatie, is wél rekening gehouden met de belangen van de woonbootbewoners. Er is voor gekozen om aan de hoofdbewoners van de woonboten een persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen, mits deze ter plekke al woonden (en stonden ingeschreven in de Basisregistratie Personen) ten tijde van het besluit d.d. 11 juli 2017, waarin de raad heeft gekozen voor indikking en persoonsgebonden overgangsrecht voor de Ertveldplas. Het persoonsgebonden overgangsrecht houdt in dat hoofdbewoners mogen blijven wonen, totdat men dit gebruik staakt, door bijvoorbeeld verhuizing of overlijden. Levenspartners worden eveneens als hoofdbewoner aangemerkt. Gezinsleden, zoals kinderen al dan niet meerderjarig, van hoofdbewoners mogen bij hen inwonen. Om onduidelijkheden te voorkomen wordt aan het bestemmingsplan een bijlage gehecht waarin de hoofdbewoners, voor wie het persoonsgebonden overgangsrecht geldt, uitputtend worden genoemd.
Er is gekozen voor een persoonsgebonden overgangsrecht in plaats van een reguliere uitsterfregeling / objectgebonden overgangsrecht (deze laatste vorm staat los van de specifieke gebruiker), om te voorkomen dat er in de toekomst steeds nieuwe mensen op deze locatie kunnen gaan wonen. Ruimtelijk is dat een zeer ongewenste situatie, aangezien deze locatie niet geschikt is als woonlocatie. Een goed woon- en leefklimaat is hier niet mogelijk vanwege de ligging binnen de geluidszone van een zwaar industrieterrein (met een geluidsbelasting boven de wettelijke voorkeursgrenswaarde). Daarnaast ligt de locatie binnen de invloedsfeer van het zware industrieterrein De Rietvelden - Ertveld en binnen de magneetveldzone van een hoogspanningsleiding.
Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat de woonfunctie op deze plek, in de directe nabijheid van een zwaar industrieterrein, op termijn kan zorgen voor enige beperking in de bedrijfsvoering van bedrijven op het industrieterrein. Mede vanwege deze bedrijfsbelangen wordt niet gekozen voor een uitsterfregeling.
Bij de afweging speelt eveneens een rol dat de huidige bewoners aan de Ertveldplas al lang op de hoogte zijn van het feit dat men hier illegaal ligt en dat de gemeente bezig is met een proces om te komen tot alternatieve (legale) woonbootlocaties. In de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan Buitengebied en in de daarop volgende uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak uit 2011 is dat al aan de orde gekomen (zie ook paragraaf 2.2). In afwachting van een definitief planologisch geregelde situatie is toen, mede op verzoek van de BEp, een tijdelijke huurovereenkomst met de eigenaren van de woonboten gesloten om de situatie aan de Ertveldplas beheersbaar te houden. Inmiddels is het bestemmingplan, dat twee nieuwe woonbootlocaties aan de Van Veldekekade en de Rosmalense Plas mogelijk maakt, onherroepelijk geworden. De woonbooteigenaren aan de Ertveldplas hebben in het kader van de nieuwe woonbootlocaties in 2021 al een locatiekeuze voorgelegd gekregen. Men kon kiezen voor verplaatsing naar de Van Veldekekade of naar de Rosmalense Plas of om op een deel van de Ertveldplas te blijven liggen op basis van persoonsgebonden overgangsrecht. De 4 mensen die utieindelijk definitief hebben gekozen voor de Van Veldekekade, hebben een erfpachtovereenkomst en zijn verplaatst.
Tot slot speelt in de overwegingen mee dat een persoonsgebonden overgangsrecht voor de Ertveldplasbewoners geen financieel nadeel oplevert ten opzichte van de huidige situatie. De woonboten zelf zullen door het toekennen van een persoonsgebonden overgangsrecht niet in waarde dalen. Een woonboot kan, conform het beoogde gebruik, als woonboot worden verkocht, maar net als in de huidige (illegale) situatie, kan in de nieuwe situatie daarbij geen ligplaats worden aangeboden; de boot mag niet op de Ertveldplas blijven liggen.
Deze mogelijkheid hebben de woonbooteigenaren wel gekregen door te kiezen voor verplaatsing naar een planologische legale woonbootlocatie (Van Veldekekade en Rosmalense Plas). Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de maandelijks te betalen canon voor de nieuwe woonbootlocaties voor verplaatsers van de Ertveldplas is gebaseerd op de kostprijs van de nieuwe locatie en niet op de marktconforme prijs en dat de gemeente per te verplaatsen woonboot een bijdrage levert in de kosten.
Het indikken op de Ertveldplas kan nu plaatsvinden omdat de verhuizingen van de woonboten naar de Van Veldekekade heeft plaatsgevonden. Nu staat immers definitief vast hoeveel ligplaatsen er aan de Ertveldplas overblijven en kan de wijze/volgorde van indikking worden bepaald.
Nadat het betreffende bestemmingsplan in ontwerp terinzage is gelegd, in januari 2023, heeft er in de periode 2023-2025 veelvuldig overleg (7x) plaatsgevonden met de 14 woonbooteigenaren over de wijze van indikking en de volgorde van de ligplaatsen. Niet alleen plenair maar ook individueel is er contact met de bewoners geweest, mondeling en schriftelijk. Dit teneinde wensen en aandachtspunten te inventariseren én maatvoeringen van de boten te checken, uiteindelijk om tot een indikking te komen, die ook in de praktijk haalbaar en veilig is. Nu het aantal woonboten is teruggebracht van 22 naar 14 boten, hoeven de woonboten niet persé haaks of schuin aan oever te liggen. Desgewenst kunnen de boten, net als in de huidige situatie, parallel aan de oever worden gelegd; er is voldoende ruimte beschikbaar.
De bewoners hebben, door de uiteenlopende belangen, niet zelf een indikkingvoorstel gedaan. Uiteindelijk hebben we ervoor gekozen in te dikken op basis van een 'invoegvariant'. Dit betekent dat een 8tal woonboten, die in het meest westelijk gebied liggen in de milieuzone, worden verplaatst naar de strook die niet als milieuzone is geduid. Deze 8 boten vullen de plaatsen op, die in die strook vrijgevallen zijn door bewoners die de plas met hun boot hebben verlaten. Qua volgorde is ervoor gekozen de volgorde aan te houden volgens de bestaande situatie; van links naar rechts zijn de open plaatsen ingevuld.
Een 6tal woonboten ligt al in de strook buiten de milieuzone; deze boten kunnen bljven liggen, met dien verstande dat, in geval er sprake is van twee hoofd-woonboten deze geclusterd moeten worden gelegd, met de lange zijden parallel aan elkaar. Deze situatie doet zich, op basis van eerdere afspraken, tweemaal voor.
Met dit indikkingsvoorstel wordt beoogd de impact en kosten te beperken. Zoveel mogelijk wordt van bestaande voorzieningen gebruik gemaakt.
In het kader van de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan.
Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.
Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:
Doorwerking plangebied
Gelet op de aard van het project zijn er geen rijksbelangen aan de orde.
De inmiddels verschenen ontwerp-Nota Ruimte maakt dit niet anders.
Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.
Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.
Doorwerking plangebied
Het Barro heeft geen doorwerking naar het bestemmingsplan, omdat er geen sprake is van nationale belangen.
Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.
In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen.
Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’
Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’
Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Ook de veranderingen in zogenoemde ‘bovenlaag’ vallen hieronder. Hierbij wordt gedacht aan de aanpak van leefgebied, bebouwing en het terugdringen van emissies naar de lucht.
Doorwerking plangebied
Via dit plan worden de woonboten 'ingedikt' op basis van een persoonsgebonden overgangsrecht. De afstand van de woonboten, die hier dan nog tijdelijk kunnen blijven liggen, tot het industrieterrein De Rietvelden, De Vutter, Het Ertveld wordt groter. Dit voorkomt grote beperkingen in de bedrijfsvoering voor de bedrijven op het industrieterrein en vermindert de invloed van het bedrijventerrein op de woonboten. Daarnaast ontstaat er ruimte voor natuurontwikkeling en vergroting van de biodiversiteit aan de noordoever van de Ertveldplas. Op korte termijn door het indikken van de woonboten en op de langere termijn doordat de woonboten hier uiteindelijk zullen verdwijnen.
Het plan is in lijn met de Omgevingsvisie.
De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 november 2019 deze verordening vastgesteld. Het is een 'Interim' omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de 'definitieve' omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte 2014. In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
De verordening geeft o.a. aan dat stedelijke ontwikkelingen, waartoe ook de realisatie van een woonbootlocatie kan worden gerekend, plaats moeten vinden binnen bestaand stedelijk gebied. De realisatie van een stedelijke ontwikkeling in het buitengebied is in beginsel uitgesloten. Alleen binnen een zogenaamd gebied ‘Stedelijk afweegbaar’ biedt de verordening onder strikte voorwaarden ruimte.
Doorwerking plangebied
Het plangebied ligt volgens de Verordening buiten het stedelijk gebied. Het gebied is ook niet aangewezen als 'Stedelijk afweegbaar'. De noordoever van de Ertveldplas is deels aangewezen als 'Natuurnetwerk Brabant' en deels als 'Groenblauwe Mantel'. In die gebieden ligt de nadruk op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en landschappelijke waarden. Een permanente woonbootlocatie is niet passend op die plek.
Het bestemmingsplan zorgt er op de korte termijn voor dat de woonboten op een kleiner deel van de plas komen te liggen, waardoor er meer ruimte is voor natuurontwikkeling aan de noordwestzijde. Op de lange termijn zullen de woonboten hier verdwijnen, door de toepassing van een persoonsgebonden overgangsrecht.
Het plan sluit aan bij het doel van de Interim Omgevingsverordening, geldend op het moment van dit ontwerpbestemmingsplan. Hoewel niet relevant, de inmiddels onder de Omgevingswet inwerkinggetreden Omgevingsverordening is op dit onderdeel niet gewijzigd.
In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de
ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de
ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor
concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor
ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden
liggen en kansen voor ontwikkeling. Ook worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame
ruimtelijk hoofdstructuur.
Doorwerking plangebied
Het plangebied ligt tussen de 'Engelervleugel en de 'Maasvleugel', in de zogenaamde 'Groene Delta'. Voor dit gebied, dat de Diezemonding wordt genoemd, wordt gestreefd naar versterking van de groene en ecologische hoofdstructuur en naar verbetering van de relatie met het stroomgebied van de Maas. Er wordt ingezet op een boeiende stad-landrelatie, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen groene stedelijke uitstralingsgebieden en buitengebied. Het buitengebied dat de stad binnendringt, zoals de Diezemonding, is primair bedoeld voor natuurontwikkeling, (extensieve) landbouw- en recreatie.
Het plan sluit aan bij het doel van de Structuurvisie. De inmiddels in september 2025 vastgestelde Omgevingsvisie maakt dit niet anders.
Op 18 december 2007 heeft de gemeenteraad een besluit genomen ten aanzien van het Uitvoeringsprogramma De Groene Delta. Een onderdeel van dit uitvoeringsprogramma betreft de ecologische zone ten noorden van de Ertveldplas. Om de ecologische waarde hiervan te vergroten zal een deel van de polder onder water worden gezet. De Ertveldpolder is aangewezen als natuurontwikkelingsgebied. De Ertveldpolder en ook de Dieze hebben een belangrijke functie in het verbinden van verschillende natuurgebieden rond ’s-Hertogenbosch. Maar ook op regionaal niveau worden gebieden (Maas met Groene woud) met elkaar verbonden via de Ertveldpolder.
De Diezemonding is een groene lob die tot ver in de stad doordringt. Het gebied behoort feitelijk tot het rivierengebied. Voor het gebied heeft de gemeente ‘s-Hertogenbosch samen met het Waterschap Aa en Maas in 2004 een visie opgesteld onder de naam ‘Waterpoort’. Het idee is het ontwikkelen van een natuur- en recreatiepark met ruige natuur, waar natuurbegrazing, spontane natuurontwikkeling en struinnatuur de kernbegrippen zijn.
Doorwerking plangebied
De woonbootlocatie aan de Ertveldplas past in beginsel niet bij het streven naar de natuurontwikkeling op deze plek. Mede daarom (maar voornamelijk vanwege de milieubeperkingen die ter plekke aanwezig zijn) wordt de locatie niet als woonbootlocatie bestemd. Er is voor gekozen om woonboten op een deel van de noordelijke oever (zogenaamde indikvariant) toe te staan op basis van een persoonsgebonden overgangsrecht. Dit is gericht op beëindiging van deze woonbootlocatie op termijn.
Ter bevordering van de natuurontwikkeling in het westelijk deel van de noordelijke oever zal vanaf de bestaande waterloop op de noordoever een doorsteek worden gemaakt naar de Ertveldplas. Op lange termijn zal ook nog bekeken worden in hoeverre de huidige dijk tussen de polder en de Dieze kan worden afgegraven, zodat de Dieze weer vrij spel krijgt in de polder.
Concept inrichting Ertveldpolder (korte termijn)
In 2007 heeft de raad een initiatiefvoorstel aangenomen m.b.t. woonboten in ’s-Hertogenbosch. Besloten is om:
Naar aanleiding van dit initiatiefvoorstel is er onderzoek gedaan naar uitbreidingsmogelijkheden voor woonboten in de stad, waardoor een oplossing kan worden geboden voor de krapte op de woningmarkt. Door middel van een locatiestudie is hier onderzoek naar verricht. Uit deze locatiestudie blijkt dat nieuwe locaties voor het uitbreiden van het aantal woonboten voor de korte termijn niet of nauwelijks aanwezig zijn in de stad. Dit heeft geresulteerd in een besluit van de raad op 22 september 2009. Dit besluit luidt:
De kwestie van de legalisering van de woonboten in de Ertveldplas, ten aanzien waarvan de raad in 2007 bij het initiatiefvoorstel besloten had om de consequenties daarvan in beeld te brengen, is in het besluit van 2009 buiten beschouwing gelaten, omdat er op dat moment nog overleg plaatsvond met de bewoners. In het bestemmingsplan Buitengebied uit 2010 (zie paragraaf 4.3.4) en in een tijdelijke huurovereenkomst (zie paragraaf 2.3) zijn daarover later zaken vastgelegd.
Op 26 januari 2010 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld. In dat bestemmingsplan is ook de noordzijde van de Ertveldplas opgenomen. Aan de Ertveldplas zelf is de bestemming 'Water' toegekend. De oever heeft de bestemming 'Natuur'.
