direct naar inhoud van Planregels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22g De Heydael te Duizel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0770.TODHeydael1007-VAST

Planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie De Heydael te Duizel, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TODHeydael1007-VAST zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.

Artikel 4 Doelen

  • 1. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  • 2. De gemeente Eersel staat voor een nieuwe periode van groei waarin behoefte bestaat aan het realiseren van nieuwe woningen in verschillende woonmilieus.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Groen

5.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:

  • a. bermen en beplantingen
  • b. speelvoorzieningen;
  • c. voorzieningen voor langzaam verkeer;
  • d. inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
  • e. calamiteitenroutes;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;


een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

5.2 Beoordelingsregels bouwwerken
5.2.1 Verbod

Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.

5.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 5.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
  • b. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

Artikel 6 Verkeer - Openbaar gebied

6.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer - Openbaar gebied' heeft de volgende functies:

  • a. wegen, straten en voorzieningen voor langzaam verkeer;
  • b. ter plaatse van het werkingsgebied 'langzaam verkeer', uitsluitend langzaam verkeer, bermen en beplantingen;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. bermen en beplantingen;
  • e. speelvoorzieningen;inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;


een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

6.2 Beoordelingsregels bouwwerken
6.2.1 Verbod

Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.

6.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 5.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
  • b. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • c. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 4 m.
6.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. het voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • d. de sociale veiligheid.

Artikel 7 Wonen - 1

7.1 Oogmerk

De regels over 'Wonen - 1' in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het benutten en ontwikkelen van woonpercelen, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;
  • b. het beschermen van gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en,
  • c. het behoud en de samenstelling van de woningvoorraad, als bedoeld in de specifieke doelstellingen voor dit deelgebied.
7.2 Toepassingsbereik gebruiksdoel
  • a. Dit lid is van toepassing op het werkingsgebied 'Wonen - 1'.
  • b. De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:
    • 1. wonen in een woning;
    • 2. tuinen, erven en verhardingen;
    • 3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. Een ander gebruik van een woning, of van bij een woning behorende opstallen, dan voor wonen, is uitsluitend toegestaan voor zover dit in deze paragraaf is aangegeven en met inachtneming van de daarvoor geldende regels.
7.3 Specifieke regels voor het gebruik

a Toegestane gebruiksvormen

Het is toegestaan om een gedeelte van een woning voor aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid te gebruiken, mits wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m².
  • b. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.
  • c. De activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving.
  • d. Er is geen sprake van detailhandel.
  • e. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.


b Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gedeelte van een woning te gebruiken voor een aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid a.


c Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in b wordt alleen verleend als:

  • a. een gedeelte van een woning wordt gebruikt voor één praktijkruimte met een maximale oppervlakte van 100 m² aansluitend aan een woning;
  • b. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
  • c. sprake is van lichte bedrijvigheid die voorkomt in Bijlage 3, dan wel naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de in Bijlage 3 toegelaten milieucategorie A.


d Doelgroepen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor andere doelgroepen bij de betreffende woningcategorie:

  • de doelgroep voor sociale huurwoningen met een huurprijs tot de maximale huurgrens als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal de DAEB-norm.
  • de doelgroep voor middeldure huurwoningen zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,5 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
  • de doelgroep voor betaalbare koopwoningen in het lage segment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,25 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
  • de doelgroep voor betaalbare koopwoningen in het middensegment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,5 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
  • de doelgroep voor betaalbare koopwoningen in het hoge segment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,75 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.


e Instandhouding en minimale gebruiksoppervlakte

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning anders in stand te houden bij de betreffende woningcategorie:

  • sociale huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
  • middeldure huurwoningen dienen gedurende een termijn van 15 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
  • sociale koopwoningen dienen gedurende een termijn van 5 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
  • de koper van een sociale koopwoning heeft gedurende de instandhoudingstermijn de plicht om in de woongelegenheid zijn hoofdverblijfplaats te hebben en zich op dat adres als woonachtige in te schrijven.
  • de minimale gebruiksoppervlakte van woningen bedraagt 50m².


