| Plan: | Kennedylaan-Rachelsmolen (herinrichting kruising) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0772.80246-0301 |
Aanleiding voor dit bestemmingsplan is de aanpassing van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen. Ter plaatse van deze kruising wordt een aansluiting voor het autoverkeer gerealiseerd. Nu is er uitsluitend nog een fiets/voetpad ter plaatse van deze kruising. Deze aanpassing is nodig vanwege de realisatie van een gedeelte van het tracé van de HOV2-lijn op de Veldm. Montgomerylaan.
Het betreft de realisatie van het gedeelte Veldm. Montgomerylaan dat loopt van Fellenoord, vanaf kruising met de Pastoor Petersstraat, in noordelijke richting tot aan de noordzijde van de kruising Pastoriestraat. Om de doorstroming op de Veldm. Montgomerylaan ter hoogte van de Rachelsmolen te blijven garanderen wordt het aantal verkeersbewegingen op deze kruising gereduceerd. De beperking voor het autoverkeer van deze kruising wordt gecompenseerd door een aansluiting van de Rachelsmolen aan de John F. Kennedylaan te realiseren. Vanwege deze laatstgenoemde aansluiting moet het bestemmingsplan worden gewijzigd.
De realisatie van het totale HOV-netwerk vindt fasegewijs plaats. De HOV-baan Veldmaarschalk Montgomerylaan - Fellenoord is onderdeel van de HOV-lijn die gaat lopen als de Noordzuid-as tussen Nuenen/Woensel en de High Tech Campus Eindhoven. Deze corridor verbindt de High Tech Campus Eindhoven hoogwaardig met de binnenstad, het station, de TU Campus, Winkelcentrum Woensel en de gemeente Nuenen.
Het bestemmingsplan "Kennedylaan-Rachelsmolen (herinrichting kruising)" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels.
Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.
Het plangebied ligt in het noordelijk deel van het stedelijk gebied van Eindhoven en omvat een deel van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen en een deel van de Rachelsmolen in westelijke richting. Het plangebied wordt in grote lijnen begrensd door de Fontys Hogeschool aan de noordzijde en de John F. Kennedylaan met daarachter het TU-e terrein aan de oostzijde. De woonwijk de Woenselse Watermolen ligt aan de zuidzijde van voorliggend plangebied.
In blauw gearceerd het plangebied in gemeente Eindhoven.
In blauw gearceerd voorliggend plangebied.
Het bestemmingsplan "Kennedylaan-Rachelsmolen (herinrichting kruising)" vervangt een klein deel van het bestemmingsplan 'Limbeek-Woenselse Watermolen 2007', vastgesteld door de raad op 18 maart 2008 en onherroepelijk geworden met ingang van 21 augustus 2008.
Uitsnede verbeeldingen 'Limbeek-Woenselse Watermolen 2007' en 'TU-e Science Park'. Blauw omlijnd = ruime begrenzing plangebied.
De nieuwe aansluiting voor het autoverkeer wordt geprojecteerd ter plaatse van de bestemmingen 'groenvoorzieningen' en 'verkeers- en verblijfsdoeleinden'. Deze nieuwe weg c.q. aansluiting voor het autoverkeer past niet in de bestemming 'groenvoorzieningen'.
Voorliggend plan vervangt tevens een klein deel van het bestemmingsplan 'TU-e Science Park'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 21 september 2010 en onherroepelijk geworden met ingang van 22 april 2011.
De nieuwe aansluiting voor het autoverkeer wordt geprojecteerd ter plaatse van de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer'. Deze nieuwe weg c.q. aansluiting voor het autoverkeer past niet in de bestemming 'Groen'.
Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken.Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is de bestaande situatie beschreven. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en zo nodig de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is de wijze beschreven waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
In de laatste decennia van de twintigste eeuw veranderde het Eindhovens stadsbeeld in snel tempo. Met name in stadsdeel Woensel, waar de Rachelsmolen in ligt, verrezen in de jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig veel nieuwe woonwijken.
In deze wederopbouwplannen stond de wijkgedachte centraal, waarbij de woonwijken die in de jaren '60 en '70 gerealiseerd zijn zich sterk kenmerken door de functiescheiding tussen wonen, werken, winkelen, groen en verkeer.
De structuur van stadsdeel Woensel wordt bepaald door de radiale- en tangentstructuur van Eindhoven. De radialen verdelen Woensel als het ware in 'taartpunten' en worden gevormd door de toegangswegen naar het centrum van Eindhoven zoals John F. Kennedylaan, de Huizingalaan - Dr. Cuyperslaan, Boschdijk en de Veldmaarschalk Montgomerylaan. De taartpunten worden doorsneden door zogenaamde ringwegen zoals de Ring, Marathonloop-Hondsruglaan-Tempel, en de Sterrenlaan-Winston Churchilllaan.
De John F. Kennedylaan doorkruist het stadsdeel Woensel-Zuid en het stadsdeel Centrum. Het plangebied ligt in de wijken Oud-Woensel en Centrum. Verder ligt het in de buurten Woenselse Watermolen en TU-terrein.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord. Niet-ruimtelijk beleid is per onderwerp apart in dit hoofdstuk opgenomen. Het beleid dat gericht is op verschillende milieu- en andere planologische aspecten wordt toegelicht in de milieuparagraaf. Beleid met betrekking tot het aspect water wordt beschreven in de waterparagraaf.
In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten.
Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.
Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.
Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1).
De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land.Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. High-tech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's . Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk.
In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieu's, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.
Eindhoven / Brainport
Over Eindhoven en het onderwerp bereikbaarheid bevat de Structuurvisie samengevat de volgende inhoud. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar onze nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s van Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven. Gebiedsontwikkelingen van nationaal belang worden doorgezet, zoals de Zuidas, Schiphol-Almere, Brainport Avenue en Rotterdam-Zuid. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk in samenwerking met marktpartijen en andere overheden naar vernieuwing van realisatie en financiering.
Figuur: bereikbaarheid van stedelijke regio's met topsectoren
Bereikbaarheid
Om de bereikbaarheid te verbeteren zet het Rijk in op Investeren, Innoveren en Instandhouden. De ergste knelpunten in de bereikbaarheid worden met voorrang aangepakt. Dat betekent dat de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports en de belangrijkste verbindingen met onze buurlanden prioriteit krijgen. Om keuzes goed te onderbouwen, introducteert het Rijk een bereikbaarheidsindicator die laat zien welke investeringen de meeste toegevoegde waarde opleveren.
Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten: weg, spoor, lucht en water in samenhang met stedelijke ontwikkeling. Investeringen vinden dáár plaats waar het meeste rendement wordt bereikt voor het mobiliteitssysteem als geheel. Het gaat daarbij ook om de ‘schakels’ tussen verschillende vormen van transport en vervoer, zoals transferia en multimodale overslagpunten.
Op de weg wordt doorgaand verkeer en bestemmingsverkeer zoveel mogelijk gescheiden. Dat komt de doorstroming ten goede. Op de hoofdverbindingen buiten de Randstad waar congestie een structureel probleem is, wordt 2x3 rijstroken de standaard. In de Randstad is de standaard 2x4 rijstroken. Bij de inpassing van infrastructuur waarborgt het Rijk de wettelijke eisen (bijvoorbeeld op het gebied van geluid).