In het bestemmingsplan is ervoor gekozen om de aanwezige woonboten aan de noordzijde van Ertveldplas niet positief te bestemmen, vanwege de gewenste natuurontwikkeling in de polder en de bestaande milieu-situatie (o.a. ligging binnen de geluidscontour van het industrieterrein De Rietvelden). Daarbij is mede in overweging genomen het besluit uit 2009 om na de omlegging van de Zuid-Willemsvaart nader onderzoek te doen naar de ontwikkeling van mogelijk nieuwe woonbootlocaties.
Tegen het niet positief bestemmen hebben een aantal bewoners van woonboten aan de Ertveldplas beroep ingesteld bij de Raad van State. Zij voerden hiervoor onder andere aan dat hun woonboten reeds geruime tijd ter plaatse op de waterplas lag en dat binnen de planperiode geen andere ligplaats beschikbaar komt. Verder zijn volgens hen hun woonboten geen belemmering voor de scheepvaart, voor een natuurontwikkeling in de aangrenzende Ertveldpolder en voor het nabijgelegen bedrijventerrein De Rietvelden - Ertveld.
De Raad van State heeft op 20 juli 2011 dit beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat, gelet op de gewenste natuurontwikkeling en uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat, de gemeenteraad de woonboten in redelijkheid niet als zodanig in het plan behoefde te bestemmen.
Daarnaast komt de Raad van State tot de conclusie dat voor bedoelde woonboten op de Ertveldplas geen bouwvergunningen zijn verleend, deze woonboten in planologisch opzicht daar illegaal aanwezig zijn en dat niet in geschil is dat het bestaande gebruik van de woonboten niet wordt beschermd door het overgangsrecht van het plan. Het college van burgemeester en wethouders heeft derhalve de mogelijkheid hiertegen handhavend op te treden.
In 2013 is gestart met een onderzoek naar nieuwe locaties voor woonschepen. Redenen daarvoor waren:
Doel van dit onderzoek was het verkrijgen van inzicht in de kansen voor het realiseren van permanente locaties voor woonschepen op daarvoor ruimtelijk geschikte plekken. Er zijn in totaal 17 locaties onderzocht. Ook de bestaande woonbootlocaties, waaronder Ertveldplas-Noord, zijn in het onderzoek meegenomen. Bij de beoordeling van de verschillende locaties is een groot aantal aspecten betrokken, zoals o.a. industriegeluid, wegverkeer- en railverkeergeluid, hoogspanningslijnen, geurhinder, provinciale regelgeving, de breedte van het water, de nabijheid van beroepsscheepsvaart.
Op basis van het onderzoek zijn drie locaties als mogelijk te realiseren locatie aangemerkt: De Zuid-Willemsvaart - Van Veldekekade / Maastrichtseweg, de Rosmalense Plas en de Groote Wielenplas.
Voor de bestaande woonbootlocatie Ertveldplas-Noord is naar voren gekomen dat het niet haalbaar is om deze locatie een positieve bestemming te geven, conform de wens van bewoners. Ter plekke kan namelijk een goed woonklimaat niet gegarandeerd worden (onder andere vanwege ligging in de geluidszone van industrieterrein De Rietvelden - Ertveld). Bovendien zal een positieve bestemming de omliggende bedrijvigheid beperken in hun bedrijfsvoering.
Hoewel bestuursrechtelijk optreden tegen de locatie Ertveldplas-Noord juridisch wel mogelijk is, heeft de gemeenteraad geoordeeld dat men dit onbillijk vindt voor de huidige bewoners, aangezien de locatie reeds lange tijd in gebruik is als woonbootlocatie en sommige bewoners hier reeds lange tijd wonen.
Op 24 juni 2014 heeft de gemeenteraad over de locatie Ertveldplas-Noord besloten om de voor de daar liggende woonboten een bestemmingsplanprocedure op te stellen op basis van persoonsgebonden overgangsrecht.
Na dit besluit heeft Ondernemersvereniging Rietvelden - Ertveld en Vutter (RIVU) de gemeente erop gewezen dat uitvoering van het raadsbesluit van 24 juni 2014 een beperking betekent voor de mogelijkheden van het bedrijventerrein De Rietvelden – Ertveld. Aangezien het raadsbesluit niet gebaseerd was op deze wetenschap is besloten nader onderzoek te doen naar de (financiële) consequenties van de uitvoering ervan. De gemeenteraad is aangegeven dat de uitkomsten daarvan tegelijk met de ruimtelijke en financiële uitwerking van de aangewezen mogelijke woonbootlocaties opnieuw ter besluitvorming zal worden aangeboden.
Op 11 juli 2017 heeft de gemeenteraad een besluit genomen over mogelijke nieuwe permanente woonbootlocaties en over een oplossingsrichting voor de woonboten aan de Ertveldplas.
Voor de Ertveldplas is gekozen voor een zogenaamde 'indikvariant', waar de huidige woonboten (met een tijdelijk huurcontract) op basis van persoonsgebonden overgangsrecht mogen blijven liggen. Bij de indikvariant woren de woonboten opgeschoven in oostelijke richting en komen daardoor dichter bij elkaar te liggen. De afstand tot het bedrijventerrein wordt daardoor groter, zodat de mogelijkheden voor het bedrijventerrein niet onaanvaardbaar worden beperkt. Het nu voorliggende bestemmingsplan is de uitwerking van dit besluit.
Van de locaties die in 2014 waren aangemerkt als mogelijke permanente woonbootlocaties heeft de gemeenteraad bij dit besluit de Van Veldekekade aangewezen als permanente woonbootlocatie en heeft men aangeven dat daarvoor de benodigde bestemmingsplanprocedure kon worden gestart. Tijdens de raadsbehandeling heeft de portefeuillehouder, naar aanleiding van vragen vanuit de gemeenteraad, de toezegging gedaan om te onderzoeken of ook een permanente woonbootlocatie gerealiseerd kan worden aan de Rosmalense Plas. Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd om ook in de Rosmalense Plas een woonbootlocatie van 10 ligplaatsen mogelijk te maken.
Er is een bestemmingsplan in procedure gebracht en inmiddels afgerond, waarin zowel de woonbootlocatie aan de Van Veldekekade als in de Rosmalense Plas zijn opgenomen.
Op 8 maart 2022 is het bestemmingsplan 'Woonbootlocatie Van Veldekekade en Rosmalense Plas' door de gemeenteraad vastgesteld. Het bestemmingsplan in inmiddels onherroepelijk.
Beide nieuwe woonbootlocaties zijn in beginsel ingezet om de woonbootbewoners aan de Ertveldplas (met een tijdelijke huurovereenkomst) de mogelijkheid te bieden om te verplaatsen naar een planologisch permanent geregelde plek. In dat kader hebben inmiddels negen woonbootbewoners een reserveringsovereenkomst getekend voor een ligplaats aan de Van Veldekekade. Dat betekent dat men een definitieve ligplaats aan de Van Veldekekade kan krijgen, indien men aan een aantal voorwaarden voldoet.
De aanleg van de woonbootlocatie aan de Van Veldekekade is inmiddels afgerond, de ligplaatsen zijn grotendeels gevuld.
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies - zoals bedrijfsactiviteiten - ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen hier in de vorm van woonboten). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.
Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.
Richtlijn
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).
