direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hoenderstraat 9, Helvoirt
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Hoenderstraat 9, Helvoirt" van de gemeente Haaren.

1.1 Aanleiding en doel

Op het adres Hoenderstraat 9 in het buitengebied van Helvoirt staat een burgerwoning met enkele bijgebouwen en een paardenbak. Het totale eigendom heeft een oppervlakte van circa 20.590 m², waarvan 3.330 m² voor 'Wonen' is bestemd. Het overige perceeldeel heeft een agrarische bestemming met landschapswaarden.

De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande paardenbak uit te breiden, een carport te realiseren ten behoeve van het stallen van de paardenwagen en de bestaande schuur te vervangen door een nieuwe schuur. Dit leidt tot een toename van de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken van 56 m². Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op basis van de vigerende bestemmingsplannen ''Buitengebied Haaren'' en ''Buitengebied Haaren, correctieve herziening'', omdat de uitbreiding van de paardenbak buiten de woonbestemming ligt en de thans toegestane oppervlakte aan bijgebouwen wordt overschreden. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de ruimtelijke onderbouwing en regels voor het initiatief aan de Hoenderstraat 9 te Helvoirt.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Helvoirt, sectie E, nummer 1199 (gedeeltelijk). De oppervlakte van het plangebied bedraagt 4.239 m². De gronden zijn in particulier eigendom.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeren twee bestemmingsplannen:

  • bestemmingsplan "Buitengebied Haaren", vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juli 2009;
  • bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, correctieve herziening", vastgesteld door de gemeenteraad op 11 september 2014.

De correctieve herziening bevat voor onderhavig plangebied uitsluitend een gedeeltelijke aanpassing van de regels. De verbeelding van het bestemmingsplan uit 2009 is van toepassing gebleven. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Ter plaatse van een groot deel van het plangebied geldt de bestemming 'Wonen', waarbinnen maximaal één woning is toegestaan. Per woning mag maximaal 100 m² aan vergunningplichtige bijgebouwen gerealiseerd worden. Het noordoostelijke deel van het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2', waar onder meer grondgebonden agrarische bedrijfsvoering mag plaatsvinden.

Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2' geldt tevens de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschapsontwikkelingsgebied'.

Binnen het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hierop wordt in paragraaf 5.2.1 nader ingegaan.

Conclusie

Het plan wijkt af van de vigerende bestemmingsplannen ten aanzien van:

  • de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken;
  • de situering van de uitbreiding van de paardenbak.

Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

In dit hoofdstuk is een analyse van het plangebied en omgeving opgenomen. Onderstaande afbeelding geeft het plangebied in zijn omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0004.jpg"

WIJDERE OMGEVING

2.1 Bebouwing en functies

Het plangebied is onderdeel van het buitengebied van de gemeente Haaren tussen de kern Helvoirt, de Loonse en Drunense Duinen en de kern Cromvoirt. Het landschap bestaat uit een afwisseling van open agrarische percelen en bospercelen, een kenmerk van de Brabantse zandgronden.

Binnen het plangebied is een woonperceel opgenomen, met een woning en diverse aanbouwen en bijgebouwen, zoals een schuur en een paardenstal. De gezamenlijke oppervlakte van de aan- en bijgebouwen bedraagt thans 322 m², bestaande uit:

  • 50 m² aanbouw woning (vergunningvrij gerealiseerd);
  • 98 m² aangebouwd bijgebouw woning;
  • 144 m² paardenstal;
  • 30 m² schuur (vergunningvrij gerealiseerd in de periode tussen 1 januari 2012 en 1 november 2014).

De vergunningvrije aanbouw en schuur worden in de verdere berekeningen buiten beschouwing gelaten. De oppervlakte van de overige bijgebouwen bedraagt 242 m².

Ten noorden van deze paardenstal ligt een paardenbak met een afmeting van 36 bij 26 meter. De initiatiefnemer houdt vijf paarden, hetgeen een hobbymatige activiteit betreft.