f Informatieplicht

  • Door of namens de eigenaar dient voor de verhuur van sociale of middenhuur woningen jaarlijks een overzicht te worden overlegd aan het college van burgemeester en wethouders waarin aangetoond wordt dat de huurprijzen in lijn zijn met deze regels. Dit geldt gedurende de onder e gestelde instandhoudingstermijn voor de betreffende woningbouwcategorie.
  • Door of namens de verkoper dient de verkoop en doorverkoop van sociale koopwoningen als bedoeld in artikel 7.4.2 van deze regels gedurende de onder e gestelde instandhoudingstermijn, burgemeester en wethouders schriftelijk te informeren, uiterlijk binnen 4 weken na ondertekening van de koopovereenkomst.
  • Dit artikel is niet van toepassing indien de huur- en/of koopwoning wordt geëxploiteerd dan wel verkocht door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet en vallend onder de diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 47 van de Woningwet.
7.4 Beoordelingsregels bouwwerken
7.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in 7.2 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Het totale maximum aantal woningen op de locatie De Heydael gezamenlijk bedraagt 64 woningen.
  • b. Voor het bouwen en in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, dient voor het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk te worden voldaan aan redelijke eisen van welstand, zoals vastgelegd in deel B van het Stedenbouwkundige uitwerking & beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen als Bijlage 4 bij deze regels dan wel de (rechts)opvolger daarvan.
  • c. Hoofdgebouwen mogen worden gebouwd in de volgende typologieën:
    • 1. vrijstaande woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'vrijstaand';
    • 2. twee-aaneengebouwde woningen en geschakelde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'twee-aaneen';
    • 3. aaneengebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'aaneengebouwd';
    • 4. gestapelde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'gestapeld';
  • d. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen gelden de beoordelingsregels in lid 7.4.4.
7.4.2 Woningbouwcategorieën

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van nieuwe woningen op de locatie De Heydael:

  • a. In het totale programma worden voldaan aan onderstaande onderverdeling in wooncategorieën:
    • 1. minimaal 29% van het in artikel 7.4.1 sub a bedoelde aantal woningen moet een sociale huurwoning zijn;
    • 2. minimaal 5% van het in artikel 7.4.1 sub a bedoelde aantal woningen moet een sociale koopwoning in het lage segment zijn;
    • 3. minimaal 13% van het in artikel 7.4.1 sub a bedoelde aantal woningen moet een sociale koopwoning in het midden segment zijn of een middenhuurwoning;
    • 4. minimaal 19% van het in artikel 7.4.1 sub a bedoelde aantal woningen moet een sociale koopwoning in het hoge segment zijn;
7.4.3 Hoofdgebouwen

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen:

  • a. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak.
  • b. De voorgevel moet worden gesitueerd in de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak of op een afstand van niet meer dan 3 m daarachter, met dien verstande dat deze afstand ter plaatse van het werkingsgebied 'plat dak' niet meer dan 10 m mag bedragen.
  • c. Ter plaatse van het werkingsgebied 'plat dak' mag de afstand van de achtergevel van het hoofdgebouw tot de achterste perceelsgrens niet minder dan 7,5 m bedragen.
  • d. De diepte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan:
    • 1. bij vrijstaande woningen: 15 m, waarbij ter plaatse van het werkingsgebied 'plat dak' alleen het bouwdeel dat bestaat uit meer dan één bouwlaag wordt aangemerkt als hoofdgebouw;
    • 2. bij twee-aan gebouwde woningen en geschakelde woningen: 12 m;
    • 3. bij aaneengebouwde woningen: 12 m
    • 4. bij gestapelde woningen: 15 m voor de totale bouwmassa.
  • e. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag:
    • 1. bij vrijstaande woningen aan beide zijden niet minder dan 3 m bedragen;
    • 2. bij twee-aan gebouwde woningen en geschakelde woningen aan één zijde niet minder dan 3 m bedragen;
    • 3. bij aaneengebouwde en gestapelde woningen 0 m bedragen.
  • f. De goothoogte mag niet meer bedragen dan:
    • 1. bij vrijstaande woningen: 6 m;
    • 2. bij vrijstaande woningen met een plat dak, ter plaatse van het werkingsgebied 'plat dak': 7 m;
    • 3. bij twee-aan gebouwde woningen en geschakelde woningen: 4,5 m, tenzij op de verbeelding anders aangegeven;
    • 4. bij aaneengebouwde en gestapelde woningen: 6 m.
  • g. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan:
    • 1. bij vrijstaande woningen: 11 m;
    • 2. bij vrijstaande woningen met een plat dak, ter plaatse van het werkingsgebied 'plat dak': 7 m;
    • 3. bij twee-aan gebouwde woningen en geschakelde woningen: 10 m, tenzij op de verbeelding anders aangegeven;
    • 4. bij aaneengebouwde en gestapelde woningen: 11 m.
  • h. De dakhelling mag niet minder bedragen dan 20 graden en niet meer bedragen dan 50 graden, met dien verstande dat ter plaatse van het werkingsgebied 'plat dak' de dakhelling 0 graden mag bedragen.
  • i. De voorgevellijn mag ter plaatse van het werkingsgebied 'gestapeld' worden overschreden door bijbehorende bouwwerken in de vorm van entreeportalen in 1 bouwlaag al dan niet met balkon of buitenruimte.
  • j. De voorgevellijn mag in aanvulling op de beoordelingsregel onder i uitsluitend worden overschreden met een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. De overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
    • 2. Een erker mag uit maximaal 1 bouwlaag bestaan.
    • 3. De afstand tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
7.4.4 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te bouwen.
  • b. Het bevoegd gezag verleent de bedoelde omgevingsvergunning, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 2,5 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
    • 2. het bebouwingspercentage van de gronden achter de achtergevelrooilijn mag maximaal 50% bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 100 m² per woning.
    • 3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m.
    • 4. met betrekking tot de bouwhoogte geldt het volgende:
      • van bijbehorende bouwwerken mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m
      • indien bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in de perceelsgrens, mag de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer bedragen dan 3,2 m en van daaraf in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrens toenemen tot niet meer dan 5,5 m.
      • indien bijbehorende bouwwerken aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten worden gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m.
7.4.5 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Overkappingen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  • b. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel; niet meer mag bedragen dan 1 m.
  • c. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • d. De gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 20 m² per woning.
7.4.6 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.