Plangebied
De hier relevante bedrijvigheid bevindt zich aan de noordzijde op het industrieterrein de Rietvelden, ten zuiden van de geplande woonboten. Maatgevende bestemde bedrijvigheid betreft bedrijvigheid in de milieucategorie 5.1. De hierbij behorende indicatieve VNG-richtafstand betreft 500 meter. De geplande ligplaatsen voor de woonboten vallen geheel of gedeeltelijk binnen deze richtafstand. Hoewel een onacceptabele hinderlijke situatie aan de orde is, wordt gemotiveerd dat de locaties voor de woonboten acceptabel zijn en belangen van bedrijven niet oveneredig zullen worden geschaad met het toelaten van deze (nu al reeds liggende) woonboten via een persoonsgebonden overgangsrecht. De voorliggende situatie is dus niet blijvend, maar zal op termijn eindigen.
Geluid
Voor wat betreft het aspect geluid wordt de toelaatbaarheid en vergunbaarheid gemotiveerd middels een geluidsonderzoek. De Rietvelden betreft namelijk een geluidsgezoneerd industrieterein met een wettelijk bestemde geluidszone (van 50 dB(A)) daar omheen. De ligplaatsen voor de woonboten bevinden zich binnen de bestemde geluidszone, maar buiten het gezoneerd industrieterrein. Voor geluidsgevoelige objecten (zoals de ligplaatsen voor woonboten) in de geluidszone geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Ligplaatsen binnen de geluidszone zijn vergunbaar (middels een hogere geluidswaarde) tot een maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). De ligplaatsen van de woonboten liggen buiten deze zone van 55 dB(A), waardoor ze met minder of maximaal met 55 dB(A) worden belast. Aangezien de woonboten reeds langere tijd aan de Ertveldplas liggen en deze woonboten middels dit bestemmingsplan op grotere afstand van het industrieterrein komen te liggen, achtten we deze situatie acceptabel en toelaatbaar. Gemeente zal hier dan ook hogere waarden voor verlenen tot maximaal 55 dB(A). Hierdoor worden de belangen van de aanwezige (en toekomstige) bedrijven zoveel mogelijk gerespecteerd en niet onevenredig geschaad. Het aspect geluid (industrielawaai en wegverkeerslawaai) wordt nog nader toegelicht in paragraaf 5.2.
Risico bedrijven
De indicatieve hinderafstand voor externe veiligheid wordt op de eerste plaats ondervangen (vervangen) door de huidige strenge wetgeving op dit gebied. Voor risicovolle bedrijven is dit geregeld in het 'Besluit risicovolle inrichtingen milieubeheer' (Bevi). Ten aanzien van de bestaande Bevi-bedrijven bevinden risicocontouren zich op ruime afstand van de geplande ligplaatsen voor de woonboten.
Voor nieuwe risico-bedrijven hanteert de gemeente de uitgangspunten uit het vastgestelde 'Uitvoeringskader externe veiligheid' (juni 2010). Deze uitgangspunten zijn tevens opgenomen in de bestemmingsplanregels van het industrieterrein 'Rietvelden', waardoor nieuwvestiging van Bevi-inrichtingen slechts toelaatbaar is indien de contour van de grenswaarde van het belangrijke plaatsgebonden risico van een bedrijf binnen het eigen bedrijfsperceel blijft én de grens van het invloedsgebied (relevant voor het Groepsrisico) niet buiten de begrenzing van het industrieterrein treedt. Hiermee worden de risicocontouren voor nieuwe bedrijvigheid dus beperkt tot binnen het industrieterrein.
Het verplicht voldoen aan de direct werkende regels voor de externe veiligheid alsook de bestemmingsplanregels zullen de risico's in de omgeving door risico-bedrijvigheid ter plaatse van de woonboten zo veel als mogelijk doen verkleinen tot een maatschappelijk acceptabel (wettelijk geldend) niveau. De risico's van bedrijvigheid bij de woonboten voldoen in ieder geval aan de gangbare normen. De belangen van bestaande bedrijven en bestemde bedrijvigheid wordt op dit aspect niet geschaad. Dit aspect wordt nader belicht verderop in paragraaf 5.5.
Stof
Voor wat betreft stof is dit in de regel niet het maatgevende aspect bij bedrijven in de categorie 5.1. In de bestemde lijst van toegelaten bedrijvigheid is slechts één bedrijfstype toegelaten met een stof-afstand tot 500 meter, namelijk een op- en overslag bedrijf (met granen en meel) voor de binnenvaart. Zo'n bedrijf bevindt zich (nog) niet binnen de Rietvelden. Bij eventuele nieuwvestiging van zo'n bedrijf wordt eventuele hinder hiervan ondervangen door de verplichte milieuhindervoorschriften uit een nodige geldende milieuvergunning of het Activiteitenbesluit. Conform de Wet milieubeheer is een bedrijf verplicht zich hieraan te houden. Hiermee wordt een afdoende bescherming voor de gevoelige objecten (de ligplaatsen voor woonboten) geboden en wordt hinder zo veel als mogelijk voorkomen. Bedrijfsbelangen worden op dit aspect niet geschaad.
Geur
Geur kan daarentegen een maatgevend hinderaspect zijn bij toelaatbare geurproducerende bedrijven binnen de hindercategorie tot en met 5.1. Relevante aanwezige geurproducerende bedrijven op de Rietvelden zijn; de brouwerij en afvalwaterzuivering van Heineken, Bonda Veevoeders, Asfaltcentrale van Asfalt.nu en slachterij Vitelco.
De geursituatie vanwege de bestaande alsook nieuwe (bestemde) bedrijvigheid is daarom uitvoerig onderzocht. Uit het geuronderzoek blijkt dat in de voorgestelde situatie van ligging van de woonboten, geen hinderlijke geursituatie wordt verwacht. Voldaan wordt aan alle gangbare en vergunde geurnormen voor de bedrijven. Ten aanzien van toekomstige situaties zijn meeste type geurrelevante bedrijven mogelijk. Verder is er voldoende groeiruimte voor de bestaande bedrijven mogelijk.
Uit het geuronderzoek blijkt geen hinderlijke geursituatie ter plaatse van de geplande ligplaatsen. Daarbij worden de belangen van de bestaande bedrijven niet geschaad en is nieuwvestiging van geur-producerende bedrijvigheid goed mogelijk. Dit aspect geur wordt in paragraaf 5.8 nader toegelicht.
De voorgenomen situatie van ligplaatsen voor de woonboten is toelaatbaar. De belangen van de bestaande bedrijven worden hierdoor niet geschaad. Ook zijn toekomstige uitbreidingen van de bestaande bedrijven mogelijk en ook werken de ligplaatsen niet belemmerend voor nieuwvestiging van bedrijven.
Inleiding
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader, dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen en ligplaatsen voor woonboten) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
Planlocatie ligplaatsen
De locatie van de ligplaatsen van dit plan is niet de locatie zoals deze nu (Q4 - 2022) het geval is. De ligplaatsen komen langs een deel van de noordoever te liggen (zogenaamde indikvariant), zodat de afstand tot het industrieterrein groter wordt. Deze variant is het resultaat van meerdere gesprekken met alle belanghebbenden op deze locatie en mede gebaseerd op een geluidsonderzoek.
