direct naar inhoud van Artikel 6 Bedrijf - 4
Plan: Bedrijventerrein Eindhoven Airport
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0772.80003-0301

Artikel 6 Bedrijf - 4

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijf - 4 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten behorende tot de categorieën 3.1 tot en met 4.2 op een bouwperceel van tenminste 1.000 m2, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen, zelfstandige kantoorvestigingen en detailhandel;
  • b. productiegebonden detailhandel deel uitmakende van bedrijven vermeld onder a., met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;
  • c. kantooractiviteiten, voor zover onderdeel uitmakend van en ondergeschikt aan de ter plaatse gevestigde bedrijven onder a.;

met de daarbijbehorende:

  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • e. buitenopslag, met uitzondering van organisch afval. Opslag van A- B- en C-hout in de buitenlucht is wel toegestaan;
  • f. erven en terreinen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. infrastucturele voorzieningen;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. parkeervoorzieningen;
  • k. waterhuishoudkundige voorzieningen met uitzondering van waterpartijen in de vorm van waterlopen, vijvers en open bassins.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding `bouwvlak´ worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte mag maximaal 20 m zijn;
  • c. in afwijking van het bepaalde in lid b. mag de maximale bouwhoogte voor een gedeelte van maximaal 15% van de oppervlakte van het bouwwerk maximaal 24 m bedragen;
  • d. het aantal bouwlagen mag niet meer dan 5 bedragen;
  • e. in afwijking van het epaalde in lid d. mag het aantal buwlagen voor een gedeelte van maximaal 15% van de oppervlakte van het bouwwerk 6 bedragen;
  • f. de gebouwen dienen in minimaal 3 vrijstaande volumes gebouwd te worden met een onderlinge afstand van gevel tot gevel van minimaal 20 m, zodat het doorzicht in de zuidwest-noordoost richting mogelijk blijft;
  • g. voor het aantal parkeerplaatsen gelden de parkeernormen zoals opgenomen in de Parkeernormen;
  • h. de gebouwen dienen op maximaal 2 punten te worden ontsloten op de Jan Olieslagerweg, waarbij gestreefd dient te worden naar het behoud van de bestaande bomen langs de weg;
  • i. ten minste 35% van het gedeelte tussen bouwvlak en bestemmingsvlak dient te worden ingericht met bomen of dient voor waterberging én maximaal 65% van dit gedeelte tussen bouwvlak en bestemmingsvlak mag worden verhard, zodat het aansluit op het karakter van de omgeving.

6.2.2 Nutsvoorzieningen

Op of in deze gronden mogen gebouwen worden gebouwd voor nutsvoorzieningen. Daarbij gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van gebouwen is 3 m.
  • b. de oppervlakte mag niet meer dan 15 m2 bedragen.

6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de bestemming Verkeer gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag binnen het bouwvlak niet meer dan 10 m bedragen en buiten het bouwvlak niet meer dan 3 m bedragen;
  • c. reclamemesten zijn niet toegestaan.

6.3 Nadere eisen
6.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de waarborging van de brand- en externe veiligheid;
  • f. de bevordering van de zelfredzaamheid van aanwezigen en van de beheersbaarheid van incidenten.

6.3.2 Externe veiligheid

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten behoeve van bouwkundige maatregelen op het gebied van externe veiligheid waarbij in de kantoorruimten met een brutovloeroppervlakte van meer dan 1.500 m2 een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem aanwezig dient te zijn.

6.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 6.1 wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken voor de opslag van goederen indien het onbebouwde gronden betreft binnen het in lid 6.2 onder a bedoelde bouwvlak; voor zover:
  • de gronden en de opgeslagen goederen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg;
  • de hoogte hiervan meer bedraagt dan de hoogte van het op het betreffende perceel aanwezige hoogste gebouw dan wel meer bedraagt dan 10 meter;
  • b. het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken voor opslag van organisch afval in de buitenlucht, met uitzondering van A-, B- en C-hout;
  • c. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van bedrijfsgebouwen voor bewoning voor zover niet op de verbeelding aangeduid als 'bedrijfswoning';
  • d. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • e. gebruik van bedrijfsgebouwen voor kantoordoeleinden, anders dan ten dienste van het aldaar gevestigde bedrijf;
  • f. het gebruik, in gebruik geen of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan vermeld in lid 6.1 sub c en voor zover op de verbeelding niet aangeduid als 'detailhandel';
  • g. het gebruik van gronden als waterpartijen in de vorm van waterlopen, vijvers en open bassins;
  • h. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van kwetsbare objecten met uitzondering van kantooractiviteiten groter van 1.500 m2 bedrijfsvloeroppervlak voor zover onderdeel uitmakend van en ondergeschikt aan de ter plaatse gevestigde bedrijven.
  • i. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken en/of gebouwen ten behoeve van een parkeerbedrijf.

6.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1:

  • a. voor bedrijven die niet voorkomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten mits het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die zijn genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in de categorieen 3.1 tot en met 4.2 en 5.1 en mits het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen of kwetsbare objecten.
  • b. voor bedrijven die in de Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn genoemd in de categorieën 1 of 2 indien wordt voldaan aan de volgende eisen:
    • 1. het bouwperceel dient voor minimaal 50% te worden bebouwd, waarbij;
    • 2. voor een bedrijfsactiviteit in categorie 1 sprake dient te zijn van een bouwperceel met een oppervlakte van ten minste 20.000 m2;
    • 3. voor een bedrijfsactiviteit in categorie 2 dient sprake te zijn van een bouwperceel met een oppervlakte van ten minste 10.000 m2;
    • 4. er geen sprake is van een geluidszoneringsplichtige inrichting, risicovolle inrichting en/of kwetsbaar object.