7.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
7.5.1 Aantal woningen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in lid 7.4.1 sub a het maximum aantal woningen te vergroten naar 67, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundige uitwerking & beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen als Bijlage 4 bij deze regels dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
  • b. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid;
  • c. er wordt voldaan aan het gemeentelijk woningbouwprogramma.
7.5.2 Afwijkend woningbouwprogramma

Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het bepaalde in lid 7.3 en lid 7.4.2, een omgevingsvergunning verlenen voor woningbouwcategorieën die in strijd zijn met de in die onderdelen bedoelde beoordelingsregels (woningbouwcategorieën, instandhoudingstermijnen en/of minimale gebruiksoppervlakte), als die niet in strijd zijn met de volgende beoordelingsregel:

  • a. De toepassing van de eerder bedoelde beoordelingsregels naar het oordeel van het bevoegd gezag leidt tot een bijzondere hardheid, ten gunste van de aanvrager.
7.5.3 Dakhelling

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in lid 7.4.3 sub f voor het toestaan van een afwijkende dakhelling, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregel:

7.5.4 Diepte hoofdgebouw

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in lid 7.4.3 sub h voor het toestaan van een grotere diepte van een hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de diepte van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 15 m voor zover de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundige uitwerking & beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen als Bijlage 4 bij deze regels dan wel de (rechts)opvolger daarvan.
7.6 Geluidgevoelige gebouwen
7.6.1 Toepassingsbereik

Dit lid is van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw.

7.6.2 Beoordelingsregel geluidgevoelige gebouwen

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de mate van geluidbelasting op het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is, waarbij het bevoegd gezag toetst aan de normstelling en het beoordelingskader, zoals opgenomen in § 5.1.4.2a.4. van het Besluit kwaliteit leefomgeving en:

  • a. de woning beschikt over een geluidluwe gevel zoals voorgeschreven op grond van het gemeentelijk geluidbeleid;
  • b. de buitenruimte van de woning is gelegen aan een geluidluwe gevel conform het gemeentelijk geluidbeleid;
  • c. woningen waarvoor niet kan worden voldaan aan de vereisten onder sub b, zijn opgenomen in afbeelding 11 van Bijlage 6 bij de planregels;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gevel' de gevel van een geluidgevoelig gebouw uitgevoerd wordt als een niet-geluidgevoelige gevel dan wel een niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen conform afbeelding 9 van Bijlage 6 bij de planregels;
  • e. de karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner is dan het verschil tussen het in Bijlage 6, afbeelding 10(a t/m g) opgenomen gezamenlijke geluid en 33 dB.
7.6.3 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 7.6.2 maatwerkvoorschriften stellen met het oog op de bescherming van de gezondheid. Als maatwerkvoorschrift kunnen in ieder geval voorschriften worden gesteld met betrekking tot:

  • a. de realisatie van voldoende gevelwering, waarbij het bevoegd gezag toetst aan de normstelling en het beoordelingskader, zoals opgenomen in § 5.1.4.2a.4. van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • b. de realisatie van dove gevels;
  • c. de realisatie van overdrachtsmaatregelen;
  • d. de indeling van ruimten binnen een bouwwerk.
7.6.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in 7.6.2, worden voor de toetsing aan de beoordelingsregels in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een door een deskundige opgesteld akoestisch onderzoek;
  • b. een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
    • 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
    • 2. de situering van de bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
    • 3. het beoogd gebruik van de ruimten binnen de bouwwerken.
    • 4. als de standaardwaarde, bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat voldoende maatregelen worden getroffen om desondanks een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen.
    • 5. als wordt gekozen voor het toepassen van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, dient een rapport te worden overlegd, waaruit blijkt dat met de beoogde bouwkundige maatregelen kan worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5.78y van het Bkl.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 4.2

8.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4.2' heeft, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.

