direct naar inhoud van Regels
Plan: Buitengebied (sportpark De Heihoef)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0772.80322-0301

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Buitengebied (sportpark De Heihoef) met identificatienummer NL.IMRO.0772.80322-0301 van de gemeente Eindhoven.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aan-huis-verbonden-beroep

een vrij beroep, dat in of bij een woongebouw wordt uitgeoefend, waarbij het woongebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Bijvoorbeeld gastouderopvang; detailhandel via internet zonder opslag en/of verkoop aan huis; of het enkel uitoefenen van een administratie ten behoeve van een bedrijf.

Onder vrije beroepen worden verstaan: (para)medische, juridische, therapeutische, ontwerp-technische, administratieve, sociaal-maatschappelijke, kunstzinnige en daarmee gelijk te stellen beroepen.

1.4 aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.8 bedrijfsvloeroppervlak

de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke.

1.9 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming of de aard van de dagelijkse bedrijfsvoering noodzakelijk is.

1.10 bestaande situatie

bij bouwwerken: legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning;

bij gebruik: legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.11 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.12 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.13 bijgebouw

een op zichzelf staand al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.14 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.15 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.16 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.17 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

1.18 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.19 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.20 cultuurhistorische waarden en kenmerken

de aan een bouwwerk of gebied of landschapselement toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of gebied, of vanwege de historische herkenbaarheid ervan.

1.21 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.22 deskundige

een door burgemeester en wethouders of ander daartoe aangewezen bevoegd gezag erkende onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen op een bepaald vakgebied.

1.23 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder ook zijn begrepen kapperszaken, belwinkels, internetcafé, schoonheidsinstituten, fotostudio´s en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.

1.24 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.25 gebruiken

het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken.

1.26 grondwaterbeschermingsgebied

gebied waarbinnen het grondwater, afhankelijk van de kwetsbaarheid van het gebied, een periode van 25 of 100 jaar nodig heeft om de pompputten voor waterwinning te bereiken.

1.27 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend (niet zijnde prostitutie).

1.28 kunstobject

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of onderdelen van bouwwerken die worden aangemerkt als uitingen van één der beeldende kunsten.

1.29 kunstwerk

bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening.

1.30 Nota Parkeernormen 2016

parkeernormen vastgesteld op 17 mei 2016, gepubliceerd en in werking getreden op 10 juni 2016.

1.31 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen / installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen e.d.

1.32 ondergeschikte detailhandel

detailhandel als activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomensverwervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de volgens de bestemming toegekende hoofdfunctie. De detailhandelsacitiviteit is van zulke beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang dat de functie waaraan zij wordt/is toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft.

1.33 ondergeschikte horeca

een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de hoofdfunctie een andere dan horeca is, maar waar men uitsluitend ten dienste van c.q. ter ondersteuning van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren. De horeca-activiteit is van zulke beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft.

1.34 peil

0.30 m' boven de kruin van de weg.

1.35 uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.36 water

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen.

1.37 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit (zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, sloten, greppels en vijvers, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen etc.).

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 bebouwingspercentage

een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

2.2 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.3 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen wordt de overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, gevelisolatie, ventilatiekanalen, reclameaanduidingen, luifels, erkers, balkons en overstekende daken e.d. buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 1 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Sport

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Sport´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. veld- en buitensporten;
  • b. gebouwen en bedrijfswoningen ten behoeve van sportvoorzieningen met de daarbij behorende ondersteunende voorzieningen;
  • c. horecavoorzieningen en detailhandel uitsluitend voorzover ondergeschikt aan en ter ondersteuning en ten dienste van de sportvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • d. parkeer-, groen-, speel- en schuilvoorzieningen;
  • e. water, wegen en paden;
  • f. tuinen, erven en terreinen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen en voorzieningen voor duurzame energie;
  • i. aan-huis-verbonden beroep met een vloeroppervlak van maximaal 50 m2 behorende bij de bedrijfswoning;
  • j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  • b. de maximum goot- en bouwhoogte is de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' en 'maximum bouwhoogte';
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' geldt het volgende:
  • 1. de genoemde oppervlakte geldt als maximum;
  • 2. het maximum bruto vloeroppervlak is 1.800 m2;

3.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. een bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning' en de bedrijfswoning mag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'  worden gebouwd;
  • b. maximaal één bedrijfswoning is toegestaan;
  • c. de maximum bouwhoogte is 10 m en de maximum goothoogte is 4,5 m;
  • d. de maximum inhoud (inclusief de inhoud van aan- en uitbouwen) is 600 m³.
  • e. de minimum afstand tot de zijdelingse perceelsgrens is 5 m;
  • f. de minimum dakhelling is 12o en de maximum dakhelling is 45o;
  • g. als in de bestaande situatie de bedrijfswoning niet voldoet aan een of meer van de onder c tot en met f genoemde maatvoeringsbepalingen dan geldt de bestaande afwijking als minimum dan wel als maximum;
  • h. alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend dient aangetoond te worden dat de woning noodzakelijk is in verband met blijvend toezicht op de desbetreffende specifieke sportfunctie.