2.2 Ontsluiting

Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van de Hoenderstraat, een verbindingsweg tussen de Nieuwkuikseweg en de Loonse Baan, en heeft een eigen inrit. Deze weg is bedoeld voor de ontsluiting van aangrenzende percelen en heeft geen doorgaande functie. De verkeersintensiteit is relatief laag.

2.3 Groen en water

Het plangebied is onderdeel van een groter perceel dat is ingericht voor het hobbymatig houden van paarden en voornamelijk uit weiden bestaat. Het woonperceel is voorzien van een tuin met opgaande erfbeplanting in de vorm van beukenhagen en een flinke bomenrij.

Er is geen sprake van oppervlaktewater.

Hoofdstuk 3 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen.

3.1 Bebouwing en functies

Beide dochters van de initiatiefnemer beoefenen de paardenspringsport en doen dat op een landelijk niveau en hebben de ambitie om hierin te blijven ontwikkelen. De aanwezigheid van voorzieningen aan huis is hiervoor gewenst. De initiatiefnemer is daarom voornemens een drietal ontwikkelingen uit te voeren:

  • 1. Voor de transport van paarden gebruikt de initiatiefnemer een paardenwagen. Deze paardenwagen staat thans in de openlucht. Om deze wagen te beschermen tegen weersinvloeden wenst de initiatiefnemer een carport te realiseren met een oppervlakte van 31,5 m². Deze carport wordt gerealiseerd ten noordwesten van de bestaande woning in het verlengde van de oprit.
  • 2. De bestaande schuur, gelegen ten zuiden van de paardenstal, wordt gebruikt voor de opslag van enkele voertuigen, zo als een kleine tractor voor bewerking van het perceel. Daarnaast dient de schuur voor de opslag van diverse materialen voor het onderhoud van het perceel. Aan weerszijden van de schuur staan twee uitbouwen, waarvan de zuidelijke uitbouw een hondenhok betreft. De initiatiefnemer is voornemens de schuur met uitbouwen (30 m²) af te breken en ter plaatse een nieuwe schuur te realiseren met een oppervlakte van 54,5 m². Omdat er voor de bestaande schuur geen omgevingsvergunning bekend is, is de gehele oppervlakte van de nieuwe schuur als toevoeging aangemerkt.
  • 3. De huidige paardenbak heeft een omvang van 26 x 36 meter. Voor het goed kunnen trainen van de springsport is het wenselijk de bak uit te breiden naar 26 x 70 meter. Een paardenbak voor de springsport is groter dan een bak voor dressuur (20 x 40 meter). Evenals de bestaande paardenbak zal ook de uitgebreide paardenbak niet voorzien worden van een (houten) omranding.

Op de onderstaande inrichtingsschets zijn de ontwikkelingen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0005.jpg"

INRICHTINGSSCHETS

Samenvatting bebouwd oppervlak
Het plan omvat de sloop van een vergunningvrij bijgebouw met een oppervlakte van 30 m² en de bouw van vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van 86 m². Per saldo is er een toename van het bebouwd oppervlak van 56 m². De totale bebouwde oppervlakte aan vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken bedraagt (242 + 86 =) 328 m².

3.2 Verkeer en parkeren

Onderhavig initiatief zorgt niet voor veranderingen voor de verkeersgeneratie, de ontsluiting en het parkeervraagstuk. Deze kunnen derhalve dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

3.3 Groen en water

In het kader van de verplichte landschappelijke inpassing, die wordt toegelicht in paragraaf 4.3.2, worden de bestaande beukenhagen aan weerszijden van het bouwperceel verlengd en verhoogd en wordt een rij van acht bomen van inheemse soorten (eik, linde en/of beuk) geplant op de zuidoostelijke perceelgrens.

Voor de landschappelijke inpassing van het initiatief is een landschapsplan opgesteld, zie bijlage 2 van de regels. De uitvoering en instandhouding van de in het landschapsplan opgenomen maatregelen zijn in de planregels geborgd.