We moeten innovatief omgaan met het benutten van onze infrastructuur. Een efficiënte benutting is nodig voor een goede doorstroming op de weg, het spoor en het water. Het Rijk lanceert een programma Beter benutten, waarin tal van maatregelen zijn opgenomen. Voorbeelden zijn het ruimer openstellen van spitsstroken en de introductie van intelligente transportsystemen, afspraken met werkgevers om het woon-werkverkeer terug te dringen en uitbreiding van het aantal fietsstallingen bij stations.
Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt.
De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:
Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).
Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedenlijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De ladder voor duurzame verstedelijking werkt volgens drie stappen:
Toets aan ladder voor duurzame verstedelijking
Het initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op deze aanpassing van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen, omdat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Naast de SVIR is er het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een beperkt aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen over rijksvaarwegen, zones buisleidingen en zones van hoogspanningsleidingen en defensieterreinen. Voor de regio Eindhoven is de zone van de 380 Kv hoogspanningsleiding van toepassing. Dit is de bestaande hoogspanningsleiding gelegen in Eindhoven Noord en (deels) Oost. Er is geen sprake van een 380 Kv hoogspanningsleiding binnen onderhavig plangebied.
Verder zijn de belangen van luchthaven Eindhoven geborgd. In het Barro en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn algemene regels gegeven voor het militaire luchtvaartterrein en voor het daarbij behorende beperkingengebied. Onderhavig plangebied ligt niet binnen dit beperkingengebied. Onderhavig plangebied ligt wel binnen het radarverstoringsgebied voor deze luchthaven. Dit radarverstoringsgebied geeft hoogtebeperkingen voor bouwwerken. Voor het radarverstoringsgebied geldt een hoogtebeperking vanaf 65 meter +NAP binnen onderhavig plangebied. Deze hoogtebeperking werkt voor dit bestemmingsplan niet belemmerend omdat dit bestemmingsplan de wijziging van de infrastructuur ergo een kruising betreft.
Binnen onderhavig plangebied mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, rechtstreeks voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer worden gerealiseerd. Deze zijn bouwwerken, geen gebouwen zijn, zijn vergunningvrij. Ook zijn – met een binnenplanse afwijking - bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten van maximaal 20 meter toegestaan.
In verband met de veiligheid van de (burger)luchtvaart worden er op en nabij luchthavens systemen geplaatst ter ondersteuning van de vertrek-, naderings- en landingsoperaties. De apparatuur wordt gebruikt om het radiocontact tussen de luchtverkeersleiding en de piloot te onderhouden, navigatie van en naar luchthavens en op luchtverkeerswegen mogelijk te maken en de plaatsbepaling van vliegtuigen zeker te stellen. Om de diverse systemen tegen verstorende obstakels te beschermen zijn toetsingsvlakken aangeduid. De Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) beoordeelt of bouwplannen c.q. bestemmingsplannen een mogelijke verstoring op kunnen leveren voor de apparatuur op en rond een luchthaven.
Binnen onderhavig plangebied geldt een hoogtebeperking vanaf 150 meter +NAP door het baken VDF Veldhoven. Deze hoogtebeperking werkt voor dit bestemmingsplan niet belemmerend omdat dit bestemmingsplan de wijziging van de infrastructuur ergo een kruising betreft en de mogelijke bouwwerken binnen het plangebied niet zo hoog zijn.
Conclusie
De aanpassing van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen conflicteert nergens met nationale belangen.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking.
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn:
1. de groenblauwe structuur
De groenblauwe structuur bestaat uit bestaande natuur, watersystemen en nieuwe natuur in hiervoor kansrijke gebieden. Het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Dit is nodig voor een goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering.
2. het landelijk gebied
Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie streeft hier naar een multifunctionele gebruiksruimte, met behoud van agrarische productieruimte in die delen van het landelijk gebied waar de landbouw leidend is voor nieuwe ontwikkelingen.
3. de stedelijke structuur
De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste stedelijke concentratiegebieden waar de groei van de verstedelijking wordt opgevangen. De provincie wil de verstedelijking op goed ontsloten plekken concentreren en de groene ruimte tussen steden openhouden. Ten tweede dienen kernen in het landelijk gebied zoveel mogelijk te worden ontzien van verdere verstedelijking. Alleen de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt daar opgevangen.
4. de infrastructuur
Het infrastructuurnetwerk bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen. De Brabantse infrastructuur maakt deel uit van het internationale netwerk van infrastructuur in noordwest Europa. De provincie kiest hier voor een goede bereikbaarheid van BrabantStad en de economische clusters van Noord-Brabant. Voor het personenvervoer zijn het hoofdwegennet en het OV-netwerk BrabantStad de dragers. Het goederenvervoer wordt zoveel mogelijk via de te ontwikkelen Goederenruit (spoor en waterwegen) geleid. Zo wordt ruimte gemaakt voor het versterken van de (inter)nationale ontsluiting (weg, water, spoor en lucht) van de Brabantse steden.
Uitwerking structuurvisie
De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Zo is voor het gebied ten oosten van Eindhoven de deelstructuurvisie Brainport Oost opgesteld. Deze bevat keuzes voor wonen, werken en bereikbaarheid ten oosten van Eindhoven.
Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.
Op 19 maart 2014 is de Verordening ruimte 2014 in werking getreden. De Verordening ruimte 2014 vervangt de Verordening ruimte 2012 en de sindsdien vastgestelde wijzigingsverordeningen.
In de verordening zijn regels opgenomen voor verschillende onderwerpen waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Per onderwerp zijn vervolgens de gebieden tot op perceelsniveau begrensd op een kaart. Hierdoor is duidelijk voor welke gebieden de regels gelden. Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
De onderwerpen die in de verordening staan komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. Onderdeel van de verordening ruimte is een kaart die bestaat uit de volgende vijf lagen:
Hieronder wordt ingegaan op de kaartlagen die voor de wijziging van de kruising John F. Kennedylaan - Rachelsmolen van belang zijn.
Stedelijke ontwikkeling
Op de kaartlaag 'stedelijke ontwikkeling' ligt voorliggend plangebied binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Binnen het bestaand stedelijk gebied ligt het in het 'stedelijk concentratiegebied'.
Figuur: uitsnede uit de kaart 'stedelijke ontwikkeling' van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014
Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Uitgangspunt is dat het leeuwendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het als zodanig aangewezen stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij – binnen de grenzen van andere wetgeving – om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Wel bevat de Verordening ruimte specifieke regels voor o.a. aan te leggen of uit te breiden bedrijventerreinen en kantorenlocaties en regels voor bestaande bedrijventerreinen en kantorenlocaties.
Voor de wijziging van de kruising John F. Kennedylaan - Rachelsmolen binnen het bestaand stedelijk gebied zijn geen regels opgenomen in de Verordening ruimte. Het betreft een ontwikkeling waarbij de gemeente vrij is om deze vorm te geven.
In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit.