Het gegeven is dat om industrieterrein De Rietvelden - Ertveld een industriële geluidszone ligt (is bestemd) van 50 dB(A). Dit betekent dat alle bedrijven tezamen niet meer geluid mogen produceren dan 50 dB(A) op deze geldende geluidszone. Deze geluidszone geeft enerzijds de bedrijven een wettelijke hoeveelheid aan geluidsruimte en anderzijds wordt het gebied buiten deze 50 dB(A) geluidszone beschermd tegen te veel aan geluid. Buiten de geluidszone van 50 dB(A) gelden er geen beperkingen voor geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en woonboten.
Het toelaten van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woonboten/woningen, is in beginsel niet het doel van een geluidszone. Het doel van een geluidszone is namelijk het ruimtelijk scheiden van lawaai makende bedrijven en geluidsgevoelige objecten, zoals woningen. Het toestaan van woningen in de zone is tot op zekere hoogte en onder voorwaarden mogelijk, waarbij altijd een belangenafweging gemaakt moet worden. De woonboten bevinden zich binnen deze wettelijke geluidszone van 50 dB(A). Voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en via een 'hogere waarde procedure' kan een hogere geluidsbelasting worden verleend/toegestaan tot maximaal 55 dB(A) (de maximale ontheffingswaarde).
Het toestaan van woningen in de zone kan altijd, in meer of mindere mate, het bedrijfsbelang schaden.
In dat kader is de ligging van een 55 dB(A) contour industrielawaai bepaald op basis van de geluidszone en geluidverkaveling op industrieterrein 'De Rietvelden'. De geluidverkaveling vindt plaats op basis van dB(A)/m2. Voor de reeds bestaande bedrijven wordt daarbij uitgegaan van een standaard geluidwaarde afhankelijk van de in het bestemmingsplan toegestane milieucategorie:
Bij bedrijven met een hoger vergunde waarde dan de standaardwaarde, is uitgegaan van de vergunde waarde.
Op die manier behouden bestaande bedrijven hun geluidruimte.
Voor de (in 2016) braakliggende terreinen is voor milieucategorie 5 een lagere geluidwaarde gehanteerd van 60 dB(A)/m2 in plaats van de hierboven genoemde standaard geluidwaarde.
De bepaalde geluidscontour van 55 dB(A) is in onderstaand figuur weergegeven (gele stippellijn). Gebleken is dat de huidige bestaande ligplaatsen (Q4 – 2022) zich bevinden in een gebied waar de geluidsbelasting hoger kan zijn dan 55 dB(A). Daarmee zijn ze op de bestaande locatie niet vergunbaar, rekening houdend met de omliggende bedrijfsbelangen.
Derhalve zijn de ligplaatsen van de woonboten 'opgeschoven' en 'ingedikt' tot een locatie verder weg van het industrieterrein, meer naar het oosten, waar de woonboten met minder dan 55 dB(A) worden belast. De hier optredende geluidsbelastingen (tot maximaal 55 dB(A)) van de industrie zijn namelijk wél te ontheffen/vergunnen. Dit is de voorgenomen locatie waarop dit plan is gebaseerd. Met een te verlenen hogere geluidswaarde tot 55 dB(A) zijn de woonboten op de geplande 'ingedikte' locatie vergunbaar. Belangen van bedrijvigheid (bestaand en bestemd) worden dan ook niet onevenredig geschaad.
Deze nieuwe 'ingedikte' locatie – zoals met dit plan nu voorligt – zorgt tevens voor meer geurruimte voor zowel de bestaande als nieuwe geurproducerende bedrijven. Voor het aspect wordt specifiek verwezen naar paragraaf 5.8.
Ingedikte locatie woonboten buiten de 55 dB(A) contour van het industrieterrein
Industrielawaai
Zoals gezegd liggen de woonboten op de voorgestelde 'ingedikte' locatie binnen de geluidszone van 50 dB(A) van het industrieterrein De Rietvelden. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder.
Het doel van zo'n geluidszone is tweeledig: Enerzijds worden geluidgevoelige functies (zoals woningen) beschermd tegen een te hoge geluidsbelasting vanwege industrielawaai. De zone vormt als het ware een buffer (ruimtelijke scheiding) tussen industriële activiteiten en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
Zoals gezegd is de geluidsbelasting op de ingedikte locatie van de woonboten onderzocht (zie Akoestisch onderzoek woonboten Ertveldplas, geactualiseerd d.d. 13 januari 2026). Deze bedraagt op deze locatie niet meer dan 55 dB(A).
Aangezien het treffen van maatregelen aan de geluidbron (de bedrijven op het industrieterrein), het stedenbouwkundig ontwerp (van de ligplaatsen en woonboten) en afschermende voorzieningen niet mogelijk zijn, wil de gemeente voor de geplande ligplaatsen een 'hogere geluidswaarde' verlenen. Deze hogere geluidwaarde zal voor iedere ligplaats 55 dB(A) bedragen. Dit besluit moet uiterlijk zijn genomen vóór vaststelling van het bestemmingsplan (bijlage 9, besluit hogere waarden 20 februari 2026).
Wegverkeerslawaai
Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling van de ligplaatsen bevindt zich binnen de geluidszone van de A59. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is (voor Rijkswegen) een hogere waarde mogelijk tot 53 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:
Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Voor geluidsbelastingen op gevels hoger dan 53 dB (als gevolg van de Rijksweg A59) kan formeel geen ontheffing worden verleend.
De geluidsbelasting als gevolg van de A59 is voor onderhavig plan onderzocht (zie Akoestisch onderzoek woonboten Ertveldplas, geactualiseerd d.d. 13 januari 2026). Een belasting tot 46 dB treedt op ter plaatse van de 'ingedikte' ligplaatsen. Daarmee voldoet het plan en is geen ontheffing voor hogere geluidwaarden vanwege verkeerslawaai nodig.
Railverkeerslawaai
Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. De beoogde ligplaatsen voor de woonboten liggen buiten een onderzoekszone van het railverkeer. Dit aspect is hier niet aan de orde.
Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid - zowel voor industrielawaai als wegverkeerslawaai - geen belemmeringen geeft voor onderhavig plan voor de ligplaatsen van woonboten op basis van een persoonsgebonden overgangsrecht.
Bij trillingen gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillinghinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.
Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten zoals woningen. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Zwaar wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt meestal trillingen. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt meestal binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden bijna nooit voelbare trillingen op. De afstand tot eventueel zwaar verkeer, goederen over het spoor en industriele bedrijvigheid is hier beduidend groter dan 100 meter. Verder betreffen het hier geen woonobjecten op de bodem, maar op water. Woonboten op het water ondervinden altijd een vorm van golvende beweging, niet te verwarren met hinderlijke trillingen bij woningen op de vaste grond. Het aspect trillingen is hier niet aan de orde. Er is in onderhavige situatie geen aanleiding tot het uitvoeren van een onderzoek.
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat de meest relevante lichtbron – hier industrieterrein Rietvelden – zich op ruime afstand bevindt van de geplande ligplaatsen, namelijk op ruim 400 meter. Andere lichtbronnen zijn op deze locatie, nabij het buitengebied, afwezig. Hinder door te veel aan licht wordt hier niet verwacht.
Wettelijk kader
Algemeen
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen, Dit heeft betrekking op inrichtingen(bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's overwogen moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
Toetsingskader
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Binnen het toetsingskader van deze drie typen risicobronnen staan altijd drie kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht.
Daarnaast heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een 'uitvoeringskader Externe veiligheid' vastgesteld.