8.2 Beoordelingsregels bouwwerken

Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 4.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming, alsmede ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:

  • a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  • b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  • c. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 500 m².
8.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde , de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.

De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

8.4 Vergunningplicht voor afwijken
8.4.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
8.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart

De omgevingsvergunning als bedoeld in 8.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.

8.4.3 Advies archeologisch deskundige

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 8.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  • b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 8.5.1 vervatte verbod geldt niet:

  • a. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 500 m2;
  • b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • c. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 8.4.1.
8.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.5.4 Advies deskundige

Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige werkingsgebieden niet meer dan 1 m bedraagt.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Verbod

Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  • b. detailhandel;
  • c. seksinrichting.
11.2 Waterberging

Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van de bestemmingen 'Wonen - 1' te gebruiken indien de waterberging niet binnen 2 maanden na realisatie van de eerste woning is gerealiseerd. De waterberging dient in elk geval 3 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan te zijn gerealiseerd en in stand te worden gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m3 per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak.

11.3 Gebruik ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - spuitzone'
11.3.1 Verbod

Ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - spuitzone' is het verboden om gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen, anders dan met gebruik van niet-chemische middelen en/of methoden.

11.3.2 Wijziging werkingsgebied

Het bevoegd gezag kan het werkingsgebied 'milieuzone - spuitzone' verwijderen dan wel verkleinen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. uit onderzoek is gebleken dat de spuitzone kan worden verkleind al dan niet in combinatie met het treffen van maatregelen die de drift beperken ten behoeve van het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en/of
  • b. er sprake is van gewijzigde wet- en regelgeving, waardoor het hanteren van een spuitzone niet of niet meer in zijn geheel noodzakelijk is; en/of
  • c. het aanwezige agrarische bedrijf gesaneerd is en planologisch uitgesloten is dat een exploitatie met (mogelijk) gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen op de betreffende gronden toegstaan is.

11.4 Gebruik ter plaatse van het werkingsgebied 'wetgevingszone - voorwaardelijke bepaling'
11.4.1 Verbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingszone – voorwaardelijke bepaling’ te gebruiken indien de groeninrichting en landschappelijke inpassing, conform Bijlage 4 Stedenbouwkundige uitwerking & beeldkwaliteitsplan of een soortgelijke landschappelijke inpassing die middels een afwijkingsmogelijkheid is toegestaan, niet binnen 3 jaar na inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan, ter plaatse van de gronden in het plangebied met de functie Groen, is gerealiseerd en in stand wordt gehouden en de storting in het fonds kwaliteitsverbetering buitengebied van €23.829,01 binnen 30 dagen na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is gedaan door initiatiefnemer.

11.4.2 Omgevingsvergunning afwijken groeninrichting - landschappelijke inpassing

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 11.4.1 ten behoeve van de wijziging van Bijlage 4 Stedenbouwkundige uitwerking & beeldkwaliteitsplan, waarbij geldt dat het gewijzigde groeninrichtingsplan en landschappelijke inpassingsplan minimaal gelijkwaardig dient te zijn en moet voldoen aan de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document zoals die geldt op tijdstip van de ontvankelijke aanvraag van de afwijking.

Artikel 12 Overige regels

12.1 Specifieke beoordelingsregels obstakelbeheergebieden

Het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hoger zijn dan de maximaal toelaatbare hoogten (uitgedrukt in meters boven NAP) zoals aangegeven op de Kaarten Obstakelbeheergebieden (Bijlage 5) is in verband met de Vliegfunnel, IHCS en ILS, uitsluitend toegestaan indien voorafgaand aan de vergunningverlening uit een schriftelijk advies van het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, blijkt dat de bouwhoogte geen gevaar vormt voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven.

12.2 Specifieke beoordelingsregels bebouwingscontour houtkap

Ter plaatse van de werkingsgebied 'overig - bebouwingscontour houtkap' zijn de regels uit afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing.

12.3 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten
  • a. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
    Parkeergelegenheid   a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.

    b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.

    c. Aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan.

    d. Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels.

    e. De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden.

     
    Ruimte voor laden en lossen van goederen   a. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.

    b. De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden.

     
    Afwijkingsmogelijkheden   a. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.

    b. De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden.  
  • b. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • 1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte; en,
    • 2. een parkeerbalans en toelichting hierop; en/of
    • 3. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid , te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.