3.4 Duurzame en gezonde leefomgeving

Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden, waaronder klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.

3.4.1 Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.

Onderhavig plan is dermate beperkt van omvang dat er geen specifieke bijdrage aan de energietransitie is.

3.4.2 Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

Onderhavig plan betreft het uitvoeren van enkele ontwikkeling op een bestaand woonperceel, dat hoog en droog genoeg ligt. Door toevoeging van de bomenrij ontstaat tevens meer schaduwwerking op het perceel, hetgeen voor een aangenamer microklimaat zorgt.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft daarom ook geen toetsing aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening plaats te vinden.

4.1.2 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onderhavig plan betreft geen stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie Noord-Brabant;
  • Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Het plan wordt aan deze nota's getoetst.

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie;
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant;
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad;
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Analyse
Onderhavig plan betreft de uitbreiding van een bestaande paardenbak, de realisatie van een carport ten behoeve van het stallen van de paardenwagen en de uitbreiding van een bestaande schuur. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.

ad 1.   De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. Het initiatief zal binnen het plangebied minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de gebouwen.  
ad 2.   Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt.  
ad 3.   Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Onderhavig initiatief betreft geen verdere verstedelijking.  
ad 4.   Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Onderhavig initiatief is dermate kleinschalig van omvang dat het geen effect heeft op de concurrerende en duurzame economie.  

Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking zal treden.

De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):

  • afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
  • afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
  • afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
4.2.2.1 De toedeling van functies

Het plan is onderdeel van het 'landelijk gebied. Met betrekking tot het wonen zijn in dit gebied uitsluitend bestaande burgerwoningen toegestaan. Binnen het plangebied is sprake van een bestaande woning en worden geen nieuwe woningen toegevoegd. De IOV spreekt zich niet uit over de vorm van de woonbestemming. De voorgenomen vormverandering van het bestemmingsvlak past binnen de doelstellingen van de IOV.

4.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken

In de IOV zijn ter plaatse van het plangebied de aanduidingen 'groenblauwe mantel' en 'stalderingsgebied' opgenomen.

Groenblauwe mantel
Artikel 3.32, lid 1 IOV schrijft voor dat een bestemmingsplan ter plaatse van de 'groenblauwe mantel':

  • a. regels bevat tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de in het gebied voorkomende ecologische, landschappelijke en hydrologische kenmerken;
  • b. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming van de ecologische en landschappelijke kenmerken.

ad a.   Betreffende regels zijn opgenomen in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2' (zie artikel 3.1).  
ad b.   De positieve bijdrage bestaat uit het aanbrengen van een rij bomen ter versterking van het landschap. De bomen hebben tevens een positieve bijdrage met betrekking tot de biodiversiteit.  

Stalderingsgebied
Deze aanduiding heeft invloed op veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderij. Er hoeft daarom geen nadere beoordeling aan dit gebiedskenmerk plaats te vinden.

4.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van

functies zijn:

  • zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
  • kwaliteitsverbetering van het landschap.

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.
Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat er het plan een vormverandering van een bestaand bouwperceel omvat. Bovendien wordt een verouderd gebouw verwijderd om plaats te maken voor nieuwe bebouwing. Er is daarmee sprake van een compact bouwperceel.
Er heeft een zorgvuldige situering van gebouwen plaatsgevonden binnen het bestaande bouwperceel, waarbij rekening is gehouden met en uitgegaan van de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke en natuurlijke waarden.
De meerwaarde wordt gecreëerd door:

  • het wegnemen van verouderde bebouwing;
  • het realiseren van kwalitatief hoogstaande gebouwen met in het landschap passende materialen;
  • het planten van acht bomen op de perceelgrens ter versterking van het landschap en de biodiversiteit.

Kwaliteitsverbetering landschap
Conform artikel 3.9 IOV moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Voor het bepalen van de benodigde investering is de volgende categorie-indeling van toepassing:

  • categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig;
  • categorie 2: beperkte impact; landschappelijke inpassing volstaat;
  • categorie 3: grote impact; landschappelijke inpassing én berekende kwaliteitsverbetering van het landschap.