Hierin zijn drie hoofdambities benoemd:
Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording risico's
De gemeente 's-Hertogenbosch maakt 14 ligplaatsen mogelijk voor woonboten op de Ertveldplas. Het gaat hier om ligplaatsen via een persoonsgebonden overgangsrecht. Via het persoongebonden overgangsrecht is sprake van een uitsterfconstructie. De ligplaatsen zijn derhalve 'eindig' (daarmee niet permanent) te noemen.
In onderstaande afbeelding is de locatie van de woonboten zichtbaar op een luchtfoto. Daarnaast is een afbeelding uit de ev-signaleringskaart gezet, waarop de risico-volle activiteiten zichtbaar zijn in de directe omgeving.
In rood indiklocatie woonboten Ligplaats voor de woonboten incl. risicocontouren
(bron: EV-signaleringskaart)
De risicobronnen in de omgeving zijn geinventariseerd, beoordeeld en de optredende risico's beschouwd en verantwoord. Deze inventarisatie en verantwoording staan beschreven in een aanvullende bijlage 'Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico woonboten Ertveldplas' (Inventarisatie van
risicobronnen en verantwoording groepsrisico woonboten Ertveldplas).
Advies Veiligheidsregio
Conform het vastgestelde uitvoeringskader is de veiligheidsregio gevraagd advies uit te brengen op het plan. Het advies (zaaknummer 2022-002258, d.d. 24 mei 2022) is in Advies brandweer opgenomen. De relevante onderdelen uit deze brief zijn in de verantwoording opgenomen.
Conclusies en restrisico
Op basis van de inventarisatie van de risicobronnen, de verantwoording van optredende risico's en het ontvangen advies, kunnen onderstaande conclusies worden getrokken:
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 8,6 motorvoertuigwegingen per ligplaats per etmaal (conform CROW, richtlijn 381, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden. Uitgangspunt vrijstaande koopwoning), resulteert dit in maximaal (worstcase) 190 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor 22 ligplaatsen (zoals een aantal jaren geleden nog aanwezig). Daarvan worstcase 20 voertuigbewegingen aan vrachtverkeer (11% van het totaal). Met deze getallen toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
Volledigheidshalve is overigens ook een berekening ingevoegd voor de actuele situatie, voor inmiddels 14 ligplaatsen. Ook hieruit blijken geen belemmeringen.
Uitdraai NIBM-tool, mei 2022 en november 2024
Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied (locatie zandzuigerstraat en treurenburg) onder 20 µg/m3 liggen voor de beide stoffen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 12 microgram/m3. Hiermee wordt eveneens ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het voorliggend plan.
Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door eventueel grondverzet.
De ligplaatsen bevinden zich op het water. De relevant gevoelige functie wonen vindt derhalve niet plaats op de de bodem. De kwaliteit van de bodem op of nabij de ligplaatsen is voor de te bestemmen ligplaatsen niet relevant. Eventueel gebruik van de oever (behorend bij de woondoeleinden) voor is voor de kwaliteit van de bodem, gebruik en functie eveneens niet relevant te noemen.
Geur en hinder van geur kan een relevant aspect zijn bij ruimtelijke plannen. Een (toekomstige) bewoner (of de ondernemer) heeft belang bij een goed woon- en verblijfklimaat. Ten aanzien van gevoelige objecten gaat het er dus om dat een goed woon- en verblijfklimaat is gegarandeerd. Daarnaast dient voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad; de rechtspositie van de betrokkenen moet in stand blijven. Kortom: een geurproducerend bedrijf mag niet in haar belangen worden geschaad.
Een woonboot (binnen een geregelde ligplaats) is een geurgevoelig object. Het is immers een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf.
Nabij het plangebied liggen – op industrieterrein De Rietvelden - een aantal bedrijven/inrichtingen die vanwege de geuremissies en ligging maatgevend zijn voor een (individuele) geurbeoordeling op de ligplaatsen van de woonboten. De voor dit plan relevante geurproducerende bedrijven betreffen:
Overige industriele bedrijven in de omgeving zijn vanwege de ruime afstand tot de woonboten het plangebied niet relevant voor een inhoudelijke geurbeoordeling. Agrarische bedrijven – in de regel ook geurproducerende bedrijven – zijn niet aanwezig in de nabije omgeving.
Om tot een juiste afweging voor het aspect geur (belangen en hinder) van deze relevante bedrijvigheid te komen is een onderzoek opgesteld (Royal Haskoning DHV, Actualisatie geuronderzoek Ertveldplas 's-Hertogenbosch, 7 april 2022, kenmerk BH9775-IB-NT-220407-1023). Dit onderzoek is te vinden in Actualisatie geuronderzoek.
Door Royal Haskoning DHV is onderzocht wat ten aanzien van het aspect geur de uitbreidingsmogelijkheden en beperkingen zijn voor de bestaande geuremitterende bedrijven die zich ter hoogte van de Ertveldplas – op De Rietvelden - bevinden. Daarnaast is in beeld gebracht wat de geurcontour van eventuele nieuwe bedrijven op het bedrijventerrein Rietvelden kan zijn en hoe zich dat verhoudt ten aanzien van de vergunbaarheid met betrekking tot het aspect geur. Hiertoe zijn de gangbare geur-hindernormen beschouwd ter plaatse van de beoogde ligplaatsen.
Hiertoe geeft het onderzoek antwoord op 4 specifieke vragen:
In het kort worden op de vragen onderstaande conclusies getrokken. Hierbij verwijzen we voor de inhoudelijke materie en beoordelingen naar het betreffende onderzoek van Royal Haskoning DHV.
Ad 1 Conflicteren de huidige geursituatie en de huidige ligging van de woonboten met elkaar?
Kijkend naar de geurbelasting in de huidige situatie vanuit de bedrijven ter hoogte van de ligplaatsen van de woonboten op de Ertveldplas geldt dat de Heineken brouwerij de hoogste (maatgevende) bijdrage heeft. Conclusie is daarbij dat de vergunde situatie van de Heineken brouwerij ten aanzien van het aspect geur niet in de knel komt op het moment dat de woonboten worden aangemerkt als 'niet aaneengesloten woonbebouwing'. Hierbij wordt opgemerkt dat - indien in dit buitengebied - de woonboten worden beschouwd als 'verspreid liggende woonbebouwing' er meer vergunbare geurruimte ontstaat dan het 'gevoeligere' aaneengesloten woonbebouwing. Voor de overige geuremitterende bedrijven doet zich ten opzichte van de ligging van de woonboten ten aanzien van het aspect geur eveneens geen knelpunt voor.
Ad 2 Kan de huidige ligging van de woonboten leiden tot belemmeringen bij uitbreiding van de bestaande
bedrijven op het industrieterrein of bij realisatie van nieuwe bedrijvigheid?
Uit het onderzoek blijkt dat in relatie tot de woonboten er voor alle bedrijven groeiruimte beschikbaar is. indien wordt aangenomen dat toetsing van een toekomstige bedrijfssituatie plaatsvindt aan de geur-beleidsregels (voor de industrie) van de Provincie Noord-Brabant én de woonboten daarbij worden aangemerkt onder de omgevingscategorie 'gemengd'. Opgemerkt wordt daarbij dat het er op lijkt dat andere geurgevoelige objecten (aaneengesloten bebouwing van de wijken De Kruiskamp en Boschveld) maatgevend zijn met betrekking tot de uitbreidingsmogelijkheden van Heineken. Conclusie is ook dat de meeste typen geurrelevante bedrijven zich op een van de (braakliggende) percelen op de Rietvelden kunnen vestigen.
