direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied (sportpark De Heihoef)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0772.80322-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente is voornemens om in de zuidoost hoek van het sportpark Genneper Parken een parkeergarage te bouwen die primair als Park & Ride (P+R) gaat functioneren. De capaciteit van de P+R zal minimaal 600 plaatsen bedragen. De exacte locatie van de parkeergarage is gelegen op het huidige hoofdveld van voetbalvereniging RPC. Deze locatie is direct gelegen aan de hoogwaardig openbaar vervoer verbinding aan de Aalsterweg. Het verlies aan ruimte voor deze voetbalvereniging kan niet worden gecompenseerd op sportpark Genneper Parken. De ruimtebehoefte van de voetbalvereniging RPC is groter dan de beschikbare ruimte op Genneper Parken.

Op 11 juli 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat voetbalvereniging RPC gaat verhuizen naar sportpark Heihoef aan de Roostenlaan. De voetbalvereniging moet eerst verhuizen voordat met de bouw van een P+R kan worden begonnen. Om de huisvesting van voetbalvereniging RPC op sportpark Heihoef mogelijk te maken zal PSV Cricketclub Eindhoven en Eindhoven Raptors (American football) naar een alternatieve locatie verhuizen. Op het her in te richten sportpark worden vijf voetbalvelden (drie natuurvelden en twee kunstgrasvelden) aangelegd. Dit past binnen het huidige bestemmingsplan. Daarnaast wordt voor RPC een kantine en kleedkamers gerealiseerd. Deze voorzieningen passen niet binnen het bouwvlak van het geldende bestemmingsplan. Daarom is dit bestemmingsplan opgesteld. Het plangebied betreft het sportpark Heihoef.

Het bestemmingsplan "Buitengebied (sportpark De Heihoef)" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.

1.2 Het plangebied

Het plangebied ligt in het zuidelijk deel van de gemeente in Stratum en wordt in grote lijnen begrensd door de Roosterlaan in het westen, de Achterbeekseweg in het noorden, Heihoefpad in het zuiden en in het oosten wordt het plangebied begrensd door een bosgebied. Hieronder is een luchtfoto opgenomen van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0001.png"

Luchtfoto plangebied (rood omlijnd).

1.3 Voorgaande plannen

Het bestemmingsplan "Buitengebied (sportpark De Heihoef)" vervangt deels het bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld door de raad op 22 augustus 2006 en gedeeltelijk goedgekeurd op 17 april 2007 door Gedeputeerde Staten van Noord Brabant. Met ingang van 5 juni 2008 is het bestemmingsplan, bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2008 (nr. 200703591/1), onherroepelijk geworden. Momenteel is een actualisatie van het bestemmingsplan Buitengebied in voorbereiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0002.png"

Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied (plangebied rood omlijnd).

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid (met name de resultaten van het gevoerde overleg en de samenspraak/inspraak).

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Stedenbouwkundige structuur

Het plangebied Sportpark Heihoef is gelegen in het zuidelijk gedeelte van het stedelijk gebied, ten oosten van de Roostenlaan, in het stadsdeel Stratum, in de wijk Kortonjo en in de buurt de Roosten. Het plangebied wordt omzoomd door de Achterbeekseweg in het noorden, Heihoefpad in het zuiden, Roosterlaan in het westen en in het oosten wordt het plangebied begrensd door een bosgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0003.png"

Uitsnede kaart van de gemeente Eindhoven. Het plangebied is blauw omlijnd.

In dit plangebied zijn de volgende sportverenigingen gevestigd: tennispark De Heihoef, voetbalvereniging Tivoli, Honk- en Softbalvereniging PSV. Door deze ontwikkeling verhuizen de PSV Cricketclub Eindhoven en Eindhoven Raptors (American football) naar een andere locatie en vestigt de voetbalvereniging RPC zich in dit plangebied. Er zijn verschillende gebouwen ten behoeve van de aldaar gevestigde sportverenigingen aanwezig in het plangebied. Ook is één bedrijfswoning aanwezig. Voor het overige bestaat het plangebied uit sportvelden en de daarbij behorende voorzieningen.

Als gevolg van het vestigen van de voetbalvereniging RPC op Sportpark Heihoef is een uitbreiding van het bouwvlak ter plaatse van de kantine van de voetbalvereniging Tivoli, noodzakelijk.

2.2 Stedenbouwkundige kaders

Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan was ter plaatse van de kantine van de voetbalvereniging Tivoli een bouwvlak opgenomen van 50 x 25 meter. In totaal was 1.250 m2 aan bebouwing toegestaan. Dit bouwvlak is vergroot voor deze ontwikkeling. Omdat op dit moment nog niet duidelijk is waar de nieuwe kantine (en eventueel kleedkamers) komt voor de voetbalvereniging RPC, is een ruim bouwvlak opgenomen. In de regels is echter bepaald dat binnen dit bouwvlak maximaal 1.800 m2 aan bebouwing is toegestaan. Per saldo kan er dus 550 m2 meer aan bebouwing worden gerealiseerd. Het maximum bruto vloeroppervlak bedraagt 1.800 m2. De bouwhoogte mag maximaal 8 meter bedragen, zodat maximaal twee bouwlagen gerealiseerd kunnen worden, met in achtneming van het maximum bruto vloeroppervlak.

De geringe toename van de maximale bouwhoogte (van 7 naar 8 meter) is goed inpasbaar omdat de bebouwing centraal op het sportpark is gelegen, omringd door sportvelden. De geringe toename van de bouwhoogte is nodig om het bouwen in twee verdiepingen mogelijk te maken. Het eventueel bouwen in twee bouwlagen kan enerzijds bijdragen aan de compactheid van de bebouwing en anderzijds kan er ook een bescheiden ruimtelijk accent ontstaan op het sportpark. Met de bepaling van de maximale bouwhoogte op 8 meter is rekening gehouden dat de verdiepingshoogte van een kantine hoger kan zijn dan een standaard verdiepingshoogte. Tevens is rekening gehouden met de mogelijke plaatsing van zonnepanelen achter een verhoogde dakrand .

Van belang is dat de nieuwe bebouwing geclusterd wordt bij de bestaande bebouwing en samen een geheel vormt. Vandaar dat gekozen is voor uitbreiding van het (bestaande) bouwvlak van de voetbalvereniging Tivoli.

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten, randvoorwaarden en beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten.

Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.

Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.

Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1).
De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land.Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. High-tech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk.

In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieu's, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.

Realisatie

Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt.

De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:

  • Kaders (gebiedsgerichte of thematische uitwerkingen van de SVIR, relevante wetgeving);
  • Bestuurlijke prestatieafspraken (bijvoorbeeld afspraken met provincies en gemeenten, internationale afspraken met overheden in buurlanden);
  • Financieel (bijvoorbeeld Infrastructuurfonds, Deltafonds);
  • Kennis (bijvoorbeeld inzetten van het College van Rijksadviseurs bij ruimtelijke ontwikkelingen, verspreiden van “best practices”).

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het geldende ruimtelijk rijksbeleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro.

Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.

Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Daarin staat: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onderhavige ontwikkeling is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Dit bestemmingsplan ziet alleen op het vergroten van het bestaande bouwvlak ten behoeve van het realiseren van kleedkamers en een clubgebouw voor de voetbalvereniging RPC. Er vindt geen functiewijziging plaats. In de huidige situatie is er een bouwvlak van 25 bij 50 meter dat volledig bebouwd mag worden (goothoogte is maximaal 4 meter, bouwhoogte maximaal 7 meter). In totaal is reeds ter plaatse van de bebouwing voor voetbalvereniging Tivoli 1.250 m2 aan bebouwing toegestaan. Uitgaande van de goot- en bouwhoogte is tevens ruim 2.100 m2 aan bruto vloeroppervlak toegestaan. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan op het sportpark in totaal circa 1.750 m2 aan bebouwing is toegestaan.

In dit bestemmingsplan is het bestaande bouwvlak ter plaatse van de voetbalvereniging Tivoli vergroot en zowel een maximum bebouwd oppervlak als een maximum bruto vloeroppervlak van 1.800 m2 opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak'. Er wordt in dit bestemmingsplan aldus een toename van maximaal 550 m2 aan bebouwing toegestaan. In de regels is bepaald dat het maximum bruto vloeroppervlak 1.800m2 is (aldus een afname van het bruto vloeroppervlak ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan).Uit vaste jurisprudentie blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

Gelet op de maximale maatvoering voor de bebouwing, de maximale toename van het bebouwd oppervlak (550 m2), het bruto vloeroppervlak van de bebouwing dat juist afneemt,er geen sprake is van een functiewijziging, de uitbreiding van bebouwingsmogelijkheden plaatsvinden aansluitend aan de bestaande bebouwing en het bestaand bouwvlak, de uitbreiding noodzakelijk is voor het kunnen uitoefenen van de sport en de uitbreidingsmogelijkheden niet leiden tot leegstand is hier geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Structuurvisie

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking.

Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0004.png"

Deel B
De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn:

1. de groenblauwe structuur;

2. het landelijk gebied;

3. de stedelijke structuur;

4. de infrastructuur.

Het plangebied is gelegen binnen de groenblauwe structuur.De groenblauwe structuur bestaat uit bestaande natuur, watersystemen en nieuwe natuur in hiervoor kansrijke gebieden. Het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Dit is nodig voor een goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering.

Uitwerking structuurvisie
De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Zo is voor het gebied ten oosten van Eindhoven de deelstructuurvisie Brainport Oost opgesteld. Deze bevat keuzes voor wonen, werken en bereikbaarheid ten oosten van Eindhoven.

Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.

3.3.2 Verordening Ruimte

Provinciale Staten van Noord-Brabant heeft op 7 februari 2014 de 'Verordening ruimte Noord - Brabant' vastgesteld. Op 8 juli 2017 is de 'Wijziging Verordening Ruimte 2014, actualisatie 2017' vastgesteld. In de verordening staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn. De provincie stelt algemene regels die voor heel Brabant gelden, maar verdeelt het grondgebied ook in vier structuren waarvoor apart beleid geldt.

Algemene regels
In de verordening zijn algemene regels opgenomen die altijd en voor heel Brabant gelden. Deze regels hebben betrekking op zorgvuldig ruimtegebruik en op het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van Brabant. In het algemeen houdt dit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde. Het doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren.

Structuren (hoofdkaart)
Verder onderscheidt de verordening de volgende vier structuren:

  • Bestaand stedelijk gebied
  • Natuur Netwerk Brabant
  • Groenblauwe mantel
  • Gemengd landelijk gebied

Deze structuren zijn gekoppeld aan de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en zijn Brabant dekkend. Elk ruimtelijk oppervlak van Brabant valt onder één van deze structuren. Per structuur is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden en onder welke voorwaarden. De vier structuren staan op de hoofdkaart van de verordening. Dit plangebied is gelegen binnen de structuur 'groenblauwe mantel'.

Themakaarten

Naast de hoofdkaart zijn er vijf themakaarten opgenomen in de Verordening Ruimte. Voor dit plangebied zijn de themakaarten 'Stedelijke ontwikkeling', 'Water', 'Natuur en landschap' en 'Agrarische ontwikkeling en windturbines', van belang. Voordat op deze themakaarten wordt ingegaan, wordt conform de systematiek van de Verordening Ruimte eerst aangegeven dat onderhavige ontwikkeling geen nadelige invloed heeft op de ruimtelijke kwaliteit en een positieve bijdrage levert aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.

Zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen buiten stedelijk gebied is de zorgplicht voor kwaliteit vastgelegd en uitgewerkt in artikel 3.1 ('Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit') en 3.2 ('Kwaliteitsverbetering van het landschap') van de Verordening Ruimte. Dit bestemmingsplan ziet op het uitbreiden van het bestaande bouwvlak ten behoeve van een kantine en kleedkamers voor de voetbalvereniging RPC. Daarnaast zal het sportterrein her ingericht worden, maar dit past reeds binnen de regeling van het geldende bestemmingsplan. De benodigde extra parkeerplaatsen door de huisvesting van de voetbalvereniging RPC worden gerealiseerd ter plaatse van het huidige parkeerterrein op de hoek Roostenlaan-Achterbeekseweg. Dit betreft een bestaand (verhard) parkeerterrein waarbinnen de extra parkeerplaatsen opgevangen kunnen worden. Hiervoor hoeft dan ook geen extra verharding toegevoegd te worden.

Deze ontwikkeling is gelegen binnen een bestaand bouwperceel. Het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan was opgenomen had een afmeting van 50 bij 25 meter. Dit bouwvlak mocht geheel bebouwd worden, waarbij een maximale goothoogte en bouwhoogte gold van respectievelijk 4 en 7 meter. 1.250 m2 meter was reeds aan bebouwing toegestaan. Hoewel in de huidige situatie het bouwvlak niet volledig is bebouwd, is het niet mogelijk binnen de beschikbare ruimte deze ontwikkeling binnen het bouwvlak te realiseren. Uitbreiding van het bouwvlak is daardoor noodzakelijk. Omdat de exacte locatie voor de bebouwing voor de voetbalvereniging RPC nog niet bekend is, is gekozen voor een wat ruimer bouwvlak met een maximum bebouwd oppervlak van 1.800 m2. In de regels is tevens bepaald dat het maximum bruto vloeroppervlak 1.800 m2. Per saldo ziet dit bestemmingsplan dus op een uitbreiding van 550 m2 aan bebouwing en een afname van het bruto vloeroppervlak. Door de nieuwe bebouwing nabij de huidige bebouwing te concentreren wordt voorkomen dat verspreid overal bebouwing wordt gerealiseerd. Dit draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied.

De kwaliteitsverbetering (passend bij het landschap) vindt plaats door het toevoegen van extra beplanting en bomen in het plangebied en nabij de nieuwe kantine en kleedkamers voor RPC. Dit plangebied sluit aan bij het landschap van de Groote Heide. Voor de landschappelijke inpassing wordt inheems autochtoon plantmateriaal toegepast. Uit het volgende sortiment wordt gekozen:

In het plangebied:
- Bomen:Zomereik, (Ruwe) berk, Gewone acacia, Grove den;
- Haag: Veldesdoorn, Meidoorn, Liguster, Haagbeuk.
De hagen op de parkeerplaats zullen gemengde hagen zijn bestaande uit verschillende soorten. Zowel een blokhaag als een minder strakke landschappelijke haag zijn mogelijk.

Deze landschappelijke inpassing op de parkeerplaats heeft een waarde van circa € 15.000,-.

Nieuwbouw (kantine en kleedkamers):
- Bomen: Zomereik, Ruwe Berk;
Indien boomvormers te hoog worden (afhankelijk van de positionering, gewenst zicht en gevelindeling van de nieuwe bebouwing) kan voor de inpassing ook gedacht worden aan het toepassen van houtwallen met verspreid de boomvormers.
- Landschappelijk haag of struweel: Veldesdoorn, Meidoorn, Hondsroos, Wilde kamperfoelie, Sporkehout, Wilde liguster, Sleedoorn.
De landschappelijke haag of struweel zal bestaan uit een menging van meerdere van bovengenoemde soorten.

Deze landschappelijke inpassing nabij de nieuwbouw heeft een waarde van circa € 25.000,-.

Voor het toepassen van kwaliteitsverbetering van het landschap als gevolg van deze ontwikkeling wordt uitgegaan van het toepassen van bovengenoemde bomen en hagen/struweel dat een waarde heeft van circa €40.000,-. In het plangebied zal een haag van 200 meter (circa 1 meter breed) gerealiseerd worden en worden minimaal 10 bomen geplant. Nabij de nieuwbouw (kleedkamers en kantine) zal een houtwal van 100 meter (circa 5 meter breed) of landschappelijke haag (circa 2,5-3 meter breed) inclusief 15-20 bomen worden gerealiseerd. Daarnaast zullen minimaal 8 bomen geplant worden. In de regels is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 3.5.1).

Verder wordt nog opgemerkt dat uit paragraaf 3.2.1 volgt dat hier geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

Gelet op het vorenstaande is in dit bestemmingsplan sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Themakaart Natuur en Landschap

Structuur groenblauwe mantel
De gronden van dit plangebied zijn gelegen binnen de structuur ‘groenblauwe mantel’. Volgens artikel 6.1 van de Verordening zijn dit gebieden die vanuit het bodem- en watersysteem essentieel zijn voor het behoud en ontwikkeling van natuurwaarden. Het bestemmingsplan moet gericht zijn op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0005.png"

Uitsnede themakaart verordening ruimte 'Natuur en Landschap': structuur Groenblauwe mantel en aanduiding Attentiegebied NNB.