Thema 'Bereikbaarheid: multimodaal en gericht op doorstroming'
De rol van Eindhoven in het (inter)nationale wegennet is belangrijk. Daarnaast is - parallel aan de economische groei - de stad zelf steeds vaker de eindbestemming van de automobilist. Naast het vervoer per auto speelt het openbaar vervoer een grote rol. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid in Eindhoven wordt een breed pakket van maatregelen voorgesteld volgens de 'Zevensprong van Verdaas'. Dit is een methode die uitgaat van een breed pakket van optimale verkeersmaatregelen, zowel fysiek (o.a. aanleg van wegen) als niet-fysiek (o.a. dynamisch verkeersmanagement).
De aanleg van Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) met de spoorlijn als stamlijn is voor Eindhoven van majeur belang. Het betekent de aanleg van een extra voorstadstation Eindhoven Acht, de aansluiting van Eindhoven op het Europese Hogesnelheidsnet en HOV-lijnen naar de belangrijkste concentratiegebieden in stad en regio. Dit HOV-netwerk heeft een regionale en stedelijke functie in het verbinden van de belangrijkste stedelijke zwaartepunten en de verbinding met omliggende dorpen (Geldrop, Nuenen, Veldhoven).
Figuur: Ruimtelijke hoofdstructuur Interimstructuurvisie Eindhoven
De HOV-baan is op de kaart aangeduid als 'HOV zoekgebied'. Ook is zichtbaar dat het grootste gedeelte door 'bebouwd gebied' loopt. Dit bestemmingsplan ziet op de aanpassing van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen. Deze kruising wordt gewijzigd vanwege de realisatie van een gedeelte van het tracé van de HOV2-lijn op de Veldm. Montgomerylaan. Dit past binnen de uitgangspunten van de Interimstructuurvisie.
De HOV Strategie - 'Eindhoven (ver)bindt, Eindhoven beweegt!' is begin 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Volgens de visie sorteert hoogwaardig openbaar vervoer (HOV), als onderdeel van een samenhangend beleidspakket, een duidelijk mobiliteitseffect. De groei van het aantal autoritten kan structureel worden beperkt ten gunste van het openbaar vervoer en de fiets. Het aantal fietsritten in Eindhoven groeit stevig, terwijl het aantal ritten in het openbaar vervoer (trein en/of bus) zeer sterk groeit.
Voor 2020 wordt gestreefd naar een HOV-netwerk met snelle verbindingen naar Nuenen, Geldrop, Aalst/Waalre/Valkenswaard, Veldhoven, Eindhoven Airport, Ekkersrijt/Son, WC Woensel, en High Tech Campus/City Centrum Veldhoven. Daarnaast onderzoekt de gemeente met het SRE hoe het onderliggende busnet optimaal op het HOV-net kan aansluiten, zodat de verbindingen optimaal zijn.
Naast het uitbreiden en verbeteren van de verbindingen, zet de gemeente ook in op de kwaliteit van het openbaar vervoer. Voorbeelden hiervan zijn doorstroming (ongelijkvloerse kruisingen met de Ring), Nachtnet (treinverbinding tussen Brabant en de Randstad ’s nachts en in het weekend) en reisinformatie.
De gemeente richt zich bij de OV-projecten niet alleen op het beter bereikbaar maken van belangrijke locaties in de stad, maar ook op sociaal-maatschappelijke aspecten, zoals toegankelijkheid en doelgroepenbeleid. Zo worden de komende jaren de bushaltes verhoogd waardoor het instappen gemakkelijker is. Verder wordt de prijs ingezet als middel voor specifieke doelgroepen.
Het eindrapport 'HOV-netwerk in de regio Zuidoost-Brabant - Doorstart kwaliteitssprong in het openbaar vervoer' is door de Regioraad Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) op 25 februari 2010 vastgesteld.
Over het tracégedeelte van de HOV2 over de Veldm. Montgomerylaan bevat het rapport onder andere de volgende passages.
In de uitbouw naar een HOV-netwerk wordt als 2e HOV-as HTCE - Station Eindhoven - winkelcentrum Woensel - Nuenen gerealiseerd. Deze bevat namelijk de kern van het toekomstig HOV-netwerk: Aalsterweg- Eindhoven Station - winkelcentrum Woensel. Omdat bijna alle HOV-assen via dit traject lopen is de vervoerwaarde erg hoog. Starten met realisatie van deze as is verder logisch vanuit de stedelijke bereikbaarheidsproblematiek, luchtkwaliteit, het beleidsvoornemen om het autoverkeer terug te dringen binnen de Ring en de ontwikkeling van het ROC-Sterrenlaan. Aan de zuidkant van Eindhoven wordt de as uitgebreid tot de HTCE, overeenkomstig het Bereikbaarheidsprogramma Zuidoostvleugel, het gedachtegoed van Brainport en de ruimtelijke ontwikkeling van de A2-zone. Aangezien de ontwikkeling van Nuenen-west op korte termijn start, inclusief de reconstructie van de Europalaan, is het logisch om het traject aan de noordkant uit te breiden tot Nuenen.
De gemeenteraad heeft op 19 november 2013 de visie 'Eindhoven op weg' vastgesteld. 'Eindhoven op Weg' versterkt de ambities van de stad: Brainport met een uitstekende (inter)nationale bereikbaarheid, een aantrekkelijk centrum, een duurzame, leefbare en innovatieve stad waar bewoners, bezoekers en werknemers prettig verblijven. Eindhoven op Weg bestaat uit een stadsbrede visie op mobiliteit en ruimte voor 2040 (als stip op de horizon) en, gebaseerd op die visie, een set van richtinggevende keuzes als kader voor de concrete uitwerking in projecten die dat flexibele wensbeeld dichterbij brengen. Eindhoven op Weg geeft de primaire verkeersfunctie(s) en prioriteiten in tijd en ruimte voor vervoerwijzen. Met Eindhoven op Weg wordt gewerkt aan het realiseren van ruimtelijke- en duurzaamheidsdoelen én aan het oplossen en voorkomen van knelpunten die met mobiliteit samenhangen. Eindhoven op Weg zet in op:
economische toplocaties draagt bij aan een uitstekend vestigingsklimaat voor bedrijven
en instellingen in de stad en regio.
en overlast van het verkeer en de kwaliteit van de openbare ruimte en het groen is goed.
niveau. Sociale cohesie is gegroeid door meer en aantrekkelijkere ruimtes voor
ontmoeten en ontspannen en het gebruik van gedeelde voorzieningen in het vervoer.
gebruik van duurzame brandstoffen.
• Veilig: een stad met zo min mogelijk verkeersslachtoffers.
• Duurzame mobiliteit: een stad, met waar het kan meer lopen, fietsen en gebruik van het
openbaar vervoer en waar het moet prioriteit voor de auto.
Volgens de Monumentenwet 1988 houdt de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening met de archeologische waarde of verwachting. De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012', waarmee de raad in september 2008 heeft ingestemd. De archeologische waarden en verwachtingen zijn in Eindhoven vastgelegd in een archeologische waardenkaart, die deel uitmaakt van de cultuurhistorische waardenkaart. Ter plaatse van het plangebied voor de wijziging van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen is geen sprake van een archeologische verwachting of vastgestelde archeologische waarden.