De ontwikkeling omvat de verkleining van een bestaande woonbestemming en het toevoegen van bijgebouwen met een oppervlakte van in totaal meer dan 100 m². De oppervlakte aan bijgebouwen maakt dat er sprake is van een categorie 3-ontwikkeling. De daarbij vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap is beschreven in paragraaf 4.3.2, waarin het plan aan de gemeentelijke Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap wordt getoetst.

4.2.2.4 Conclusie

Het plan voldoet aan de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Structuurvisie

Door de gemeente Haaren is op 20 januari 2015 de ''Structuurvisie Haaren 2013'' vastgesteld. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaart. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0006.jpg"

UITSNEDE PLANKAART STRUCTUURVISIE

De structuurvisie gaat over het gehele grondgebied van de gemeente. De visie geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor de komende 10 tot 20 jaar. De structuurvisie beschrijft de mogelijkheden voor woningbouw, bedrijven, recreatie en toerisme. Ook gaat de visie in op de toekomstperspectieven voor agrarische ontwikkeling, milieu, water, cultuurhistorie en verkeer.

Het plangebied ligt binnen de zone Beekdal Zandleij - een gebied met groene kamers waarbinnen de beek is opgenomen. Het opgestelde landschapsplan is gericht op de landschappelijke inpassing van de paardenbak en het woonperceel, en draagt daarmee bij aan de kwaliteit van het beekdal.

Conclusie

Het plan past binnen het beleid van de Structuurvisie Haaren.

4.3.2 Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap

Naar aanleiding van het uitgangspunt ten aanzien van het leveren van een kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening (zie paragraaf 4.2.2), en de daaromtrent gemaakte regionale afspraken heeft de gemeente Haaren de regeling ''Afspraken voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap'' vastgesteld.

Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening in relatie tot voorliggend bestemmingsplan. Aan de orde komen:

  • de benodigde investering;
  • de feitelijke tegenprestatie;
  • de zekerstelling van kwaliteitsverbetering.
4.3.2.1 Benodigde investering

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in drie categorieën ingedeeld. Voorliggend initiatief is een

zogenaamde categorie 3-ontwikkeling. In de gemeentelijke regeling is opgenomen dat bij een categorie 3-ontwikkeling een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden geleverd, die ten minste 20% bedraagt van de waardevermeerdering van de grond. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de waarde van de grond op basis van het vigerende bestemmingsplan en de waarde op basis van het nieuwe bestemmingsplan, uitgedrukt in euro's. De gemeente Haaren heeft een vaste m²-prijs vastgesteld voor de diverse functies, zogenaamde 'forfaitaire bedragen'. Onderdeel van de basisinspanning is het doen van een bijdrage in het gemeentelijke sloopfonds.

In onderstaande schema's is de waardebepaling van de grond voor de bestaande en nieuwe situatie weergegeven.

WAARDE GROND BESTAANDE SITUATIE

categorie   omvang   eenheidsprijs   waarde  
agrarisch met waarden - zonder bouwvlak   939 m²   €5,-/m²   € 4.695  
bijbehorende bouwwerken bij woning bij oppervlakte groter dan 100 m²   142 m²   €250,-/m²   € 35.500  
bestemmingsvlak wonen   3.300 m²   €200,-/m²   € 666.000  
totaal   4.239 m²     € 706.195  

WAARDE GROND NIEUWE SITUATIE

categorie   omvang   eenheidsprijs   waarde  
differentiatievlak voorzieningen geen gebouwen zijnde   1.828 m²   €17,50/m²   € 31.990  
bijbehorende bouwwerken bij woning bij oppervlakte groter dan 100 m²   228 m²   €250,-/m²   € 57.000  
bestemmingsvlak wonen   2.411 m²   €200,-/m²   € 482.200  
totaal   4.239 m²     € 571.190  

Uit de berekening volgt dat er sprake is van een waardevermindering van de grond. Er is daarmee ook een negatieve inspanningsverplichting van (20% x (€ 571.190 - € 706.195 ) =) -/- € 27.001.