3.2.3 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. bijgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • b. de maximum bouwhoogte is 4,5 m en de maximum goothoogte is 3 m;
  • c. de bebouwde oppervlakte is maximaal 80 m²;
  • d. als in de bestaande situatie bijgebouwen niet voldoen aan een of meer van de onder b. en c. genoemde maatvoeringsbepalingen dan geldt de bestaande afwijking als maximum.

3.2.4 Nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  • a. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  • b. de maximum oppervlakte is 15 m2.

3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning' gelden de volgende regels:

  • a. erf- en terreinafscheidingen mogen uitsluitend worden gebouwd op de gronden gelegen achter de feitelijke voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan;
  • b. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is 2 m, met dien verstande dat de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan 1 m is;.
  • c. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 m.

3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is 3 m;
  • b. de maximum bouwhoogte van vlaggen- en lichtmasten is 8 m;
  • c. de maximum bouwhoogte van sport- en spelattributen is 8 m;
  • d. de maximum bouwhoogte van reclameuitingen is 4 m; het bepaalde in Wijze van meten, lid 2.5 is niet van toepassing ten aanzien van reclameuitingen op een scorebord;
  • e. de maximum bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 4 m;
  • f. als in de bestaande situatie bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet voldoen aan een of meer van de onder a tot en met d genoemde maatvoeringsbepalingen dan geldt de bestaande afwijking als maximum.

3.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeesters en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken voor wat betreft de toegestane maximale bouwhoogte van lichtmasten als bedoeld in lid 3.2.6 onder b en wel tot een maximum van 20 m, mits de omgeving geen onevenredige hinder ondervindt van het licht.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.4.1 Werk en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;
  • b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;
  • c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2, anders dan een bouwwerk.

3.4.2 Uitzonderingen

De in lid 3.4.1 vervatte verboden zijn niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel behoren tot het normale onderhoud;
  • b. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
3.4.3 Toelaatbaarheid

De in lid 3.4.1 genoemde werken en werkzaamheden zijn toegestaan voor zover die noodzakelijk zijn met het oog op de bestemming en voordat de gevraagde omgevingsvergunning wordt verleend, vraagt het bevoegd gezag het ter plaatse bevoegde watergezag om advies.

3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Voorwaardelijke verplichting inzake landschappelijke inpassing

Het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de (nieuw te bouwen) gebouwen voor voetbalvereniging RPC, als bedoeld in artikel 3.1 sub b, is alleen toegestaan indien de volgende landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden:

  • a. binnen het bestemmingsvlak minimaal 10 bomen worden geplant en een haag van minimaal 200 meter (1 meter breed) wordt gerealiseerd;
  • b. nabij de nieuwbouw voor voetbalvereniging RPC minimaal 8 bomen worden geplant en:
  • 1. een houtwal van minimaal 100 meter (5 meter breed), inclusief minimaal 15 bomen worden gerealiseerd, of;
  • 2. een landschappelijke haag van minimaal 100 meter (2,5 - 3 meter breed), inclusief minimaal 15 bomen worden gerealiseerd;
  • c. indien de bomen (boomvormers), zoals bedoeld onder sub b onder 1 en 2, te hoog worden (afhankelijk van de positionering, gewenst zicht en gevelindeling van de nieuwe bebouwing) kan voor de inpassing houtwallen met verspreid de boomvormers worden toegepast.
  • d. voor het sortiment dat gebruikt dient te worden voor de bomen en beplanting als bedoeld onder sub a en b, wordt verwezen naar Bijlage 1;
  • e. de landschappelijke inpassing dient uiterlijk binnen 1 jaar na realisatie van de gebouw(en) te zijn uitgevoerd.

3.5.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met de bestemming zoals vermeld in lid 3.1 wordt in ieder geval gerekend het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken van gronden voor het in de buitenlucht opslaan van goederen of (afval)containers.

3.5.3 Aan huis verbonden beroep of bedrijf aan huis

Het gebruik van een gedeelte van de bedrijfswoning en de bijgebouwen bij de bedrijfswoning voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten tot een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 30 m2 en/of voor een aan-huis-verbonden beroep met een vloeroppervlakte van meer dan 50 m2 met een maximum van 75 m2, is toegestaan mits:

  • a. de totale oppervlakte voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en een aan-huis-verbonden beroep gezamelijk niet meer dan 75 m2 bedraagt;
  • b. het geen publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft;
  • c. deze activiteiten door ten hoogste twee personen worden uitgeoefend, waarvan minstens één persoon woonachtig in het betreffende pand; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal één persoon, die tevens in het pand woonachtig is, mag worden uitgeoefend;
  • d. de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden;
  • e. het niet betreft detailhandel met uitzondering van detailhandel in ter plaatse vervaardigde en/of bewerkte producten;
  • f. het niet betreft vervaardiging van voedsel;
  • g. de bedrijfsactiviteiten vallen onder de in Bijlage 2 opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen behorende tot categorie 1, alsmede voor zover het bedrijfsactiviteiten betreft die niet in deze lijst zijn opgenomen maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten behorende tot categorie 1 als genoemd in deze lijst.
  • h. het een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling betreft die niet valt onder de sub g genoemde lijst, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder sub g.