Het plangebied ligt niet in een archeologisch landschap of cultuurhistorisch vlak van provinciaal belang waarop de Verordening ruimte Noord-Brabant van toepassing is.
Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.
Dit bestemmingsplan omvat de kruising van de Rachelsmolen en de John F. Kennedylaan. De John F. Kennedylaan maakt deel uit van de historisch waardevolle wegenstructuur na 1900. Afgezien van enkele bescheiden stadsuitbreidingen wordt de stadsontwikkeling na 1900 vooral bepaald door de uitbreidingsplannen vanaf de annexatie van de randgemeenten in 1920. Voor de stedenbouwkundige structuur van de stad zijn met name de hoofdwegen van belang. De Ring werd in het uitbreidingsplan van Cuypers en Kooken uit 1918 ontworpen als verbinding tussen de stadsdelen en in gewijzigde vorm voltooid in 1957. Het uitbreidingsplan van De Casseres uit 1930 was van grote invloed op de latere stadsuitbreidingen, hoewel het stelsel van ceintuurbanen slechts gedeeltelijk werd gerealiseerd.
De naoorlogse stadsuitbreidingen gingen gepaard met de aanleg van ruim opgezette boulevards met veel groen, zoals de Karel de Grotelaan, Veldmaarschalk Montgomerylaan en de John F. Kennedylaan. De John F. Kennedylaan werd aangelegd in de jaren 1960-1970 als nieuwe uitvalsweg richting Son en Nijmegen, en is uitgevoerd als parkway met groene taluds en viaducten.
Bij de wijziging van de kruising met de Rachelsmolen worden de bestaande kwaliteiten van de John F. Kennedylaan niet aangetast; deze wijziging is vanuit cultuurhistorisch perspectief bezien dan ook aanvaardbaar.
Ter plaatse van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen is nu uitsluitend nog een fiets/voetpad. Deze kruising wordt gewijzigd door een aansluiting voor het autoverkeer te realiseren. Deze aanpassing is nodig vanwege de realisatie van een gedeelte van het tracé van de HOV2-lijn op de Veldm. Montgomerylaan. Om de doorstroming op de Veldm. Montgomerylaan ter hoogte van de Rachelsmolen te blijven garanderen wordt het aantal verkeersbewegingen op deze kruising gereduceerd. Autoverkeer van en naar de Rachelsmolen kan in de toekomst geen links afslaande bewegingen meer maken. Voor het langzaam verkeer gelden deze beperkingen niet.
De beperking voor het autoverkeer van deze kruising wordt gecompenseerd door een aansluiting van de Rachelsmolen aan de John F. Kennedylaan te realiseren. Door de herinrichting van deze kruising kan het autoverkeer rechtsaf de wijk in en uit rijden. Op deze wijze blijft de wijk Woenselse Watermolen minstens net zo goed bereikbaar.
Als gevolg van de herinrichting van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen zal de fietsstructuur wijzigen. Het huidige vrijliggende fietspad vanaf de John F. Kennedylaan naar de Rachelsmolen wordt gewijzigd in een weg ter ontsluiting van de wijk Woenselse Watermolen. De fietsers kunnen gebruik maken van de nieuwe weg.
Als gevolg van de herinrichting van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen vindt geen wijziging plaats op het gebied van parkeren en het parkeerbeleid.
Het Groenbeleidsplan 2001, zoals op 5 november 2001 is vastgesteld door de gemeenteraad, heeft als doel het duurzaam veilig stellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met de daarin passende functies. Onder de groenstructuur wordt verstaan: het stelsel van terreinen en/of elementen met ecologische, waterhuishoudkundige, recreatieve en/of ruimtelijk structurerende betekenis.
Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Figuur: Groen en recreatievoorzieningen
Het plangebied is in de kaart 'Groen en recreatievoorzieningen' uit het Groenbeleidsplan aangeduid als 'Stad, rood beeldbepalend'. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden.
In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.
De belangrijkste conclusies uit het kapbeleid 'Niet kappen tenzij' zijn:
De boomwaarde die door herprofilering moet worden gekapt, dient in het gebied tegen dezelfde waarde gecompenseerd te worden. Naast de aanschaf van de boom behoren ook de kosten voor planten, boompalen, bodemverbetering met bomenzand en/of bomengranulaat en eventueel ondergrondse boombunkers.
Voorliggende bestemmingsplanwijziging behelst een aanpassing van de kruising Rachelsmolen met de John F. Kennedylaan. Er wordt ter plaatse een verbinding voor autoverkeer gerealiseerd van de Veldm. Montgomerylaan naar de J.F. Kennedylaan, ter hoogte van een bestaand fietspad. Om dit te kunnen realiseren, wordt een aantal bomen aan het fietspad gekapt en ook ter plaatse gecompenseerd.
Het Bomenbeleidsplan 2008 'Ruimte voor bomen' is in april 2008 door de raad vastgesteld. Doel van het bomenbeleidsplan is het ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en het groene imago van Eindhoven. Het Bomenbeleidsplan vormt een bindend kader tot 2020. Het is een strategisch beleidskader voor de instandhouding en versterking van de Eindhovense boomstructuur.
In de bijlage van het bomenbeleidsplan wordt het beleid ten aanzien van bomen op strategisch niveau uitgewerkt. Aandacht wordt onder meer besteed aan de bomenstructuur op gemeentelijk niveau en de cultuurhistorische structuur. Voor concrete projecten wordt aangegeven hoe door middel van een Quickscan Bomen en een eventuele boomeffectrapportage bepaald kan worden of er belemmerende factoren zijn voor bomen binnen de projectgrenzen en 10 meter daar buiten.
Luchtfoto 2014 met rood omlijnd het plangebied. Blauwe stippen zijn waardevolle bomen.
Binnen het plangebied is een waardevolle boom aanwezig (Quercus palustris) die volgens het definitief ontwerp voor de herinrichting van deze kruising verwijderd moet worden. Hiervoor is een kapvergunning nodig en deze wordt gecompenseerd in de directe omgeving.
De aanwezige kabels en leidingen vormen geen belemmering voor dit plan omdat alle knelpunten op te lossen zijn door leidingen te verleggen of aan te passen.
Het plan ziet op de de aanpassing van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen. Ter plaatse van deze kruising wordt een aansluiting voor het autoverkeer gerealiseerd. De vestiging van nieuwe bedrijven is dus niet aan de orde in voorliggend bestemmingsplan. Ook zijn er geen bedrijven in de omgeving aanwezig die een belemmering vormen voor dit plan.
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte in een aantal gevallen mag worden afgeweken.
De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.
Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
Ten behoeve van de aansluiting van de Rachelsmolen op de John F. Kennedylaan is door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant een onderzoek ingesteld naar de gevolgen van deze aansluiting op de geluidbelastingen van de bestaande woningen. Zie hiervoor Bijlage 1 bij deze toelichting (Akoestisch onderzoek aansluiting Rachelsmolen-JF Kennedylaan, d.d. 10-12-2014). Voor deze aansluiting geldt een maximumsnelheid van 30 km per uur. Dat betekent dat er in het kader van de Wet geluidhinder geen procedures moeten worden gevolgd. Wel moet er sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.