Niet agrarische functies zijn onder voorwaarden toegelaten. Het sportpark Heihoef is zo'n niet agrarische functie. De (planologische) uitbreiding in dit plangebied bestaat uit het toevoegen van maximaal 550 m2 extra bebouwing. Ingevolge artikel 6.10 lid 1 en lid 3 van de verordening ruimte is dit mogelijk mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden. Hieronder wordt op deze voorwaarden ingegaan:

  • a. de ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;
  • Dat is het geval. Dit plangebied sluit aan bij het landschap van de Groote Heide. De uitbreiding van het bebouwd oppervlak vindt plaats op het bestaande sportpark zelf. Zoals hierboven aangegeven vindt een kwaliteitsverbetering plaats waarbij inheems autochtoon plantmateriaal wordt toegepast. Daarnaast zijn de cultuurhistorisch waardevol aanwezige (landschaps)element 'bomen als onderdeel van de historische structuur' beschermd door een dubbelbestemming. Zie hiervoor paragraaf 3.5.2.
  • b. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • Dit is niet van toepassing. Door de verplaatsing van voetbalvereniging RPC naar sportpark Heihoef is een kleine toename van bebouwingsmogelijkheden noodzakelijk.
  • c. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;
  • Dit is niet van toepassing. De sportverenigingen op Sportpark Heihoef zijn geen bedrijven.
  • d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorfunctie met een baliefunctie;
  • Dit is niet van toepassing en ook niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.
  • e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening;
  • Dit is niet van toepassing en ook niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.
  • f. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van de verordening ruimte toegestane omvang;
  • Het bestaande bouwperceel wordt niet vergroot, alleen het bouwvlak binnen het bestaand bouwperceel wordt vergoot. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat het bestaande bouwperceel in de toekomst vergoot moet worden.
  • g. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;
  • De bestaande omvang blijft het zelfde voor wat betreft het bestaand bouwperceel. de enige toename in omvang betreft de bebouwingsmogelijkheden. Ter plaatse van de kleedkamers en kantine van voetbalvereniging Tivoli was een bouwvlak opgenomen van 25 x 50 meter (1.250 m2). Dit bouwvlak is verruimd en binnen dit bouwvlak is maximaal 1.800 m2 aan bebouwing toegestaan. Het gaat dus om een beperkte toename van 550 m2. Daarnaast vindt een afname plaats van het maximaal toegestane bruto vloeroppervlak doordat in de regels hiervoor een maximum is opgenomen van 1.800 m2.
  • h. overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6 lid 2 indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt;
  • Dit is niet van toepassing.
  • i. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op de grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.
  • Dat is het geval. Hierboven is reeds op dit aspect ingegaan.

Aanduiding Attentiegebied NNB
Voor de gronden waarop deze aanduiding is gelegen geldt dat een bestemmingsplan geen fysieke ingrepen mogelijk mogen worden gemaakt die een negatief effect hebben op de waterhuishouding van de hierbinnen gelegen ecologische hoofdstructuur. Dat is hier niet het geval. In dit bestemmingsplan wordt 550 m2 extra bebouwing mogelijk gemaakt ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. De bestemming blijft verder hetzelfde. In de regels van de bestemming 'Sport' is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 12.1 lid 2 van de verordening ruimte. Ook artikel 12.1 lid 3 is gewaarborgd in de regels.

Themakaart stedelijke ontwikkeling

Op deze themakaart staan het bestaand stedelijk gebied, zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, integratie stad-land en de regionale bedrijventerreinen. Het plangebied is aangeduid als 'integratie stad-land'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0006.png"

Uitsnede themakaart verordening ruimte 'stedelijke ontwikkeling': aanduiding 'integratie stad-land' van de verordening ruimte.

Het provinciale beleid is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling ook mogelijk in gebieden me bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenaamde 'gebieden integratie stad-land'.

Deze aanduiding biedt mogelijkheden indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling en nieuwvestiging. Nieuwvestiging is volgens de verordening ruimte gedefinieerd als: 'vestiging op een locatie die volgens het geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel of de (af)splitsing van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel'. In dit geval is er wel sprake van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel. Daarom kan aan deze ontwikkeling toepassing worden gegeven met toepassing van artikel 6.10 van de verordening ruimte (zoals hierboven aangegeven).

Themakaart Water

Middels deze aanduiding worden gebieden aangewezen en beschermd die in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 zijn benoemd als 'beschermingszone voor grondwaterwinningen voor de openbare drinkwatervoorziening'. De regeling in de Verordening ruimte is aanvullend op de regeling in de Provinciale Milieuverordening (PMV) en richt zich specifiek op de regulering van de ruimtelijke ontwikkelingen. Via de PMV wordt met name het milieuspoor (kwalitatieve aspecten van grondwaterbescherming) gereguleerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0007.png"

Uitsnede themakaart verordening ruimte 'water': aanduiding 'grondwaterbeschermingsgebied' en 'boringsvrije zone'.

Grondwaterbeschermingsgebied
Deze gebieden liggen als een 'schil' om het waterwingebied heen. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden geldt dat uit de verantwoording bij het bestemmingsplan moet blijken dat er een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden en dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. Door de verantwoordingsplicht gaat het beschermingsniveau van de grondwaterbeschermingsgebieden niet achteruit: het is aan de gemeente om aan te tonen dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater door de ruimtelijke ontwikkeling gelijk blijven.

Zoals reeds aangegeven dient de voetbalvereniging RPC te verhuizen naar dit plangebied ten behoeve van het realiseren van een P+R voorziening aan de Aalsterweg. De toename aan bebouwingsmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt (planologisch 550 m2) voor de kantine en kleedkamers voor RPC is erg beperkt. Er wordt in dit bestemmingsplan niet meer toegestaan dan nodig is. Bij de toepassing van materialen voor de nieuwbouw worden geen uitlogende materialen gebruikt. De extra parkeerplaatsen die nodig zijn, worden gerealiseerd op het bestaande verharde terrein in het noorden van het plangebied dat reeds gedeeltelijk als parkeerterrein is ingericht. Met de provincie zal in het kader van de benodigde ontheffing op basis van de Provinciale milieuverordening afgestemd worden welk doelmatig werkend zuiveringssysteem toegepast zal worden voor het infiltreren van afstromend water.

Gelet op het vorenstaande zullen door de ontwikkeling in dit bestemmingsplan de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen.

Boringsvrije zone
Binnen deze zone geldt de minst strikte vorm van bescherming, namelijk behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. In de Provinciale Milieuverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van deze kleilaag.

Themakaart agrarische ontwikkeling en windturbines

Op deze kaart staan de structuren en aanduidingen rond landbouw en windturbines. Het plangebied is aangeduid als 'beperkingen veehouderij' en 'stalderingsgebied'. Ter plaatse van deze aanduidingen worden beperkingen gesteld aan veehouderijen. Dit is niet van toepassing in dit plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0008.png"

Uitsnede themakaart verordening ruimte 'agrarische ontwikkeling en windturbines': aanduiding 'beperkingen veehouderij' en 'stalderingsgebied'.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Interimstructuurvisie 2009

In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit. Dit bestemmingsplan ligt buiten een transformatiegebied

3.4.1.1 Ruimtelijke hoofdstructuur

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur. Met andere woorden de kaart geeft de ontwikkelingen aan binnen de hoofdstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0009.png" Figuur: Ruimtelijke hoofdstructuur Interimstructuurvisie Eindhoven

Dit plangebied is op de kaart 'Ruimtelijke hoofdstructuur' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als 'structureel groen'.

3.4.1.2 Gebruik van de ruimte

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0010.png"

Figuur: Gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven

Dit plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als 'sport'.

Sport
Deze gronden zijn bedoeld voor sportconcentratiegebieden: geclusterde stedelijke voorzieningen op gebied van sport (intensief ) en ter ondersteuning van de sportvoorzieningen kleine horeca, kantoor- of medische faciliteiten. De bestemming van dit plangebied wijzigt niet. Het is bestemd voor sportvoorzieningen en is opgesteld om de realisatie van een kantine met kleedkamers mogelijk te maken voor de voetbalvereniging RPC, dat zich gaat vestigen op dit sportpark. het gebruik van de ruimte is dan ook in overeenstemming met de Interimstructuurvisie.

3.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden

3.5.1 Archeologie

Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet.

Gemeentelijk beleid
De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012' , dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise.
De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd.
Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.

De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart.

Volgens de Archeologische Waardenkaart kent onderhavig plangebied geen archeologisch waardevolle gebieden of archeologische verwachtingsgebieden. Binnen het bestemmingsplan hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met archeologische waarden of verwachtingen. Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Mochten tijdens eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

3.5.2 Cultuurhistorie

Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.