 

Artikel 4 Waarde - Cultuurhistorie - 1

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Cultuurhistorie - 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het aangewezen gebied (landschapstype).

4.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van bouwwerken is mogelijk krachtens de onderliggende andere bestemming, en;
  • b. rekening dient te worden gehouden met de ter plaatse aanwezige cultuurhistorisch waarden en kenmerken van het landschapstype; ter beoordeling of daarvan sprake is dient aanvrager van de benodigde omgevingsvergunning een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen.;
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het belang van het behoud van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor bouwwerken, alsmede aan de situering ervan.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.4.1 Werk en werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 1' de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • b. het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven;
  • c. het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden;
  • d. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels;
  • e. het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting;
  • f. het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden
  • g. bouwwerken die deel uit maken van een nederzetting geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen.

4.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 4.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplannen en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  • c. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

4.4.3 Toelaatbaarheid

De in lid 4.4.1 genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting van de vastgestelde cultuurhistorische waarden en kenmerken als bedoeld in lid 4.1 tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is dient aanvrager van de benodigde omgevingsvergunning een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen.

Artikel 5 Waarde - Cultuurhistorie - 2

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en het bevorderen van de daarbinnen aanwezige cultuurhistorisch waardevolle en kenmerkende (landschap)elementen

5.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van het bouwwerk is mogelijk krachtens de onderliggende bestemming, en;
  • b. rekening dient te worden gehouden met de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken van de landschapselementen; ter beoordeling of daarvan sprake is dient aanvrager van de benodigde omgevingsvergunning een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen.
5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke opzet van de (landschaps)elementen en ter waarborging van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor de bouwwerken, alsmede aan de situering ervan.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Werk en werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie - 2 de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • b. het diepwoelen of diepploegen;
  • c. het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden;
  • d. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels;
  • e. het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting;
  • f. het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden.
5.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 5.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  • c. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

5.4.3 Toelaatbaarheid

De in lid 5.4.1 genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onaanvaardbare aantasting van de vastgestelde cultuurhistorische waarden en kenmerken van de (landschaps)elementen als bedoeld in lid 5.1 tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is dient aanvrager van de benodigde omgevingsvergunning een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

7.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming

Al dan niet in afwijking van het bepaalde in de bestemmingsregels van Hoofdstuk 2 wordt ter plaatse van een functie-aanduiding het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met die functie-aanduiding aangemerkt als gebruik overeenkomstig die bestemming.

Artikel 8 Algemene aanduidingsregels

8.1 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

Binnen de aanduiding milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied geldt als aanvullend doeleind van de andere daar voorkomende bestemming de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. Onverminderd de regels die gelden ten aanzien van de andere daar van toepassing zijnde bestemming zijn de regels van de provinciale milieuverordening van toepassing.

8.2 milieuzone - boringsvrije zone

Binnen de aanduiding milieuzone - boringsvrije zone geldt als aanvullend doeleind van de andere daar voorkomende bestemming het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Onverminderd de regels die gelden ten aanzien van de andere daar van toepassing zijnde bestemming zijn de regels van de provinciale milieuverordening van toepassing.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

9.1 Binnenplans afwijken

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10 % van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 10 m, met dien verstande dat de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen 3 m is;
  • c. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten 20 m is.
  • d. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de aanduiding 'bouwvlak' wordt overschreden met maximaal 20 cm ten behoeve van gevelisolatie om energie te besparen;
  • e. de regels ten aanzien van de realisatie van gebouwen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie en toestaan dat de maximum oppervlakte wordt vergroot tot maximaal 90 m2.

Artikel 10 Overige regels

10.1 Parkeereis
  • a. Bij de afgifte van een omgevingsvergunning wordt het aantal te realiseren parkeerplaatsen bepaald conform de Nota Parkeernormen 2016.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a, mag getoetst worden aan nieuwe dan wel gewijzigde parkeernormen, als deze in werking zijn getreden en leiden tot een lagere parkeernorm.

10.2 Afwijken van parkeereis

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.1 indien:

  • a. uit een parkeeronderzoek blijkt dat meer of minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn;
  • b. het voldoen aan de in lid 10.1 genoemde parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeerplaatsen wordt voorzien.

10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 10.1 indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
11.2 Afwijken

burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 11.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 11.1 met maximaal 10%.

11.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 11.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

11.4 Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

11.5 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 11.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

11.6 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 11.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

11.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 11.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Buitengebied (sportpark De Heihoef).