Als gevolg van de aansluiting neemt de geluidbelasting met ten hoogste 3 dB toe ten opzichte van de huidige situatie. Met name ter plaatse van de Venbergsemolen 1- 267 is sprake van een toename. Door de aansluiting neemt de geluidbelasting ten westen van het nieuwe weggedeelte tot 3 dB af. Daar waar sprake is van een toename, met name ter plaatse van de waarneempunten 6, 7 en 8, daar bedraagt de geluidbelasting circa 60 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh.
Uit nader onderzoek van de woningplattegronden is gebleken dat er ter plaatse van de waarneempunten 6, 7 en 8 geen geluidgevoelige ruimten zijn gesitueerd. Dat betekent dat als gevolg van de nieuwe aansluiting van Rachelsmolen de grenswaarde voor het binnenniveau in geluidgevoelige ruimten niet wordt overschreden.
Het plan ligt niet in de zone van een spoorweg.
Het plan ligt in de zone van een industrieterrein.
Het plangebied ligt buiten de 35 Kosteneenhedenlijn van de luchthaven Eindhoven.
De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden (Stb. 2007, nr. 434) en is gewijzigd op 12 maart 2009 (Stb., nr. 158). De wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Met de Wet luchtkwaliteit wordt de wijziging van de Wet milieubeheer (m.n. hoofdstuk 5, onder titel 5.2) op het gebied van luchtkwaliteitseisen bedoeld. De aanleiding hiervan is de maatschappelijke discussie die ontstaan is als gevolg van de directe koppeling tussen ruimtelijke ordeningsprojecten en luchtkwaliteit. De directe koppeling had tot gevolg dat veel geplande (en als noodzakelijk of gewenst ervaren) projecten geen doorgang konden vinden in overschrijdingsgebieden. Bovendien moest voor ieder klein project met betrekking tot luchtkwaliteit een uitgebreide toets gedaan worden. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.
De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
De Nederlandse overheid heeft de EU verzocht om verlenging van de termijn (derogatie) waarbinnen de luchtkwaliteitseisen gerealiseerd moeten zijn. Op 7 april 2009 heeft de Europese Commissie hiermee ingestemd. Tot 1 januari 2015 geldt een tijdelijk verhoogde grenswaarden voor NO2 : een jaargemiddelde van 60 microgram/m3.
Het NSL is per 1 augustus 2009 van kracht geworden. Hierdoor zijn onder andere de uitvoeringsregels rond saldering verruimd en is de definitie van 'niet in betekenende mate' (NIBM) verlegd naar 3% van de grenswaarde. Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde voor het jaargemiddelde 40 microgram/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt o.a. voor woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg of niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen. Voor nieuwe kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte (van alle binnenruimten) omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg of niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.
Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van de Wet luchtkwaliteit c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als:
Luchtkwaliteit vanwege aanpassing kruising Kennedylaan - Rachelsmolen
Voorliggend plan is een niet in betekenende mate project en/of qua luchtkwaliteit niet relevant aangezien er geen sprake is van knelpunten in de luchtkwaliteit daar en het (extra) verkeer ook geen knelpunt oplevert.
Met deze Amvb wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' - zoals een school - in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.
Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo'n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo'n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. Wel moet in die situaties de locatiekeuze goed gemotiveerd worden; dat gebeurt in de context van de goede ruimtelijke ordening.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord.
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015).Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';
Groepsrisico (GR)
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Basisnet
De eerste kamer heeft op 9 juli 2013 ingestemd met het wetsvoorstel “Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen”. Met het Basisnet beoogt het rijk een goede afweging en balans tussen ruimtelijke-, vervoers- en veiligheidsbelangen. Op die manier wil het kabinet het vervoer van gevaarlijke stoffen zo duurzaam mogelijk maken en duidelijkheid bieden over de (ruimtelijke) consequenties van dit vervoer. Aan Basisnet liggen drie doelstellingen ten grondslag:
Om dit te bereiken wijst het Basisnet voor heel Nederland hoofdroutes aan waarover vervoer van gevaarlijk stoffen mag plaatsvinden. Daarnaast worden per transportroute risicoplafonds vastgelegd. Ten slotte stelt het Basisnet veiligheidszones in, waarbinnen bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen worden uitgesloten of aanvullende bouwvoorschriften gaan gelden.
Om het Basisnet wettelijk te verankeren is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) opgesteld. Om de vervoerskant van Basisnet te regelen wordt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) aangevuld met onder andere risicoplafonds en de handhaving van de risicoruimte. Het Basisnet en het Bevt is per 1 april 2015 in werking en vervangt hiermee de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen.
Afbeelding van risico's nabij plangebied. Blauw omlijnd = plangebied. Groen= invloedsgebied van John F. Kennedylaan-Ring. Zwart gearceerde bol= gasreduceerstation Rachelsmolen 1.
In de directe omgeving van het plangebied (Rachelsmolen 1) ligt een gasreduceerstation. Omdat het onderhavig bestemmingsplan betrekking heeft op de realisatie van een weg voor autoverkeer/wijziging kruising, hetgeen geen (beperkt) kwetsbaar object is, heeft dit gasreduceerstation daarop geen invloed.
Nabij het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de John F. Kennedylaan en de Ring (Onze Lieve Vrouwestraat). Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt buiten het invloedsgebied van deze wegen. Het plangebied ligt niet in een zone van een spoorweg.
In of nabij het plangebied zijn geen risicovolle buisleidingen aanwezig.
De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.
Bij het vaststellen van het bestemmingsplan door de gemeenteraad dient het groepsrisico te worden verantwoord. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen het belang van een ruimtelijke ontwikkeling en het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg vaneen ramp of incident met gevaarlijke stoffen. Voor de verantwoording wordt advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio. Omdat in dit bestemmingsplangebied geen (beperkt) kwetsbare objecten worden mogelijk gemaakt, of aanwezig zijn, is een verantwoording van het groepsrisico niet vereist.
De voorgestane wijziging van de kruising Rachelsmolen - John F. Kennedylaan veroorzaakt geen risico's voor de omgeving. Verder is de voorgestane infrastructuur geen (beperkt) kwetsbaar object. Deze herinrichting van de kruising heeft geen consequenties voor externe veiligheid.
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Dit programma wordt uitgevoerd vanuit een overkoepelende filosofie, gebaseerd op de methodiek van "The Natural Step". Het programma kent vier pijlers zoals weergegeven in onderstaande figuur.
In het kader van het bestemmingsplan zijn vooral de pijlers 'Energie' en "Bouwen en Wonen" van belang.