4.3.2.2 Feitelijke tegenprestatie

Hoewel uit de hiervoor uitgevoerde berekening een negatieve inspanningsverplichting volgt, blijft het doen van een inspanning in de vorm van landschappelijke inpassing en een bijdrage in het sloopfonds noodzakelijk.

Landschappelijke inpassing
De landschappelijke inpassing van het perceel bestaat uit het verlengen en verhogen van de bestaande beukenhagen aan weerszijden van het bouwperceel en het aanbrengen van een rij van acht bomen van inheemse soorten (eik, linde en/of beuk) op de zuidoostelijke perceelgrens. Een en ander is opgenomen in een beplantings- en beheerplan dat als bijlage 2 bij de planregels is opgenomen.

Bijdrage sloopfonds
Conform de gemeentelijke regeling ''Afspraken van uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap'' moet elke ontwikkeling op een woonperceel die de oppervlakte van 200 m² aan bijgebouwen te boven gaat voorzien in de sloop van een dubbele oppervlakte aan (agrarische) gebouwen. Daarbij gaat de voorkeur uit naar sloop binnen het plangebied. Mocht dat niet mogelijk zijn dan kan in plaats daarvan een bijdrage worden gestort in het sloopfonds, ter waarde van € 20,- per m² te slopen gebouwen.

Onderhavig plan voorziet in de bouw van 86 m² aan bijbehorende bouwwerken boven de grens van 200 m². Omdat er geen sloop van gebouwen binnen het plangebied mogelijk is, wordt een bijdrage te waarde van (2 x 86 x € 20,- =) € 3.440,- in het gemeentelijke sloopfonds gestort.

4.3.2.3 Zekerstelling kwaliteitsverbetering

De Verordening ruimte eist dat bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit is aangetoond dat de kwaliteitsverbetering van het landschap financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Voorliggend bestemmingsplan bevat daartoe een voorwaardelijke verplichting.
Daarnaast is er een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer, waarin de kwaliteitsverbetering is opgenomen.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Het plan omvat uitsluitend het realiseren van bijgebouwen bij een woning waarbinnen personen slechts korte tijd per dag aanwezig zijn. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet nodig.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft de uitbreiding van een bestaande paardenbak, de realisatie van een carport ten behoeve van het stallen van de paardenwagen en de uitbreiding van een bestaande schuur. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Het plan vormt derhalve geen belemmering voor de omliggende bedrijven en er blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

Hoewel het plan geen nieuwe kwetsbare objecten bevat en het aantal personen dat binnen het plangebied verblijft niet toeneemt, is het noodzakelijk nader in te gaan op het aspect externe veiligheid.

5.1.3.2 Beoordelingskader

Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening.
De gemeente Haaren heeft met het werkdocument 'Verantwoording Groepsrisico Haaren' beschreven hoe de gemeente omgaat met externe veiligheidsvraagstukken binnen haar gemeente. Dit werkdocument dient als aanvulling op de landelijke regelgeving.

Kernbegrippen
In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal:

  • Plaatsgebonden risico:
    Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.
  • Grenswaarde:
    Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Bron   Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico  
Inrichtingen (Bevi)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.  
Buisleidingen (Bevb)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of
2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of
3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.  
Transportroutes (Bevt)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of
2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of
3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.  

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

5.1.3.3 Analyse

De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0007.jpg"

UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND

Inrichtingen
Op circa 300 meter ten oosten van het plangebied ligt Camping Mastenbosch (Loverensestraat 7), die weliswaar op de Risicokaart is opgenomen, maar niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen valt. De aanwezigheid van een bovengrondse propaantank (9100 liter) geeft een relevante afstand vanwege het plaatsgevonden risico (PR10-6/jaar) van 19 meter. Er is geen sprake van een invloedsgebied in het kader van het groepsrisico.
Het plan ligt ruim buiten de relevante afstand voor het plaatsgebonden risico. De propaantank heeft geen invloed op de externe veiligheid in het plangebied.