Voor het gehele buitengebied van de gemeente Eindhoven is in 2017 door RAAP Archeologisch Adviesbureau BV (RAAP-rapport 3258 'De groene zoom van Eindhoven – Een cultuurhistorische waardenkaart van het buitengebied van Eindhoven, alsmede enkele groene delen van de bebouwde kom') een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd. Op deze manier is een volledige inventarisatie ontstaan van de aanwezige cultuurhistorische gebieden en elementen, inclusief een waardering daarvan. In de bijlage van het rapport van RAAP bevinden zich diverse kaarten. Kaartbijlage 1 (bestaande uit 4 bladen) geeft de cultuurhistorisch kenmerken van het historisch landschap weer en bevat een gedetailleerd overzicht van de aanwezige landschapstypen (gebieden) en landschapselementen. Kaartbijlagen 2a, 2b en 2c (elk eveneens bestaande uit 4 bladen) bevatten de cultuurhistorische waarden van het historisch landschap. Deze laatste kaarten werken met een waarderingsschaal bestaande uit de volgende waarderingen: zeer hoog, hoog, midden, plus en niet gewaardeerd.

Dit plangebied valt binnen dit onderzoek. De randen (gedeeltelijk) van het plangebied zijn aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Er is een cultuurhistorische waardevol landschapsgebied (typen) aanwezig met zeer hoge waarden. Dit landschapsgebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 1'. Daarnaast zijn de randen van het plangebied (gedeeltelijk) aangemerkt als landschapselement 'bomen als onderdeel van de historische structuur'. De cultuurhistorisch waardevolle (landschaps)element 'bomen als onderdeel van de historische structuur' met zeer hoge waarden is in dit bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2'. In de regels zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden, waardoor het niet zonder meer mogelijk is om een werk of werkzaamheden zonder omgevingsvergunning uit te voeren.

3.6 Verkeer en parkeren

De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het gebied sportpark Heihoef beschreven.

Autoverkeer
De wegencategorisering is in Eindhoven op Weg geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'. Deze wegcategorisering in de omgeving van het plangebied is weergegeven in onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0011.png" Overzicht wegencategorisering omgeving sportpark Heihoef.

Het plangebied wordt ontsloten door de Roostenlaan. De Roostenlaan is een erftoegangsweg met een aansluiting op de Floralaanwest. De maximale toename van het autoverkeer is op zaterdagochtend, op dit tijdstip spelen de meeste elftallen hun thuiswedstrijd, verder vertrekken op dit tijdstip de meeste elftallen voor het spelen van hun uitwedstrijd. De maximale toename is 140 auto's in een tijdsbestek van 1 á 1,5 uur. De Roostenlaan heeft voldoende capaciteit om de toename van het verkeer op te verwerken. Er worden daarom geen knelpunten verwacht.


Fietsverkeer
De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat drie soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid; snelfietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes. Deze fietsroutes in de omgeving van het plangebied zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0012.png"

Overzicht fietsroutes omgeving sportpark Heihoef.

Het sportpark is goed bereikbaar voor de fietsers, in de omgeving liggen goede faciliteiten voor de fietser. De belangrijkste fietsroute voor de bereikbaarheid van het sportpark is gelegen langs de Roostenlaan, deze fietsroute is vormgegeven als een vrijliggend fietspad die in twee richtingen wordt bereden. Ter hoogte van de aansluiting op het sportpark wordt een snelheidremmende maatregel in de vorm van een drempel aangelegd. De maatregel zorgt er voor dat de fietser veilig over kunnen steken van het naar het sportpark. Op het sportpark komen voldoende fietsenstallingen voor de fiets.


Autoparkeren
De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een bouwplan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Uitgangspunt daarbij is dat deze op eigen terrein worden gerealiseerd. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld.

De gemeente Eindhoven heeft de parkeernormen flexibeler gemaakt ten opzichte van de parkeernormen uit 2012, maar wel met voorwaarden om parkeeroverlast in woonwijken te voorkomen. Flexibele parkeernormen maken ontwikkelingen mogelijk die goed zijn voor de stad. Ook is het wenselijk dat er niet meer parkeerplekken worden gerealiseerd in de stad dan nodig. Dan blijft er meer ruimte over voor bijvoorbeeld groen of recreatie. Tot slot wordt duurzame mobiliteit gestimuleerd, dus meer lopen, fietsen en openbaar vervoer-gebruik.

Voor dit plangebied is hieronder alleen de parkeerbehoefte in beeld gebracht voor de voetbalverenigingen. De tennisvereniging heeft aan de tennisbanen een eigen parkeerplaats. De honkbalvereniging parkeert ten zuiden van het plangebied. De parkeernorm voor het sportpark is gebaseerd op de maximale norm, deze norm is aangehouden omdat in het parkeerbeleid van de gemeente Eindhoven een voetbalveld niet als zodanig benoemd wordt, maar valt onder sportveld. Gezien het aantal leden van RPC en het gebruik van enkele kunstgrasvelden (deze velden kunnen intensiever belast worden) wordt in deze situatie de maximale norm aangehouden. Dit resulteert in onderstaande parkeerbehoefte voor de bestaande voetbalvereniging (Tivoli) en de voetbalvereniging RPC: vijf voetbalvelden in totaal 4 hectare, maximale norm is 27 parkeerplaatsen per hectare. De totale parkeerbehoefte is in deze situatie 108 parkeerplaatsen.

Het bestaande parkeerterrein van het sportpark, gelegen aan de Roostenlaan / Achterbeekseweg, krijgt inclusief de uitbreiding een capaciteit van 93 parkeerplaatsen. Het tekort van het aantal parkeerplaatsen (15 parkeerplaatsen) wordt opgevangen op het parkeerterrein van het st. Joriscollege. Het parkeerterrein van het st. Joriscollege ligt op circa 80 meter loopafstand van het parkeerterrein van het sportpark. Gelet op het vorenstaande kan voldaan worden aan de parkeerbehoefte voor de twee voetbalverenigingen op sportpark Heihoef. Volledigheidshalve wordt nog vermeld dat op de doordeweekse avonden (trainingsavonden) de bezettingsgraad 50% is. Uitgaand van de maximale parkeerbehoefte zijn er op de doordeweekse avonden 54 parkeerplaatsen nodig. Het parkeerterrein van het sportpark heeft ruim voldoende parkeercapaciteit om dit op te vangen.

Fietsparkeren

Om het fietsgebruik te stimuleren is het belangrijk dat er goede en voldoende fietsenstallingen op het sportpark aanwezig zijn. In de parkeernota van de gemeente Eindhoven (vastgesteld op 17 mei 2017) is daarom ook een fietsparkeernorm opgenomen. Het fietsparkeren wordt gerealiseerd bij de nieuwbouw (kantine en kleedkamers) van voetbalvereniging RPC.


3.7 Groen

3.7.1 Groenbeleidsplan

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport.

Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.80322-0301_0013.png"

Figuur: Ruimtelijke Strategieënkaart

Dit plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'multifunctioneel groen' In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden:

Multifunctioneel groen

Het betreft voornamelijk aan de stadsrand gelegen gebieden met uiteenlopende groenfuncties, gericht op relatief intensieve benutting van het landschap. Het beleid is gericht op het versterken van het contact tussen de stedelingen en het landschap, derhalve met een relatief intensieve benutting van het landschap. Uitgangspunt daarbij is het behouden van de aanwezige natuur- en landschapskwaliteiten en waar mogelijk deze verder te ontwikkelen. Gebruiksfuncties zijn veelal volkstuinen, golfbanen, bos, natuureducatie, kleinschalige sportgebieden, maneges, wandelen, fietsen, maar ook landbouw.

Gebieden met deze aanduiding liggen voor een belangrijk deel in het Natuur Netwerk Brabant. Verdere verstedelijking (toevoeging van niet aan het groen gebonden functies of gebouwen) is in deze categorie derhalve niet aan de orde tenzij in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie. De aanleg van nieuwe sportcomplexen wordt uitgesloten (wel eventueel verplaatsing van sportterreinen naar minder kwetsbare locaties). Uitbreiding van sportcomplexen kan echter niet worden uitgesloten. In dit geval gaat het om z'on uitbreiding van een sportcomplex. De planologische bebouwingsmogelijkheden op het sportpark Heihoef worden uitgebreid met maximaal 550 m2 naar aanleiding van het vestigen van voetbalvereniging RPC. Daarnaast is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang. In verband met de beoogde realisatie van een P+R voorziening aan de Aalsterweg ter plaatse van de voetbalvereniging RPC, dient de voetbalvereniging te verhuizen naar Sportpark Heihoef. Deze ontwikkeling past dan ook binnen het groenbeleidsplan.