Pijler 1: Energie
De gemeente heeft zich de ambitie gesteld om 'energieneutraal' te worden in de toekomst (2035 - 2045), dat wil zeggen dat alle energie die de stad dan nog gebruikt, duurzaam wordt opgewekt. Vanuit die ambitie worden initiatieven voor de opwekking van duurzame energie ondersteund. Voor wat betreft de ruimtelijke impact van lokale duurzame energietechnieken kunnen de volgende aspecten onderscheiden worden:
1) Zonne-energie (elektriciteit via PV panelen en warmte via zonneboilers)
De ruimtelijke impact van het gebruik van zonne-energie is in Nederland beperkt. De PV-panelen respectievelijk zonneboilers worden over het algemeen op de daken van de gebouwen van afnemers geplaatst en zijn dan (meestal) ook niet vergunningsplichtig in het kader van de Wabo. Voor PV panelen (waarmee elektriciteit opgewekt wordt) bestaan echter ook mogelijkheden om deze los van bebouwing te plaatsen op braakliggende percelen. In dat geval is er uiteraard wel sprake van een ruimtelijke impact. Tot op dit moment wordt hier in Nederland weinig gebruik van gemaakt maar in een aantal steden worden de mogelijkheden onderzocht en dit zou ook in Eindhoven actueel kunnen worden. Een dergelijk 'solar park' past niet in het bestemmingsplan.
2) Windturbines
In tegenstelling tot bij zonne-energie is de ruimtelijke impact van windturbines groot. Voor windturbines van enige omvang is de ruimte in Eindhoven dus beperkt. Toch zullen in bepaalde gevallen de mogelijkheden interessant zijn. Dit zal altijd locatie-specifiek onderzocht moeten worden. Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen grote windinstallaties en kleine windinstallaties. Van een kleine windinstallatie is sprake als:
De toepassing van kleine windinstallaties kan op grond van artikel 2.12, lid 1, a, onder 3, Wabo als afwijking van het bestemmingsplan worden toegestaan door middel van een omgevingsvergunning. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu werkt aan een plan om deze installaties op te nemen in de "lijst van kruimelgevallen" waardoor direct de omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplan kan worden verleend.
Voor grote windinstallaties kan afwijking van het bestemmingsplan ook worden toegestaan door middel van de afwijkingsprocedure op grond van artikel 2.12, lid 1, a, onder 3, Wabo. Gezien de relatief grote ruimtelijke impact van deze vorm van windenergie is het belangrijk om daarbij een goede afweging te maken en daarom wordt deze niet rechtstreeks toegestaan in het bestemmingsplan.
3) Warmte Koude Opslag
De gemeente ziet in Warmte Koude Opslag een belangrijke potentiële bijdrage aan het beperken van het gebruik van fossiele brandstoffen. De gemeente heeft daarom een 'KWO Potentiekaart' voor Warmte Koude Opslag opgesteld. In de daarbij behorende rapportageworden de mogelijkheden en beperkingen voor het gebruik van deze techniek beschreven en in beeld gebracht. Deze rapportage is te downloaden via www.eindhoven.nl (zoek op: KWO). De rapportage geeft door middel van kaarten aan waar er welke mogelijkheden en belemmeringen er voor het gebruik van Warmte Koude Opslag zijn. De toepassing van Warmte Koude Opslag is voor wat betreft de ondergrondse aspecten geregeld in de Waterwet en de AMvB Bodemenergie. Voor de in sommige gevallen noodzakelijke bovengrondse opstallen (bijvoorbeeld een technische ruimte) zal een specifieke afwijkingsregeling in het bestemmingsplan worden opgenomen. Hierbij is voor gebouwen een oppervlakte opgenomen van maximaal 100 m2 en een bouwhoogte van 3 meter.
Pijler 2: Bouwen en Wonen
In de relatie tussen de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaam bouwen en het bestemmingsplan, is bij nieuwbouwlocaties met name het 'zongericht bouwen' van belang. Bij nieuwbouwlocaties zal de gemeente eisen dat straten zoveel mogelijk van oost naar west verlopen zodat alle gebouwen over een naar het zuiden gerichte gevel beschikken. Bij conserverende bestemmingsplannen is de bebouwingsoriëntatie grotendeels reeds vastgelegd en is dit aspect minder van belang.
Plangebied herinrichting kruising Rachelsmolen - John F. Kennedylaan
Bij de herinrichting van de kruising Rachelsmolen - John F. Kennedylaan worden duurzame materialen toegepast en wordt gebruik gemaakt van bestaande materialen en constructies.
Het (industriële) verleden van Eindhoven heeft zijn sporen in de bodem nagelaten. In de afgelopen jaren heeft op zeer veel locaties in Eindhoven om diverse redenen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van bouwvergunningen of in het kader van de aan- of verkoop van locaties.
In het bodeminformatiesysteem van de gemeente zijn de gegevens van alle bekende bodemonderzoeken opgenomen.
Op diverse locaties in Eindhoven zijn verontreinigingen aangetroffen, het komt echter zelden voor dat er als gevolg van bodemverontreiniging sprake is van risico's voor de gezondheid van mensen. Dergelijke locaties zijn op dit moment binnen het plangebied dan ook niet bekend.
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b van het Besluit ruimtelijke ordening.
Op 1 januari 2011 is het nieuwe gemeentelijk rioleringsplan (GRP) van kracht geworden, dit is geldig tot en met 2014. Het GRP bevat de geplande activiteiten voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel en bevat maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak waarbij het regenwater gescheiden van afvalwater wordt ingezameld, zoveel mogelijk wordt geborgen en afgevoerd naar het oppervlaktewater.
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, waterschap De Dommel, provincie Noord-Brabant en waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" geeft het gezamenlijk streefbeeld van de waterpartijen weer. Het deel "Taken en Bevoegdheden" regelt de (verdeling van de) verantwoordelijkheden voor het stedelijk water tussen de vier waterpartijen. Het deel "Maatregelen" geeft de projecten weer die de komende jaren uitgevoerd worden. Deze projecten zijn ingedeeld naar de vier thema´s (programmalijnen) van het Visiedocument. Het gehele Waterplan is bestuurlijk bekrachtigd met een convenant in januari 2006. Eén van de belangrijkste doelstellingen uit het Waterplan is het realiseren van een waternetwerk in de stad.
Het Waterschap De Dommel heeft het "Waterbeheerplan Krachtig Water 2010-2015” vastgesteld. Daarin zijn de activiteiten en doelstellingen van het Waterschap opgenomen. Verder geeft het Waterschap in de beleidsnota “Samen werken aan stedelijk water 2000” en de kadernota "Stedelijk Water - Water om op te bouwen 2006” inzicht in hoe het stedelijk waterbeheer verder vorm wordt gegeven. In de Inrichtingsvisies geeft het Waterschap voor de stroomgebieden de geplande ontwikkelingen weer, dit dient voor het Waterschap als toetsingskader voor de plannen die door derden in het stroomgebied worden opgesteld (waterhuishouding en ecosysteem). Tenslotte is de Keur Waterschap De Dommel 2009 van belang. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of melding verplicht is voor ingrepen in de waterhuishouding. Daarnaast zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen keurbeschermingsgebieden, attentiegebieden en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning- en ontheffingverlening.
De provincie Noord-Brabant onderscheidt drie kaders voor beleidsafwegingen in ruimtelijke planvorming. Een kader is het bodem-watersysteem. De provincie Noord-Brabant heeft het provinciaal Waterhuishoudingsplan (partiële herziening 2003-2006) vastgesteld. Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015 volgt het provinciaal Waterhuishoudingsplan op. Door inwerkingtreding van de Waterwet is de provincie nog vergunningverlener voor (industriële) grondwateronttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar, voor grondwaterwinningen ten behoeve van de drinkwatervoorziening en voor (open) koude-/warmte opslagsystemen (KWO). De waterschappen geven vergunningen af voor beregening, blusvoorzieningen en bronbemalingen.