Buisleidingen
Ten oosten van het plangebied liggen een aantal buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is. Het betreffen:

  • aardgastransportleiding Gasunie (Z-515-01)
    diameter: 12" / werkdruk: 40 bar
    PR10-6/jr: 0 meter / GR-invloedsgebied: 140 meter
  • defensieleiding Defensie Pijpleiding Organisatie
    diameter: 6,6" / werkdruk: 80 bar
    PR10-6/jr: 0 meter / GR-invloedsgebied: 50 meter

De leidingen liggen op respectievelijk circa 490 meter en circa 580 meter van het plangebied. De afstand is dermate groot dat de leidingen geen invloed hebben op de externe veiligheid in het plangebied.

Transportroutes
Ten zuiden van het plangebied ligt op enige afstand de spoorlijn Tilburg - 's-Hertogenbosch, die opgenomen is in de Regeling basisnet en daarmee onder het Besluit externe veiligheid transportroutes valt. Conform de Regeling bedraagt de PR-contour (10-6/jr) maximaal 8 meter. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 4.000 meter.
De werkelijke afstand van het plangebied tot de transportroute bedraagt circa 1.450 meter. het plangebied ligt daarmee binnen het GR-invloedsgebied, maar buiten de meest relevante zone (200 meter) en ook buiten de PR-contour.

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • a. de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en
  • b. de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Het plan omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de transportroute(s). Het plangebied ligt voorts geheel buiten de invloedsgebieden (1%-letaliteitsgebieden) vanwege een calamiteit met brandbare gassen, gemeten 355 meter vanaf de spoorlijn. Er is daarmee sprake van een 'standaard situatie', waarvoor een eenvoudige verantwoording volstaat:

  • Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
    Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
  • Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
    Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en/of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De nieuwe woningen voldoen aan deze voorwaarden.

Overeenkomstig het gestelde in artikel 9 van het Bevt is de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om hierover een advies uit te brengen. Dit advies is opgenomen als bijlage 1.

De transportroute heeft beperkt invloed op de externe veiligheid in het plangebied. Deze invloed neemt echter niet toe als gevolg van onderhavig plan.

5.1.3.4 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geurgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen is niet aan de orde.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is niet aan de orde.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
Het plan is dermate beperkt van omvang dat dit niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat

Het plan ligt niet direct nabij een autosnelweg of een andere weg met een zeer hoge verkeersintensiteit. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.1.7.2 Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.

Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode.

Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Een nadere beoordeling aan het aspect endotoxinen kan achterwege blijven.

Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Een nadere beoordeling aan het aspect geitenhouderijen kan achterwege blijven.

5.1.7.3 Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse
Het plan leidt niet tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Daarnaast wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse
Het plan leidt niet tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Daarnaast wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 7 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.7.5 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

5.1.8.2 Analyse

De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.

Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

5.1.8.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een vrijstelling voor onderzoek bij bodemingrepen tot 50 cm onder maaiveld over een oppervlakte van minder dan 100 m². Of deze maatvoering wordt overschreden is mede afhankelijk van bouwwijze.

Het plan omvat het uitbreiden van bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 56 m². De vrijstellingsgrens wordt niet overschreden. Er is geen archeologisch onderzoek nodig.

Ondanks een zorgvuldig onderzoek of een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant.

Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om eventuele stikstofdepositie. Bijlage 2 bevat een stikstofdepositie-onderzoek waaruit blijkt dat er wordt voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Soortenbescherming
Beoordeeld moet worden of het uitvoeren van de in voorliggend bestemmingsplan opgenomen werkzaamheden effect heeft op beschermde soorten.