Ad 3 Indien er sprake is van een knelpunt dan is de vervolgvraag of het opschuiven van een deel van de
woonboten (indikvariant) een oplossing kan bieden?
Voor wat betreft de huidige situatie geldt dat met betrekking tot de Heineken Bierbrouwerij een conflicterende geursituatie kan ontstaan indien de woonboten als 'aaneengesloten bebouwing' wordt beoordeeld. In geval van het toepassen van de indikvariant valt deze onzekerheid ten aanzien van het aspect geur (toetsing aan wel of geen strengere norm op basis van type object/bebouwing) weg. Voor de uitbreidingsmogelijkheden van met name de Heineken brouwerij geldt dat om vergunbaarheid van de toekomstige bedrijfsactiviteiten er bij voorkeur wordt gekozen voor het zo ver mogelijk lokaliseren van de woonboten aan de oostelijke kant van de Ertveldplas.
Ad 4 Inzicht krijgen of er ten aanzien van geuremissie beperkende maatregelen aanknopingspunten zijn om tot
een betere vergunbare of inpasbare oplossing te komen.
Voor de diverse omliggende bedrijven zijn er verschillende mogelijkheden om tot een betere inpasbare oplossing te komen. Daarbij kan gedacht worden aan maatregelen die de vrijkomende geuremissie beperken. Daarnaast is het mogelijk om de verspreiding te optimaliseren (schoorsteenhoogte en bronlocatie). Maatregelen verschillend per bedrijfstak. Het is in een vergunningsituatie bij maatregelen altijd een afweging die gemaakt dient te worden tussen effecten op verschillende aspecten; geureffect, kosten en andere milieuaspecten.
Conclusie
Door de beoogde indikvariant is er voor bestaande en nieuwe geuremitterende bedrijven voldoende (geur)ruimte, zodat de belangen van de bedrijvigheid niet onaavaardbaar wordt geschaad.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Overigens mogen (juridische geregelde) bestaande situaties volgens het Rijksadvies gewoon blijven bestaan.
Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla. Daarbij is het magneetveld in hart van de hoogspanningslijn bijzonder veel hoger dan aan de uiterste randen.
De ten noorden van het plangebied gelegen hoogspanningslijn betreft de 150 kVolt verbinding tussen de centrale van Geertruidenberg en het schakelstation in Orthen. Het betreft hier lijndeel 'Waalwijk - Den Bosch West'. De berekende (specifieke) magneetveldzone is hier 110 meter aan weerszijde van het hart van de hoogspanningslijn. Dit volgt uit een uitgevoerd onderzoek naar de 'specifieke magneetveldzone' (Berekening specifieke magneetveldzones nabij 150 Kv-hoogspanningslijn Ertveldplas, uitgevoerd door Omgevingsdienst ZuidOost-Brabant, 15 juni 2021, nummer 284258). Dit onderzoek is opgenomen in Berekening magneetveldzone. Dit betekent dat op 110 meter de waarde van 0,4 microTesla wordt bereikt. De buitenste rand van de ingedikte ligplaatsen bevindt zich op circa 80 meter van het hart van de hoogspanningslijn.
Weergave van de berekende magneetveldzone
Vanwege de magneetveldzone is het niet wenselijk dat hier een permanente nieuwe woonsituatie wordt gecreërd. De in dit bestemmingsplan gekozen 'indikvariant' biedt dan ook geen permanente woonlocatie maar een uitsterfconstructie, via een persoonsgebonden overgangsrecht. Bij deze keuze speelt een rol dat de woonboten al lange tijd aan de Ertveldplas liggen, deels ook al binnen de magneetveldzone. Daarnaast is van belang dat de eigenaren van de woonboten de mogelijkheid is geboden hun woonboot te verplaatsen naar een andere locatie en dat een aantal bewoners hiervan ook heeft gebruik gemaakt.
In deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.
Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer
Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe.
Gemeente 's-Hertogenbosch
Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2021 is de Visie Groen en Klimaatbestendig vastgesteld waarin staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en vergroenen zijn belangrijke uitgangspunten hierbij.
Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.
Waterschap Aa en Maas
In het Waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Plan
De 14 ligplaatsen bevinden zich op het water. Voor de woonboten is het realiseren van hemelwaterberging als compensatie voor extra verhard oppervlak hier niet aan de orde. De woonboten liggen immers gewoon op het water. Het hemelwater zal van de woonboten afvloeien in de Ertveldplas. Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt, bij eventuele vervangende boten, afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen.
Het beleid voor groen en bomen binnen onze gemeente is opgenomen in de 'Verordening bomen, water en groen 2021'. De wijze waarop we met hemelwater omgaan is eveneens opgenomen in dezelfde verordening.
Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering in onze gemeente beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van onze gemeente geborgd.
Om groen en biodiversiteit in onze gemeente te bevorderen geldt via de Verordening een groennorm in de vorm van een te behalen 'groenscore'. Met de groenscore toetsen we of er voldoende groene elementen in het plan worden meegenomen. De uitwerking van deze groenscore is zowel kwantitatief in hoeveelheid groen (m2) als kwalitatief in de mate van biodiversiteit. Per gebied is een ondergrens van het percentage groen aangegeven.
Met dit plan is geen sprake van toename van verhard oppervlak en dus geen afname van groen, in ieder geval minder dan 500m2 alsook geen kap van bomen. De aangehaalde Verordening is niet aan de orde. Het bestaande groen wordt met onderhavig plan gerespecteerd.
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).
Met de vast gestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's:
Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds aan het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om.
Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch.
Het plan betreft geen ontwikkeling in de zin van woningbouw of ander soortige nieuwbouw of verbouw. Het plan betreft het (tijdelijk) toelaten van reeds bestaande en liggende woonboten op een net wat andere locatie met een persoongeboden overgangsrecht. De woonboten zijn bestaand, reeds gebouwd en kan voor wat dat betreft gezien worden als een vorm van circulair grondstoffen gebruik. Een nieuwe boot hoeft immers niet meer gebouwd te worden. Het aspect 'verduurzaming' is bij deze reeds bestaande objecten zonder concreet moment of noodzaak voor verbouwing nu niet aan de orde. Dit geldt ook voor een eventuele compensatie voor extra verhard oppervlak ten gunste van de hemelwaterberging. Dit is bij een ligplaats op het water niet aan de orde. Ook een eventuele compensatie van groen vanwege extra verharding is bij dit plan niet relevant te noemen. Het aspect duurzaamheid is niet relevant te noemen binnen dit plan van ligplaatsen voor 14 reeds bestaande woonboten.
De gemeente hecht belang aan een gezonde leefomgeving. De leefomgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Uit onderzoek van het Rivm blijkt dat in Nederland gemiddeld bijna 6 procent van de ziektelast toe te schrijven is aan milieufactoren ('Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014'). Hiermee is milieu - na roken - een van de belangrijke determinanten die bijdragen aan de ziektelast . Fijn stof en geluidsbelasting leveren de grootste bijdrage aan de ziektelast door milieufactoren. Vrijwel overal in Nederland wordt aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide voldaan, maar het grootste deel van de ziektelast door deze stoffen is toe te schrijven aan blootstelling aan concentraties die onder de huidige normen liggen.