Daarnaast is in het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water een deelstroomgebiedsvisie voor Oost-Brabant opgesteld die de gebieden aangeeft waar ruimte voor waterberging gezocht wordt of benodigd is.
Aanleiding voor dit bestemmingsplan is de aanpassing van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen. Ter plaatse van deze kruising wordt een aansluiting voor het autoverkeer gerealiseerd. Door deze aansluiting wordt het mogelijk om per auto vanaf de Rachelsmolen de Kennedylaan op te draaien (richting centrum). Nu is er uitsluitend nog een fiets/voetpad ter plaatse van deze kruising.
In onderstaande afbeelding is globaal het plangebied weergegeven dat ligt tussen de Rachelsmolen en de John F. Kennedylaan. Een groenstrook met daarin een 3,2 meter breed fietspad, de verbinding tussen de Rachelsmolen en John F. Kennedylaan. Momenteel is er geen verbinding voor autoverkeer. De grondwaterstanden in het plangebied variëren tussen -2,5 en – 4,5 meter-mv.
Afbeelding uit 2014 met rood omlijnd het plangebied.
| Checklist Watersysteem | |
| Hoofdwatergang cq open water | Nee |
| zijwatergang | Nee |
| Keurgebied binnen plangebied? | Nee |
| Binnen 25-100 jaarszone? | Nee |
| Binnen boringsvrije zone? | Nee |
| Ecologische verbindingszone? | Nee |
| Binnen reserveringsgebied waterberging 2050? | Nee |
| Attentiegebied EHS | Nee |
| Rioolwatertransportleiding | Nee |
| Waterschap gemaal | Nee |
| Landelijke afvoernorm binnen plangebied | 1,33 l/s/ha |
| Verdachte/verontreinigde locaties? | Nee |
| Infiltratie praktisch mogelijk? | Nee |
| Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid | Nee |
Het huidig fietspad wordt vervangen voor een 7 meter brede rijweg voor autoverkeer. Dit maakt het voor auto's mogelijk om vanaf de Rachelsmolen richting het centrum te rijden via de John F. Kennedylaan. Door de aanleg van de autoweg is er een toename van verharding. De weg wordt aangelegd in banden. Onder de nieuwe rijweg komt een HWA riool t.b.v. de afwaterstructuur Vredesplein. Deze structuur wordt aangelegd om hemelwater af te voeren vanaf de gerevitaliseerde wijk Vredesplein via een hemelwaterriool naar de Dommel.
| Oppervlakten Rachelsmolen | Huidig m² | Toekomstig m² |
| Verharding (voet, fiets & auto) | 1.140 | 1.690 |
| Groen (onverhard) | 2.60 | 2.050 |
| Totaal | 3.740 | 3.740 |
Overzicht huidige en toekomstige situatie verhardingen
Door realisatie van de verkeerskundige aanpassing neemt binnen het plangebied het verhard oppervlak met ca. 550 m2 toe. Compenserende maatregelen zijn daarom noodzakelijk. Met het waterschap zijn daar de volgende afspraken over gemaakt: Ten eerste wordt de nieuwe rijbaan aangesloten op het daaronder gelegen hemelwaterriool en daardoor afgekoppeld van het gemengde riool. Ten tweede is deze verkeersmaatregel de 1e stap voor aanpassing van de aanliggende John F. Kennedylaan binnen de ring van Eindhoven. Van deze 700 meter lange 2x3 baans rijbaan wordt één strook afgehaald en teruggebracht naar 2x2 (tussen de ring en de kegels). Start van deze versmalling staat gepland voor augustus 2015. Deze versmalling zorgt in de directe nabijheid van deze ontwikkeling voor een vele male grotere afname van het verhard oppervlak dan er met deze ontwikkeling bij komt. Met het nemen van deze twee maatregelen is de opgave voldoende ingevuld.
Bij de inrichting, bouw en beheer fase worden zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater moet tot een minimum beperkt worden. Ook een gifvrij beheer van de ruimte (weg- en groenbeheer) levert een belangrijke positieve bijdrage aan de waterkwaliteit en dient aandacht te krijgen bij het uitwerken van het beheersplan voor de ontwikkeling.
In januari 2015 is met Waterschap de Dommel gestart met overleg over dit plan. Daarbij zijn beginselen vastgelegd over de invulling van de waterhuishoudkundige aspecten van deze reconstructie. Ten opzichte van de huidige inrichting neemt het verharde oppervlak met 550 m2 toe. Afgesproken is om die nieuwe rijbaan aan te sluiten op het daaronder gelegen hemelwaterriool die in de nabije toekomst zal gaan afwateren op de Dommel. Daarnaast zal in de directe nabijheid van deze ontwikkeling de John F. Kennedylaan 2x één rijstrook verdwijnen wat voor een grotere afname van verharding zorgt dan er nu bij komt. Het ontwerp heeft daardoor zowel kwalitatief als hydrologisch geen negatieve effecten op de omgeving. Op 20 januari 2015 heeft Waterschap de Dommel daarom ingestemd met de voorgestelde maatregelen en is het wateradvies afgedaan.
Het bestemmingsplan "Kennedylaan-Rachelsmolen (herinrichting kruising)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.
Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen.
Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi.
Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels.
De Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels.
In Artikel 1 Begrippen wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels gebruikte begrippen niet in dit artikel voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik.
In Artikel 2 (Wijze van meten) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd.
De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.
Bestemming `Verkeer” (Artikel 3)
Deze bestemming is geprojecteerd op de wegen die primair gericht zijn op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Deze bestemming is ook bedoeld voor de groenstrookjes die een onderdeel zijn van de straatinrichting.
In de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel en de Algemene afwijkingsregels.
In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.
De gemeente stelt jaarlijks het toezicht- en handhavingsprogramma vast.
In dit handhavingsprogramma is aangegeven dat de gemeente zich inzet om van Eindhoven een sterke stad met een levendige economie te maken. Veiligheid en leefbaarheid staan daarbij voorop.
Het gemeentebestuur heeft een gemeente voor ogen die maximaal dienstverlenend is, maar die ook de grenzen aangeeft en de spelregels bewaakt. Zij treedt, waar dat nodig is, daadkrachtig op in het algemeen belang voor de bescherming van de rechtszekerheid van individuele belangen.
De gemeente handhaaft consequent, werkt in belangrijke mate stadsdeel- en gebiedsgericht en programmatisch en staat dicht bij de burger.
Goed toezicht en handhaving zijn van cruciaal belang om de leefbaarheid, de rechtszekerheid, de veiligheid, bedrijvigheid en het milieu in Eindhoven te bevorderen. Overlast en vervuiling dienen te worden teruggedrongen en naleving van voorschriften van bijvoorbeeld ruimtelijke ordening , bouw-, milieu- en gebruiksvergunningen is hierbij noodzakelijk.