3.7.1.1 Beleidsregel Groencompensatie

Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. De beleidsregel geldt echter niet bij locaties buiten het bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven in de plankaart behorend bij de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant. In dat gebied is de Verordening ruimte leidend voor natuurcompensatie. Dit is hier het geval. Deze ontwikkeling gaat gepaard met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2.

3.7.2 Beleid Bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming is van toepassing op:
- bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen;
- alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are;
- bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat.

Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of of de Verordening Bomen 2015. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. In dit plangebied is de Wet natuurbescherming van toepassing.

Verordening Bomen

Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie.

Groene kaart
Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën:

  • Monumentale bomen;
  • Waardevolle bomen;
  • Basisbomen;
  • Bomen hoofdstructuur;
  • Bomen nevenstructuur;
  • Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend.

De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën:

  • Waardevolle bomen;
  • Bomen in gebieden stad, groen beeldbepalend;
  • Bomen op percelen van 500 m2 of groter.

Voor het vellen van een houtopstand die deel uit maakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht.

Nadere regels Bomen
De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting is houtopstanden.

Het plangebied
Nabij de bestaande kantine en kleedkamers van voetbalvereniging Tivoli staan vier bomen. Deze bomen worden niet gekapt. Bij de locatie van de nieuwbouw voor voetbalvereniging RPC wordt hiermee rekening gehouden. Het aspect bomen levert dan ook geen belemmeringen op voor deze ontwikkeling.

3.8 Horeca

In dit plangebied wordt geen zelfstandige horecavoorziening mogelijk gemaakt. De nieuwe kantine (horeca) van voetbalvereniging RPC die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is ondergeschikt aan en ten dienste van de voetbalvereniging.

In de nieuwe drank- en horecaverordening van de gemeente Eindhoven worden de sportverenigingen gerekend tot paracommerciële rechtspersonen. Zij verstrekken uitsluitend alcohol op maandag tot en met zondag van 12.00 uur tot 24.00 uur tijdens activiteiten of bijeenkomsten die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. De burgemeester kan een paracommerciële rechtspersoon ontheffing verlenen van de gestelde schenktijden. Ze richten zich hoofdzakelijk op activiteiten van sportieve of recreatieve aard. Het is ze niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij hun activiteiten betrokken zijn. Het is maximaal twaalf al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn die de gestelde schenktijden overschrijden. Deze bijeenkomsten dienen uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester te worden gemeld.

Regels over het schenken van alcohol en openingstijden zijn opgenomen in de drank- en horecawet en in de APV. In het bestemmingsplan worden hierover geen regels opgenomen. Wel wordt in het bestemmingsplan opgenomen dat horeca is toegestaan, uitsluitend voor zover dit ondergeschikt is aan en ten dienste van de sportvoorziening is.

3.9 Kabels, leidingen en straalpaden

In dit plangebied zijn geen ruimtelijke relevante kabels, leidingen en straalpaden aanwezig.

Hoofdstuk 4 Milieuparagraaf

4.1 Geluid

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte in een aantal gevallen mag worden afgeweken.

De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. In het voorliggend bestemmingsplan zijn geen geluidgevoelige functies aanwezig en nieuw vestiging van geluidgevoelige functies is niet toegestaan.

Doordat voetbalvereniging RPC zich vestigt op het sportpark Heihoef, wordt het park door de voetbalverenigingen intensiever gebruikt dan nu het geval is. Hierdoor kan sprake zijn van meer (stem)geluid dan voorheen. Het bestaande aantal voetbalvelden wordt echter niet uitgebreid. Twee voetbalvelden worden in kunstgras uitgevoerd in plaats van natuurgras. Het voetbalveld dat het dichtst bij de omliggende woningen is gelegen blijft natuurgras. Dit veld kan minder intensief bespeeld. Hierdoor wordt rekening gehouden met de omwonenden. Op een afstand vanaf circa 110 meter van de woningen nabij het sportpark zullen de kunstgrasvelden gerealiseerd worden. Overigens was dit planologisch reeds mogelijk binnen het voorheen geldende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld om de kantine en kleedkamers voor de voetbalvereniging RPC mogelijk te maken, dat wil zeggen dat dit bestemmingsplan planologisch in 550 m2 extra bebouwingsmogelijkheden voorziet ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan. Daarnaast verhuizen de Cricketclub en American Football naar een andere locatie in Eindhoven waardoor (stem)geluid van deze clubs verdwijnen.

4.2 Luchtkwaliteit

4.2.1 Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

4.2.2 Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:

  • woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en
  • kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien. Het bestaande sportpark Heihoef wordt niet als gevoelige bestemming aangemerkt. Overigens ligt de voetbalvereniging RPC thans nog op een afstand van circa 260 meter afstand van de A2/A67. In de toekomstige situatie zal de voetbalvereniging RPC op een afstand van circa 330 meter van de A2/A67 gesitueerd zijn.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.2.4 Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.2.5 Planbeschrijving en toetsing

Met voorliggend bestemmingsplan wordt planologisch 250 m2 aan extra bebouwingsmogelijkheden toegestaan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan zodat een kantine en kleedkamers kan worden gerealiseerd voor de voetbalvereniging RPC. Deze voetbalvereniging verhuist van Genneperparken naar het bestaande sportpark Heihoef. Er is sprake van een verschuiving geen sprake van het vestigen van een nieuwe voetbalvereniging. Ook is er geen sprake van een nieuwe gevoelige bestemming langs drukke wegen.

Dit past binnen de getalsmatige begrenzing voor “niet in betekende mate”projecten zodat de realisatie van het plan niet zal leiden tot overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid.

4.3.1 Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR)
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';

Groepsrisico (GR)
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Het plangebied

Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen.

Inrichtingen
Naast het plangebied ligt een gemeentelijke begraafplaats. Deze begraafplaats beschikt over een propaanreservoir van 2500 liter. De inrichting valt niet onder de werkingssfeer van het Bevi. De risicocontour ligt voor een klein gedeelte over het sportpark Heihoef (gedeeltelijk over twee voetbalvelden die reeds in gebruik zijn). Deze velden zullen met de komst van voetbalvereniging RPC intensiever gebruikt worden. Doordat de inrichting niet onder de werkingssfeer van het Bevi valt hoeft geen verantwoording van het groepsrisico te worden gedaan.

Transport
Een klein gedeelte van het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de snelweg A2/A67. Binnen dit invloedsgebied zijn de geen voetbalvelden gelegen en vindt geen nieuwbouw plaats van de kantine en de kleedkamers voor de voetbalvereniging RPC. De bestaande situatie verandert hier niet.

Buisleidingen
In of nabij dit plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig.

4.3.2 Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.

Het plangebied ligt in de woon en recreatie omgeving van Eindhoven en voldoet aan de voorwaarden uit de visie.

4.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.4 Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Belangrijke thema's daarbij zijn:

  • Eindhoven Energieneutraal
    Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken. Eindhoven heeft in 2008 de ambitie vastgelegd om 'energieneutraal' te worden in de toekomst (2035 - 2045). Dat wil zeggen dat alle energie die de stad dan nog gebruikt, duurzaam wordt opgewekt.

    Daarbovenop heeft de gemeenteraad in de 'Klimaatverordening gemeente Eindhoven 2016' vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. Dit betekent dat bij elk project of ontwikkeling enerzijds ingezet moet worden op een zo groot mogelijke bijdrage aan de beperking van de CO2 emissie, en anderzijds dat in de planontwikkeling gekwantificeerd moet worden wat voor en na de ingreep de omvang van de CO2 emissie is, uitgedrukt in kg CO2/jaar.

    Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is ook Rijksbeleid. Hoewel er op dit moment geen eis tot 'aardgasloos bouwen' kan worden opgelegd, is het verstandig voor bouwers en ontwikkelaars om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden. Het is wijs om nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst mogelijk is.

  • Duurzame mobiliteit
    Duurzame Mobiliteit richt zich onder andere op het voorkomen van verplaatsingen, het veranderen van de keuze van vervoermiddelen naar meer duurzaam vervoer en het verschonen van het vervoer (Trias Mobilica). Duurzame mobiliteit leidt tot minder energiegebruik en het gezonder worden van de leefomgeving. Duurzame mobiliteit en energiebesparing zijn belangrijke ambities in de in 2013 vastgestelde visie 'Eindhoven op weg, duurzaam verbinden van mensen en locaties in Eindhoven veelzijdige stad'. De visie geeft met een inspirerend vergezicht voor 2040 invulling aan de ambities.