De uitbreiding van de paardenbak vindt plaats op een locatie die thans in gebruik is als weide. Ter plaatse komen uitsluitend algemene soorten voor, zoals grondgebonden diersoorten. Hiervoor geldt een algehele vrijstelling.

Verouderde bebouwing kan voor vleermuissoorten als verblijf dienen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van kieren en spleten in de gevels en het dak. De te slopen schuur betreft een kwalitatief goed gebouw. Onderstaande foto's geven de huidige staat van het gebouw weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0008.jpg"

Er is geen sprake van kieren of spleten. Het is daarom niet aannemelijk dat vleermuizen of andere soorten gebruik maken van het gebouw als verblijfplaats. De sloop van de schuur leidt niet tot een effect op beschermde soorten.

Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

De verschillende overheidslagen hebben hun waterbeleid vastgelegd in diverse beleidsdocumenten. De algemene strekking met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen betreft:

  • het scheiden van het schone hemelwater en het vuile afvalwater;
  • het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein, of middels een gezamenlijke voorziening heeft de voorkeur boven afvoer via het oppervlaktewater.
5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit de kaart met gevoeligheidsfactoren van het waterschap volgt dat sprake is van een gemiddeld zeer goede infiltratiecapaciteit.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Op enige afstand van het plangebied ligt de A-watergang ZL31 (zie de inrichtingsschets in paragraaf 3.1).

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 60 tot 80 cm onder maaiveld, zoals blijkt uit onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0788.BP19Hoenderstr9-VA01_0009.jpg"

Het waterschap geeft het advies om bij de nieuwbouw aandacht te hebben voor voldoende ontwateringsdiepte.

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt niet in een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning. Op enige afstand ligt een 'attentiegebied Natuurnetwerk Brabant'. Deze ligging heeft geen invloed op de inhoud van voorliggend bestemmingsplan.

5.3.4 Hemelwater

Het plan omvat 56 m² nieuwe bebouwing. Toepassing van de rekenregel van het waterschap geeft een benodigde compensatie van (56 x 1/4 X 0,06 =) 0,84 m³. Deze compensatie is dermate beperkt en het perceel is dermate groot dat het hemelwater zonder specifieke voorzieningen kan infiltreren.
Het waterschap adviseert om een eventuele noodoverloop zodanig aan te leggen dat er geen wateroverlast optreedt.

Voor het aanleggen van drainage in de paardenbak geldt artikel 11 van de Algemene regels van de Keur.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater blijft onveranderd op de bestaande riolering in de Hoenderstraat geloosd worden.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet verplicht.

6.2 Gemeentelijke grondexploitatie

De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden - 2 (artikel 3)

De paardenbak is in de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden 2' opgenomen, met een specifieke aanduiding.

Wonen (artikel 4)

Het plangebied is voor een gedeelte in de bestemming 'Wonen' vervat. Binnen deze bestemming is één woning met maximaal 328 m² aan vergunningplichtige bijgebouwen toegestaan. De bestemming bevat ook de voorwaardelijke verplichting voor de aanleg van de landschappelijke inpassing en de storting in het gemeentelijke sloopfonds opgenomen.

Waarde - Archeologie 2 (artikel 5)

Een dubbelbestemming legt naast de geldende regels voor de aanwezige basisbestemming extra regels op aan de bestemde gronden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 6)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 7)
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergronds bouwen.

Algemene gebruiksregels (artikel 8)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt.

Algemene afwijkingsregels (artikel 9)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.

Algemene wijzigingsregels (artikel 10)
Dit artikel bevat een algemene wijzigingsregel voor het verschuiven van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen.

Algemene procedureregels (artikel 11)
In dit artikel is de procedure voor het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 12)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 13)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
  • 2. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 3. Vaststelling door gemeenteraad
  • 4. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

8.1 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 11 juni 2020 tot en met 22 juli 2020 ter inzage gelegen. Het verslag van de terinzagelegging en de beantwoording van de ingekomen zienswijzen is opgenomen als bijlage 3.