Naast het beperken van de druk op de gezondheid door diverse omgevingsfactoren, zoals luchtverontreiniging of geluid, is het tevens belangrijk om aandacht te hebben voor de positieve invloed die de omgeving kan hebben op de gezondheid. Dit kan door in het plan bij de leefomgeving rekening te houden met verschillende thema's en belangen, zoals gezonde mobiliteit, natuur, groen en water, sport en spelen, openbare ruimte, milieukwaliteit, en binnenmilieu.
De luchtkwaliteit voldoet op onderhavig planlocatie aan de normen. Het betreft tevens een omgeving met bijzonder veel groen (en water). Hittestress komt hier in mindere mate voor door de afwezigheid van bebouwing en verstening nabij.
Daartegenover staat, zoals eerder al aangehaald, dat de locatie is gelegen binnen de invloedsfeer van het zware industrieterrein De Rietvelden - Ertveld met een geluidsbelasting boven de wettelijke voorkeursgrenswaarde en de ligging binnen de magneetveldzone van een hoogspanningsleiding. Dit laatste is ook de reden om hier wonen niet permanent toe te staan, maar uitsluitend via een persoonsgebonden overgangsrecht (uitsterfconstructie). Daarmee wordt voorkomen dat steeds nieuwe mensen in deze situatie kunnen gaan wonen.
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
ad a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2).
Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.
ad b.
Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek ligt met 2,7 kilometer het dichts bij de planlocatie. Op een grotere afstand liggen de ' Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' en het gebied 'Rijntakken'.
Om eventuele gevolgen op het gebied van stikstof in beeld te brengen op Natura2000 gebieden is een stikstofberekening uitgevoerd (Caubergh-Huygen, Onderzoek Stikstofdepositie, 8 januari 2026). Zie hiervoor Stikstofberekeningen. De gewenste ontwikkelingen in het plangebied hebben géén significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.
Vorm vrije mer beoordeling
Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Deze beoordeling blijkt uit de milieuparagraaf die alle relevante milieu-aspecten beschrijft en beschouwt van dit bestemmingsplan. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming
van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Toetsing beschermde houtopstanden
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten:
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Beoordeling
Dit bestemmingplan biedt de mogelijkheid aan de woonbootbewoners die al geruime tijd aan de Ertveldplas liggen, op een deel aan de noordoever van de plas te blijven liggen op basis van een persoonsgebonden overgangsrecht. Dit betekent dat een groot deel van de oever die nu in gebruik is als ligplaatsen voor woonboten vrij komt. Hier zal op korte termijn natuurontwikkeling in het kader van de Groene Delta worden bevorderd (zie ook paragraaf 4.3.2). Daarnaast is dit bestemmingsplan gericht op beëindiging van deze woonbootlocatie op termijn, zodat ook op lange termijn mogelijkheden voor natuurontwikkeling gaan ontstaan.
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassingwaren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden
Gemeentelijk beleid
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
Beoordeling
In het geldende bestemmingsplan Buitengebied is voor de oever / dijk al een dubbelbestemming Archeologie opgenomen. Deze bestemming is in dit bestemmingsplan overgenomen. Hierdoor zijn graafwerkzaamheden met een bepaalde oppervlakte en diepte alleen toegestaan na het verkrijgen van een vergunning. Daarbij zal dan getoets worden aan de archeologische waarden. Overigens zijn in het kader van dit bestemmingsplan geen grote graafwerkzaamheden te verwachten.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
Dit bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de woonboten die met een uitsterfconstructie op de Ertveldplas mogen blijven liggen. Er wordt mogelijk gemaakt dat bewoners op een deel van de plas mogen blijven wonen op basis van een persoonsgebonden overgangsrecht.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de opzet van de planregels.
De regels van het bestemmingsplan zijn verdeeld in vier hoofdstukken:
Het bestemmingsplan omvat twee bestemmingen: 'Natuur' en 'Water' en drie dubbelbestemmingen ('Waarde - Archeologie', 'Leiding - Gas' en 'Waterstaat - Waterkering').
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen
De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsbepalingen
Bestemming Natuur
De oever bij de Ertveldplas heeft de bestemming 'natuur' gekregen. Dat sluit aan bij de huidige bestemming die deze gronden nu reeds hebben.
Bestemming Water
De Ertveldplas heeft de bestemming 'water' gekregen, eveneens conform de huidige bestemming.
Binnen deze bestemmingen is middels een aanduiding aangegeven (specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht) dat het gebruik van een ligplaats voor een woonboot door de huidige hoofdbewoners mag worden voortgezet. Daaraan zijn wel voorwaarden verbonden. Diverse (toegangs)voorzieningen zijn per ligplaats toelaatbaar. Zie hiervoor ook de nota van zienswijzen en lijst met ambtelijke wijzigingen.
Dubbelbestemmingen
Overeenkomstig het geldende bestemmingsplan, zijn over het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie', 'Leiding - Gas' en 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Daarmee wordt beoogd respectievelijk de archeologische waarde, de veiligheid van de gasleiding en behoud van de dijk te waarborgen.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouw- en gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels aaan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen
In deze paragraaf zijn tot slot de algemene, overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.
Specifiek zijn hier ook de regels van het persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen.
Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in het herplaatsen in oostelijke richting van woonbootbewoners
die niet verplaatst worden naar de Van Veldekekade (indikvariant op basis van het invoegprincipe).
Voor de hoofdbewoners wordt hiervoor een persoonsgebonden overgangsrecht vastgelegd. Voor de verplaatsingskosten is al een krediet beschikbaar gesteld met dekking 50% bewoners en 50% gemeente. Dit bedrag is exclusief plankosten welke ten laste van de algemene middelen van de geldende begroting komen.
De geraamde kosten bedragen uiteindelijk circa €32.000 voor elke ligplaats, waarvan 50% in rekening wordt gebracht bij de woonboot-eigenaren. Dit komt voor elke woonbootbewoner gedurende 20 jaar neer op €75 per maand, via de Precarioverordening te innen.
De economische haalbaarheid is hiermee gewaarborgd.
Over de oplossingsrichting voor de woonboten aan de Ertveldplas is voorafgaande aan de formele procedure van dit bestemmingsplan veel gesproken met belanghebbenden. In dit verband verwijzen wij naar paragraaf 3.2.
Daarnaast is het concept ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de belanghebbende partijen rondom de Ertveldplas.
Over het plan is het overleg ex artikel 3.1.1. Bro gevoerd met Provincie, Waterschap Aa en Maas en met de Gasunie.
De door de gemeente ingevulde inventarisatie geeft de Provincie geen aanleiding tot het maken van omerkingen. Waterschap AA en Maas heeft geconcludeerd dat het bestemmingsplan geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Van de Gasunie is geen reactie ontvangen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, na een publicatie-rectificatie, ter inzage gelegen van 30 januari 2023 tot en met 12 maart 2023. Iedereen kon schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen. Er zijn 5 zienswijzen ingediend. De strekking van de zienswijzen komt veelal overeen met hetgeen is ingebracht tijdens de concept-fase. De zienswijzen worden behandeld in een Nota van zienswijzen, gehecht aan het raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan. Aan deze nota is een lijst met wijzigingen gehecht (bijlage 10).
De vooroverlegpartners, ondernemers, woonbootbewoners en de Viking-haven zijn van de terinzagelegging direct op de hoogte gesteld. Het waterschap heeft nogmaals laten weten met het plan akkoord te gaan. Voor het overige wordt verwezen naar de Nota van zienswijzen.