  • Circulaire Economie
    Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur.

  • Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
    Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) is voor ons een belangrijke en uitdagende opgave. Aan de ene kant zijn wij er voor het verbeteren van de kwaliteit van de samenleving en doen we impliciet dus aan MVO. Aan de andere kant zijn we een organisatie als elke andere en kunnen MVO-thema's ook gewoon binnen de eigen muren aan de orde komen. MVO richt zich enerzijds op het verduurzamen van de eigen bedrijfsvoering en anderzijds op samenwerking met en het stimuleren van MVO bij partners in de stad, waaronder bedrijven en kennisinstellingen.

The Natural Step
Samenwerking tussen de partners in de stad en co-creatie zijn essentieel. Om te zorgen dat we een gedeelde taal spreken, gebruiken wij de aanpak van The Natural Step (TNS) om duurzaamheid vorm te geven. In het kort komt het erop neer dat we duurzaam handelen door met vier principes van duurzaamheid rekening te houden:

  • We gaan zuinig om met energie en kiezen voor groene, duurzame energie
  • We kiezen voor recyclebare of gerecyclede materialen of materialen die door de natuur afgebroken kunnen worden en we gebruiken producten die geen schade toebrengen aan mens en milieu
  • We gaan zuinig om met de natuur en breiden die waar mogelijk uit
  • We gaan uit van de eigen kracht van onze inwoners en zorgen voor hen waar het even moeilijk mee gaat. Mensen in de rest van de wereld ondervinden geen nadelen van ons handelen en waar mogelijk verbeteren we hun kwaliteit van leven.

4.4.1 Planbeschrijving

Op dit moment is er nog geen concreet bouwplan uitgewerkt. Wel wordt bij de uitwerking rekening gehouden met de duurzaamheidsprincipes en de zullen zoveel mogelijk worden toegepast.

4.5 Bodem

Voor het bestemmingsplan is van belang dat de gronden geschikt zijn voor de functie. Dat is hier het geval. Het plangebied is een bestaand sportpark. Gesteld kan worden dat de bodem geschikt is voor sport.

4.6 Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2019 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

Door Ecologica is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. In het kantine- en kleedkamercomplex van voetbalvereniging Tivoli bevindt zich een paarplaats van een mannetje gewone dwergvleermuis. Omdat deze bebouwing niet wordt gesloopt, levert dit geen belemmeringen op. De nieuwbouw heeft geen invloed op deze paarplaats.Verder zijn in het plangebied geen beschermde plant- of diersoorten aangetroffen. De soortbescherming van de Wet natuurbescherming is voor dit plangebied geen beletsel voor het kunnen doorgaan van de plannen.

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf

5.1 Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid.

Het bestemmingsplan Buitengebied (sportpark De Heihoef) heeft een conserverend karakter. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2 Beleid

5.2.1 Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).

5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021

Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.

5.2.2 Provinciaal beleid
5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.

Wettelijke taken
De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak
Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.

Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

5.2.3 Beleid Waterschap
5.2.3.1 Waterbeheerplan 'Waardevol Water'

Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan.

Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen.

  • Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitgebied.
  • De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu. Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld.
  • Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt.
  • Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan.
5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.

5.2.3.3 Hydrologosch neutraal bouwen

Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.

Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.

Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.

5.2.4 Gemeentelijk beleid
5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2015 - 2018)

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht op het gebied van het afval- en oppervlakte- en grondwater. Het GRP bevat de geplande activiteiten gericht op het beheer en onderhoud van het rioolstelsel en bevat maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen binnen het plangebied waarna alsnog vertraagd kan worden afgevoerd.

5.2.5 Waterplan

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald

5.3 Beschrijving watersysteem plangebied

5.3.1 Inleiding

Voor dit plan is er nog géén concreet bouwontwerp voorhanden. Wel zijn er uitgangspunten vastgelegd waardoor de hydraulische invloed van dit plan te bepalen is. In eerste instantie wordt kleedruimte voor sporters en sportleiding gerealiseerd. Dat is echter een tijdelijke voorziening. In de eindsituatie van dit plan worden alle dan aanwezige bouwwerken binnen het plangebied gesloopt en wordt er één nieuw sportverzamelgebouw gerealiseerd. Het totale potentiële bouwvlak voor de bouw is 4500 m2 groot. Echter, toegezegd is in de eindsituatie maximaal 1500 m2 te verharden. Dit is ook in de regels gewaarborgd. Momenteel is binnen het gebied 700 m2 aangesloten verhard oppervlak aanwezig. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een ruimtelijke onderbouwing opgesteld waarvan deze waterparagraaf deel uitmaakt. Middels deze waterparagraaf wordt aangegeven of en welke duurzame maatregelen met betrekking tot het watersysteem te realiseren zijn en of de veranderingen gevolgen hebben voor het bestaande watersysteem.

5.3.2 Huidige situatie

In de huidige situatie staat op het sportterrein De Heihoef, binnen het plangebied, één verzamelgebouw voor sport gerelateerde activiteiten. Het dak van het verzamelgebouw (700 m2) is aangesloten op de gemengde riolering in de Roostenlaan. Ook afvalwater zit aangesloten op het gemengd riool. Alle bestaande maaiveld verharding (weg + parkeer- cq opstelruimte = 500m2) stroomt in de huidige situatie af op de aangrenzende groene omgeving. Het totale perceeloppervlak waar de nieuwbouw is beoogd (bouwvlak) van het plangebied bedraagt ca. 4500 m2. Daarvan is dus ca. 700m2 bebouwd en aangesloten op de riolering. Het sportterrein ligt binnen de 25-jaarszone en boringsvrije zone van het grondwaterbeschermingsgebied van de provincie Noord Brabant.

5.3.3 Checklist watersysteem

Checklist Watersysteem  
A-wateren binnen het plangebied   Nee  
B-wateren binnen het plangebied   Nee  
Keurgebied binnen plangebied?   Nee, grenst er tegen  
Binnen 25-100 jaarszone?   Ja  
Binnen boringsvrije zone?   Ja  
Ecologische verbindingszone?   Nee  
Binnen reserveringsgebied waterberging 2050?   Nee  
Attentiegebied EHS   Nee  
Rioolwatertransportleiding   Nee  
Waterschap gemaal   Nee  
Verdachte/verontreinigde locaties?   Nee  
Infiltratie praktisch mogelijk?   Ja, maar beperking vanuit grondwaterbescherming  
Uitwerkingsplicht/Wijzigingsbevoegdheid?   Nee  

Zoals aangegeven bevindt de ontwikkeling zich niet in het Keurgebied maar grenst het er wel tegen aan. De ontwikkeling valt onder de aanduiding "Beschermde gebieden keur". Voor beschermde gebieden geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid (Provinciaal Waterplan). Dit betekent dat alle ingrepen in dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. Dit betekent dat in de algemene regels dat voor diverse handelingen de algemene regel alleen geldt buiten de beschermde gebieden waterhuishouding.

5.3.4 Boringsvrijze zone

Het plangebied is tevens gelegen in een 'boringsvrije zone'. Een bestemmingsplan dat is gelegen in een 'boringsvrije zone' strekt mede tot het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Het is niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijke spoor op te nemen omdat in de Provinciale milieuverordening (PMV) al is voorzien in een systeem van melding van dergelijke activiteiten.

5.4 Toekomstige situatie van het watersysteem

Door deze ruimtelijke onderbouwing wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt waarbij maximaal 1800 m2 van de binnen het plangebied aanwezige 4500 m2 ruimte verhard wordt. Ook van die bouwtitel zijn nog géén plannen voorhanden. De nieuwe ontwikkeling zal haar opgevangen dakwater in de toekomst afkoppelen en via een ondergrondse leiding af voeren naar de zaksloot in de Roostenlaan. Vuilwater wordt net zoals nu via het gemengd rioolstelsel afgevoerd naar de waterzuivering. Afstromend regenwater vanaf het maaiveld zal in de omgeving opgevangen worden en daar, mogelijk na een zuiveringsstap, infiltreren.