De wet- en regelgeving blijft het uitgangspunt voor toezicht en handhaving. Cruciaal is evenwel dat de gemeente zich vanuit toezicht en handhaving als partner opstelt en daarbij de nodige dynamiek toont en helder communiceert over wat wel en niet kan.
Er is een handhavingsmodel voor toezicht en handhaving en dit model wordt gekenmerkt door 7 basisprincipes:
Op basis van dit toezicht- en handhavingsprogramma is een gemeentelijk werkplan opgesteld waarin per aandachtsveld de toezicht- en handhavingsactiviteiten SMART zijn vorm gegeven.
Voor het aandachtsveld Bouwen, wonen en ruimtelijke ordening (strijdigheid met het bestemmingsplan) zijn op ruimtelijke ordeningsgebied onder meer de volgende activiteiten benoemd:
Bij illegale bouw en illegaal gebruik worden gemelde misstanden aangepakt waarbij zaken waar veiligheid, monumentale panden en welstand in het geding is.
Een eerste vereiste om goed te kunnen handhaving zijn duidelijk regels. Bij het ontwikkelen van de standaardregels voor het stedelijk gebied van Eindhoven is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geredigeerd, dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Planregels dienen duidelijke normen te bevatten die niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn en tevens actueel en controleerbaar zijn. Teneinde hieraan te voldoen zijn de regels aangepast aan de meest recente jurisprudentie en wetgeving (bijv. Woningwet en de SVBP2012). Dit biedt voldoende garanties voor de rechtszekerheid en de flexibiliteit van de nieuwe bestemmingsplannen.
In het voorliggende bestemmingsplan is het actuele ruimtelijk beleid van Eindhoven vastgelegd, toegespitst op het plangebied. Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels strikt worden toegepast en gehandhaafd. Goede voorlichting en informatievoorziening dragen bij aan een verbetering in de naleving van de bestemmingsplannen.
De handhavingscapaciteit is beperkt zodat het college jaarlijks de handhavingsprioriteiten vastlegt in een werkprogramma handhaving.
Leidend motief bij de toekenning van de bestemmingen is het antwoord op de vraag of de desbetreffende functie ter plaatse in ruimtelijk opzicht acceptabel is (ongeacht of een en ander in overeenstemming is met de voorgaande (nu nog vigerende) bestemmingsplannen en/of een en ander functioneert in overeenstemming met andere regelgeving, bijvoorbeeld milieuwetgeving, winkelsluitingswet, bouwverordening, algemene plaatselijk verordening etc.)
Er is in het voorliggende plan slechts aandacht voor handhaving in geval van het met dit bestemmingsplan wegbestemmen van momenteel bestaande functies, dus als er sprake is van het om redenen van een de goede ruimtelijke ordening toekennen van een bestemming die niet conform de bestaande situatie is. Dergelijke gevallen doen zich – voorzover uit onderzoek gebleken – met het voorliggende plan niet voor.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin een 'bouwplan' mogelijk wordt gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is niet aan te merken als een 'bouwplan' ex artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Er geldt derhalve geen verplichting om voor dit bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen.
De herinrichting van deze kruising van de Rachelsmolen met de John F. Kennedylaan wordt geraamd op € 320.000,- (excl. BTW). Voor dit werk is de navolgende financiële dekking voorzien. De dekking van dit werk maakt onderdeel uit van de dekking van het project HOV2 binnen het deel Montgomerylaan-zuid. Voor dit deel is een totale dekking van €7.600.000,- vastgesteld in het college in december 2013.
De bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro heeft op 29 oktober 2014 plaatsgevonden.
Het Bro geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de diensten van de provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Omdat er met het plan geen rijks- en provinciale belangen in het geding zijn, heeft geen vooroverleg met het Rijk en de Provincie plaatsgevonden.
Met het Waterschap De Dommel heeft vooroverleg plaatsgevonden. Het waterschap heeft aangegeven akkoord te gaan met dit plan. Dit heeft geresulteerd in de waterparagraaf die in hoofdstuk 5 van deze toelichting is opgenomen.
Aanleiding voor dit bestemmingsplan is de aanpassing van de kruising van de John F. Kennedylaan met de Rachelsmolen. Ter plaatse van deze kruising wordt een aansluiting voor het autoverkeer gerealiseerd. Deze aanpassing is nodig vanwege de realisatie van een gedeelte van het tracé van de HOV2-lijn op de Veldm. Montgomerylaan. Het betreft de realisatie van het gedeelte Veldm. Montgomerylaan dat loopt van Fellenoord, vanaf kruising met de Pastoor Petersstraat, in noordelijke richting tot aan de noordzijde van de kruising Pastoriestraat. Om de doorstroming op de Veldm. Montgomerylaan ter hoogte van de Rachelsmolen te blijven garanderen wordt het aantal verkeersbewegingen op deze kruising gereduceerd. De beperking voor het autoverkeer van deze kruising wordt gecompenseerd door een aansluiting van de Rachelsmolen aan de John F. Kennedylaan te realiseren. Vanwege deze laatstgenoemde aansluiting moet het bestemmingsplan worden gewijzigd.
In maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders de projectbeschrijving Tweede HOV-lijn vastgesteld. Hierin komen onder andere organisatie, planning, ambitie en financiën aan de orde. Een belangrijk onderdeel is de communicatie en burgerparticipatie conform de Verordening Samenspraak en Inspraak gemeente Eindhoven 2008.
Op het project Tweede HOV-lijn is samenspraak van toepassing. Het werken met klankbordgroepen is het belangrijkste middel waarmee binnen het project HOV2 invulling gegeven wordt aan samenspraak. Ook wordt binnen het project gewerkt met een virtuele 3D-omgeving waarbinnen mensen kunnen laten weten wat zij van de plannen vinden. Samenspraak is een werkwijze waarbij gemeente, burgers en andere belanghebbenden in een zo vroeg mogelijk stadium, waarbij nog invloed mogelijk is, samenwerken. Doel is om samen iets te ontwikkelen voordat de gemeente (college/raad) een definitief besluit neemt. Dit via een open houding naar elkaar en via een vooraf vastgestelde aanpak.
Voor de totstandkoming van dit bestemmingsplan is een aantal communicatiemiddelen ingezet. Het project HOV2 beschikt over een eigen website www.hov2.nl waarop relevante informatie wordt getoond en het projectteam bereikbaar is voor vragen en opmerkingen.
De klankbordgroep heeft op tijdens 7 bijeenkomsten overleg gevoerd met het projectteam HOV2. Deze hebben plaatsgevonden van 15 juli 2010 t/m 27 februari 2013. Er zijn ook algemene informatieavonden gehouden over de ongelijkvloerse kruising Montgomerylaan/Ring, voor de bewoners van de Pastoriestraat en over het definitief ontwerp van de HOV2 tussen Winkelcentrum Woensel en Fellenoord.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 26 februari 2015 tot en met woensdag 8 april 2015 op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan kenbaar te maken.
Kennisgeving van de ter inzage legging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in de edities van de Staatscourant en het weekblad Groot Eindhoven van 25 februari 2015 gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om de digitale versie van het ontwerp bestemmingsplan via de gemeentelijke website www.eindhoven.nl/bestemmingsplannen en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.