5.4.1 Gevolgen voor de waterhuishouding
Oppervlakten   Huidige m2   Toekomstig m2  
Daken   700 (op riolering)   Nog onbekend (op zaksloot)  
Terrein verharding   500 (op omgeving)   Nog onbekend (op omgeving)  
Terrein halfverharding   0   0  
Onverhard terrein   3.300   2.700  
Totaal   4.500   4.500  

Tabel overzicht huidige en toekomstige m2 verharding.

Door realisatie van de ontwikkeling neemt binnen het plangebied het verhard oppervlak toe met maximaal 1.100 m2 (1.800 - 700). Echter, het totaal aangesloten verhard oppervlak neemt af met 700 m2. Hiervan is alleen sprake indien de zaksloot waarop geloosd gaat worden over voldoende capaciteit beschikt om de 'verhardingstoename' te compenseren. De benodigde waterbergingscompensatie daarvoor bedraagt 1.100 x 0,042 = 46 m3. In de Roostenlaan, tegen de grens van de ontwikkeling, is een zaksloot aanwezig. Deze zaksloot is ingemeten om te bepalen of hydraulisch de ruimte aanwezig is om het opgevangen hemelwater vanaf de ontwikkeling te ontvangen. Afhankelijk van het gekozen meetpeil (putrand of kant sloot) is tussen de 35m3 en 231m3 volume voor waterberging beschikbaar voor water afkomstig van de ontwikkeling. Dit is 15m3 minder dan eigenlijk benodigd. Gezien de groene omgeving en variatie in meetpeil zal praktisch gezien de zaksloot voldoende capaciteit bevatten om de opgave te bergen. Aanvullende maatregelen zijn derhalve niet noodzakelijk.

5.4.2 Waterkwaliteit

De ontwikkeling is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Daarin is het verboden activiteiten te ondernemen die vervuild regenwater in de grond kunnen brengen. Om dat bij deze ontwikkeling te voorkomen zijn de volgende afspraken gemaakt:

  • 1. Bij de inrichting, bouw en beheer fase worden géén vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem.
  • 2. Blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater vanuit het bouwwerk zijn niet toegestaan.
  • 3. Een gifvrij beheer van de ruimte (weg- en groenbeheer) is standaard onderdeel van het terreinbeheer.

Deze drie punten leveren een positieve bijdrage aan de waterkwaliteit en krijgen bij het uitwerken van het bouw- en beheersplan de noodzakelijke aandacht. Voor de afwatering van maaiveldverharding rondom de sportaccomodatie zal middels een vooroverleg met de provincie bepaald worden óf, en zo ja hoe, deze gezuiverd moet worden voordat het kan infiltreren naar de ondergrond.

5.4.3 Advies / overleg Waterschap

In mei is met Waterschap de Dommel gestart met overleg over dit plan. Naar aanleiding van dit overleg is afgesproken hemelwater ter plaatse wordt verwerkt en vuilwater aangesloten wordt op het gemengde rioolstelsel in de Roostenlaan. De nieuwbouw zal geen gebruik maken van uitlogende bouwmaterialen. Doordat er geen toename van het verhard oppervlak op de riolering wordt aangesloten, wordt er door het waterschap geen compenserende maatregelen voor het verhard oppervlak verlangd. Het afgekoppelde oppervlak wordt gekoppeld aan de in de Roostenlaan aanwezige zaksloot. Deze bevat voldoende capaciteit om de benodigde 46 m3 aan water te bergen. Aanvullende waterberging is niet noodzakelijk. In juni 2018 heeft Waterschap de Dommel ingestemd met de maatregel en is het wateradvies afgedaan.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Algemeen

Het bestemmingsplan "Buitengebied (sportpark De Heihoef)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

6.2 Planmethodiek

Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.

6.3 Verbeelding

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.4 Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De  Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In  "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.

Bestemming “Sport ” (Artikel 3)

Het bestaande sportpark Heihoef was reeds bestemd als sport en in dit bestemmingsplan is dat niet veranderd. De uitbreiding van de (planologische) bouwmogelijkheden is uitgebreid met 550 m2 ten behoeve van de voetbalvereniging RPC. Het bouwvlak waarbinnen de bebouwing voor de voetbalvereniging Tivoli is gelegen is vergroot. Binnen dit bouwvlak is bepaald dat de bebouwing niet meer dan 1.800 m2 mag bedragen. In de regels is bepaald dat het bruto vloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 1.800 m2. Hierdoor wordt voorkomen dat een grootschalige uitbreiding aan bebouwingsmogelijkheden wordt toegestaan.

Dubbelbestemming

Bestemming "Waarde - Cultuurhistorie - 1" (Artikel 4)

De cultuurhistorisch waardevolle gebieden (landschapstypen) zijn voorzien van deze dubbelbestemming. De regels bieden bescherming tegen onevenredige aantasting van die waarden en kenmerken. In paragraaf 3.5.2 is hier nader op ingegaan.

Bestemming "Waarde - Cultuurhistorie - 2" (Artikel 5)

De cultuurhistorisch waardevolle (landschaps)elementen zijn voorzien van deze dubbelbestemming. De regels bieden bescherming tegen onevenredige aantasting van die (landschaps)elementen. In paragraaf 3.5.2 is hier nader op ingegaan.

Onder de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel , de Algemene gebruiksregels, de Algemene aanduidingsregels, de Algemene afwijkingsregels en de Overige regels.

In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht  en deSlotregel opgenomen.

Hoofdstuk 7 Handhaving

7.1 Algemeen

De gemeente stelt jaarlijks het toezicht- en handhavingsprogramma vast. In dit handhavingsprogramma is aangegeven dat de gemeente zich inzet om van Eindhoven een sterke stad met een levendige economie te maken. Veiligheid en leefbaarheid staan daarbij voorop. Het gemeentebestuur heeft een gemeente voor ogen die maximaal dienstverlenend is, maar die ook de grenzen aangeeft en de spelregels bewaakt. Zij treedt, waar dat nodig is, daadkrachtig op in het algemeen belang voor de bescherming van de rechtszekerheid van individuele belangen. De gemeente handhaaft consequent, werkt in belangrijke mate stadsdeel- en gebiedsgericht en programmatisch en staat dicht bij de burger.

Goed toezicht en handhaving zijn van cruciaal belang om de leefbaarheid, de rechtszekerheid, de veiligheid, bedrijvigheid en het milieu in Eindhoven te bevorderen. Overlast en vervuiling dienen te worden teruggedrongen en naleving van voorschriften van bijvoorbeeld ruimtelijke ordening , bouw-, milieu- en gebruiksvergunningen is hierbij noodzakelijk.

De wet- en regelgeving blijft het uitgangspunt voor toezicht en handhaving. Cruciaal is evenwel dat de gemeente zich vanuit toezicht en handhaving als partner opstelt en daarbij de nodige dynamiek toont en helder communiceert over wat wel en niet kan.

Handhavingsmodel
Er is een handhavingsmodel voor toezicht en handhaving en dit model wordt gekenmerkt door zeven basisprincipes:

  • 1. Integrale aanpak vanuit een samenhangende organisatie.
  • 2. Toezicht en handhaving als sterke schakels in de reguleringsketen ( zowel beleidsmatig als qua uitvoering).
  • 3. Optimaal toepassen van moderne communicatietechnologie bij toezicht en handhaving.
  • 4. Goede informatiepositie van de handhavers door een betere beschikbaarheid van betrouwbare gegevens over kenmerken van de stad, vergunningen, controles, activiteiten en procedures.
  • 5. In een vroegtijdig stadium van toezicht en handhaving in gesprek gaan met de burgers en bedrijven gericht op het zo min mogelijk hoeven toepassen van bestuursrechtelijke maatregelen.
  • 6. In alle redelijkheid is ruimte voor maatwerk maar zo nodig wordt doorgepakt.
  • 7. We zeggen wat we doen; we doen wat we zeggen en we laten zien wat we gedaan hebben.

Op basis van dit toezicht- en handhavingsprogramma is een gemeentelijk werkplan opgesteld waarin per aandachtsveld de toezicht- en handhavingsactiviteiten SMART zijn vorm gegeven.

Voor het aandachtsveld Bouwen, wonen en ruimtelijke ordening (strijdigheid met het bestemmingsplan) zijn op ruimtelijke ordeningsgebied onder meer de volgende activiteiten benoemd:

  • Controle panden op illegale bewoning/strijdig gebruik woning met bestemmingsplan.
  • Controle panden op ontoelaatbare woningsplitsing.
  • Accent op specifieke locaties per stadsdeel (autohandellocaties) .

Bij illegale bouw en illegaal gebruik worden gemelde misstanden aangepakt waarbij zaken waar veiligheid, monumentale panden en welstand in het geding is.

Duidelijke regels
Een eerste vereiste om goed te kunnen handhaving zijn duidelijk regels. Bij het ontwikkelen van de standaardregels voor het stedelijk gebied van Eindhoven is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geredigeerd, dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Planregels dienen duidelijke normen te bevatten die niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn en tevens actueel en controleerbaar zijn. Teneinde hieraan te voldoen zijn de regels aangepast aan de meest recente jurisprudentie en wetgeving (bijv. Woningwet en de SVBP2012). Dit biedt voldoende garanties voor de rechtszekerheid en de flexibiliteit van de nieuwe bestemmingsplannen.

In het voorliggende bestemmingsplan is het actuele ruimtelijk beleid van Eindhoven vastgelegd, toegespitst op het plangebied. Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels strikt worden toegepast en gehandhaafd. Goede voorlichting en informatievoorziening dragen bij aan een verbetering in de naleving van de bestemmingsplannen.

De handhavingscapaciteit is beperkt zodat het college jaarlijks de handhavingsprioriteiten vastlegt in een werkprogramma handhaving.

7.2 Handhaving voorliggend plan

Leidend motief bij de toekenning van de bestemmingen is het antwoord op de vraag of de desbetreffende functie ter plaatse in ruimtelijk opzicht acceptabel is (ongeacht of een en ander in overeenstemming is met de voorgaande (nu nog vigerende) bestemmingsplannen en/of een en ander functioneert in overeenstemming met andere regelgeving, bijvoorbeeld milieuwetgeving, winkelsluitingswet, bouwverordening, algemene plaatselijk verordening etc.) Er zal dus in een aantal gevallen sprake kunnen zijn van het met het voorliggende plan legaliseren van situaties die niet conform de nu nog geldende bestemmingsplannen zijn, maar uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn. Dit zal betekenen dat in deze situaties te zijner tijd niet meer zal kunnen worden opgetreden op basis van het voorliggende bestemmingsplan. Opgemerkt kan worden dat het in nagenoeg alle gevallen bedrijven betreft waarvan het bestaan bij de gemeente bekend is. De plicht tot handhaving van andere regelgeving (bijvoorbeeld milieuwetgeving) ter zake blijft uiteraard onverkort van kracht.

Er is in het voorliggende plan slechts aandacht voor handhaving in geval van het met dit bestemmingsplan wegbestemmen van momenteel bestaande functies, dus als er sprake is van het om redenen van een de goede ruimtelijke ordening toekennen van een bestemming die niet conform de bestaande situatie is. Dergelijke gevallen doen zich – voorzover uit onderzoek gebleken – met het voorliggende plan niet voor.

Hoofdstuk 8 Financiële aspecten

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar.

Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld.De dekking van de kosten voor de uitvoering van de herinrichting van Sportpark Heihoef vindt plaats conform het raadsbesluit van 11 september 2018 over de realisatie van de P&R Genneper Parken.

Hoofdstuk 9 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.1 Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro

Op grond van artikel 1.3.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet van het voornemen een bestemmingsplan voor te bereiden, kennis worden gegeven. De kennisgeving van de voorbereiding van onderhavig bestemmingsplan is geplaatst in Groot Eindhoven op 21 maart 2018. De kennisgeving is tevens bij de officiële publicaties op de gemeentelijke website www.eindhoven.nl geplaatst. Er zijn geen stukken betreffende het voornemen ter inzage gelegd, noch de mogelijkheid open gesteld om zienswijzen tegen het voornemen in te dienen of instanties om advies te vragen.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij de voorbereiding is overleg geweest met de provincie en het waterschap.

Provincie

Op 2 november 2017 heeft een goed en constructief vooroverleg plaats gevonden op het provinciehuis over de ontwikkeling van een P+R in Genneperparken en de daarmee samenhangende verplaatsing van voetbalvereniging RPC naar sportpark Heihoef. Aanleiding van dit gesprek was om al in een vroeg stadium van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling(en) af te stemmen wat de mogelijkheden zijn en welke maatregelen (eventueel) genomen moeten worden. De provincie heeft aangegeven dat onderhavige ontwikkeling aangemerkt kan worden als 'uitbreiding' in de zin van de verordening ruimte. Dat aandacht zal moeten worden besteed aan de provinciale belangen en de kwaliteitsverbetering die moet plaatsvinden in een voorwaardelijke verplichting tot uiting moet komen in de regels. In paragraaf 3.3.2 is uitvoerig ingegaan op de provinciale belangen en de kwaliteitsverbetering.In de regels is deze kwaliteitsverbetering gewaarborgd.

Waterschap De Dommel

Met het waterschap heeft vooroverleg plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in de waterparagraaf zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van de toelichting. Voor de resultaten wordt hiernaar kortheidshalve verwezen.

9.3 Samenspraak

Per 1 oktober 2008 is de "Verordening Samenspraak en Inspraak gemeente Eindhoven 2008" in werking getreden. Het doel hiervan is het betrekken van burgers bij de besluitvorming. In het kader van samenspraak is intensief contact geweest met de sportverenigingen waarvoor verregaande consequenties gelden als gevolg van het besluit om RPC te verhuizen naar sportpark Heihoef. Daarnaast is overleg geweest met het nabij gelegen St. Joriscollege en omwonenden.

Sportverenigingen

Voordat een besluit werd genomen om daadwerkelijk te starten met de voorbereidingen om de voetbelvereniging RPC te verplaatsen naar de Heihoef zijn alle vereniging die op dat moment gebruik maken van de Heihoef uitgenodigd voor een bijeenkomst. Tijdens die bijeenkomst op 7 juni 2017 werden alle aanwezige verenigingen bijgepraat over het voornemen om voetbalvereniging RPC te verplaatsen naar sportpark Heihoef.

Op 11 juli 2017 heeft het college besloten de voorbereidingen te treffen om te komen tot een P+R voorziening en een herinrichting van sportpark Heihoef. Met de sportverenigingen waarvoor er vergaande consequenties zijn door dit besluit, is vervolgens intensief contact geweest.

De Cricketclub en de american football vereniging worden verplaatst. De cricketclub gaat naar VV Gestel en de american football gaat naar het sportcomplex Eindhoven Noord (SEN). De voetbalvereniging RPC en de voetbalvereniging Tivoli gaan gezamenlijk op het sportpark hun verenigingsactiviteiten uitvoeren. Met de beide voetbalverenigingen wordt constructief overlegd hoe de verhuizing en inpassing op De Heihoef ingevuld wordt.

Omgeving

Alle direct betrokken verenigingen en het St. Joriscollege hebben met de gemeente gesproken over deze ontwikkelingen. Met het St. Joriscollege zijn daarnaast afspraken gemaakt over het dubbelgebruik van het parkeerterrein.

De bewoners zijn in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan een klankbordgroep waarin hun belangen en wensen worden besproken. Vanuit de klankbordgroep komt als zorgpunt naar voren de toename van het verkeer en het parkeren. De toename van verkeer kan afgewikkeld worden via de beschikbare infrastructuur. Ook wordt voldaan aan de parkeernorm. Om deze zorg van de klankbordgroep goed te blijven monitoren is de doelstelling om reguliere overleg met de omgeving te houden om te kijken of te zijner tijd aanpassingen nodig zijn. Omdat er in het project ook een klankbordgroep is voor de toekomstige inrichting van de omgeving bij de P+R zijn beide klankbordgroepen gekend in de onderlinge afspraken.

Verder is de reeds bestaande klankbordgroep Gennneper Parken herhaalde malen geïnformeerd over het voornemen van de gemeente om te komen tot een P+R en herinrichting van sportpark Heihoef.

9.4 Zienswijzen en ambtshalve aanpassingen

Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 14 juni 2018 tot en met woensdag 25 juli 2018 op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp van het bestemmingsplan kenbaar te maken.

Kennisgeving van de ter inzage legging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in de edities van de Staatscourant en het weekblad Groot Eindhoven van 13 juni 2018 gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om de digitale versie van het ontwerp bestemmingsplan via de gemeentelijke website www.eindhoven.nl/bestemmingsplannen en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen.

Naar aanleiding van de tervisielegging zijn drie zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn ongegrond verklaard. Daarnaast is een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Voor de inhoudelijke reactie op de zienswijzen en de ambtshalve wijzigingen wordt verwezen naar de 'nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen - bestemmingsplan Buitengebied (Sportpark De Heihoef)'. Deze nota is als bijlage, behorende bij de toelichting opgenomen.